For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
01-05-2009
DE LOURDES OP DE BERGEN.
Ave de Lourdes-Ave Maria de Lourdes
Abraham, het bijna offeren van zijn bloedeigen zoon.
Abraham, het bijna offeren van zijn bloedeigen zoon.
Mozes bij Sinaï
Mozes bij Sinaï
AAN ALLEN.
NOG ENIGE MOOIE FOTO'S VAN HET TABERNAKEL, IN ONZE KERK WAAR IK DAGELIJKS VELE UREN DOORBRENG. NELLY.
AAN ALLEN.
TUSSENDOOR ENKELE MOOIE FOTO'S VAN DE KAPEL IN HET PARK IN LIEDEKERKE, IK EN MIJN BESTE VRIENDIN SYLVIA HEBBEN ZE MOOI GEMAAKT OP 8 MEI ZAL ER EEN MOOIE MIS GEHOUDEN WORDEN. NELLY.
DE CHRISTUSREIS NAAR DE EEUWIGHEID. ( DEEL 4 ).
De vallei van de Schaduw des Doods.
Aan het einde van deze vallei was nog een andere, met name de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS en CHRISTEN moest persé door deze vallei, omdat de weg tot de stad des Hemels er midden door liep. Deze vallei nu is een zeer eenzame plaats. De profeet Jeremia beschrijft haar als: een woestijn, een land van wildernissen en kuilen, een land van dorheid en schaduw des doods, een land, waar niemand (een Christen uitgezonderd) doorgaat en waar geen mens in woont (Jer.2:6). Hier nu was CHRISTEN er nog erger aan toe, dan in de strijd met APOLLYON, zoals uit het vervolg blijken zal.
Toen CHRISTEN aan het begin van deze vallei gekomen was, ontmoetten hem twee mannen, kinderen van hen, die eens een kwaad gerucht brachten over het goede land (Num.13:32), en zij repten zich om terug te keren. Deze sprak hij aan en zei: "Waarheen gaan jullie, mannen?"
Zij antwoordden: "Terug, terug; en wij wensten, dat u met ons ging, want als u dit niet doet, hebt u uw leven en uw welstand niet lief."
CHRISTEN vroeg daarop: "Hoe, waarom, wat is er gaande?" En zij antwoordden: Vraagt u, wat er is? Wij gingen ook de weg, die u gaan wilt en liepen zo ver, als wij ons durfden wagen en inderdaad, wij hadden het terugkeren wel bijna kunnen vergeten, want waren wij nog verder gegaan, wij hadden het niet naverteld."
"Wat is u dan overkomen?" vervolgde CHRISTEN.
Zij antwoordden: "Wij waren bijna in de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS (Ps. 44:20,en 107:10); maar wij zagen gelukkig nog vóór ons en merkten het gevaar eer wij er in kwamen."
"Maar wat hebt u daar gezien?" vroeg CHRISTEN.
"Gezien?" zeiden zij, "Wel, de vallei zelf; is dat niet genoeg? Zij was donker als pek, en daar waren veldduivels en draken van de afgrond. Wij hoorden ook een gedurig huilen en kermen, als van een volk in onuitsprekelijke ellende, dat gebonden is in de verdrukking en in ijzer, dat daar zit in een land van duisternis en schaduw des doods, dat de dood met zijn vleugels overdekt heeft; kortom alleszins vreselijk." (Job 3:5 en 10:22).
"Ik kan het nog niet anders zien," zei CHRISTEN, "of de weg, waarvan u spreekt, is de weg, die ik heb te wandelen, om tot de begeerde haven te komen." (Jer.2:6).
"Is dit uw weg," zeiden zij, "dan willen wij niet met u gaan," en zo scheidden zij van CHRISTEN, die hierop zijn weg voortzette, zijn zwaard in de hand houdende, uit vrees aangevallen te zullen worden.
Ik zag ook, dat er ter rechterzijde van de vallei een diepe gracht of sloot lag, namelijk die, waarin door alle eeuwen de ene blinde de andere heeft doen vallen; zodat zij te zamen jammerlijk zijn omgekomen. Ter linkerzijde was een gevaarlijke slijkpoel en moeras. Indien een mens daarin viel, kon hij geen grond voor zijn voet vinden. Dit was dezelfde, waar koning David eens in neerzonk (Ps.69:3), die er ongetwijfeld ook in versmoord zou zijn, als niet Hij, Die machtig is, hem eruit had gerukt.
Het voetpad was hier buitengewoon smal en daardoor had de goede CHRISTEN het des te moeilijker. Want wanneer hij, in het donker gaande, de gracht aan de ene zijde dacht te mijden, was hij in gevaar, uit te glijden in het moeras aan de andere kant en als hij zeer zorgvuldig het slijk wilde schuwen, liep hij gevaar in de gracht te vallen. Zo sukkelde hij voort en ik hoorde hem bitter zuchten; want behalve de gemelde gevaren was het op het pad zo duister, dat hij af en toe niet kon zien, hoe de ene voet voorbij de andere te zetten.
Ongeveer in het midden van deze vallei, niet ver van de weg af, zag ik de mond van de hel. Daar stond CHRISTEN en dacht: "Wat zal ik nu doen?" En terstond kwamen er zo'n vuur en rookdamp, zovele vonken en zulk een naar geluid (dingen die voor CHRISTENS zwaard geen ontzag hadden, gelijk APOLLYON) uit voort, dat hij genoodzaakt werd zijn zwaard in de schede te steken en een ander wapen ter hand te nemen, genaamd GEDURIG GEBED (Ef.6:18,Ps.116:3); ik hoorde hem roepen: "o Heere, verlos mijn ziel." Zo voortgaande, naderde hij het vuur al vrij dicht. Hij hoorde ook treurende stemmen en een toe- en afnemend vleugelgeruis, en dat deed hem meermalen vrezen, nog in stukken gescheurd of vertrapt en vertreden te zullen worden, zoals het slijk der straten. Dit naar geluid en vervaarlijk gezicht hoorde en zag hij al vele uren en zich inbeeldende, dat er een troep boze geesten op hem aankwam, stond hij een ogenblik stil en overlegde, wat hem te doen stond. Soms was hij half van plan terug te keren, dan weer dacht hij, dat hij nu wellicht al halverwege de vallei was en hoe hij al zovele gevaren had doorstaan; meteen herinnerde hij zich, dat het gevaar van terug te gaan wellicht groter was dan de gevaren, die hem in het voortzetten van zijn reis nog ontmoeten konden; daarom besloot hij zijn weg te vervolgen.
De boze geesten schenen intussen al nader en nader te komen. Maar toen ze bijna bij hem waren, riep hij met een geweldige stem: "Ik zal heen gaan in de mogendheid des Heeren Heeren!" (Ps.71:16) waarop zij achteruit gingen en niet verder kwamen.
Eén ding is er nog, dat ik hier niet vergeten moet: ik bemerkte, dat de arme CHRISTEN in deze tijd zo ontsteld was, dat hij zijn eigen stem niet meer kende. Want ik zag, dat juist, toen hij tegenover de mond van de brandende poel was, een van de duivelen hem zeer zachtjes achterna kwam en hem zeer stil en behendig vele droevige lasteringen in het oor fluisterde, waarvan hij inderdaad niet beter wist, of zij kwamen voort uit zijn eigen gemoed. Dit trof CHRISTEN harder dan al wat hem tevoren was overkomen. Het viel hem zeer hard te denken, dat hij nu Hem zou lasteren, die hij te voren zo uitnemend lief had; evenwel kon hij het niet voorkomen, anders zou het niet geschied zijn. Hij had echter hier nog geen bekwame onderscheiding om te weten, vanwaar deze lasteringen haar oorsprong hadden, noch de macht om zijn oren te stoppen, opdat zij er niet inkwamen.
Nadat hij geruime tijd in deze troosteloze toestand voortgewandeld had, meende hij de stem te horen van een man, die voor hem uit wandelde, zeggende: "Al ging ik in het dal van de schaduw des doods, zo vrees ik niet; want Gij zijt bij mij." (Ps.23:4). Dit verblijdde hem zeer en wel om deze redenen:
1.Omdat hij hieruit kon besluiten, dat er ook van degenen, die de Heere vrezen, in de vallei waren, evenals hij.
2.Omdat hij nu begreep, dat God bij hem was, ofschoon hij in zulk een duistere en troosteloze staat verkeerde. En, dacht hij, waarom zou Hij nu niet bij mij zijn, ofschoon ik het door de moeilijkheden, die mij hier overkomen, niet kan waarnemen? (Job.9:10,11).
3.Omdat hij nu hoop had, om, indien hij wat snel voortging en hem inhaalde, weldra goed gezelschap op de weg te hebben.
Hij liep dan ook vlug door en riep tot degene, die hem vooruit was. Doch hij wist niet, wat hij zeggen zou, als hem gevraagd werd, waarom hij dacht, zo alleen te zijn. Maar zie, even later brak de dag aan; toen zei CHRISTEN: "Hij verandert de doodsschaduw in de morgenstond." (Amos 5:8).
Nu het daglicht aangebroken was, zag hij eens achter zich, niet uit begeerte om terug te keren, maar om bij het daglicht te zien, met welke gevaren hij in het duister te doen had gehad. En toen zag hij zeer duidelijk de gracht, die ter ene en het moeras, dat ter andere zijde lag en tevens hoe smal het voetpad was, dat hij daartussen was doorgegaan; hij zag ook de veldduivels en de draken van de afgrond, doch alle van ver; want na het aanbreken van de morgenstond kwamen zij hem niet nader; evenwel kon hij ze nog zien, volgens wat er geschreven staat: Hij openbaart de diepten uit de duisternis en de doodsschaduw brengt Hij voort in het licht (Job.12:22).
Toen was CHRISTEN zeer bewogen vanwege de verlossing uit al de gevaren, waaraan hij nu bemerkte op die eenzame weg onderworpen te zijn geweest en die hij, ofschoon hij ze tevoren meer vreesde, nu veel duidelijker zag, omdat het licht van de dag ze nu aan hem vertoonde, want de zon ging al over hem op; en dit was een grote weldaad voor CHRISTEN. Want hoewel het eerste gedeelte van de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS zeer gevaarlijk was, zo moet u nochtans weten, dat het andere deel, dat hij thans te gaan had, nog veel gevaarlijker was. Want van de plaats, waar hij nu stond, tot aan het eind van de vallei, was de weg doorgaans zo vol strikken en vallen, zo vol netten, putten, kuilen, holen en knippen, dat hij, als het nu zo duister was geweest als toen hij het voorste gedeelte van deze weg betrad, al had hij duizend zielen gehad, ze zeker alle was kwijtgeraakt. Maar zoals ik zeg, de zon ging nu over hem op, waarom hij ook zei: "Zijn lamp schijnt over mijn hoofd en bij Zijn licht doorwandel ik de duisternis." (Job.29:3).
In dit licht kwam hij aan het einde van de vallei. Hier lagen veel bloed, beenderen en as, alsmede vele lichamen van pelgrims die tevoren deze weg bewandeld hadden. Terwijl ik overdacht wat dit zeggen wilde, ontwaarde ik een eindje voor hem uit een hol en een spelonk, waar twee reuzen, PAUS en HEIDEN van ouds hadden huis gehouden, die door hun geweld en tirannie de mensen, van wie het bloed, de beenderen en de as daar lagen, op een zeer wrede wijze ter dood gebracht hadden. Maar CHRISTEN ging er zonder veel gevaar door, waarover ik in het begin tamelijk verwonderd stond; maar ik heb naderhand gehoord, dat HEIDEN al vele dagen dood is en dat de ander, ofschoon nog in leven, door ouderdom, alsmede door de snode streken van zijn jonkheid, zo ziekelijk en stijf in al zijn leden was, dat hij nu weinig meer kon uitrichten, dan in de ingang van zijn spelonk zitten, van waar hij de reizigers, die voorbij gaan, lelijk aangrijnst, van spijt op zijn nagels bijt, omdat hij niet bij hen kan komen.
CHRISTEN bleef op de weg, maar wist niet, wat hij moest denken van de oude man, die daar in het hol zat, te meer, omdat hij, ofschoon hij niet op kon staan, hem toeriep: "Het zal met u niet beteren, voor er nog meer verbrand worden." Maar hij hield zich stil, zette een vrolijk gezicht en ging zo voorbij, zonder enig ongemak te lijden. Daarop zong hij als volgt:
Wond're God! wat wond're dingen,
Doet Gij mij op heden zien,
'k Kan mijn lippen niet bedwingen,
Want Gij hebt mij doen ontvliên,
Menig valstrik, groev' en net
Die daar lagen voor mijn gangen;
Had Uw gunst het niet belet,
Ik was er in gevangen.
Zonde, duivel, dood en helle,
En al wat vervaarlijk is.
Kwam mijn droeve ziel ontstellen,
In die nare duisternis.
Dank, o Jezus! die mij leidt
Bij de hand, en dus komt schragen;
Gij moet voor deez' trouwigheid,
Eeuwiglijk de krone dragen.
Wijze Ps.25
Christen haalt Getrouwe in.
Toen kwam hij aan een hoogte, die daar opgeworpen was, opdat de reizigers, die daar kwamen, eens vooruit zouden kunnen zien; daar liep hij bovenop en uitziende zag hij GETROUWE vooruit, die ook op reis was. Daarom riep hij luidkeels: "Ho, ho, wacht wat, wacht wat, ik ga mee!" GETROUWE zag wel om, maar wist niet wie CHRISTEN hebben wilde en daarom riep CHRISTEN nogmaals: "Wacht, wacht, ik kom straks bij u."
"Nee," antwoordde hij, "ik vrees de bloedwreker, mijn leven hangt er van af." Dit raakte CHRISTEN nogal, en al zijn krachten inspannende, haalde hij GETROUWE haastig in; ja liep hem voorbij; en zo werd de laatste de eerste. Dit deed CHRISTEN in een ijdele glorie glimlachen, omdat hij het dus van zijn broeder gewonnen had. Maar hij lette niet goed op zijn voeten, struikelde en viel; en hij kon niet weer opstaan, voordat GETROUWE hem te hulp kwam.
Toen zag ik ook in mijn droom, dat zij zeer vriendelijk tezamen wandelden, zoete gesprekken voerend met elkaar over wat hun op reis overkomen was.
"Wel, mijn geëerde en welbeminde broeder GETROUWE", begon CHRISTEN, "ik ben blij, dat ik u ingehaald heb en dat onze God onze harten zo geschikt heeft, dat wij als zoete metgezellen tezamen kunnen wandelen in zo'n vermakelijke weg als deze."
GETROUWE. Ik dacht, dierbare vriend, dat ik het geluk van uw gezelschap al gehad zou hebben van onze stad af; maar u was mij ver vooruit; daarom was ik genoodzaakt zo'n lange weg alleen te wandelen."
CHRISTEN. "Hoe lang bleef u nog wel in de stad VERDERF, nadat ik mij op reis had begeven?"
GETROUWE. "Zo lang ik durfde. Want terstond na uw vertrek was er sprake van, dat onze stad in korte tijd door vuur en zwavel van de hemel tot de grond toe verbrand zou worden."
CHRISTEN. "Ai, zei men dat onder uw buren?"
GETROUWE. "Ja, al de monden waren er een geruime tijd vol van."
CHRISTEN. "En waren er niet meer dan u alleen, die dit gevaar zochten te ontkomen?"
GETROUWE. "Ofschoon er, zoals ik zeg, veel over gesproken werd, meen ik, dat zij het niet vast geloofden. Want in hun ernstigste gesprekken zelfs hoorde ik hen spottend spreken, zowel over u, als over uw wanhoopsreis, want zo noemden zij deze pelgrimstocht; maar ik geloofde het en ik geloof nog, dat het einde van onze stad vuur en sulfer zal zijn en daarom heb ik mij uit de voeten gemaakt."
CHRISTEN. "Hebt u nooit horen spreken over onze buurman GEZEGLIJK?"
GETROUWE. "Ja CHRISTEN, ik hoorde, dat hij u vergezeld had tot aan de poel MISTROUWEN, waar hij, zoals sommigen zeiden, was ingevallen, maar hij wilde dat niet bekennen, doch ik weet het zeker, omdat hij met de modder nog zeer beslijkt was."
CHRISTEN. "En wat zeiden zijn buren toch?"
GETROUWE. "Hij werd zeer veracht door allerlei slag mensen. Sommigen bespotten en verachtten hem, anderen wilden hem nauwelijks meer te werk stellen. Hij is nu ook zevenmaal erger, dan eer hij de stad verliet."
CHRISTEN. "Maar waarom keerden zij zich toch zo tegen hem, hoewel zij allen de weg, die hij verlaten had, even zeer verwierpen als hij?"
GETROUWE. "O, zeiden zij, dat is een draaibord; hang op zulke lui, die niet getrouwer in hun belijdenis zijn. Ik meen, dat God zijn vijanden tegen hem verwekt had (Jer.29:18,19), om hem zo lastig te vallen en tot een spreekwoord te maken, omdat hij des Heeren weg verlaten had."
CHRISTEN. "Hebt u nooit met hem zelf gesproken, eer u op reis ging?"
GETROUWE. "Ik heb hem eens op straat ontmoet, doch hij sloop stil aan de overzijde voorbij, als iemand, die beschaamd is over wat hij gedaan heeft en zo kreeg ik hem niet te spreken."
CHRISTEN. "Toen ik mij pas op reis begaf, had ik grote hoop voor die man, maar nu vrees ik, dat hij zal omkomen in de ondergang van de stad; want het is hem gegaan naar het waarachtige spreekwoord: de hond is weergekeerd tot zijn uitbraaksel en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk."
GETROUWE. "Dat vrees ik ook, maar wie kan het keren, als men toch zo wil?"
CHRISTEN. "Wel, buurman GETROUWE, laat ons hem laten varen en eens spreken van de dingen, die ons zelf aangaan. Zeg mij toch eens, wat u op de weg, waarlangs u kwam, overkomen is, want ik weet, dat u veel ondervonden hebt; anders mocht men dat wel als iets wonderbaarlijks aantekenen."
GETROUWE. "Ik ben de poel MISTROUWEN, waarin u gevallen bent, ontkomen, zodat ik zonder gevaren behouden aan het poortje kwam; alleen ontmoette ik een vrouw, wier naam WELLUST was, die mij veel kwaads scheen te zullen toebrengen."
CHRISTEN. "Het was goed, dat u haar net ontkwam. Jozef werd ook eens zeer hard door haar aangevallen en hij ontkwam haar nog, zoals u ook gedaan hebt; maar het scheen hem het leven te zullen kosten (Gen.39:11,12,13). Maar vriend, wat deed zij u?"
GETROUWE. "Dat kunt u wel denken; als u eens wist, welk een vleiende tong zij heeft. Zij drong zeer sterk aan, dat ik met haar ter zijde van de weg af zou treden en beloofde mij allerlei genoegen."
CHRISTEN. "Ja, maar niet het genoegen van een goed geweten."
GETROUWE. "U weet wel, dat ik allerlei zondig en vleselijk vermaak bedoel."
CHRISTEN. "Dank zij de Heere, dat u haar ontkomen bent: op wie de Heere vergramd is, die zal daarin vallen." (Spr.22:14).
GETROUWE. "Ja wel, ik weet niet, of ik haar al geheel ontworsteld ben."
CHRISTEN. "Waarom niet? Ik vertrouw immers, dat u haar begeerte niet volbracht."
GETROUWE. "Neen, niet om mij zelf te bevlekken; want ik dacht aan zeker oud geschrift, dat ik eens gezien heb, dat zei: haar treden houden de hel vast. (Spr.5:5). Dus maakte ik een verbond met mijn ogen (Job.31:1), opdat ik door haar lonken niet betoverd werd; toen lachte zij mij uit en ik ging mijns weegs."
CHRISTEN. "En waren er geen andere aanvallen op uw weg?"
GETROUWE. "Toen ik aan de heuvel MOEILIJKHEID kwam, ontmoette ik een zeer bejaard man, die mij vroeg, wie ik was en waar ik heen wilde. Ik zei, dat ik een reiziger was naar de Stad des Hemels. Toen zei de oude man: 'U schijnt mij van goede inborst te wezen; bent u genegen bij mij te blijven wonen, mits ik u een zeker loon geef?' Nu vroeg ik zijn naam en woonplaats, waarop hij zei, dat hij Adam de Eerste was en woonde in de stad VERLEIDING. Ik vroeg hem ook, wat zijn werk was en welk loon hij mij wilde geven. Daarop antwoordde hij, dat zijn werk zeer vermakelijk was en dat hij mij ter beloning ten laatste zijn erfgenaam zou doen zijn.
Verder vroeg ik, welk huis hij had en of hij nog andere diensbaren had. Daarop gaf hij te kennen, dat er in zijn huis volop was van allerlei werelds vermaak en dat zijn dienstknechten zijn eigen nakomelingen waren, alsook dat hij drie dochters had: BEGEERLIJKHEID VAN HET VLEES, BEGEERLIJKHEID VAN DE OGEN en GROOTSHEID VAN HET LEVEN en dat ik wel met een van die zou kunnen trouwen, indien ik dit wenste. Ik wilde ook weten, hoe lang hij mij in zijn dienst wilde houden en het antwoord was: zo lang ik leven zal."
CHRISTEN. "Wel, hoe verging het u ten slotte met die Oude Mens?"
GETROUWE. "In het eerst was ik wel een ogenblik genegen, met hem mee te gaan; hij kon zo mooi praten; maar terwijl ik met hem sprak, viel mijn oog juist op zijn voorhoofd en daar stond geschreven: leg af de oude mens met zijn begeer lijkheden." (Ef.4:22).
CHRISTEN. "Wel en toen?"
GETROUWE. "Toen werd ik heet in mijn binnenste en werd overtuigd, dat hij, wat hij ook zei en hoe hij mij vleide, van plan was, mij als hij mij in zijn huis kreeg, als slaaf te verkopen. Daarom zei ik, dat hij zijn mond maar moest houden, want dat ik de deur van zijn huis niet wilde naderen. Toen verachtte hij mij en zei, dat hij mij wel iemand na zenden zou, die deze weg bitter zou maken voor mijn ziel; terstond daarop, toen ik mij omdraaide om hem te verlaten, voelde ik, dat hij mijn vlees vast had; hij gaf mij een neep en klauw, zo dodelijk, dat ik meende een stuk van mijn lichaam te verliezen. Daarom schreeuwde ik luidkeels: Ach, ik ellendig mens! (Rom.7:24) en zo ging ik de hoogte van de heuvel op.
Toen ik nu ongeveer de helft van de weg had afgelegd, zag ik achter mij iemand aankomen, die mij vervolgde: hij was zo licht als de wind en achterhaalde mij juist daar, waar de rustplaats was."
CHRISTEN. "Ai, dat was dezelfde plaats, waar ik door slaap overvallen werd en mijn rol uit mijn mantel verloor."
GETROUWE. "Maar broeder, laat mij toch uitspreken. Zodra had deze mij ingehaald, of terstond, eer ik omzag, sloeg hij mij met één slag tegen de aarde aan. Daar lag ik toen als dood. Doch een weinig tot mijzelf komende, vroeg ik hem, waarom hij zo met mij te werk ging. Hij antwoordde: 'Omdat ik een innige genegenheid koester voor Adam de Eerste', en terwijl hij dit zei, gaf hij mij zo'n hevige slag op mijn borst, dat ik achterover viel. Daar lag ik opnieuw als dood voor zijn voeten. Maar mijn krachten een weinig bijeen zamelende, riep ik: 'Heb toch barmhartigheid.' Maar hij zei: 'Ik weet van geen barmhartigheid'; en sloeg mij weer tegen de grond; hij zou ongetwijfeld een einde aan mijn leven hebben gemaakt, was er niet iemand gekomen, die hem geboden had van mij af te blijven.
CHRISTEN. "Wie was dat toch?"
GETROUWE. "Ik kende hem in het eerst niet; maar terwijl Hij mij voorbijging, zag ik gaten in Zijn handen en Zijn zijde, waaruit ik opmaakte, dat het onze Heere was. En zo klom ik de heuvel op."
CHRISTEN. "De man, die u overviel, was Mozes: hij spaart niemand, ook weet hij niet van barmhartigheid jegens hen, die de wet overtreden."
GETROUWE. "Ik weet dat heel goed, want het was niet de eerste maal, dat hij mij ontmoette. Hij was het ook, die tot mij kwam, toen ik nog gerust thuis was en mij bedreigde, mijn huis boven mijn hoofd af te branden, indien ik daar nog langer blijven zou."
CHRISTEN. "Maar hebt u het huis niet gezien, dat op de top van die heuvel stond aan de kant, waar Mozes u ontmoette?"
GETROUWE. "Ja, en eer ik zover kwam, ook de leeuwen. Maar ik meen, dat zij toen in slaap waren; want het was omstreeks de middag; en aangezien ik nog een flink gedeelte van de dag vóór mij had, ging ik de Portier slechts voorbij en kwam van de heuvel af."
CHRISTEN. "Dat heeft hij mij inderdaad ook verteld, dat hij u zag voorbij- gaan. Maar ik wens wel, dat u bij het huis geroepen had, want u zou daar vele zeldzaamheden gezien hebben, waarvan de herinnering u levenslang bijgebleven zou zijn. Maar ik bid u, zeg mij eens, hebt u in de VALLEI VEROOTMOEDIGING niemand ontmoet?"
GETROUWE. "Ja, ik kwam iemand tegen, die MISNOEGEN heette en het er op toe- legde, dat ik weer met hem zou teruggaan. Omdat, zoals hij zei, in de hele vallei geen eer te behalen viel en een wandeling erdoor al mijn vrienden, te weten HOOGMOED, TROSTSHEID, ZELFBEDROG, WERELDSE EER en nog meer anderen, die hij zei te kennen, zeer zou beledigen; zeker zouden ze, indien ik zo dwaas wilde zijn deze vallei te doorkruisen, zeer ontevreden over mij zijn.
CHRISTEN. "Wel, hoe antwoordde u hem?"
GETROUWE. "Ik zei dat, ofschoon hij allen, die hij daar noemde, tot mijn familiekring rekende en dat ook naar waarheid en met recht, want zij waren inderdaad mijn familie naar het vlees, zij mij, sedert ik een pelgrim was geworden, hun vriendschap hadden opgezegd, zoals ik ook aan hen en dat zij nu waren, alsof ze nooit van mijn geslacht waren geweest. Ik zei hem bovendien, dat hij de vallei onrecht aandeed, want ootmoed komt voor de eer en hoogmoed des geestes voor de val (Spr.16:18); en dat ik derhalve liever door deze vallei wilde gaan tot de eer, die door de wijste lieden voor eer gehouden werd, dan te verkiezen wat hij het meest beminnenswaardig achtte."
CHRISTEN. "Bent u daar niemand meer tegengekomen?"
GETROUWE. "Ja, een zekere SCHAAMTE. Maar van allen, die ik op mijn pelgrimsreis ontmoet heb, dunkt mij niemand zijn naam zo onrechtmatig te dragen als hij; de anderen lieten mij na een weinig tegenspartelen of iets dergelijks nog begaan, maar deze vermetele SCHAAMTE was daar niet toe te krijgen."
CHRISTEN. "Hoe dat? Wat zei hij dan tegen u?"
GETROUWE. "Hij had veel tegen de godsdienst zelf te zeggen; het was, beweerde hij, een ellendige, lage en verachtelijke bezigheid, dat een mens zich zo godsdienstig toonde; hij zei, dat het een deftig man niet paste, een teder geweten te hebben; dat wacht te houden over zijn woorden en wegen en zichzelf verre te houden van die snoevende vrijheid, die de heldhaftige geesten van onze tijd gewoon waren te oefenen, hem geheel tot een spot van de wereld maken zou. Hij wierp mij ook voor de voeten, dat er maar weinig machtigen, rijken en wijzen waren (1 Cor.1:26 en 3:18), die met mij instemden en dat geen van hen het met mij hield, voor hij ook zo zot was geworden en van zo'n gewillige dwaasheid, dat hij alles wil laten varen, om iets, waarvan men niet weet, wat het is. Hij had het ook gemunt op de verachte en geringe staat van hen, die de voornaamste pelgrims van hun tijd waren; alsmede op hun onkunde in alle natuurlijke wetenschappen. Ja, hij hield mij zeer veel dingen voor, die ik nu niet alle ophaal; ondermeer zei hij ook, dat het schande was, onder een preek te zuchten en te schreien; dat het schande was, thuis te klagen en te wenen; dat het schande was, zijn bekenden om vergiffenis te bidden voor een kleine fout en hun vergoeding te geven, wanneer men hun iets heeft ontvreemd. Hij beweerde ook, dat de godsdienst de mens afkerig maakt van de groten om enige weinige gebreken, waaraan hij veel zachter namen gaf en hem zijn eigen eer en achting doet verliezen om die godsdienstige broederschap; en, zo vroeg hij, is dat geen schande?"
CHRISTEN. "En wat antwoordde u daarop?"
GETROUWE. "Ja, ik wist in het eerst bijna niets te zeggen. Ook drong hij er zo op aan, dat mij het bloed, (en dat was juist deze SCHAAMTE) in het aangezicht kwam en het niet veel scheelde, of hij had mij overwonnen. Maar eindelijk bedacht ik, dat alles wat hoog is bij de mensen, een gruwel is voor God (Luc.16:15). En, dacht ik ook, deze SCHAAMTE spreekt mij voortdurend van de mensen, maar hij zegt mij niets van God en Zijn Woord. Ik bedacht ook, dat wij ten laatsten dage geoordeeld zullen worden, ten leven of ten dood, niet naar de verkeerde opvattingen van de wereld, maar naar de wijsheid en de wet van de Allerhoogste. Derhalve dacht ik, wat God zegt is inderdaad het beste, al waren ook alle mensen in de wereld daartegen. Omdat dan God Zijn dienst verheft boven alles, omdat Hij een teder geweten waardeert, omdat zij, die dwaas worden om wille van het Koninkrijk der Hemelen, de wijsten zijn, en een arme, die Christus liefheeft, rijker is dan de grootste in de wereld, die Hem haat; zo zei ik: 'Wijk van hier, jij SCHAAMTE, jij vijand van mijn zaligheid: zal ik u omhelzen en aanbidden tegen de wil van mijn souvereine Heer? Hoe zou ik Hem durven aanschouwen in Zijn toekomst? Zal ik mij nu schamen voor Zijn wegen en dienaren (Marc.8:38); hoe kan ik dan de gelukzaligheid tegemoet zien?' Maar deze SCHAAMTE was in waarheid een vermetele boef en ik kon hem zeer moeilijk van mij wegkrijgen. Ja, hij wilde verkering met mij maken en fluisterde mij gedurig nu dit, dan dat in het oor; ook wist hij mij nu deze en dan die gebreken, die bij de godsdienst zijn, voor te leggen. Maar op het laatst zei ik, dat het toch tevergeefs voor hem was, mij verder te kwellen; want in de dingen, die hij zo verachtte, zag ik mijn grootste heerlijkheid en zo raakte ik deze onbeleefde gast kwijt. Toen ik op deze wijze van hem ontslagen was, ging ik dus zitten zingen:
Wat heeft een hemels hart
Verzoekingen te lijden!
Wat staat hij staag benard,
Wat heeft hij veel te strijden!
Het vlees spant daarmee neder,
Maar was 't met eens gedaan,
Helaas! 't is telkens weder,
Al weder, al weder, al weder.
Die nu als pelgrim dan
In zijnen weg wil spoeden,
Die kwijt' zich als een man
En sta steeds op zijn hoede;
Opdat hij niet en werd
Gegrepen noch gevangen;
En zo in 't net verwerd
Dat hij er in blijft hangen,
Blijft hangen, blijft hangen, blijft hangen.
(Wijze De liefde voortgebracht)
CHRISTEN. "Ik ben blij, mijn broeder, dat u die deugniet zo kloekmoedig hebt wederstaan, want zoals u zegt, hij draagt zijn naam ten onrechte: hij heet SCHAAMTE, maar hij is zo vermetel, dat hij ons naloopt op de straat en ons zoekt te beschamen voor de gehele wereld, dat wil zeggen: hij wil ons beschaamd maken over wat waarlijk goed is. Kende hij zelf enige schaamte, hij zou niet doen, wat hij nu uitvoert. Maar laat ons hem blijven weerstaan, want niettegenstaande al zijn vermetelheid helpt hij niemand dan de dwazen. De wijzen, zegt Salomo (Spr.3:35), zullen eer beërven, maar elk der zotten neemt schande op zich."
GETROUWE. "Ik denk, dat wij Hem te hulp moeten roepen tegen deze SCHAAMTE, die wil, dat wij kloekmoedig zullen zijn en op de aarde in waarheid triomferen."
CHRISTEN. "U spreekt de waarheid. Maar ontmoette u niemand anders in deze vallei?"
GETROUWE. "Neen, want ik had toen aanstonds zonneschijn, de hele weg langs en ook in de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS."
CHRISTEN. "Dat was fijn voor u; ik verzeker u, dat het mij daar anders ging; ik had een lange tijd, ja bijna van het begin van de vallei af, een vervaarlijke strijd met die vuile vijand APOLLYON. Ja, ik dacht zeker, dat hij mij gedood zou hebben; vooral toen hij mij onderkreeg en mij zo neerdrukte, dat ik vreesde vermorzeld te worden. Want juist toen hij mij neerwierp, schoot mij mijn zwaard uit de hand; ja, hij zei, dat hij mij al had overmocht, maar ik riep tot de Heere en Hij hoorde mij en verloste mijn ziel uit alle zwarigheden.
Daarna kwam ik in de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS en had geen licht, bijna de eerste helft van de weg. Ik dacht een- en ander-maal: nu zal ik omkomen; maar eindelijk brak de dag aan en rees de zon op; toen ging ik het overige met veel meer gemak en rust."
Ontmoeting met Mond-christen.
Ik zag ook in mijn droom, dat GETROUWE terzijde ziende, een man opmerkte, wiens naam was MOND-CHRISTEN, want hier was ruimte genoeg voor hen allen, om te wandelen. Het was een lang, groot mens, en mooier, als men hem van ver, dan wanneer men hem van nabij bezag. GETROUWE sprak hem ongeveer als volgt aan: "Wel vriend, waarheen is de weg? Gaat u mee naar de Hemelstad?"
MOND-CHRISTEN. "Ja, daarheen ben ik ook van plan te gaan."
GETROUWE. "Komaan dan, laat ons te zamen gaan en onze tijd doorbrengen met stichtelijke gesprekken."
MOND-CHRISTEN. "Van nuttige dingen te spreken, met u of met een ander, is zeer vermakelijk; en ik ben blij, dat ik bij iemand gekomen ben, die tot zulk een goed werk genegen is. Want de tijd doorbrengen met spreken over de waarheid doen maar weinigen op reis; de meesten spreken liever van dingen, die geen nut hebben en dat heeft mij dikwijls zeer gesmart."
GETROUWE. "Dat is inderdaad zeer te beklagen; want welke dingen zijn er zo waardig voor het gebruik van de menselijke tong, hier op aarde, als de dingen van de God des hemels?"
MOND-CHRISTEN. "U staat mij bijzonder aan; want uw woorden zijn vol van overtuiging; en welke dingen zijn er toch vermakelijker en wat kan men nuttiger bespreken dan de dingen van God? Ik zeg: welke dingen zijn zo aangenaam en vermakelijk? Heeft iemand lust in dingen, die wonderlijk zijn; bijvoorbeeld, heeft hij vermaak om te spreken van historiën, of van de verborgen kracht der dingen; heeft hij lust om te spreken van mirakelen, tekenen en wonderen, waar zal hij iets zo net aangetekend, zo zoet en vermakelijk beschreven vinden als in de Heilige Schrift?"
GETROUWE. "Dat is waar; maar het oogmerk van onze gesprekken moest zijn, om er door gesticht en geleerd te worden."
MOND-CHRISTEN. "Dat is wat ik zeg; want over zulke zaken te spreken is het allernuttigst; een mens kan daardoor kennis krijgen van vele dingen; zoals van de ijdelheid van de aardse dingen en het heil van de dingen, die daarboven zijn: dit zo in het algemeen, maar wat meer in het bijzonder: hierdoor leert hij verstaan de noodzaak van de wedergeboorte, de ongenoegzaamheid van onze werken, de noodzakelijkheid van Christus' gerechtigheid, enz. Daarenboven kan hij er uit leren, wat het is zich te bekeren, te geloven, te bidden, te lijden en wat dies meer zij; hier kan hij leren, wat de beloften en vertroostingen van het Evangelie zijn, om daarmee te sterven.
Verder, hierdoor kan hij wetenschap verkrijgen, om valse leringen te weerleggen, de waarheid te verdedigen en alzo de onwetenden te onderwijzen."
GETROUWE. "Dit zijn allemaal waarheden en ik ben blij deze dingen van u te horen."
MOND-CHRISTEN. "Helaas, de oorzaak van het gebrek in dezen is, dat zo weinigen verstaan de noodzakelijkheid van het geloof en van het werk der genade in de ziel, om tot het bezit van het eeuwige leven te komen, maar onwetend daarheen leven, in de werken van de wet, door welke toch geen mens het eeuwige leven ooit verkrijgen zal."
GETROUWE. "Met uw verlof, de hemelse wetenschap van deze dingen is een gave Gods en geen mens kan ze verkrijgen door menselijke ijver, of door er alleen van te spreken."
MOND-CHRISTEN. "Dat weet ik alles zeer wel, want niemand kan iets aannemen, tenzij het hem van de hemel gegeven wordt: het is alles uit genade en niet uit de werken. Ik zou u wel een honderd schriftplaatsen kunnen opnoemen om dat te bewijzen."
GETROUWE. "Wel, waarover zullen wij nu met elkaar spreken?"
MOND-CHRISTEN. "Waarover u maar wilt: ik zal u spreken van hemelse en van aardse dingen; van wettische en Evangelische, van heilige en onheilige, van verleden en toekomende zaken, van dingen die meer tot het wezenlijke behoren en van andere die bijkomstig zijn: al te zamen zaken, die ons zeer nuttig en voordelig kunnen zijn."
Nu stond GETROUWE verwonderd en tot CHRISTEN tredende (want die was al deze tijd stil alleen gaan wandelen), zei hij, doch zeer zachtjes: "Welk een goede metgezel hebben wij daar gekregen! Zeker, deze man zal een voortreffelijk pelgrim worden." Maar CHRISTEN begon zachtjes te lachen en zei: "Deze mens, met wie u zo bent ingenomen, zal er met zijn tong nog wel twintig bedriegen die hem niet kennen."
"Kent u hem dan wel?" vroeg hij.
"Hem kennen? Ja veel beter dan hij zichzelf kent."
"Mijn beste," vervolgde de ander, "ik bid u, zeg mij toch, wat voor iemand hij is."
"Hij heet MOND-CHRISTEN en hij woont in onze stad. Ik ben verbaasd dat u hem niet kent. Daaruit blijkt weer, hoe groot onze stad wel is."
GETROUWE. "Wiens zoon is hij dan? En waar woonde hij dan ongeveer?"
CHRISTEN. "Het is de zoon van een zekere SCHOONSPREKER, hij woont in de PRAATSTEEG en is bij ieder bekend onder de naam MOND-CHRISTEN in de PRAATSTEEG. Ofschoon hij een gladde tong heeft, is hij toch een snode kwant."
GETROUWE. "Wel, hij schijnt toch een voorbeeldig mens te zijn."
CHRISTEN. "Ja, voor hen, die hem niet goed kennen; hij is buitenshuis het best, maar van nabij is hij zo slim als wat. Dat hij in uw ogen een voorbeeldig mens schijnt, brengt mij in gedachten, wat ik wel heb opgemerkt in het werk van schilders, wier stukken van verre het best tonen, maar van nabij zeer lelijk zijn."
GETROUWE. "Ik zou bijna geloven, dat u er de spot mee drijft, omdat u, naar het mij toeschijnt, er om lacht."
CHRISTEN. "Dat zij verre, dat ik spotten zou met een zaak van dien aard, hoewel ik mijn mond wat vertrek, of dat ik hem valselijk iets zou aanwrijven: ik zal u liever nadere inlichtingen omtrent hem geven. Deze man dient voor alle gezelschappen en praat altijd op dezelfde manier. Zoals hij met u spreekt, zo zal hij ook praten in het café; en hoe voller hij is, hoe meer deze dingen in zijn mond zijn. De godsdienst heeft geen plaats in zijn hart, ook niet in zijn huis, noch in zijn omgang. Al wat hij heeft, zit hem op de tong; en daarmee wat gerucht te maken is al de godsdienst, die hij heeft."
GETROUWE. "Als het zo is, dan ben ik in deze man grotelijks bedrogen."
CHRISTEN. "Ja, bedrogen bent u, wees daarvan verzekerd. Herinner u die spreuk eens: Zij zeggen het wel, maar zij doen het niet (Matth.23:3) en: Het koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht (1Cor.4:20). Hij spreekt van gebeden, geloof, bekering en wedergeboorte, maar hij kan er slechts over praten. Ik ben in zijn gezin geweest en heb op hem gelet en ik weet dat wat ik van hem zeg, de waarheid is. Zijn huis is ontbloot van godsdienst, gelijk het wit van een ei zonder smaak is. Daar zijn noch gebeden, noch tekenen van boetvaardigheid over de zonden, ja een beest dient God op zijn wijze beter dan hij. Hij is werkelijk een smaad en schandvlek in de godsdienst voor allen die hem kennen. De godsdienst kan bezwaarlijk één woord van lof krijgen in het hele gedeelte van de stad, waar hij woont, en dat alleen door hem en om zijnentwil (Rom.2:24,25). Het gewone volk, dat hem kent, heeft een spreekwoord van hem gemaakt en noemt hem een duivel in huis en een heilige daar buiten. Zijn arm gezin ondervond het ook wel. Hij is zulk een vlerk, zulk een uitvaarder in scheldwoorden en zo onverstandig tegen zijn knechts, dat zij niet weten, wat zij doen en hoe zij spreken zullen. Lieden, die met hem te doen gehad hebben, zeggen, dat het beter is, met een Turk te doen te hebben dan met hem; want zij hebben daarvan meer goeds te verwachten dan van hem. Deze MOND-CHRISTEN zal, indien hij maar kan, zijn naaste trachten te vertreden, te bedriegen en te kort te doen. En wat nog erger is, hij voedt zijn kinderen ook op, om zijn voetstappen te volgen en als hij in enige van hen die malle lafhartigheid (zo noemt hij de minste vertoning van een goed geweten) vindt, noemt hij ze gekken en domkoppen en zal ze niet voor een belangrijk werk gebruiken, of met lof van hen spreken bij anderen. Ik voor mij ben van gedachten, dat hij er door zijn goddeloos leven velen heeft doen struikelen, en vrees, zo God het niet verhoedt, dat hij nog het verderf zal zijn van een grote menigte."
GETROUWE. "Wel, mijn broeder! Ik ben verplicht u te geloven, niet alleen om- dat u hem kent, maar ook omdat u zich over deze mens uitlaat, zoals een Christen moet spreken. Want ik kan niet denken, dat u zo over hem oordeelt, omdat u hem een kwaad hart toedraagt, maar omdat het zo is, zoals u zegt."
CHRISTEN. "Had ik hem niet beter gekend dan u, ik had mogelijk ook zo over hem gesproken als u in het begin deed; ja, had ik dit getuigenis over hem alleen ontvangen uit de hand van vijanden van de godsdienst, ik zou het maar voor een lastering gehouden hebben (een smet, die dikwijls uit de mond van de goddeloze valt op de naam en de belijdenis van de vromen). Maar aan al deze dingen en vele andere meer, even kwaad als deze, kan ik hem bewijzen schuldig te zijn, want zij zijn mij bekend. Bovendien zijn de vromen met hem verlegen en schamen zich over hem. Zij kunnen hem noch broeder noch vijand noemen. Wanneer zij hem slechts horen noemen, kunt u zien, dat zij beschaamd worden."
GETROUWE. "Wel, ik zie dat zeggen en doen twee zijn en wil voortaan beter op dat onderscheid letten."
CHRISTEN. "Inderdaad twee dingen zijn het en van elkaar zo onderscheiden als ziel en lichaam; want zoals het lichaam zonder de ziel een dode romp is, zo is ook het spreken, als er niet meer bij is, maar een dode romp. De ziel van de godsdienst is gelegen in de beoefening ervan. De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukkingen en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld (Jac.1:27). Hier heeft MOND-CHRISTEN geen weet van; hij meent, dat horen en spreken een goed Christen maken en bedriegt aldus zijn eigen ziel. Het horen is maar als het zaaien van het zaad; en het spreken is geenszins genoeg om te bewijzen, dat er waarlijk vruchten zijn in hart en leven. In het eind van de dagen zal men niet vragen: Wat geloofde of waarover sprak u, maar wat hebt gij gedaan? En daar zal naar geoordeeld worden. Het einde van de wereld wordt bij een oogst vergeleken en u weet, dat men in de oogst niets anders verwacht dan vruchten. Niet dat iets God behagen kan zonder geloof; maar ik wil alleen aanwijzen, van hoe weinig belang MONDCHRISTEN's belijdenis zal zijn in die dag."
GETROUWE. "Dit brengt mij in gedachten, dat wij in de Schrift lezen van de reine dieren (Levit.11 en Deut.14) waarvan geschreven wordt, dat zij niet alleen de klauwen verdelen, maar ook herkauwen; wat alleen de klauwen verdeelt of alleen herkauwt, is niet rein; de haas herkauwt en is evenwel onrein, omdat hij de klauwen niet verdeelt. En inderdaad dit beeld ons een MOND-CHRISTEN uit; hij herkauwt, hij staat naar kennis, hij kauwt het woord, maar hij verdeelt de klauwen niet; hij scheidt zich niet af van de weg der zondaren, maar hij houdt met de haas de voet van een hond of beer en zo is hij onrein."
CHRISTEN. "U noemt daar naar mijn gevoelen de juiste Evangelische zin van die tekst. Ik moet daar nog iets aan toevoegen. Paulus noemt sommige mensen, ook deze grote prater, een klinkend metaal en een luidende schel (1Cor.13:1-3), dat is, gelijk hij het op een andere plaats verklaart, gevende een geluid zonder leven (1Cor.14:7), dat is zonder het ware geloof en de genade van het Evangelie en bijgevolg zijn het dezulken, die nooit geplaatst zullen worden in het koninkrijk der hemelen onder hen, die kinderen van het leven zijn; ofschoon hun geluid door hun schoon spreken als de tong en het geluid van een engel was."
GETROUWE. "Wel, ik was in het begin niet zo afkerig van zijn gezelschap, maar ik ben er nu ziek van; hoe raken wij hem het beste kwijt?"
CHRISTEN. "Volg mijn raad op en u zult ondervinden dat hij eveneens van uw gezelschap ziek worden zal, als God zijn hart niet aanroert en omwendt."
GETROUWE. "Wat wilt u dan, dat ik doen zal?"
CHRISTEN. "Ga weer naar hem toe en begin eens een ernstig gesprek met hem over de kracht van de godzaligheid; vraag hem eens duidelijk, wanneer hij er in bewilligd zal hebben - en dat zal hij gemakkelijk doen - of deze dingen in zijn hart, huis en omgang gevonden worden."
Toen liep GETROUWE wat harder tot naast MOND-CHRISTEN en zei tot hem: "Wel komaan, hoe gaat het u nu?"
MOND-CHRISTEN. "Ik dank u, zeer goed; ik dacht, dat wij nu veel met elkaar zouden kunnen spreken."
GETROUWE. "Wel, als het u belieft; daar willen wij nu mee beginnen; en omdat u aan mij hebt overgelaten, waarover wij spreken zouden, laten wij dan deze vraag eens behandelen: hoe ontdekt zich het werk van de zaligmakende genade Gods in het hart van de mensen?"
MOND-CHRISTEN. "Ik bemerk, dat onze gesprekken nu over de kracht der zaken zullen gaan. Wel, het is een goede vraag en ik ben gewillig, om er iets op te zeggen; dus zal ik ze in het kort beantwoorden. Ten eerste: Waar de genade Gods in het hart is, daar veroorzaakt zij een groot geroep tegen de zonde. Ten tweede. . . "
GETROUWE. "Stil, laat ons dat eerste eens wat overwegen. Ik denk, dat u beter kon zeggen: zij openbaart zich door de ziel te buigen tot een verfoeiing van de zonde."
MOND-CHRISTEN. "Nu, welk onderscheid is er tussen tegen de zonde te roepen en haar te verfoeien en te verwerpen?"
GETROUWE. "Och zeer veel; iemand kan veel tegen de zonde spreken uit enkel welgemanierdheid; maar hij kan ze niet verfoeien, dan door er een goddelijke afkeer van te voelen. Ik heb er velen tegen horen schreeuwen, wanneer zij op de preekstoel stonden, die haar zeer wel verdragen konden in hun hart, huis en omgang. Jozefs meesteres riep met een grote stem, als was zij zeer heilig geweest; maar zij zou niettemin heel graag overspel met hem gepleegd hebben (Gen.39:15). Velen roepen tegen de zonden, zoals een moeder tegen het kind, dat zij op haar schoot heeft; dat noemt zij dikwijls een vuilak, een ondeugende meid en een stoute jongen en dan drukt zij het in haar armen en kust het."
MOND-CHRISTEN. "Ik bemerk dat u het er op toelegt, mij ergens in te vangen."
GETROUWE. Neen toch niet, ik wil alleen enkele zaken recht zetten. Maar wat is het tweede kenmerk, waardoor u het werk der genade in het hart ontdekken wilde?"
MOND-CHRISTEN. "Grote kennis van de verborgenheden van het Evangelie."
GETROUWE. "Dit kenmerk had u als eerste moeten noemen; doch eerst of laatst, het is toch vals. Want kennis, ja grote kennis van de verborgenheden van het Evangelie kan iemand hebben en toch ontbloot zijn van het werk der genade in de ziel. Ja, ofschoon een mens alle kennis heeft, kan het toch gebeuren, dat hij niets is (1Cor.13:8) en bijgevolg geen kind van God is. Toen Christus Zijn discipelen vroeg: Weet gij al deze dingen? en zij antwoordden: ja! liet Hij er op volgen: Zalig zijt gij, zo gij dezelve doet (Joh.13:17). Hij hecht de zaligheid niet aan het weten, maar aan het doen. Want daar is een kennis, die niet van betrachten vergezeld gaat; er zijn mensen, die de wil van hun Meester weten, maar die niet doen. Een mens kan kennis hebben als een engel en toch geen Christen zijn: derhalve is uw kenteken niet goed. Zeker, het kennen is iets, dat praters en roemers behaagt, maar het doen behaagt God. Niet dat het hart goed kan zijn zonder wetenschap, want een ziel zonder die is niet goed (Spr.19:2). Daar is derhalve tweeërlei kennis; daar is een kennis, die alleen uit pure beschouwing bestaat en een kennis, die vergezeld gaat van genade, geloof en liefde, die een mens leert de wil van God van harte te doen; de eerste soort is de MOND-CHRISTEN genoeg; maar de ware Christen is niet tevreden zonder de laatste.
Zijn bede is: Geef mij verstand en ik zal Uw Wet houden, ja ik zal ze onderhouden met mijn gehele hart (Ps.119:34)."
MOND-CHRISTEN. "Ik zeg nog eens, u zoekt mij maar te verstrikken; en dit dient immers niet tot stichting."
GETROUWE. "Als het u belieft, geef eens een ander merkteken, waardoor zic het werk der genade in het hart van de mens ontdekt."
MOND-CHRISTEN. "Ik niet, want ik zie wel, dat wij het niet eens zullen worden."
GETROUWE. "Als u niet wilt, staat u mij dan toe, het te doen."
MOND-CHRISTEN. "U mag doen, zoals u wilt."
GETROUWE. "Het werk der genade in de ziel ontdekt zich èn aan hem, die het heeft, èn aan degenen, die met hem omgaan.
Aan de mens zelf ontdekt het zich aldus. Het geeft hem overtuiging van zonden (Joh.16:8), in het bijzonder van de besmetting van zijn natuur (Rom.7:24) en van de zonde van ongeloof (Joh.16:9), om welke hij zeker weet verdoemd te zullen worden (Marc.16:16), indien hij geen genade verkrijgt door het geloof in Jezus Christus. Dit gezicht en gevoel (Ps.38:18) werken in hem droefheid en schaamte (Jer.31:19) over de zonden; hem wordt daarenboven de Zaligmaker der wereld geopenbaard (Gal.1:16) en hij ziet de volstrekte noodzakelijkheid (Hand.4:12), om met Hem verenigd te worden voor het leven, waarna een honger en dorst (Matth.5:6) in hem ontstaan; aan welke honger en dorst de beloften (Openb.21:6) zijn vastgemaakt. Naar de sterkte of zwakheid van zijn geloof in de Verlosser nu, zijn ook zijn vreugde en vrede; daarom ook begeert hij Hem meer te kennen en te dienen in deze wereld.
Maar ofschoon ik zeg, dat het zich zo openbaart aan hem, zo is hij echter zelden bekwaam om te besluiten, dat het een werk der genade is; omdat zijn verdorvenheden en zijn misleid oordeel hem doen mistasten in deze zaak. Daarom wordt in hem, die dit werk in zich heeft, een zeer gezond oordeel vereist, eer hij met bedaardheid kan besluiten, dat dit een werk der genade is.
Aan anderen wordt het aldus ontdekt: ten eerste door een bevindelijke belijdenis van zijn geloof in Christus (Rom.10:9 en Fil.1:27). Ten tweede door een leven overeenkomende met die belijdenis (Joh.4:15 en Ps.50:23), te weten een leven van heiligheid in de wereld: heiligheid van het hart, heiligheid in zijn gezin, als hij een gezin heeft, en door een heiligheid in zijn wandel in de wereld; wat hem in het algemeen leert, inwendig alle zonden te verfoeien, en zichzelf om die zonden; op heiligheid aan te dringen in zijn gezin en die te bevorderen in de wereld; niet om er alleen over te praten, zoals een huichelaar en MOND-CHRISTEN doet, maar door een praktikale onderwerping in geloof en liefde aan de kracht van het Woord. Nu dan, mijn vriend, dit was zo een korte beschrijving van het werk der genade en hoe het zich ontdekt; hebt u daar nu iets tegen, zo spreek; zo niet, veroorloof mij, u een tweede vraag te stellen."
MOND-CHRISTEN. "Neen, ik zal u niets tegenwerpen, maar alleen aanhoren. Stel daarom gerust uw tweede vraag."
GETROUWE. "Dat zou dan deze zijn: Hebt u ook bevinding van het eerste gedeelte van de beschrijving, en getuigen uw leven en wandel dat? Of bestaat uw godsdienst maar uit woorden en uit de tong, en niet uit daad en waarheid? Ik bid u, als u genegen bent tot antwoorden, zeg toch niet meer, dan waar God in de hemel Amen op zal zeggen; en ook niets, waarin uw geweten u niet kan vrijspreken. Want niet die zichzelf prijst, maar die God prijst, is beproefd. Terwijl het een grote goddeloosheid is te zeggen: ik ben zus of zo, wanneer mijn handelingen en bekenden mij zeggen dat ik lieg."
Toen MOND-CHRISTEN dit zo hoorde, begon hij eerst beschaamd te worden; maar nadat hij zich vermande, antwoordde hij: "U komt daar nu met de bevinding aan, met het geweten en God zelf en u beroept u op Hem, dat Hij vonnist, wat gesproken wordt. Zo'n manier van samenspraak verwachtte ik niet. Ik ben ook niet gezind, zulke vragen te beantwoorden en acht mij daar geenszins toe verplicht; tenzij u uzelf als een catechiseermeester beschouwt; en al zou u dat doen, ik erken u echter niet als mijn rechter. Maar ik bid u, waarom stelt u mij deze vraag?"
GETROUWE. "Omdat ik zag, dat u graag praat en ik niet wist of u niets anders hebt dan woorden. En om u de waarheid te zeggen, ik heb van u horen zeggen, dat u een man bent, wiens godsdienst slechts uit woorden bestaat en dat uw manier van leven uw mond tot een leugenaar maakt. Zij zeggen, dat u een vlek van de Christenen bent en dat de godsdienst om uwentwil lijden moet; dat sommigen al gestruikeld zijn door uw goddeloze wegen en er nog meer zijn, die gevaar lopen door uw boze wandel verdorven te worden. U paart uw religie met een drinkhuis, gierigheid, onreinheid, zweren, liegen en het aanhouden van ijdel gezelschap. Het spreekwoord dat een hoer een schandvlek is van alle vrouwen, is waar in u: u bent een vlek van alle belijders."
Toen MOND-CHRISTEN dit hoorde, zei hij: "Omdat u zo bereid bent om allerlei aantijgingen te geloven en zo ras iemand te oordelen, kan ik niet anders van u denken, dan dat u een eigenzinnig en droefgeestig mens bent, met wie men niet kan spreken, en daarom: vaarwel!"
Toen trad CHRISTEN nader tot zijn broeder, en zei: "Ik zei het u wel, dat het zo gaan zou: uw woorden en zijn begeerten konden niet overeenstemmen: hij wilde liever uw gezelschap verlaten, dan zijn leven te verbeteren. Hij is nu afgedropen; laat hem gaan; zijn verderf heeft hij niemand te wijten dan zichzelf. Hij heeft ons de moeite bespaard ons van hem af te scheiden. Want als hij blijft zoals hij nu is, gelijk ik geloof dat hij doen zal, zou hij toch maar een smet in ons gezelschap geweest zijn. En de Apostel zegt: Scheidt u af van dezelven (2Cor.6:17)."
"Hoe blij ben ik," zei GETROUWE, "dat wij dit weinige nog met hem gesproken hebben. Mogelijk, dat hij er later nog eens aan denkt. Hoe het zij, ik heb eerlijk met hem gehandeld; en gaat hij verloren, ik ben altijd rein van zijn bloed."
CHRISTEN antwoordde: "U deed er goed aan, dat u zo duidelijk met hem sprak. Waarlijk men handelt in deze dagen te zelden zo trouw jegens elkaar en daar komt het vandaan, dat de godsdienst zo stinkt in de neusgaten van velen. Want deze dwaze MOND-CHRISTENEN, wier godsdienst alleen uit woorden bestaat en die zo verdraaid en ijdel zijn in hun omgang, hoewel veeltijds toegelaten in de gemeenschap van de godzaligen, deze zijn het, die de wereld beroeren, het Christendom zo bevlekken en de oprechten zo bedroeven. Ik wenste, dat iedereen met hen zo trouw handelde, als u gedaan hebt, dan zouden zij de ware godsdienst nader zoeken te komen, of het gezelschap der heiligen zou hun zo heet worden, dat zij daar niet zouden kunnen vertoeven."
Toen zongen zij als volgt:
MOND-CHRISTEN die de letter van de waarheid
Slechts kende, maar nooit zag hemelse klaarheid,
Vertoonde zich in wonder veel bravade. (Opgeblazenheid.)
Doch als men van het hartwerk der genade
En 't innig Christendom begon te spreken,
Toen droop hij af, zijn glans ging ras verbleken.
De huichelaar, ervaren slechts in woorden,
Die hij omlaag, maar nooit van boven hoorde,
Verliest men hier, juist even als het lichten
Der bleke maan moet voor de zonne zwichten.
Hun nachtwerk kan het keurig oog niet dragen
Van die het licht ooit in zijn klaarheid zagen.
(Wijze Ps.23).
Nadat zij dit gezongen hadden, gingen zij weer verder, sprekende met elkaar van hetgeen hun op hun weg was overkomen; wat hun reis, die hun anders ongetwijfeld zeer vervelend zou gevallen zijn, zeer verlichtte; want zij gingen nu door een wildernis.
AANROEPING TOT MARIA OM REINHEID.
Lieve Moeder Maria, glorievolle Lelie van Hemelse reinheid,
Aan Uw voeten wil ik bloeien als de engelachtige vrucht van het zaad van Uw zuiverheid.
Heilig mijn geest, opdat al mijn gedachten en mijn verbeelding zuiver en rein mogen zijn, en de Hemelse Wijsheid in mij moge wonen.
Heilig mijn hart, opdat al mijn gevoelens zuiver en rein mogen zijn, en de vurigste Hemelse Liefde in mij moge wonen.
Heilig mijn mond, opdat al mijn woorden zuiver en rein mogen zijn en een Hemelse balsem op wonden mogen spreiden.
Heilig mijn handen, opdat al mijn handelingen zuiver en rein mogen zijn, en ik Gods kracht in mij moge dragen.
Heilig mijn ziel, opdat zij een welriekende bloem moge zijn tot Uw welbehagen en tot vergroting van Uw Heerlijkheid. AMEN.
GEBED OM DE OPENBARINGEN VAN DE HEILIGE GEEST.
Kom, Heilige Geest, neem de sluier weg die mij verblindt.
Onthul aan mijn hart wat zich aan mijn ogen onttrekt.
Openbaar aan het licht van mijn geloof wat mijn verstand niet kan begrijpen.
Laat mij ontwaken voor de liefde die duisternis en angst voor mij verborgen houden.
Zuiver in mij alles wat mijn oordeel vertroebelt.
Maak de bodem van mijn ziel vruchtbaar voor het zaad van de Goddelijke Wijsheid, opdat de Waarheid in mij moge rijpen.
Open de ogen van mijn ziel, opdat ik moge herkennen wat vals is.
Laat mijn hele wezen ontbranden in Uw voelbare Aanwezigheid, opdat ik niet langer misleid worde door de schijn van de wereldse verlokkingen, en ik bewust moge zijn van het ware Geluk dat mij tegemoetstraalt uit het Kruis van Jezus Christus.
Geef mijn hart ten huwelijk aan Uw Hemelse Bruid Maria, opdat ik zwanger moge worden van de Hemelse Deugden.
Maak mij ieder ogenblik bewust van de weg die Gods Plan voor mij op deze wereld heeft voorzien, en schenk mij de kracht om in volkomen overgave naar mijn heilige bestemming te streven.
Stort in mij het Vuur van Uw Gaven, opdat de brand van mijn ziel slechts heiligheid moge achterlaten.
Verleid mij met de gouden stralen van de Goddelijke Mysteries, opdat ik slechts vervoering moge vinden in de Zon die de meest geheime kamers van de ziel beschijnt.
Kom, Heilige Geest, overschaduw mij, opdat mijn hele wezen moge opgaan in de kracht van de Allerhoogste. AMEN.
GEBED TOT MARIA, MOEDER VAN RUST.
Lieve Moeder Maria, Paradijs van Hemelse Vrede,
Hoe hulpeloos voel ik mij, ten prooi aan stormen die mij doen wankelen.
Ik weet niet meer waarheen mijn schreden mij leiden, en ik vrees de avond alsof het nooit meer dag wordt.
Red mij, o Moeder, want slechts Uw tedere Liefde kan mij bevrijden van de koorts die mijn geest doet ijlen, mijn hart doet rillen en mijn ziel voor mij tot een vreemde maakt.
O Moeder,
Deel toch Uw rust met mij, en ik zal weer hopen op de zegen van de nieuwe dageraad.
Deel toch Uw rust met mij, en geen duistere kracht zal mij nog onzeker maken.
Deel toch Uw rust met mij, en mijn hart zal voor velen een oord van vrede zijn.
Deel toch Uw rust met mij, en het ware Licht zal opnieuw mijn geest betreden.
Deel toch Uw rust met mij, en in mijn ziel zal elke strijd luwen.
Deel toch Uw rust met mij, en ik zal geloven dat mijn levensweg door God is aangelegd.
Deel toch Uw rust met mij, en geen vrees zal nog mijn hart verlammen.
Deel toch Uw rust met mij, en geen onrust zal mij nog blind maken voor de Waarheid.
Deel toch Uw rust met mij, en het vertrouwen der heiligen zal in mij wonen.
Deel toch Uw rust met mij, en ik zal voelen dat Gods Geest mij leidt.
Deel toch Uw rust met mij, en ik zal rust en vrede vinden in Gods Liefde.
Deel toch Uw rust met mij, en ik zal mijn kruis aanvaarden als een genade voor mijn ziel.
Deel toch Uw rust met mij, en de winden des levens zullen het koren van mijn ziel niet breken.
Deel toch Uw rust met mij, en ik zal worden als een lam aan Uw voeten.
O Maria, Tuin van volmaakte rust,
Laat toch Uw zachte ogen op mij rusten, want zij zullen de onvrede in mijn gemoed bedwingen.
Laat toch Uw tedere handen op mij rusten, want geen rusteloosheid in mijn hele wezen kan Uw heilige aanraking weerstaan.
Druk toch Uw leliezuivere lippen op mijn hart, want Uw Hemelse Liefde zal alles verbranden wat mijn ziel bezwaart. AMEN.
GROET AAN MARIA, MOEDER VAN TROOST.
Ik groet U, Maria, maan in mijn nacht.
Ik groet U, Maria, ster in mijn dwaling.
Ik groet U, Maria, bloem in mijn woestijn.
Ik groet U, Maria, regenboog in mijn troosteloosheid.
Ik groet U, Maria, zon doorheen mijn wolken.
Ik groet U, Maria, kus op mijn tranen.
Ik groet U, Maria, licht in mijn duisternis.
Ik groet U, Maria, omarming in mijn droefheid.
Ik groet U, Maria, stem in mijn eenzaamheid.
Ik groet U, Maria, kracht in mijn zwakheid.
Ik groet U, Maria, hoop in mijn moedeloosheid.
Ik groet U, Maria, geneesmiddel in mijn ziekte.
Ik groet U, Maria, uitweg uit mijn wanhoop.
Ik groet U, Maria, roos boven mijn doornen.
Ik groet U, Maria, schild naast mijn afgrond.
Ik groet U, Maria, zaad in mijn onvruchtbaarheid.
Ik groet U, Maria, vuur in mijn kilte.
Ik groet U, Maria, adem in mijn beklemming.
Ik groet U, Maria, harteklop voor mijn stervend gemoed.
Ik groet U, Maria, sleutel van mijn gesloten hart.
Ik groet U, o mijn Moeder, wees mijn Hemelse Bloem van troost en vreugde in dit uur van nood.
Wil mij nu in Uw armen sluiten, opdat ik de heilige tederheid moge ervaren die de kleine Jezus in deze kille wereld heeft verwelkomd. AMEN.
30-04-2009
AT THE CROSS.
Video Presentation of At The Cross of Hillsong by Tes Hilapo
LAAT HET FEEST ZIJN IN DE HUIZEN.
Laat het feest zijn in de huizen - Opwekking 553
LEEUW VAN JUDA
leeuw van Juda, lam van God
Obama getest op varkensgriep na 'verdachte' handdruk
Barack Obama heeft zich laten testen op varkensgriep nadat hij op 16 april in Mexico een 'verdachte' hand geschud had. Het resultaat was negatief, dus Amerika hoeft zich geen zorgen te maken.
De feiten klinken wel verdacht in de oren: een dag na zijn presidentiële ontmoeting overleed de 65-jarige archeoloog Felipe Solis immers aan 'varkensgriepachtige' verschijnselen. Het virus was op dat moment al vier dagen uitgebroken, maar specifieke tests op de ziekte gebeurden er toen nog niet. Gisteren verklaarde Obama nog dat de varkensgriep geen reden was voor paniek. (svm)
28/04/09 15u45
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG.
AAN ALLEN BEDANKT VOOR DE VELE MAILEN DIE JULLIE MIJ TOESTUREN , IK BEN JULLIE DAARVOOR ZEER DANKBAAR .
NELLY.
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG.
BINNENKORT VOLGT TERUG HET VERHAAL VAN DE GESCHIEDENIS VAN HET CHRISTENDOM.
NELLY.
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG.
IK KRIJG DE LAATSTE TIJD VEEL TEGENWERKINGEN MAG IK JULLIE VRAGEN OM NOG MEER TE BIDDEN WANT HET IS BROODNODIG , IK BEN JULLIE DAARVOOR ZEER DANKBAAR BID VOORAL VOOR DE ZIELEN IN HET VAGEVUUR EN VOOR DE ZONDAARS.
ALLEN GODS ZEGEN TOEGEWENST.
NELLY.
DE CHRISTUSREIS NAAR DE EEUWIGHEID. ( DEEL 3 ).
heuvel Moeilijkheid.
Zo zag ik hen allen voortgaan, tot zij aan de voet van de heuvel MOEILIJKHEID kwamen, waar een fontein was. Hier lagen, naast de weg, die recht van de poort afging, nog twee andere wegen; de ene ging ter rechter-, de andere ter linkerzijde onder langs de heuvel; maar de nauwe weg, die ook de rechte was, leidde recht de heuvel op. De opgang heette BEZWAARLIJK. CHRISTEN ging eerst tot de fontein, om zich daar een weinig te verfrissen (Ps.23:3,4), toen trad hij de heuvel op en begon te zingen:
Heuvel, die zo hoog
En vol zwarigheden,
Mij nu komt in 't oog,
"k Meen u met mijn voet,
In een mannenmoed,
Vrolijk op te treden.
Moeite let mij niet,
Wijl mij 't pad ten leven,
Hier zo duid'lijk ziet.
Wakker nu, mijn hart!
Laat noch moeit' noch smart
U ooit flauwte geven.
Beter moeilijkheid,
Op de rechte wegen,
Dan in vrolijkheid,
Lustig voort te treên,
Naar de eeuw'ge weên,
Gans ontbloot van zegen.
(Wijze Ps.81).
De andere twee kwamen ook aan de voet van de heuvel; maar toen zij zagen, dat de heuvel steil en hoog was en er nog twee andere wegen lagen, waar men ook op gaan kon, en zich inbeeldden, dat deze twee wegen wel tot elkaar lopen en aan de andere zijde van de heuvel weer op de weg, waarop CHRISTEN ging, uitkomen zouden, besloten zij zich op deze wegen te begeven. De ene weg heette GEVAAR, de andere VERNIELING; de een sloeg de weg in, die GEVAAR heette en hem tot in een groot woud leidde. De ander nam zijn koers recht toe, recht aan, op de weg VERNIELING, die hem in een zeer wijd veld bracht, vol schemerende bergen; waar hij struikelde en zo viel, dat hij nimmer weer opstond.
Toen keek ik CHRISTEN na, om te zien hoe het hem ging op de heuvel, en bemerkte, dat hij eerst gemakkelijk liep, daarna steeds moeilijker en tenslotte zelfs kroop, klauterend op handen en voeten, vanwege de steilte van de plaats. Ongeveer halverwege tussen de voet en de top van de heuvel stond een vermakelijk Prieel, dat de Heere van de heuvel daar had laten neerzetten tot verkwikking van vermoeide reizigers.
Hier ging CHRISTEN in en zette zich, om wat te rusten; hij nam zijn rol van onder zijn mantel uit en begon tot zijn vertroosting daarin te lezen; ook bezag hij opnieuw zijn rok en zijn kleren, waarmee hij bekleed was, toen hij bij het kruis stond, en vermaakte zich zo enige tijd. Eindelijk viel hij in een sluimering en daarna in een vaste slaap, wat hem op die plaats deed blijven, tot het bijna nacht was; en in zijn slaap viel hem de rol uit de hand.
Zo slapende, werd hij aangestoten en gewekt door iemand, die hem toeriep: "Ga tot de mieren, gij luiaard, zie haar wegen en word wijs (Spr.6:6). Bij het horen van deze woorden, schoot CHRISTEN zeer schielijk overeind, en bespoedigde zijn weg, voortgaande, tot hij op de top van de heuvel kwam.
Toen hij op de top stond, zag hij, dat twee mannen op hem kwamen aanlopen. De een was VREESACHTIGE en de ander MISTROUWEN. CHRISTEN zei: "Wel, mijne heren, om welke reden wandelt u zo verkeerd?"
VREESACHTIGE antwoordde, dat zij op reis geweest waren naar de stad SION en dat zij die moeilijke plaats daartoe waren opgeklommen. "Maar," zei hij, "hoe verder wij kwamen, hoe meer gevaar wij ontmoetten,en daarom keren wij terug." "Ja, dat is waar," zei MISTROUWEN, "want recht voor ons liggen een paar leeuwen; of zij sliepen, of dat zij wakker waren, weten wij niet; maar wij kunnen niet anders denken, of zij zouden ons, als wij onder hun bereik gekomen waren, terstond aan stukken hebben gescheurd."
Toen zei CHRISTEN: "U maakt mij bang; maar waar zal ik heen vluchten om veilig te zijn? Als ik terugga naar mijn eigen plaats, die is bereid voor vuur en sulfer; daar kom ik zeker om; indien ik in de Hemelse Stad kan komen, dan weet ik zeker, dat ik veilig zal zijn. Ik moet het wagen; teruggaan is toch niets dan de dood; vooruit, daar is wel de vrees voor de dood, maar daar is ook het eeuwigdurend leven, ik vervolg dus mijn weg." Zo deed hij ook, en MISTROUWEN en VREESACHTIGE liepen de heuvel weer af. Zijn weg verder bewandelende, begon CHRISTEN evenwel te denken aan wat deze twee hem gezegd hadden, en hij tastte onder zijn mantel naar zijn rol, om daarin te lezen, tot zijn vertroosting, maar hij vond haar niet.
Dit maakte CHRISTEN zeer verlegen; hij wist niet, wat te doen; want hij miste nu wat hij steeds gebruikt had om zich te verkwikken, en wat hem tot een pas gediend zou hebben aan de Stad des Hemels. Aldus geheel ontroerd en verlegen en onzeker, hoe hij het zou maken, herinnerde hij zich ten laatste, dat hij in het Prieel geslapen had. En neervallende op zijn knieën, bad hij God, dat Hij hem deze dwaze daad vergeven wilde, en keerde terug, om naar de rol te zoeken.
Maar wie kan naar waarheid de droefheid uitdrukken, die CHRISTEN in zijn hart had, de hele weg, terwijl hij naar zijn rol liep te zoeken? Soms zuchtte hij, soms weende hij en dikwijls verfoeide hij zichzelf om zijn dwaasheid, dat hij was gaan slapen op een plaats, die alleen bestemd was, om hem wat te verfrissen in zijn vermoeidheid. Dus ging hij zeer zorgvuldig zoekend de hele weg langs, dan aan de ene, en dan aan de andere zijde ziende, of hij misschien de rol mocht terugvinden, waardoor hij zo vaak op zijn reis getroost was. Eindelijk kreeg hij het Prieel weer in het gezicht, waar hij in slaap was gevallen; maar dat vernieuwde zijn droefheid, door hem zijn misdaad, zijn slapen, indachtig te maken; dus begon hij zijn zonde zeer te bewenen. "O," riep hij, "ellendig mens, die ik ben! Dat ik zo sliep terwijl het dag was. Dat ik zo sliep te midden van zoveel zwarigheden; dat ik zo het vlees heb gekoesterd, de rust, die de Heere van de heuvel alleen beschikt heeft tot verkwikking van de geest van de pelgrims, misbruikende tot het gemak van het vlees! Hoe vele stappen heb ik tevergeefs gedaan (juist gelijk het de Israëlieten ging, die om hun zonden terug gezonden werden naar de Rode Zee); nu moet ik deze weg weer met droefheid treden, waarop ik met vermaak had kunnen wandelen. Hoe ver zou ik nu al gevorderd zijn, indien ik niet in die zondige slaap gevallen was! Nu moet ik driemaal de weg gaan, die ik anders maar eens had hoeven te lopen; ja, het schijnt mij toe, dat ik nog door de nacht overvallen zal worden; want de dag is bijna ten einde. Ach, had ik toch niet geslapen!"
Zo klagend kwam hij weer bij het Prieel, waar hij een ogenblik ging zitten wenen. Maar zie, terwijl hij met droefheid van zijn zitplaats naar beneden zag, daar ontdekte hij eindelijk, alsof de Voorzienigheid dit zo wilde, de verloren rol, die hij bevende en zeer snel opnam en in zijn mantel stak. Wie kan zeggen hoe vrolijk en blij de man was toen hij zijn rol weervond! Want deze rol was de verzekering van zijn leven en zijn aanbeveling aan de begeerde haven. Daarom stak hij ze in zijn mantel met een dankzegging aan God, die zijn ogen gericht had op de plaats, waar zij lag, en begaf zich weer met blijdschap en tranen tot de voorgenomen reis.
Maar o hoe vlug liep hij nu het overige van de heuvel op. En toch, eer hij deze over was, zie, daar ging de zon over CHRISTEN onder en kwam hem zijn ijdele slaap weer in gedachten, zodat hij die aldus betreurde: "Ach, zondige slaap, hoe schijn ik nu, om uwentwil, door de nacht overvallen te worden op mijn reis! Ik moet nu wandelen zonder zonneschijn, de duisternis bedekt mijn voetpad en ik moet het geluid van de nare schepselen horen vanwege mijn zondige slaap." Nu herinnerde hij zich ook het verhaal van MISTROUWEN en VREESACHTIGE, hoe zij ontsteld waren door het zien van de leeuwen.
Daarom zei hij bij zichzelf: "Deze beesten lopen in de nacht om roof en als zij mij hier in het duister ontmoeten, hoe zal ik ontkomen zonder door hen in stukken gescheurd te worden?" Aldus vervolgde hij zijn weg.
Het paleis Sierlijk.
Maar terwijl hij zo zijn ongelukkige misstap beweende, hief hij zijn ogen op; en zie, daar stond een statig paleis SIERLIJK geheten, recht voor hem, juist aan de kant van de goede weg.
Ik merkte ook, dat hij met spoed voortging, in de hoop daar mogelijk nog een nachtverblijf te vinden; maar toen hij nog niet ver gevorderd was, kwam hij op een zeer nauwe doorgang, omtrent tweehonderd passen aan deze kant van de portierswoning, en zag, toen hij nauwkeurig voor zich uit keek, twee leeuwen op de weg.
Nu zie ik, dacht hij, de gevaren, die MISTROUWEN en VREESACHTIG teruggedreven hebben. De leeuwen nu waren geketend, maar dat zag hij niet. Zeer bevreesd geworden, begon hij te denken, of hij niet teruggaan en hen volgen wilde; want hij zag niets anders tegemoet dan de dood. Maar de Portier, die WAAKZAAM heette, bemerkte vanuit zijn huisje, dat CHRISTEN stilstond en van wil scheen om terug te keren, en riep hem toe: "Is uw kracht zo klein? Vrees deze leeuwen niet, want zij zijn geketend en liggen hier alleen, om het geloof, waar het is, te beproeven en om hen, die het niet hebben, te ontdekken. Blijf midden op de weg en geen kwaad zal u bejegenen."
Toen zag ik, dat hij al bevende voortging, uit vrees voor de leeuwen, maar ook goed acht gaf op het onderricht van de Portier; hij hoorde hen ook wel brullen, maar zij deden hem geen kwaad. Daarom klapte hij in de handen en liep juichende voort, tot hij bij de Portier kwam, die in de poort stond en tot wie hij zei: "Mijnheer, wat is dit voor een huis? Zou ik hier deze nacht niet kunnen logeren?"
De Portier antwoordde: "Dit huis is hier gebouwd door de Heere van de heuvel, die het stichtte tot gerief en bescherming van de reizigers." De Portier vroeg ook meteen, vanwaar hij kwam en waar hij heen reisde. Daarop antwoordde CHRISTEN: "Ik kom van de stad VERDERF en ga naar de berg SION; maar omdat de zon onder gegaan is, wens ik, als het kan, deze nacht wel hier te vertoeven."
"Hoe is uw naam?" vroeg de Portier en CHRISTEN antwoordde: "Mijn naam is nu CHRISTEN, maar voorheen heette ik GENADELOOS. Ik ben uit het geslacht van Jafeth, die God in de tenten van Sem zal doen wonen" (Gen.9:27).
"Maar hoe komt u zo laat? De zon is al ondergegaan," vroeg de Portier.
CHRISTEN antwoordde: "Ik zou hier wel vroeger geweest zijn, maar ik, ellendig mens, sliep in het Priëel, dat aan de kant van de heuvel staat; ja, ik zou toch nog veel vroeger hier geweest zijn, maar in mijn slaap verloor ik mijn bewijzen en kwam zonder die aan de top van de heuvel; toen voelde ik er naar, maar vond ze niet; dus was ik gedwongen bedroefd terug te gaan naar de plaats waar ik had geslapen en waar ik ze ook vond; en nu ben ik hier gekomen."
"Wel," zei de Portier, "ik zal één van de Maagden van deze plaats roepen en wanneer uw redenen haar voldoen, zal zij u leiden tot de andere leden van ons gezin, volgens de regels van dit huis."
De Portier WAAKZAAM trok daarop aan de bel. Op dit geluid kwam er een zedige en zeer bevallige jonge vrouw, BESCHEIDENHEID genoemd, aan de deur en vroeg, waarom men belde; waarop de Portier antwoordde, dat er een man was, van de stad VERDERF naar de berg SION reizende, die vermoeid en door de avond overvallen, vroeg, of hij die nacht wel hier kon logeren.
"En ik," vervolgde hij, "zei dat ik u zou roepen: gelieve nu zelf met hem te spreken en daarna te handelen, zoals het u goeddunkt, volgens de regels van het huis."
Zij vroeg hem nu, vanwaar hij kwam en waar hij heen wilde; alsmede hoe hij op deze weg gekomen en wat hem al op zijn reis overkomen was, waarop hij telkens antwoordde en vertelde hoe de zaken stonden. Eindelijk vroeg zij hem nog welke naam hij droeg. Hij zei, dat hij CHRISTEN heette en te meer begerig was, aldaar te vernachten, omdat hij uit alles bemerkte, dat deze plaats gebouwd was door de Heere van de heuvel tot troost en bescherming van de reizigers.
Daarop glimlachte zij, maar tranen stonden in haar ogen; en nadat zij een ogenblik hadden gezwegen, zei ze: "Ik zal nog twee of drie leden van ons gezin roepen." Toen rinkelde zij aan de deur en riep VOORZICHTIGHEID, GODVRUCHTIGHEID en LIEFDE. Dezen, nadat zij nog een ogenblik met hem gesproken hadden, namen hem in huis. Spoedig kwamen vele leden van het gezin hem al aan de dorpel verwelkomen, zeggende: "Kom in, gij gezegende des Heeren! Dit huis is gebouwd door de Heere van de heuvel, opdat zulke reizigers daar onthaald zouden worden." Toen boog hij het hoofd en volgde hen in het huis. Nadat hij was binnengetreden, zat hij neer; zij gaven hem iets te drinken en vonden te zamen goed, dat sommigen van hen, terwijl het avondmaal gereed gemaakt werd, een afzonderlijk gesprek met CHRISTEN zouden hebben, om alzo de tijd op de beste wijze te besteden. GODVRUCHTIGHEID, VOORZICHTIGHEID en LIEFDE werden daartoe verkozen, die aldus begonnen:
GODVRUCHTIGHEID. "Kom, beste CHRISTEN! Aangezien wij u zoveel liefde betonen en u deze nacht in ons huis ontvangen, laat ons, opdat wij mogelijk elkaar stichten en verbeteren zouden, wat te zamen spreken over de dingen die u op uw pelgrimsreis zijn overkomen."
CHRISTEN. "Wel, dat wil ik zeer graag doen en ik ben blij, dat ik u zo genegen vind."
GODVRUCHTIGHEID. "Wat bewoog u toch in het begin, om u tot zulk een pelgrimsleven te begeven?"
CHRISTEN. "Ik ben uit het land van mijn geboorte gedreven, door een vreselijk geluid, dat in mijn oren kwam, te weten door de tijding, dat een onvermijdelijk verderf mij zou treffen, als ik bleef in de plaats, waar ik mij toen bevond."
GODVRUCHTIGHEID. "Hoe kwam het, dat u, uit uw land trekkende, juist op de smalle weg kwam?"
CHRISTEN. "Het schijnt, dat God het zo wilde. Want toen ik vrezend, te zullen omkomen, van huis ging, wist ik niet waarheen; maar bij toeval kwam daar juist, terwijl ik bevende en wenende alleen stond, een man bij mij, wiens naam was EVANGELIST. Hij wees mij de enge poort, die ik anders nooit gevonden zou hebben; en zo kwam ik op de weg, die recht op dit huis aanloopt."
GODVRUCHTIGHEID. "Maar kwam u ook niet aan het huis van UITLEGGER?"
CHRISTEN. "Ja, en ik zag daar dingen, die mij wel zo lang in gedachten zullen blijven als ik leef; in 't bijzonder zag ik er drie dingen, te weten, hoe Christus ondanks tegenstand van de satan Zijn werk der genade in het hart onderhoudt; hoe een mens door de zonde zichzelf werpt uit alle hoop op Gods barmhartigheid; en de droom van hem, die in zijn slaap meende, dat de dag des Oordeels gekomen was."
GODVRUCHTIGHEID. "Wel, hoorde u hem zijn droom vertellen?"
CHRISTEN. "Ja, hij was zeer vreselijk; het was, of mijn hart beefde, toen hij hem mij vertelde; toch ben ik blij dat ik hem gehoord heb."
GODVRUCHTIGHEID. "Was dit alles, wat u in het huis van UITLEGGER zag?"
CHRISTEN. "Neen; hij nam mij bij de hand en toonde mij een statig Paleis en meteen hoe de lieden, die daarin woonden, allen in goud gekleed waren; en hoe er een kloekmoedig man kwam die zijn weg nam, recht door de gewapende mannen heen, die aan de deur stonden, om er hem buiten te houden en hoe hem gelast werd binnen te treden, om daar een eeuwige heerlijkheid te verkrijgen. Mij dunkt, dat deze dingen mij het hart verrukten, en ik zou aan dat huis van die goede man mij wel een jaar opgehouden hebben, had ik niet geweten, dat ik verder gaan moest."
GODDVRUCHTIGHEID. "En wat zag u nog meer op uw weg?"
CHRISTEN. "Zien! Wel ik was maar een eindeje voortgegaan, of naar het mij voorkwam, zag ik er één, die al bloedende aan een hout hing; en alleen het gezicht daarvan maakte, dat mij het pak van de rug afviel (want ik zuchtte onder een zware last en toen schoot het naar beneden en viel van mij af). Het was wat wonderlijks voor mij, want ik had iets dergelijks nooit te voren gezien. Ja, luister, terwijl ik zo stond en op Hem zag, want ik kon mijn ogen niet van Hem afhouden, zo verschenen mij drie zeer blinkende gestalten die tot mij kwamen. Eén van hen zei: uw zonden zijn u vergeven; de andere trok mij mijn oude, vuile kleren uit en gaf mij de geborduurde mantel, die u mij nog ziet dragen; en de derde drukte mij het merk in, dat u aan mijn voorhoofd ziet en gaf mij deze verzegelde rol." Dit zeggende, haalde hij die uit zijn mantel.
GODVRUCHTIGHEID. "Maar u zag nog meer dan dit, niet waar?"
CHRISTEN. "Wat ik u reeds verteld heb, is wel het beste; evenwel zag ik nog iets anders en wel drie mannen, namelijk SLECHTE, LUIAARD en VERMETELE, die aan de kant van de weg lagen. En toen ik bij hen kwam, vond ik hen neerliggen in de slaap met ijzeren boeien aan hun benen; maar meent u, dat ik hen wakker kon maken? O neen! Ik zag daarna ook FORMALIST en HYPOCRIET over de muur klimmen, met hun beiden, om, gelijk zij voorgaven - naar SION te gaan; maar zij waren spoedig verdwaald, gelijk ik hun ook voorspeld had; maar zij wilden mij niet geloven. Bovenal vond ik het een zwaar werk voor mij, deze heuvel te beklimmen; en even moeilijk, om aan de leeuwenmuilen te ontkomen. Werkelijk, had die goede man, de portier, die aan de deur staat, niet geroepen, ik weet niet, of ik niet nog op het laatst zou zijn teruggekeerd; doch ik dank God, dat ik zo ver en tot hiertoe gekomen ben; en ik dank u, dat u mij zo ontvangen hebt."
Hierna verzocht VOORZICHTIGHEID of hij enkele door haar te stellen vragen wilde beantwoorden.
Zij begon met de vraag: "Denkt u van tijd tot tijd nog weleens aan het land dat u verlaten hebt?"
CHRISTEN: "Ja, maar met grote schaamte en afkeer. Indien ik verlangd had naar het land, dat ik verlaten heb, dan had ik gelegenheid gehad om terug te gaan. Maar ik begeer een beter vaderland, namelijk de hemel."
VOORZICHTIGHEID. "Hangen u nog dingen aan, die u toentertijd beheersten?"
CHRISTEN. "Och ja, maar grotelijks tegen mijn wil. In het bijzonder zijn dat inwendige en vleselijke bewegingen, waarmee ik, evenals al mijn landgenoten, zeer veel op had. Maar nu zijn mij al deze dingen tot droefheid. En als ik het voor het kiezen had, ik zou begeren, nooit meer aan deze dingen te denken; maar als ik het goede wil doen, gevoel ik, dat het kwade mij bijligt."(Rom.7:21).
VOORZICHTIGHEID. "Vindt u niet bij tijden, dat de dingen reeds overwonnen schijnen te zijn, die u op andere tijden weer veel droefheid en verwarring veroorzaken?"
CHRISTEN. "Ja, doch dat is maar zelden. Maar als dat gebeurt, zijn het gouden uren voor mij.
VOORZICHTIGHEID. "Weet u ook, door welke middelen het kwam, dat het u bij tijden toescheen alsof zij overwonnen waren?"
CHRISTEN. "Hierdoor voornamelijk, wanneer ik denk aan wat ik eens aan het kruis zag, als ik mijn oog laat gaan over mijn geborduurde mantel, wanneer ik zie in de rol, die ik op mijn hart draag, en wanneer de overdenkingen van de plaats, waar ik heenga, mijn hart gevoelig aandoen. Zie, dit alles zal het doen."
VOORZICHTIGHEID. "Maar wat maakt u toch zo begerig naar de berg SION?"
CHRISTEN. "Vraagt u dat? Daar hoop ik Hem levend te zien, die eens dood aan het kruis hing, daar hoop ik ontlast te worden van alle dingen, die mij tot op deze dag zo veel schade toebrengen; daar, zegt men, is geen dood meer en daar zal ik wonen bij het gezelschap, waarin ik het meeste behagen heb. Want om u de waarheid te zeggen, ik heb Hem lief, omdat mijn last door Hem verlicht is; ik ben moe van mijn inwendige ziekte; ik wil zo graag daar wezen, waar ik niet meer zal sterven en bij het gezelschap, dat voortdurend zal roepen: Heilig! Heilig! Heilig!"
Toen sprak LIEFDE met hem en vroeg, of hij ook een gezin had. "Bent u getrouwd?" vroeg zij.
Hij antwoordde: "Ja, ik heb een vrouw en vier kleine kinderen"; waarop LIEFDE vroeg: "En waarom bracht u ze niet mee?"
CHRISTEN begon te wenen en zei: "Ach, hoe graag had ik dit gedaan; maar zij waren er alle ten uiterste afkerig van, deze pelgrimsreis te aanvaarden."
"Maar," sprak LIEFDE daarop, "u had met hen moeten spreken, om hen aan te tonen, welk gevaar in hun achterblijven gelegen was."
CHRISTEN. "Dat deed ik; ik zei hun ook, wat God mij had bekend gemaakt over de ondergang van onze stad; maar ik was als jokkende in hun ogen (Gen.19:14); zij geloofden mij niet."
LIEFDE. "Maar hebt u wel gebeden tot God, of Hij de raad, die u hun gaf, zegenen wilde?"
CHRISTEN. "Ja, en dat wel met vele bewegingen; want u moet weten, dat mijn vrouw en mijn arme kinderen mij zeer dierbaar waren."
LIEFDE. "Maar sprak u met hen niet over uw eigen droefheid en over het verderf? Want ik meen, dat u voor u zelf aan de ondergang van uw stad niet twijfelde."
CHRISTEN. "Ja, verschillende keren. Zij konden 't ook wel zien aan mijn gezicht, aan mijn tranen en aan mijn verslagenheid vawege de bevatting, die ik had van het Oordeel, dat boven ons hoofd hing; maar dit alles was niet genoeg om hen met mij te doen gaan."
LIEFDE. "Maar wat hadden zij daartegen in te brengen?"
CHRISTEN. "Mijn vrouw was bevreesd de wereld te verliezen en mijn kinderen waren aan het dwaze vermaak van de jeugd gewend. Het was hierom, het was daarom; zij lieten mij dus alleen wandelen, gelijk u ziet."
LIEFDE. "Maar verhinderde u ook door een ijdele wandel wat u door woorden op hen zocht uit te werken, om hen te bewegen met u te gaan?"
CHRISTEN. "Inderdaad, ik kan mij zelf niet prijzen met het oog op mijn leven; want ik ben mij vele gebreken bewust; ik weet ook, dat een mens door zijn omgang gemakkelijk kan omstoten, wat hij door beweegredenen en tot hun best tracht te doen hechten op anderen; nochtans kan ik zeggen, dat ik zeer op mijn hoede was, ten einde hen nooit door enige onbetamelijke daad te sterken in hun afkerigheid van mijn pelgrimsreis. Ja, het was juist hierom, zeiden zij mij, dat ik al te precies was en omdat ik mij om hunnentwil onthield van dingen, waarin zij geen kwaad zagen. En mij dunkt, ik mag zeggen: indien hun iets, van wat ze in mij zagen, tegen stond, dan was het mijn grote tederheid en mijn zorg,om niet tegen God te zondigen of mijn naaste enig leed te doen."
LIEFDE. "Inderdaad, Kaïn haatte zijn broeder, omdat zijn eigen werken boos waren en die van zijn broeder rechtvaardig (1Joh.3:12); en indien uw vrouw en kinderen u dit kwalijk namen, zo toonden zij hiermee, dat zij onverzoenlijk waren ten goede. U hebt uw ziel bevrijd van hun bloed."
Zo zaten zij samen te spreken tot het avondmaal gereed was en toen zij zich aan tafel hadden begeven, zaten zij neer om te eten. De tafel nu was voorzien van vet vol merg en van reine wijnen, die gezuiverd waren (Jes.25:6); en de gesprekken, die zij aan tafel hielden, gingen alle over de Heer van de Heuvel: over wat Hij al had gedaan, waarom Hij zo deed en waarom Hij dit huis gebouwd had. Uit wat zij zeiden kon ik merken, dat Hij een groot Krijgsman geweest was en gevochten had met hem, die het geweld des doods had (Hebr.2:14), en dat Hij hem ook had geveld, doch niet zonder groot gevaar voor zichzelf. "Daarom heb ik Hem nog te meer lief," zei CHRISTEN, "want naar ik hoor zeggen, en ik geloof het, deed Hij het met verlies van veel bloed. Maar wat de heerlijkheid der genade in dit alles brengt is, dat Hij het deed uit zuivere liefde tot de Zijnen." Naast dit, zo waren er enigen van het gezin, die zeiden bij Hem geweest te zijn en met Hem gesproken te hebben, sedert Hij aan het kruis was gestorven. En zij getuigden allen, het van Zijn lippen te hebben, dat Hij zo'n liefhebber is van arme reizigers, dat Zijns gelijke niet gevonden wordt van het oosten tot het westen. Zij gaven ook een bewijs, om te bevestigen wat zij zeiden. Hij had, zeiden ze, zich als ontdaan van al Zijn rijkdom en al Zijn heerlijkheid, opdat Hij dit werk kon voltooien voor de armen (2Cor.8:9); Hij had gezegd en betuigd, dat Hij niet alleen wilde wonen op de berg SION. Zij voegden daar nog bij, dat Hij vele pelgrims tot vorsten had gemaakt, hoewel zij als bedelaars geboren waren en hun beginsel uit stof en drek was (1Sam.2:3, Ps.113:7).
Zo spraken zij samen tot laat in de nacht; en nadat zij zich aan des Heeren hoede bevolen hadden, begaven zij zich ter ruste. De pelgrim brachten zij in een ruime opperkamer, waarvan het venster tegen de opgang van de zon was. De naam van deze kamer was VREDE. Hier sliep hij tot de dag aanbrak en, ontwa kende, zong hij:
Ach! waartoe ben ik nu verheven?
Wil dan de zoete Jezus geven,
Zijn liefde en al Zijn zorg aan hem,
Die zich naar 't nieuw Jeruzalem
Als pelgrim heeft op reis begeven?
'k Voel nu, ik weet niet wat gewemel,
Mijn manna maakt al 't aards tot zemel,
Mijn ziel, ontlast van al haar schuld,
Is met een stille vreê vervuld.
'k Woon aan de deure van de Hemel.(Wijze Ps.96)
Toen zij allen opgestaan waren, zeiden zij tot hem, nadat ze eerst nog een poosje met elkaar gesproken hadden, dat zij hem niet zouden laten gaan, voor- dat ze hem de bijzonderheden van die plaats getoond zouden hebben. Eerst brachten zij hem nu in hun studeerkamer; waar zij hem registers lieten zien van de grootste oudheden; in welke, als ik mijn droom goed onthouden heb, zij hem vooraf toonden het geslacht van de Heere van de Heuvel, om hem te doen zien, dat Hij was de Zoon van de Oude van Dagen en dat door een eeuwige generatie. Hier waren ook uitgebreid geregistreerd de daden, die Hij gedaan had en de namen van vele honderden, die Hij in zijn dienst had opgenomen en nu door Hem geplaatst waren in een woonplaats, die noch door lengte van dagen, noch door veroudering van de natuur verbroken kon worden.
Hierop lazen zij hem enige van de gedenkwaardige daden voor, die sommige van Zijn dienaren gedaan hadden: hoe zij koninkrijken hadden overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloften verkregen, de leeuwenmuilen toegestopt, de kracht van het vuur uitgeblust; hoe zij de scherpte van het zwaard waren ont- vloden, uit zwakheid krachten gekregen hadden, in de strijd sterk geworden waren en gehele legers van vreemden op de vlucht gedreven hadden.(Hebr.11:33- 34).
Daarna lazen zij weer uit een ander gedeelte van het register van het huis, waaruit bleek, hoe gewillig hun Heere was, om een ieder in gunst te ontvangen, ofschoon zij in voorgaande tijden zowel Zijn persoon als Zijn belangen grotelijks tegengestaan hadden. Daar waren nog verscheidene andere geschiedenissen van zeer beroemde zaken, die CHRISTEN alle inzag, gelijk ook verscheidene oude en nieuwe dingen. Ook profetieën en bedreigingen van zaken, die hun zekere vervulling hebben, beide tot schrik en verbazing van de vijanden en tot troost en verkwikking van de reizigers.
De volgende dag brachten zij hem in hun magazijn, waar ze hem allerlei oorlogswapenen lieten zien, die de Heere daar voor de reizigers gereed hield; een zwaard, schild, helm, borstwapenen en schoenen die niet verouderen en gedurig gebed. En er was zo'n overvloed van dit alles, dat men er wel zoveel man ten dienste van de Heere uit bewapend zou kunnen hebben, als er sterren zijn aan de hemel.
Zij wezen hem ook enige instrumenten, waarmee sommigen van Zijn knechten wonderlijke dingen verricht hadden. Zij toonden hem Mozes' staf, de hamer en de nagel waarmee Jaël Sisera sloeg, de bazuinen en de fakkels waardoor Gideon het leger van de Midianieten op de vlucht dreef. Zij toonden hem ook Samgars ossenstok, maarmee hij zeshonderd man sloeg, alsmede het kakebeen, waarmee Simson vele vijanden versloeg. Bovendien lieten zij hem ook Davids slinger zien en de steen, waarmee hij de reus Goliath velde; ook het zwaard, waarmee hun Heere de mens der zonde eens doden zal op de dag, die Hij zal verwekken tot de roof.
Behalve dit alles lieten zij hem nog meer uitmuntende dingen zien, alle tot groot genoegen van CHRISTEN. En toen dit gedaan was, begaven zij zich weer ter ruste.
Toen zag ik ook nog, dat hij in de morgen opstond, om voort te reizen, maar zij verzochten hem, tot de volgende dag te blijven. "Dan," zeiden zij, "zullen wij u, als het maar helder weer is, eens wijzen waar de LIEFELIJKE BERGEN liggen, die nog veel tot uw vertroosting zullen toedoen, omdat zij nog veel nader zijn aan de haven van uw begeerte dan deze plaats." Daar stemde hij in toe, en zo vertoefde hij nog een dag. Als nu de morgenstond gekomen was, gingen zij met hem op het dak van het huis en bevalen hem, zuidwaarts te zien. Zo deed hij en zie, hij zag ver van zich af een zeer bergachtige plaats (Jes.33:17), met sierlijke bossen, wijngaarden en vruchten van allerlei soort, met bloemen, beken en fonteinen, alle zeer schoon om te zien. CHRISTEN zei: "Hoe heet dat land toch?" Zij antwoordden: "Het wordt IMMANUELS LAND genoemd en is toegankelijk voor alle reizigers of pelgrims, evenals deze heuvel. Wanneer u daar komt, zult u de poort van de Hemelse Stad kunnen zien, gelijk de Herders die daar legeren, u wel wijzen zullen."
Nu ging hij bij hen te rade of hij voort zou reizen, en zij waren het er mee eens, maar zeiden: "Laten wij eerst in het magazijn en wapenhuis gaan." Zo geschiedde het dan ook. Daar werd hij door hen van het hoofd tot de voeten geharnast met wapens, die alle beproefd waren, voor het geval hem mogelijk enige aanval op de weg te wachten stond.
Zo toegerust, ging hij met deze goede vriendinnen naar buiten, naar de poort en vroeg de Portier of hij geen pelgrim voorbij had zien gaan, welke bevestigend antwoordde.
"Ik bid u," zei CHRISTEN, "kende u hem?"
"Ik vroeg naar zijn naam," zei de portier; "hij heette GETROUWE."
"O," riep CHRISTEN, "dat is mijn stadgenoot, mijn naaste buurman; hij komt van de plaats, waar ik geboren ben. Hoe ver denkt u, dat hij nu al vooruit is?"
De portier antwoordde: "Hij is nu ongeveer beneden aan de heuvel."
"Wel, mijn goede vriend!" zei CHRISTEN, "de Heere zij met u en vermenigvuldige uw zegen voor al de goedheid, die u mij bewezen hebt."
En zo ging CHRISTEN heen. Maar BESCHEIDENHEID, GODVRUCHTIGHEID, LIEFDE en VOORZICHTIGHEID wilden hem vergezellen tot aan de voet van de heuvel, wat zij ook deden. Dus gingen zij tezamen en hervatten hun vorig gesprek, tot zij beneden aan de heuvel kwamen.
CHRISTEN zei: "Evenals het moeilijk was, de heuvel op te klimmen, zo is het naar mijn idee ook moeilijk en gevaarlijk hem af te gaan."
"Ja," voegde VOORZICHTIGHEID daar aan toe, "dat is wel waar; het is een harde zaak voor een mens, af te dalen in de vallei VEROOTMOEDIGING, waarin u nu komt, zonder onderweg te struikelen. Daarom hebben wij u ook tot hiertoe gezelschap gehouden." Dus trad hij zeer omzichtig naar beneden; evenwel glipte hij nog een keer of twee ter zijde weg.
Ik zag ook in mijn droom, dat dit zoete gezelschap hem, toen hij onder aan de heuvel gekomen was, een brood, een fles wijn en een tros rozijnen gaf; en zo ging hij zijns weegs.
De vallei Verootmoediging.
Maar CHRISTEN, die nu in de vallei VEROOTMOEDIGING was, had het daar zeer zwaar. Hij was er nog maar een korte tijd, toen hij een grote zielevijand op zich zag afkomen, die recht door het veld op hem aantrok. Zijn naam was APOLLYON. CHRISTEN werd hierdoor zeer beangst en dacht na, wat hem nu te doen stond; terug te gaan, of stand te houden. Maar hij bedacht, dat hij geen wapentuig had om zijn rug te beschermen en hij begreep, dat hij door te vluchten, zijn vijand een groot voordeel zou geven en de kans, om hem zeer gemakkelijk met zijn vurige pijlen te verwonden; dus besloot hij stand te houden en hem zo op te wachten; want al had ik niet meer op het oog, dacht hij, dan alleen mijn leven te behouden, dan zou het nog het beste wezen, niet te vluchten.
Derhalve ging hij voort en kwam bij APOLLYON. Het was een monster, zeer vervaarlijk om te zien en bekleed met schubben, zoals een vis; en - dat is zijn trots - hij had vleugels als een draak en voeten als een beer. Uit zijn buik kwamen vuur en rook en zijn mond was als de muil van een leeuw. Hij zag CHRISTEN aan met een vreselijk en schrikwekkend gezicht en sprak hem aldus aan:
"Waar komt u vandaan en waar gaat u naar toe?"
CHRISTEN. "Ik kom van de stad VERDERF, de plaats van alle onheil en ga naar de stad SION."
APOLLYON. "Daaruit bemerk ik, dat u een van mijn eigen onderdanen bent, want dat hele land is van mij; ik ben er de Vorst en God van. Hoe komt u er toe, van uw eigen Koning weg te lopen? Indien ik geen dienst meer van u verwachtte, zou ik u met één slag ter aarde nedervellen."
CHRISTEN. "Het is waar, ik ben geboren onder uw gebied en heerschappij; maar uw dienst was een harde dienst en uw soldij zeer sober, zodat het onmogelijk is, dat een mens er het leven bij houden kan, want de bezoldiging der zonde is de dood (Rom.6:23). Daarom heb ik, tot mijn jaren gekomen, zoals andere welberaden lieden, uitgezien, op wat voor manier ik mijn toestand verbeteren kon."
APOLLYON. "Er is geen Vorst, die zijn onderdanen gemakkelijk wil missen; en ik, dat kunt u wel denken, zal u ook zo gemakkelijk niet laten gaan. Maar daar u zo over mijn dienst en over mijn loon klaagt, kom, wees maar tevreden, ga met mij terug en al wat ons landschap kan opbrengen,beloof ik u te geven."
CHRISTEN. "Maar ik heb mij al aan iemand anders, te weten aan de Koning der koningen, verbonden; hoe kan ik nu op een eerlijke manier tot u terugkeren?"
APOLLYON. U hebt in dezen, zoals het spreekwoord zegt, u gekeerd van kwaad tot erger. Maar het gebeurt wel meer, ja het is iets gewoons, dat degenen, die zich voor Zijn dienaars uitgeven, Hem na een korte tijd weer de zak geven en naar mij terugkomen; doet u ook zo, en alles is in orde."
CHRISTEN. "Ik heb mij aan Hem overgegeven en Hem trouw gezworen; hoe kan ik dan weer tot u overlopen; zou ik niet als een verrader worden opgehangen?"
APOLLYON. "U hebt mij reeds van hetzelfde laken een pak gegeven; evenwel ben ik bereid, daar overheen te stappen, als u slechts terugkeert en weer bij mij komt."
CHRISTEN. "Wat ik u beloofd heb, deed ik in de tijd van mijn onwetendheid. Daarbij weet ik ook, dat mijn Overste, onder Wiens banier ik nu gekomen ben, goed genoeg is om mij te ontslaan, ja ook, mij te vergeven, alles wat ik ooit misdaan heb, door mij zelf aan u te verbinden. En boven dit alles, zo weet, o vernielende APOLLYON, dat, als ik de waarheid zal zeggen, Zijn loon en Zijn soldij, Zijn dienaren, Zijn regering, Zijn gezelschap en Zijn land, mij veel beter aanstaan dan het uwe; derhalve, laat af van mij verder te verzoeken. Ik ben Zijn knecht en wil Hem, Hem alleen volgen."
APOLLYON. "Overweeg eens terdege, als u wat bedaard bent, wat u op de weg, die u nu bent ingegaan, al wacht. U weet, dat Zijn dienaren voor het merendeel een ongelukkig einde hebben, omdat zij tegen mij overtreden en mijn wegen verlaten; hoevelen van hen zijn door een schandelijke dood omgekomen. U acht Zijn dienst beter dan de mijne. Maar, Hij is immers nog nooit gekomen uit Zijn plaats, om iemand van Zijn dienaren uit mijn handen te verlossen. Wat mij betreft, wat heb ik, zoals de hele wereld wel weet, degenen, die mij trouw dienden, dikwijls geholpen door list of door geweld; en hen verlost van degenen die hen benauwden. En zo zal ik u ook doen."
CHRISTEN. "Dat Hij soms nalaat, hen dadelijk uit te helpen, is om hun liefde te beproeven, opdat blijkt, of zij Hem willen aankleven tot het einde toe; en wat u een kwaad einde noemt, wat de Zijnen soms zouden hebben, dat achten zij het heerlijkste, dat hun kan gegeven worden. Want naar tegenwoordige verlossingen verlangen zij niet; zij zien bijzonder uit naar hun heerlijkheid en die zullen zij genieten, als hun Vorst komen zal in Zijn heerlijkheid met Zijn heilige engelen."
APOLLYON. "U bent Hem reeds ontrouw geweest in uw dienst. Hoe durft u dan u zelf nog inbeelden enig loon van Hem te zullen ontvangen?"
CHRISTEN. "Waarin ben ik o APOLLYON, Hem ontrouw geweest?"
APOLLYON. "Toen u zich pas op reis begaf, bent u bezweken, toen u bijna verstikte in de poel MISTROUWEN. U bent een verkeerde weg ingeslagen, om van uw pak verlost te worden; u had moeten wachten, tot uw Vorst het van u aflichtte. U hebt een zondige slaap geslapen en daarin uw dierbare dingen verloren. U bent bijna bewogen geweest, terug te gaan, toen u de leeuwen zag en wat spreekt u van uw reis en van wat u al gehoord en gezien hebt. U bent van binnen hunkerende naar ijdele eer, in alles wat u zegt of doet."
CHRISTEN. "Al wat u daar spreekt is waar en nog meer daarbij, wat u niet weet. Maar de Vorst, die ik eer en dien, is genadig en vaardig om te vergeven. Maar wat meer is, deze gebreken hadden mij in hun bezit, toen ik in uw land woonde; daar heb ik ze ingezogen; ik heb er ook onder gezucht, en ben er bedroefd over geweest en heb vergiffenis gekregen van mijn Vorst."
Toen werd APOLLYON zeer grimmig en brak uit in deze verwoede woorden: "Ik ben een vijand van uw Vorst, ik haat Zijn persoon, Zijn wetten en Zijn volk; ik ben tegen u uitgetogen met het voornemen om u te weerstaan."
"Hoed u, APOLLYON!" zei CHRISTEN, "en pas op, wat u doet, want ik ben op 's Konings weg, de weg van heiligheid; daarom wacht u!"
Toen zette APOLLYON zich dwars over de hele weg, zo breed als die was, en zei: "Ik heb alle vrees terzijde gesteld, bereid u ter dood. Want ik zweer u bij mijn eeuwige afgrond, dat u niet verder komen zult; hier wil ik u uw ziel ontroven." En terwijl hij dit sprak, kwam er een vurige pijl recht op CHRISTENS borst aansnorren; maar deze had een schild in zijn hand, waarmee hij de pijl stuitte, en zo het gevaar voorkwam. CHRISTEN zette er zich ook toe; want hij zag, dat het zijn tijd was om uit de ogen te zien. APOLLYON schoot intussen zijn pijlen op CHRISTEN, bij wie ze weldra zo dicht om het hoofd vlogen als hagel; waardoor CHRISTEN, niettegenstaande al zijn tegenweer, eindelijk nog in zijn hoofd, hart en voet gewond werd, wat hem iets achteruit deed deinzen.
APOLLYON zette derhalve zijn aanvallen voort; maar CHRISTEN greep nieuwe moed en zette zich tegenover hem in een houding, zo mannelijk als hij kon. Deze verschrikkelijke strijd duurde meer dan een halve dag, zodat CHRISTEN bijna afgemat was. Want u moet weten, dat CHRISTEN tengevolge van zijn wonden wel zwakker en zwakker moèst worden.
Toen APOLLYON er de kans toe zag, kwam hij CHRISTEN hoe langer hoe nader, vatte hem aan om met hem te worstelen en deed hem vreselijk vallen; waardoor het zwaard CHRISTEN uit de hand schoot. Dit gewaar wordende, zei APOLLYON: "Nu heb ik u al in mijn macht," en het scheelde niet veel, of hij had hem dood gedrukt; zodat CHRISTEN de hoop om het leven te behouden al begon op te geven.
Maar terwijl APOLLYON zijn laatste kracht in het werk meende te stellen, om een einde aan het leven van deze goede man te maken, greep CHRISTEN, alsof God het zo wilde, zeer vaardig naar zijn zwaard en kreeg het nog net te pakken ook. Vol vreugde riep hij nu: "Verblijd u niet, o mijn vijand, want ofschoon ik gevallen ben, ik zal weder opstaan."(Micha 7:8) en bracht hem een dodelijke wonde toe, die hem terugdreef, als een, die dodelijk gewond is.
Toen CHRISTEN dit bemerkte, riep hij uit: "In al deze dingen zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad." (Rom.8:37). Terstond spreidde APOLLYON zijn drakenvleugels uit en vloog heen en CHRISTEN zag hem nooit weer (Jac.4:7).
Niemand zou kunnen geloven, als hij het niet zelf gezien en gehoord had zoals ik, welk een gehuil en vervaarlijk gebrul APOLLYON maakte al de tijd, dat zij tezamen streden, want hij sprak met het geluid van een draak. En aan de andere kant, welke zuchten en kermingen CHRISTEN voortbracht uit het binnenste van zijn hart; ik zag hem ook maar geen ogenblik blij kijken voor hij merkte, dat hij APOLLYON gewond had met zijn tweesnijdend zwaard. Toen begon hij inderdaad te lachen en hief het oog naar boven. Dat was het verschrikkelijkste gevecht, dat ik in mijn leven gezien had.
Toen de strijd geëindigd was, zei CHRISTEN: "Hier wil ik Hem danken, die mij verlost heeft uit de muil van de leeuw, Hem, die mij geholpen heeft tegen APOLLYON." En zijn stem verheffende, begon hij te zingen als volgt:
Beëlzebub, het hoofd der helse slaven
Zond uit zijn rot een boze op mij aan;
't Was of hij vloog, zo ijlings kwam hij draven,
Van mening, om mij ganselijk te verslaan.
Hij scheen een draak, voorzien aan alle zijden
Van doodlijk en verdoemlijk hels geweer,
Ik, ongewoon zo'n hard en bitter strijden,
Viel, helaas, door zijn furie plotseling neer.
Maar Michaël, aan wie 'k mij heb verbonden,
Mij een tweesnijdend zwaard in handen gaf,
Waarmeê ik hem zeer diep en doodlijk wondde.
Dies liet hij haast van mij te kwellen af.
Voor eeuwig zij Uw grote Naam geprezen,
Immanuël, mijn Overste, mijn Heer!
Die mij in deez' Uw hulpe hebt bewezen,
Maak mij voorts nuttig tot Uw dienst en eer!
(Wijze Ps.12)
Toen zag ik een hand, die CHRISTEN enige bladeren van de boom des levens toereikte, welke hij aannam en op de in de strijd opgelopen wonden legde, die nu terstond werden geheeld. Hij zette zich daar ook een ogenblik neer, om brood te eten en zich uit de fles met wijn te laven, die hij kort geleden had gekregen. Daardoor een weinig verkwikt, maakte hij zich gereed om voort te reizen, het zwaard steeds in de hand houdende; want - zo zei hij - ik weet niet ok ik nog een andere vijand zal ontmoeten. Hij kwam echter de vallei met vrede door, zonder door APOLLYON of iemand anders beledigd te worden.
WORDT VERVOLGD.
MARIA EN DE ZIELEGROT.
Openbaring van MARIA, dinsdag 28 april 2009
Maria en de zielegrot
Lieve zielen uit de Bron der Goddelijke Liefde. Zie toch eens hoe God in beelden tot jullie spreekt. Toen Ik destijds te Lourdes verscheen, deed Ik dit in een afgelegen grot, in een oord waar zelfs slangen huisden. Ik maakte Mij bekend als de Onbevlekte Ontvangenis. Ik droeg een wit kleed, een witte sluier, en een blauwe gordel. Mijn beide voeten waren bekleed met telkens een roos. In Mijn handen droeg Ik de rozenkrans.
Zielen, begrijp toch wat Ik jullie ook zonder woorden heb willen zeggen. Sedert de erfzonde is elke ziel een grot op een afgelegen plaats: een verduisterde en minder of meer verkilde holte met stenen wanden. De ziel leeft onder de onophoudelijke bekoring om zichzelf in de stenen mantel van wereldse gedachten en gevoelens te hullen, laat slechts sporadisch een straal van Gods Licht tot in de kern van haar wezen doordringen, en verliest heel gemakkelijk de warmte van de ware Liefde. Bovendien ligt de zielegrot afgelegen, van God verwijderd, teruggetrokken in het wereldse, als in een wereld die niets meer te maken heeft met het Hart van God. Regelmatig wordt zij door slangen bezocht, die zelfs in haar willen nestelen, als symbool voor de bekoringen en het feit dat de ziel tot verblijfplaats van de satan wordt.
In deze grot verscheen Ik, om aan te duiden dat een nieuw tijdperk was begonnen: het tijdperk waarin Maria Haar ware roeping zou ontplooien in de kern van de mensenziel. Ik maakte Mij bekend als de Onbevlekte Ontvangenis om aan de satan te verkondigen dat Ik elke welwillende ziel die Mij in zich zou laten heersen, zou terugvoeren naar de toestand van vóór de erfzonde, de toestand van de onbevlekte gesteldheid van de ziel die één was met het Hart van God.
Ik droeg een wit kleed om aan te tonen dat de Meesteres van de zielegrot is bekleed met de opperste zuiverheid. Mijn witte sluier toonde aan dat de geest van de volmaakt zuivere ziel omhuld is van het Goddelijk Licht en geen enkele duistere gedachte koestert. De blauwe gordel wijst erop dat de volmaakte ziel omgord is met de absoluut volmaakte Hemelse vrede. Ik heb je vroeger reeds gezegd dat hemelsblauw de kleur is van de volmaakte vrede, en dat om deze reden de Schepper de aarde heeft overkoepeld met een blauw uitspansel, als symbool voor het feit dat de aarde was bestemd om Gods Rijk te zijn.
Elk van Mijn voeten was gesierd met een roos. Onder Mijn voeten zie je een stenen plateau van de grot, om aan te duiden dat al het wereldse onderworpen is aan Mijn macht, en door de ziel tot Mijn voetbank moet worden gemaakt, opdat Ik Mijn onbeperkte heerschappij over de duisternis en al haar werken vrij zou kunnen ontplooien.
De roos is het symbool van de Liefde. Het is door de voltooide Hemelse Liefde dat Ik de ziel naar God terugbreng, en dat Ik de satan onder Mijn voet ter aarde zal neerdrukken, want zijn werken zijn de absolute tegenpool van de Liefde en Haar uitwerkingen, en slechts de Liefde heeft de macht om alle duisternis te verbannen. In de Liefde straalt Gods Licht en het Goddelijk Leven. Waar zij heerst, wordt datgene wat dood is doch voor God bruikbaar is, tot leven gewekt, en datgene wat zelf heeft gekozen voor de dood zoals de satan en zijn gevolg volkomen onwerkzaam gemaakt.
Toen Ik Mijn lieve dochter Bernadette verzocht, de aarde om te woelen, en Ik er een bron liet ontspringen, wilde Ik daarmee aanduiden dat Ik in elke ziel die bereid zou zijn om aan zichzelf te werken, een bron van Goddelijk Leven zou ontsluiten. Bernadette maakte zichzelf door deze handeling tot voorwerp van spot. Inderdaad, de ziel die de moed heeft om op Mijn uitnodiging aan zichzelf te werken, zal het onbegrip van de wereld oogsten, maar zij zal volkomen gewassen worden in het water van Goddelijk Leven dat in haar zal ontspringen, en Ik zal haar tot bron van heil en genezing maken voor velen, zoals Ik te Lourdes heb voorafgebeeld. Aan zichzelf werken, betekent: de aarde van alle wereldse invloeden terzijde schuiven om in de zielebodem de kiem der heiligheid opnieuw toegankelijk te maken voor Gods Licht, dat deze kiem tot bloei moet brengen.
De rozenkrans in Mijn handen was een oproep, niet alleen tot het bidden van de Rozenkrans, doch tot een wedergeboorte van het verlangen van de ziel om elk ogenblik van de dag en de nacht met God in contact te treden. Gebed is het bouwen van een brug tussen de ziel en haar Schepper. Het is: zich openstellen voor de bezieling met het Goddelijk Leven, en voor alle wenken waarmee de Goddelijke Voorzienigheid de ziel terugroept naar de wegen die naar de Poort van het Paradijs leiden.
Zielen, herinner jullie dat God de mensenziel heeft voorzien als de brug tussen Zijn Hart en de schepping. Gods Hart laat onophoudelijk de Goddelijke Liefde, draagster van het Goddelijk Leven, naar de hele schepping stromen. Indien deze stroming één seconde lang zou ophouden, zou de hele wereld vergaan. Vergeet nooit dat deze stroming van God naar de schepping toe, verloopt via de mensenzielen. Doordat talloze mensenzielen zo ziek zijn geworden, stroomt nog slechts een fractie van de Goddelijke Liefde vanuit de mensenzielen naar de rest van de schepping door. Dit, Mijn zielen, verklaart de ontwrichting van de schepping, die jullie in de natuur aan vele dingen kunnen merken.
Laat Ik de zielen erop wijzen dat ook de roofzucht in de dierenwereld een gevolg is van de erfzonde en de verdere door de mensenzielen bedreven zonden. Zie toch hoezeer de mens, en hij alleen, verantwoordelijk is voor de atmosfeer die in de schepping heerst. Indien alle mensenzielen de stroming van de ware Liefde in zichzelf en tussen zich en de schepping onbelemmerd zouden laten verlopen door zich van alle zonde af te wenden en zichzelf grondig te reinigen van elk spoor van wereldse invloeden die in de ziel een eigen leven willen leiden, zou zelfs de roofzucht in de dierenwereld in drie dagen tijd verdwijnen.
De terugkeer naar het Aards Paradijs ligt in jullie handen. Ik ben de Meesteres van alle zielen. Ik ken de weg, Ik leid elke welwillende ziel langsheen deze weg, en Ik heb de macht om alle hindernissen op deze weg op te ruimen. Wat Ik nu ieder van jullie vraag, is de totale toewijding van jullie zelf en van jullie vrije wil aan Mij, opdat het parfum uit de Hemelse rozen op Mijn voeten de satan moge verlammen, en Ik hem door de macht van de zuivere Liefde totaal aan Mij en aan Mijn kroost moge onderwerpen.
Zielen van Mijn Hart, Ik herinner jullie eraan, dat elke bedevaart veel aan waarde verliest wanneer zij niet gepaard gaat met een tocht naar de grot van jullie ziel. Jullie kunnen Mij ontmoeten in een bedevaartsoord, maar de ware ontmoeting met Mij, met Mijn omvormende en diep genezende macht, voltrekt zich louter en alleen in de kern van jullie ziel. Zolang Ik daar niet de Mij door God toebedeelde rol als ware Koningin en Meesteres mag uitoefenen door de totale toewijding van jullie zelf en jullie vrije wil aan Mij, kan Ik voor jullie weinig doen dat blijvend zaad voor het Eeuwig Leven in jullie kan achterlaten, want slechts door Mijn heerschappij in jullie zielegrot kan Ik de kiem der heiligheid in jullie tot bloei brengen. Daartoe ben Ik geroepen, en daartoe heeft Jezus jullie aan Mij gegeven.