O Jezus verberg U niet voor mij, want zonder U kan ik niet leven.
Verhoor het roepen van mijn ziel.
Uw barmhartigheid is niet uigeput; ontferm U dus over mijn ellende.
Uw barmhartigheid gaat het verstand van engelen en mensen samen te boven.
Ofschoon het lijkt, dat U mij niet hoort, stel ik mijn hele vertrouwen op uw barmhartigheid.
Ik weet dat U mij niet teleurstelt. Amen.
19-10-2011
JEZUS VRAAGT ... PPS.
Verheerlijking aan Maria. PPS.
LITANIE VAN HET HEILIG AANSCHIJN .
Heer, ontferm U over ons.
Christus, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons.
Christus, aanhoor ons. Christus, verhoor ons.
God, hemelse Vader, ontferm U over ons.
God, heilige Geest, ontferm U over ons.
God Zoon, Verlosser van de wereld, ontferm U over ons.
Heilige Drievuldigheid, één God, ontferm U over ons.
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht bedroefd werd bij het zien van Jeruzalem en weende over deze ondankbare stad, ontferm U over ons.
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht in het Hof van Olijven naar de aarde gebogen was onder de last van onze zonden,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht baadde in bloedig zweet,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht werd gekust door Judas, de verrader,
Jezus, door de macht van uw aanbiddelijk Aangezicht werden de soldaten tegen de grond geworpen in de Hof van Olijven,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht werd besmeurd met speeksel en gewond door slagen,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht geslagen werd door een knecht, bespot door vijanden en ontwijd door hun kwaadwillige handen,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht werd vernederd ten overstaan van de overheden van Jeruzalem,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht zijn blijmoedige kalmte bewaarde, toen Pilatus het doodvonnis uitsprak,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht het voorhoofd gekroond werd met doornen,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht bedekt was met zweet en bloed en tegen de grond gevallen onder het kruis,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht door Veronica werd afgedroogd op de weg naar Calvarië,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht opgeheven was aan het folterende kruis,
Jezus, van Wiens aanbiddelijk Aangezicht de ogen tranen stortten van bloed,
Jezus, van Wiens aanbiddelijk Aangezicht de mond gefolterd werd met gal en azijn,
Jezus, aanbiddelijk Aangezicht, Wiens haren en baard werden uitgerukt door de wrede beulen,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht misvormd werd als dat van een melaatse,
Jezus, van Wiens aanbiddelijk Aangezicht de onvergelijkelijke schoonheid misvormd werd door de zonden van de wereld,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht werd overschaduwd door de rouwvolle schaduwen van de dood,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht werd gewassen, gezalfd en in een lijkwade gewikkeld door Maria en de heilige vrouwen,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht te rusten werd gelegd in het graf,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht schitterde van schoonheid op de dag van uw verrijzenis,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht straalde van glorie op de dag van uw hemelvaart,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht verborgen is in het allerheiligste Sacrament,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht zal verschijnen op de wolken aan het einde van de wereld met grote macht en majesteit,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht de schrik zal zijn voor de zondaars,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht de vreugde is van de rechtvaardigen in de hemel,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht onze liefde, kracht en vreugde is hier op aarde,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht voor ons de bron is, waaruit de kennis van uw wezen opbloeit,
Jezus, Wiens aanbiddelijk Aangezicht onze Enige is en ons Al,
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, spaar ons, Heer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons, Heer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons.
Christus aanhoor ons. Christus verhoor ons.
Heer, ontferm U over ons. Christus ontferm U over ons.
O Heer, toon ons uw Aanschijn.
En wij zullen gered worden.
Laat ons bidden.
Wij smeken U, almachtige en barmhartige God, geef ons en allen die eer brengen aan het Aanschijn van uw veelgeliefde Zoon, dat misvormd werd door onze zonden, de genade dit heilig Aanschijn te aanschouwen in de glorie van zijn Majesteit.
Door Christus onze Heer. Amen.
GEBED TOT MARIA.
"O heilige Maagd, Moeder van God, Koningin der mensen en der engelen, wonder van hemel en aarde, ik vereer U op alle wijzen, waarop het mij volgens God vergund is, waarop ik het, overeenkomstig Uw grootheid verplicht ben en waarop Uw enige Zoon Jezus Christus, onze Heer, verlangt, dat gij op aarde en in de hemel wordt vereerd.
Ik offer U mijn ziel en mijn leven, en wil U voor altijd toebehoren, en U in tijd en eeuwigheid een bijzondere hulde en afhankelijkheid betonen. Moeder van genade en barmhartigheid, ik kies U tot Moeder van mijn ziel, ter ere van het welgevallen dat God zelf er in vond, U tot zijn Moeder te kiezen. Koningin der mensen en der engelen, ik aanvaard en erken U als mijn Vorstin, ik eer daardoor, dat Vaders Zoon, mijn Verlosser en mijn God, van U, als van zijn Moeder afhankelijk wilde zijn, en ik geef U, in die hoedanigheid van Vorstin, alle macht over mijn ziel en mijn leven, die het mij, volgens God, geoorloofd is, U te geven. O heilige Maagd, beschouw mij als de Uwe, en, door Uw goedheid, handel met mij als met de onderhorige van Uw heerschappij en het voorwerp van Uw barmhartigheid.
O Bron van leven en genade, Toevlucht der zondaren, om bevrijd te worden van de zonde en voorbehoed voor de eeuwige dood, neem ik mijn toevlucht tot U; moge ik staan onder Uw voogdij, delen in Uw voorrechten en door Uw grootheid, Uw voorrechten en het recht, U toe te behoren, genadig verkrijgen, wat ik om mijn schuld niet verdien te bekomen; laat mijn laatste levensuur, dat beslissen zal over mijn eeuwigheid, in Uw handen zijn, ter ere van het zalig ogenblik der Menswording, toen God mens werd en U tot zijn Moeder maakte.
O Maagd en Moeder tevens! O geheiligde Tempel van de Godheid! O wonder van hemel en aarde! O Moeder van mijn God! Ik behoor U toe op de algemene rechtsgrond van Uw grootheid, maar wil dit bovendien op de bijzondere rechtsgrond van mijn keuze en vrije wil. Ik geef mij dus aan U en aan Uw enige Zoon, Jezus Christus, onze Heer, en geen enkele dag wil ik laten voorbijgaan, zonder aan Hem en U enige bijzondere hulde te brengen, en enige betuigingen te geven van mijn afhankelijkheid en dienstbaarheid, waarin ik verlang te sterven en voor eeuwig te leven."
"Hart van Jezus, waarin alle schatten zijn van wijsheid en wetenschap".
Die aanroeping van het H. Hart spreekt ons over de brief aan de Kolossenzen. Ze doet ons begrijpen hoe nodig het is, naar het Hart van Christus te gaan om binnen te treden in Gods volheid.
De wetenschap waarvan hier sprake is, is niet de kennis die opgeblazen maakt, en steunt op menselijke macht. Het is de goddelijke wijsheid, een mysterie dat van eeuwigheid verborgen was in de gedachte van God, de Schepper van het heelal. Het is een nieuwe wijsheid, die verborgen is voor de wijzen en verstandigen van deze wereld, maar geopenbaard wordt aan de kleinen, die rijk zijn aan nederigheid, eenvoud en zuiverheid van hart.
Die wetenschap en wijsheid bestaan in de kennis van de onzichtbare God, die de mensen oproept om te delen in zijn goddelijke natuur en die hen uitnodigt tot gemeenschap met Hem.
Wij weten van deze dingen, omdat God zelf zich gewaardigd heeft ze ons te openbaren door zijn Zoon, die de wijsheid van God is.
In Hem en door Hem is alles geschapen in de hemelen en op de aarde. De wijsheid van Christus is hoger dan die van Salomo. Zijn rijkdom is ondoorgrondelijk. Zijn liefde gaat alle kennis te boven. Maar door het geloof is het mogelijk te vatten, met alle heiligen, de breedte en lengte en hoogte en diepte.
Menselijke kennis is als het water van onze fonteinen: wie ervan drinkt, krijgt opnieuw dorst. Maar de wijsheid en kennis van Jezus openen de ogen van onze geest, raken het hart in het diepst van zijn wezen en doen in de mens de transcendente liefde ontkiemen; ze bevrijden ons van duistere dwalingen, van zondesmetten, van het gevaar van de dood; ze leiden ons binnen in de volle gemeenschap van de goddelijke goederen, die het verstand van de menselijke geest volstrekt te boven gaan.
Door de wijsheid en wetenschap van Jezus zijn wij in de liefde geworteld en gegrondvest. Zo wordt de nieuwe mens innerlijk gevormd, de mens die God in het centrum van zijn leven plaatst en zich tegelijk ten dienste stelt van zijn broeders.
Die graad van volmaaktheid bereikte Maria, Moeder van Jezus en onze Moeder, het unieke voorbeeld van de nieuwe schepping, verrijkt met de volheid van genade en geheel bereid Gods wil te volbrengen: "Zie de dienstmaagd van de Heer, mij geschiede naar uw woord". Daarom aanroepen wij haar als "zetel van wijsheid".
"Hart van Jezus, gloeiende oven van liefde".
Willen wij, samen met de moeder van God, onze harten naar het Hart van haar goddelijke Zoon toewenden.
"Oven van liefde". Een oven brandt, en brandend verteert hij alles, zowel het hout als andere brandbare stoffen.
Het Hart van Jezus, het menselijk Hart van Jezus brandt van liefde, waar zijn Hart vol van is. En die liefde is de liefde voor de Eeuwige Vader en de liefde voor de mensen: voor zijn aangenomen dochters en zonen.
Een brandende oven heeft de neiging langzaam uit te doven. Het Hart van Jezus echter is een onuitblusbare oven. Het is net als met de "doornstruik in lichterlaaie" in het boek Exodus, toen God zich aan Mozes openbaarde. De brandende doornstruik.... "verbrandde echter niet".
De brandende liefde in het Hart van Jezus is in feite de H. Geest, in wie de Zoon zich verenigt met de Vader. Het Hart van Jezus, het menselijk hart van de Godmens, is geheel vervuld van de "levende vlam" van de trinitaire Liefde die nooit uitdooft.
Hart van Jezus, gloeiende oven van liefde. Al gloeiend verlicht die oven de duistere nacht en verwarmt hij de verkilde lichamen van de reizigers. Wij willen bidden tot de Moeder van het Eeuwige Woord, opdat het Hart van Jezus - die gloeiende oven van liefde - nooit ophoud te branden in ieder leven, in het leven van ieder van ons; opdat de eeuwige Liefde, die nooit uitdooft of vermindert, ons de Liefde openbare; opdat ze de duisternis van de nacht verlichte en de harten verwarmd.
Hoe verheugt de Kerk zich omwille van dit goddelijk Hart, dat de harten van de mensen doet ontbranden!
Terwijl wij danken voor die unieke liefde, die in staat is de wereld en het leven van de mensen om te vormen, richten wij ons, in vereniging met de Onbevlekte Maagd, tot het Goddelijk Hart dat niet ophoudt "een brandende oven" te zijn. Brandend, zoals de "doornstruik" die Mozes zag aan de voet van de berg Horeb.
18-10-2011
MIRJANA SPREEKT VOOR DE EERSTE KEER IN 30 JAAR?
MIRJANA SPREEKT VOOR DE EERSTE KEER IN 30 JAAR, EEN DRINGENDE SMEEKBEDE NA DE VERSCHIJNING.
God, de Schepper van hemel en aarde, is ook de God van alle vertroosting. Vele bladzijden van het Oude Testament tonen ons God, die in zijn overgrote liefde en zijn oneindig medelijden zijn volk moed inspreekt wanneer het in diepe droefheid neerzit. Als Hij Jeruzalem, dat verwoest en verlaten is, weer wil opbeuren, beveelt Hij zijn profeten een boodschap van troost te brengen: "Bemoedig, bemoedig mijn volk..... En spreekt tot het hart van Jeruzalem en roept het toe dat zijn diensttijd voorbij is"; en aan Israël, dat bevangen is van angst voor zijn vijanden, verklaart Hij: "Ik, Ik ben het zelf die u bemoedig"; en elders, als Hij zich vergelijkt met een moeder die vol tederheid is voor haar kinderen, openbaart Hij zijn wil om Jeruzalem vrede, vreugde en troost te brengen: "Verheugt u, samen met Jeruzalem, en juicht over haar, gij allen die haar liefhebt. Gij mag zuigen en u verzadigen aan haar troostrijke borsten. Zoals een moeder haar kind troost, zo zal Ik u troosten: in Jeruzalem zult gij getroost worden".
De "God-die-troost" is onder ons gekomen in Jezus, waarachtig God en waarachtig mens, onze broeder. Als eerste wijst op Hem de vrome Simeon, die de vreugde beleefde het kind Jezus in zijn armen te houden en in Hem "Israëls vertroosting" te herkennen. Tijdens heel Jezus's leven was zijn prediking van het Rijk niets anders dan de bediening van die vertroosting: de verkondiging van een blijde boodschap aan de armen, de aankondiging van de vrijlating aan de gevangenen, genezing van de zieken, genade en heil voor allen. Van het Hart van Jezus komt die verrassende zaligspreking: "Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden": verderop horen we dezelfde verrassende uitnodiging: "Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken". De vertroosting die uitging van het Hart van Christus was zijn medeleven met het menselijk lijden, het verlangen om de angst tot bedaren te brengen en de droefheid te temperen, een concreet teken van vriendschap. In zijn woorden en gebaren van troost liggen een bewonderenswaardige rijkdom van gevoel en doeltreffendheid van handelen. Toen Hij bij de stadspoort van Naïn de weduwe ontmoette, die haar enige zoon uitdroeg naar de begraafplaats, deelde Jezus haar smart: "Hij voelde medelijden met haar". Hij raakte de lijkbaar aan, beval de jongeling op te staan en gaf hem aan zijn moeder weer.
Het Hart van de Verlosser is ook, of liever, is wezenlijk "de bron van vertroosting", want Christus geeft, samen met de Vader, de Geest van vertroosting: "Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere Helper geven om voor altijd bij u te blijven", de Geest van waarheid en vrede, van broederschap en lieflijkheid, van steun en vertroosting, het is de Geest die komt dank zij de Pasen van Christus en de gebeurtenis van Pinksteren.
Heel het leven van Christus was dus een voortdurende bediening van barmhartigheid en vertroosting. De Kerk, die het Hart van Jezus beschouwt als de bron van genade en troost, heeft die wonderbare realiteit uitgedrukt in de aanroeping: "Hart van Jezus, bron van alle troost, ontferm U over ons". - Die aanroeping herinnert aan de bron waaraan de Kerk in de loop der eeuwen troost en hoop heeft geput in het uur van beproeving en vervolging; - het is een uitnodiging om in het Hart van Christus de waarachtige, blijvende en afdoende vertroosting te zoeken; - het is ook een vermaning: na zelf de vertroosting van de Heer te hebben ervaren, moeten wij op onze beurt bewogen en overtuigde uitdragers worden van onze geestelijke ervaring, die ons hetzelfde doet zeggen als de Apostel Paulus: de Heer "troost ons in al onze tegenspoed, zodat wij in staat zijn anderen te troosten in al hun noden, dank zij de troost die wij van God ontvangen".
Laten wij Maria, de Troosteres van de bedrukten, smeken ons in de duistere momenten van droefheid en angst naar Jezus te leiden, haar geliefde Zoon, "de bron van alle vertroosting".
Wandel ootmoedig met uw God.
Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God (Micha 6:8).
Wereldse mensen verootmoedigen zich niet voor God.
God stuurde Mozes naar Farao met de boodschap: "Hoe lang zult gij weigeren u voor mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat mijn volk gaan om Mij te dienen (Exodus 10:3). Toen Mozes de Farao eerst vroeg om het volk te laten gaan, was zijn antwoord: Wie is de HERE, naar wie ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan? Ik ken de HERE niet, en ik zal Israël ook niet laten gaan (Exodus 5:2).
God waarschuwt: Wie hoog van ogen en trots van hart is, die duld ik niet (Psalm 101:5). Dan zal ik aan de wereld het kwaad bezoeken en aan de goddelozen hun ongerechtigheid, en Ik zal de trots der overmoedigen doen ophouden en de hoogmoed der geweldenaars vernederen (Jesaja 13:11).
De verwaten ogen der mensen worden vernederd en de trots der mannen wordt neergebogen en de HERE alleen is te dien dage verheven. Want er is een dag van de HERE der heerscharen tegen al wat hoogmoedig is en trots en tegen al wat zich verheft, opdat het vernederd worde (Jesaja 2:11, 12).
Wanneer mensen zich bekeren en zich voor God verootmoedigen, worden zij door Hem gezegend.
Daar hij de goede raad van ouderen in de wind had geslagen, verloor koning Rechabeam het grootste gedeelte van het rijk dat Salomo hem had achtergelaten (1 Koningen 12:1 t/m 16). In het vijfde jaar van zijn bewind, omdat hij en gans Israël ontrouw waren geworden jegens de HERE, liet God toe dat Sisak, de koning van Egypte, de versterkte steden van Juda innam en tot aan Jeruzalem optrok (2 Kronieken 12:1 t/m 4).
Toen kwam de profeet Semaja tot Rechabeam en de oversten van Juda, die wegens de komst van Sisak te Jeruzalem bijeen waren, en zeide tot hen: Zo zegt de HERE: gij hebt Mij verlaten, nu heb Ik ook u verlaten en gegeven in de macht van Sisak. Hierop verootmoedigden zich de oversten van Israël en de koning, en zij zeiden: De HERE is rechtvaardig. Toen de HERE zag, dat zij zich verootmoedigd hadden, kwam het woord des HEREN tot Semaja: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verdelgen, maar hun spoedig uitredding geven, zodat mijn toorn zich niet over Jeruzalem zal uitstorten door de hand van Sisak. Zij zullen hem echter tot knechten zijn, zodat zij [het verschil tussen] mijn dienst en de dienst van de koninkrijken der landen leren kennen (2 Kronieken 12:5 t/m 8).
Hoewel God Sisak toeliet Jeruzalem te overwinnen en te belasten, mocht Rechabeam koning blijven. Omdat hij zich verootmoedigde, wendde de toorn des HEREN zich van hem af, zodat Hij hem niet geheel en al te gronde richtte. Ook was er in Juda nog wel iets goeds (2 Kronieken 12:12).
God verhoogt de nederigen en vernedert de hoogmoedigen.
Dit principe wordt doorheen het Oude Testament geleerd.
Ootmoedigen doet Hij wandelen in het recht, en Hij leert ootmoedigen zijn weg (Psalm 25:9).
De HERE houdt de ootmoedigen staande, maar Hij vernedert de goddelozen ter aarde toe (Psalm 147:6). Hij kroont de ootmoedigen met heil (Psalm 149:4).
Wanneer Hij met spotters te doen heeft, spot Hij zelf, maar de nederigen geeft Hij genade (Spreuken 3:34).
Als overmoed komt, komt schande mee, maar wijsheid is bij de ootmoedigen (Spreuken 11:2).
Vóór de val is het hart van de mens hoogmoedig, maar ootmoed gaat vooraf aan de eer (Spreuken 18:12).
Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die in eeuwigheid troont en wiens naam de Heilige is: In den hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven (Jesaja 57:15).
Meerdere voorbeelden worden gegeven.
Mozes nu was een zeer zachtmoedig man, meer dan enig mens op de aardbodem (Numeri 12:3).
Hij zei aan Israël: Gedenk dan heel de weg, waarop de HERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden. Ja, Hij verootmoedigde u, deed u honger lijden en gaf u het manna te eten, dat gij niet kendet en dat ook uw vaderen niet gekend hadden, om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond des HEREN uitgaat (Deuteronomium 8:2, 3).
Aan Salomo beloofde God dat Hij het volk zou vergeven wanneer zij zich bekeerden en zich vernederden: Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten, indien Ik pest onder mijn volk zend, en mijn volk waarover mijn naam is uitgeroepen, verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun zonde vergeven en hun land herstellen (2 Kronieken 7:13, 14).
Koning Hizkia herstelde de ware aanbidding in Juda. Hij moedigde ook de tien stammen van Israël aan om zich tot God te bekeren: Toen de ijlboden van stad tot stad door het land van Efraïm en Manasse trokken en tot Zebulon toe, lachte men hen uit en bespotte men hen. Maar enige mannen uit Aser, Manasse en Zebulon verootmoedigden zich en kwamen naar Jeruzalem (2 Kronieken 30:10, 11).
Nadat hij 14 jaar had geregeerd, was Hizkia trots geworden en God heeft besloten een einde aan zijn leven te stellen. Maar toen hij zich verootmoedigde, heeft God zijn leven nog 15 jaar verlengd. Maar Jechizkia schoot te kort in dankbaarheid voor de weldaad, hem bewezen, want hij werd hoogmoedig, zodat er toorn kwam te rusten op hem, op Juda en op Jeruzalem. Toen verootmoedigde Jechizkia zich over zijn hoogmoed, hij en de inwoners van Jeruzalem, zodat de toorn des HEREN niet over hen kwam in de dagen van Jechizkia (2 Kronieken 32:25, 26).
Ezra en het volk, toen zij uit de Babylonische ballingschap terugkeerden, verootmoedigden zich voor God en vroegen om Zijn bescherming: Toen riep ik daar, bij de rivier Ahawa, een vasten uit om ons te verootmoedigen voor onze God, en van Hem een voorspoedige tocht af te smeken voor ons, onze kinderen en al onze have. Want ik had mij geschaamd van de koning een leger en ruiters te vragen om ons te beschermen tegen vijanden onderweg; wij hadden namelijk tot de koning gezegd: De hand van onze God is ten goede over allen die Hem zoeken, maar zijn macht en zijn toorn zijn tegen allen die Hem verlaten. Dus vastten wij en smeekten onze God hierover, en Hij liet Zich door ons verbidden (Ezra 8:21 t/m 23).
Ook het Nieuwe Testament leert ons ootmoedig met God te wandelen.
Vernedert u voor de Here, en Hij zal u verhogen (Jakobus 4:10).
Jezus zei: Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen (Matteüs 18:4). Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden (Matteüs 23:12).
Hij sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen verachtten, deze gelijkenis: Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een Farizeeër, de ander een tollenaar. De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al mijn inkomsten. De tollenaar stond van verre en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst en zeide: O God, wees mij, zondaar, genadig! Ik zeg u: Deze keerde, in tegenstelling met de ander, gerechtvaardigd naar huis terug. Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden (Lucas 18:9 t/m 14).
Paulus schreef: Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige. Weest niet eigenwijs (Romeinen 12:16).
Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader! (Filippenzen 2:5 t/m 11).
Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld (Kolossenzen 3:12).
Petrus geeft de vermaning: Omgordt u allen jegens elkander met nederigheid, want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd (1 Petrus 5:5, 6).
Wereldse mensen vernederen zich niet voor God. Indien zij zich bekeren echter en zich vernederen, worden zij door God gezegend. Gods volk vernedert zich voor God en onderwerpt zich aan Zijn wil. God verhoogt de nederigen en vernedert de hoogmoedigen.
Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God (Micha 6:8). Amen.
Wat hebben wij nodig?
Basisbehoeften van de mens zijn lucht, water, voedsel, kleding en onderdak.
De Schrift leert dat men voor zijn eigen onderhoud en voor de noden van zijn gezin moet zorgen: "Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten" (2 Tessalonicenzen 3:10).
Toch zijn er altijd mensen die wegens ouderdom, ziekte of andere omstandigheden, behoeftig zijn. Gelovigen helpen elkaar: "En laten ook de onzen leren voor te gaan in goede werken, ter voorziening in hetgeen noodzakelijk is, opdat zij niet onvruchtbaar zijn" (Titus 3:14). "Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige" (Efeziërs 4:28).
Wij helpen elkaar uit liefde: "Weest in broederliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld, in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Here. Weest blijde in de hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed, bijdragend in de noden der heiligen, legt u toe op de gastvrijheid" (Romeinen 12:10 t/m 13).
Holle woorden zijn nog geen liefde: "Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, en iemand uwer zegt tot hen: Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit?" (Jakobus 2:15,16). "Wie nu in de wereld een bestaan heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit, hoe blijft de liefde Gods in hem?" (1 Johannes 3:17).
De gemeente te Jeruzalem heeft hierin de toon gezet: "En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden" (Handelingen 2:44,45). "Want er was ook niet één behoeftig onder hen; want allen, die eigenaars waren van stukken grond of van huizen, verkochten die en brachten de opbrengst van de verkoop en legden die aan de voeten der apostelen; en aan een ieder werd uitgedeeld naar behoefte" (Handelingen 4:34,35).
De gemeenten van Achaje brachten eer aan God door mensen in andere landen te helpen: "Want het dienstbetoon met deze ondersteuning draagt niet alleen bij tot de behoeften der heiligen, maar het is ook overvloedig door vele dankzeggingen aan God. Want door dit duidelijk blijk van hulpbetoon prijzen zij God om uw gehoorzaam belijden van het evangelie van Christus en om uw onbekrompen delen met hen en met allen" (2 Korinthiërs 9:12,13). Let op dat deze mededeelzaamheid wordt beschreven als het evangelie gehoorzamen.
Bij dit alles mogen wij op Gods hulp rekenen. Hij weet wel wat wij nodig hebben: "En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. Wordt hun dan niet gelijk, want God uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt" (Matteüs 6:7,8).
Wanneer wij anderen helpen, zal God ook voor ons zorgen. Nadat Paulus de Filippenzen voor hun ondersteuning gedankt had, vervolgde hij: "Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus" (Filippenzen 4:19).
Het vervullen van onze basisbehoeften mag niet het hoogste doel van ons leven zijn: "Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft. Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden" (Matteüs 6:31 t/m 33).
De geestelijke noden worden door velen over het hoofd gezien, vooral indien zij welgesteld zijn. Aan de rijke, lauwe gemeente te Laodicea zei Jezus: "Gij zegt: Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt de ellendige en jammerlijke en arme en blinde en naakte" (Openbaring 3:17).
De geestelijke noden zijn belangrijker dan de lichamelijke. Dit moest Marta leren: "Terwijl zij op reis waren, kwam Hij in een zeker dorp. En een vrouw, Marta geheten, ontving Hem in haar huis. En deze had een zuster, genaamd Maria, die, aan de voeten des Heren gezeten, naar zijn woord luisterde. Marta echter werd in beslag genomen door het vele bedienen. En zij ging bij Hem staan en zeide: Here, trekt Gij het U niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg haar dan, dat zij mij komt helpen. Maar de Here antwoordde en zeide tot haar: Marta, Marta, gij maakt u bezorgd en druk over vele dingen, maar weinige zijn nodig of slechts één; want Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen" (Lucas 10:38 t/m 42).
Leden van het lichaam van Christus hebben elkaar nodig: "En het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig. Ja, veeleer zijn die leden van het lichaam, welke het zwakst schijnen, noodzakelijk" (1 Korintiërs 12:21,22).
Jezus heeft tot opbouw herders, evangelisten en leraars aan Zijn gemeente gegeven (Efeziërs 4:1 t/m 18). Vooral pasbekeerden hebben veel hulp van anderen nodig. De Hebreeën waren geestelijk onvolwassen gebleven. "Want hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig [en] geen vaste spijs" (Hebreeën 5:12).
Boven alles, hebben wij Jezus nodig, die het brood des levens is. "Ik ben het brood des levens. Uw vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve. Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld" (Johannes 6:48 t/m 51).
Vergeving van zonden hebben wij nodig, wat alleen door Christus mogelijk is. "En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden" (Handelingen 4:12). Vergeving kunnen wij ontvangen indien wij in Jezus geloven, ons bekeren en ons laten dopen: "Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen" (Handelingen 2:38).
Velen menen dat ze de doop niet nodig hebben. Ze zijn uitermate hoogmoedig, want zowel Johannes de Doper als Jezus Zelf dachten er anders over. "Toen kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om Zich door hem te laten dopen. Maar deze trachtte Hem daarvan terug te houden en zeide: Ik heb nodig door U gedoopt te worden en komt Gij tot mij? Jezus echter antwoordde en zeide tot hem: Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij Hem geworden" (Matteüs 3:13 t/m 15).
Uit de doop staan wij op in nieuwheid des levens (Romeinen 6:3,4). Dan moeten wij Jezus blijven volgen: "Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is" (Hebreeën 10:36).
Vertrouwend op God, laten wij arbeiden om in onze basisbehoeften te voorzien en anderen te helpen. Boven alles, laten wij voor onze geestelijke noden zorgen door Gods koninkrijk te zoeken. Jezus is de enige bron van geestelijk onderhoud.
17-10-2011
BOODSCHAP VAN DE BARMHARTIGE LIEFDE AAN DE KLEINE ZIELEN.