For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
01-05-2009
AANROEPING TOT MARIA OM REINHEID.
Lieve Moeder Maria, glorievolle Lelie van Hemelse reinheid,
Aan Uw voeten wil ik bloeien als de engelachtige vrucht van het zaad van Uw zuiverheid.
Heilig mijn geest, opdat al mijn gedachten en mijn verbeelding zuiver en rein mogen zijn, en de Hemelse Wijsheid in mij moge wonen.
Heilig mijn hart, opdat al mijn gevoelens zuiver en rein mogen zijn, en de vurigste Hemelse Liefde in mij moge wonen.
Heilig mijn mond, opdat al mijn woorden zuiver en rein mogen zijn en een Hemelse balsem op wonden mogen spreiden.
Heilig mijn handen, opdat al mijn handelingen zuiver en rein mogen zijn, en ik Gods kracht in mij moge dragen.
Heilig mijn ziel, opdat zij een welriekende bloem moge zijn tot Uw welbehagen en tot vergroting van Uw Heerlijkheid. AMEN.
GEBED OM DE OPENBARINGEN VAN DE HEILIGE GEEST.
Kom, Heilige Geest, neem de sluier weg die mij verblindt.
Onthul aan mijn hart wat zich aan mijn ogen onttrekt.
Openbaar aan het licht van mijn geloof wat mijn verstand niet kan begrijpen.
Laat mij ontwaken voor de liefde die duisternis en angst voor mij verborgen houden.
Zuiver in mij alles wat mijn oordeel vertroebelt.
Maak de bodem van mijn ziel vruchtbaar voor het zaad van de Goddelijke Wijsheid, opdat de Waarheid in mij moge rijpen.
Open de ogen van mijn ziel, opdat ik moge herkennen wat vals is.
Laat mijn hele wezen ontbranden in Uw voelbare Aanwezigheid, opdat ik niet langer misleid worde door de schijn van de wereldse verlokkingen, en ik bewust moge zijn van het ware Geluk dat mij tegemoetstraalt uit het Kruis van Jezus Christus.
Geef mijn hart ten huwelijk aan Uw Hemelse Bruid Maria, opdat ik zwanger moge worden van de Hemelse Deugden.
Maak mij ieder ogenblik bewust van de weg die Gods Plan voor mij op deze wereld heeft voorzien, en schenk mij de kracht om in volkomen overgave naar mijn heilige bestemming te streven.
Stort in mij het Vuur van Uw Gaven, opdat de brand van mijn ziel slechts heiligheid moge achterlaten.
Verleid mij met de gouden stralen van de Goddelijke Mysteries, opdat ik slechts vervoering moge vinden in de Zon die de meest geheime kamers van de ziel beschijnt.
Kom, Heilige Geest, overschaduw mij, opdat mijn hele wezen moge opgaan in de kracht van de Allerhoogste. AMEN.
GEBED TOT MARIA, MOEDER VAN RUST.
Lieve Moeder Maria, Paradijs van Hemelse Vrede,
Hoe hulpeloos voel ik mij, ten prooi aan stormen die mij doen wankelen.
Ik weet niet meer waarheen mijn schreden mij leiden, en ik vrees de avond alsof het nooit meer dag wordt.
Red mij, o Moeder, want slechts Uw tedere Liefde kan mij bevrijden van de koorts die mijn geest doet ijlen, mijn hart doet rillen en mijn ziel voor mij tot een vreemde maakt.
O Moeder,
Deel toch Uw rust met mij, en ik zal weer hopen op de zegen van de nieuwe dageraad.
Deel toch Uw rust met mij, en geen duistere kracht zal mij nog onzeker maken.
Deel toch Uw rust met mij, en mijn hart zal voor velen een oord van vrede zijn.
Deel toch Uw rust met mij, en het ware Licht zal opnieuw mijn geest betreden.
Deel toch Uw rust met mij, en in mijn ziel zal elke strijd luwen.
Deel toch Uw rust met mij, en ik zal geloven dat mijn levensweg door God is aangelegd.
Deel toch Uw rust met mij, en geen vrees zal nog mijn hart verlammen.
Deel toch Uw rust met mij, en geen onrust zal mij nog blind maken voor de Waarheid.
Deel toch Uw rust met mij, en het vertrouwen der heiligen zal in mij wonen.
Deel toch Uw rust met mij, en ik zal voelen dat Gods Geest mij leidt.
Deel toch Uw rust met mij, en ik zal rust en vrede vinden in Gods Liefde.
Deel toch Uw rust met mij, en ik zal mijn kruis aanvaarden als een genade voor mijn ziel.
Deel toch Uw rust met mij, en de winden des levens zullen het koren van mijn ziel niet breken.
Deel toch Uw rust met mij, en ik zal worden als een lam aan Uw voeten.
O Maria, Tuin van volmaakte rust,
Laat toch Uw zachte ogen op mij rusten, want zij zullen de onvrede in mijn gemoed bedwingen.
Laat toch Uw tedere handen op mij rusten, want geen rusteloosheid in mijn hele wezen kan Uw heilige aanraking weerstaan.
Druk toch Uw leliezuivere lippen op mijn hart, want Uw Hemelse Liefde zal alles verbranden wat mijn ziel bezwaart. AMEN.
GROET AAN MARIA, MOEDER VAN TROOST.
Ik groet U, Maria, maan in mijn nacht.
Ik groet U, Maria, ster in mijn dwaling.
Ik groet U, Maria, bloem in mijn woestijn.
Ik groet U, Maria, regenboog in mijn troosteloosheid.
Ik groet U, Maria, zon doorheen mijn wolken.
Ik groet U, Maria, kus op mijn tranen.
Ik groet U, Maria, licht in mijn duisternis.
Ik groet U, Maria, omarming in mijn droefheid.
Ik groet U, Maria, stem in mijn eenzaamheid.
Ik groet U, Maria, kracht in mijn zwakheid.
Ik groet U, Maria, hoop in mijn moedeloosheid.
Ik groet U, Maria, geneesmiddel in mijn ziekte.
Ik groet U, Maria, uitweg uit mijn wanhoop.
Ik groet U, Maria, roos boven mijn doornen.
Ik groet U, Maria, schild naast mijn afgrond.
Ik groet U, Maria, zaad in mijn onvruchtbaarheid.
Ik groet U, Maria, vuur in mijn kilte.
Ik groet U, Maria, adem in mijn beklemming.
Ik groet U, Maria, harteklop voor mijn stervend gemoed.
Ik groet U, Maria, sleutel van mijn gesloten hart.
Ik groet U, o mijn Moeder, wees mijn Hemelse Bloem van troost en vreugde in dit uur van nood.
Wil mij nu in Uw armen sluiten, opdat ik de heilige tederheid moge ervaren die de kleine Jezus in deze kille wereld heeft verwelkomd. AMEN.
30-04-2009
AT THE CROSS.
Video Presentation of At The Cross of Hillsong by Tes Hilapo
LAAT HET FEEST ZIJN IN DE HUIZEN.
Laat het feest zijn in de huizen - Opwekking 553
LEEUW VAN JUDA
leeuw van Juda, lam van God
Obama getest op varkensgriep na 'verdachte' handdruk
Barack Obama heeft zich laten testen op varkensgriep nadat hij op 16 april in Mexico een 'verdachte' hand geschud had. Het resultaat was negatief, dus Amerika hoeft zich geen zorgen te maken.
De feiten klinken wel verdacht in de oren: een dag na zijn presidentiële ontmoeting overleed de 65-jarige archeoloog Felipe Solis immers aan 'varkensgriepachtige' verschijnselen. Het virus was op dat moment al vier dagen uitgebroken, maar specifieke tests op de ziekte gebeurden er toen nog niet. Gisteren verklaarde Obama nog dat de varkensgriep geen reden was voor paniek. (svm)
28/04/09 15u45
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG.
AAN ALLEN BEDANKT VOOR DE VELE MAILEN DIE JULLIE MIJ TOESTUREN , IK BEN JULLIE DAARVOOR ZEER DANKBAAR .
NELLY.
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG.
BINNENKORT VOLGT TERUG HET VERHAAL VAN DE GESCHIEDENIS VAN HET CHRISTENDOM.
NELLY.
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG.
IK KRIJG DE LAATSTE TIJD VEEL TEGENWERKINGEN MAG IK JULLIE VRAGEN OM NOG MEER TE BIDDEN WANT HET IS BROODNODIG , IK BEN JULLIE DAARVOOR ZEER DANKBAAR BID VOORAL VOOR DE ZIELEN IN HET VAGEVUUR EN VOOR DE ZONDAARS.
ALLEN GODS ZEGEN TOEGEWENST.
NELLY.
DE CHRISTUSREIS NAAR DE EEUWIGHEID. ( DEEL 3 ).
heuvel Moeilijkheid.
Zo zag ik hen allen voortgaan, tot zij aan de voet van de heuvel MOEILIJKHEID kwamen, waar een fontein was. Hier lagen, naast de weg, die recht van de poort afging, nog twee andere wegen; de ene ging ter rechter-, de andere ter linkerzijde onder langs de heuvel; maar de nauwe weg, die ook de rechte was, leidde recht de heuvel op. De opgang heette BEZWAARLIJK. CHRISTEN ging eerst tot de fontein, om zich daar een weinig te verfrissen (Ps.23:3,4), toen trad hij de heuvel op en begon te zingen:
Heuvel, die zo hoog
En vol zwarigheden,
Mij nu komt in 't oog,
"k Meen u met mijn voet,
In een mannenmoed,
Vrolijk op te treden.
Moeite let mij niet,
Wijl mij 't pad ten leven,
Hier zo duid'lijk ziet.
Wakker nu, mijn hart!
Laat noch moeit' noch smart
U ooit flauwte geven.
Beter moeilijkheid,
Op de rechte wegen,
Dan in vrolijkheid,
Lustig voort te treên,
Naar de eeuw'ge weên,
Gans ontbloot van zegen.
(Wijze Ps.81).
De andere twee kwamen ook aan de voet van de heuvel; maar toen zij zagen, dat de heuvel steil en hoog was en er nog twee andere wegen lagen, waar men ook op gaan kon, en zich inbeeldden, dat deze twee wegen wel tot elkaar lopen en aan de andere zijde van de heuvel weer op de weg, waarop CHRISTEN ging, uitkomen zouden, besloten zij zich op deze wegen te begeven. De ene weg heette GEVAAR, de andere VERNIELING; de een sloeg de weg in, die GEVAAR heette en hem tot in een groot woud leidde. De ander nam zijn koers recht toe, recht aan, op de weg VERNIELING, die hem in een zeer wijd veld bracht, vol schemerende bergen; waar hij struikelde en zo viel, dat hij nimmer weer opstond.
Toen keek ik CHRISTEN na, om te zien hoe het hem ging op de heuvel, en bemerkte, dat hij eerst gemakkelijk liep, daarna steeds moeilijker en tenslotte zelfs kroop, klauterend op handen en voeten, vanwege de steilte van de plaats. Ongeveer halverwege tussen de voet en de top van de heuvel stond een vermakelijk Prieel, dat de Heere van de heuvel daar had laten neerzetten tot verkwikking van vermoeide reizigers.
Hier ging CHRISTEN in en zette zich, om wat te rusten; hij nam zijn rol van onder zijn mantel uit en begon tot zijn vertroosting daarin te lezen; ook bezag hij opnieuw zijn rok en zijn kleren, waarmee hij bekleed was, toen hij bij het kruis stond, en vermaakte zich zo enige tijd. Eindelijk viel hij in een sluimering en daarna in een vaste slaap, wat hem op die plaats deed blijven, tot het bijna nacht was; en in zijn slaap viel hem de rol uit de hand.
Zo slapende, werd hij aangestoten en gewekt door iemand, die hem toeriep: "Ga tot de mieren, gij luiaard, zie haar wegen en word wijs (Spr.6:6). Bij het horen van deze woorden, schoot CHRISTEN zeer schielijk overeind, en bespoedigde zijn weg, voortgaande, tot hij op de top van de heuvel kwam.
Toen hij op de top stond, zag hij, dat twee mannen op hem kwamen aanlopen. De een was VREESACHTIGE en de ander MISTROUWEN. CHRISTEN zei: "Wel, mijne heren, om welke reden wandelt u zo verkeerd?"
VREESACHTIGE antwoordde, dat zij op reis geweest waren naar de stad SION en dat zij die moeilijke plaats daartoe waren opgeklommen. "Maar," zei hij, "hoe verder wij kwamen, hoe meer gevaar wij ontmoetten,en daarom keren wij terug." "Ja, dat is waar," zei MISTROUWEN, "want recht voor ons liggen een paar leeuwen; of zij sliepen, of dat zij wakker waren, weten wij niet; maar wij kunnen niet anders denken, of zij zouden ons, als wij onder hun bereik gekomen waren, terstond aan stukken hebben gescheurd."
Toen zei CHRISTEN: "U maakt mij bang; maar waar zal ik heen vluchten om veilig te zijn? Als ik terugga naar mijn eigen plaats, die is bereid voor vuur en sulfer; daar kom ik zeker om; indien ik in de Hemelse Stad kan komen, dan weet ik zeker, dat ik veilig zal zijn. Ik moet het wagen; teruggaan is toch niets dan de dood; vooruit, daar is wel de vrees voor de dood, maar daar is ook het eeuwigdurend leven, ik vervolg dus mijn weg." Zo deed hij ook, en MISTROUWEN en VREESACHTIGE liepen de heuvel weer af. Zijn weg verder bewandelende, begon CHRISTEN evenwel te denken aan wat deze twee hem gezegd hadden, en hij tastte onder zijn mantel naar zijn rol, om daarin te lezen, tot zijn vertroosting, maar hij vond haar niet.
Dit maakte CHRISTEN zeer verlegen; hij wist niet, wat te doen; want hij miste nu wat hij steeds gebruikt had om zich te verkwikken, en wat hem tot een pas gediend zou hebben aan de Stad des Hemels. Aldus geheel ontroerd en verlegen en onzeker, hoe hij het zou maken, herinnerde hij zich ten laatste, dat hij in het Prieel geslapen had. En neervallende op zijn knieën, bad hij God, dat Hij hem deze dwaze daad vergeven wilde, en keerde terug, om naar de rol te zoeken.
Maar wie kan naar waarheid de droefheid uitdrukken, die CHRISTEN in zijn hart had, de hele weg, terwijl hij naar zijn rol liep te zoeken? Soms zuchtte hij, soms weende hij en dikwijls verfoeide hij zichzelf om zijn dwaasheid, dat hij was gaan slapen op een plaats, die alleen bestemd was, om hem wat te verfrissen in zijn vermoeidheid. Dus ging hij zeer zorgvuldig zoekend de hele weg langs, dan aan de ene, en dan aan de andere zijde ziende, of hij misschien de rol mocht terugvinden, waardoor hij zo vaak op zijn reis getroost was. Eindelijk kreeg hij het Prieel weer in het gezicht, waar hij in slaap was gevallen; maar dat vernieuwde zijn droefheid, door hem zijn misdaad, zijn slapen, indachtig te maken; dus begon hij zijn zonde zeer te bewenen. "O," riep hij, "ellendig mens, die ik ben! Dat ik zo sliep terwijl het dag was. Dat ik zo sliep te midden van zoveel zwarigheden; dat ik zo het vlees heb gekoesterd, de rust, die de Heere van de heuvel alleen beschikt heeft tot verkwikking van de geest van de pelgrims, misbruikende tot het gemak van het vlees! Hoe vele stappen heb ik tevergeefs gedaan (juist gelijk het de Israëlieten ging, die om hun zonden terug gezonden werden naar de Rode Zee); nu moet ik deze weg weer met droefheid treden, waarop ik met vermaak had kunnen wandelen. Hoe ver zou ik nu al gevorderd zijn, indien ik niet in die zondige slaap gevallen was! Nu moet ik driemaal de weg gaan, die ik anders maar eens had hoeven te lopen; ja, het schijnt mij toe, dat ik nog door de nacht overvallen zal worden; want de dag is bijna ten einde. Ach, had ik toch niet geslapen!"
Zo klagend kwam hij weer bij het Prieel, waar hij een ogenblik ging zitten wenen. Maar zie, terwijl hij met droefheid van zijn zitplaats naar beneden zag, daar ontdekte hij eindelijk, alsof de Voorzienigheid dit zo wilde, de verloren rol, die hij bevende en zeer snel opnam en in zijn mantel stak. Wie kan zeggen hoe vrolijk en blij de man was toen hij zijn rol weervond! Want deze rol was de verzekering van zijn leven en zijn aanbeveling aan de begeerde haven. Daarom stak hij ze in zijn mantel met een dankzegging aan God, die zijn ogen gericht had op de plaats, waar zij lag, en begaf zich weer met blijdschap en tranen tot de voorgenomen reis.
Maar o hoe vlug liep hij nu het overige van de heuvel op. En toch, eer hij deze over was, zie, daar ging de zon over CHRISTEN onder en kwam hem zijn ijdele slaap weer in gedachten, zodat hij die aldus betreurde: "Ach, zondige slaap, hoe schijn ik nu, om uwentwil, door de nacht overvallen te worden op mijn reis! Ik moet nu wandelen zonder zonneschijn, de duisternis bedekt mijn voetpad en ik moet het geluid van de nare schepselen horen vanwege mijn zondige slaap." Nu herinnerde hij zich ook het verhaal van MISTROUWEN en VREESACHTIGE, hoe zij ontsteld waren door het zien van de leeuwen.
Daarom zei hij bij zichzelf: "Deze beesten lopen in de nacht om roof en als zij mij hier in het duister ontmoeten, hoe zal ik ontkomen zonder door hen in stukken gescheurd te worden?" Aldus vervolgde hij zijn weg.
Het paleis Sierlijk.
Maar terwijl hij zo zijn ongelukkige misstap beweende, hief hij zijn ogen op; en zie, daar stond een statig paleis SIERLIJK geheten, recht voor hem, juist aan de kant van de goede weg.
Ik merkte ook, dat hij met spoed voortging, in de hoop daar mogelijk nog een nachtverblijf te vinden; maar toen hij nog niet ver gevorderd was, kwam hij op een zeer nauwe doorgang, omtrent tweehonderd passen aan deze kant van de portierswoning, en zag, toen hij nauwkeurig voor zich uit keek, twee leeuwen op de weg.
Nu zie ik, dacht hij, de gevaren, die MISTROUWEN en VREESACHTIG teruggedreven hebben. De leeuwen nu waren geketend, maar dat zag hij niet. Zeer bevreesd geworden, begon hij te denken, of hij niet teruggaan en hen volgen wilde; want hij zag niets anders tegemoet dan de dood. Maar de Portier, die WAAKZAAM heette, bemerkte vanuit zijn huisje, dat CHRISTEN stilstond en van wil scheen om terug te keren, en riep hem toe: "Is uw kracht zo klein? Vrees deze leeuwen niet, want zij zijn geketend en liggen hier alleen, om het geloof, waar het is, te beproeven en om hen, die het niet hebben, te ontdekken. Blijf midden op de weg en geen kwaad zal u bejegenen."
Toen zag ik, dat hij al bevende voortging, uit vrees voor de leeuwen, maar ook goed acht gaf op het onderricht van de Portier; hij hoorde hen ook wel brullen, maar zij deden hem geen kwaad. Daarom klapte hij in de handen en liep juichende voort, tot hij bij de Portier kwam, die in de poort stond en tot wie hij zei: "Mijnheer, wat is dit voor een huis? Zou ik hier deze nacht niet kunnen logeren?"
De Portier antwoordde: "Dit huis is hier gebouwd door de Heere van de heuvel, die het stichtte tot gerief en bescherming van de reizigers." De Portier vroeg ook meteen, vanwaar hij kwam en waar hij heen reisde. Daarop antwoordde CHRISTEN: "Ik kom van de stad VERDERF en ga naar de berg SION; maar omdat de zon onder gegaan is, wens ik, als het kan, deze nacht wel hier te vertoeven."
"Hoe is uw naam?" vroeg de Portier en CHRISTEN antwoordde: "Mijn naam is nu CHRISTEN, maar voorheen heette ik GENADELOOS. Ik ben uit het geslacht van Jafeth, die God in de tenten van Sem zal doen wonen" (Gen.9:27).
"Maar hoe komt u zo laat? De zon is al ondergegaan," vroeg de Portier.
CHRISTEN antwoordde: "Ik zou hier wel vroeger geweest zijn, maar ik, ellendig mens, sliep in het Priëel, dat aan de kant van de heuvel staat; ja, ik zou toch nog veel vroeger hier geweest zijn, maar in mijn slaap verloor ik mijn bewijzen en kwam zonder die aan de top van de heuvel; toen voelde ik er naar, maar vond ze niet; dus was ik gedwongen bedroefd terug te gaan naar de plaats waar ik had geslapen en waar ik ze ook vond; en nu ben ik hier gekomen."
"Wel," zei de Portier, "ik zal één van de Maagden van deze plaats roepen en wanneer uw redenen haar voldoen, zal zij u leiden tot de andere leden van ons gezin, volgens de regels van dit huis."
De Portier WAAKZAAM trok daarop aan de bel. Op dit geluid kwam er een zedige en zeer bevallige jonge vrouw, BESCHEIDENHEID genoemd, aan de deur en vroeg, waarom men belde; waarop de Portier antwoordde, dat er een man was, van de stad VERDERF naar de berg SION reizende, die vermoeid en door de avond overvallen, vroeg, of hij die nacht wel hier kon logeren.
"En ik," vervolgde hij, "zei dat ik u zou roepen: gelieve nu zelf met hem te spreken en daarna te handelen, zoals het u goeddunkt, volgens de regels van het huis."
Zij vroeg hem nu, vanwaar hij kwam en waar hij heen wilde; alsmede hoe hij op deze weg gekomen en wat hem al op zijn reis overkomen was, waarop hij telkens antwoordde en vertelde hoe de zaken stonden. Eindelijk vroeg zij hem nog welke naam hij droeg. Hij zei, dat hij CHRISTEN heette en te meer begerig was, aldaar te vernachten, omdat hij uit alles bemerkte, dat deze plaats gebouwd was door de Heere van de heuvel tot troost en bescherming van de reizigers.
Daarop glimlachte zij, maar tranen stonden in haar ogen; en nadat zij een ogenblik hadden gezwegen, zei ze: "Ik zal nog twee of drie leden van ons gezin roepen." Toen rinkelde zij aan de deur en riep VOORZICHTIGHEID, GODVRUCHTIGHEID en LIEFDE. Dezen, nadat zij nog een ogenblik met hem gesproken hadden, namen hem in huis. Spoedig kwamen vele leden van het gezin hem al aan de dorpel verwelkomen, zeggende: "Kom in, gij gezegende des Heeren! Dit huis is gebouwd door de Heere van de heuvel, opdat zulke reizigers daar onthaald zouden worden." Toen boog hij het hoofd en volgde hen in het huis. Nadat hij was binnengetreden, zat hij neer; zij gaven hem iets te drinken en vonden te zamen goed, dat sommigen van hen, terwijl het avondmaal gereed gemaakt werd, een afzonderlijk gesprek met CHRISTEN zouden hebben, om alzo de tijd op de beste wijze te besteden. GODVRUCHTIGHEID, VOORZICHTIGHEID en LIEFDE werden daartoe verkozen, die aldus begonnen:
GODVRUCHTIGHEID. "Kom, beste CHRISTEN! Aangezien wij u zoveel liefde betonen en u deze nacht in ons huis ontvangen, laat ons, opdat wij mogelijk elkaar stichten en verbeteren zouden, wat te zamen spreken over de dingen die u op uw pelgrimsreis zijn overkomen."
CHRISTEN. "Wel, dat wil ik zeer graag doen en ik ben blij, dat ik u zo genegen vind."
GODVRUCHTIGHEID. "Wat bewoog u toch in het begin, om u tot zulk een pelgrimsleven te begeven?"
CHRISTEN. "Ik ben uit het land van mijn geboorte gedreven, door een vreselijk geluid, dat in mijn oren kwam, te weten door de tijding, dat een onvermijdelijk verderf mij zou treffen, als ik bleef in de plaats, waar ik mij toen bevond."
GODVRUCHTIGHEID. "Hoe kwam het, dat u, uit uw land trekkende, juist op de smalle weg kwam?"
CHRISTEN. "Het schijnt, dat God het zo wilde. Want toen ik vrezend, te zullen omkomen, van huis ging, wist ik niet waarheen; maar bij toeval kwam daar juist, terwijl ik bevende en wenende alleen stond, een man bij mij, wiens naam was EVANGELIST. Hij wees mij de enge poort, die ik anders nooit gevonden zou hebben; en zo kwam ik op de weg, die recht op dit huis aanloopt."
GODVRUCHTIGHEID. "Maar kwam u ook niet aan het huis van UITLEGGER?"
CHRISTEN. "Ja, en ik zag daar dingen, die mij wel zo lang in gedachten zullen blijven als ik leef; in 't bijzonder zag ik er drie dingen, te weten, hoe Christus ondanks tegenstand van de satan Zijn werk der genade in het hart onderhoudt; hoe een mens door de zonde zichzelf werpt uit alle hoop op Gods barmhartigheid; en de droom van hem, die in zijn slaap meende, dat de dag des Oordeels gekomen was."
GODVRUCHTIGHEID. "Wel, hoorde u hem zijn droom vertellen?"
CHRISTEN. "Ja, hij was zeer vreselijk; het was, of mijn hart beefde, toen hij hem mij vertelde; toch ben ik blij dat ik hem gehoord heb."
GODVRUCHTIGHEID. "Was dit alles, wat u in het huis van UITLEGGER zag?"
CHRISTEN. "Neen; hij nam mij bij de hand en toonde mij een statig Paleis en meteen hoe de lieden, die daarin woonden, allen in goud gekleed waren; en hoe er een kloekmoedig man kwam die zijn weg nam, recht door de gewapende mannen heen, die aan de deur stonden, om er hem buiten te houden en hoe hem gelast werd binnen te treden, om daar een eeuwige heerlijkheid te verkrijgen. Mij dunkt, dat deze dingen mij het hart verrukten, en ik zou aan dat huis van die goede man mij wel een jaar opgehouden hebben, had ik niet geweten, dat ik verder gaan moest."
GODDVRUCHTIGHEID. "En wat zag u nog meer op uw weg?"
CHRISTEN. "Zien! Wel ik was maar een eindeje voortgegaan, of naar het mij voorkwam, zag ik er één, die al bloedende aan een hout hing; en alleen het gezicht daarvan maakte, dat mij het pak van de rug afviel (want ik zuchtte onder een zware last en toen schoot het naar beneden en viel van mij af). Het was wat wonderlijks voor mij, want ik had iets dergelijks nooit te voren gezien. Ja, luister, terwijl ik zo stond en op Hem zag, want ik kon mijn ogen niet van Hem afhouden, zo verschenen mij drie zeer blinkende gestalten die tot mij kwamen. Eén van hen zei: uw zonden zijn u vergeven; de andere trok mij mijn oude, vuile kleren uit en gaf mij de geborduurde mantel, die u mij nog ziet dragen; en de derde drukte mij het merk in, dat u aan mijn voorhoofd ziet en gaf mij deze verzegelde rol." Dit zeggende, haalde hij die uit zijn mantel.
GODVRUCHTIGHEID. "Maar u zag nog meer dan dit, niet waar?"
CHRISTEN. "Wat ik u reeds verteld heb, is wel het beste; evenwel zag ik nog iets anders en wel drie mannen, namelijk SLECHTE, LUIAARD en VERMETELE, die aan de kant van de weg lagen. En toen ik bij hen kwam, vond ik hen neerliggen in de slaap met ijzeren boeien aan hun benen; maar meent u, dat ik hen wakker kon maken? O neen! Ik zag daarna ook FORMALIST en HYPOCRIET over de muur klimmen, met hun beiden, om, gelijk zij voorgaven - naar SION te gaan; maar zij waren spoedig verdwaald, gelijk ik hun ook voorspeld had; maar zij wilden mij niet geloven. Bovenal vond ik het een zwaar werk voor mij, deze heuvel te beklimmen; en even moeilijk, om aan de leeuwenmuilen te ontkomen. Werkelijk, had die goede man, de portier, die aan de deur staat, niet geroepen, ik weet niet, of ik niet nog op het laatst zou zijn teruggekeerd; doch ik dank God, dat ik zo ver en tot hiertoe gekomen ben; en ik dank u, dat u mij zo ontvangen hebt."
Hierna verzocht VOORZICHTIGHEID of hij enkele door haar te stellen vragen wilde beantwoorden.
Zij begon met de vraag: "Denkt u van tijd tot tijd nog weleens aan het land dat u verlaten hebt?"
CHRISTEN: "Ja, maar met grote schaamte en afkeer. Indien ik verlangd had naar het land, dat ik verlaten heb, dan had ik gelegenheid gehad om terug te gaan. Maar ik begeer een beter vaderland, namelijk de hemel."
VOORZICHTIGHEID. "Hangen u nog dingen aan, die u toentertijd beheersten?"
CHRISTEN. "Och ja, maar grotelijks tegen mijn wil. In het bijzonder zijn dat inwendige en vleselijke bewegingen, waarmee ik, evenals al mijn landgenoten, zeer veel op had. Maar nu zijn mij al deze dingen tot droefheid. En als ik het voor het kiezen had, ik zou begeren, nooit meer aan deze dingen te denken; maar als ik het goede wil doen, gevoel ik, dat het kwade mij bijligt."(Rom.7:21).
VOORZICHTIGHEID. "Vindt u niet bij tijden, dat de dingen reeds overwonnen schijnen te zijn, die u op andere tijden weer veel droefheid en verwarring veroorzaken?"
CHRISTEN. "Ja, doch dat is maar zelden. Maar als dat gebeurt, zijn het gouden uren voor mij.
VOORZICHTIGHEID. "Weet u ook, door welke middelen het kwam, dat het u bij tijden toescheen alsof zij overwonnen waren?"
CHRISTEN. "Hierdoor voornamelijk, wanneer ik denk aan wat ik eens aan het kruis zag, als ik mijn oog laat gaan over mijn geborduurde mantel, wanneer ik zie in de rol, die ik op mijn hart draag, en wanneer de overdenkingen van de plaats, waar ik heenga, mijn hart gevoelig aandoen. Zie, dit alles zal het doen."
VOORZICHTIGHEID. "Maar wat maakt u toch zo begerig naar de berg SION?"
CHRISTEN. "Vraagt u dat? Daar hoop ik Hem levend te zien, die eens dood aan het kruis hing, daar hoop ik ontlast te worden van alle dingen, die mij tot op deze dag zo veel schade toebrengen; daar, zegt men, is geen dood meer en daar zal ik wonen bij het gezelschap, waarin ik het meeste behagen heb. Want om u de waarheid te zeggen, ik heb Hem lief, omdat mijn last door Hem verlicht is; ik ben moe van mijn inwendige ziekte; ik wil zo graag daar wezen, waar ik niet meer zal sterven en bij het gezelschap, dat voortdurend zal roepen: Heilig! Heilig! Heilig!"
Toen sprak LIEFDE met hem en vroeg, of hij ook een gezin had. "Bent u getrouwd?" vroeg zij.
Hij antwoordde: "Ja, ik heb een vrouw en vier kleine kinderen"; waarop LIEFDE vroeg: "En waarom bracht u ze niet mee?"
CHRISTEN begon te wenen en zei: "Ach, hoe graag had ik dit gedaan; maar zij waren er alle ten uiterste afkerig van, deze pelgrimsreis te aanvaarden."
"Maar," sprak LIEFDE daarop, "u had met hen moeten spreken, om hen aan te tonen, welk gevaar in hun achterblijven gelegen was."
CHRISTEN. "Dat deed ik; ik zei hun ook, wat God mij had bekend gemaakt over de ondergang van onze stad; maar ik was als jokkende in hun ogen (Gen.19:14); zij geloofden mij niet."
LIEFDE. "Maar hebt u wel gebeden tot God, of Hij de raad, die u hun gaf, zegenen wilde?"
CHRISTEN. "Ja, en dat wel met vele bewegingen; want u moet weten, dat mijn vrouw en mijn arme kinderen mij zeer dierbaar waren."
LIEFDE. "Maar sprak u met hen niet over uw eigen droefheid en over het verderf? Want ik meen, dat u voor u zelf aan de ondergang van uw stad niet twijfelde."
CHRISTEN. "Ja, verschillende keren. Zij konden 't ook wel zien aan mijn gezicht, aan mijn tranen en aan mijn verslagenheid vawege de bevatting, die ik had van het Oordeel, dat boven ons hoofd hing; maar dit alles was niet genoeg om hen met mij te doen gaan."
LIEFDE. "Maar wat hadden zij daartegen in te brengen?"
CHRISTEN. "Mijn vrouw was bevreesd de wereld te verliezen en mijn kinderen waren aan het dwaze vermaak van de jeugd gewend. Het was hierom, het was daarom; zij lieten mij dus alleen wandelen, gelijk u ziet."
LIEFDE. "Maar verhinderde u ook door een ijdele wandel wat u door woorden op hen zocht uit te werken, om hen te bewegen met u te gaan?"
CHRISTEN. "Inderdaad, ik kan mij zelf niet prijzen met het oog op mijn leven; want ik ben mij vele gebreken bewust; ik weet ook, dat een mens door zijn omgang gemakkelijk kan omstoten, wat hij door beweegredenen en tot hun best tracht te doen hechten op anderen; nochtans kan ik zeggen, dat ik zeer op mijn hoede was, ten einde hen nooit door enige onbetamelijke daad te sterken in hun afkerigheid van mijn pelgrimsreis. Ja, het was juist hierom, zeiden zij mij, dat ik al te precies was en omdat ik mij om hunnentwil onthield van dingen, waarin zij geen kwaad zagen. En mij dunkt, ik mag zeggen: indien hun iets, van wat ze in mij zagen, tegen stond, dan was het mijn grote tederheid en mijn zorg,om niet tegen God te zondigen of mijn naaste enig leed te doen."
LIEFDE. "Inderdaad, Kaïn haatte zijn broeder, omdat zijn eigen werken boos waren en die van zijn broeder rechtvaardig (1Joh.3:12); en indien uw vrouw en kinderen u dit kwalijk namen, zo toonden zij hiermee, dat zij onverzoenlijk waren ten goede. U hebt uw ziel bevrijd van hun bloed."
Zo zaten zij samen te spreken tot het avondmaal gereed was en toen zij zich aan tafel hadden begeven, zaten zij neer om te eten. De tafel nu was voorzien van vet vol merg en van reine wijnen, die gezuiverd waren (Jes.25:6); en de gesprekken, die zij aan tafel hielden, gingen alle over de Heer van de Heuvel: over wat Hij al had gedaan, waarom Hij zo deed en waarom Hij dit huis gebouwd had. Uit wat zij zeiden kon ik merken, dat Hij een groot Krijgsman geweest was en gevochten had met hem, die het geweld des doods had (Hebr.2:14), en dat Hij hem ook had geveld, doch niet zonder groot gevaar voor zichzelf. "Daarom heb ik Hem nog te meer lief," zei CHRISTEN, "want naar ik hoor zeggen, en ik geloof het, deed Hij het met verlies van veel bloed. Maar wat de heerlijkheid der genade in dit alles brengt is, dat Hij het deed uit zuivere liefde tot de Zijnen." Naast dit, zo waren er enigen van het gezin, die zeiden bij Hem geweest te zijn en met Hem gesproken te hebben, sedert Hij aan het kruis was gestorven. En zij getuigden allen, het van Zijn lippen te hebben, dat Hij zo'n liefhebber is van arme reizigers, dat Zijns gelijke niet gevonden wordt van het oosten tot het westen. Zij gaven ook een bewijs, om te bevestigen wat zij zeiden. Hij had, zeiden ze, zich als ontdaan van al Zijn rijkdom en al Zijn heerlijkheid, opdat Hij dit werk kon voltooien voor de armen (2Cor.8:9); Hij had gezegd en betuigd, dat Hij niet alleen wilde wonen op de berg SION. Zij voegden daar nog bij, dat Hij vele pelgrims tot vorsten had gemaakt, hoewel zij als bedelaars geboren waren en hun beginsel uit stof en drek was (1Sam.2:3, Ps.113:7).
Zo spraken zij samen tot laat in de nacht; en nadat zij zich aan des Heeren hoede bevolen hadden, begaven zij zich ter ruste. De pelgrim brachten zij in een ruime opperkamer, waarvan het venster tegen de opgang van de zon was. De naam van deze kamer was VREDE. Hier sliep hij tot de dag aanbrak en, ontwa kende, zong hij:
Ach! waartoe ben ik nu verheven?
Wil dan de zoete Jezus geven,
Zijn liefde en al Zijn zorg aan hem,
Die zich naar 't nieuw Jeruzalem
Als pelgrim heeft op reis begeven?
'k Voel nu, ik weet niet wat gewemel,
Mijn manna maakt al 't aards tot zemel,
Mijn ziel, ontlast van al haar schuld,
Is met een stille vreê vervuld.
'k Woon aan de deure van de Hemel.(Wijze Ps.96)
Toen zij allen opgestaan waren, zeiden zij tot hem, nadat ze eerst nog een poosje met elkaar gesproken hadden, dat zij hem niet zouden laten gaan, voor- dat ze hem de bijzonderheden van die plaats getoond zouden hebben. Eerst brachten zij hem nu in hun studeerkamer; waar zij hem registers lieten zien van de grootste oudheden; in welke, als ik mijn droom goed onthouden heb, zij hem vooraf toonden het geslacht van de Heere van de Heuvel, om hem te doen zien, dat Hij was de Zoon van de Oude van Dagen en dat door een eeuwige generatie. Hier waren ook uitgebreid geregistreerd de daden, die Hij gedaan had en de namen van vele honderden, die Hij in zijn dienst had opgenomen en nu door Hem geplaatst waren in een woonplaats, die noch door lengte van dagen, noch door veroudering van de natuur verbroken kon worden.
Hierop lazen zij hem enige van de gedenkwaardige daden voor, die sommige van Zijn dienaren gedaan hadden: hoe zij koninkrijken hadden overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloften verkregen, de leeuwenmuilen toegestopt, de kracht van het vuur uitgeblust; hoe zij de scherpte van het zwaard waren ont- vloden, uit zwakheid krachten gekregen hadden, in de strijd sterk geworden waren en gehele legers van vreemden op de vlucht gedreven hadden.(Hebr.11:33- 34).
Daarna lazen zij weer uit een ander gedeelte van het register van het huis, waaruit bleek, hoe gewillig hun Heere was, om een ieder in gunst te ontvangen, ofschoon zij in voorgaande tijden zowel Zijn persoon als Zijn belangen grotelijks tegengestaan hadden. Daar waren nog verscheidene andere geschiedenissen van zeer beroemde zaken, die CHRISTEN alle inzag, gelijk ook verscheidene oude en nieuwe dingen. Ook profetieën en bedreigingen van zaken, die hun zekere vervulling hebben, beide tot schrik en verbazing van de vijanden en tot troost en verkwikking van de reizigers.
De volgende dag brachten zij hem in hun magazijn, waar ze hem allerlei oorlogswapenen lieten zien, die de Heere daar voor de reizigers gereed hield; een zwaard, schild, helm, borstwapenen en schoenen die niet verouderen en gedurig gebed. En er was zo'n overvloed van dit alles, dat men er wel zoveel man ten dienste van de Heere uit bewapend zou kunnen hebben, als er sterren zijn aan de hemel.
Zij wezen hem ook enige instrumenten, waarmee sommigen van Zijn knechten wonderlijke dingen verricht hadden. Zij toonden hem Mozes' staf, de hamer en de nagel waarmee Jaël Sisera sloeg, de bazuinen en de fakkels waardoor Gideon het leger van de Midianieten op de vlucht dreef. Zij toonden hem ook Samgars ossenstok, maarmee hij zeshonderd man sloeg, alsmede het kakebeen, waarmee Simson vele vijanden versloeg. Bovendien lieten zij hem ook Davids slinger zien en de steen, waarmee hij de reus Goliath velde; ook het zwaard, waarmee hun Heere de mens der zonde eens doden zal op de dag, die Hij zal verwekken tot de roof.
Behalve dit alles lieten zij hem nog meer uitmuntende dingen zien, alle tot groot genoegen van CHRISTEN. En toen dit gedaan was, begaven zij zich weer ter ruste.
Toen zag ik ook nog, dat hij in de morgen opstond, om voort te reizen, maar zij verzochten hem, tot de volgende dag te blijven. "Dan," zeiden zij, "zullen wij u, als het maar helder weer is, eens wijzen waar de LIEFELIJKE BERGEN liggen, die nog veel tot uw vertroosting zullen toedoen, omdat zij nog veel nader zijn aan de haven van uw begeerte dan deze plaats." Daar stemde hij in toe, en zo vertoefde hij nog een dag. Als nu de morgenstond gekomen was, gingen zij met hem op het dak van het huis en bevalen hem, zuidwaarts te zien. Zo deed hij en zie, hij zag ver van zich af een zeer bergachtige plaats (Jes.33:17), met sierlijke bossen, wijngaarden en vruchten van allerlei soort, met bloemen, beken en fonteinen, alle zeer schoon om te zien. CHRISTEN zei: "Hoe heet dat land toch?" Zij antwoordden: "Het wordt IMMANUELS LAND genoemd en is toegankelijk voor alle reizigers of pelgrims, evenals deze heuvel. Wanneer u daar komt, zult u de poort van de Hemelse Stad kunnen zien, gelijk de Herders die daar legeren, u wel wijzen zullen."
Nu ging hij bij hen te rade of hij voort zou reizen, en zij waren het er mee eens, maar zeiden: "Laten wij eerst in het magazijn en wapenhuis gaan." Zo geschiedde het dan ook. Daar werd hij door hen van het hoofd tot de voeten geharnast met wapens, die alle beproefd waren, voor het geval hem mogelijk enige aanval op de weg te wachten stond.
Zo toegerust, ging hij met deze goede vriendinnen naar buiten, naar de poort en vroeg de Portier of hij geen pelgrim voorbij had zien gaan, welke bevestigend antwoordde.
"Ik bid u," zei CHRISTEN, "kende u hem?"
"Ik vroeg naar zijn naam," zei de portier; "hij heette GETROUWE."
"O," riep CHRISTEN, "dat is mijn stadgenoot, mijn naaste buurman; hij komt van de plaats, waar ik geboren ben. Hoe ver denkt u, dat hij nu al vooruit is?"
De portier antwoordde: "Hij is nu ongeveer beneden aan de heuvel."
"Wel, mijn goede vriend!" zei CHRISTEN, "de Heere zij met u en vermenigvuldige uw zegen voor al de goedheid, die u mij bewezen hebt."
En zo ging CHRISTEN heen. Maar BESCHEIDENHEID, GODVRUCHTIGHEID, LIEFDE en VOORZICHTIGHEID wilden hem vergezellen tot aan de voet van de heuvel, wat zij ook deden. Dus gingen zij tezamen en hervatten hun vorig gesprek, tot zij beneden aan de heuvel kwamen.
CHRISTEN zei: "Evenals het moeilijk was, de heuvel op te klimmen, zo is het naar mijn idee ook moeilijk en gevaarlijk hem af te gaan."
"Ja," voegde VOORZICHTIGHEID daar aan toe, "dat is wel waar; het is een harde zaak voor een mens, af te dalen in de vallei VEROOTMOEDIGING, waarin u nu komt, zonder onderweg te struikelen. Daarom hebben wij u ook tot hiertoe gezelschap gehouden." Dus trad hij zeer omzichtig naar beneden; evenwel glipte hij nog een keer of twee ter zijde weg.
Ik zag ook in mijn droom, dat dit zoete gezelschap hem, toen hij onder aan de heuvel gekomen was, een brood, een fles wijn en een tros rozijnen gaf; en zo ging hij zijns weegs.
De vallei Verootmoediging.
Maar CHRISTEN, die nu in de vallei VEROOTMOEDIGING was, had het daar zeer zwaar. Hij was er nog maar een korte tijd, toen hij een grote zielevijand op zich zag afkomen, die recht door het veld op hem aantrok. Zijn naam was APOLLYON. CHRISTEN werd hierdoor zeer beangst en dacht na, wat hem nu te doen stond; terug te gaan, of stand te houden. Maar hij bedacht, dat hij geen wapentuig had om zijn rug te beschermen en hij begreep, dat hij door te vluchten, zijn vijand een groot voordeel zou geven en de kans, om hem zeer gemakkelijk met zijn vurige pijlen te verwonden; dus besloot hij stand te houden en hem zo op te wachten; want al had ik niet meer op het oog, dacht hij, dan alleen mijn leven te behouden, dan zou het nog het beste wezen, niet te vluchten.
Derhalve ging hij voort en kwam bij APOLLYON. Het was een monster, zeer vervaarlijk om te zien en bekleed met schubben, zoals een vis; en - dat is zijn trots - hij had vleugels als een draak en voeten als een beer. Uit zijn buik kwamen vuur en rook en zijn mond was als de muil van een leeuw. Hij zag CHRISTEN aan met een vreselijk en schrikwekkend gezicht en sprak hem aldus aan:
"Waar komt u vandaan en waar gaat u naar toe?"
CHRISTEN. "Ik kom van de stad VERDERF, de plaats van alle onheil en ga naar de stad SION."
APOLLYON. "Daaruit bemerk ik, dat u een van mijn eigen onderdanen bent, want dat hele land is van mij; ik ben er de Vorst en God van. Hoe komt u er toe, van uw eigen Koning weg te lopen? Indien ik geen dienst meer van u verwachtte, zou ik u met één slag ter aarde nedervellen."
CHRISTEN. "Het is waar, ik ben geboren onder uw gebied en heerschappij; maar uw dienst was een harde dienst en uw soldij zeer sober, zodat het onmogelijk is, dat een mens er het leven bij houden kan, want de bezoldiging der zonde is de dood (Rom.6:23). Daarom heb ik, tot mijn jaren gekomen, zoals andere welberaden lieden, uitgezien, op wat voor manier ik mijn toestand verbeteren kon."
APOLLYON. "Er is geen Vorst, die zijn onderdanen gemakkelijk wil missen; en ik, dat kunt u wel denken, zal u ook zo gemakkelijk niet laten gaan. Maar daar u zo over mijn dienst en over mijn loon klaagt, kom, wees maar tevreden, ga met mij terug en al wat ons landschap kan opbrengen,beloof ik u te geven."
CHRISTEN. "Maar ik heb mij al aan iemand anders, te weten aan de Koning der koningen, verbonden; hoe kan ik nu op een eerlijke manier tot u terugkeren?"
APOLLYON. U hebt in dezen, zoals het spreekwoord zegt, u gekeerd van kwaad tot erger. Maar het gebeurt wel meer, ja het is iets gewoons, dat degenen, die zich voor Zijn dienaars uitgeven, Hem na een korte tijd weer de zak geven en naar mij terugkomen; doet u ook zo, en alles is in orde."
CHRISTEN. "Ik heb mij aan Hem overgegeven en Hem trouw gezworen; hoe kan ik dan weer tot u overlopen; zou ik niet als een verrader worden opgehangen?"
APOLLYON. "U hebt mij reeds van hetzelfde laken een pak gegeven; evenwel ben ik bereid, daar overheen te stappen, als u slechts terugkeert en weer bij mij komt."
CHRISTEN. "Wat ik u beloofd heb, deed ik in de tijd van mijn onwetendheid. Daarbij weet ik ook, dat mijn Overste, onder Wiens banier ik nu gekomen ben, goed genoeg is om mij te ontslaan, ja ook, mij te vergeven, alles wat ik ooit misdaan heb, door mij zelf aan u te verbinden. En boven dit alles, zo weet, o vernielende APOLLYON, dat, als ik de waarheid zal zeggen, Zijn loon en Zijn soldij, Zijn dienaren, Zijn regering, Zijn gezelschap en Zijn land, mij veel beter aanstaan dan het uwe; derhalve, laat af van mij verder te verzoeken. Ik ben Zijn knecht en wil Hem, Hem alleen volgen."
APOLLYON. "Overweeg eens terdege, als u wat bedaard bent, wat u op de weg, die u nu bent ingegaan, al wacht. U weet, dat Zijn dienaren voor het merendeel een ongelukkig einde hebben, omdat zij tegen mij overtreden en mijn wegen verlaten; hoevelen van hen zijn door een schandelijke dood omgekomen. U acht Zijn dienst beter dan de mijne. Maar, Hij is immers nog nooit gekomen uit Zijn plaats, om iemand van Zijn dienaren uit mijn handen te verlossen. Wat mij betreft, wat heb ik, zoals de hele wereld wel weet, degenen, die mij trouw dienden, dikwijls geholpen door list of door geweld; en hen verlost van degenen die hen benauwden. En zo zal ik u ook doen."
CHRISTEN. "Dat Hij soms nalaat, hen dadelijk uit te helpen, is om hun liefde te beproeven, opdat blijkt, of zij Hem willen aankleven tot het einde toe; en wat u een kwaad einde noemt, wat de Zijnen soms zouden hebben, dat achten zij het heerlijkste, dat hun kan gegeven worden. Want naar tegenwoordige verlossingen verlangen zij niet; zij zien bijzonder uit naar hun heerlijkheid en die zullen zij genieten, als hun Vorst komen zal in Zijn heerlijkheid met Zijn heilige engelen."
APOLLYON. "U bent Hem reeds ontrouw geweest in uw dienst. Hoe durft u dan u zelf nog inbeelden enig loon van Hem te zullen ontvangen?"
CHRISTEN. "Waarin ben ik o APOLLYON, Hem ontrouw geweest?"
APOLLYON. "Toen u zich pas op reis begaf, bent u bezweken, toen u bijna verstikte in de poel MISTROUWEN. U bent een verkeerde weg ingeslagen, om van uw pak verlost te worden; u had moeten wachten, tot uw Vorst het van u aflichtte. U hebt een zondige slaap geslapen en daarin uw dierbare dingen verloren. U bent bijna bewogen geweest, terug te gaan, toen u de leeuwen zag en wat spreekt u van uw reis en van wat u al gehoord en gezien hebt. U bent van binnen hunkerende naar ijdele eer, in alles wat u zegt of doet."
CHRISTEN. "Al wat u daar spreekt is waar en nog meer daarbij, wat u niet weet. Maar de Vorst, die ik eer en dien, is genadig en vaardig om te vergeven. Maar wat meer is, deze gebreken hadden mij in hun bezit, toen ik in uw land woonde; daar heb ik ze ingezogen; ik heb er ook onder gezucht, en ben er bedroefd over geweest en heb vergiffenis gekregen van mijn Vorst."
Toen werd APOLLYON zeer grimmig en brak uit in deze verwoede woorden: "Ik ben een vijand van uw Vorst, ik haat Zijn persoon, Zijn wetten en Zijn volk; ik ben tegen u uitgetogen met het voornemen om u te weerstaan."
"Hoed u, APOLLYON!" zei CHRISTEN, "en pas op, wat u doet, want ik ben op 's Konings weg, de weg van heiligheid; daarom wacht u!"
Toen zette APOLLYON zich dwars over de hele weg, zo breed als die was, en zei: "Ik heb alle vrees terzijde gesteld, bereid u ter dood. Want ik zweer u bij mijn eeuwige afgrond, dat u niet verder komen zult; hier wil ik u uw ziel ontroven." En terwijl hij dit sprak, kwam er een vurige pijl recht op CHRISTENS borst aansnorren; maar deze had een schild in zijn hand, waarmee hij de pijl stuitte, en zo het gevaar voorkwam. CHRISTEN zette er zich ook toe; want hij zag, dat het zijn tijd was om uit de ogen te zien. APOLLYON schoot intussen zijn pijlen op CHRISTEN, bij wie ze weldra zo dicht om het hoofd vlogen als hagel; waardoor CHRISTEN, niettegenstaande al zijn tegenweer, eindelijk nog in zijn hoofd, hart en voet gewond werd, wat hem iets achteruit deed deinzen.
APOLLYON zette derhalve zijn aanvallen voort; maar CHRISTEN greep nieuwe moed en zette zich tegenover hem in een houding, zo mannelijk als hij kon. Deze verschrikkelijke strijd duurde meer dan een halve dag, zodat CHRISTEN bijna afgemat was. Want u moet weten, dat CHRISTEN tengevolge van zijn wonden wel zwakker en zwakker moèst worden.
Toen APOLLYON er de kans toe zag, kwam hij CHRISTEN hoe langer hoe nader, vatte hem aan om met hem te worstelen en deed hem vreselijk vallen; waardoor het zwaard CHRISTEN uit de hand schoot. Dit gewaar wordende, zei APOLLYON: "Nu heb ik u al in mijn macht," en het scheelde niet veel, of hij had hem dood gedrukt; zodat CHRISTEN de hoop om het leven te behouden al begon op te geven.
Maar terwijl APOLLYON zijn laatste kracht in het werk meende te stellen, om een einde aan het leven van deze goede man te maken, greep CHRISTEN, alsof God het zo wilde, zeer vaardig naar zijn zwaard en kreeg het nog net te pakken ook. Vol vreugde riep hij nu: "Verblijd u niet, o mijn vijand, want ofschoon ik gevallen ben, ik zal weder opstaan."(Micha 7:8) en bracht hem een dodelijke wonde toe, die hem terugdreef, als een, die dodelijk gewond is.
Toen CHRISTEN dit bemerkte, riep hij uit: "In al deze dingen zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad." (Rom.8:37). Terstond spreidde APOLLYON zijn drakenvleugels uit en vloog heen en CHRISTEN zag hem nooit weer (Jac.4:7).
Niemand zou kunnen geloven, als hij het niet zelf gezien en gehoord had zoals ik, welk een gehuil en vervaarlijk gebrul APOLLYON maakte al de tijd, dat zij tezamen streden, want hij sprak met het geluid van een draak. En aan de andere kant, welke zuchten en kermingen CHRISTEN voortbracht uit het binnenste van zijn hart; ik zag hem ook maar geen ogenblik blij kijken voor hij merkte, dat hij APOLLYON gewond had met zijn tweesnijdend zwaard. Toen begon hij inderdaad te lachen en hief het oog naar boven. Dat was het verschrikkelijkste gevecht, dat ik in mijn leven gezien had.
Toen de strijd geëindigd was, zei CHRISTEN: "Hier wil ik Hem danken, die mij verlost heeft uit de muil van de leeuw, Hem, die mij geholpen heeft tegen APOLLYON." En zijn stem verheffende, begon hij te zingen als volgt:
Beëlzebub, het hoofd der helse slaven
Zond uit zijn rot een boze op mij aan;
't Was of hij vloog, zo ijlings kwam hij draven,
Van mening, om mij ganselijk te verslaan.
Hij scheen een draak, voorzien aan alle zijden
Van doodlijk en verdoemlijk hels geweer,
Ik, ongewoon zo'n hard en bitter strijden,
Viel, helaas, door zijn furie plotseling neer.
Maar Michaël, aan wie 'k mij heb verbonden,
Mij een tweesnijdend zwaard in handen gaf,
Waarmeê ik hem zeer diep en doodlijk wondde.
Dies liet hij haast van mij te kwellen af.
Voor eeuwig zij Uw grote Naam geprezen,
Immanuël, mijn Overste, mijn Heer!
Die mij in deez' Uw hulpe hebt bewezen,
Maak mij voorts nuttig tot Uw dienst en eer!
(Wijze Ps.12)
Toen zag ik een hand, die CHRISTEN enige bladeren van de boom des levens toereikte, welke hij aannam en op de in de strijd opgelopen wonden legde, die nu terstond werden geheeld. Hij zette zich daar ook een ogenblik neer, om brood te eten en zich uit de fles met wijn te laven, die hij kort geleden had gekregen. Daardoor een weinig verkwikt, maakte hij zich gereed om voort te reizen, het zwaard steeds in de hand houdende; want - zo zei hij - ik weet niet ok ik nog een andere vijand zal ontmoeten. Hij kwam echter de vallei met vrede door, zonder door APOLLYON of iemand anders beledigd te worden.
WORDT VERVOLGD.
MARIA EN DE ZIELEGROT.
Openbaring van MARIA, dinsdag 28 april 2009
Maria en de zielegrot
Lieve zielen uit de Bron der Goddelijke Liefde. Zie toch eens hoe God in beelden tot jullie spreekt. Toen Ik destijds te Lourdes verscheen, deed Ik dit in een afgelegen grot, in een oord waar zelfs slangen huisden. Ik maakte Mij bekend als de Onbevlekte Ontvangenis. Ik droeg een wit kleed, een witte sluier, en een blauwe gordel. Mijn beide voeten waren bekleed met telkens een roos. In Mijn handen droeg Ik de rozenkrans.
Zielen, begrijp toch wat Ik jullie ook zonder woorden heb willen zeggen. Sedert de erfzonde is elke ziel een grot op een afgelegen plaats: een verduisterde en minder of meer verkilde holte met stenen wanden. De ziel leeft onder de onophoudelijke bekoring om zichzelf in de stenen mantel van wereldse gedachten en gevoelens te hullen, laat slechts sporadisch een straal van Gods Licht tot in de kern van haar wezen doordringen, en verliest heel gemakkelijk de warmte van de ware Liefde. Bovendien ligt de zielegrot afgelegen, van God verwijderd, teruggetrokken in het wereldse, als in een wereld die niets meer te maken heeft met het Hart van God. Regelmatig wordt zij door slangen bezocht, die zelfs in haar willen nestelen, als symbool voor de bekoringen en het feit dat de ziel tot verblijfplaats van de satan wordt.
In deze grot verscheen Ik, om aan te duiden dat een nieuw tijdperk was begonnen: het tijdperk waarin Maria Haar ware roeping zou ontplooien in de kern van de mensenziel. Ik maakte Mij bekend als de Onbevlekte Ontvangenis om aan de satan te verkondigen dat Ik elke welwillende ziel die Mij in zich zou laten heersen, zou terugvoeren naar de toestand van vóór de erfzonde, de toestand van de onbevlekte gesteldheid van de ziel die één was met het Hart van God.
Ik droeg een wit kleed om aan te tonen dat de Meesteres van de zielegrot is bekleed met de opperste zuiverheid. Mijn witte sluier toonde aan dat de geest van de volmaakt zuivere ziel omhuld is van het Goddelijk Licht en geen enkele duistere gedachte koestert. De blauwe gordel wijst erop dat de volmaakte ziel omgord is met de absoluut volmaakte Hemelse vrede. Ik heb je vroeger reeds gezegd dat hemelsblauw de kleur is van de volmaakte vrede, en dat om deze reden de Schepper de aarde heeft overkoepeld met een blauw uitspansel, als symbool voor het feit dat de aarde was bestemd om Gods Rijk te zijn.
Elk van Mijn voeten was gesierd met een roos. Onder Mijn voeten zie je een stenen plateau van de grot, om aan te duiden dat al het wereldse onderworpen is aan Mijn macht, en door de ziel tot Mijn voetbank moet worden gemaakt, opdat Ik Mijn onbeperkte heerschappij over de duisternis en al haar werken vrij zou kunnen ontplooien.
De roos is het symbool van de Liefde. Het is door de voltooide Hemelse Liefde dat Ik de ziel naar God terugbreng, en dat Ik de satan onder Mijn voet ter aarde zal neerdrukken, want zijn werken zijn de absolute tegenpool van de Liefde en Haar uitwerkingen, en slechts de Liefde heeft de macht om alle duisternis te verbannen. In de Liefde straalt Gods Licht en het Goddelijk Leven. Waar zij heerst, wordt datgene wat dood is doch voor God bruikbaar is, tot leven gewekt, en datgene wat zelf heeft gekozen voor de dood zoals de satan en zijn gevolg volkomen onwerkzaam gemaakt.
Toen Ik Mijn lieve dochter Bernadette verzocht, de aarde om te woelen, en Ik er een bron liet ontspringen, wilde Ik daarmee aanduiden dat Ik in elke ziel die bereid zou zijn om aan zichzelf te werken, een bron van Goddelijk Leven zou ontsluiten. Bernadette maakte zichzelf door deze handeling tot voorwerp van spot. Inderdaad, de ziel die de moed heeft om op Mijn uitnodiging aan zichzelf te werken, zal het onbegrip van de wereld oogsten, maar zij zal volkomen gewassen worden in het water van Goddelijk Leven dat in haar zal ontspringen, en Ik zal haar tot bron van heil en genezing maken voor velen, zoals Ik te Lourdes heb voorafgebeeld. Aan zichzelf werken, betekent: de aarde van alle wereldse invloeden terzijde schuiven om in de zielebodem de kiem der heiligheid opnieuw toegankelijk te maken voor Gods Licht, dat deze kiem tot bloei moet brengen.
De rozenkrans in Mijn handen was een oproep, niet alleen tot het bidden van de Rozenkrans, doch tot een wedergeboorte van het verlangen van de ziel om elk ogenblik van de dag en de nacht met God in contact te treden. Gebed is het bouwen van een brug tussen de ziel en haar Schepper. Het is: zich openstellen voor de bezieling met het Goddelijk Leven, en voor alle wenken waarmee de Goddelijke Voorzienigheid de ziel terugroept naar de wegen die naar de Poort van het Paradijs leiden.
Zielen, herinner jullie dat God de mensenziel heeft voorzien als de brug tussen Zijn Hart en de schepping. Gods Hart laat onophoudelijk de Goddelijke Liefde, draagster van het Goddelijk Leven, naar de hele schepping stromen. Indien deze stroming één seconde lang zou ophouden, zou de hele wereld vergaan. Vergeet nooit dat deze stroming van God naar de schepping toe, verloopt via de mensenzielen. Doordat talloze mensenzielen zo ziek zijn geworden, stroomt nog slechts een fractie van de Goddelijke Liefde vanuit de mensenzielen naar de rest van de schepping door. Dit, Mijn zielen, verklaart de ontwrichting van de schepping, die jullie in de natuur aan vele dingen kunnen merken.
Laat Ik de zielen erop wijzen dat ook de roofzucht in de dierenwereld een gevolg is van de erfzonde en de verdere door de mensenzielen bedreven zonden. Zie toch hoezeer de mens, en hij alleen, verantwoordelijk is voor de atmosfeer die in de schepping heerst. Indien alle mensenzielen de stroming van de ware Liefde in zichzelf en tussen zich en de schepping onbelemmerd zouden laten verlopen door zich van alle zonde af te wenden en zichzelf grondig te reinigen van elk spoor van wereldse invloeden die in de ziel een eigen leven willen leiden, zou zelfs de roofzucht in de dierenwereld in drie dagen tijd verdwijnen.
De terugkeer naar het Aards Paradijs ligt in jullie handen. Ik ben de Meesteres van alle zielen. Ik ken de weg, Ik leid elke welwillende ziel langsheen deze weg, en Ik heb de macht om alle hindernissen op deze weg op te ruimen. Wat Ik nu ieder van jullie vraag, is de totale toewijding van jullie zelf en van jullie vrije wil aan Mij, opdat het parfum uit de Hemelse rozen op Mijn voeten de satan moge verlammen, en Ik hem door de macht van de zuivere Liefde totaal aan Mij en aan Mijn kroost moge onderwerpen.
Zielen van Mijn Hart, Ik herinner jullie eraan, dat elke bedevaart veel aan waarde verliest wanneer zij niet gepaard gaat met een tocht naar de grot van jullie ziel. Jullie kunnen Mij ontmoeten in een bedevaartsoord, maar de ware ontmoeting met Mij, met Mijn omvormende en diep genezende macht, voltrekt zich louter en alleen in de kern van jullie ziel. Zolang Ik daar niet de Mij door God toebedeelde rol als ware Koningin en Meesteres mag uitoefenen door de totale toewijding van jullie zelf en jullie vrije wil aan Mij, kan Ik voor jullie weinig doen dat blijvend zaad voor het Eeuwig Leven in jullie kan achterlaten, want slechts door Mijn heerschappij in jullie zielegrot kan Ik de kiem der heiligheid in jullie tot bloei brengen. Daartoe ben Ik geroepen, en daartoe heeft Jezus jullie aan Mij gegeven.
29-04-2009
Eindtijd in Beeld
.
Voetstappen in het zand.
Een droom
Wederkomst Jezus
door Aissa Arroub
DE CHRISTUSREIS NAAR DE EEUWIGHEID. ( DEEL 2 ).
Evangelist overtuigt Christen van zijn dwaling.
Zo ging dan CHRISTEN van de weg af en begaf zich naar het huis van Heer WETTISCH, om daar geholpen te worden. Maar zie, toen hij dicht bij de berg kwam, scheen hem deze zeer steil en hoog; ook hing de kant, die het dichtst naar hem toelag, zoveel voorover, dat CHRISTEN bevreesd was, zich verder te wagen uit angst dat de berg op zijn hoofd zou vallen. Hij stond dus stil, niet wetende, wat te doen. Ook scheen zijn last zwaarder te worden en hem harder te drukken, dan toen hij nog op de vorige weg was. Er schoten ook bliksems en vlammen uit de berg, zodat CHRISTEN vreesde erdoor verteerd te zullen worden. Daarom begon hij te zweten en te beven uit vrees (Exod.19:16), en hij werd meteen bedroefd, dat hij de raad van WERELDWIJZE had opgevolgd.
Terwijl hij daar stond, zag hij EVANGELIST tot zich komen en begon te blozen van schaamte. EVANGELIST, intussen naderbij komende, keek naar hem met een vertoornd en ontzagwekkend aangezicht en vroeg: "Wat doet u hier, CHRISTEN?"
Dit woord deed CHRISTEN verstommen; hij wist niets te antwoorden. EVANGELIST vervolgde: "Bent u niet de man, die ik eens kermende vond buiten de muren van de stad VERDERF?" "Ja, mijn waarde heer, ik ben die man," zei CHRISTEN. "Heb ik u niet verwezen naar de weg die naar dat kleine poortje leidt?" hervatte EVANGELIST. CHRISTEN antwoordde: "Ja, mijn dierbare heer!"
EVANGELIST. "Waarom bent u dan zo spoedig terzijde afgeweken? Want u bent nu van het pad af."
CHRISTEN. "Ik ontmoette een man, zodra ik uit de poel MISTROUWEN was opgeklommen, die mij bewoog naar het dorp te gaan, dat daar voor mij ligt, en mij wijsmaakte, dat ik daar een man zou vinden, die mij van mijn pak verlossen zou."
EVANGELIST. "Wat was het voor een man?"
CHRISTEN. "Het leek wel een edelman, en hij noemde zo veel goede redenen, dat ik op het laatst in zijn voorstel bewilligde, zó ben ik hier gekomen. Maar toen ik deze berg zag en merkte, hoe hij over de weg hing, bleef ik haastig staan, omdat ik vreesde, dat hij mij op het hoofd zou vallen,"
EVANGELIST. "Wat zei die edelman tot u?"
CHRISTEN. "Hij vroeg mij, waarheen ik dacht te gaan en dat zei ik hem."
EVANGELIST. "En wat zei hij toen?"
CHRISTEN. "Hij vroeg mij of ik een gezin had. Ik zei ja, maar ook dat ik nu zo beladen was met het pak, dat ik op mijn rug heb, dat ik daar zulk een vermaak niet meer in kon scheppen als vroeger."
EVANGELIST. "Nu, ga verder."
CHRISTEN. "Hij gebood mij, mij met alle spoed van deze last te ontdoen; en ik zei, dat dit juist de zaak was, die ik zocht, en dat ik mij daarom naar dat kleine poortje begaf, om daar onderwijs te verkrijgen aangaande de plaats van mijn verlossing. Hij zei ook, dat hij mij een betere en kortere weg zou aanwijzen, die ook niet gepaard ging met moeilijkheden, zoals op deze weg, die gij, mijnheer, mij hebt gewezen. Die betere en kortere weg zou mij brengen naar het huis van een edelman, die verstand had, om van zulke lasten te bevrijden. Ik geloofde hem en ging van die weg op deze, opdat ik mogelijk te eerder verlicht mocht worden van mijn pak. Maar toen ik aan deze plaats gekomen was en de dingen zag, zoals zij inderdaad zijn, stond ik bevreesd stil vanwege het gevaar, dat mij dreigde. En nu sta ik en weet niet, wat ik doen zal."
Toen zei EVANGELIST: "Sta hier een ogenblik stil, opdat ik u Gods Woord kan voorhouden." CHRISTEN beefde, en wachtte, waarop zijn metgezel voortging: "Ziet toe, dat u Die, die spreekt, niet verwerpt, want indien dezen niet ontvloden zijn, die degene verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veel meer zullen wij niet ontvlieden, zo wij ons van Die afkeren, die van de hemelen is." (Hebr.12:25). Hij zei verder nog: "De rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, mijn ziel heeft in hem geen behagen"(Hebr.10:38). Hij paste die ook op hem toe, zeggende: "Gij zijt de man, die u zelf in deze ellende gestort hebt; gij zijt begonnen, de raad van de Allerhoogsten te verwerpen en uw voet af te wenden van het pad des Vredes en dat bijna met gevaar voor uw eigen ondergang."
Toen viel CHRISTEN als dood aan zijn voeten neer en riep: "Wee mij, ik verga! EVANGELIST, dit ziende, greep hem bij de rechterhand en zei: "Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden; zijt niet ongelovig maar gelovig" (Matth.12:21;Marc.3:28). Dit gaf CHRISTEN een beetje verkwikking; hij stond op en hoorde bevende EVANGELIST aan, die nu zei: "Let nu nauwkeurig op de dingen, waar ik u van spreken zal. Ik zal u tonen, wie hij was en tot wie hij u gezonden heeft. De man, die u ontmoette, is een zekere WERELDWIJZE; en terecht wordt hij zo genoemd; eensdeels, omdat hij alleen de leer van de wereld begunstigt,(1Joh.4:5) en daarom gaat hij gewoonlijk in het dorp ZEDIGHEID ter kerke. Anderdeels, omdat hij die leer liefheeft, omdat zij hem voor het kruis behoedt. En aangezien hij vleselijk gezind is, zo zoekt hij mijn wegen te veranderen, hoewel die recht zijn.
Wat zijn raad betreft, daar zijn drie dingen in, die gij volkomen moet verwerpen.
Ten eerste: het feit dat hij u van de weg heeft afgetroond. En ook uw eigen toestemming in deze raad; aangezien dit is de raad Gods te verwerpen, om de wil van een WERELDWIJZE. De Heere zegt: Strijd om in te gaan door de enge poort (Luc.13:24;Matth.7:13,14); de poort namelijk, tot welke Ik u zend, want eng is de poort, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die dezelve vinden. Van deze enge poort en van de weg, die daarheen leidt, heeft die goddeloze mens u afgetrokken en daardoor heeft hij u bijna ten verderve gebracht. Haat daarom deze verlokking en walg van u zelf, omdat gij aan zijn raad gehoor hebt gegeven.
Ten tweede. U moet ook daarin zijn raad verwerpen, dat hij u het kruis moeilijk zocht te maken, want u moet dat waarderen boven alle schatten van Egypte (Hebr.11:25,26). De Koning der heerlijkheid heeft u ook gezegd, dat hij, die zijn leven zal willen behouden, het zal verliezen, en dat degene, die achter Hem wil komen en niet haat vader en moeder, vrouw en kinderen, broeders en zusters, ja ook zijn eigen leven, Zijn discipel niet kan zijn (Marc. 8:35;Joh.12:25;Matth.10:37;Luc.14:26). Daarom zeg ik u, dat u hem, die u tracht wijs te maken, dat dit uw dood zal zijn, moet verwerpen, want de Waarheid zegt, dat u zonder deze verdrukking het eeuwige leven niet kunt verkrijgen.
Ten derde. U moet het verfoeien, dat hij uw voet gezet heeft op de weg die leidt tot de bediening des doods; en daartoe eens bedenken, tot wie hij u heenzond en hoe onbekwaam die persoon is, om u te ontlasten van uw pak. Hij, tot wie hij u zond om verlichting te verkrijgen is een man, die WETTISCH heet, een zoon van de slavin of dienstmaagd, die nu is en in dienstbaarheid is met haar kinderen, wat op een verborgen wijze beduidt de berg Sinaï, waarvan u vreesde, dat hij op uw hoofd zou vallen. Nu, als zij met haar kinderen in dienstbaarheid is, hoe kunt u dan verwachten, door haar vrijgemaakt te worden? Derhalve is WETTISCH niet in staat, om u te bevrijden van uw pak; geen mens is ooit door hem van zijn last ontheven; neen, en het zal ook nooit gebeuren. U kunt door de werken van de wet niet gerechtvaardigd worden (Rom. 3:20), want door de wet kan geen levend mens ontlast worden van zijn pak; en daarom, de heer WERELDWIJZE is een vreemdeling, heer WETTISCH een bedrieger en zijn zoon BURGERLIJKHEID, ofschoon hij er aangenaam uitziet, een geveinsde, die u niet kan helpen. Geloof mij, er is in al de beweging, die deze dwaze mensen gemaakt hebben, niets anders dan de bedoeling om u te misleiden en u te beroven van uw zaligheid, door u af te trekken van de weg, waarop ik u had gezet."
Nadat EVANGELIST dit had gezegd, verhief hij zijn stem en riep de hemel tot bevestiging en getuige van wat hij had gesproken; en terstond kwam er een stem en een vlam voort uit de berg, waaronder de arme CHRISTEN stond, zodat hem de haren ten berge rezen. Het geluid van die stem klonk hem aldus in de oren: "Zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek. Want daar is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in alles, wat geschreven is in het boek der Wet, omdat te doen. (Gal.3:10).
Nu zag CHRISTEN niets anders tegemoet dan de dood, en hij begon zeer droevig te kermen, en de tijd te vervloeken, waarop hij zich met de heer WERELDWIJZE had ingelaten. Hij noemde zichzelf wel duizendmaal een dwaas, omdat hij naar zijn raad geluisterd had. Hij werd ook zeer beschaamd, toen hij zich te binnen bracht, dat de beweegredenen van deze edelman, hoewel zij alleen uit het vlees voortkwamen, hem zoveel hadden gedaan, dat zij hem de rechte weg hadden doen verlaten. Hierna keerde hij zich weer tot EVANGELIST en zei: "Mijnheer, wat denkt u? Is er nog hoop? Mag ik nog terugkeren en heengaan naar de enge poort? Zal ik om deze misstap niet voor het hoofd gestoten worden en met schaamte moeten teruggaan? Ik ben er over bekommerd; het smart mij, deze raad gevolgd te hebben; maar kan mij deze zonde vergeven worden?"
EVANGELIST antwoordde: "Ja, uw zonde is zeer groot, want hierdoor hebt u twee boosheden begaan: u hebt de goede weg verlaten en zijt getreden op verboden wegen. Evenwel zal de man, die u aan de poort zult vinden, u nog wel ontvangen; want hij heeft een goede genegenheid tot de mensen; alleen pas er voor op, dat u niet weer terzijde afwijkt, opdat u op uw weg niet omkomt, wanneer zijn toorn maar een weinig zou ontbranden (Ps.2:12).
Christen bij de poort.
Toen schikte CHRISTEN zich om terug te keren; en EVANGELIST, nadat hij hem gekust en vriendelijk toegelachen had, wenste hem een voorspoedige reis. Nu liep hij haastig heen, zonder tot iemand, die hem op de weg ontmoette, een woord te spreken, of antwoord te geven aan anderen, die hem iets wilden vragen. Hij snelde voort gelijk iemand, die op verboden grond treedt, en kon zich geenszins veilig achten, voor en aleer hij weer op de weg was gekomen, die hij had verlaten, toen hij de raad van heer WERELDWIJZE volgde. Na verloop van enige tijd nu kwam CHRISTEN aan de poort. Boven deze poort stond geschreven: "Klopt en u zal worden opengedaan" (Matth.7:8). Hij klopte dan; hij klopte verscheidene malen, zeggend bij zichzelf:
Ach, mocht ik hier toch binnen gaan!
Ik, boos en snood rebel,
Die niets verdien dan hel:
Al kwam mij hier ook droefheid aan,
Ik zong voor eeuwig d'eer
Van Sions hoge Heer.
Eindelijk kwam er een deftig persoon aan de poort, wiens naam was GOEDE WIL. Deze vroeg, wie daar was, vanwaar hij kwam en wat hij begeerde.
CHRISTEN zei: "Hier is een arme, beladen zondaar. Ik kom van de stad VERDERF, maar ik reis naar de berg SION, om de toekomende toorn te ontvlieden. Ik wilde daarom graag weten, waarde Heer, daar mij verteld is, dat de weg door deze poort loopt, of u ook genegen bent, mij binnen te laten."
"Ik ben gewillig met heel mijn hart," antwoordde hij, en meteen deed hij de poort open. Maar op hetzelfde ogenblik, dat CHRISTEN binnen trad, trok de ander hem aan zijn mouw, waarop CHRISTEN vroeg, wat hij zeggen wilde. Hij antwoordde: "Zie, daarginds ligt een sterk kasteel, waar BEëLZEBUB heer en meester is; van daar schieten hij en degenen die het met hem houden hun pijlen af op hen, die zich naar deze poort begeven om ze te doen sterven, eer zij er binnen komen."
"Ik verheug mij," zei CHRISTEN, "en tevens sta ik te beven."
Toen hij nu de poort was ingegaan, vroeg hem de portier, wie hem daarheen gewezen had.
CHRISTEN antwoordde: "Het was EVANGELIST; hij gebood mij ook, dat ik hier zou aankloppen, zoals ik gedaan heb, en zei mij, dat u Mijnheer mij wel zou berichten, wat ik doen moest."
GOEDE WIL. "Daar is een open deur voor u, die geen mens kan sluiten."
CHRISTEN. "Nu begin ik te maaien de voordelen van mijn moeiten." (snapt u!)
GOEDE WIL. "Maar hoe komt het dat u zo alleen bent?" (snapt u weer!)
CHRISTEN. "Omdat niemand van mijn buren het gevaar, waarin zij zijn, zo goed zag, als ik het mijne."
GOEDE WIL. "Waren er wel, die het wisten, dat u hierheen wilde?"
CHRISTEN. "Ja, mijn vrouw en kinderen zagen het allereerst dat ik vertrok, en riepen mij na, dat ik terug zou keren; gelijk ook sommigen van mijn buren mij naschreeuwden en mij terug riepen, toen zij mij zagen lopen; maar ik stak mijn vingers in mijn oren, en zo kwam ik op deze weg."
GOEDE WIL. "Maar waren er geen mensen, die u naliepen en u tot terugkeer trachtten te bewegen?"
CHRISTEN. "Ja, HALSSTARRIG EN GEZEGLIJK beiden; maar toen zij zagen, dat zij geen vat op mij kregen, ging HALSSTARRIG spottende terug. GEZEGLIJK ging met mij voort, doch maar een klein eindje.
GOEDE WIL. "Maar waarom vervolgde hij zijn reis niet?"
CHRISTEN. "Wij gingen te zamen voort tot aan de poel MISTROUWEN, waar wij ook zeer spoedig instortten; en daardoor was mijn buurman GEZEGLIJK zo ontmoedigd, dat hij het niet verder met mij wagen durfde, waarom hij ook, na er uitgeworsteld te zijn aan de kant van zijn huis, tot mij zei, dat ik wat hem betrof vrij die schone plaats alleen in bezit kon nemen; en zo ging hij zijns weegs en ik de mijne, hij naar zijn buurman HALSSTARRIG en ik naar deze poort."
Toen zei GOEDE WIL: "Helaas, arme man, werd de Hemelse heerlijkheid door hem van zo weinig waarde geacht, dat hij die paar moeilijkheden er niet voor over had?"
"Waarlijk," zei CHRISTEN, wat ik over GEZEGLIJK heb gesproken, is inderdaad zo, maar als ik de waarheid moet zeggen, het is met mij niet beter gegaan. Het is waar, hij ging terug naar zijn eigen huis, maar ik ben ook terzijde afgeweken op de paden des doods, daartoe bewogen door de vleselijke redenen van WERELDWIJZE."
GOEDE WIL. "Och, is hij u tegen gekomen; wel, wat zegt u? Hij heeft u zeker geraden, verlichting te zoeken uit de hand van de heer WETTISCH; en hebt u zijn raad gevolgd? Het was er op toegelegd om u te bedriegen."
CHRISTEN. Ja, zo ver als ik het durfde wagen. Ik ging heen, om heer WETTISCH te vinden, tot ik dacht, dat mij de berg (die dicht bij zijn huis staat) op het hoofd zou vallen, waarom ik genoodzaakt was, stil te staan."
GOEDE WIL. "Die berg is de dood geweest van menig mens en zal er nog wel meer om het leven brengen. Het is goed, dat u er vandaan geraakt zijt, zonder vermorzeld te zijn."
CHRISTEN. "Ja, ik weet niet, hoe het daar met mij afgelopen zou zijn, als EVANGELIST mij niet weer ontmoet had, terwijl ik aan de grond stond genageld en twijfelde, bevreesd en niet wetende, wat te doen. Maar het was Gods goedheid, dat hij weer bij mij kwam, want anders was ik nooit hier gekomen; en nu ik hier al kom, ben ik, helaas, zo iemand, die inderdaad eerder verdiend heeft door die berg gedood te worden dan met u, Mijnheer, zo te mogen spreken! Maar och, welk een gunst wordt mij bewezen, dat mij toegelaten wordt hier binnen te komen."
GOEDE WIL. "Wij maken geen verschil. Hoeveel kwaad zij gedaan mogen hebben, eer zij hier komen, nochtans worden zij geenszins uitgeworpen (Joh.6:37). En daarom, lieve CHRISTEN, loop een eindje met mij mee, en ik zal u onderwijzen van de weg, die gij gaan moet. Zie daar recht voor u, ziet gij daar wel een nauwe weg? Dat is de weg, die gij gaan moet. Hij is gebaand door de patriarchen en profeten en door Christus en Zijn apostelen; en hij is zo recht, als een regel hem kan maken. Dit is de weg, wandel daarin."
CHRISTEN. "Maar zijn er geen hindernissen en kruiswegen, waardoor een vreemdeling het spoor bijster kan raken?"
GOEDE WIL. "Ja, er zijn veel bijwegen; maar zij liggen veel lager dan deze, en zijn krom en breed. En hieraan kunt u de rechte weg van die verkeerde wegen onderscheiden: de rechte alleen is lijnrecht en nauw."
Ik zag ook, dat CHRISTEN hem verder vroeg, of hij hem niet kon ontlasten van het pak, dat hij op zijn rug had; want tot nog toe had hij er zich met geen middel van kunnen verlossen. Maar GOEDE WIL gaf hem ten antwoord: "Wat uw last betreft, draag die goedsmoeds, tot u aan de plaats der verlossing komt; daar glijdt hij u vanzelf van de rug."
Toen gordde CHRISTEN zijn lendenen, en maakte zich weer reisvaardig. De ander zei tot hem, dat hij een eindweegs voorbij deze poort aan het huis van UITLEGGER zou komen, aan wiens deur hij moest kloppen en bij wie hij uitnemende dingen zou zien. Daarop nam CHRISTEN afscheid van zijn vriend, die hem een voorspoedige reis wenste.
Het huis van Uitlegger.
Zo reisde CHRISTEN verder tot hij eindelijk aan het huis van UITLEGGER kwam, waar hij een- en andermaal, ja dikwijls aanklopte tot iemand de deur opende en vroeg, wie er was.
"Mijnheer!" zei CHRISTEN, "hier is een reiziger, door een bekende van de Heer des huizes gezonden, om hier nuttig onderricht te ontvangen; ik zou daarom graag met uw Meester willen spreken."
Deze riep daarop de Meester, die even later bij CHRISTEN kwam en hem vroeg, wat hij begeerde.
"Mijnheer!" zei CHRISTEN, "ik ben een man, die van de stad VERDERF afkomt en
naar de berg SION gaat. Nu is mij gezegd door de man, die aan de poort bij het begin van deze weg staat, dat u mij, wanneer ik hier kwam, zeer heerlijke dingen zou tonen, die mij buitengewoon nuttig konden zijn op mijn reis."
Toen zei UITLEGGER: "Kom binnen, ik zal u tonen, wat voor u nuttig zal zijn." Hij beval zijn dienaar de kaars te ontsteken en verzocht CHRISTEN hem te volgen, en leidde hem naar een afgezonderd vertrek, dat zijn dienaar op zijn bevel opende. Hier zag CHRISTEN een afbeelding van een zeer deftig persoon aan de muur hangen, wiens ogen hemelwaarts geheven waren; het Boek der boeken had hij in de hand en de wet der waarheid was op zijn lippen en de wereld achter zijn rug. Hij stond, alsof hij met de mensen pleitte en had een gouden kroon boven zijn hoofd.
CHRISTEN vroeg: "Wiens beeltenis is dit?" "De man", antwoordde UITLEGGER, "wiens afbeelding dit is, is één uit duizend; hij kan zeggen met de woorden van de Apostel: In Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld (1Cor.4:15), en: mijn kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge (Gal.4:19). En dat hij de ogen naar de hemel richt, het Boek der boeken in de hand houdt, en de wet der waarheid op de lippen heeft, is om aan te wijzen, dat zijn werk is duistere dingen niet alleen te kennen, maar ook aan zondaren te ontvouwen, waarom gij hem ook ziet staan, alsof hij met de mensen pleit. En dat u hem ziet, met de wereld achter de rug en een kroon boven het hoofd, is om te tonen, dat hij veracht en versmaad de dingen, die tegenwoordig zijn, om de liefde tot de dienst van zijn Meester, verzekerd zijnde, dat hij in de toekomende wereld de heerlijkheid tot zijn beloning zal hebben."
"Dit schilderij heb ik u het eerst laten zien, omdat de man, hier voorgesteld, de enige is, die de Heer van uw toekomstige woonplaats gemachtigd heeft om uw leidsman te zijn in al de moeilijke plaatsen, waar gij zult komen op uw weg (Jes.61:1); derhalve, let wel op wat ik u toonde, en houd altijd in gedachten, wat u hier zag, opdat u zich op reis wacht voor dezulken, die wel voorgeven u op de rechte weg te leiden, maar wier paden leiden tot de dood."
Toen vatte hij hem bij de hand en leidde hem in een zeer ruime binnenkamer, die vol stof lag, omdat zij nooit geveegd was, en nadat CHRISTEN alles een korte tijd overzien had, gebood UITLEGGER een man, het daar wat te vegen. Toen deze hiermee aanving, begon het stof van alle kanten vreselijk te stuiven, zodat CHRISTEN daardoor bijna stikte. Dit ziende, gaf UITLEGGER bevel aan een jonge juffrouw, die er bij stond, wat water te halen, en de plaats daarmee te besprenkelen. Nadat zij dit gedaan had, werd de kamer geveegd en schoon gemaakt, zo gemakkelijk, dat het een lust was. CHRISTEN zei: "Wat wil dit zeggen?" UITLEGGER antwoordde: "Deze binnenkamer is het hart van een mens, dat nog nooit door de genade van het Evangelie geheiligd is; het stof is de erfzonde en de inwendige verdorvenheid, die de gehele mens verontreinigen; hij, die eerst begon te vegen, is de Wet; maar zij, die het water bracht en de vloer besprenkelde, is het Evangelie. Dat nu, toen de man begon te vegen, het stof rondom opvloog zodat de kamer nog niet gezuiverd werd, maar het stof u bijna deed stikken, dit wijst aan, dat de wet de zonde, inplaats van haar te doden, door haar werking levend maakt (Rom.7:9), haar sterkte toe- brengt (1Cor.15:56), en ze zowel vermenigvuldigt (Rom.3:20), als ontdekt en verbiedt; want de wet geeft geen kracht, om de zonde ten onder te brengen.
Dat nu de jonge juffrouw de plaats met water besprenkelde, en de zaal daarna met gemak gereinigd heeft, dit geschiedde om u te tonen, dat het Evangelie, wanneer het met zijn kostelijke en zoete invloeiingen in het hart komt, de zonde gevangen neemt en ten onder brengt; gelijk de juffrouw door het sprenkelen van het water het stof op de vloer neer deed liggen, zo wordt door het geloof van het Evangelie het hart gereinigd en tot een woning voor de Koning der ere bereid (Joh.15:3,Ef.5:26,Hand.15:9,Rom.16:25,26)."
Ik zag daarna, dat UITLEGGER hem bij de hand nam en hem in een vertrekje bracht, waar twee kleine kinderen elk op een stoel zaten; de naam van de oudste was HARTSTOCHT en die van de andere GEDULD. HARTSTOCHT scheen zeer misnoegd, maar GEDULD was tevreden. CHRISTEN vroeg, wat toch de oorzaak van HARTSTOCHTS misnoegen was. UITLEGGER antwoordde: "Het is, omdat hun Meester wil, dat hij op zijn beste dingen wacht tot het begin van het volgend jaar; en hij wil nu reeds alles hebben; maar GEDULD is gewillig om te wachten."
Toen zag ik, dat er iemand tot HARTSTOCHT kwam met een zak met allerlei schatten, en stortte deze uit aan zijn voeten. HARTSTOCHT nam ze op en verblijdde er zich mee; ook begon hij GEDULD te bespotten en uit te lachen. Maar ik zag dat het niet lang duurde, of hij had ze allemaal verkwist en hield niets over dan enige vodden en lompen.
Toen zei CHRISTEN tot UITLEGGER: "Verklaar mij deze dingen wat nader." "Deze twee kinderen," zei UITLEGGER, "zijn afbeeldingen. HARTSTOCHT is het beeld van de lieden van deze wereld (Ps.17:14,Fil.3:19), en GEDULD dat van de mensen der toekomende wereld (Ps.17:15).
U hebt gezien, dat HARTSTOCHT alles in dit jaar wil hebben, dat is te zeggen, in deze wereld; zo is het ook met de lieden van deze wereld; zij moeten al hun goed in deze tijd hebben en kunnen niet wachten tot het volgende jaar, dat is tot de toekomende wereld, om daar hun deel van het goede te genieten. De spreuk: Eén vogel in de hand is meer dan tien in het bos, heeft meer gezag bij hen, dan al de Goddelijke getuigenissen aangaande het goed van de toekomende wereld. Maar u zag hem ook in weinig tijds alles verkwisten en niets overhouden dan enige vodden en lompen; zo zal het in het einde ook met de lieden van de wereld gaan."
"Nu zie ik," zei CHRISTEN, "dat GEDULD de wijste is, en wel om deze redenen: ten eerste, hij heeft het oog op de beste dingen; ten andere, hij zal zijn heerlijkheid genieten, wanneer de ander niets zal hebben dan verachting."
UITLEGGER. "Ja, en u kunt er dit nog bijvoegen: de heerlijkheid van de toekomende wereld zal nooit verwelken; maar die van deze is terstond en schielijk voorbij. Derhalve heeft HARTSTOCHT geen reden om te lachen over GEDULD. Veel- eer kan GEDULD lachen over HARTSTOCHT, want HARTSTOCHT heeft het goede eerst, en GEDULD geniet het zijne op het laatst; want eerst moet plaats maken voor laatst, omdat laatst zijn toekomende tijd heeft; maar laatst maakt geen plaats voor iets; want er is niets, waardoor het gevolgd wordt; dus moet hij, die zijn deel eerst geniet, noodzakelijk tijd hebben, om het te verbruiken; maar hij, die zijn deel op het laatst heeft, zal het tot het einde behouden. Daarom wordt er gezegd tot de rijke man: Gij hebt het goede gehad in uw leven, en Lazarus het kwade, nu wordt hij vertroost en gij lijjdt smarten (Luc.16:55."
CHRISTEN zei: "Ik begrijp nu, dat het niet het beste is, de dingen die nu zijn, te verkrijgen, maar te wachten en uit te zien naar de toekomende," waarop UITLEGGER opmerkte: "U zegt de waarheid, want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk; maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig (2Cor.4:19). Doch hoewel dit alzo is, nochtans, omdat de tegenwoordige dingen en onze vleselijke genegenheid naaste buren zijn, en de toekomende dingen en ons vleselijk gevoel en begrip vreemdelingen van elkaar, zo worden de eerste gauw verliefd op elkaar en vervreemden de andere gedurig en al te haast van elkaar."
Ik zag daarna, dat UITLEGGER CHRISTEN bij de hand nam en hem leidde naar een plaats, waar een vuur tegen de muur brandde; hierbij stond een man, die gedurig water in het vuur goot om het te blussen, doch het brandde al hoger en heter.
"Wat wil dit zeggen?" vroeg CHRISTEN en UITLEGGER antwoordde: Dit vuur is het werk der genade in het hart; die er water in giet, om het te temperen en ten enenmale te blussen, is de duivel; maar u merkt dat het vuur des te hoger en heter brand. De oorzaak hiervan zal ik u eens laten zien," vervolgde UITLEGGER en bracht CHRISTEN aan de achterzijde van de muur, waarbij hij iemand zag met een vat in de hand, waaruit hij gedurig en heimelijk olie in het vuur goot.
"Wat betekent dit?" vroeg CHRISTEN en UITLEGGER antwoordde: "Dit is Christus, die het werk, dat Hij in het hart begonnen is, met de olie van zijn genade steeds onderhoudt (2Cor.12:9), waardoor de zielen van Zijn volk zich als begenadigd blijven vertonen, ondanks alle pogingen, die de duivel daartegen aanwendt.
Dat hij juist achter de muur stond, om het vuur aan te houden, leert u, dat het een bestreden ziel zeer bezwaarlijk valt te zien, hoe het werk der genade in haar wordt onderhouden."
Ik zag ook, dat UITLEGGER CHRISTEN weer bij de hand nam en in een zeer vermakelijke plaats bracht, waar een schoon paleis gebouwd was; en CHRISTEN was daar zeer mee ingenomen. Op de top van het paleis zag hij enige personen wandelen, die geheel in het goud waren gekleed. Hij vroeg dan aan UITLEGGER, of zij daar wel mochten binnengaan? UITLEGGER greep hem bij de hand en bracht hem opwaarts, tot aan de deur van het paleis; en zie, aan de deur stond een grote menigte mensen, allen, zo het scheen, zeer begerig om in te gaan, maar zij durfden niet. Daar zat ook, een eindje van de deur af, een man aan een tafel, met een boek en een inktkoker voor zich om de namen op te schrijven van hen, die ingingen; hij zag ook, dat in de ingang tot de deur vele gewapende mannen stonden, om die te bewaken, en wie er door wilden gaan, zoveel schade en leed te doen als zij maar konden. Hierover was CHRISTEN niet weinig verbaasd. Terwijl intussen iedereen terugging uit vrees voor de gewapenden, zag hij ten laatste ook een man van een zeer kloekmoedig voorkomen tot de schrijver naderen, en zeggen: "Mijnheer, schrijf mijn naam eens op." Toen de- ze dat gedaan had, zag CHRISTEN, dat hij zijn zwaard aangordde, een helm op zijn hoofd zette en zich naar de deur wendde, recht op de gewapende mannen aan, die hem met een dodelijke woede weerstonden. Maar de man, hierdoor in het minst niet ontmoedigd, viel op hen aan, hakkende en snijdende zeer verwoed. Nadat hij nu vele wonden ontvangen en ook gegeven had aan hen, wier oogmerk het was hem buiten te houden, nam hij zijn weg recht tussen hen allen door en drong het paleis binnen waaruit hij de nodiging hoorde van hen die al binnen waren en op de top wandelden, zeggende:
Kom toch, ei, kom toch in:
En 's hemels heerlijkheid
Wordt tot in eeuwigheid
Voorzeker uw gewin.
Toen ging hij naar binnen en werd gekleed in net zo'n gewaad als zij allen droegen. CHRISTEN begon wat te lachen en zei: "Mij dunkt, dat ik wel weet, wat dit betekent; laat mij nu ook daarheen gaan." "Neen," zei UITLEGGER, "wacht nog wat, tot ik u meer heb getoond en daarna moogt gij uw weg voortzetten." Toen leidde hij hem bij de hand naar een donkere plaats, waar in een ijzeren spelonk een man zat, die er buitengewoon droevig uitzag; hij had de ogen naar de aarde gekeerd en de handen ineengevlochten en zuchtte zo bitter, alsof zijn hart zou breken.
CHRISTEN vroeg weer: "Wat wil dit zeggen?" en UITLEGGER beval hem, eens met die man te spreken.
CHRISTEN vroeg hem, wie hij was. Hij antwoordde: "Ik ben, wat ik eertijds niet was." "Wat was u dan?" hernam CHRISTEN, en de man zei: "Ik was eens een sierlijk en bloeiend belijder in mijn eigen ogen en in de ogen van anderen. Ik was eens, naar ik dacht, bereid voor de Hemelse stad en ik verblijdde mij met de gedachte, dat ik er zou komen."
"Maar wat bent u nu?" vroeg CHRISTEN. "Ik ben nu een wanhopend mens," antwoordde hij. "Ik werd in deze ijzeren spelonk opgesloten en kan er niet uitkomen; och neen, ik kan het nu niet."
"Maar hoe kwam u in deze ongelegenheid?" vroeg CHRISTEN verder en de man gaf ten antwoord:
"Ik liet na te waken en nuchter te zijn; ik legde de teugels op de nek van mijn begeerlijkheden; ik zondigde tegen het licht van Gods Woord en tegen Zijn goedheid; ik heb de Geest bedroefd en Hij is van mij geweken; ik heb de duivel verzocht en hij is tot mij ingekomen; ik heb God tot toorn getergd en Hij heeft mij verlaten, ik heb mijn hart zo verhard, dat ik mij niet kan bekeren."
Zich hierop tot UITLEGGER kerende, vroeg CHRISTEN: "Maar is er geen hoop meer voor zo'n mens?"
"Vraag dat hem eens," antwoordde UITLEGGER.
CHRISTEN deed het en zei: "Wel, is er nu geen hoop meer voor u, dan om altijd in deze ijzeren spelonk van wanhoop opgesloten te blijven?"
"Ach neen," zei hij, "volstrekt geen hoop!"
"Waarom?" liet CHRISTEN er op volgen, "de Zoon des Gezegenden is immers barmhartig?"
"Ja," antwoordde hij, "maar ik heb Hem opnieuw gekruisigd (Hebr.6:6). Ik heb zijn persoon gesmaad, Zijn gerechtigheid veracht, Zijn bloed als onrein vertreden (Hebr.10:29); ik heb de Geest der genade smaadheid aangedaan en daardoor mijzelf uitgesloten van al de beloften; nu blijven er voor mij niets anders over dan bedreigingen, vreselijke, waarachtige bedreigingen van een zeker oordeel en een hitte des vuurs, dat de tegenstanders en ook mij zal verslinden."
CHRISTEN vroeg nog meer en zei: "Waarom hebt u uzelf in deze staat van ellende gebracht?"
En het antwoord luidde: "Om de lusten, vermaken en voordelen van deze wereld, van welke ik mij veel genot beloofde; maar nu knaagt mij elk van deze dingen als een vurige worm."
"Maar kunt u nu geen berouw tonen en u weer bekeren?" vervolgde CHRISTEN.
"God," antwoordde hij, "weigert mij de bekering; Zijn woord geeft mij geen aanmoediging om te geloven; ja, Hij zelf heeft mij in deze ijzeren spelonk gesloten en geen mens ter wereld kan er mij uithelpen. O eeuwigheid, eeuwigheid, hoe zal ik worstelen met de kwellingen, die ik eeuwig zal ondergaan!"
Toen zei UITLEGGER tot CHRISTEN: "Houd de ellende van deze man altijd in gedachtenis; laat zij u een eeuwige waarschuwing zijn."
"Wel," zei CHRISTEN, "dat is vreselijk! God helpe mij, om te waken en nuchter te zijn en te bidden, dat ik de wegen schuwen mag, waardoor deze man in die ellende gekomen is. Mijnheer, is het nu nog geen tijd om mijn weg te vervolgen?"
"Blijf nog een ogenblik," zei UITLEGGER, "ik zal u nog één ding laten zien en ga dan vrij uws weegs." Hierop vatte hij CHRISTEN weer bij de hand en leidde hem in een kamer, waar iemand, die zeer trilde en beefde, uit zijn bed opstond en zijn kleren aantrok.
"Waarom," zo vroeg CHRISTEN, "beeft deze man zo?" UITLEGGER beval hem, de man zelf de reden daarvan te vragen. Dat deed hij en hij ontving tot antwoord: "Deze nacht droomde ik; en zie, de hemelen werden zeer zwart; ook donderde en bliksemde het op een vreselijke wijze, zodat ik zeer beangstigd en verbaasd werd. Ik zag dat de wolken een ongewoon aanzien hadden, ook hoorde ik een groot geluid van een bazuin en een Man zat op de wolken, omringd door vele duizenden hemelingen (1Cor.15:52,1 Thess.4:16, Jud.vs.15, Joh.5:28, 2 Thess 1:8, Openb.20:11-14,Jes.26:21,Micha 7:16,17,Ps.5:6,7,Dan.7:9,10).
Intussen stond alles in vuur; ook de hemelen waren door de vlammen aan het branden geraakt. Ik hoorde daarop een stem, roepende: Staat op, gij doden, en komt ten Oordeel. Terstond scheurden de steenrotsen, de graven werden geopend en de doden, die er in lagen, kwamen te voorschijn; sommigen van dezen waren zeer verblijd en hieven hun hoofden op, maar anderen zochten zich te verschuilen onder de bergen. De Man, die op de wolken zat, opende een boek en gebood de gehele wereld voor Hem te verschijnen. Echter maakte een geweldige vlam, die van Hem uitschoot, een open plaats tussen Hem en hen; zoals tussen de rechter en de gevangenen die voor de rechtbank staan. Ik hoorde ook roepen tot degenen, die Hem vergezelden: Vergader het onkruid, ook het kaf en de stoppelen, en werp ze in de brandende poel (Matth.3:10 en 13:30,Mal.4:1).
Terstond daarop barstte de grondeloze put open, juist waar ik stond, en uit zijn mond kwam met een vervaarlijk geluid zeer veel rook en vurige kolen. Toen werd ook gezegd tot dezelfde personen: Vergader de tarwe in de schuur (Matth.3:12), en van toen af zag ik velen opgenomen en heengedragen in de wolken (1Thess.4:16,17), maar ik werd achtergelaten; ik trachtte mij ook te verschuilen, maar kon niet, want Hij, die op de wolken zat, hield Zijn ogen steeds op mij; mijn zonden kwamen mij ook te binnen en mijn geweten beschuldigde mij van alle zijden (Rom.2:14,15), en daarop werd ik wakker."
"Maar wat maakte u zo beangst op het zien van dit gezicht?" vroeg CHRISTEN.
En de man antwoordde: "Wat? Wel ik dacht, dat de dag des Oordeels gekomen was en daar was ik niet op voorbereid. Doch dit ontstelde mij het meest, dat de engelen er verscheidenen vergaderden en mij lieten staan; ook opende de put van de hel zijn mond juist dáár waar ik stond; daarbij benauwde mijn geweten mij en meende ik te bemerken, dat de Rechter gedurig zijn oog op zulk een wijze op mij richtte, dat ik zijn afkeer van mij van zijn gezicht lezen kon."
Toen zei UITLEGGER tot CHRISTEN: "Hebt u al deze dingen wel opgemerkt?"
Hij antwoordde: "Ja, en zij doen mij hopen en vrezen."
"Houd," zo zei hij verder, "deze dingen in uw hart, opdat zij u mogen zijn als prikkels in uw zijden, om u voort te drijven op de weg, die u te gaan hebt."
CHRISTEN gordde nu zijn lendenen en schikte zich tot de reis, en UITLEGGER zei: "De Trooster zij allerwegen met u, goede CHRISTEN, en vergezelle u op de weg naar de Hemelstad."
CHRISTEN ging dan zijns weegs en zong bij zichzelf:
Wat wond're dingen zag ik daar!
Mij zo profijtelijk als raar,
't Geen mij vermaakte en deed vrezen,
Dat tot mijn heilig ogemerk,
En troostlijk aangevangen werk,
Zo nut en vorderlijk zal wezen.
UITLEGGER, u zij altoos dank.
Ach, dat ik toch mijn leven lang
Deez' dierb're zaken wel onthouwe;
Dat ik ze grondiglijk versta,
En in de weg, waarin ik ga,
Ze met een geest'lijk oog beschouwe!
(Wijze Ps.24).
Christen verliest zijn last.
Ik zag ook, dat de hoge weg, waarlangs CHRISTEN gaan moest, aan beide zijden beschermd werd door een muur, en die muren heetten HEIL (Jes.26:1,Jes.60:18).
Deze weg liep de beladen CHRISTEN op, doch niet zonder grote moeilijkheid, veroorzaakt door de last die hij op zijn rug had.
Zo spoedde hij zich voort, tot hij aan een wat hoger gelegen plaats kwam, waarop een Kruis stond; wat lager lag een grafstede.
Ik zag dat zodra CHRISTEN aan het kruis kwam, het pak van zijn schouders gleed en naar beneden rolde, tot het aan de mond van het graf kwam; daar viel het in en ik zag het niet meer.
Nu werd CHRISTEN zéér vrolijk en uitermate verheugd, en met een blijmoedig hart jubelde hij: "Hij heeft mij vrede gegeven door Zijn lijden en het leven door Zijn dood." Hierna stond hij enige tijd stil, om te zien en zich te verwonderen; want hij was er over verrast, dat het aanschouwen van het kruis hem zo van zijn last kon ontdoen. Hij aanschouwde het nog eens en nog eens; tot eindelijk een vloed van tranen over zijn wangen stroomde.
Zo staande, aanschouwende en wenende (Zach.12:10), zag hij drie blinkende personen tot hem komen, die hem groetten met deze woorden: "Vrede zij u." De eerste zei tot hem: "Uw zonden zijn u vergeven" (Marc.9:2). De tweede trok hem zijn oude, vuile kleren uit en bekleedde hem met andere klederen (Zach.4:4,5). De derde zette een merk op zijn voorhoofd en gaf hem een rol, waaraan een zegel hing (Ef.1:13), die hij tijdens zijn loop moest inzien en daarna overgeven aan de Hemelpoort; en daarop gingen zij weg. CHRISTEN sprong wel driemaal op van loutere vreugd en begon daarop aldus te zingen:
Ik reisde voort, met schuld beladen,
Door zorg en kommer neergedrukt;
Maar hier bewees mij God genade,
Hier week mijn smart, mijn droefenis.
Welk woord is dit! Wat plaats is deze!
Hier nam mijn druk opeens een end,
Hier smaak ik, vrij van angst en vreze,
Een vreugd, tevoren nooit gekend.(Dat is wat?!)
Kent u dit ook?
Moest hier de grens zijn van mijn lijden,
Mijn last mij worden afgelicht?
En mag mijn ziel zich thans verblijden,
Verblijden voor Gods aangezicht?
Gezegend kruishout! Eeuwig leven
Schenkt Hij, die - dood en hel ten spijt -
Voor mij Zich hier wild' overgeven,
En mij van schuld en straf bevrijdt.
Wijze Ps.118.
Ik zag in mijn droom dat CHRISTEN zo al juichend voortging tot hij kwam aan een vallei, waarin hij, een weinig van de weg af, drie mannen zag liggen, vast slapende, met boeien aan hun benen; de naam van de een was SLECHTE, die van de ander LUIAARD en de derde heette VERMETELE.
CHRISTEN, die hen zo zag liggen, naderde hen, om ze, indien mogelijk, te doen ontwaken en riep ze toe: "Jullie zijn de man gelijk, die slaapt in de top van een mast, te midden van een woedende zee, die geen grond heeft. (Spr.23:34); ontwaak dus en kom hier; laat u deze boeien afnemen; ik zal u helpen, zoveel als ik kan. Wanneer hij, die rondgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden (1 Petr.5:8) u overkomt, zult u zeker een prooi voor zijn tanden worden." Maar toen hij hen op deze wijze aansprak, zagen zij hem ongelovig aan en SLECHTE zei: "Ik zie geen gevaar." LUIAARD voegde er bij: "Ja, nog even slapen," en VERMETELE beweerde: "Elk moet op zijn eigen benen staan." Hierop legden zij zich weer neer om te slapen en CHRISTEN ging zijns weegs.
Nochtans smartte het hem, dat deze mensen, hoewel zij in zulk een gevaar verkeerden, de goedheid, hun gulhartig aangeboden, om te helpen door hen wakker te maken, hun raad te geven, als om hen van die ijzeren boeien te helpen ontslaan, zo onbedacht van de hand wezen. Maar zie, terwijl hij zich hierover bedroefde, bemerkte hij, dat zich aan de linkerzijde twee mannen over de muur lieten zakken om met hem langs de enge weg te gaan. De een heette FORMALIST en de ander HYPOCRIET. Deze voegden zich bij CHRISTEN die hen aldus aansprak: "Vanwaar komt u, mijne heren, en waar is de reis heen?" Zij antwoordden: "Wij zijn geboren in het land IJDELE EER, en gaan om lof te verkrijgen naar de berg SION."
"Waarom," vroeg CHRISTEN, "kwam u niet door de poort, die aan het begin van deze weg gebouwd is? Weet u niet, dat er geschreven staat, dat degene, die niet door de deur ingaat, maar van elders inklimt, een dief en moordenaar is?" (Joh.10:1).
Zij antwoordden, dat al hun landslieden van oordeel waren, (let op!) dat de weg door de poort veel te ver om was, en het daarom bij hen gebruikelijk was, de weg te bekorten door een zijpad te kiezen, en over de muur te klimmen, zo als zij gedaan hadden. (Beproef u zelf zeer nauw, want dan ontbreekt de blijdschap, die CHRISTEN gekend heeft, toen hij voorbij het kruis kwam !!!!!)
"Maar," zei CHRISTEN, "zal het niet voor een overtreding gehouden worden tegen de Heere van de Stad, waar u heen wilt, aldus Zijn geopenbaarde wil te schenden?"
Zij antwoordden, dat hij daar zijn hoofd niet over hoefde te breken; want dat zij op de gewone wijze te werk gingen, en desgewenst wilden getuigen, dat men zo al voor meer dan duizend jaren gedaan had.
CHRISTEN vroeg verder: "Maar meent u, dat uw handelwijze de toets der Wet zal kunnen doorstaan?"
Zij antwoordden dat een gewoonte als deze, reeds meer dan duizend jaren in gebruik, door een onpartijdige rechter wel als wettig zou erkend worden. "En daarenboven," vervolgden zij, "indien wij slechts de weg betreden, wat komt het er dan op aan, hoe wij er op geraakt zijn? Wij zijn er op en dat is genoeg. Gelijk wij bemerken, bent u door de poort ingekomen, doch u zijt ook maar op de weg en niet verder dan wij, die nu terzijde over de muur gekomen zijn; waarin is uw staat nu beter dan de onze?"
"Ik," antwoordde CHRISTEN, wandel volgens de regel van mijn Meester; u wandelt naar de ongeregelde bevatting van uw inbeelding en wordt door de Heere van de weg voor dieven gehouden; daarom twijfel ik, of u aan het einde van de weg wel getrouwe lieden bevonden zult worden. U komt door uzelf in, zonder de bestiering van de Heere en u zult er ook uitgaan door uzelf, zonder Zijn barmhartigheid."
Hier konden zij niet veel tegen zeggen; alleen bevalen zij hem, dat hij op zich zelf moest letten; en daarop gingen zij elk huns weegs, zonder veel tot elkaar te spreken; alleen zeiden zij nog tot CHRISTEN, dat zij niet twijfelden, of zij zouden de wet en ordinantie even nauwkeurig waarnemen als hij. (Dat wil ik eerst nog wel eens zien! Het is gewoon ijdel geklap der zotheid). "Daarom zien wij ook niet in," zeiden zij, "waarin u van ons verschilt, dan alleen in de mantel, waarmee u omhangen bent, en die is u zeker door uw buren gegeven, om de schaamte uwer naaktheid te dekken."
Maar CHRISTEN antwoordde weer: "Door de Wet zult gij niet zalig worden (Gal.3:10), omdat u niet door de Deur inkomt. De kleren, die mij aangedaan zijn, heb ik ontvangen van de Heere van de plaats, waar ik heenga, om gelijk u juist zegt, de schande mijner naaktheid te dekken. En dit houd ik ook voor een bewijs van Zijn bijzondere goedertierenheid jegens mij; want tevoren had ik niets dan enige vodden en lompen; ook strekt mij dit tot een grote vertroosting op de weg, want ik houd mij overtuigd, dat de Heere mij, wanneer ik eens aan de poort van de Stad kom, in gunst zal aannemen, omdat ik Zijn eigen rok aan heb, een rok, die Hij mij uit vrije genade aantrok, toen Hij mij naakt uitschudde van mijn eigen vuile vodden. Daarenboven heb ik nog een merkteken aan mijn voorhoofd, waarop u misschien nog niet gelet hebt, maar dat een van degenen, die met mijn Heere op het nauwst bekend zijn, mij daar gezet heeft op de dag toen mijn last van mijn schouders viel. Ik kan u darenboven nog dit zeggen, dat Hij mij toen een verzegelde rol gaf, met de lezing waarvan ik mij kan vertroosten op de weg, die ik ga. Mij is ook gelast, die over te geven aan de Hemelpoort, tot een teken, dat ik zeker daarheen ga, en ik betwijfel of u al deze dingen wel hebt; neen, u hebt ze niet, omdat u niet door de poort bent ingekomen."
Hierop gaven zij hem geen antwoord; alleen keken zij elkander eens aan en begonnen te lachen; intussen gingen zij met hun drieën voort, alleen zorgde CHRISTEN, dat hij de voorste bleef en met niemand meer sprak dan met zichzelf, en dat soms eens zuchtend en dan weer juichend. Hij las ook al menigmaal in de rol, die één van de Blinkenden hem had gegeven en werd dan zeer verkwikt.
WORDT VERVOLGD.
GROET AAN DE HEMEL.
Ik groet U, Hemelse Vader, God die mij heeft gemaakt, Bron van mijn bestaan, oneindige kracht die mijn hele wezen draagt. Ik heb U zo lief. Wees mijn leven.
Ik groet U, Jezus, nooit ondergaande Zon van mijn ziel, Verlosser die mij in het vuur van de Liefde de Hemel heeft geopend, Vlam van Barmhartigheid die al mijn zonden wegbrandt. Ik heb U zo lief. Wees mijn ziel.
Ik groet U, Heilige Geest, alles doordringend Licht van heiliging en zuivering, Regenboog van Hemelse Gaven, Ster van Hemels Vuur die mijn hele wezen bestuurt. Ik heb U zo lief. Wees mijn geest.
Ik groet U, Hemelse Moeder Maria, verrukkelijke Bloem uit de Tuin der Hemelen, Schoonheid die mijn hart ontvlamt, Parfum dat mijn ziel zuivert, Maan die mij leidt door alle duisternis. Ik heb U zo lief. Wees mijn hart.
Ik groet U, engelen van God, vreugde van de Hemel, fluisterende stemmen van leiding, geesten van licht en geborgenheid. Ik heb U zo lief. Wees mijn handen, mijn voeten en mijn ogen.
Ik groet U, heiligen in het Hemelrijk, zusters en broeders van alle eeuwen, vurige haarden van gebed, bloempjes langs mijn weg naar de eeuwigheid. Ik heb U zo lief. Wees mijn hoop.
Ik groet U, o Drieëne God, Hemelse Koningin en alle engelen en heiligen, Hemelse Bloemen van de zuiverste Liefde, wees bij mij deze dag en nacht, want ik heb U allen zo lief. AMEN.
GEBED TOT MARIA, MOEDER VAN DE EUCHARISTIE.
Lieve Moeder Maria, Medeverlosseres van de zondige Mensheid,
Op Uw voorspraak smeek ik om de genade van zuivering en rouwmoedigheid, opdat ik aan Uw zijde mag staan bij het Altaar van het Kruis van mijn Verlossing.
O Moeder van Smarten, verenig toch het Licht van alle Heilige Missen der aarde tot een zon die alle kwaad verschroeit.
O dompel mij toch onder in het Licht der verheerlijking van Golgotha, dat ook op dit altaar zal stralen bij de onbloedige herdenking van het allerheiligste Kruisoffer, de gedachtenis aan de overwinning van de Messias op de duivel.
O Moeder, ontsteek alle zielen aan het vuur van de Eeuwige Liefde, opdat hun gloed het Goddelijk Licht moge begroeten, dat weldra dit altaar zal heiligen door de kruisiging van al hun zonden in het Mysterie van de Eucharistie.
Spreek toch, o Gouden Stem, opdat de Heilige Geest Uw Zoon in de Kelk geboren laat worden, want de Eucharistie houdt de Hemel geopend voor de eindeloze stroom der Goddelijke Genaden.
O laat toch het Licht der wereld over dit altaar neerdalen. Hoezeer verlangt mijn ziel naar het Hemels Geneesmiddel van Genade in de eenwording met Jezus in de geheiligde vruchten van de aarde en van de wijngaard, zoals U steeds één met Hem bent geweest vanaf Uw Onbevlekte Ontvangenis.
O Moeder van de Eucharistie, wil toch mijn ziel wassen aan de bron der Genaden die over dit altaar stroomt, opdat zij genezen worde in het Licht der Verlossing.
O Maria, red de Kerk van Jezus Christus, en wek in elke ziel de liefde tot de Gedachtenis aan het Offer van het Lam Gods, opdat Gods Rijk kome. AMEN.