For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
18-10-2011
"Hart van Jezus, bron van alle troost".
God, de Schepper van hemel en aarde, is ook de God van alle vertroosting. Vele bladzijden van het Oude Testament tonen ons God, die in zijn overgrote liefde en zijn oneindig medelijden zijn volk moed inspreekt wanneer het in diepe droefheid neerzit. Als Hij Jeruzalem, dat verwoest en verlaten is, weer wil opbeuren, beveelt Hij zijn profeten een boodschap van troost te brengen: "Bemoedig, bemoedig mijn volk..... En spreekt tot het hart van Jeruzalem en roept het toe dat zijn diensttijd voorbij is"; en aan Israël, dat bevangen is van angst voor zijn vijanden, verklaart Hij: "Ik, Ik ben het zelf die u bemoedig"; en elders, als Hij zich vergelijkt met een moeder die vol tederheid is voor haar kinderen, openbaart Hij zijn wil om Jeruzalem vrede, vreugde en troost te brengen: "Verheugt u, samen met Jeruzalem, en juicht over haar, gij allen die haar liefhebt. Gij mag zuigen en u verzadigen aan haar troostrijke borsten. Zoals een moeder haar kind troost, zo zal Ik u troosten: in Jeruzalem zult gij getroost worden".
De "God-die-troost" is onder ons gekomen in Jezus, waarachtig God en waarachtig mens, onze broeder. Als eerste wijst op Hem de vrome Simeon, die de vreugde beleefde het kind Jezus in zijn armen te houden en in Hem "Israëls vertroosting" te herkennen. Tijdens heel Jezus's leven was zijn prediking van het Rijk niets anders dan de bediening van die vertroosting: de verkondiging van een blijde boodschap aan de armen, de aankondiging van de vrijlating aan de gevangenen, genezing van de zieken, genade en heil voor allen. Van het Hart van Jezus komt die verrassende zaligspreking: "Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden": verderop horen we dezelfde verrassende uitnodiging: "Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken". De vertroosting die uitging van het Hart van Christus was zijn medeleven met het menselijk lijden, het verlangen om de angst tot bedaren te brengen en de droefheid te temperen, een concreet teken van vriendschap. In zijn woorden en gebaren van troost liggen een bewonderenswaardige rijkdom van gevoel en doeltreffendheid van handelen. Toen Hij bij de stadspoort van Naïn de weduwe ontmoette, die haar enige zoon uitdroeg naar de begraafplaats, deelde Jezus haar smart: "Hij voelde medelijden met haar". Hij raakte de lijkbaar aan, beval de jongeling op te staan en gaf hem aan zijn moeder weer.
Het Hart van de Verlosser is ook, of liever, is wezenlijk "de bron van vertroosting", want Christus geeft, samen met de Vader, de Geest van vertroosting: "Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere Helper geven om voor altijd bij u te blijven", de Geest van waarheid en vrede, van broederschap en lieflijkheid, van steun en vertroosting, het is de Geest die komt dank zij de Pasen van Christus en de gebeurtenis van Pinksteren.
Heel het leven van Christus was dus een voortdurende bediening van barmhartigheid en vertroosting. De Kerk, die het Hart van Jezus beschouwt als de bron van genade en troost, heeft die wonderbare realiteit uitgedrukt in de aanroeping: "Hart van Jezus, bron van alle troost, ontferm U over ons". - Die aanroeping herinnert aan de bron waaraan de Kerk in de loop der eeuwen troost en hoop heeft geput in het uur van beproeving en vervolging; - het is een uitnodiging om in het Hart van Christus de waarachtige, blijvende en afdoende vertroosting te zoeken; - het is ook een vermaning: na zelf de vertroosting van de Heer te hebben ervaren, moeten wij op onze beurt bewogen en overtuigde uitdragers worden van onze geestelijke ervaring, die ons hetzelfde doet zeggen als de Apostel Paulus: de Heer "troost ons in al onze tegenspoed, zodat wij in staat zijn anderen te troosten in al hun noden, dank zij de troost die wij van God ontvangen".
Laten wij Maria, de Troosteres van de bedrukten, smeken ons in de duistere momenten van droefheid en angst naar Jezus te leiden, haar geliefde Zoon, "de bron van alle vertroosting".
Wandel ootmoedig met uw God.
Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God (Micha 6:8).
Wereldse mensen verootmoedigen zich niet voor God.
God stuurde Mozes naar Farao met de boodschap: "Hoe lang zult gij weigeren u voor mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat mijn volk gaan om Mij te dienen (Exodus 10:3). Toen Mozes de Farao eerst vroeg om het volk te laten gaan, was zijn antwoord: Wie is de HERE, naar wie ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan? Ik ken de HERE niet, en ik zal Israël ook niet laten gaan (Exodus 5:2).
God waarschuwt: Wie hoog van ogen en trots van hart is, die duld ik niet (Psalm 101:5). Dan zal ik aan de wereld het kwaad bezoeken en aan de goddelozen hun ongerechtigheid, en Ik zal de trots der overmoedigen doen ophouden en de hoogmoed der geweldenaars vernederen (Jesaja 13:11).
De verwaten ogen der mensen worden vernederd en de trots der mannen wordt neergebogen en de HERE alleen is te dien dage verheven. Want er is een dag van de HERE der heerscharen tegen al wat hoogmoedig is en trots en tegen al wat zich verheft, opdat het vernederd worde (Jesaja 2:11, 12).
Wanneer mensen zich bekeren en zich voor God verootmoedigen, worden zij door Hem gezegend.
Daar hij de goede raad van ouderen in de wind had geslagen, verloor koning Rechabeam het grootste gedeelte van het rijk dat Salomo hem had achtergelaten (1 Koningen 12:1 t/m 16). In het vijfde jaar van zijn bewind, omdat hij en gans Israël ontrouw waren geworden jegens de HERE, liet God toe dat Sisak, de koning van Egypte, de versterkte steden van Juda innam en tot aan Jeruzalem optrok (2 Kronieken 12:1 t/m 4).
Toen kwam de profeet Semaja tot Rechabeam en de oversten van Juda, die wegens de komst van Sisak te Jeruzalem bijeen waren, en zeide tot hen: Zo zegt de HERE: gij hebt Mij verlaten, nu heb Ik ook u verlaten en gegeven in de macht van Sisak. Hierop verootmoedigden zich de oversten van Israël en de koning, en zij zeiden: De HERE is rechtvaardig. Toen de HERE zag, dat zij zich verootmoedigd hadden, kwam het woord des HEREN tot Semaja: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verdelgen, maar hun spoedig uitredding geven, zodat mijn toorn zich niet over Jeruzalem zal uitstorten door de hand van Sisak. Zij zullen hem echter tot knechten zijn, zodat zij [het verschil tussen] mijn dienst en de dienst van de koninkrijken der landen leren kennen (2 Kronieken 12:5 t/m 8).
Hoewel God Sisak toeliet Jeruzalem te overwinnen en te belasten, mocht Rechabeam koning blijven. Omdat hij zich verootmoedigde, wendde de toorn des HEREN zich van hem af, zodat Hij hem niet geheel en al te gronde richtte. Ook was er in Juda nog wel iets goeds (2 Kronieken 12:12).
God verhoogt de nederigen en vernedert de hoogmoedigen.
Dit principe wordt doorheen het Oude Testament geleerd.
Ootmoedigen doet Hij wandelen in het recht, en Hij leert ootmoedigen zijn weg (Psalm 25:9).
De HERE houdt de ootmoedigen staande, maar Hij vernedert de goddelozen ter aarde toe (Psalm 147:6). Hij kroont de ootmoedigen met heil (Psalm 149:4).
Wanneer Hij met spotters te doen heeft, spot Hij zelf, maar de nederigen geeft Hij genade (Spreuken 3:34).
Als overmoed komt, komt schande mee, maar wijsheid is bij de ootmoedigen (Spreuken 11:2).
Vóór de val is het hart van de mens hoogmoedig, maar ootmoed gaat vooraf aan de eer (Spreuken 18:12).
Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die in eeuwigheid troont en wiens naam de Heilige is: In den hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven (Jesaja 57:15).
Meerdere voorbeelden worden gegeven.
Mozes nu was een zeer zachtmoedig man, meer dan enig mens op de aardbodem (Numeri 12:3).
Hij zei aan Israël: Gedenk dan heel de weg, waarop de HERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden. Ja, Hij verootmoedigde u, deed u honger lijden en gaf u het manna te eten, dat gij niet kendet en dat ook uw vaderen niet gekend hadden, om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond des HEREN uitgaat (Deuteronomium 8:2, 3).
Aan Salomo beloofde God dat Hij het volk zou vergeven wanneer zij zich bekeerden en zich vernederden: Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten, indien Ik pest onder mijn volk zend, en mijn volk waarover mijn naam is uitgeroepen, verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dan zal Ik uit de hemel horen, en hun zonde vergeven en hun land herstellen (2 Kronieken 7:13, 14).
Koning Hizkia herstelde de ware aanbidding in Juda. Hij moedigde ook de tien stammen van Israël aan om zich tot God te bekeren: Toen de ijlboden van stad tot stad door het land van Efraïm en Manasse trokken en tot Zebulon toe, lachte men hen uit en bespotte men hen. Maar enige mannen uit Aser, Manasse en Zebulon verootmoedigden zich en kwamen naar Jeruzalem (2 Kronieken 30:10, 11).
Nadat hij 14 jaar had geregeerd, was Hizkia trots geworden en God heeft besloten een einde aan zijn leven te stellen. Maar toen hij zich verootmoedigde, heeft God zijn leven nog 15 jaar verlengd. Maar Jechizkia schoot te kort in dankbaarheid voor de weldaad, hem bewezen, want hij werd hoogmoedig, zodat er toorn kwam te rusten op hem, op Juda en op Jeruzalem. Toen verootmoedigde Jechizkia zich over zijn hoogmoed, hij en de inwoners van Jeruzalem, zodat de toorn des HEREN niet over hen kwam in de dagen van Jechizkia (2 Kronieken 32:25, 26).
Ezra en het volk, toen zij uit de Babylonische ballingschap terugkeerden, verootmoedigden zich voor God en vroegen om Zijn bescherming: Toen riep ik daar, bij de rivier Ahawa, een vasten uit om ons te verootmoedigen voor onze God, en van Hem een voorspoedige tocht af te smeken voor ons, onze kinderen en al onze have. Want ik had mij geschaamd van de koning een leger en ruiters te vragen om ons te beschermen tegen vijanden onderweg; wij hadden namelijk tot de koning gezegd: De hand van onze God is ten goede over allen die Hem zoeken, maar zijn macht en zijn toorn zijn tegen allen die Hem verlaten. Dus vastten wij en smeekten onze God hierover, en Hij liet Zich door ons verbidden (Ezra 8:21 t/m 23).
Ook het Nieuwe Testament leert ons ootmoedig met God te wandelen.
Vernedert u voor de Here, en Hij zal u verhogen (Jakobus 4:10).
Jezus zei: Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen (Matteüs 18:4). Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden (Matteüs 23:12).
Hij sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen verachtten, deze gelijkenis: Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een Farizeeër, de ander een tollenaar. De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al mijn inkomsten. De tollenaar stond van verre en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst en zeide: O God, wees mij, zondaar, genadig! Ik zeg u: Deze keerde, in tegenstelling met de ander, gerechtvaardigd naar huis terug. Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden (Lucas 18:9 t/m 14).
Paulus schreef: Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige. Weest niet eigenwijs (Romeinen 12:16).
Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader! (Filippenzen 2:5 t/m 11).
Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld (Kolossenzen 3:12).
Petrus geeft de vermaning: Omgordt u allen jegens elkander met nederigheid, want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd (1 Petrus 5:5, 6).
Wereldse mensen vernederen zich niet voor God. Indien zij zich bekeren echter en zich vernederen, worden zij door God gezegend. Gods volk vernedert zich voor God en onderwerpt zich aan Zijn wil. God verhoogt de nederigen en vernedert de hoogmoedigen.
Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God (Micha 6:8). Amen.
Wat hebben wij nodig?
Basisbehoeften van de mens zijn lucht, water, voedsel, kleding en onderdak.
De Schrift leert dat men voor zijn eigen onderhoud en voor de noden van zijn gezin moet zorgen: "Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten" (2 Tessalonicenzen 3:10).
Toch zijn er altijd mensen die wegens ouderdom, ziekte of andere omstandigheden, behoeftig zijn. Gelovigen helpen elkaar: "En laten ook de onzen leren voor te gaan in goede werken, ter voorziening in hetgeen noodzakelijk is, opdat zij niet onvruchtbaar zijn" (Titus 3:14). "Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige" (Efeziërs 4:28).
Wij helpen elkaar uit liefde: "Weest in broederliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld, in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Here. Weest blijde in de hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed, bijdragend in de noden der heiligen, legt u toe op de gastvrijheid" (Romeinen 12:10 t/m 13).
Holle woorden zijn nog geen liefde: "Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, en iemand uwer zegt tot hen: Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit?" (Jakobus 2:15,16). "Wie nu in de wereld een bestaan heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit, hoe blijft de liefde Gods in hem?" (1 Johannes 3:17).
De gemeente te Jeruzalem heeft hierin de toon gezet: "En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden" (Handelingen 2:44,45). "Want er was ook niet één behoeftig onder hen; want allen, die eigenaars waren van stukken grond of van huizen, verkochten die en brachten de opbrengst van de verkoop en legden die aan de voeten der apostelen; en aan een ieder werd uitgedeeld naar behoefte" (Handelingen 4:34,35).
De gemeenten van Achaje brachten eer aan God door mensen in andere landen te helpen: "Want het dienstbetoon met deze ondersteuning draagt niet alleen bij tot de behoeften der heiligen, maar het is ook overvloedig door vele dankzeggingen aan God. Want door dit duidelijk blijk van hulpbetoon prijzen zij God om uw gehoorzaam belijden van het evangelie van Christus en om uw onbekrompen delen met hen en met allen" (2 Korinthiërs 9:12,13). Let op dat deze mededeelzaamheid wordt beschreven als het evangelie gehoorzamen.
Bij dit alles mogen wij op Gods hulp rekenen. Hij weet wel wat wij nodig hebben: "En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. Wordt hun dan niet gelijk, want God uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt" (Matteüs 6:7,8).
Wanneer wij anderen helpen, zal God ook voor ons zorgen. Nadat Paulus de Filippenzen voor hun ondersteuning gedankt had, vervolgde hij: "Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus" (Filippenzen 4:19).
Het vervullen van onze basisbehoeften mag niet het hoogste doel van ons leven zijn: "Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft. Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden" (Matteüs 6:31 t/m 33).
De geestelijke noden worden door velen over het hoofd gezien, vooral indien zij welgesteld zijn. Aan de rijke, lauwe gemeente te Laodicea zei Jezus: "Gij zegt: Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt de ellendige en jammerlijke en arme en blinde en naakte" (Openbaring 3:17).
De geestelijke noden zijn belangrijker dan de lichamelijke. Dit moest Marta leren: "Terwijl zij op reis waren, kwam Hij in een zeker dorp. En een vrouw, Marta geheten, ontving Hem in haar huis. En deze had een zuster, genaamd Maria, die, aan de voeten des Heren gezeten, naar zijn woord luisterde. Marta echter werd in beslag genomen door het vele bedienen. En zij ging bij Hem staan en zeide: Here, trekt Gij het U niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg haar dan, dat zij mij komt helpen. Maar de Here antwoordde en zeide tot haar: Marta, Marta, gij maakt u bezorgd en druk over vele dingen, maar weinige zijn nodig of slechts één; want Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen" (Lucas 10:38 t/m 42).
Leden van het lichaam van Christus hebben elkaar nodig: "En het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig. Ja, veeleer zijn die leden van het lichaam, welke het zwakst schijnen, noodzakelijk" (1 Korintiërs 12:21,22).
Jezus heeft tot opbouw herders, evangelisten en leraars aan Zijn gemeente gegeven (Efeziërs 4:1 t/m 18). Vooral pasbekeerden hebben veel hulp van anderen nodig. De Hebreeën waren geestelijk onvolwassen gebleven. "Want hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig [en] geen vaste spijs" (Hebreeën 5:12).
Boven alles, hebben wij Jezus nodig, die het brood des levens is. "Ik ben het brood des levens. Uw vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve. Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld" (Johannes 6:48 t/m 51).
Vergeving van zonden hebben wij nodig, wat alleen door Christus mogelijk is. "En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden" (Handelingen 4:12). Vergeving kunnen wij ontvangen indien wij in Jezus geloven, ons bekeren en ons laten dopen: "Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen" (Handelingen 2:38).
Velen menen dat ze de doop niet nodig hebben. Ze zijn uitermate hoogmoedig, want zowel Johannes de Doper als Jezus Zelf dachten er anders over. "Toen kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om Zich door hem te laten dopen. Maar deze trachtte Hem daarvan terug te houden en zeide: Ik heb nodig door U gedoopt te worden en komt Gij tot mij? Jezus echter antwoordde en zeide tot hem: Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij Hem geworden" (Matteüs 3:13 t/m 15).
Uit de doop staan wij op in nieuwheid des levens (Romeinen 6:3,4). Dan moeten wij Jezus blijven volgen: "Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is" (Hebreeën 10:36).
Vertrouwend op God, laten wij arbeiden om in onze basisbehoeften te voorzien en anderen te helpen. Boven alles, laten wij voor onze geestelijke noden zorgen door Gods koninkrijk te zoeken. Jezus is de enige bron van geestelijk onderhoud.
17-10-2011
BOODSCHAP VAN DE BARMHARTIGE LIEFDE AAN DE KLEINE ZIELEN.
MARIAGEDICHTJE. PPS.
Eucharistich Wonder in de Provincie van Florence in Italië op 23 Mei 2003.
Jullie hebben gehoord dat er gezegd is: U zult uw naaste liefhebben en uw vijand haten. Maar Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie je vervolgen, dan zullen jullie kinderen worden van je Vader in de hemel, want die laat zijn zon opgaan over slechten en goeden, en Hij laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als je liefhebt wie jou liefheeft, welk loon verdien je dan? Doen de tollenaars dat ook niet? Als je alleen je broeders groet, wat voor bijzonders doe je dan? Doen de heidenen dat ook niet? Jullie zullen dus onverdeeld goed zijn, zoals jullie hemelse Vader onverdeeld goed is.
Verhaal van de lelies op het veld.
Op een dag wandelde Jezus met zijn leerlingen langs het veld.
Daar zagen ze mooie planten en bomen staan.
De leerlingen waren heel druk aan 't praten.
Ze maakten zich zorgen over later: wat zouden zij worden?
Wie zouden zij later wel zijn?
Maar jezus zei hun:
Wat maken jullie je zorgen: dat is niet nodig.
Weten jullie het niet? Jouw Vader zorgt voor u.
Als hij al ervoor zorgt dat al het groen, de bloemen en de planten
er na elke winter weer opnieuw zo mooi uit zien,
dan zal Hij zeker voor jullie altijd zorgen.
Wees dus maar gerust: God zorgt voor jullie.
GODS DROOM OVER DE MENS.
Een mens vroeg: 'God, hoe kan het nu, dat Gij mij roept? Hebt Gij ooit mijn handen gezien? Mijn begerige ogen? Mijn gesloten oren? Mijn zwakke schouders? Mijn mismaakte voeten? Hoe zou ik met deze handen... u kunnen dienen?'
Sprak God met een lichte verontwaardiging: 'Maar mens toch, sinds wanneer zijn je handen van jou? En je voeten, je oren en je ogen? Heb ik je mijn eigen handen niet gegeven om mijn troost te strelen over bedroefde mensen? Heb ik je mijn voeten niet gegeven om op weg te gaan, mensen tegemoet? Heb ik je mijn oren niet gegeven om te luisteren naar het broze lied van 's mensen geluk? Heb ik je mijn ogen niet gegeven te zien waar mensen hun weemoed dragen? Heb ik je mijn hart niet geschonken om te slaan op het ritme van menselijk leed?'
Ging de mens onder de bloeiende kerselaar zitten en keek naar zijn open handen, volgde de blik van zijn nieuwsgierige ogen, telde het onrustige kloppen van zijn hart, stapte mee met de trage gang van zijn voeten, luisterde naar het monotone geruis in zijn oren. 'Dat kan niet! God, nu moet Ge u toch vergist hebben.'
Toen kwam er een klein meisje voorbij met de onschuld van de lente; het droomde zomaar over de weg en het struikelde over een verdwaalde steen en viel. En het weende om een schram op haar knie en om een scheur in haar kleed.
Stond de mens haastig op en nam het kind zachtjes in zijn handen en droeg het op zijn sterke voeten naar de schaduw langs de gracht, keek vertederd naar de beschreide ogen, en streelde met zijn grove handen over haar verwarde haren en hoorde zich troostwoorden zeggen: 'Toe maar, het doet geen pijn', en voelde een stil zeer in zijn eigen hart. En het kind glimlachte, haar tranen werden bloemen en haar ogen zongen een diep geluk.
En toen keek de mens naar zijn handen en ze waren zacht als die van een moeder. En hij betastte zijn voeten, en voelde een sterke kracht en hij merkte een diepe bewogenheid in zijn hart en zijn ogen zagen precies veel duidelijker en er hing een vrome zang in zijn oren.
En toen knikte de mens en zei: 'God, misschien gaat het toch wel! Hier ben ik.'
GOD , LEER MIJ EENZAAM ZIJN.
Mijn Heer , en mijn God , sinds ik 'weet' dat midden in het grote leven staan , voor mij voorbij is , en ik op de kleine wereld pijn van lege woorden en afstandelijkheid mijn eigen smalle weg moet gaan , ben ik bang ; om dood te gaan , vergeten en verloren in de betutteling van liefdesangst en de bescherming van zorgende machteloosheid. En toch , Heer , wil ik niet bidden om mij te bevrijden van die zorg die mensen zichzelf opleggen om mij nabij te zijn. Ik wil Jou vragen mijn pogen om mijn en hun pijn te dragen , te steunen , te schragen. Ik wil Jou vragen de mensen die mij graag zien te zegenen en te verlossen. O God , leer me zo eenzaam zijn dat ik mijn en hun verlatenheid doorheen de pijn van elke dag alleen kan dragen.....O God , leer me opstandig zijn om steeds opnieuw met heel veel kracht mijn levensdoel en levenszin te blijven bevragen.... O God , leer me moedig zijn om elke last en elk verdriet van 't loslatend 'moeten' te blijven verdragen..... O God , leer me geduldig zijn - eerst met mezelf - en dan met die anderen die ook de pijn om 't niet meer 'kunnen' moeten helpen dragen.... O God , leer me mild zijn om machteloosheid en hulpeloosheid in taal en teken te begrijpen... O God , leer me liefde zijn om altijd meer en altijd weer mezelf en al mijn pijn dicht bij mezelf te houden want niets doet zoveel pijn als 't hulpeloos staan in 't leed van zij die naast je gaan.... O God , leer me vrede zijn om in duizend kleine dingen Jouw liefde en Jouw vrede in een mild gebaar weer dagelijks uit te reiken. Dan wordt mijn wereld weer zo rijk en groot en diep en breed geborgen in Jouw heerlijkheid van zorgende aanwezigheid. Amen.
11-10-2011
GEBED OM KERKMENSEN. PPS.
Voor de H. Kerk en voor de priesters.
O mijn Jezus, ik smeek U voor de hele Kerk.
Schenk haar liefde en het licht van uw helige Geest.
Geef kracht aan de woorden van de priesters, zodat de meest verstokte zondaars tot inkeer komen en terugkeren naar U.
Goddelijke Hogepriester, geef ons heilige priesters, bewaar hen in heiligheid.
Moge de kracht van uw barmhartigheid hen overal begeleiden en hen beschermen tegen de hinderlagen en valstrikken van de duivel, die de zielen van de priesters voortdurend bedreigen.
O Heer, moge de kracht van uw barmhartigheid alles wat de heiligheid van de priesters kan aantasten, doen mislukken, want U kunt alles.
Ik vraag U, Jezus, een bijzondere zegen en licht voor de priesters, bij wie ik gedurende mijn leven te biechten zal gaan. Amen.
Eén Offer voor heel Christus Kerk. ( Johannes 11 : 52, ).
Johannes 11 : 52,
Eén Offer voor heel Christus Kerk. Gemeente,
Vóóraf aan het laatste gedeelte van de lijdensweg, nog voordat Hij Jeruzalem binnentrekt, heeft de Heere in Bethanië Lazarus, de broer van Martha en Maria uit het graf doen opstaan!
Wij kunnen begrijpen, dat dit wonderteken, dat Jezus gedaan heeft, grote indruk maakte. We lezen dan ook dat het op een groot aantal ooggetuigen van deze opwekking zo'n indruk heeft gemaakt, dat het voor hen de doorslag gaf om in de Heiland te geloven!
Eigenlijk kun je het niet vatten, dat ook hier mensen bij geweest zijn, die het nodig gevonden hebben meteen Farizeeën op de hoogte te stellen van wat Jezus daar in Bethanië gedaan had.
Toch zijn ze er geweest en hun boodschap gaf aanleiding voor de overpriesters en de Farizeeën om meteen de raad, het Sanhedrin, vanwege deze gebeurtenis, in vergadering bijeen te roepen.
Waarom zij dit deden laat maakt de evangelist ons duidelijk, met de vraag die in dit beraad aan de orde komt: "Wat doen we? Want deze Mens doet vele tekenen."
Die kan zo niet doorgaan, want deze Jezus van Názareth krijgt op deze manier steeds meer aanhangers. Hij doet tekenen en zo zullen hij en zijn volgelingen steeds meer onrust opleveren. Het zal uit de hand gaan lopen en onze positie ondermijnen en de Romeinen zullen alle aanleiding zien om in te grijpen en de rust met harde hand te herstellen. Dat zal desastreuze gevolgen hebben voor 'onze plaats en ons volk'.
Gemeente, wat bedoelen ze met deze laatste woorden? Bij het woord 'plaats' moeten we denken aan de stad Jeruzalem. Jeruzalem aan te duiden als 'de plaats' gaat terug op de belofte, die de Heere aan Israël had gegeven toen ze op het punt stonden het Beloofde Land binnen te gaan om dat in bezit te nemen. De Heere had gezegd: "Dan zal daar de plaats zijn die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen. Daarheen moet u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers uit uw hand en heel de keur van uw gelofteoffers die u de HEERE belooft."
Deze plaats is de berg Sion geworden, de stad Jeruzalem. Daar, in de tempel, woont de Heere in het midden van het volk van Zijn verbons. Daar vindt de dienst van de verzoening plaats, daar wordt de Heere dank gebracht, daar worden de gebeden uitgesproken en de zegen ontvangen. De dienst van de Heere, die van levensbelang is voor Israël.
Maar wat zal er gebeuren als de Romeinen komen, een opstand neerslaan? Dan zou het wel eens kunnen zijn, dat er niet alleen aan het bestaan Jeruzalem en Gods Huis een eind gemaakt wordt, maar ook aan het voorbestaan van het Joodse volk als zelfstandige natie!
Kortom: er staan enorme belangen op het spel! Ons voorbestaan is er mee gemoeid! We kunnen dit niet laten lopen en we mogen hier niet langer wachten. Er moet ingegrepen worden! Maar hoe?
En dan neemt Kajafas het woord, die in dat jaar Hogepriester was en hij zegt: "U weet niets!"
Maar Kajafas weet wel raad: " u overweegt niet, dat het nuttig voor ons is dat één mens sterft voor het volk, en niet heel het volk verloren gaat."
Was er dan reden om Jezus om te brengen? Welke misdaad had Jezus begaan toen Hij Lazarus het leven had teruggegeven?
Nee, Kajafas spreekt ook niet over een misdaad. Hij spreekt over wat in het algemeen belang is! Béter één mens, die zoveel risico oplevert, uit de weg geruimd, dan een héél volk dat ten dode opgeschreven staat! Kajafas wil de Heere opofferen voor het algemeen belang! Hij is een man, die in grote lijnen denkt met een pragmatische instelling!
Het algemeen belang vraagt dat er aan de volksbeweging waarvan Jezus het centrum is zo spoedig mogelijk een eind komt en dat doe je door de leider uit te schakelen. Beste mensen, zo zegt Kajafas, laat jullie verstand nu een werken. Bekijk het zakelijk, weeg de dingen eens nuchter tegen elkaar af!
Wat is beter, dat één Mens sterft of dat allen sterven?
Gemeente, heeft Kajafas daar geen punt? Soms moet je dingen doen die hoogste onrecht zijn om meerdere schade te voorkomen! Offer de rechtvaardige liever op als dat de rust hersteld en een héél volk kan redden!
Gemeente, worden zulke geluiden vandaag ook niet gehoord? Er zijn grotere belangen, dan in te grijpen in Libië om het bloedvergieten daar te stoppen. Daar zijn de oliebelangen, de economische belangen, onze westerse belangen, het broze herstel van de ingestorte economie. Er worden politieke afwegingen gemaakt, er wordt uitgesteld, vergaderd terwijl iedere dag het bloedvergieten doorgaat. Misdaden tegen de menselijkheid
Beraamt Kajafas hier niet de grootste misdaad van de mensheid? Om Zoon van God, die Rechtvaardige! - op het altaar van het algemeen belang en het eigen voordeel te slachtofferen?
Hij Die gezonden is door de Vader en gekomen is in deze wereld om te doen, wat Hij in Bethanië al deed om het doel van Zijn komst te onderstrepen? Allen, die ten dode gedoemd zijn vanwege de zonde, uit de dood te doen opstaan tot het eeuwige leven!
Maar, nog wonderlijker wordt het, wanneer de Heere ons net als Hij het deed bij Johannes ons de ogen er voor opent, dat Kajafas deze 'wijsheid' niet van zichzelf had!
Nee, ze houdt de evangelist ons hier voor: "Kajafas profeteerde als Hogepriester dat Jezus sterven zou voor het volk!"
Het waren profetische woorden, ondanks het goddeloze advies dat deze sluwe vos aan de raadsleden gaf!
Hoe dubbel! Nee, niet dubbel Kajafas beoogde als Hogepriester Jezus zo spoedig mogelijk uit te schakelen, maar tegelijk werd Hij door God in de hemel gebruikt om precies aan te geven waartoe Deze Zijn Zoon in de wereld gezonden heeft! En dat is dat de Christus zal lijden en "sterven voor het volk. En niet alleen voor het volk, maar óók om de kinderen van God, overal verspreid, bijeen te brengen."
Gemeente, wij moeten dit alles lezen, zo zegt Johannes, als een duiding van Godswege van het werk van onze Verlosser!
De Christus is gekomen om te sterven voor het Joodse volk, Gods volk van ouds! Hij is gezonden tot verlossing van de Joden. Een ten dode gedoemd volk mag zijn plaats aan hem afstaan. Hij is gekomen om op Golgotha's Kruis hun plaats voor God in te nemen! Sterven voor een zondig volk, dat typeert wat de Heiland gedaan heeft op de Goede Vrijdag.
Het tekent hem als Middelaar, die het voor de veroordeelden opneemt en hun straf overneemt. Vandaar dat wel gesproken wordt van onze Zaligmaker, als onze schuldovernemende Borg en Middelaar!
Laten we niet vergeten, dat Hij dit in de eerste plaats is geweest voor het Joodse volk. Hij is allereerst Israëls Messias, de Christus der Schriften. Nog altijd. Daarom is er ook voor Israël geen Andere Naam waarin zaligheid gevonden wordt. Maar er wordt meer gezegd hier door Johannes de evangelist. Er staat 'niet alleen, maar óók!' En hier gaan de Hemelpoort open voor ons, die uit de volkeren zijn: "Maar ook om de kinderen van God, overal verspreid, bijeen te brengen."
Eén zal voor állen sterven. Die éne is Christus en die állen zijn niet alleen de kinderen Israëls, maar nader toegespitst alle kinderen van God, die uit Abraham, ja die uit Adam zijn voortgekomen!
Zijn dat alle Joden zonder onderscheid? Zijn dit alle mensen zonder onderscheid? Nee, Johannes spreekt hier over allen, die in Hem geloven zullen en Hem belijden zullen als hun Zaligmaker. Die in de weg van het geloof en door het werk van de Heilige geest wedergeboren worden tot kinderen van God!
Die zal Hij, Jezus Christus, Gods Zoon bijéén brengen!
Want ze zijn overal verspreid. Verstrooid zegt de oude versie. God heeft Zijn kinderen óveral!
Overal in deze wereld, en door de verkondiging van het evangelie van Zijn dood en opstanding Christus vanuit de hemel door Zijn geest hen nog aldoor bij elkaar!
Want dat is het waar de Heere ook vanmorgen mee bezig is als Hij Zijn Woord, het Woord waarin het leven gevonden wordt! - tot ons doet komen!
Christus die gestorven is, maar óók opgestaan brengt nog aldoor overal vandaan, uit Israël en de volken Zijn gemeente samen! Van heinde en verre, van noorden en zuiden, van westen en oosten! Eén grote schaapskudde verzamelt onze Goede Herder in de hemel rondom Zichzelf bijeen. Een schare die niemand tellen kan uit alle volken!
Gemeente, daarvan heeft Kajafas getuigt en dat Zijns ondanks.
Hoe wonderlijk gemeente, dat Johannes dit verstaan heeft. Dat Johannes er zicht op gekregen heeft, dat hier niet hier tot Jezus' dood besloten wordt om te volk te redden, maar dat daar al veel en veel eerder toe besloten is in de hemelse gewesten door de Allerhoogste God!
Als Kajafas het zich bewust geweest was, dan had hij wel anders gesproken. Kajafas heeft gedachten tot de dood, maar God heeft gedachten gehad ten Leven!
Het is opmerkelijk, wanneer Johannes Calvijn hier over schrijft, dat hij niet zozeer het wonder naar voren haalt van het Plaatsbekledend lijden en sterven van onze Heere en heiland, als wel de gedachte van het 'bijeen vergaderen' van heel de Kerk, van heel de Gemeente van Jezus Christus wereldwijd. Of wellicht ook niet, wanneer we beseffen welke plaats het besluit van Gods verkiezing in zijn theologie inneemt. Want we zien hier dat Johannes preekt over de kinderen van God, waarvan nog niet gezien wordt op dit cruciale moment, waar ze zich bevinden. En wij weten dit al evenmin als Johannes. De Heere laat ons niet in de boeken kijken. Wel wordt als vaststaand over het bestaan van Gods Kinderen gesproken. Óók over die kinderen van God, die eerst veel alter geboren zijn of nog geboren zullen worden. Ook van die ongeboren kinderen van God, is zeker dat hun namen al van eeuwigheid staan opgetekend in het Boek des Levens des Lams. De inschrijving van hun naam in dit register vindt niet eerst bij hun geboorte plaats. Óók niet op het moment van hun wedergeboorte, waarmee het leven van het geloof voor hen een aanvang neemt. Nee, van eeuwigheid al zijn ze bij hun hemelse vader bekend, al vóórdat hun roeping tot het leven plaats vindt en zij door de Geest worden opgewekt tot een nieuw leven. Dit geeft aan, dat dit kindschap alleen als geschenk van God in ons leven werkelijkheid kan worden. Of zoals de apostel Paulus het ons leert in Romeinen 8 vers 30, dat allen, die God verkoeren heeft óók door de Heere geroepen worden! Alle kinderen van God, worden door hun hemelse Vader geroepen! Ze horen hoe hun hemelse Vader hun bij hun naam roept. Ze vernemen dat Hij hen kent en weet wie ze zijn en waar ze zich bevinden. Ze weten zich in het Evangelie van God aangesproken en ontdekken dat ze Christus als Zaligmaker nodig hebben. Ze leren in Christus hun gerechtigheid kennen. Ze gaan de hand van de Heere in hun leven ervaren en weten zich aangesproken. Zo vergadert God Zich in Christus een Kerk op aarde!
De Gemeente van Christus is geen organisatie die door mensen in het leven geroepen is. Het is die gemeenschap, die de allerhoogste God, in en rond de Persoon van Christus, verenigt tot die éne Kerk van alle tijden en plaatsen! Dat is het wat Johannes in wat hier gebeurt heeft mogen ontdekken en doorgeven. Oók ons tot bemoediging. Góds werk ging door, ondanks het voornemen om Jezus om te brengen. Góds werk gaat door ook wanneer vandaag Christenen vervolgd, gedood, verdrukt en verstrooid worden.
"Zij komen aan, door Godd'lijk licht geleid,
Om 't nakroost, dat den HEER' wordt toebereid,
Te melden 't heil van Zijn gerechtigheid
En grote daden". (Psalm 22 vers 16 berijmd)
AMEN.
Bezinning ..
Telkens weer zal het lijden van de wereld,
het kruis dat mensen dragen,
een oproep zijn,
een vraag om stil te staan,
om niet voorbij te gaan,
om je te laten raken door het zeer van een ander .
Om in die ander weer zijn vraag te horen :
'Wie zegt gij dat Ik ben ?'
en om antwoord te geven,
vaak onhandig,
onbeholpen,
zwijgend,
omdat je geen woorden vindt,
maar eerlijk en levensecht.
Het kruis waaraan je niet voorbijgaat,
kan ommekeer bewerken;
Je gaat verder als een nieuwe mens.
06-10-2011
HEER JEZUS. PPS.
Feest van Heilige Bruno, pr.
AVE MARIA
Abbaye Saint-Joseph de Clairval 21150 Flavigny sur Ozerain France
AVE MARIA
Abbaye Saint-Joseph de Clairval
21150 Flavigny sur Ozerain
France
email : abdij@clairval.com
Brief van 6 oktober 2011,
feest van Heilige Bruno, pr.
Dierbare Vrienden,
Op een zomerse dag in 1955 meldt zich een studente aan de faculteit Geneeskunde van Milaan voor een moeilijk examen ter afsluiting van het tweede jaar. Onverwacht moet ze een mondeling examen afleggen. Eerst reageert ze niet, vervolgens bloost ze en legt verlegen uit: «Professor, ik ben in behandeling voor een zenuwziekte, ik hoor niets... Ik hoop dat ik zal genezen... Heeft u alstublieft geduld... Kunt u me de vragen schriftelijk stellen?» De aanwezige studenten in de zaal beginnen te lachen. De professor die denkt dat het een slechte grap is schreeuwt: ««Geduld, geduld!» Kijk eens aan! Wie heeft er ooit een dove arts gezien?» En hij gooit het studieboekje tegen de muur terwijl het meisje, van haar stuk gebracht en vernederd, fluistert: «ik wilde u niet beledigen.» De professor is onvermurwbaar. De studente is gezakt, verlaat de zaal en zegt tegen een huilende vriendin die alles heeft gezien: «Het is niet erg; luister, zeg nog niets tegen mama; ik zal het haar morgen vertellen» en zij zelf zal haar professor bij haar moeder proberen te verontschuldigen. Dit meisje heeft haar artsendiploma nooit gehaald, maar vanuit de hoge hemel leert ze talloze «patiënten» de kunst hoe goed te lijden.
Benedetta (Benedicte) Bianchi Porro werd op 8 augustus 1936 geboren in Dovadola, een dorp in de provincie Forlì in Romagna (Noord-Italië). Haar moeder heeft een diep geloof en zal proberen dit aan haar zes kinderen door te geven. Wanneer ze nog maar een paar maanden is, krijgt Benedetta poliomyelitis; de ziekte wordt tegengehouden, maar haar rechterbeen zal altijd korter blijven dan het andere. Op een dag, tijdens een spel op de speelplaats, roept een jongen voor wie het meisje in de weg zat tegen haar: «Hé! Mankepoot!» Haar broer Gabriele neemt het niet, met als gevolg dat de jongens met elkaar op de vuist gaan. De moeders snellen toe om hen uit elkaar te halen. Maar Benedetta is niet boos: «Hij heeft me «mankepoot» genoemd; wat is daar verkeerd aan? Het is de waarheid!» Door deze woorden verzoenen de jongens zich weer met elkaar en hervatten hun spel.
De grote verlangens van een tiener
In 1942 vestigt de familie Bianchi zich in Sirmione, aan de oever van het Gardameer. Vanaf 1946 vertrouwt Benedetta haar gedachten toe aan een dagboek waarin het kind vaak aandacht schenkt aan haar gebreken: «Mama zegt dat ik onuitstaanbaar ben... Ik ben onopgevoed en boosaardig.» In 1949 moet ze een corset aan om te voorkomen dat ze een bochel krijgt. Diezelfde dag schrijft ze: «Ik heb gehuild; het corset knelt zo onder mijn armen! Voorheen was ik onbezorgd en ik dacht bijna net als de anderen te zijn. Maar wat een diepe kloof gaapt er nu tussen hen en mij! Maar in het leven wil ik zijn zoals zij, misschien zelfs een beetje meer. Ik zou willen dat ik iemand kon worden.» Op school bereikt het meisje uitstekende resultaten. In 1953 schrijft ze: «Vandaag is het Pasen; wat zou ik graag herrijzen uit mijn zonden en nog alleen van God leven!... Vandaag hebben Gabriele en ik een beetje gefilosofeerd over God en de onsterfelijkheid van de ziel. Wat zijn de mensen toch dwaas dat ze zich schamen over zulke belangrijke dingen te praten!»
In een preek op 15 april 2010 voor leden van de pauselijke Bijbelcommissie, merkte Paus Benedictus XVI op: «Tegenwoordig zijn we vaak een beetje bang om over het eeuwig leven te spreken. We spreken over dingen die nuttig zijn voor de wereld, we laten zien dat het christendom eveneens bijdraagt tot verbetering van de wereld, maar we durven niet te zeggen dat het doel dat ons voor ogen staat het eeuwig leven is en dat uit dit doel vervolgens de criteria voor het leven voortkomen... We moeten opnieuw erkennen dat het christendom slechts vanuit het perspectief van het eeuwig leven zijn volledige zin te zien geeft... Het eeuwig leven bestaat, het is het ware leven, en uit dit ware leven komt het licht voort dat ook deze wereld verlicht.»
Op 15 februari 1953 wordt Benedetta mondeling overhoord tijdens de les Latijn, maar het lukt haar niet de vragen van de leraar te horen. Deze gehoorstoornissen doen zich meerdere malen voor. In haar dagboek zegt ze hierover: «Hoe moet ik er op zulke momenten wel niet uitzien? Maar wat maakt het uit? Op een dag zal ik misschien niets meer begrijpen van wat de anderen zeggen, maar zal ik altijd de stem horen van mijn ziel en dat is de ware gids die ik moet volgen.» Door hard te werken haalt ze in oktober het maturiteitsexamen (baccalaureaat) met een uitstekend cijfer. Daarna schrijft ze zich in aan de faculteit Geneeskunde van Milaan; haar doel is «Leven, strijden en me opofferen voor alle mensen.»
Door de dreiging van doofheid maakt Benedetta echter een periode van ontmoediging door. Ze ervaart hoe duizelingwekkend nietig iemand zich kan voelen. Aan haar vriendin die haar op dat moment het naast is schrijft ze: «Weet je, Anna, het lijkt of ik in een eindeloos en eentonig moeras zit, en dat ik langzaam wegzink, pijnloos en zonder spijt, zonder besef van en onverschillig tegenover hetgeen komen gaat, zelfs wanneer het laatste streepje hemel weg is en de modder boven mij alles weer afsluit»... «Ik ben heel vaak vervuld van twijfels en verzink in de diepste scepsis.» Het grootste gevaar dat het meisje bedreigde was niet de ziekte, maar de verraderlijke verleiding zich te verliezen in nihilisme en wanhoop. Maar juist op dat moment begint ze te beseffen wat een rijkdom het innerlijk leven is dat een wereld omvat die veel groter is dan die van de zinnen. En er ontglipt haar een kreet die een voorteken is van hoe haar toekomstig leven eruit zal zien: «Wat zou ik graag alleen voor God leven!» Haar persoonlijke ontmoeting met God zal echter pas later plaats vinden.
Met een stoïcijnse volharding strijdt Benedetta tegen haar handicap en vervolgt met goed gevolg haar studie. Ze heeft leren liplezen. Op mondelinge examens heeft ze terstond een antwoord op alle vragen en is er niets van doofheid te bespeuren. In november 1955 mag ze het mondeling examen van de voorgaande zomer overdoen; deze keer worden de vragen haar schriftelijk gesteld en haalt ze een uitmuntend cijfer; maar diezelfde avond krijgt ze een aanval van migraine en plotseling vernauwt haar gezichtsveld zich. Haar bekruipt onmiddellijk een voorgevoel: «Nee, mijn God! Nee, niet de ogen!» Op een avond in 1956 laat de studente een vriendin een geneeskundige verhandeling zien: «Dat is mijn ziekte»; en ze laat haar een foto zien van een patiënt die is aangetast door «diffuse neurofibromatose», ook wel de «ziekte van Recklinghausen» genoemd: deze zeer zeldzame, maar onverbiddellijke pathologie verwoest geleidelijk aan de zenuwcentra door de vorming van kleine tumoren. De gehoorzenuw wordt als eerste aangetast en vervolgens de oogzenuw en de andere zintuigen; tot slot geleidelijke verlamming. Na de nodige onderzoeken geven de artsen tot hun ontsteltenis toe dat de diagnose van Benedetta juist is. Dan begint er een lange reeks van ziekenhuisopnamen en chirurgische ingrepen die het verschrikkelijk proces moet vertragen.
«Een gedwee lam in zijn handen»
Op 27 juni 1957 wordt Benedetta aan haar hoofd geopereerd. Ze ziet de dood onder de ogen en vertrouwt haar moeder toe: «Wat ben ik blij, mama, dat ik naar de zuivere, van de doodzonde gevrijwaarde Heer mag.» De woorden van H. Franciscus waar ze zo van hield komen haar weer in herinnering: «Geprezen moet Gij zijn, mijn Heer, voor onze zuster, de Lichamelijke Dood, aan wie geen levend wezen kan ontkomen. Wee degenen die sterven in een toestand van doodzonde; gelukkig zij die de dood vinden in overeenstemming met uw heilige wil, want de tweede dood zal hen niet deren» (Heilige Franciscus van Assisië, Loflied over de schepping). Terwijl men haar de haren afscheert voelt ze zich vernederd, maar neemt haar toevlucht tot het gebed: «Terwijl men mij knipte voelde ik me als een lam dat wordt geschoren. Ik heb de Heer gevraagd dat ik een gedwee lam in zijn handen mag worden.» Nauwelijks is ze uit de verdoving of ze betast haar gezicht: «Ze hebben mijn aangezichtszenuw doorgesneden»; nu is de linkerhelft van haar gezicht verlamd. De chirurg weet niet hoe hij haar om vergeving moet vragen voor deze professionele fout; zij zegt eenvoudig tegen hem: «U heeft gedaan wat u kon; geeft u mij de hand en wees in vrede! Dat is iets dat kan gebeuren: u bent de eeuwige Vader niet!»
De zeer grote morele kracht waarvan Benedetta blijk geeft is echter niet voldoende om haar toestand te doorstaan. Haar beste vriendin, Maria Grazia, schrijft ze op een dag, vanuit haar Milanese woning op de zevende verdieping: «Van tijd tot tijd krijg ik bijna zin me door het raam te gooien.» Ze geeft zich echter niet gewonnen aan de ziekte; verwoed werkt ze door en sluit met succes in juni 1959 haar vijfde jaar geneeskunde af. Ze is nog maar een jaar af van het eindexamen! Maar weldra blijkt een operatie, die was bestemd om de voortschrijdende verlamming van de onderste ledematen een halt toe te roepen, uiteindelijk mislukt te zijn: ze kan helemaal niet meer lopen. In 1960 ziet ze zich gedwongen volledig van haar studie af te zien: een zware beproeving voor een meisje dat zo begaafd is en zo graag de handen uit de mouwen wil steken. Maar terwijl haar naaste medewerkers machteloos toezien bij haar voortschrijdende lichamelijke aftakeling, zijn deze ook de stomverbaasde getuigen van haar geestelijke bloei. Afgezonderd in haar slaapkamer, vertoont ze geen enkel teken van bedroefdheid noch van ontmoediging: «Ik leid het leven van alledag, maar wat lijkt het nog gevuld! Het leven op zich lijkt al een wonder, en ik zou een lofzang willen aanheffen tot Hem die het me heeft gegeven.» En haar moeder die haar een vogel in een kooitje geeft met de opmerking: «Die is zoals jij», geeft ze ten antwoord: «Nee, mama, ik ben nog nooit zo vrij geweest sinds ik hier het bed moet houden.» Tegen Maria Grazia zal ze, met de oprechtheid die haar tekent, kunnen zeggen: «Voor wat de geest aangaat ben ik volledig gerust en zelfs meer dan dat: ik ben gelukkig; denk niet dat ik overdrijf.» Tegelijkertijd wordt ze nederig wanneer ze beseft hoe onvolmaakt ze is, een «zondares» in de ogen van God en ze vreest die innerlijke vreugde te verliezen omdat ze het gevoel heeft haar niet waardig te zijn.
Niet alles loopt echter op rolletjes. Op de vredigheid volgen momenten van innerlijke strijd met de dood. In 1960 schrijft Benedetta een nieuwe vriendin, Nicoletta, die reeds ervaren is op het gebied van het geestelijk leven: «Ik maak momenteel een periode door van grote dorheid. Ik voel me alleen, moe, enigszins vernederd en niet erg geduldig... Het smartelijkste is dat ik niet in vrede ben. Bid voor mij, bid voor mij... Waarom overkomt mij dit? Waarom staat God dit toe?» Haar vriendin antwoordt: «Forceer je niet om het gevoel te krijgen dat je gelooft, noch om te begrijpen waarom het juist zou zijn dat je zoveel lijdt. Maak je niet ongerust wanneer je het gevoel hebt dat je in opstand komt: in Gods ogen is het van geen belang. Hij kent de waarheid... Tegenover dit onmetelijk groot geheim verlangt Hij van ons slechts dat we «ja» zeggen en het is niet erg als we het verkeerd zeggen.» Benedetta luistert, spreekt haar «ja» uit en geleidelijk aan ervaart ze de aanwezigheid van de in haar levende Jezus Christus. Nicoletta zal ze nog schrijven: «Wees gezegend om de vreugde die je me hebt gebracht, een vreugde die te groot is voor mij, onwaardige. Ik word overstroomd door vreugde, alsof alle oceanen hun water in een notendop loosden.»
Vanaf dat moment ervaart Benedetta het lijden minder als een heldhaftig te dragen last, maar meer als het teken van een goddelijke voorkeursbehandeling. Jezus nodigt me uit zijn kruis met Hem te delen met de bedoeling zich met Hem te vereenzelvigen. Ze geeft zich over en vindt hiervoor de kracht in het Evangelie dat ze iedere dag leest, in H. Paulus en in de psalmen.
In zijn encycliek over de hoop, zegt Benedictus XVI hoe juist deze houding is: «Wil het gebed deze reinigende kracht ontplooien, dan moet het enerzijds heel persoonlijk zijn, een confrontatie van mijn 'ik' met God, de levende God. Anderzijds moet het steeds weer worden geleid en verlicht door de grote gebedswoorden van de Kerk en van de heiligen, door het liturgisch gebed, waarin de Heer ons steeds weer leert goed te bidden» (Encycliek Spe salvi, 30 november 2007, n.34).
«Zeg het tegen de Madonna!»
In mei 1962 vertrekt Benedetta naar Lourdes in een trein met medische verzorging. In het ziekenhuis ligt in het bed naast het hare een meisje van 22 jaar, Maria, dat is verlamd zoals zij. In een situatie die naar materiële en menselijke maatstaven geoordeeld hopeloos is te noemen, is Maria naar Lourdes gekomen om aan de Onbevlekte Ontvangenis een wonder te vragen; ze bidt voortdurend, maar er gebeurt niets. Op de dag voor ze weer vertrekken bevinden de twee zieken zich zij aan zij voor de grot; Maria snikt. Benedetta neemt dan haar hand en houdt die dan zo stevig vast alsof ze in haar plaats moest bidden: «Maria, de Madonna is daar, ze kijkt naar je! Zeg het tegen de Madonna!» En plotseling staat Maria van haar brancard op. Langzaam maakt ze een paar stappen, nog enigszins ongelovig. En dan, loopt ze, dol van vreugde verder tussen de rolstoelen, huilend van ontroering en dankbaarheid. Benedetta is gelukkig om dit wonder, maar is ook even melancholiek gestemd wanneer ze bedenkt dat een ander dan zij er de begunstigde van is. Daarna neemt ze er vrede mee en geeft zich over in de handen van Maria. Een jaar later zal ze naar Lourdes terugkeren en van daaruit schrijven: «Ik voel hoe zoet de berusting is. Dat is voor mij dit jaar het wonder van Lourdes... De Madonna heeft alles teruggegeven wat ik was verloren. Alles wat me was afgenomen heeft ze me vergoed, want ik bezit nu de rijkdom van de Heilige Geest.» Op 20 augustus 1963 treft een verpleegster de zieke aan terwijl ze in extase is. Benedetta zal haar toevertrouwen dat ze de Heilige Maagd heeft gezien: «Wat is ze mooi, de Madonna!»
Intussen heeft ze de ene na de andere operatie aan het hoofd ondergaan. Voor de laatste operatie (27 februari 1963) vertrouwt Benedetta haar angst toe aan Maria Grazia die haar dan herinnert aan de passage uit het «Dagboek van een plattelandspastoor», een roman van Georges Bernanos: «Als ik bang ben zal ik onbeschaamd zeggen: «ik ben bang», en de Heer zal me kracht geven.» Benedetta herhaalt zachtjes en langdurig deze zin; en gaandeweg keert de rust in haar weer. Ze bedankt haar vriendin uitbundig. Daags na de operatie kondigt ze aan dat ze nu blind is, maar ze vraagt of men het niet tegen de chirurg wil zeggen, om deze niet te bedroeven. Ze heeft dit kruis van blindheid, dat haar in 1955 nog zo veel angst aanjoeg, aanvaard, en haar ziel is in vrede: «We moeten gewoon met gesloten ogen op God vertrouwen. Ik ben bezig te ervaren wat eenvoud is, dat wil zeggen de ziel die zich van al het overbodige ontdoet«.wat is dat mooi! Je wordt er zo licht en vrij van!»
Benedictus XVI laat zijn licht schijnen op deze grote beproevingen die ons menselijk gezien als ondraaglijk voorkomen, op het geheim dat Benedetta heeft ontdekt: «Het is belangrijk om te weten: ik mag altijd nog hopen, ook als ik voor mijn leven... ogenschijnlijk niets meer te verwachten heb. Ondanks alle mislukkingen, mijn eigen leven en de geschiedenis in het algemeen , geborgen in een onverwoestbare macht van de liefde en door die liefde zin en betekenis hebben, kan alleen de grote zekerheid van de hoop dan toch de moed geven om te werken en te volharden» (Spe salvi, n.35).
Voortaan, en dat bijna een jaar lang, is Benedetta als een slot, ontoegankelijk, zonder poorten noch vensters. Er blijven echter twee kleine «schietgaten» over die de opening zijn naar de buitenwereld: een heel ijl stemmetje om zich hoorbaar te maken en haar linkerhand waarin het gevoel «wonderbaarlijk» behouden is gebleven; met de vingers van deze valide hand vormen haar naasten op haar gezicht de letters van het geluidloze alfabet dat ze niet ziet, maar wel kan voelen (de «b» wordt bij voorbeeld gevormd door de wijsvinger en de middelvinger naast elkaar op haar wang te drukken)... Op die manier kan ze toch communiceren! In haar slaapkamer stromen de bezoekers toe die haar komen bemoedigen, maar ook haar hulp komen vragen. Benedetta bezit de gave vreugde om zich heen te verspreiden; ze geeft raad en wijst allen de «nauwe weg» die naar God voert. Tegen haar beste vriendin die het niet kan verdragen haar zo lichamelijk te zien lijden zegt ze: «We moeten het mysterie aanvaarden, Maria Grazia; door ons af te vragen «waarom?» worden we juist bang... De Heer geeft ons zoveel lijden als we kunnen dragen; niet meer en niet minder.» En haar vriendin zal ervan getuigen: «Ik heb toen gemerkt dat er onverhoeds iets in haar was veranderd sinds ze blind was geworden. Een diepe vrede scheen bezit van haar te hebben genomen, alsof ze zich helemaal bevrijd scheen te voelen van de angst en de vrees.» Don Gabriele, een priester die haar vaak de heilige Communie komt brengen krijgt de volgende confidentie te horen: «Als de bekoringen een ogenblik de kop op steken roep ik Hem aan en, zelfs nog bleek van schrik, voel ik onmiddellijk de aanwezigheid van de Heer die mij vertroost.»
Benedetta stelt in iedereen belang, vooral in de mensen die ver van God zijn. In mei 1963 leest haar moeder haar via de «taal van de handen» de brief van een jongeman voor die in een weekblad is gepubliceerd. Natalino heeft een ernstige ziekte; ontredderd en zonder hoop roept hij om hulp. Zij schrijft hem: «Ik ben doof en blind, daarom zijn de dingen ingewikkeld geworden voor mij... Op mijn lijdensweg ben ik echter niet wanhopig geworden; ik weet dat Jezus aan het eind van de weg op mij wacht. Allereerst in mijn stoel en nu in mijn bed dat voortaan mijn verblijf is heb ik een grotere wijsheid gevonden dan die je bij de mensen aantreft; ik heb ontdekt dat God bestaat, dat Hij liefde is, trouw, vreugde, zekerheid, tot aan het einde der tijden... Mijn dagen zijn niet gemakkelijk; ze zijn zwaar, maar ook zoet omdat Jezus bij me is, met mijn lijden, en omdat Hij mij zijn liefde geeft in de eenzaamheid en licht in de duisternis... Hij lacht me toe en aanvaardt dat ik met Hem samenwerk. Vaarwel, Natalino: het leven is kort, het gaat snel voorbij; een heel korte loopbrug, gevaarlijk voor degene die gulzig wil genieten, maar veilig voor degene die met Hem samenwerkt om het Vaderland binnen te gaan.»
Op 21 januari 1964 voelt Benedetta dat het moment nabij is waarop ze Jezus, haar Echtgenoot, uiteindelijk zal ontmoeten. Ze biecht en ontvangt de communie. In de nacht van 22 januari vraagt ze de verpleegster bij haar te blijven want ze wordt door Satan bekoord: «Emilia, morgen zal ik sterven. Ik voel me erg ziek.» 's Ochtends merkt haar moeder een witte roos op die in de tuin is ontloken... een bloeiende roos, in januari! Ze vertelt Benedetta wat ze heeft ontdekt en die antwoordt: «Dat is het teken waar ik op wachtte!» Ze herinnert haar dan aan een droom die ze het voorgaande Allerheiligenfeest heeft gehad: ze liep de familiegrafkelder binnen en zag dat die versierd was met een witte roos in stralend licht. Even later krijgt ze een hersenbloeding en overlijdt op zeventwintigjarige leeftijd terwijl ze fluistert: «Dank.»
«Ik zal niet meer alleen zijn met de vrees»
De uitstraling van Benedetta Bianchi Porro is na haar dood alleen maar groter geworden. Talloze mensen die met lijden worden geconfronteerd putten kracht en moed uit het lezen van haar levensverhaal en haar brieven. Zoals Maria Grazia kunnen zij haar zeggen: «Ik zal niet meer alleen zijn met de vrees omdat jij me hebt geleerd wat bidden waard is.» Op 23 december 1993 heeft Paus Johannes Paulus II het decreet goedgekeurd dat de heldhaftigheid van haar deugden officieel bevestigt; nu is het wachten op de erkenning van een op haar voorspraak verkregen wonder en de eerbiedwaardige Benedetta kan «Zalig» verklaard worden.
In zijn apostolische exhortatie Salvifici doloris (11 februari 1984), heeft de zalige Johannes Paulus II deze regels geschreven die precies van toepassing zijn op de geestelijke weg die door Benedetta is afgelegd: «Toch kan men er zeker van zijn dat bijna iedere mens het lijden binnengaat met een verweer dat heel menselijk is en met de vraag «Waarom?» Iedereen vraagt zich af wat de zin is van het lijden en zoekt op menselijk vlak een antwoord op deze vraag... Christus antwoordt noch rechtstreeks noch abstract op deze menselijke vraagstelling over de zin van het lijden. De mens verneemt zijn verlossend antwoord geleidelijk aan terwijl hij deelneemt aan het lijden van Christus... Dit antwoord is meer dan een oproep. Het is een roeping. Christus verklaart de redenen van het lijden niet op een abstracte manier, maar Hij zegt bovenal: «Volg Mij! Kom! Neem door uw lijden deel aan het werk van de verlossing der wereld, dat wordt voltrokken door mijn eigen lijden, door mijn Kruis!» Naarmate de mens zijn kruis opneemt en zich geestelijk verenigt met het Kruis van Christus, zal de verlossende zin van het lijden hem steeds duidelijker worden... Dan vindt de mens in zijn lijden innerlijke vrede en zelfs geestelijke vreugde» ( n.26).
Op 24 mei 1963 vertrouwde Benedetta iemand toe: «Ik zou tegen hen die lijden, tegen de zieken willen zeggen dat wanneer we nederig en gewillig zijn, de Heer in ons grote dingen zal voltrekken.» Laten we in navolging van haar aan Jezus vragen van ieder van ons «een gewillig lam in zijn handen» te maken.
Weiger je te laten overweldigen door de omstandigheden en situaties waarin je terecht komt en door moet. Behoud je rust en blijf kalm, want Ik breng je ook door deze periode met grote zekerheid. Weet dat je in staat bent om datgene te bereiken dat je verlangt zelfs als twijfelt aan je capaciteiten. Stel je vertrouwen op Mij, zegt de Heer. Ik kan doen wat je zelf niet kunt.