For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
12-10-2010
GEBED VAN OVERGAVE AAN MARIA, MOEDER VAN ALLE MENSEN.
H.Maagd, Maria, Onbevlekt Ontvangen wij stellen ons onder Uw bescherming. Door het dragen van Uw medaille willen wij U ons vertrouwen tonen. Help ons toch zien wat wij moeten doen om de wil van God te volbrengen, - en vraag voor ons de kracht daarnaar te handelen. Bewaar ons in de liefde van Uw Zoon. Houd ons dicht bij U, ieder ogenlik van ons leven.
Machtige Maagd verkrijg voor allen die in Uw Zoon geloven,- dat zij met vertrouwen blijven streven naar een grotere eenheid onder elkaar. Moge de onderlinge liefde van alle christenen de wereld de weg wijzen naar het ware geluk,- dat alleen te vinden is in Uw Zoon, jezus christus, Onze Heer.
Amen.
Een berg de zee in bidden?
"Des morgens vroeg, bij Zijn terugkeer naar de stad, werd Hij hongerig. En daar Hij een vijgenboom aan de weg zag staan, ging Hij erheen, doch Hij vond niets daaraan, dan alleen bladeren. En Hij zeide tot hem: Nooit groeie aan u enige vrucht meer, in eeuwigheid! En terstond verdorde de vijgenboom. En toen de discipelen dat zagen, verwonderden zij zich en zeiden: Hoe is de vijgenboom zo terstond verdord? Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, indien gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat met de vijgenboom is gebeurd, maar zelfs indien gij tot deze berg zegt: Hef u op en werp u in de zee, het zal geschieden. En al wat gij in het gebed gelovig vragen zult, zult gij ontvangen." (Mattheüs 21:18-22)
Wie leest wat de Here Jezus hier over het gebed zegt en kijkt, wat hij hier zelf vanaf brengt, loopt een groot risico gefrustreerd te raken bij deze woorden. Als je gelooft zonder te twijfelen, zo lijkt deze tekst te zeggen, kan iedereen niet alleen een vijgenboom laten verdorren, maar ook een berg in zee laten verdwijnen. Bedoelde de Here Jezus dit?
De vijgenboom
Twee bomen komen wij regelmatig tegen in de Bijbel: de vijgenboom en de wijnstok. Ze worden meerdere keren samen genoemd in de Bijbel. Er is zelfs een gelijkenis die vertelt van een vijgenboom, die in een wijngaard geplant was (Lucas 13:6). De vijgenboom heeft een zeer dik bladerdak, waardoor het heerlijk zitten is onder deze boom. Uit de zon, in de schaduw en als er dan een beetje wind is, is het er heerlijk toeven. Hier zat je beter dan onder een afdak aan je huis of onder een tent. Om die reden zaten rabbijnen vaak onder een vijgenboom de Bijbel te bestuderen en met elkaar te praten over God en Zijn Woord. Hier had je ook een prachtige plek om te bidden. Bidden en Bijbelstudie onder de vijgenboom.
De vijgenboom spreekt van rust, vrede en zegen van God. "... zodat Juda en Israël gerust woonden, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, van Dan tot Berseba, gedurende het gehele leven van Salomo." (1 Koningen 4:25) "Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, zonder dat iemand hen opschrikt; want de mond van de HERE der heerscharen heeft het gesproken." (Micha 4:4; zie ook Zacharia 3:10) De vijgenboom wordt hier gebruikt in verband met een tijd van vrede en rust in het verleden, maar ook als beeld van de vrede, die er zal zijn in het komende Messiaanse vrederijk.
Als oordeel aangekondigd wordt, wordt vaak ook de vijgenboom genoemd. "Verslinden zal het uw oogst en uw brood, verslinden zal het uw zonen en uw dochters, verslinden zal het uw schapen en uw runderen, verslinden zal het uw wijnstok en uw vijgenboom; vergruizelen zal het uw versterkte steden, waarop gij uw vertrouwen stelt, door het zwaard." (Jeremia 5:17; zie ook 8:13 en Hosea 2:12)
Jezus sprak tot Joden - niet tot de Kerk!
Wat bedoelt de Bijbel met deze geschiedenis over de vervloeking van de vijgenboom? Om het antwoord op deze vraag te krijgen, moeten wij eerst bedenken, dat wij de boodschap van het evangelie van Mattheüs niet moeten zien als een boodschap aan de christenen. Er waren op het moment dat deze woorden gesproken werden nog geen christenen. Het was een boodschap aan het Joodse volk, zoals het hele evangelie van Mattheüs gericht is tot het volk Israël.
De boodschap van de Here Jezus, zoals Hij Zelf die tijdens Zijn leven op aarde verkondigde, was steeds uitsluitend gericht op het Joodse volk. Natuurlijk mogen wij als christenen toepassen wat Hij zei, maar wij moeten bij de directe uitleg niet lezen, alsof Hij tot de Kerk sprak. Hij sprak tot Joden over een tijd, waarin Hij Zelf als Koning zou regeren over het Joodse volk. Hoewel Hij een enkele keer heel duidelijk over Zijn komend lijden en sterven sprak, stond Zijn leven hoofdzakelijk in het teken van het komende Messiaanse rijk. In gelijkenissen vertelde Hij van dit rijk en hield Hij de Joden voor, dat als zij zich niet bekeerden, zij dit rijk niet zouden binnengaan.
Het is een grote fout van de Kerk geweest, dat zij zichzelf gezien heeft als de plaatsvervanger van Israël, waardoor de Kerk leerde, dat wat Jezus zei, in feite niet voor de Joden bedoeld was, maar voor de kerk bedoeld was. Daardoor kwamen er allerlei onjuiste leerstellingen in de Kerk en werd het Woord van God geweld aangedaan.
Waarom zijn er vier verschillende evangeliën? Niet, omdat de ene evangelist vond dat de andere het niet goed gedaan had en hij het wilde verbeteren! Er zijn vier verschillende evangeliën, omdat de vier evangelisten allen een ander doel hadden. Mattheüs schreef speciaal voor de Joden om te laten zien, dat Jezus de Joodse Messias was, die voor het Joodse volk gekomen was. Zijn boodschap was speciaal voor de Joden. De wonderen waren op de Joden gericht om te bewijzen, dat Hij de Messias was. Johannes echter richtte zich tot heel andere mensen met een heel ander doel. Hij wilde juist laten zien, dat de Here Jezus ook voor niet-Joden gekomen was en dat Hij de Redder, de Heiland van de mensen uit de gehele wereld wilde zijn. Hij vertelt dan ook helemaal niet over bepaalde spectaculaire wonderen en zegt dus ook niet, dat wij ze ook moeten doen. Hij vertelt wel, hoe wij als niet-Joden, de Here Jezus kunnen leren kennen als onze Heiland en hoe ook wij kinderen van God kunnen worden.
De geschiedenis van de vijgenboom en de berg die in zee geworpen mag worden, komt niet voor in het evangelie van Johannes, maar in dat van Mattheüs. Het is opgeschreven met een boodschap voor het Joodse volk. Joden moeten weten, dat het Messiaanse rijk voor de deur staat. De tekenen van dit rijk geschieden daarom in hun midden. Het is niet opgeschreven als een boodschap voor de Gemeente van Jezus Christus, die pas op de Pinksterdag van Handelingen 2 is ontstaan. Wie dat niet ziet, meent door gelijkenissen in het evangelie van Mattheüs, dat als je eenmaal in de hemel bent, je er weer uitgeworpen kunt worden. Of je denkt, dat je zelf moet zorgen voor je eigen behoudenis, omdat je het moet volhouden tot het eind om behouden te worden (Mattheüs 24:13¬). Terwijl dit een boodschap is voor het Joodse volk in verband met de komende tijd van de grote verdrukking, wordt het dan toegepast op de Gemeenteleden en hun eeuwige zaligheid.
Vaak wordt vergeten, dat Jezus alleen tot de Joden gepredikt heeft en Zich nooit richtte tot de heidenen. Nooit ging Hij naar andere landen om er te prediken. Zelfs Zijn genezingen wilde Hij alleen voor de Joden doen. Het was de heidense Kananese vrouw die, hoewel door Hem afgewezen omdat ze geen Jodin was, toch zo wist vol te houden, dat de Heer voor haar een uitzondering maakte. Het was, zo vertelt het evangelie van Johannes, die ene vrouw uit Samaria die bij de put kennis maakte met de Heer, omdat Hij Zijn reis door Samaria moest maken. Dergelijke mensen waren de uitzondering, die de regel bevestigden.
"En Hij riep Zijn twaalf discipelen tot Zich en gaf hun macht over onreine geesten om die uit te drijven en om alle ziekte en alle kwaal te genezen. En dit zijn de namen van de twaalf apostelen... Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet." (Mattheüs 10:1,2,5-8)
Het woord "liever" in vers 6 wekt de indruk, dat de discipelen mogen kiezen of zij wel of niet naar de heidenen of naar de Joden mogen gaan. Dat is echter een onjuiste conclusie. Het Griekse woord mallon, betekent: meer, in hogere mate, meer en meer, liever, eerder, veeleer, met meer kracht, met groter spanning. Het heeft dus verschillende betekenissen. In deze tekst betekent het: "Begeeft u juist tot de verloren schapen van het huis Israëls."
De wonderen die de discipelen moesten verrichten waren nadrukkelijk aan de twaalf Joodse discipelen opgedragen om in Israël voor het Joodse volk te verrichten. Zij waren niet bedoeld voor de Kerk. Het waren de tekenen, dat Jezus de Messias was. De Messiaanse tekenen vergezelden Hem! In hetzelfde vlak lagen de woorden over het bidden en de berg die in zee moest verdwijnen. Het was geen opdracht en teken voor de Kerk, maar een Messiaans teken voor de discipelen in verband met het Joodse volk!
Zoals de Heer in woorden in gelijkenissen sprak, zo sprak Hij soms ook bij bepaalde gebeurtenissen met weinig woorden in gelijkenissen. Hier gaat het over een vijgenboom die geen vrucht draagt, die hiervoor gestraft wordt en nu een boodschap uitdraagt. Natuurlijk is de Heer niet iemand die iedere boom die geen vrucht draagt laat verdorren. Het ging erom, dat de Joden een les leerden.
Een les voor Israël
De vijgenboom is in deze beeldende gelijkenis een beeld van het volk Israël. Hiermee bedoelen wij niet, dat wat hier over de vijgenboom verteld wordt, niet echt gebeurd zou zijn. Natuurlijk is het echt gebeurd. Het was echter meer dan zo maar een gebeurtenis. Er zat een les, een boodschap in de gebeurtenissen. Zo ook lezen wij iets verder in Mattheüs 21 over een wijngaard, die ook het beeld is van het volk Israël. De les die de Here Jezus Zelf daarna uitsprak was deze: "Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt." (Mattheüs 21:43) Deze uitspraak geldt zowel de gelijkenis van de wijngaard als de gelijkenis van de vijgenboom.
De berg in de zee laten verdwijnen
Aan de gebeurtenissen van de vijgenboom is een conclusie verbonden: een berg in de zee laten verdwijnen. De logische gedachte is, dat hier gezegd wordt, dat als wij in geloof een gebed uitspreken, wij een berg in de zee kunnen laten verdwijnen. Is dat de bedoeling van deze woorden?
De vraag kan gesteld worden: hoe zit het met gebed en geloof? De Here Jezus zei immers eens: "Voorwaar, Ik zeg u, indien gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat met de vijgenboom is gebeurd, maar zelfs indien gij tot deze berg zegt: hef u op en werp u in de zee, het zal geschieden. En al wat gij in het gebed gelovig vragen zult, zult gij ontvangen." (Mattheüs 21:20,21) De vraag is: "Heeft de Heer dit letterlijk bedoeld, of was dit beeldspraak?"
a) Meestal wordt gedacht, dat het letterlijk bedoeld is voor de christenen. Men heeft geen idee, dat het voor Israël bedoeld zou kunnen zijn en te maken zou kunnen hebben met de komst van het aardse koninkrijk, waarin de Here Jezus als Koning over Israël zal regeren. Men denkt, dat dit tot de christenen gezegd is. Een probleem is dan echter, dat er tot op heden niemand onder de gelovigen geweest is, ook bijvoorbeeld Petrus en Paulus niet, die dit ooit hebben kunnen doen. Ja, zelfs de Heer zelf heeft nooit een berg in de zee geworpen. Als het echt de bedoeling geweest is, dat dit letterlijk uitgevoerd zou worden, waarom is het dan nooit gebeurd?
Als dit letterlijk bedoeld zou zijn, hoe valt het dan te rijmen met de heilige ernst van de Here Jezus? Wat heeft het voor zin om een berg te verplaatsen of om hem in de zee te laten verdwijnen? Wat heeft het voor zin om een boom naar de zee te verplaatsen? Als dat echt zo belangrijk zou zijn, waarom hebben de apostelen dit dan niet gedaan? Als de Heer dit als voorbeeld bedoelde van andere belangrijke zaken, die als antwoord op ons gebed kunnen plaats vinden, waarom heeft hij die andere belangrijke zaken dan niet als voorbeeld genomen?
b) Het kan ook beeldspraak geweest zijn. Het was namelijk de gewoonte onder de Joden in vroeger dagen om van grote leraren, die allerlei problemen oplosten, te zeggen, dat zij bergen verplaatsten. Trouwens wij spreken soms ook over het verzetten van "bergen" werk. Zo bezien ligt het voor de hand om hier te denken aan beeldspraak of een gelijkenis.
De berg die hier bedoeld wordt, zo wordt algemeen aangenomen, is de Olijfberg en de zee is de Dode Zee. De Dode Zee is namelijk dichterbij Jeruzalem dan de Middellandse Zee. Gezien het feit, wat in de profetie over de Olijfberg gezegd wordt i.v.m. de periode van de grote verdrukking, namelijk dat hij middendoor zal splijten (Zacharia 14:4), lijkt het niet voor de hand te liggen, dat het de bedoeling van de Heer is, dat hij ook nog in de Dode Zee verplaatst moet worden. Wat de Heer hier zei over het verplaatsen van de berg is niet letterlijk bedoeld, maar is een beeld van wat er allemaal zou kunnen gebeuren, als je met zon groot geloof zou bidden.
Wij hebben hier een uitdrukking, die later ook door de apostel Paulus gebruikt zal worden: "Al ware het, dat ik profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al het geloof had, zodat ik bergen verzette, maar ik had de liefde niet, ik ware niets." (1 Corinthe 13:2) Wat bedoelt Paulus, als hij het heeft over "bergen verzetten"? De rabbijnen spraken over "oker hariem", een berg van zijn plaats verzetten. Het was een spreekwoord, dat betekende, dat je het bijna onmogelijke deed of wilde doen. Zo ook spraken de rabbijnen over het verplaatsen van een boom, zoals Lucas 17:6 vertelt, dat de Here Jezus dit ook deed. "De Here zei: Indien gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot deze moerbeiboom zeggen: Word ontworteld en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzamen.
De boodschap van de Heer is, dat als je gelooft, je mag weten, dat voor God niets onmogelijk is en dat je zelf bergen kunt verzetten, omdat Hij je kracht geeft. Het is dezelfde uitdrukking als wat wij soms zeggen: "Ik kan bergen verzetten." In vertrouwen op God, kunnen wij het bijna onmogelijke aan. De apostel Paulus schrijft: "Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft." (Philippenzen 4:13) Dat heeft de Heer hier met andere woorden ons willen leren. Wij zijn geen arme onkundige gelovigen. Wij mogen leven met Christus kracht. In onze zwakheid wordt Zijn kracht openbaar.
We moeten heilig zijn .
"Leid een leven dat in alle opzichten heilig is, zoals Hij die u geroepen heeft heilig is. Er staat immers geschreven: 'Wees heilig, want Ik ben heilig.'" (1 Petrus 1:15,16)
Deze woorden betekenen dat God tegen ons zegt, dat wij moeten zijn zoals Hij is; wij moeten net zo heilig zijn als Hij is, wij moeten op dezelfde manier heilig zijn als Hij is. Wij mogen niet minder heilig zijn dan Hij is en wij moeten niet proberen op een andere manier heilig te zijn dan Hij is.
Wat is heiligheid? De betekenis van het woord "heilig"
Velen denken, dat met heilig bedoeld wordt dat je zonder zonden bent. Dat is ook een vorm van heilig zijn, maar dat wordt hier niet bedoeld. Natuurlijk is God zonder zonden. Er wordt hier echter niet gedacht aan het feit dat God zonder zonden is. Het gaat om iets geheel anders. Om te begrijpen wat met deze woorden bedoeld wordt, moeten wij weten, aan wie deze woorden in eerste instantie geschreven waren. In het eerste vers van dit hoofdstuk lezen wij, dat de brief geschreven is aan mensen die als vreemdelingen in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië verblijven. Dit zijn dezelfde landen als de landen die in Handelingen 2 genoemd worden. Hier woonden veel Joden als vreemdelingen. Het Griekse woord vertelt, dat ze in de diaspora verbleven. Tevens worden zij "uitverkorenen" genoemd, wat duidelijk maakt, dat de brief niet geschreven is aan christenen uit de heidenen, maar aan christenen uit de Joden. De brief is geschreven aan mensen die goed op de hoogte zijn van de Joodse leer. Zij kennen de opdracht om heilig te zijn vanuit het Oude Testament (o.a. Leviticus 19:2) en weten wat dit betekent.
Het woord heilig is in het Hebreeuws kadosh. Het betekent heilig in de zin van apart gesteld, afgezonderd van het een en toegewijd aan het ander en daardoor op een bijzonder niveau: het niveau van heilig.
Van oudsher hebben de rabbijnen nagedacht over de vraag hoe een mens heilig kan leven. Zij meenden, dat kadosh (heilig) te maken had met peroesjim (afzondering). Het Hebreeuwse woord voor afzondering betekent echter niet, dat je gescheiden van de wereld, van de andere mensen, moet gaan leven. Het gaat erom, dat je het verschil weet tussen dat wat van God is en aan God toegewijd is en dat wat bij het gewone menselijke leven behoort. De rabbijnen zagen dit al in de schepping.
Alleen de mens kan heilig zijn
De mens is iets bijzonders in de schepping. Hij heeft bij Zijn schepping iets heel bijzonders van God meegekregen. Bij de wedergeboorte heeft de mens dit opnieuw ontvangen, zoals 2 Petrus 1:4 ons laat weten: de Goddelijke natuur.
Toen God de mens schiep, maakte Hij hem tot iets bijzonders. In vijf dagen schiep God allerlei wezens en zaken, die geen van alle Zijn beeld en gelijkenis waren en die geen van alle het niveau van de Goddelijke heiligheid konden bereiken. De aarde, de zon en de maan waren geroepen en bestemd om hun rondjes te draaien en zij konden daarvan niet afwijken. De bomen, de planten en de bloemen waren bestemd om op een vaste plaats te groeien en te bloeien en zij konden niet als aarde, zon en maan een rondje draaien. Het water kan stromen, tot ijs worden of verdampen, maar het kan zich niet vermenigvuldigen zoals de planten, de bloemen en de dieren. Vervolgens schiep God de dieren. Zij kunnen zich verplaatsen, zij kunnen zich vermenigvuldigen, maar ze kunnen zich niet ontwikkelen. Terwijl de mens steeds meer kennis kan vergaren, kan een dier dit niet. De vogel bouwt zijn nest op dezelfde manier zoals hij dit duizenden jaren geleden deed.
Op de zesde dag schiep God de mens, een heel uniek wezen. Het meest wonderlijke is, dat hij geschapen is naar het beeld en de gelijkenis van God. Er is geen plant of dier opgeroepen om zichzelf te heiligen, want dat kan hij niet. Maar de mens kan zichzelf heiligen. Hij kan zijn eigen leven onder controle houden en over zichzelf heersen, net zoals God over de wereld heerst.
Zo kan de mens met de andere mensen een koninkrijk van priesters vormen, priesters voor God. Deze opdracht kregen eerst de Israëlieten (Exodus 19:5,6) en later de volgelingen van de Here Jezus (1 Petrus 2:9).
God is heilig
God is almachtig en absoluut heilig. Toch houdt Hij contact met de wereld die in het boze ligt. God is niet vermengd met de wereld. Hij laat de wereld echter niet los. Zo dienen ook wij als heiligen te leven in de wereld, terwijl wij weten, dat wij niet van de wereld zijn. Het is nog opmerkelijker: God vult met Zijn heerlijkheid in zekere zin het ganse heelal, de wereld dus, terwijl Hij toch geen deel uit maakt van de wereld. Hij is heilig, Hij is afgezonderd. Zo moeten ook wij de wereld vullen met Gods heerlijkheid, terwijl wij tevens ons niet moeten vermengen met de wereld. Wij mogen ons niet los maken van de wereld, ons niet isoleren, ons niet verheffen boven de wereld. Wij mogen de wereld niet links laten liggen. Nee, wij krijgen juist opdracht om onze naaste lief te hebben als onszelf. Wij mogen niet als kluizenaars leven. Wij mogen ons niet in kloosters van de wereld afzonderen.
Abraham leefde als een heilige
Het grote voorbeeld van een heilig leven vinden wij bij Abraham. Hij leefde in een heidense wereld. Hij sprak met de mensen van de wereld. Hij had contact met hen en deed zaken met hen. En toch liet hij juist in zijn levenswandel zien, dat hij anders was, dat hij een andere God liefhad en diende dan zij deden. Hij zonderde zich echter niet af van de mensen om hem heen, maar had hen lief en zorgde voor hen. Zo sterk zelfs, dat hij voor hen oorlog voerde (Genesis 14).
De volgende tekst laat zien, dat heiliging verkregen wordt door gehoorzaam te zijn aan Gods opdrachten. "Heiligt u dan, en weest heilig, want Ik ben de HERE, uw God. Zo zult gij mijn inzettingen nauwgezet in acht nemen; Ik ben de HERE, die u heilig." (Leviticus 20:7,8) "Zorg ervoor dat jullie heilig zijn, en blijf heilig, want ik ben de HEER, jullie God. Houd je aan mijn bepalingen en leef ze na; ik ben de HEER, ik heilig jullie." (NBV) Het gaat hierbij om het feit, dat wij God moeten liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf.
God heiligen naar je naaste
Wat betekent het dat je je naaste liefhebt? Het betekent dat je hem al zijn bezittingen gunt, dat je niet jaloers op hem bent en dat je probeert het leven fijn en aangenaam voor hem te maken. Een bijzonder voorbeeld zien wij bij Jonathan. Hij wist, dat David zijn plaats als koning over Israël zou innemen (zie 1 Samuel 23:17). Toch was hij niet jaloers op David en bleef hij zijn vriend! Ja, hij had hem lief als zijn eigen ziel, zoals het in het Hebreeuws staat in 1 Samuel 20:17).
Het is droevig om te moeten constateren, dat de meeste Joden veel en veel meer ernst maken met de uitwerking van deze heiliging, dan de meeste christenen doen. De heiliging moet gebracht worden op het niveau van Gods heiligheid, want Hij zei: "Weest heilig, want Ik ben heilig."
Hoe toonde God, dat Hij "de naaste onder de mensen" liefhad? De rabbijnen wijzen op enkele belangrijke zaken: Toen Adam en Eva in het paradijs geen kleding hadden, schonk God hun kleding. Hij zorgde voor de behoeftigen. Toen Abraham (na de besnijdenis) ziek was, zocht God hem op. God deed aan ziekenbezoek. Toen Izaak treurde vanwege de dood van zijn moeder, kwam God en troostte hem. God zorgde zelfs voor een vrouw voor Izaak. Toen Mozes dood was, werd hij door God begraven.
Leef als een heilige!
Dit zijn zaken, die wij ook moeten doen. Wilt u heilig zijn? Bezoek dan eens een zieke! Help mensen die hulp nodig hebben. Zorg dat u er bij bent als mensen blij of bedroefd zijn. Kom door uw aanwezigheid troost brengen als er gelegenheid is om te condoleren. Probeer aanwezig te zijn in de dienst die gehouden wordt voorafgaande aan de begrafenis. Probeer mee te gaan naar het graf. Kom in een huwelijksdienst als dit mogelijk is. Ga naar de receptie om het bruidspaar te feliciteren. Doe wat de Bijbel zegt: Heb je naaste lief als je zelf. Wees blij met hen die blij zijn en toon je verbondenheid met hen die bedroefd zijn. Vraag uzelf af hoe u het zou vinden, als u een geliefde moest begraven, en uw vrienden u niet kwamen troosten op het condoleancebezoek. Vraag uzelf af hoe u het zou vinden, als u een blij moment had en uw vrienden u niet kwamen feliciteren, terwijl u hen toch uitgenodigd had.
Het is meer. Roddel niet over anderen. Roddelen is niet alleen praten over iets dat niet waar is, het is ook praten over iets dat wel waar is. Hoe zou u het vinden als er over u gepraat zou worden, zoals u misschien over anderen praat? Heb anderen lief, zoals u zo graag wilt, dat zij u liefhebben.
Bekritiseer anderen niet. Het is zo makkelijk om van een ander te zeggen dat hij fout is en waarin hij fout is. Wij weten echter nooit alle achtergronden en redenen. Lever geen kritiek. Laat zien, dat de Here Jezus de Koning van uw hart is!
Een bijzondere tekst en uitleg
Psalm 121:5 zegt heel mooi: "De HERE is uw Bewaarder, de HERE is uw schaduw aan uw rechterhand." "De HEER is je wachter, de HEER is de schaduw aan je rechterhand." (NBV) Dit is een regel uit een Hebreeuws "gedicht". In een Hebreeuws gedicht heeft de tweede regel te maken met de eerste regel. Hij kan de eerste regel verduidelijken, aanvullen, het tegenovergestelde zeggen. Hier wil het zeggen, dat in de tweede regel duidelijk gemaakt wordt hoe de HEER ons bewaart. Hij doet dit door onze schaduw te zijn.
Dit betekent het volgende. Het betekent, dat de Heer altijd met je meegaat, net zoals je schaduw altijd bij je is. De rabbijnen wijzen erop, dat zoals een schaduw precies hetzelfde doet als wat wij doen, zo God ook precies hetzelfde doet als wat wij doen. Zoals wij met anderen omgaan, zo gaat God met ons om. Zoals wij anderen behandelen, zo behandelt God ons. Als u liefde uitdeelt aan anderen, kan God u vullen met Zijn liefde. Als u op de een of andere manier liefdeloos bent tegen anderen, kan God u Zijn liefde niet schenken.
Enkele teksten
1. De heiliging heeft te maken met het feit, dat de geheiligden God toebehoren. "Weest Mij heilig, want heilig ben Ik, de HERE, en Ik heb u afgezonderd van de volken, opdat gij Mij zoudt toebehoren." (Leviticus 20:26) Dit geldt zowel Israël als de Gemeente. "U bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht." (1 Petrus 2:9)
Juist in het gedeelte van 1 Petrus waar over de heiliging gesproken wordt, gaat het ook over onze redding. Wij moeten onze redding zichtbaar maken in een leven van heiliging. Zo begint in het Oude Testament ook het spreken over heiliging: "Want Ik ben de HERE, die u uit het land Egypte heb doen trekken, om u tot een God te zijn; weest heilig, want Ik ben heilig." (Leviticus 11:45) In het 44e vers wordt zelfs gezegd, dat je jezelf niet moet verontreinigen, dat is ontheiligen, door allerlei kleine zaken!
2. De heiliging heeft te maken met het feit, dat God bij Zijn volk woont. In verband met de tempel in het komende Messiaanse rijk: "Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de volken zullen weten, dat Ik, de HERE, het ben die Israël heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat." (Ezechiel 37:26-28) "Ik sluit met hen een vredesverbond, een verbond dat eeuwig zal duren. Ik zal hun een vaste woonplaats geven en hen talrijk maken; mijn heiligdom zal voor altijd in hun midden staan. Bij hen zal ik wonen; ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. En de volken zullen beseffen dat ik, de HEER, Israël heilig doordat mijn heiligdom voor altijd in hun midden is." (NBV)
Zo woonde God eerst door middel van de tabernakel bij het volk Israël in de woestijn. Later door middel van de tempel. Nu woont Hij door middel van de Heilige Geest die ons als Zijn tempel verkozen heeft, ook in ons midden.
3. De heiliging behoort bij het normale christenleven. "Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods." (2 Corinthe 7:1) "Omdat ons deze beloften zijn gegeven, geliefde broeders en zusters, moeten we onszelf reinigen van alle lichamelijke en geestelijke smetten en vol ontzag voor God ons hele leven heiligen." (NBV)
4. Zonder heiliging zul je eens "schade lijden". "Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Here zal zien." (Hebreeën 12:14) "Streef ernaar in vrede te leven met allen en leid een heilig leven; wie dat niet doet zal de Heer niet zien."
Hier kan de vraag gesteld worden wanneer mensen die geen geheiligd leven hebben de Heer niet zullen zien. Wordt er bedoeld dat zij in het leven op aarde het zicht op de Heer kwijt zijn, of wordt bedoeld, dat zij straks in de hemel Hem niet zullen zien? Wordt bedoeld, dat zij wel behouden zullen zijn, maar Hem in de hemel niet zullen ontmoeten? Wordt hier verwezen naar het schade lijden in de hemel, terwijl men toch behouden is, zoals Paulus dit schrijft in 1 Corinthe 3:14,15?
Het antwoord op deze vraag wordt niet gegeven. Dat kan ons een verkeerd gevoel van gerustheid geven. Het kan ons ook aansporen om met meer gerichtheid ons te werpen op een geheiligd leven. Moge dit laatste bij ons allen het geval zijn!
Ruth ontmoet Boaz op de dorsvloer.
Wanneer? Aan het eind van de gerstenoogst. Drie maanden na het begin van het aren lezen en van het begin van hoofdstuk 2.
Het werk op de dorsvloer Het werk op het land ging als volgt: Eerst ploegen, dan zaaien, vervolgens als de oogst rijp was: maaien. Dit werk werd door de knechten gedaan.
Hierna: dorsen (slaan van de halmen) en wannen (in de wind omhoog werpen) werd door de eigenaar gedaan. Bij het wannen werd alles wat na het dorsen op de dorsvloer lag omhoog geworpen, waarbij het lichte kaf met de wind weggeblazen werd en de zwaardere korrels terugvielen op de dorsvloer en daar op een hoop bleven liggen. Dit werk werd aangevangen in de namiddag rond 4-5 uur, als de wind ging waaien. Hierna bleef de eigenaar op de dorsvloer liggen bij zijn opbrengst om die te bewaken tegen dieven. Ook in het heilige land leefden dieven!
N.B. De dorsvloer lag natuurlijk niet in de stad, maar op het land waar gezaaid en gemaaid was. Terwijl de stad Bethlehem trapsgewijs op en tegen twee heuvels gebouwd was, lag het land in de laagte en moesten Boaz en Ruth dus afdalen om op het veld en bij de dorsvloer te komen.
Boaz is losser Het Hebreeuwse woord voor losser is goël, afgeleid vn het werkwoord gaäl, dat terugkopen, bevrijden betekent. De taak van een losser was tweevoudig:
1. De losser kon een stuk land van een familielid terugkopen, als dit familielid in tijden van armoede zijn land verkocht had. (Leviticus 25:23-28; :25)
De gedachte achter deze regel was, dat het land in feite van God Zelf was (Leviticus 25:23) en dat Hij het aan bepaalde mensen in bruikleen had afgestaan. Het bleef van God en moest in handen blijven van hen die Hij uitgekozen had. Deze regel geldt in feite niet alleen een deel van het land dat in handen van een eigenaar is; het geldt ook voor het land in zijn geheel. Land mocht daarom niet aan niet-Joden verkocht worden. Dat zullen we ons ook in onze tijd moeten realiseren!
2. De losser kon een familielid die zich uit armoede als slaaf verkocht had, terugkopen en dus vrij kopen. (Leviticus 25:47-49)
3. De losser fungeerde als bloedwreker als iemand uit de familie vermoord was.
In de taak van de losser zien wij later de betekenis van de Here Jezus terug.
Verschil tussen losser en leviraatshuwelijk Er is verschil tussen een losser en de man die een leviraatshuwelijk (het zwagerhuwelijk) sluit.
Een losser is een man die land dat uit de familie verkocht is, terugkoopt in de familie, of een familielid die zichzelf als slaaf verkocht heeft, vrijkoopt.
Een man die een zwagerhuwelijk sluit, is de broer van de overledene, die als zijn schoonzus geen kinderen heeft, ook met zijn schoonzus trouwt, waarna het eerste kind op naam komt van de overleden eerste man van die vrouw. In onze geschiedenis zou het dus gekund hebben, dat bijvoorbeeld Machlon als eerste gestorven was, waarna Kiljon met Ruth getrouwd zou zijn. Of die twee ook echt met elkaar getrouwd geweest zijn, vertelt de Bijbel niet. Maar die situatie schetst het beeld van het verplichte zwagerhuwelijk. Zie hiervoor Deuteronomium 25:5-10.
Boaz is echter geen broer van Machlon en Kiljon en hij komt dus niet in aanmerking voor het zwagerhuwelijk. Hij is wel een familielid en hij komt dus in aanmerking om het vroegere land van Elimelech te kopen en het aan Naomi terug te geven.
Terwijl Boaz verplicht is het land terug te kopen, is hij niet verplicht Ruth te trouwen. Mogelijk was het in Israël in die tijd de gewoonte, dat als je het land lostte, je ook de weduwe-zonder-kinderen tot vrouw erbij nam. Mogelijk ook stuurden Naomi en Ruth er gewoon op aan dat Boaz dit zou doen. Het vreemde is, dat ze Boaz niet vragen om het land te lossen, maar dat ze het meteen op een huwelijk uit sturen.
We zien: God is aan het werk en Hij bewandelt ongebruikelijke paden. Maar Naomi, Ruth en Boaz zien het klaarblijkelijk allemaal als de hand van de Heer en ze werken mee!
Een probleem voor Naomi De drie maanden waarin Ruth niet met een Jood mocht trouwen waren voorbij en nu werd het tijd dat Boaz als familielid Ruth ten huwelijk zou vragen. Maar Boaz vroeg niets! Komt nu het einde van het contact met Boaz en moet Ruth nu ergens gaan bedelen en moet ze volgend jaar naar het veld van Boaz terugkeren?
Naomi komt met een plan. Als Boaz geen aanstalten maakt, dan moeten zij en Ruth dit maar doen. Is het niet langs de ene weg, dan maar langs de andere, als Boaz en Ruth maar trouwen!
Naomi wil een thuis zoeken voor Ruth. Het is de vertaling van het Hebreeuwse woord menoech, dat ook rust betekent. Het komt van manoach, dat rustplaats, tot rust komen, rust, zekerheid betekent. Rabbi Shmuel Yerushalmi wijst erop, dat het woord manoach hier ook wijst op de vrucht van dit huwelijk: Menachem, Trooster, één van de namen van de Messias. Het is ook één van de namen die de Here Jezus op Zichzelf toepaste, toen Hij zei, dat Hij een andere Trooster zou zenden. Hijzelf was de eerste Trooster, de Heilige Geest zou de andere Trooster zijn.
Opdrachten voor Ruth (:2,3) 1. Baad je Was het oude leven van je af. Breek nu voor het laatst en volkomen met het verleden. Er wordt niet een gewoon bad bedoeld, maar een ritueel bad; een onderdompeling in het mikwe, het reinigingswater.
2. Zalf je Dat is: heilig je.
3. Kleed je aan, d.w.z. Doe je overkleed aan Doe je weduwenkleed uit en doe je werkkleed uit, doe je gewone kleren uit en doe je feestkleding aan. Laat zien, dat je de bruid wilt zijn. Maak je gereed voor het feest.
Rabbijnen wijzen erop, dat Ruth haar sabbatskleed moest aantrekken.
N.B. Naomi zegt (:4) Hij zal je vertellen wat je moet doen. Wie is die hij? Het lijkt logisch, dat hiermee Boaz bedoeld wordt. Besuras Eliyahu meent echter, dat hiermee God Zelf bedoeld wordt. Als Ruth niet weet wat ze moet doen of moet zeggen, zo laat Naomi haar weten, dan zal God wel in haar nood voorzien en haar vertellen wat ze doen moet.
Het feest gaat beginnen. Boaz weet nog van niets, maar voor Naomi en Ruth is het feest al begonnen. Dat is geloof! Dat is leven uit je geloof!
Boaz schrok (:8) Boaz at en dronk, voelde zich voldaan, en legde zich te slapen tegen een hoop gerst. (:7) NBG: Toen nu Boaz gegeten en gedronken had en zijn hart vrolijk was, kwam hij om zich neer te leggen aan het uiteinde van de korenhoop. NB: Boaz eet en drinkt en doet zijn hart tegoed. Letterlijk: Zijn hart voelde goed. Dat wil zeggen: Hij was blij in zijn hart. Dit verwijst naar de volgende woorden: Wanneer u daar in overvloed leeft, dank de HEER, uw God, dan voor het goede land dat hij u gegeven heeft. NBG: Gij zult eten en verzadigd worden en de HERE, uw God, prijzen om het goede land dat Hij u gaf. (Deuteronomium 8:10) Deze tekst zegt, dat als je gegeten en gedronken hebt, je na de maaltijd de Heer moet danken. Dat is precies wat Boaz hier op de dorsvloer deed.
Midden in de nacht schrok hij wakker (:8). Drie keer in het OT lezen wij, dat er iets midden in de nacht, om middernacht, plaats vond. 1. De Here doodde alle eerstgeborenen van Egypte (Exodus 12:29),
2. Simsom stond op en nam de poortdeuren op zijn schouders (Richteren 16:3) en
3. Boaz schrok wakker. Hij werd wakker en hij schrok. Het is niet wat wij in onze taal zeggen: Wakker schrikken, maar wakker worden en hevig schrikken. Luther vertaalt terecht, dat de man beefde. NB: Het geschiedt halverwege de nacht dat de man begint te rillen en om zich heen grijpt.
Om de schrik van Boaz goed te kunnen begrijpen, moet u zich in gedachten even verplaatsen in het leven van de mensen in oude tijden. In de nacht is het er aardedonker. Je kunt geen hand voor ogen zien. Waarvoor waren zij bang? Voor boze geesten en nachtspoken. Dat ziet u ook in de geschiedenis als de Here Jezus over het water wandelt, dan denken de discipelen dat zij een spook zien. En na de opstanding van de Heer Jezus moest Hij nadrukkelijk zeggen, dat Hij geen geest was.
Zeer waarschijnlijk heeft Boaz gedacht dat er een nachtspook bij zijn voeten zat. (Ibn Ezra)
Ruth op de dorsvloer Aan het eind van de dag, als Boaz het werk gereed heeft, gegeten en gedronken heeft, als het dus donker is, komt Ruth op de dorsvloer. Omstreeks 18.00 uur wordt het in Israël nl. donker. De schemer duurt ongeveer een half uur, zodat het binnen een halfuur donker is.
1. Onder de deken van Boaz. Dit heeft symbolische betekenis: ik wil je vrouw worden.
2. Aan het voeteneind van Boaz. Ook dit heeft symbolische betekenis: al wil ik je vrouw zijn, ik ben het nog niet. Zo maakt zij Boaz duidelijk, dat hij handelend moet optreden. Er moet getrouwd worden.
3. Ruth vraagt: Wilt u mij bij u nemen, letterlijk: Spreid uw vleugel... (:9) Dit is een beeld uit de wereld van de vogels.
1. Zoals een vogel die uit het nest gevallen is, hulp nodig heeft, zo komt Ruth als een buiten het nest gevallen vogeltje bij Boaz om hulp.
2. Zoals het kuiken onder de kip schuilt en de ene vogel bij het paren zijn vleugels uitspreidt over de andere vogel, zo vraagt Ruth hier of Boaz dit bij haar ook wil doen. Het is een symbool van het huwelijk (Malbim).
3. Het kan ook betekenen, zoals anderen denken (o.a. Rashi), dat zij vraagt of Boaz de hoek van zijn kleed over haar wil spreiden, als teken van het huwelijk.
Dat is: Maak mij tot uw vrouw, neem mij onder uw bescherming. N.B. Boaz ervaart wat Ruth doet niet als oneerbaar.
Wat Boaz verder doet 1. Boaz geeft Ruth een compliment. Ze is niet achter de jonge mannen aangegaan. Ze is niet gewoon uit op een huwelijk. Ze wil speciaal in de familie trouwen.
2. Pak je omslagdoek... (:15) Door deze opmerking maakt hij duidelijk, dat hij ermee instemt Ruth te trouwen. Het is nog steeds bij Arabieren de gewoonte om de hoek van een kleed over een meisje te houden als teken van het huwelijk.
Dat was geen huwelijk gebaseerd op liefde! Het was een huwelijk dat gearrangeerd was door Naomi. Boaz en Ruth beiden accepteren dit plan van Naomi.
3. Er is een losser die dichter bij de familie staat. Er is nog een broer van Elimelech. Ik ben slechts een neef. Het kan zijn dat hij bereid is om te lossen en jou te trouwen, dan kan ik er verder niets aan doen.
Ruth brengt verslag uit aan Naomi Naomi vraagt: Wie ben je, mijn dochter? (:16)
Ze kan twee dingen bedoelen: 1. Het is donker en ze kan echt niet zien wie er voor haar staat.
2. Ze weet dat het Ruth is en bedoet: Hoe staan de zaken ervoor? Ben je de bruid of is er niets veranderd? Hoe kom je terug? Wat heb je bereikt? Word je mevrouw Boaz?
Hierop vertelde de gelukkige bruid alles aan Naomi (:16).
Geloof is vertrouwen hebben Daarop zei Noömi: Blijf hier dan maar rustig wachten tot je weet hoe het afloopt, mijn dochter, want ik weet zeker dat deze man niet zal rusten voordat hij de zaak geregeld heeft. (:18)
S.V.: Toen zeide zij: Zit! (stil), mijn dochter, totdat gij weet, hoe de zaak zal vallen; want die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voleind hebbe.
Geloven is: zitten en wachten! Wie dat doet, toont vertrouwen.
Profetische betekenis Naomi is beeld van Israël. Na de verstrooiing is Israël weer terug in het land.
Ruth is de toekomstige bruid van Boaz. De zegen voor Ruth komt via Naomi. Ook wij moeten weten, dat het heil uit de Joden is en dat wij alleen echte zegen via Israël kunnen ontvangen.
Spoedig zal de nacht van het wannen aanbreken. Zie: Ik doop jullie met water ten teken van jullie nieuwe leven, maar na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; hij houdt de wan in zijn hand, hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal hij verbranden in onblusbaar vuur. (Mattheus 3:11,12)
Terwijl in het Grieks staat: Ik doop u in water.... en Hij zal het kaf verbranden in het vuur, hebben bijna alle vertalingen - om de doop als besprenkeling te kunnen bevestigen: ik doop u met water ... en Hij met vuur.
Ik vond slechts één eerlijke vertaling: Ik doop u in water met het oog op bekering. Maar Hij die na mij komt, is krachtiger dan ik. Ik ben te min om Hem zijn sandalen te brengen. Hij zal u dopen in heilige Geest en vuur. De wan heeft Hij al in zijn hand, en Hij zal zijn dorsvloer opruimen; zijn graan zal Hij verzamelen in zijn schuur, maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur. (Willibrord 95)
Het Griekse voorzetsel en komt ook voor bij de wan die hij in zijn hand heeft. Dan vertaalt men toch ook niet, dat de wan met zijn hand is.
Dan zullen de volken geoordeeld worden over hun houding die zij tegenover Israël aangenomen hebben. Kaf en koren zullen gescheiden worden. Denk hierbij ook aan Mattheus 25:31-34,41.
(Uitspraak van Jezus - Joh 14:6)
Ik ben de Weg,
de Waarheid
en het Leven.
Niemand komt bij de Vader
dan door Mij.
(Uitspraak van Jezus - Joh 14:6)
Over nu en de toekomst.
[Jezus verscheen in visioenen aan Johannes, één van Zijn leerlingen, die vanwege zijn geloof naar het Griekse eiland Patmos verbannen was.]
Ik ben de A en de Z (Grieks: Alfa en Omega), die was en is en komen zal, de Almachtige. Schrijf op wat je ziet en zend het aan de zeven gemeenten: Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatire, Sardis, Filadelfia en Laodicea.
(Opb.1:8-11)
[Hij zag de verheerlijkte Jezus tussen zeven gouden kandelaren met zeven sterren in zijn rechterhand en zijn gezicht straalde als de zon. Johannes viel als dood voor zijn voeten en Jezus legde Zijn hand op hem en zei:]
Wees niet bang, Ik ben de Eerste en de Laatste. Ik ben de Levende; Ik was dood en kijk, Ik leef nu voor altijd en eeuwig! En Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk in Mijn bezit. Schrijf dus op wat je hebt gezien, wat nu is en wat na deze dingen nog zal gebeuren. Het geheim van de zeven sterren die je zag in Mijn rechterhand en van de zeven gouden kandelaren is dit: de zeven sterren zijn de boodschappers (engelen) van de zeven gemeenten en de zeven kandelaren zijn de zeven gemeenten zelf.
(Opb.1:12-20)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Efeze:
Dit zijn de woorden van Hem die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt en die wandelt tussen de zeven gouden kandelaren: Ik weet wat jullie allemaal doen, het harde werken en jullie volharding. Ik weet dat jullie slechte mensen niet kunnen verdragen; dat jullie hen, die beweerden apostelen te zijn, op hun betrouwbaarheid hebben onderzocht; en ontdekt hebben dat ze oplichters zijn. Jullie hebben volgehouden en hebben veel moeilijke dingen doorstaan vanwege Mijn naam en jullie zijn niet bij de pakken neer gaan zitten. Maar Ik heb dit tegen jullie: jullie hebben je eerste liefde (voor Mij) verloren. Bedenk eens van welke hoogte jullie teruggevallen zijn. Bekeer je en doe de dingen die jullie eerst deden. Als jullie niet anders gaan leven, zal Ik komen en jullie kandelaar van zijn plaats verwijderen. Maar dit is in jullie voordeel: jullie hebben een hekel aan de praktijken van de Nicolaiten (hoogst waarschijnlijk een groep gnostici), waar Ik ook een hekel aan heb. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt. Aan hem die overwint, zal Ik het recht geven om te eten van de boom van het Leven, die in de tuin van God staat.
(Opb.2:1-7)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Smyrna:
Dit zijn de woorden van Hem die de Eerste en de Laatste is, die dood was en weer tot leven gekomen is. Ik weet van jullie grote moeilijkheden en armoede, maar jullie zijn rijk! Ik weet van de laster van hen die beweren Joden te zijn, maar het niet zijn. Zij zijn van de synagoge van satan (de aanklager). Wees niet bang voor het lijden dat je binnenkort door gaat maken. Ik zal je zeggen: de aanklager (satan) zal sommigen van jullie in de gevangenis zetten om jullie te beproeven, en jullie zullen tien dagen van vervolging doormaken. Wees trouw, zelfs tot in de dood; en Ik zal jullie de kroon van het Leven geven. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt. Hij die overwint zal geen schade ondervinden van de tweede dood. (De eerste dood is die van het lichaam, de tweede dood is die van de ziel.)
(Opb.2:8-11)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Pergamus:
Dit zijn de woorden van Hem die het scherpe, tweesnijdende zwaard heeft. Ik weet waar jullie wonen waar satan zijn troon heeft. Maar jullie blijven trouw aan Mij (Mijn naam). Jullie hebben het geloof in Mij niet afgezworen, zelfs niet in de dagen van Antipas, die ter dood gebracht werd in jullie stad waar satan woont. Toch heb Ik een paar dingen tegen jullie: er zijn mensen onder jullie die de leer van Biliam aanhangen, die Balak vertelde dat hij de kinderen van Israël moest verleiden met het eten van voedsel dat aan afgoden geofferd was en door het plegen van seksuele immoraliteit. En er zijn bij jullie ook mensen die de leer van de Nicolaiten aanhangen. Bekeer je dus! Anders zal Ik snel komen en tegen ze vechten met het zwaard dat in Mijn mond is. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt. Hij die overwint, zal Ik iets van het verborgen manna geven. Ik zal hem ook een witte steen geven met een nieuwe naam erop die alleen bekend is bij degene die hem ontvangt.
(Opb.2:12-17)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Thyatire:
Dit zijn de woorden van de Zoon van God, die ogen heeft als een fel oplaaiend vuur en die voeten heeft als gepolijst brons. Ik weet wat jullie allemaal doen, jullie liefde en geloof (vertrouwen), jullie hulpvaardigheid en volharding; en dat jullie nu meer doen dan eerst. Toch heb Ik dit tegen jullie: die vrouw Izebel wordt bij jullie toegelaten; zij noemt zichzelf een profetes. Door haar onderwijs verleidt ze Mijn dienaren tot immoreel seksueel gedrag en het eten van voedsel dat aan afgoden geofferd is. Ik heb haar de tijd gegeven om zich te bekeren van haar immoraliteit, maar ze wil niet. Dus zal Ik haar op een lijdensbed gooien en Ik zal hen die overspel met haar plegen intens laten lijden, tenzij ze zich bekeren van haar wegen. Ik zal haar kinderen doodslaan. Dan zullen alle gemeenten weten dat Ik Degene ben die de harten en gedachten onderzoekt; en Ik zal elk van jullie belonen voor wat je gedaan hebt. Nu zeg Ik tegen de rest van jullie in Thyatire, aan jullie die niet vasthouden aan haar onderwijs en niet de zogenaamde diepe geheimen van satan hebben leren kennen. Ik zal jullie geen andere last opleggen dan deze: houd enkel vast aan wat je hebt, totdat Ik kom. Aan hem die overwint en Mijn wil doet, tot het einde, zal Ik autoriteit geven over de volken Hij zal over ze heersen met een ijzeren scepter; hij zal ze in stukken slaan als aardewerk. (Psalm 2:9) net zoals Ik autoriteit gekregen heb van Mijn Vader. Ik zal hem ook de morgenster geven. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt.
(Opb.2:18-29)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Sardis:
Dit zijn de woorden van Hem die de zeven geesten (of zevenvoudige Geest) van God en de zeven sterren vasthoudt. Ik weet wat jullie allemaal doen; jullie hebben de reputatie dat je leeft, maar jullie zijn dood. Word wakker! Versterk wat nog over is en op het punt staat te sterven, want Ik heb ontdekt dat jullie daden niet volmaakt/compleet zijn in de ogen van Mijn God. Herinner je daarom het onderwijs dat jullie ontvangen en gehoord hebben; wees er gehoorzaam aan en bekeer je. Maar als jullie niet wakker worden, zal Ik komen als een dief en je zult niet weten wanneer Ik bij jullie kom. Maar er zijn een paar mensen in Sardis die hun kleren niet bevuild hebben. Zij zullen met Mij wandelen, gekleed in het wit, want zij zijn het waard. Hij die overwint zal, net als zij, in het wit gekleed worden. Ik zal zijn naam nooit uit het boek van het leven wissen, maar Ik zal zijn naam voor Mijn Vader en Zijn engelen erkennen. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt.
(Opb.3:1-6)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Filadelfia:
Dit zijn de woorden van Hem die Heilig en waarachtig is, Die de sleutel van David heeft. Wat Hij opent kan niemand meer sluiten en wat Hij sluit kan niemand meer openen. Ik weet wat jullie allemaal doen. Ik heb voor jullie een open deur geplaatst, die niemand kan sluiten. Ik weet dat jullie weinig kracht hebben, maar jullie hebben je aan Mijn woord gehouden en hebben Mijn naam niet verloochend. Ik zal hen die van de synagoge van satan zijn, die beweren Joden te zijn en het niet zijn, maar leugenaars zijn. Ik zal ze laten komen en op hun gezicht laten vallen voor jullie voeten, en hen laten erkennen dat Ik van jullie gehouden heb. Omdat jullie je aan Mijn opdracht om geduldig te volharden gehouden hebben, zal Ik jullie bewaren voor het uur van beproeving dat over de hele wereld zal komen, om hen die op aarde leven te beproeven. Ik kom spoedig, Houdt vast aan wat je hebt, zodat niemand je kroon af zal nemen. Hij die overwint zal Ik een zuil maken in de tempel van Mijn God. Hij zal daar nooit meer weg gaan. Ik zal de naam van Mijn God op hem schrijven en de naam van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt van Mijn God; en Ik zal ook Mijn nieuwe naam op hem schrijven. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt.
(Opb.3:7-13)
Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Laodicea:
Dit zijn de woorden van de Waarachtige, de betrouwbare getuige, de heerser van Gods schepping. Ik weet wat jullie allemaal doen en dat jullie heet noch koud zijn. Ik zou willen dat jullie heet of koud waren! Maar omdat jullie lauw zijn niet heet en niet koud sta Ik op het punt om jullie uit te braken. Jullie zeggen: Ik ben rijk. Ik heb rijkdom en ik heb verder niets nodig. Maar jullie beseffen niet dat jullie ellendig, zielig, arm, blind en naakt zijn. Ik geef jullie de goede raad om (geestelijk) goud van Mij te kopen, gelouterd in het vuur, zodat jullie rijk kunnen worden. En witte kleren om te dragen, zodat jullie je schandelijke naaktheid kunnen bedekken; en zalf om op je ogen te doen, zodat je kunt zien. Hen die Ik liefheb, bestraf Ik en disciplineer Ik. Dus wees eerlijk en bekeer je. Hier ben Ik! Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand Mijn stem hoort en de deur open doet, zal Ik binnen komen en met hem eten en hij met Mij. Aan hem die overwint, zal Ik het recht geven om bij Mij te zitten op Mijn troon, net zoals Ik overwon en bij Mijn Vader op Zijn troon ging zitten. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt.
(Opb.3:14-22)
Let op, Ik kom spoedig! Ik neem beloningen mee die Ik aan iedereen zal geven, in overeenstemming met wat hij gedaan heeft. Ik ben de A en de Z, de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde. Ik ben de Wortel en de Nakomeling van David en de heldere Morgenster. Ja, Ik kom spoedig.
(Opb.22:12,13,16,20)
11-10-2010
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE MAANDAG.
Nelly. ( M ).
Laughing Baby.
Laughing Baby
The Miracle of Damascus: Part 2
Laat dit niet gebeuren.
Laatditnietgebeuren.
Heer , laatmealtijdweeropnieuwgeloven
datpijnenonmachtniethetlaatstewoord
hebbeninditleven.
Neembitterheidenonverdraagzaamheidvanmeweg.
Geefmeweervertrouwenindedokters.
Laatmeproberenelkedaghoopvoltegemoettezien.
Aanvaardmijnbeperkingenenmijnongeloof.
Ikbenarm , bewustvanmijnzondigheidenmijn
onmacht , maarrijkaanU.
IkweetzekerdatGijmetmijmeelijdt.
AlleswatmeoverkomtdraagikopaanU.
AlsikUwliefdenietvoelde , tastbaarvoelde ,
zouiknietkunnenleveninditleven.
Blijfmenabij , Heer.
LaatmeditlevenleidenenlijdengelijkGij
hetwilt.
Uwwilgeschiede.
Heer , wezijnmekaarheelnabij.
Ikvoelme , ondanksalles , geborgeninU.
Inogenblikkenvanpijnenellendekanik
alleenmaarvragendatditallesaanmij
voorbijzougaan.
IkdraagmijnpijnaanUoptijdenspijnlijke
onderzoeken.
Heer , waaromvoelikUinpijnlijkeen
langeurentochzonabij ?
Heer , Gijzijtdekernvanmijnwezen.
Waaromismijnlevenzomoeilijk ?
Laatmenogwatgoedejarenvoorde
opvoedingvandekinderen.
Laatmeauthentiekzijninmijnleven.
Iklegmijnleven , mijnellendeinUwhand.
Ikbenbangvoordeaftakelingvanmijnlichaam.
Laatditnietgebeuren.
ErkannietsmijnhunkernaarUstillen.
Schenkmedanrustinmoeilijkeogenblikken.
WaarkanikandersrustendaninU ?
Laatmijngeesttotrustkomenennietbezig
zijnmetdingendiemebeangstigenennog
komenmoeten.
Heer , waaromweegthetkruistochzozwaar ?
Heer , ikwilstervenmetdewoordenvan
Elisabeth : 'IkganaarhetLicht , naarhetLeven ,
naardeLiefde.'
Amen.
GodsZegen.
De Vrouwe van alle Volkeren, de Vrouw van Genesis en de Apocalyps.
De Vrouwe van alle Volkeren,
de Vrouw van Genesis en de Apocalyps
************************************************
I. Vijandschap tussen de Vrouw en de Slang
In zijn diepgaande mariale encycliek Redemptoris Mater van 25 maart 1987 stelde de Dienaar van God, paus Johannes Paulus II:
In het heilsplan van de Allerheiligste Drie-eenheid vormt het mysterie van de menswording de overvloedige vervulling van de belofte die God aan de mensen gedaan heeft na de erfzonde, na die eerste zonde waarvan de uitwerking op heel de geschiedenis van de mens op aarde drukt (vgl. Gen. 3:15). Zie, een Zoon komt ter wereld, het kroost van de vrouw dat het kwaad van de zonde in de wortel zal verslaan: Hij zal de kop van de slang verpletteren. Zoals uit de woorden van het proto-evangelie blijkt, zal de overwinning van de Zoon van de vrouw niet behaald worden zonder een zware strijd die heel de geschiedenis van de mens op aarde zal vullen. De vijandschap die in het begin is aangekondigd wordt bevestigd in de Apocalyps, het boek van de laatste gebeurtenissen van de Kerk en de wereld, waarin opnieuw het teken verschijnt van de vrouw ditmaal bekleed met de zon (Apoc. 12:1).
Maria, de Moeder van het Woord, wordt geplaatst in het centrum van die vijandschap, van die strijd waarmee de mensengeschiedenis op aarde en de heilsgeschiedenis zelf vergezeld gaan. Op die plaats draagt zij die bij de nederigen en armen van de Heer hoort, als geen andere mens de heerlijkheid van de genade in zich waarmee de Vader ons begiftigd heeft in de Geliefde, en deze genade bepaalt de buitengewone grootheid en schoonheid van heel haar wezen. Zo blijft Maria voor God en ook voor de gehele mensheid als het onveranderlijke en onschendbare teken van de uitverkiezing door God waarover Paulus in zijn Efesebrief spreekt: In Christus . . . heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld . . . en ons voorbestemd zijn kinderen te worden (Ef. 1:4). Deze uitverkiezing is machtiger dan iedere ervaring van het kwaad en van de zonde, dan heel die vijandschap waardoor de geschiedenis van de mens getekend wordt. In deze geschiedenis blijft Maria een teken van vaste hoop.
Dank zij deze speciale band die de Moeder van Christus met de Kerk verbindt, wordt het mysterie duidelijker van de vrouw die vanaf de eerste hoofdstukken van het boek Genesis tot aan de Apocalyps de openbaring van Gods heilsplan ten opzichte van de mensheid vergezelt. Maria die als Moeder van de Verlosser aanwezig is in de Kerk, neemt inderdaad op moederlijke wijze deel aan de kolossale strijd tegen de machten van de duisternis die zich ontwikkelt gedurende heel de geschiedenis van de mensheid.
Het schijnt mij toe dat de woorden die Ida Peerdeman van 25 maart 1945 tot 31 mei 1959 ontving, gelezen en begrepen moeten worden binnen deze door de paus geschetste context. Ik geloof in feite dat alle belangrijke Mariaverschijningen die de Kerk als gelovenswaard heeft erkend sinds die van Guadalupe in 1531 de strijd weerspiegelen tussen de Vrouw en de Slang.
Laten we beginnen met Guadalupe. De bijzondere afbeelding van de Maagd, niet door mensenhanden gemaakt, toont haar staande op een zwarte maansikkel, waarin sommige geleerden de slangengod zien van de Azteken, Quetzalcoatl, aan wie jaarlijks miljoenen mensenoffers werden gebracht. Helen Behrens2, een beroemde Guadalupe-expert, geeft aan de afbeelding en aan de naam Guadalupe de volgende uitleg:
Noch bisschop Zumárraga noch enige andere Spaanse prelaat heeft kunnen uitleggen waarom [Maria] wilde dat haar beeltenis de Guadalupe was. De reden hiervan moet zijn dat ze deze term helemaal niet heeft gebruikt. Ze sprak in de lokale taal, en de combinatie van woorden die ze gebruikte moet in de oren van de Spanjaarden hebben geklonken als de Guadalupe. Het Azteekse te coatlaxopeuh heeft een vergelijkbare klank. Te betekent steen; coa betekent slang, tla is de uitgang van een zelfstandig naamwoord die als de kan worden geïnterpreteerd, en xopeuh betekent verpletteren of uitroeien. Haar kostbare afbeelding zal dus bekend worden (onder de naam van) de Volkomen Volmaakte Maagd, de Heilige Maria, en deze zal de stenen slang verpletteren, uitroeien, er een eind maken aan of vernietigen.
De Vrouw die de stenen slang verplettert heeft aantoonbaar de grootste evangelisatiebeweging in de geschiedenis van de Kerk bewerkt. Binnen zeven jaar na de verschijning aan de H. Juan Diego vroegen acht miljoen oorspronkelijke bewoners om het doopsel, waarmee een van de meest wrede en duivelse culten die de wereld heeft gekend vrijwel werd uitgeroeid.
Een andere zeer belangrijke uitbeelding van de Vrouw die de slang verplettert werd aan de H. Catherine Labouré getoond in een visioen op 27 november 1830 in de kapel van de Dochters van Liefde van de H. Vincent de Paul in de Rue du Bac in Parijs. Zij zag daar Maria zoals wij haar vandaag kennen als O.L.Vrouw van Genade of van de wonderdadige medaille, met haar voet op de kop van de slang. Vreemd genoeg wordt in geen van de geschriften van Catherine de slang vermeld, maar zoals pater Joseph I. Dirvin, C.M. schrijft:
Het is zo goed als zeker dat Catherine de details over de slang en de sterren in elk geval mondeling aan haar leidsman heeft overgebracht, want ze keurde de medaille goed waarop in het begin deze beide details waren afgebeeld. Bovendien beschreef ze in 1836, toen de kunstenaar LeCerf schilderijen aan het maken was van de verschijningen, de slang aan haar leidsman als groen met gele vlekken een nogal afschrikwekkende slang die de gevoelens van een kunstenaar beslist kon kwetsen!
Deze afbeelding van Maria, die letterlijk miljoenen malen is gereproduceerd op medailles en in de vorm van beelden en schilderijen stond bij generaties katholieken in hun ziel gegrift, en roept onmiddellijk de profetie in herinnering uit Genesis 3:15 en het beeld van de Vrouw bekleed met de zon uit hoofdstuk 12 van de Apocalyps.
Bij de verschijning van Maria in Fatima in juli 1917 zien de herderskinderen geen beeld van een slang of draak, maar een angstaanjagend visioen van het koninkrijk van de vorst der duisternis. Laten we luisteren naar Lúcias verhaal over het gebeuren:
Offer jezelf op voor de zondaars, en zeg vaak tot Jezus, vooral steeds wanneer jullie een offer brengen:
O Jezus, het is uit liefde voor U, voor de bekering van zondaars, en om de zonden tegen het Onbevlekte Hart van Maria goed te maken.
Terwijl Maria deze laatste woorden sprak, opende ze nogmaals haar handen, zoals ze dat ook de twee voorafgaande maanden had gedaan. De lichtstralen leken de aarde te doordringen en we zagen als het ware een zee van vuur. In dit vuur waren demonen geworpen en zielen in menselijke vorm, als doorzichtige brandende sintels, helemaal zwart of bronskleurig gloeiend, ronddrijvend in de vuurzee, nu eens omhoog gedreven door vlammen die samen met grote rookwolken uit henzelf naar buiten kwamen, dan weer overal in het rond als vonken in het vuur terugvallend, zonder gewicht of evenwicht, onder kreten en gekerm van pijn of wanhoop, zodat wij ontzet waren en beefden van angst. (De mensen zeiden dat ik het uit had geschreeuwd, dat moet door dit beeld zijn gekomen). De demonen waren te herkennen aan hun afschrikwekkende en afstotelijke gelijkenis met enge en onbekende dieren, zwart en transparant als brandende kolen. Doodsbang, en als om hulp te smeken, keken we op naar O.L.Vrouw, die tegen ons zei, zo vriendelijk en zo bedroefd:
Jullie hebben de hel gezien waar de zielen van de arme zondaars naar toe gaan. Om ze te redden wil God in de wereld de devotie tot mijn Onbevlekt Hart vestigen. Wanneer hetgeen ik tot jullie zeg is volvoerd, zullen veel zielen worden gered en zal er vrede zijn.
Let wel dat het middels Marias handen is dat de kinderen het visioen zien; zij heeft de macht om de verschrikkingen van de hel te laten zien omdat de hel aan haar onderworpen is.
De boodschappen aan Ida Peerdeman zijn apocalyptisch, maar van een ander genre, meer zoals het derde geheim van Fatima. Bij alle taferelen, vooral die tussen 1945 en 1950, vormt de geestelijke strijd een soort constante achtergrond. De Vrouwe zegt tot Ida: Dat is de geestelijke strijd, die over de wereld rondgaat. Die is nog erger dan de andere en ze [de wereld] wordt ondermijnd.Een andere keer ziet Ida hoe de Vrouwe haar hand boven de St. Pieter houdt en zegt: Dat zal en moet beschermd worden. Die andere geest dringt zo ontzettend door.Ook zegt ze: Gij zult dit zeggen: Christenheid, gij kent uw groot gevaar niet. Er is een geest om u te ondermijnen. Maar en zij maakt met de hand een teken van zegenen de zege is aan Ons.Er is een duidelijke toespeling op het koninkrijk der duisternis in het gebed dat de Vrouwe geeft: Laat de Heilige Geest wonen in de harten van alle volkeren, opdat zij bewaard mogen blijven voor verwording, rampen en oorlog.
De geestelijke strijd die Ida ziet is veel verraderlijker dan materiële oorlogvoering. De Vrouwe gaat daar op 28 maart 1951 nader op in:
Weet gij, kind, wat voor een tijdperk dit is? Dit tijdperk heeft de wereld in de eeuwen nog niet doorgemaakt, zon verval van geloof! ... in deze moderne tijd, in deze moderne wereld, die zo vlug en snel in het materiële weet te handelen, moet ook in het geestelijke snel, vlug en modern gehandeld worden. ...
Rome denkt nog steeds dat het sterk staat, maar het weet niet hoe het ondermijnd wordt. ... Weet gij wel dat theologie moet wijken voor de zaak van mijn Zoon?
Rome moet zijn taak kennen in deze tijd. Weet Rome wel welke vijand loert en als een slang tussen de wereld kruipt? En dan spreek ik niet alleen over het communisme; er komen nog andere profeten, valse profeten!
Wat steeds meer naar voren komt naarmate de beelden zich ontvouwen, is dat in deze geestelijke strijd een speciale rol is weggelegd voor de theologen, want het tijdperk van ware vrede in Kerk en wereld hangt af van de erkenning van de unieke rol die God aan Maria heeft gegeven. Nu de Kerk de belangrijkste waarheden over haar persoon haar Onbevlekte Ontvangenis, haar Goddelijk Moederschap, haar Eeuwige Maagdelijkheid en haar Glorieuze Tenhemelopneming heeft uitgesproken, wordt het tijd de volkomen unieke rol te erkennen die Maria speelde en speelt als Medeverlosseres, Middelares van alle Genaden en Voorspreekster. Zo zegt de Vrouwe tot Ida:
Mijn bedoeling en opdracht aan jou is niets anders dan de Kerk, de theologen, aan te zetten tot deze strijd. Immers, de Vader, de Zoon, de Geest wil de Vrouwe, die uitverkoren was om de Verlosser te brengen, als Medeverlosseres en Voorspreekster in deze wereld brengen. Ik heb gezegd: deze tijd is onze tijd. Daarmee bedoel ik het volgende. De wereld is in verwording en vervlakking, weet niet welke kant heen. Daarom zendt de Vader mij om Voorspreekster te zijn dat de Heilige Geest zal komen.
De pijnen, geestelijk en lichamelijk, heeft de Vrouwe, de Moeder, meegeleden. Voorafgegaan is zij immer. Toen de Vader haar uitverkoren had, was zij reeds de Medeverlosseres met de Verlosser, die in de wereld kwam als Mens-God. Zeg dat uw theologen.
Ik weet wel, de strijd zal zwaar en groot zijn en dan glimlacht de Vrouwe voor zich heen en het is alsof zij in de verte tuurt, maar het is reeds voorbestemd.
Laten we nu luisteren naar de woorden die de Vrouwe tot Ida sprak op 15 augustus 1951: Ik heb met mijn voet de slang verpletterd. Ik ben verenigd geworden met de Zoon, zoals ik altijd verenigd was met Hem. Dit, het dogma, is voorafgegaan in de kerkgeschiedenis.De Vrouwe heeft inderdaad de slang verpletterd; de genade van de Verlossing is uitgestort, maar moet nog toegeëigend worden. De zege staat inderdaad vast, maar het tijdstip ervan hangt af van wat u en ik doen en ik kan geen andere verklaring vinden voor de ongelofelijke tegenstand en zelfs vijandigheid ten opzichte van het voorgestelde dogma dan dat de slang op deze manier probeert de zaak verder te obstrueren. De tegenstand stamt al van voor het Tweede Vaticaans Concilie en hiervan getuigden de debatten tijdens de zittingen en achter de schermen. Zoals de Dienaar van God Johannes Paulus II het zeer fijngevoelig en diplomatiek verwoordde in zijn mariale catechese van 13 december 1995:
Tijdens de zittingen van het Concilie wilden veel vaders de mariale leer verder verrijken met andere verklaringen over Marias rol in het heilswerk. De specifieke context van het mariologische debat van Vaticanum II liet niet toe dat aan deze wensen tegemoet werd gekomen, hoewel die talrijk waren en bij velen leefden, maar de hele discussie over Maria op het Concilie blijft krachtig en evenwichtig, en de kwesties zelf, hoewel niet volledig gedefinieerd, kregen voldoende aandacht bij de algehele behandeling.
Het punt is dat het Concilie de deur naar verdere preciseringen van Marias rol in het verlossingswerk niet dichtgooide en niet kón dichtgooien, ook al willen in onze tijd veel commentatoren ons dat doen geloven. De aanhoudende controverse hierover waar Ida vaak door de Vrouwe op wordt gewezen, lijkt door te klinken in wat Maria op 13 oktober 1973 tot zuster Agnes Sasagawa zei: Het werk van de duivel zal zelfs de Kerk infiltreren op zodanige wijze dat men kardinalen zal zien opstaan tegen kardinalen, bisschoppen tegen andere bisschoppen. De priesters die mij vereren zullen door hun confraters beschimpt en tegengewerkt worden.
Wat ik eenvoudigweg wil zeggen is dat in de Kerk de mariale leer nooit marginaal is, of franje. Aan de erkenning van de rol die de Heer aan Maria heeft gegeven zit ongetwijfeld veel vast. Hoe passend is het wat Ida de Vrouwe met zo veel nadruk hoorde zeggen op het feest van de Tenhemelopneming in 1951:
Weet gij wel, Rome, hoe alles ondermijnd wordt? Jaren zullen vervliegen, jaren zullen daar overheen gaan. Maar hoe meer jaren, hoe minder geloof; hoe meer jaren, hoe meer afval.
II. Middelares van alle Genaden
In de loop van het tweede millennium is de Katholieke Kerk tot een steeds duidelijker begrip gekomen van Marias rol als uitdeelster van alle genaden van de verlossing, waarin zij een actieve rol had. Dit is bevestigd door alle pausen van de moderne tijd, ook al weigerde het Tweede Vaticaans Concilie vanwege complex gemanoeuvreer achter de schermen en op de vergadervloer hier een feitelijke uitspraak over te doen. Het concilie erkende dat Maria terecht Middelares genoemd kan worden, maar zag ervan af te stellen dat zij door de uitdrukkelijke wil van God Middelares van alle Genaden is.Vandaar dat de volgende woorden van paus Benedictus XVI in zijn homilie van 11 mei 2007, bij de heiligverklaring van Frei Antônio de SantAna Galvão in Campo de Marte, São Paulo, Brazilië, aanvullen en completeren wat het Concilie leert, en gerust als representatief beschouwd kunnen worden voor wat zijn voorgangers de afgelopen 150 jaar hebben geleerd:
Maria, Moeder van God en onze Moeder, is ons op dit moment bijzonder nabij. Frei Galvão bevestigde op profetische wijze de waarheid van de Onbevlekte Ontvangenis. Zij, de Tota Pulchra, de allerzuiverste Maagd, die in haar schoot de Verlosser van de mensheid ontving en bewaard werd voor elke smet van de erfzonde, wil de definitieve bezegeling zijn van onze ontmoeting met God onze Redder. Er is in de heilsgeschiedenis geen vrucht van de genade die niet als noodzakelijk instrument de bemiddeling van de Moeder Gods heeft.
Beste vrienden, vergun mij te eindigen met te herinneren aan de Gebedswake in Marienfeld in Duitsland: in aanwezigheid van een menigte jongeren sprak ik over de heiligen van onze tijd als ware hervormers. En ik voegde eraan toe: Alleen van de heiligen, alleen van God komt de ware revolutie, de definitieve manier om de wereld te veranderen (homilie, 20 augustus 2005). Dit is de uitnodiging die ik vandaag wil doen aan u allen, niemand uitgezonderd, in deze Eucharistie zonder grenzen. God zei: Wees heilig zoals Ik heilig ben (Lev. 11:44). Laten we God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest dankzeggen, van wie wij op voorspraak van Maria alle zegeningen van de hemel ontvangen; van wie wij deze gift ontvangen die, samen met het geloof, de grootste genade is die een schepsel kan krijgen: de vurige wens om tot volheid in de liefde te komen, in de overtuiging dat heiligheid niet alleen mogelijk maar ook noodzakelijk is voor iedereen in zijn of haar eigen levenssituatie, teneinde de wereld het ware gelaat van Christus, onze vriend, te laten zien! Amen!
Deze katholieke overtuiging vinden we waarschijnlijk het treffendst uitgebeeld in O.L. Vrouw van de wonderdadige medaille, zoals zij aan de H. Catherine Labouré verscheen op 27 november 1830.
Aan elk van haar vingers zaten drie edelstenen van verschillende grootte en daar kwamen lichtstralen vanaf die op de bol onder haar voeten vielen. Maar van sommige stenen kwam geen enkele straal.
Net toen ik hierover zat te denken zo vervolgt Catherine wendde de Heilige Maagd haar blik naar mij, en binnen in mij sprak een Stem: De bol die je ziet is de wereld; daar is Frankrijk en iedere aardbewoner bij inbegrepen. De lichtstralen die van mijn handen komen zijn de genaden die ik uitstort over hen die daar om vragen.
De Heilige Maagd liet me begrijpen met welk een gulheid en vreugde ze genaden uitreikte. Maar, zei ze, er zijn ook genaden waar men mij niet om vraagt, en daarom zie je uit sommige stenen geen lichtstralen komen.
In het derde deel van haar herinneringen, dat ze op 31 augustus 1941 afmaakte, geeft Lúcia ons het volgende, diepgaande inzicht in de bemiddeling van het Onbevlekte Hart van Maria:
Zoals ik al in het tweede deel heb geschreven, vertelde de H. Maagd me op 13 juni 1917 dat ze me niet in de steek zou laten en dat haar Onbevlekt Hart mijn toevlucht zou zijn en de weg die me naar God zou leiden. Terwijl Ze die woorden sprak, opende ze haar handen, en daaruit stroomde een licht dat tot in het diepst van ons hart doordrong. Ik denk dat op die dag (van de tweede verschijning) het licht in de eerste plaats bedoeld was om ons te vervullen van een speciale kennis van en liefde voor het Onbevlekte Hart van Maria, zoals dat naar mijn idee bij de twee andere gelegenheden het geval was met betrekking tot God en het mysterie van de Allerheiligste Drie-eenheid.
Sinds die dag waren onze harten vervuld van een vuriger liefde voor het Onbevlekte Hart van Maria. Van tijd tot tijd zei Jacinta tegen me: De Dame zei dat haar Onbevlekte Hart je toevlucht zal zijn, en de weg die je naar God zal leiden. Vind je dat niet geweldig? Haar hart is zo goed! Ik houd er zo veel van!
Hier zijn de beelden van de bemiddeling van de H. Maagd bijzonder treffend. Haar hart zal Lúcias toevlucht zijn en de weg die haar naar God zal leiden. Ten tweede is er het beeld van Marias handen die opengaan en het licht dat eruit stroomt. Dit doet denken aan het visioen van de H. Catherine Labouré, maar hier begrijpen we dat men door Marias bemiddeling speciale inzichten kan verwerven in de Allerheiligste Drie-eenheid en in haar Onbevlekt Hart.
Lúcia bericht ons vervolgens een paar bijzondere inzichten van haar kleine nichtje Jacinta:
Jij zult hier blijven om bekend te maken dat God de devotie tot het Onbevlekt Hart van Maria in de wereld wil vestigen. Als je dit moet zeggen, kruip dan niet weg. Zeg tot iedereen dat God ons genaden schenkt door het Onbevlekt Hart van Maria; dat de mensen erom moeten vragen; en dat het Hart van Jezus wil dat het Onbevlekt Hart van Maria aan zijn zijde word vereerd. Zeg ze ook te bidden tot het Onbevlekt Hart van Maria om vrede, want die heeft God aan haar toevertrouwd. Kon ik maar in ieders hart het vuur leggen dat in mijn eigen hart brandt, en waardoor ik zo veel van de Harten van Jezus en Maria houdt!
Hier zien we dat de Zalige Jacinta vast overtuigd is van de bemiddeling van het Onbevlekt Hart van Maria bij God en dat het Hart van Jezus wil dat het Onbevlekt Hart van Maria aan zijn zijde wordt vereerd, waarmee bevestigd wordt dat erkenning van Marias unieke medeverlossende en bemiddelende rol de wil van Jezus is.
Nu is het zeer interessant dat de houding van de Vrouwe op de beeltenis die Ida van haar moest laten schilderen en die Ida zelf op 31 mei 1951 had gezien, een sterke gelijkenis vertoont met die van de beeltenis op de wonderdadige medaille. Toch zijn er ook een aantal verschillen. Een verschil is dat de Vrouwe voor het kruis staat, hetgeen duidt op haar medewerking aan het verlossingswerk voor ons. Een ander verschil is dat de aardbol omgeven wordt door kudden schapen. Laten we horen hoe Ida dit beschrijft:
Dan zegt de Vrouwe tegen mij: Kind, prent deze voorstelling goed in je geheugen en geef het goed weer. Deze voorstelling van de kudde schapen betekent de volkeren van heel de wereld, die niet eerder rust zullen vinden dan als ze zich neerleggen en in rust opzien tot het kruis, het middelpunt dezer wereld.
Kijk nu naar mijn handen en vertel wat gij ziet.
Nu is het alsof er in het midden van haar handen een wond geweest is en daaruit komen, uit elke hand, drie stralen, welke schijnen op de schapen.
De Vrouwe glimlacht en zegt: Dit zijn drie stralen, de stralen van Genade, Verlossing en Vrede. Door de Genade van mijn Heer en Meester zond de Vader, uit liefde voor de mensheid, zijn enige Zoon als Verlosser op de wereld. Zij beiden willen nu de Heilige, de ware Geest zenden, die alleen Vrede kan zijn. Dus: Genade, Verlossing, Vrede.
De Vader en de Zoon willen Maria, de Vrouwe van alle Volkeren, als Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster zenden in deze tijd. Hier heb ik je een duidelijke en klare uitleg gegeven van deze beeltenis. Daarmede is deze beeltenis af.
Bijzonder treffend is hier dat Marias handen de stigmata vertonen. Ik geloof dat dit iets totaal nieuws is in de mariale iconografie, maar picturaal geheel verantwoord. Na Jezus, de God-mens, heeft geen menselijk schepsel inclusief alle gestigmatiseerden uit de geschiedenis meer in het verlossende lijden van Jezus gedeeld dan zijn Moeder. Laten we luisteren naar de woorden van de Dienaar Gods paus Johannes Paulus II in zijn mariale catechese van 9 april 1997, die een getrouwe weerklank vormt van hetgeen zijn voorgangers over deze belangrijke kwestie leerden:
Toegepast op Maria krijgt de term medewerker een specifieke betekenis. De medewerking van de christenen in de verlossing vindt plaats na het gebeuren op Calvarië, waarvan zij de vruchten gaan verspreiden door gebed en offers. Maria echter werkte mee tijdens het gebeuren zelf en in de rol van moeder; aldus omvat haar medewerking geheel Christus verlossingswerk. Zij alleen was op deze wijze verbonden met het verlossingsoffer dat het heil verwierf voor de hele mensheid. In vereniging met Christus en in onderwerping aan Hem, werkte zij mee in het verwerven van de heilsgenade voor de hele mensheid.
De afbeelding van de Vrouwe laat dus op opmerkelijke wijze zien dat Marias bemiddeling van genade, verlossing en vrede voortvloeit uit haar rol van Medeverlosseres: juist uit haar gewonde handen stromen de genaden van de Verlossing. Zij zou deze boodschap nogmaals tegenover Ida herhalen op 2 juli 1951 met nadere uitleg:
Kijk nu goed naar mijn handen. Daaruit komen de stralen van Genade, Verlossing en Vrede. De stralen schijnen op al de volkeren, op alle schapen. Onder deze mensen zijn er velen van goede wil. Van goede wil zijn, wil zeggen: het eerste en voornaamste gebod onderhouden. Het eerste en voornaamste gebod is Liefde. Wie liefde bezit, zal zijn Heer en Schepper vereren in zijn schepping. Wie liefde bezit, zal niets oneerbaars doen tegenover de naasten. Dat is hetgeen in deze wereld ontbreekt: Godsliefde, Naastenliefde.
De Vrouwe geeft aan dat de stralen schijnen op al de volkeren, op alle schapen. Onder deze mensen zijn er velen van goede wil. Heel duidelijk zegt zij hier dat de genaden die zij bemiddelt er niet alleen zijn voor de katholieken, zelfs niet alleen voor de christenen, maar voor alle mensen van goede wil. Alle volkeren moeten weten dat de genade van de Verlossing komt van Jezus door Maria. Hoe explicieter deze kennis is, des te meer kunnen alle volkeren er profijt van hebben. De roep om het dogma is ook een roep om de nieuwe evangelisatie.
III. De Voorspreekster voor de hele mensheid met Jezus en de Heilige Geest
In de ongelofelijk rijke homilie van onze heilige Vader in Guayaquil, Ecuador op 31 januari 1985, die ik hiervoor heb geciteerd, zei hij dat de rol van Maria als Medeverlosseres niet eindigde bij de verheerlijking van haar Zoon en vervolgens legde hij uit:
De Kerk gelooft dat de ten hemel opgenomen Allerheiligste Maagd voor altijd bij Christus is en daar voor ons ten beste spreekt (vgl. Heb. 7:25), en dat bij het goddelijke middelaarschap van haar Zoon zich de aanhoudende smeekbeden van zijn Moeder voegen ter wille van de mensen, haar zonen en dochters.
Maria is de dageraad en de dageraad kondigt altijd de komst van de zon aan. Daarom zou ik niets liever willen, broeders en zusters van Ecuador, dat jullie met diepe liefde de Moeder van Christus en de Kerk eren en dat jullie tot haar, de smekende almacht (omnipotentia supplex), jullie toevlucht nemen, opdat zij jullie steeds dichter bij Christus, haar Zoon en onze Middelaar, zal brengen.
Er zijn minstens twee punten die in deze leerstellig zo rijke uiteenzetting naar voren komen. Ten eerste heeft Maria deel aan de priesterlijke voorspraak van de verheerlijkte Christus, die nu aan de rechterhand van de Vader zit, waar Hij onophoudelijk onze Voorspreker is. In vereniging met Jezus (vgl. Heb. 7:25; 1 Joh. 2:1) en de Heilige Geest (vgl. Joh. 14:16, 26; 15:26; 16:7)is zij ook onze Voorspreekster. En ten tweede wordt Marias bemiddelende rol nader gepreciseerd: zij is de omnipotentia supplex, de smekende almacht, dat wil zeggen dat ze zowel smeekt als almachtig is. Met deze paradoxale term omschreef paus Johannes Paulus II bij een aantal gelegenheden de voorspraak van de H. Maagd.Misschien is een van de beste verklaringen van deze term die van de heilige Alphonsus Maria de Liguori:
Opdat de Moeder dezelfde macht zou hebben als de Zoon, heeft Jezus, die almachtig is, ook Maria almachtig gemaakt; al is het natuurlijk zo dat Jezus van nature almachtig is, en Maria slechts door genade. Maar dat zij dit is blijkt uit het feit dat wat de Moeder ook vraagt, de Zoon haar nooit weigert. Maria wordt daarom almachtig genoemd in zoverre een dergelijke term kan worden toegepast op een schepsel waaraan geen goddelijke eigenschappen kunnen worden toegeschreven; dat wil zeggen, zij is almachtig omdat ze door haar gebeden alles verkrijgt waar ze om vraagt.
Omdat Maria Medeverlosseres en Middelares van alle Genaden is, is zij ook de meeste perfecte menselijke Voorspreekster bij de heilige Drie-eenheid. Deze titel heeft diepe wortels in de katholieke traditie en is al terug te vinden bij de heilige Irenaeus in de tweede eeuw. De titel komt voor in het Salve Regina ( Wees gegroet, o Koningin), waarin we bidden: Onze Voorspreekster, sla op ons uw barmhartige ogen. In het pauselijk magisterium wordt het woord Voorspreekster letterlijk honderden keren voor Maria gebruikt en steeds weer naar haar voorspreeksterschap verwezen. Het grote mariale document van het Tweede Vaticaans Concilie erkende zelfs volmondig dat Maria terecht wordt aangeroepen als Voorspreekster.In zijn grote mariale encycliek Redemptoris Mater heeft Johannes Paulus een briljante analyse gegeven van de nauwe relatie tussen Marias rol van Voorspreekster en haar rol van Middelares:
Te Kana in Galilea toont zich slechts een concreet, schijnbaar klein en onbeduidend aspect van de menselijke behoeftigheid (Zij hebben geen wijn meer). Maar het heeft symbolische waarde. Dat tegemoetkomen aan de noden van de mensen betekent tegelijk dat zij hen binnenleidt in de straal van de messiaanse zending en van de heilbrengende macht van Christus. Er is dus een bemiddeling: Maria plaatst zich tussen haar Zoon en de mensen in de werkelijkheid van hun ontberingen, armoede en lijden. Zij plaatst zich midden tussen, d.w.z. zij wordt middelares, niet als een vreemdelinge maar in haar positie van moeder, zich ervan bewust dat zij als zodanig in staat is zelfs het recht heeft - om de noden van de mensen aan de Zoon voor te leggen. Haar middelaarschap heeft dus het karakter van tussenkomst: Maria komt tussenbeide voor de mensen. En dat is niet alles. Als moeder verlangt zij ook dat de messiaanse macht van de Zoon zich openbaart ofwel zijn heilsmacht die erop gericht is de mens te hulp te komen in zijn ongeluk, hem te bevrijden van het kwaad dat in verschillende vormen en graden zijn leven bezwaart.
Op 31 mei 1955 gaf de Vrouwe aan Ida de duidelijkste beschrijving van haar rol van Voorspreekster:
Gij zult nog veel meemaken in deze eeuw. Gij, volkeren van deze tijd, weet toch dat gij staat onder de bescherming van de Vrouwe van alle Volkeren. Roept haar aan als Voorspreekster, vraagt haar om alle rampen af te wenden. Vraagt haar, de verwording uit deze wereld te verbannen.
Van verwording komen rampen, van verwording komen oorlogen. Gij zult door mijn gebed vragen dit van deze wereld af te wenden. Gij weet niet hoe groot en hoe voornaam dit gebed is bij God. Hij zal zijn Moeder verhoren als zij wil zijn uw Voorspreekster.
IV. Conclusie
Zijn belangrijke, maar helaas grotendeels vergeten encycliek van 8 mei 1928, Miserentissimus Redemptor, sloot paus Pius XI met dit gebed af:
Moge de meest genadige Moeder van God, die ons Jezus als Verlosser gaf, die Hem grootbracht en aan de voet van het Kruis als slachtoffer voor ons offerde, die door haar mysterievolle vereniging met Christus en door haar ongeëvenaarde genade terecht de naam van Eerherstelster verdient, moge zij welwillend neerzien op onze wensen en onze ondernemingen. Vertrouwend op haar voorspraak bij Christus onze Heer, die, hoewel enige Middelaar tussen God en mens (1 Tim. 2:5), zijn Moeder de Voorspreekster voor de zondaars wilde maken en de Verleenster en Middelares van zijn genade, verlenen wij uit de grond van ons hart als een teken van hemelse gunst en van onze vaderlijke bezorgdheid aan u en aan alle gelovigen die aan uw zorg zijn toevertrouwd onze apostolische zegen.
Als men de tekst zorgvuldig leest, zal men ontdekken dat Pius XI in feite de Moeder Gods als Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster ziet. Daarvoor is het onder andere nodig te begrijpen dat het Latijnse woord Reparatrix dat de paus gebruikte een equivalent is van het woord Medeverlosseres. Door het offer van zijn dood voor ons aan het kruis, repareerde, herstelde Jezus onze relatie met de Vader; Hij gaf Hem genoegdoening. Als de nieuwe Eva aan de zijde van de nieuwe Adam was Maria verenigd met Hem in deze daad van genoegdoening op een secondaire, ondergeschikte en van Hem afhankelijke manier, maar tegelijkertijd op heel unieke wijze. Vandaar dat zij terecht kan worden genoemd Reparatrix of Medeverlosseres.Ten tweede wees de paus erop dat Jezus, de God-mens, weliswaar de enige Middelaar is tussen de Schepper en zijn schepselen, maar zijn Moeder de Verleenster en Middelares van zijn genade wenste te maken. Ten derde stelde de paus tevens dat de Heer zijn moeder de Voorspreekster voor de zondaars wilde maken.
Als we de titels Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster met elkaar verbinden, kunnen we op een logische en coherente manier Marias rol in onze verlossing begrijpen: het is juist vanwege de unieke en intieme deelname van de H. Maagd aan het verlossingswerk als Medeverlosseres dat zij de Uitdeelster (Middelares) van alle genaden en de grote Voorspreekster voor haar kinderen kan zijn na Jezus zelf en de Heilige Geest. Ja, elk van deze termen brengt een ander facet naar voren van de ongeëvenaarde wijze waarop Maria deel heeft aan de unieke priesterlijke bemiddeling van Jezus: zij neemt deel aan het werk van onze verlossing; zij verdeelt de genaden van de verlossing; haar leven bestaat eruit voor ons ten beste te spreken.
Deze drie titels vertegenwoordigen het steeds diepere inzicht van de Kerk in de unieke rol die de Moeder van God speelt in het verlossingswerk, niet alleen in het verleden, maar ook hier en nu. De titels zijn niet nieuw, en nog veel minder is hun inhoud nieuw. De rol van Maria in het werk van onze verlossing is in de afgelopen eeuwen de centrale vraag in de mariologie geweest en zoals de vaders van het Tweede Vaticaans Concilie terecht hebben opgemerkt: Maria, die zo diepgaand heeft deelgenomen aan de heilsgeschiedenis, verenigt in zich en weerspiegelt in zekere zin de grootste leerstukken van het geloof.Daarom is deze kwestie naar mijn oordeel bepaald niet van ondergeschikt belang maar de belangrijkste kwestie waar de theologie vandaag voor staat. Tot dusver heeft de grote meerderheid van de katholieke theologen geweigerd duidelijk te bevestigen wat de Heilige Geest de Kerk het afgelopen millennium heeft geleerd over Maria en in plaats daarvan de voorkeur gegeven aan het compromis en minimalisme. Men hoeft alleen maar de overeengekomen verklaringen te raadplegen zoals Mary in the New Testament, The One Mediator, The Saints, and Mary, de veelgeprezen verklaring van de Groupe des Dombesen de overeengekomen verklaring van de ARCIC over Maria van 2005. Katholieke pastores hebben, een enkele uitzondering daargelaten, bijna volstrekte stilte betracht over dit onderwerp en het is op dit moment inderdaad zo dat velen echt onwetend zijn over de duizendjarige traditie van de Kerk.
Maar zoals de Vrouwe herhaaldelijk tegenover Ida heeft benadrukt: nu is het de tijd om te handelen. Als God Maria het grootste en meest volmaakte schepsel heeft gemaakt en haar een volstrekt unieke rol in het verlossingswerk heeft gegeven, altijd ondergeschikt aan de God-mens en afhankelijk van Hem hebben we dan enig recht dit te ontkennen of hierover te zwijgen? Jezus vormt het centrum van ons geloof en Maria staat naast Hem. Nee, zij is niet het centrum van ons geloof, maar ze staat naast het centrum. Ze is onafscheidelijk van Jezus, door een onlosmakelijke band met Hem verenigd en evenzeer door een onlosmakelijke band verenigd met de Kerk. Dat is wat de boodschappen van de Vrouwe van alle Volkeren benadrukken, maar dit is geen nieuwe leer: het is de eeuwige leer van de Kerk, nu helaas maar al te vaak onbekend, verkeerd begrepen of verduisterd. Wij moeten deze doctrine bekendmaken, nederig, maar vol vreugde. We moeten bidden en offeren, zodat de dogmaverklaring waar de Vrouwe om vraagt plaatsvindt. Ik denk dat we haar woorden aan Rome ook voor onszelf moeten laten gelden:
Weet gij wel, Rome, hoe alles ondermijnd wordt? Jaren zullen vervliegen, jaren zullen daar overheen gaan. Maar hoe meer jaren, hoe minder geloof; hoe meer jaren, hoe meer afval.
De Heer vraag onze medewerking, net als Hij die van Maria heeft gevraagd. Daar hangt de Triomf van haar Onbevlekt Hart van af, zoals die door de H. Maagd in Fatima is voorspeld, en de Heer wil deze triomf tot de sleutel maken voor de Heerschappij van het Allerheiligste Hart van zijn Zoon.
Geprezen zij de Harten van Jezus en Maria!
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
De liefdevolle woorden van de Heer tot de bruid over hoe het aantal valse Christenen vermenigvuldigd is tot aan het punt van het opnieuw kruisigen van Christus, over hoe hij de dood nogmaals zou accepteren omwille van de zondaars, als dit mogelijk was.
BOEK 1 HOOFDSTUK 30
Ik ben God. Ik heb alle dingen ten behoeve van de mens geschapen, zodat alle dingen hen van dienst kunnen zijn en hen onderrichten. Maar tot hun eigen verdoemenis misbruiken ze alle dingen die ik ten gunste van hen heb geschapen. Ze geven minder om God en houden minder van Hem dan de gecreëerde wereld. De Joden bereidden 3 soorten straffen voor in mijn lijden: ten eerste, het hout waaraan ik, na te zijn gegeseld en gekroond, werd vastgenageld; ten tweede, het ijzer waarmee ze mijn handen en voeten vastspijkerden; ten derde, het gal dat ze me te drinken gaven. Bovendien, maakten ze me uit voor een idioot omdat ik de dood vrijwillig onderging en ze noemden me een leugenaar vanwege mijn leer.
Het aantal van deze mensen in de wereld is inmiddels vermenigvuldigd en dat geeft mij weinig troost. Ze hangen me aan het hout door hun verlangen om te zondigen; gezien het feit niemand een enkel woord omwille van mij kan verdragen, geselen ze me door hun ongeduld en ze bekronen me met doorns van hun trots, want ze denken boven mij verheven te zijn. Ze nagelen mijn handen en voeten met het verharde ijzer, zoals ze zich verheugen in zonde en zichzelf zo verharden alsof ze geen vrees voor me moeten hebben. Zoals ze mij gal geven in mijn verdriet en ze me een leugenaar noemen en een idioot vanwege mijn lijden, dat ik met vreugde toetrad.
Ik ben machtig genoeg om hen en de hele wereld te verdrinken vanwege hun zonden. Als ik ze echter zou verdrinken, zouden degenen die mij dienen uit angst, blijven en dat zou oneerlijk zijn, want de mensen zouden me uit liefde moeten dienen. Als ik persoonlijk naar ze toekwam in zichtbare vorm, zouden hun ogen het niet kunnen verdragen om naar me te kijken of hun oren om mij te horen. Hoe kon een sterfelijk wezen een onsterfelijk wezen aanschouwen? Maar in feite zou ik graag weer helemaal willen sterven omwille van de mensheid, als dit mogelijk was.
Toen verscheen de Heilige Maagd Maria en de Zoon zei tegen haar: Wat wens je, mijn Moeder, mijn uitverkorene? En ze zei: Heb medelijden met je creatie, mijn Zoon, omwille van mijn liefde! Hij antwoordde: Ik zal nogmaals barmhartig zijn omwille van jou. Toen sprak de Heer tot zijn bruid, zeggend: Ik ben jouw God, de Heer van de engelen. Ik ben Heer over leven en dood. Ik wil mezelf in je hart vestigen. Ik hou zoveel van je! De hemelen en de aarde en alles erin kunnen mij niet behelzen en toch wil ik me vestigen in jouw hart, dat niks anders is dan een brok vlees. Voor wie zou je nog bang zijn of wat zou je nog missen als je de almachtige God, in wie al het goede wordt gevonden, in je hebt?
Er dienen drie dingen in het hart te zijn waarin ik me vestig: een bed waar we kunnen rusten, een stoel waar we kunnen zitten en een lamp die ons licht geeft. Laat dus in jouw hart een bed zijn voor stilte en rust, waar je kunt rusten van de kwade gedachten en wensen van de wereld. Houd altijd de eeuwige vreugde in gedachten! De stoel dient het voornemen te zijn om bij me te blijven, zelfs als je er soms op uit moet gaan. Het gaat tegen de natuur in om altijd te staan. De persoon die altijd staat is degene die altijd het voornemen heeft om in de wereld te zijn en nooit bij mij komt zitten. Het licht of de lamp moet het vertrouwen zijn waardoor jij gelooft dat ik in staat ben om alles te doen en ik almachtig ben boven alle dingen.
Wordt vervolgd.
HERINNERINGEN VAN ZUSTER LUCIA.
Een paar dagen daarna schreef zuster Lucia haar verslag en dat
werd opgestuurd naar Mgr. Manuel Pereira Lopes, de latere Vicaris
Generaal van het bisdom O Porto, die de biechtvader van Lucia was
tijdens haar verblijf in het internaat van Vilar, in de stad O Porto. Dit
onuitgegeven document is gepubliceerd door Mgr. Dr. Sebastião Martins
dos Reis in zijn boek: Uma vida ao serviço de Fátima (Een leven in
dienst van Fatima), blz. 336-357.
Op de vijftiende (
van februari 1926) had ik het erg druk met
mijn werk en zelfs dat herinner ik me haast niet meer. Ik ging een
afvalbak buiten de tuin zetten, waar ik een paar maanden terug
een kind had gesproken. Ik had gevraagd of het t Weesgegroet
kende. Toen het kind zie dat hij het kende, had ik gevraagd om
het dan eens op te zeggen, zodat ik het zou kunnen horen. Het
kind wilde het niet alleen doen en daarom zegde ik het samen
met hem drie keer op. Daarna vroeg ik hem om het nu eens alleen
op te zeggen. Het kind bleef zijn mond houden en kon het niet
alleen opzeggen. Toen vroeg ik hem of hij de kerk Santa Maria
wist. Die kende hij. Ik zei toen tegen hem dat hij daar iedere dag
naartoe moest gaan en zeggen: Hemelse Moeder, geef mij uw
kind Jezus. Dat leerde ik dus aan het kind en toen ging ik weg.
Op 15 februari 1926, toen ik weer zoals gewoonlijk, op die
plek terug kwam, zag ik daar een kind en het leek mij hetzelfde. Ik
vroeg het toen:
Heb je het Kindje Jezus aan de Hemelse Moeder gevraagd?
Het kind keek me aan en zei:
En heb jij datgene over de wereld verspreid wat de Hemelse
Moeder je heeft gevraagd?
Op dat ogenblik veranderde het kind in een schitterende
jongeman. Toen ik merkte dat het Jezus was, zei ik:
Mijn Jezus! U weet heel goed wat mijn biechtvader mij
heeft gezegd in de brief die ik u heb voorgelezen. Hij zei dat die
verschijning zich zou moeten herhalen; dat er feiten zouden
moeten zijn die de verschijningen geloofwaardig zouden kunnen
maken; en Moeder Overste alleen kon niets doen ter verbreiding
van dit feit.
Inderdaad, Moeder Overste alleen kan niets doen, maar
met mijn genade kan ze alles. En het is voldoende dat je
biechtvader je toestemming geeft en dat moet je Overste zeggen,
zodat men er in kan geloven, zelfs zonder te weten aan wie het is
geopenbaard.
Maar mijn biechtvader zei in zijn brief dat die devotie
helemaal niet nodig was voor de wereld, omdat er al veel zielen
waren die u ontvingen op de eerste zaterdagen, ter ere van de
H.Maagd en de geheimen van de rozenkrans.
Mijn dochter, het is waar dat veel zielen ermee beginnen,
maar weinig blijven het tot het einde doen. En de zielen die het tot
het eind volhouden, doen dat om de genaden te kunnen ontvangen
die daarin beloofd worden. En degenen die de vijf eerste
zaterdagen met eerbied en met de bedoeling eerherstel te brengen
aan het Hart van je Hemelse Moeder, zijn mij aangenamer dan
degenen die lauw en onverschillig de vijftien eerste zaterdagen
houden
Wordt vervolgd.
God onze Vader.
God onze Vader , mogen wij U van harte danken voor alle dingen die U ons toevertrouwde. Leer ons, ook al is het weinig of klein, trouw en zorgzaam te zijn. Leer ons voor de aarde en ons leven te zorgen als een goed rentmeester, met overleg en liefde, zodat ook wij steeds, zoals Jezus, zouden kiezen voor datgene wat Gij het beste vindt. Amen.
Laten wij nu samen bidden voor elkaar en voor onszelf:
Laten wij nu samen bidden voor elkaar en voor onszelf: ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Laat ons bidden, dat de mensen dikwijls zouden nadenken waar ze elkaar een plezier mee kunnen doen, en dan vooral aan zieke en eenzame mensen. Laat ons bidden
Laat ons bidden opdat wij zouden leren dat Jezus heel belangrijk is in ons leven, en dat wij niet alleen zouden luisteren naar onze eigen wensen en verlangens, maar ook naar wat Jezus wil. Laat ons bidden
Laat ons bidden, dat wij meer zouden kiezen om andere mensen rondom ons te beminnen door ons er gratis voor in te zetten, eerder dan ons af te vragen wat het ons aan geld of moeite zou kosten. Laat ons bidden ;
God, onze Vader zal ons in gebed en in gewone dingen van het leven laten voelen dat hij ons gelukkig kan maken als wij blijven bidden en kiezen voor elkaar. Amen.
God onze Vader.
God onze Vader, Vandaag zijn wij hier bijeen gekomen om Jezus te gedenken, en ook om ons te bezinnen over wat wij doen en laten. Door de dingen die wij kiezen wordt Uw wereld beter of slechter. Wij doen liefst alleen aangename en plezierige dingen. Maar Vader, leer ons begrijpen dat in minder prettige dingen ook iets goeds kan zitten. Leer ons ook die dingen waarderen voor het geluk van andere mensen. Amen
Bezinning .
Ik hou van de mensen Met wie ik leven mag. Ik hou van hun lach en hun taal. Zo rijst de vreugde op Als een frisse dageraad. Ik hou van vrienden. Zij nemen mij mee door de dag. Gewoon brood smaakt dan fijn. Eenvoudige dingen maken me rijk. Ik hou van een harde hand. Maar 't kost me dan blij te zijn En vriendelijke te blijven. Er is zoveel, Als ik kleine dingen tel, Wat simpel gegeven en gekregen is En wondere dingen, Die je zomaar in de handen tuimelen. Er liggen ontelbaar vele kruimels Op de paradijstafel van onze wereld.
Je kan ze verloren gooien, Je kan ze ook uitdelen.
Dat zien En dat doen, en meedoen Is kruimels vreugde strooien.
Bezinning .
Soms verstop ik me Voor jou God! Waarom? Ik weet het niet! Is het omdat ik Aan jouw liefde twijfel? Of heb ik veeleer Schrik voor mezelf En wil ik je mijn Kwetsbaarheid niet tonen? Wat er ook van is, Neem mij alsjeblieft Op je schouders Als ik zelf mijn weg Niet meer vind. En geef ook mij Een hart Dat op zoek durft gaan Naar al wie verloren is En zich eenzaam voelt.
God onze Vader.
God onze Vader, Gij hebt ons rond U verzameld. Wij zijn Uw schapen. Soms kan er één van ons zoek zijn. Leer ons dan zoeken en deze weer terug bij U brengen. Amen.
God onze Vader,
God onze Vader, Gij leert ons zorg dragen voor datgene wat men ons gegeven heeft. Alle mensen tellen mee, ook zij die zijn weggegaan. Samen met de gaven van brood en wijn bieden wij onze goede wil aan om vriend te zijn van alle mensen, ook kinderen, die zich tussen ons verloren voelen. Steun ons in ons zoeken naar vrede en vriendschap met elkaar. Amen.