|
De Vrouwe van alle Volkeren,
de Vrouw van Genesis en de Apocalyps
************************************************
I. Vijandschap tussen de Vrouw en de Slang
In zijn diepgaande mariale encycliek Redemptoris Mater van 25 maart 1987 stelde de Dienaar van God, paus Johannes Paulus II:
In het heilsplan van de Allerheiligste Drie-eenheid vormt het mysterie van de menswording de overvloedige vervulling van de belofte die God aan de mensen gedaan heeft na de erfzonde, na die eerste zonde waarvan de uitwerking op heel de geschiedenis van de mens op aarde drukt (vgl. Gen. 3:15). Zie, een Zoon komt ter wereld, het kroost van de vrouw dat het kwaad van de zonde in de wortel zal verslaan: Hij zal de kop van de slang verpletteren. Zoals uit de woorden van het proto-evangelie blijkt, zal de overwinning van de Zoon van de vrouw niet behaald worden zonder een zware strijd die heel de geschiedenis van de mens op aarde zal vullen. De vijandschap die in het begin is aangekondigd wordt bevestigd in de Apocalyps, het boek van de laatste gebeurtenissen van de Kerk en de wereld, waarin opnieuw het teken verschijnt van de vrouw ditmaal bekleed met de zon (Apoc. 12:1).
Maria, de Moeder van het Woord, wordt geplaatst in het centrum van die vijandschap, van die strijd waarmee de mensengeschiedenis op aarde en de heilsgeschiedenis zelf vergezeld gaan. Op die plaats draagt zij die bij de nederigen en armen van de Heer hoort, als geen andere mens de heerlijkheid van de genade in zich waarmee de Vader ons begiftigd heeft in de Geliefde, en deze genade bepaalt de buitengewone grootheid en schoonheid van heel haar wezen. Zo blijft Maria voor God en ook voor de gehele mensheid als het onveranderlijke en onschendbare teken van de uitverkiezing door God waarover Paulus in zijn Efesebrief spreekt: In Christus . . . heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld . . . en ons voorbestemd zijn kinderen te worden (Ef. 1:4). Deze uitverkiezing is machtiger dan iedere ervaring van het kwaad en van de zonde, dan heel die vijandschap waardoor de geschiedenis van de mens getekend wordt. In deze geschiedenis blijft Maria een teken van vaste hoop.
Dank zij deze speciale band die de Moeder van Christus met de Kerk verbindt, wordt het mysterie duidelijker van de vrouw die vanaf de eerste hoofdstukken van het boek Genesis tot aan de Apocalyps de openbaring van Gods heilsplan ten opzichte van de mensheid vergezelt. Maria die als Moeder van de Verlosser aanwezig is in de Kerk, neemt inderdaad op moederlijke wijze deel aan de kolossale strijd tegen de machten van de duisternis die zich ontwikkelt gedurende heel de geschiedenis van de mensheid.
Het schijnt mij toe dat de woorden die Ida Peerdeman van 25 maart 1945 tot 31 mei 1959 ontving, gelezen en begrepen moeten worden binnen deze door de paus geschetste context. Ik geloof in feite dat alle belangrijke Mariaverschijningen die de Kerk als gelovenswaard heeft erkend sinds die van Guadalupe in 1531 de strijd weerspiegelen tussen de Vrouw en de Slang.
Laten we beginnen met Guadalupe. De bijzondere afbeelding van de Maagd, niet door mensenhanden gemaakt, toont haar staande op een zwarte maansikkel, waarin sommige geleerden de slangengod zien van de Azteken, Quetzalcoatl, aan wie jaarlijks miljoenen mensenoffers werden gebracht. Helen Behrens2, een beroemde Guadalupe-expert, geeft aan de afbeelding en aan de naam Guadalupe de volgende uitleg:
Noch bisschop Zumárraga noch enige andere Spaanse prelaat heeft kunnen uitleggen waarom [Maria] wilde dat haar beeltenis de Guadalupe was. De reden hiervan moet zijn dat ze deze term helemaal niet heeft gebruikt. Ze sprak in de lokale taal, en de combinatie van woorden die ze gebruikte moet in de oren van de Spanjaarden hebben geklonken als de Guadalupe. Het Azteekse te coatlaxopeuh heeft een vergelijkbare klank. Te betekent steen; coa betekent slang, tla is de uitgang van een zelfstandig naamwoord die als de kan worden geïnterpreteerd, en xopeuh betekent verpletteren of uitroeien. Haar kostbare afbeelding zal dus bekend worden (onder de naam van) de Volkomen Volmaakte Maagd, de Heilige Maria, en deze zal de stenen slang verpletteren, uitroeien, er een eind maken aan of vernietigen.
De Vrouw die de stenen slang verplettert heeft aantoonbaar de grootste evangelisatiebeweging in de geschiedenis van de Kerk bewerkt. Binnen zeven jaar na de verschijning aan de H. Juan Diego vroegen acht miljoen oorspronkelijke bewoners om het doopsel, waarmee een van de meest wrede en duivelse culten die de wereld heeft gekend vrijwel werd uitgeroeid.
Een andere zeer belangrijke uitbeelding van de Vrouw die de slang verplettert werd aan de H. Catherine Labouré getoond in een visioen op 27 november 1830 in de kapel van de Dochters van Liefde van de H. Vincent de Paul in de Rue du Bac in Parijs. Zij zag daar Maria zoals wij haar vandaag kennen als O.L.Vrouw van Genade of van de wonderdadige medaille, met haar voet op de kop van de slang. Vreemd genoeg wordt in geen van de geschriften van Catherine de slang vermeld, maar zoals pater Joseph I. Dirvin, C.M. schrijft:
Het is zo goed als zeker dat Catherine de details over de slang en de sterren in elk geval mondeling aan haar leidsman heeft overgebracht, want ze keurde de medaille goed waarop in het begin deze beide details waren afgebeeld. Bovendien beschreef ze in 1836, toen de kunstenaar LeCerf schilderijen aan het maken was van de verschijningen, de slang aan haar leidsman als groen met gele vlekken een nogal afschrikwekkende slang die de gevoelens van een kunstenaar beslist kon kwetsen!
Deze afbeelding van Maria, die letterlijk miljoenen malen is gereproduceerd op medailles en in de vorm van beelden en schilderijen stond bij generaties katholieken in hun ziel gegrift, en roept onmiddellijk de profetie in herinnering uit Genesis 3:15 en het beeld van de Vrouw bekleed met de zon uit hoofdstuk 12 van de Apocalyps.
Bij de verschijning van Maria in Fatima in juli 1917 zien de herderskinderen geen beeld van een slang of draak, maar een angstaanjagend visioen van het koninkrijk van de vorst der duisternis. Laten we luisteren naar Lúcias verhaal over het gebeuren:
Offer jezelf op voor de zondaars, en zeg vaak tot Jezus, vooral steeds wanneer jullie een offer brengen:
O Jezus, het is uit liefde voor U, voor de bekering van zondaars, en om de zonden tegen het Onbevlekte Hart van Maria goed te maken.
Terwijl Maria deze laatste woorden sprak, opende ze nogmaals haar handen, zoals ze dat ook de twee voorafgaande maanden had gedaan. De lichtstralen leken de aarde te doordringen en we zagen als het ware een zee van vuur. In dit vuur waren demonen geworpen en zielen in menselijke vorm, als doorzichtige brandende sintels, helemaal zwart of bronskleurig gloeiend, ronddrijvend in de vuurzee, nu eens omhoog gedreven door vlammen die samen met grote rookwolken uit henzelf naar buiten kwamen, dan weer overal in het rond als vonken in het vuur terugvallend, zonder gewicht of evenwicht, onder kreten en gekerm van pijn of wanhoop, zodat wij ontzet waren en beefden van angst. (De mensen zeiden dat ik het uit had geschreeuwd, dat moet door dit beeld zijn gekomen). De demonen waren te herkennen aan hun afschrikwekkende en afstotelijke gelijkenis met enge en onbekende dieren, zwart en transparant als brandende kolen. Doodsbang, en als om hulp te smeken, keken we op naar O.L.Vrouw, die tegen ons zei, zo vriendelijk en zo bedroefd:
Jullie hebben de hel gezien waar de zielen van de arme zondaars naar toe gaan. Om ze te redden wil God in de wereld de devotie tot mijn Onbevlekt Hart vestigen. Wanneer hetgeen ik tot jullie zeg is volvoerd, zullen veel zielen worden gered en zal er vrede zijn.
Let wel dat het middels Marias handen is dat de kinderen het visioen zien; zij heeft de macht om de verschrikkingen van de hel te laten zien omdat de hel aan haar onderworpen is.
De boodschappen aan Ida Peerdeman zijn apocalyptisch, maar van een ander genre, meer zoals het derde geheim van Fatima. Bij alle taferelen, vooral die tussen 1945 en 1950, vormt de geestelijke strijd een soort constante achtergrond. De Vrouwe zegt tot Ida: Dat is de geestelijke strijd, die over de wereld rondgaat. Die is nog erger dan de andere en ze [de wereld] wordt ondermijnd.Een andere keer ziet Ida hoe de Vrouwe haar hand boven de St. Pieter houdt en zegt: Dat zal en moet beschermd worden. Die andere geest dringt zo ontzettend door.Ook zegt ze: Gij zult dit zeggen: Christenheid, gij kent uw groot gevaar niet. Er is een geest om u te ondermijnen. Maar
en zij maakt met de hand een teken van zegenen
de zege is aan Ons.Er is een duidelijke toespeling op het koninkrijk der duisternis in het gebed dat de Vrouwe geeft: Laat de Heilige Geest wonen in de harten van alle volkeren, opdat zij bewaard mogen blijven voor verwording, rampen en oorlog.
De geestelijke strijd die Ida ziet is veel verraderlijker dan materiële oorlogvoering. De Vrouwe gaat daar op 28 maart 1951 nader op in:
Weet gij, kind, wat voor een tijdperk dit is? Dit tijdperk heeft de wereld in de eeuwen nog niet doorgemaakt, zon verval van geloof! ... in deze moderne tijd, in deze moderne wereld, die zo vlug en snel in het materiële weet te handelen, moet ook in het geestelijke snel, vlug en modern gehandeld worden. ...
Rome denkt nog steeds dat het sterk staat, maar het weet niet hoe het ondermijnd wordt. ... Weet gij wel dat theologie moet wijken voor de zaak van mijn Zoon?
Rome moet zijn taak kennen in deze tijd. Weet Rome wel welke vijand loert en als een slang tussen de wereld kruipt? En dan spreek ik niet alleen over het communisme; er komen nog andere profeten, valse profeten!
Wat steeds meer naar voren komt naarmate de beelden zich ontvouwen, is dat in deze geestelijke strijd een speciale rol is weggelegd voor de theologen, want het tijdperk van ware vrede in Kerk en wereld hangt af van de erkenning van de unieke rol die God aan Maria heeft gegeven. Nu de Kerk de belangrijkste waarheden over haar persoon haar Onbevlekte Ontvangenis, haar Goddelijk Moederschap, haar Eeuwige Maagdelijkheid en haar Glorieuze Tenhemelopneming heeft uitgesproken, wordt het tijd de volkomen unieke rol te erkennen die Maria speelde en speelt als Medeverlosseres, Middelares van alle Genaden en Voorspreekster. Zo zegt de Vrouwe tot Ida:
Mijn bedoeling en opdracht aan jou is niets anders dan de Kerk, de theologen, aan te zetten tot deze strijd. Immers, de Vader, de Zoon, de Geest wil de Vrouwe, die uitverkoren was om de Verlosser te brengen, als Medeverlosseres en Voorspreekster in deze wereld brengen. Ik heb gezegd: deze tijd is onze tijd. Daarmee bedoel ik het volgende. De wereld is in verwording en vervlakking, weet niet welke kant heen. Daarom zendt de Vader mij om Voorspreekster te zijn dat de Heilige Geest zal komen.
De pijnen, geestelijk en lichamelijk, heeft de Vrouwe, de Moeder, meegeleden. Voorafgegaan is zij immer. Toen de Vader haar uitverkoren had, was zij reeds de Medeverlosseres met de Verlosser, die in de wereld kwam als Mens-God. Zeg dat uw theologen.
Ik weet wel, de strijd zal zwaar en groot zijn
en dan glimlacht de Vrouwe voor zich heen en het is alsof zij in de verte tuurt,
maar het is reeds voorbestemd.
Laten we nu luisteren naar de woorden die de Vrouwe tot Ida sprak op 15 augustus 1951: Ik heb met mijn voet de slang verpletterd. Ik ben verenigd geworden met de Zoon, zoals ik altijd verenigd was met Hem. Dit, het dogma, is voorafgegaan in de kerkgeschiedenis. De Vrouwe heeft inderdaad de slang verpletterd; de genade van de Verlossing is uitgestort, maar moet nog toegeëigend worden. De zege staat inderdaad vast, maar het tijdstip ervan hangt af van wat u en ik doen en ik kan geen andere verklaring vinden voor de ongelofelijke tegenstand en zelfs vijandigheid ten opzichte van het voorgestelde dogma dan dat de slang op deze manier probeert de zaak verder te obstrueren. De tegenstand stamt al van voor het Tweede Vaticaans Concilie en hiervan getuigden de debatten tijdens de zittingen en achter de schermen. Zoals de Dienaar van God Johannes Paulus II het zeer fijngevoelig en diplomatiek verwoordde in zijn mariale catechese van 13 december 1995:
Tijdens de zittingen van het Concilie wilden veel vaders de mariale leer verder verrijken met andere verklaringen over Marias rol in het heilswerk. De specifieke context van het mariologische debat van Vaticanum II liet niet toe dat aan deze wensen tegemoet werd gekomen, hoewel die talrijk waren en bij velen leefden, maar de hele discussie over Maria op het Concilie blijft krachtig en evenwichtig, en de kwesties zelf, hoewel niet volledig gedefinieerd, kregen voldoende aandacht bij de algehele behandeling.
Het punt is dat het Concilie de deur naar verdere preciseringen van Marias rol in het verlossingswerk niet dichtgooide en niet kón dichtgooien, ook al willen in onze tijd veel commentatoren ons dat doen geloven. De aanhoudende controverse hierover waar Ida vaak door de Vrouwe op wordt gewezen, lijkt door te klinken in wat Maria op 13 oktober 1973 tot zuster Agnes Sasagawa zei: Het werk van de duivel zal zelfs de Kerk infiltreren op zodanige wijze dat men kardinalen zal zien opstaan tegen kardinalen, bisschoppen tegen andere bisschoppen. De priesters die mij vereren zullen door hun confraters beschimpt en tegengewerkt worden.
Wat ik eenvoudigweg wil zeggen is dat in de Kerk de mariale leer nooit marginaal is, of franje. Aan de erkenning van de rol die de Heer aan Maria heeft gegeven zit ongetwijfeld veel vast. Hoe passend is het wat Ida de Vrouwe met zo veel nadruk hoorde zeggen op het feest van de Tenhemelopneming in 1951:
Weet gij wel, Rome, hoe alles ondermijnd wordt? Jaren zullen vervliegen, jaren zullen daar overheen gaan. Maar hoe meer jaren, hoe minder geloof; hoe meer jaren, hoe meer afval.
II. Middelares van alle Genaden
In de loop van het tweede millennium is de Katholieke Kerk tot een steeds duidelijker begrip gekomen van Marias rol als uitdeelster van alle genaden van de verlossing, waarin zij een actieve rol had. Dit is bevestigd door alle pausen van de moderne tijd, ook al weigerde het Tweede Vaticaans Concilie vanwege complex gemanoeuvreer achter de schermen en op de vergadervloer hier een feitelijke uitspraak over te doen. Het concilie erkende dat Maria terecht Middelares genoemd kan worden, maar zag ervan af te stellen dat zij door de uitdrukkelijke wil van God Middelares van alle Genaden is.Vandaar dat de volgende woorden van paus Benedictus XVI in zijn homilie van 11 mei 2007, bij de heiligverklaring van Frei Antônio de SantAna Galvão in Campo de Marte, São Paulo, Brazilië, aanvullen en completeren wat het Concilie leert, en gerust als representatief beschouwd kunnen worden voor wat zijn voorgangers de afgelopen 150 jaar hebben geleerd:
Maria, Moeder van God en onze Moeder, is ons op dit moment bijzonder nabij. Frei Galvão bevestigde op profetische wijze de waarheid van de Onbevlekte Ontvangenis. Zij, de Tota Pulchra, de allerzuiverste Maagd, die in haar schoot de Verlosser van de mensheid ontving en bewaard werd voor elke smet van de erfzonde, wil de definitieve bezegeling zijn van onze ontmoeting met God onze Redder. Er is in de heilsgeschiedenis geen vrucht van de genade die niet als noodzakelijk instrument de bemiddeling van de Moeder Gods heeft.
Beste vrienden, vergun mij te eindigen met te herinneren aan de Gebedswake in Marienfeld in Duitsland: in aanwezigheid van een menigte jongeren sprak ik over de heiligen van onze tijd als ware hervormers. En ik voegde eraan toe: Alleen van de heiligen, alleen van God komt de ware revolutie, de definitieve manier om de wereld te veranderen (homilie, 20 augustus 2005). Dit is de uitnodiging die ik vandaag wil doen aan u allen, niemand uitgezonderd, in deze Eucharistie zonder grenzen. God zei: Wees heilig zoals Ik heilig ben (Lev. 11:44). Laten we God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest dankzeggen, van wie wij op voorspraak van Maria alle zegeningen van de hemel ontvangen; van wie wij deze gift ontvangen die, samen met het geloof, de grootste genade is die een schepsel kan krijgen: de vurige wens om tot volheid in de liefde te komen, in de overtuiging dat heiligheid niet alleen mogelijk maar ook noodzakelijk is voor iedereen in zijn of haar eigen levenssituatie, teneinde de wereld het ware gelaat van Christus, onze vriend, te laten zien! Amen!
Deze katholieke overtuiging vinden we waarschijnlijk het treffendst uitgebeeld in O.L. Vrouw van de wonderdadige medaille, zoals zij aan de H. Catherine Labouré verscheen op 27 november 1830.
Aan elk van haar vingers zaten drie edelstenen van verschillende grootte en daar kwamen lichtstralen vanaf die op de bol onder haar voeten vielen. Maar van sommige stenen kwam geen enkele straal.
Net toen ik hierover zat te denken zo vervolgt Catherine wendde de Heilige Maagd haar blik naar mij, en binnen in mij sprak een Stem: De bol die je ziet is de wereld; daar is Frankrijk en iedere aardbewoner bij inbegrepen. De lichtstralen die van mijn handen komen zijn de genaden die ik uitstort over hen die daar om vragen.
De Heilige Maagd liet me begrijpen met welk een gulheid en vreugde ze genaden uitreikte. Maar, zei ze, er zijn ook genaden waar men mij niet om vraagt, en daarom zie je uit sommige stenen geen lichtstralen komen.
In het derde deel van haar herinneringen, dat ze op 31 augustus 1941 afmaakte, geeft Lúcia ons het volgende, diepgaande inzicht in de bemiddeling van het Onbevlekte Hart van Maria:
Zoals ik al in het tweede deel heb geschreven, vertelde de H. Maagd me op 13 juni 1917 dat ze me niet in de steek zou laten en dat haar Onbevlekt Hart mijn toevlucht zou zijn en de weg die me naar God zou leiden. Terwijl Ze die woorden sprak, opende ze haar handen, en daaruit stroomde een licht dat tot in het diepst van ons hart doordrong. Ik denk dat op die dag (van de tweede verschijning) het licht in de eerste plaats bedoeld was om ons te vervullen van een speciale kennis van en liefde voor het Onbevlekte Hart van Maria, zoals dat naar mijn idee bij de twee andere gelegenheden het geval was met betrekking tot God en het mysterie van de Allerheiligste Drie-eenheid.
Sinds die dag waren onze harten vervuld van een vuriger liefde voor het Onbevlekte Hart van Maria. Van tijd tot tijd zei Jacinta tegen me: De Dame zei dat haar Onbevlekte Hart je toevlucht zal zijn, en de weg die je naar God zal leiden. Vind je dat niet geweldig? Haar hart is zo goed! Ik houd er zo veel van!
Hier zijn de beelden van de bemiddeling van de H. Maagd bijzonder treffend. Haar hart zal Lúcias toevlucht zijn en de weg die haar naar God zal leiden. Ten tweede is er het beeld van Marias handen die opengaan en het licht dat eruit stroomt. Dit doet denken aan het visioen van de H. Catherine Labouré, maar hier begrijpen we dat men door Marias bemiddeling speciale inzichten kan verwerven in de Allerheiligste Drie-eenheid en in haar Onbevlekt Hart.
Lúcia bericht ons vervolgens een paar bijzondere inzichten van haar kleine nichtje Jacinta:
Jij zult hier blijven om bekend te maken dat God de devotie tot het Onbevlekt Hart van Maria in de wereld wil vestigen. Als je dit moet zeggen, kruip dan niet weg. Zeg tot iedereen dat God ons genaden schenkt door het Onbevlekt Hart van Maria; dat de mensen erom moeten vragen; en dat het Hart van Jezus wil dat het Onbevlekt Hart van Maria aan zijn zijde word vereerd. Zeg ze ook te bidden tot het Onbevlekt Hart van Maria om vrede, want die heeft God aan haar toevertrouwd. Kon ik maar in ieders hart het vuur leggen dat in mijn eigen hart brandt, en waardoor ik zo veel van de Harten van Jezus en Maria houdt!
Hier zien we dat de Zalige Jacinta vast overtuigd is van de bemiddeling van het Onbevlekt Hart van Maria bij God en dat het Hart van Jezus wil dat het Onbevlekt Hart van Maria aan zijn zijde wordt vereerd, waarmee bevestigd wordt dat erkenning van Marias unieke medeverlossende en bemiddelende rol de wil van Jezus is.
Nu is het zeer interessant dat de houding van de Vrouwe op de beeltenis die Ida van haar moest laten schilderen en die Ida zelf op 31 mei 1951 had gezien, een sterke gelijkenis vertoont met die van de beeltenis op de wonderdadige medaille. Toch zijn er ook een aantal verschillen. Een verschil is dat de Vrouwe voor het kruis staat, hetgeen duidt op haar medewerking aan het verlossingswerk voor ons. Een ander verschil is dat de aardbol omgeven wordt door kudden schapen. Laten we horen hoe Ida dit beschrijft:
Dan zegt de Vrouwe tegen mij: Kind, prent deze voorstelling goed in je geheugen en geef het goed weer. Deze voorstelling van de kudde schapen betekent de volkeren van heel de wereld, die niet eerder rust zullen vinden dan als ze zich neerleggen en in rust opzien tot het kruis, het middelpunt dezer wereld.
Kijk nu naar mijn handen en vertel wat gij ziet.
Nu is het alsof er in het midden van haar handen een wond geweest is en daaruit komen, uit elke hand, drie stralen, welke schijnen op de schapen.
De Vrouwe glimlacht en zegt: Dit zijn drie stralen, de stralen van Genade, Verlossing en Vrede. Door de Genade van mijn Heer en Meester zond de Vader, uit liefde voor de mensheid, zijn enige Zoon als Verlosser op de wereld. Zij beiden willen nu de Heilige, de ware Geest zenden, die alleen Vrede kan zijn. Dus: Genade, Verlossing, Vrede.
De Vader en de Zoon willen Maria, de Vrouwe van alle Volkeren, als Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster zenden in deze tijd. Hier heb ik je een duidelijke en klare uitleg gegeven van deze beeltenis. Daarmede is deze beeltenis af.
Bijzonder treffend is hier dat Marias handen de stigmata vertonen. Ik geloof dat dit iets totaal nieuws is in de mariale iconografie, maar picturaal geheel verantwoord. Na Jezus, de God-mens, heeft geen menselijk schepsel inclusief alle gestigmatiseerden uit de geschiedenis meer in het verlossende lijden van Jezus gedeeld dan zijn Moeder. Laten we luisteren naar de woorden van de Dienaar Gods paus Johannes Paulus II in zijn mariale catechese van 9 april 1997, die een getrouwe weerklank vormt van hetgeen zijn voorgangers over deze belangrijke kwestie leerden:
Toegepast op Maria krijgt de term medewerker een specifieke betekenis. De medewerking van de christenen in de verlossing vindt plaats na het gebeuren op Calvarië, waarvan zij de vruchten gaan verspreiden door gebed en offers. Maria echter werkte mee tijdens het gebeuren zelf en in de rol van moeder; aldus omvat haar medewerking geheel Christus verlossingswerk. Zij alleen was op deze wijze verbonden met het verlossingsoffer dat het heil verwierf voor de hele mensheid. In vereniging met Christus en in onderwerping aan Hem, werkte zij mee in het verwerven van de heilsgenade voor de hele mensheid.
De afbeelding van de Vrouwe laat dus op opmerkelijke wijze zien dat Marias bemiddeling van genade, verlossing en vrede voortvloeit uit haar rol van Medeverlosseres: juist uit haar gewonde handen stromen de genaden van de Verlossing. Zij zou deze boodschap nogmaals tegenover Ida herhalen op 2 juli 1951 met nadere uitleg:
Kijk nu goed naar mijn handen. Daaruit komen de stralen van Genade, Verlossing en Vrede. De stralen schijnen op al de volkeren, op alle schapen. Onder deze mensen zijn er velen van goede wil. Van goede wil zijn, wil zeggen: het eerste en voornaamste gebod onderhouden. Het eerste en voornaamste gebod is Liefde. Wie liefde bezit, zal zijn Heer en Schepper vereren in zijn schepping. Wie liefde bezit, zal niets oneerbaars doen tegenover de naasten. Dat is hetgeen in deze wereld ontbreekt: Godsliefde, Naastenliefde.
De Vrouwe geeft aan dat de stralen schijnen op al de volkeren, op alle schapen. Onder deze mensen zijn er velen van goede wil. Heel duidelijk zegt zij hier dat de genaden die zij bemiddelt er niet alleen zijn voor de katholieken, zelfs niet alleen voor de christenen, maar voor alle mensen van goede wil. Alle volkeren moeten weten dat de genade van de Verlossing komt van Jezus door Maria. Hoe explicieter deze kennis is, des te meer kunnen alle volkeren er profijt van hebben. De roep om het dogma is ook een roep om de nieuwe evangelisatie.
III. De Voorspreekster voor de hele mensheid met Jezus en de Heilige Geest
In de ongelofelijk rijke homilie van onze heilige Vader in Guayaquil, Ecuador op 31 januari 1985, die ik hiervoor heb geciteerd, zei hij dat de rol van Maria als Medeverlosseres niet eindigde bij de verheerlijking van haar Zoon en vervolgens legde hij uit:
De Kerk gelooft dat de ten hemel opgenomen Allerheiligste Maagd voor altijd bij Christus is en daar voor ons ten beste spreekt (vgl. Heb. 7:25), en dat bij het goddelijke middelaarschap van haar Zoon zich de aanhoudende smeekbeden van zijn Moeder voegen ter wille van de mensen, haar zonen en dochters.
Maria is de dageraad en de dageraad kondigt altijd de komst van de zon aan. Daarom zou ik niets liever willen, broeders en zusters van Ecuador, dat jullie met diepe liefde de Moeder van Christus en de Kerk eren en dat jullie tot haar, de smekende almacht (omnipotentia supplex), jullie toevlucht nemen, opdat zij jullie steeds dichter bij Christus, haar Zoon en onze Middelaar, zal brengen.
Er zijn minstens twee punten die in deze leerstellig zo rijke uiteenzetting naar voren komen. Ten eerste heeft Maria deel aan de priesterlijke voorspraak van de verheerlijkte Christus, die nu aan de rechterhand van de Vader zit, waar Hij onophoudelijk onze Voorspreker is. In vereniging met Jezus (vgl. Heb. 7:25; 1 Joh. 2:1) en de Heilige Geest (vgl. Joh. 14:16, 26; 15:26; 16:7) is zij ook onze Voorspreekster. En ten tweede wordt Marias bemiddelende rol nader gepreciseerd: zij is de omnipotentia supplex, de smekende almacht, dat wil zeggen dat ze zowel smeekt als almachtig is. Met deze paradoxale term omschreef paus Johannes Paulus II bij een aantal gelegenheden de voorspraak van de H. Maagd.Misschien is een van de beste verklaringen van deze term die van de heilige Alphonsus Maria de Liguori:
Opdat de Moeder dezelfde macht zou hebben als de Zoon, heeft Jezus, die almachtig is, ook Maria almachtig gemaakt; al is het natuurlijk zo dat Jezus van nature almachtig is, en Maria slechts door genade. Maar dat zij dit is blijkt uit het feit dat wat de Moeder ook vraagt, de Zoon haar nooit weigert.
Maria wordt daarom almachtig genoemd in zoverre een dergelijke term kan worden toegepast op een schepsel waaraan geen goddelijke eigenschappen kunnen worden toegeschreven; dat wil zeggen, zij is almachtig omdat ze door haar gebeden alles verkrijgt waar ze om vraagt.
Omdat Maria Medeverlosseres en Middelares van alle Genaden is, is zij ook de meeste perfecte menselijke Voorspreekster bij de heilige Drie-eenheid. Deze titel heeft diepe wortels in de katholieke traditie en is al terug te vinden bij de heilige Irenaeus in de tweede eeuw. De titel komt voor in het Salve Regina ( Wees gegroet, o Koningin), waarin we bidden: Onze Voorspreekster, sla op ons uw barmhartige ogen. In het pauselijk magisterium wordt het woord Voorspreekster letterlijk honderden keren voor Maria gebruikt en steeds weer naar haar voorspreeksterschap verwezen. Het grote mariale document van het Tweede Vaticaans Concilie erkende zelfs volmondig dat Maria terecht wordt aangeroepen als Voorspreekster.In zijn grote mariale encycliek Redemptoris Mater heeft Johannes Paulus een briljante analyse gegeven van de nauwe relatie tussen Marias rol van Voorspreekster en haar rol van Middelares:
Te Kana in Galilea toont zich slechts een concreet, schijnbaar klein en onbeduidend aspect van de menselijke behoeftigheid (Zij hebben geen wijn meer). Maar het heeft symbolische waarde. Dat tegemoetkomen aan de noden van de mensen betekent tegelijk dat zij hen binnenleidt in de straal van de messiaanse zending en van de heilbrengende macht van Christus. Er is dus een bemiddeling: Maria plaatst zich tussen haar Zoon en de mensen in de werkelijkheid van hun ontberingen, armoede en lijden. Zij plaatst zich midden tussen, d.w.z. zij wordt middelares, niet als een vreemdelinge maar in haar positie van moeder, zich ervan bewust dat zij als zodanig in staat is zelfs het recht heeft - om de noden van de mensen aan de Zoon voor te leggen. Haar middelaarschap heeft dus het karakter van tussenkomst: Maria komt tussenbeide voor de mensen. En dat is niet alles. Als moeder verlangt zij ook dat de messiaanse macht van de Zoon zich openbaart ofwel zijn heilsmacht die erop gericht is de mens te hulp te komen in zijn ongeluk, hem te bevrijden van het kwaad dat in verschillende vormen en graden zijn leven bezwaart.
Op 31 mei 1955 gaf de Vrouwe aan Ida de duidelijkste beschrijving van haar rol van Voorspreekster:
Gij zult nog veel meemaken in deze eeuw. Gij, volkeren van deze tijd, weet toch dat gij staat onder de bescherming van de Vrouwe van alle Volkeren. Roept haar aan als Voorspreekster, vraagt haar om alle rampen af te wenden. Vraagt haar, de verwording uit deze wereld te verbannen.
Van verwording komen rampen, van verwording komen oorlogen. Gij zult door mijn gebed vragen dit van deze wereld af te wenden. Gij weet niet hoe groot en hoe voornaam dit gebed is bij God. Hij zal zijn Moeder verhoren als zij wil zijn uw Voorspreekster.
IV. Conclusie
Zijn belangrijke, maar helaas grotendeels vergeten encycliek van 8 mei 1928, Miserentissimus Redemptor, sloot paus Pius XI met dit gebed af:
Moge de meest genadige Moeder van God, die ons Jezus als Verlosser gaf, die Hem grootbracht en aan de voet van het Kruis als slachtoffer voor ons offerde, die door haar mysterievolle vereniging met Christus en door haar ongeëvenaarde genade terecht de naam van Eerherstelster verdient, moge zij welwillend neerzien op onze wensen en onze ondernemingen. Vertrouwend op haar voorspraak bij Christus onze Heer, die, hoewel enige Middelaar tussen God en mens (1 Tim. 2:5), zijn Moeder de Voorspreekster voor de zondaars wilde maken en de Verleenster en Middelares van zijn genade, verlenen wij uit de grond van ons hart als een teken van hemelse gunst en van onze vaderlijke bezorgdheid aan u en aan alle gelovigen die aan uw zorg zijn toevertrouwd onze apostolische zegen.
Als men de tekst zorgvuldig leest, zal men ontdekken dat Pius XI in feite de Moeder Gods als Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster ziet. Daarvoor is het onder andere nodig te begrijpen dat het Latijnse woord Reparatrix dat de paus gebruikte een equivalent is van het woord Medeverlosseres. Door het offer van zijn dood voor ons aan het kruis, repareerde, herstelde Jezus onze relatie met de Vader; Hij gaf Hem genoegdoening. Als de nieuwe Eva aan de zijde van de nieuwe Adam was Maria verenigd met Hem in deze daad van genoegdoening op een secondaire, ondergeschikte en van Hem afhankelijke manier, maar tegelijkertijd op heel unieke wijze. Vandaar dat zij terecht kan worden genoemd Reparatrix of Medeverlosseres.Ten tweede wees de paus erop dat Jezus, de God-mens, weliswaar de enige Middelaar is tussen de Schepper en zijn schepselen, maar zijn Moeder de Verleenster en Middelares van zijn genade wenste te maken. Ten derde stelde de paus tevens dat de Heer zijn moeder de Voorspreekster voor de zondaars wilde maken.
Als we de titels Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster met elkaar verbinden, kunnen we op een logische en coherente manier Marias rol in onze verlossing begrijpen: het is juist vanwege de unieke en intieme deelname van de H. Maagd aan het verlossingswerk als Medeverlosseres dat zij de Uitdeelster (Middelares) van alle genaden en de grote Voorspreekster voor haar kinderen kan zijn na Jezus zelf en de Heilige Geest. Ja, elk van deze termen brengt een ander facet naar voren van de ongeëvenaarde wijze waarop Maria deel heeft aan de unieke priesterlijke bemiddeling van Jezus: zij neemt deel aan het werk van onze verlossing; zij verdeelt de genaden van de verlossing; haar leven bestaat eruit voor ons ten beste te spreken.
Deze drie titels vertegenwoordigen het steeds diepere inzicht van de Kerk in de unieke rol die de Moeder van God speelt in het verlossingswerk, niet alleen in het verleden, maar ook hier en nu. De titels zijn niet nieuw, en nog veel minder is hun inhoud nieuw. De rol van Maria in het werk van onze verlossing is in de afgelopen eeuwen de centrale vraag in de mariologie geweest en zoals de vaders van het Tweede Vaticaans Concilie terecht hebben opgemerkt: Maria, die zo diepgaand heeft deelgenomen aan de heilsgeschiedenis, verenigt in zich en weerspiegelt in zekere zin de grootste leerstukken van het geloof. Daarom is deze kwestie naar mijn oordeel bepaald niet van ondergeschikt belang maar de belangrijkste kwestie waar de theologie vandaag voor staat. Tot dusver heeft de grote meerderheid van de katholieke theologen geweigerd duidelijk te bevestigen wat de Heilige Geest de Kerk het afgelopen millennium heeft geleerd over Maria en in plaats daarvan de voorkeur gegeven aan het compromis en minimalisme. Men hoeft alleen maar de overeengekomen verklaringen te raadplegen zoals Mary in the New Testament, The One Mediator, The Saints, and Mary, de veelgeprezen verklaring van de Groupe des Dombesen de overeengekomen verklaring van de ARCIC over Maria van 2005. Katholieke pastores hebben, een enkele uitzondering daargelaten, bijna volstrekte stilte betracht over dit onderwerp en het is op dit moment inderdaad zo dat velen echt onwetend zijn over de duizendjarige traditie van de Kerk.
Maar zoals de Vrouwe herhaaldelijk tegenover Ida heeft benadrukt: nu is het de tijd om te handelen. Als God Maria het grootste en meest volmaakte schepsel heeft gemaakt en haar een volstrekt unieke rol in het verlossingswerk heeft gegeven, altijd ondergeschikt aan de God-mens en afhankelijk van Hem hebben we dan enig recht dit te ontkennen of hierover te zwijgen? Jezus vormt het centrum van ons geloof en Maria staat naast Hem. Nee, zij is niet het centrum van ons geloof, maar ze staat naast het centrum. Ze is onafscheidelijk van Jezus, door een onlosmakelijke band met Hem verenigd en evenzeer door een onlosmakelijke band verenigd met de Kerk. Dat is wat de boodschappen van de Vrouwe van alle Volkeren benadrukken, maar dit is geen nieuwe leer: het is de eeuwige leer van de Kerk, nu helaas maar al te vaak onbekend, verkeerd begrepen of verduisterd. Wij moeten deze doctrine bekendmaken, nederig, maar vol vreugde. We moeten bidden en offeren, zodat de dogmaverklaring waar de Vrouwe om vraagt plaatsvindt. Ik denk dat we haar woorden aan Rome ook voor onszelf moeten laten gelden:
Weet gij wel, Rome, hoe alles ondermijnd wordt? Jaren zullen vervliegen, jaren zullen daar overheen gaan. Maar hoe meer jaren, hoe minder geloof; hoe meer jaren, hoe meer afval.
De Heer vraag onze medewerking, net als Hij die van Maria heeft gevraagd. Daar hangt de Triomf van haar Onbevlekt Hart van af, zoals die door de H. Maagd in Fatima is voorspeld, en de Heer wil deze triomf tot de sleutel maken voor de Heerschappij van het Allerheiligste Hart van zijn Zoon.
Geprezen zij de Harten van Jezus en Maria!
|