For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
10-12-2008
A Divine Revelation of Hell...........deel 4a.
4a. Meer putten De volgende nacht gingen Jezus en ik nogmaals het rechterbeen van de hel binnen. Evenals de vorige keren zag ik de liefde die Jezus had voor de verloren zielen in de hel. En ik voelde Zijn liefde voor mij en voor allen die op aarde waren. "Kind", zei Hij tegen mij: "Het is niet de Vaders wil dat iemand verloren gaat. Satan bedriegt velen, en zij volgen hem. Maar bij God is vergeving. Hij is een God van liefde. Als deze verlorenen werkelijk tot de Vader waren gekomen en berouw hadden getoond, Hij zou ze vergeven hebben". Grote tederheid kwam over Jezus' gelaat terwijl Hij sprak. Weer liepen wij tussen de vlammende putten en passeerden mensen die martelingen ondergingen, zoals ik eerder beschreef. Mijn Heer, mijn Heer, zulke verschrikkingen! dacht ik. Wij bleven maar doorlopen en kwamen langs vele, vele zielen die brandden in de hel. Overal langs het voetpad strekten brandende handen zich uit naar Jezus. Er waren alleen botten waar vlees had moeten zijn - een grijsachtige massa met brandend en ontbindend vlees dat in flarden neerhing. Binnenin elke skaletvorm was een vuilgrijze nevelige ziel, voor altijd gevangen binnenin een uitgedroogd geraamte. Ik kon aan hun gehuil horen dat zij het vuur, de wormen, de pijn en de hopeloosheid van hun toestand voelden. En hun geklaag vulde mijn ziel met een leed zo groot dat ik het niet kan beschrijven. Hadden ze maar geluisterd, dacht ik, dan zouden ze hier niet zijn. Ik wist dat de verlorenen in de hel al hun zintuigen hadden. Zij herinnerden zich alles wat hun ooit verteld was. Zij wisten dat zij niet aan de vlammen konden ontkomen en dat zij voor altijd verloren waren. Toch, al waren zij zonder hoop, toch hoopten zij terwijl zij tot Jezus riepen om genade. Wij stopten bij de volgende put. Die was precies eender als al die andere putten. Daarbinnen was de vorm van een vrouw, iets wat ik wist toen ik haar stem hoorde. Zij schreeuwde het uit tot Jezus om bevrijding van de vlammen. Jezus keek met liefde naar de vrouw en zei: "Terwijl u op aarde was, riep Ik u om tot Mij te komen. Ik pleitte bij u om alles met Mij in orde te maken voordat het te laat was. Ik bezocht u vele malen midden in de nacht om u te vertellen over Mijn liefde. Ik probeerde u over te halen en trok u tot Mij door Mijn Geest. 'Ja Heer', zei u: Ik zal U volgen'. Met u lippen zei u dat u Mij liefhad, maar uw hart meende het niet. Ik wist waar uw hart was. Dikwijls zond Ik Mijn boodschappers naar u toe om u te vertellen dat u zich moest bekeren, en tot Mij moest komen, maar u wilde niet naar Mij luisteren. Ik wilde u gebruiken om anderen te bedienen, om anderen te helpen Mij te vinden, maar u wilde niet naar Mij luisteren, noch wilde u tot berouw van uw zonden komen". De vrouw zei tot Jezus: "U herinnert U Heer, dat ik naar de kerk ging en een goede vrouw was. Ik bezocht de kerk. Ik was lid van Uw kerk. Ik wist dat Uw roeping op mijn leven was. Ik wist dat ik die roeping moest gehoorzamen wat het ook mocht kosten, en ik deed het ook". Jezus zei: "Vrouw, u bent nog altijd vol leugens en zonde. Ik riep u, maar u wilde niet naar Mij luisteren! Het is waar, u was lid van een kerk, maar dat brengt u niet in de hemel. Uw zonden waren vele, en u bekeerde zich niet. U was er de reden van dat anderen struikelden bij het horen van Mijn Woord. U wilde anderen niet vergeven wanneer zij u pijn deden. U deed alsof u Mij liefhad en Mij diende wanneer u met christenen was, maar u loog, bedroog en stal wanneer er geen christenen in uw omgeving waren. U luisterde naar misleidende geesten en genoot van uw dubbel leven. U kende de rechte smalle weg". "En", zei Jezus: "u sprak bovendien met twee monden. U sprak kwaad over uw broeders en zusters in Christus. U veroordeelde hen en dacht dat u heiliger was dan zij, terwijl er grote zonde in uw hart was. Dit weet Ik: U wilde niet naar Mijn liefdevolle Geest van erbarmen luisteren. U oordeelde naar de buitenkant van een persoon, zonder rekening te houden met het feit dat velen kinderen in het geloof waren. U was erg hard". "Ja, u zei met uw lippen dat u Mij liefhad, maar uw hart was verre van Mij. U kende de wegen van de Here. U speelde met God, en God weet alle dingen. Als u God oprecht had gediend zou u hier vandaag niet zijn. U kunt niet terzelfder tijd satan en God dienen". Jezus keerde Zich naar mij toe en zei: "In de laatste dagen zullen velen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten volgen en de zonde dienen. Gaat weg uit hun midden, en scheidt u af. Wandelt niet de weg met hen". Toen wij wegliepen begon de vrouw Jezus te verwensen en te vervloeken. Zij gilde en huilde van woede. Wij wandelden door. Ik voelde me zo zwak in mijn lichaam. In de volgende put was ook de vorm van een geraamte. Ik rook de geur van de dood zelfs voordat wij arriveerden. Dit skalet zag er net uit als de anderen. Ik vroeg mij af wat deze ziel gedaan had dat zij verloren en zonder hoop, zonder toekomst zou zijn, behalve een eeuwigheid in deze angstwekkende plaats. Hel is voor eeuwig. Als ik het huilen van de gefolterde zielen hoorde, huilde ik ook. Ik luisterde, toen een vrouw vanuit de vlammen van de put tot Jezus sprak. Zij haalde het Woord van God aan. "Lieve Heer, wat doet zij hier?" vroegik. "Luister", zei Jezus. De vrouw zei: "Jezus is de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Hem. Jezus is het Licht van de wereld. Kom tot Jezus, en Hij zal u redden". Terwijl zij sprak luisterden velen van de verloren zielen om haar heen. Sommigen vervloekten haar. Sommigen zeiden haar ermee te stoppen. Nog weer anderen zeiden: "Is er werkelijk nog hoop?", of "Help ons, Jezus". Smartelijk geschreeuw vulde de lucht. Ik begreep niet wat er gebeurde. Ik wist niet waarom de vrouw het Evangelie hier predikte. De Here kende mijn gedachten. Hij zei: "Kind, Ik riep deze vrouw toen zij dertig was om Mijn Woord te prediken en een getuige van het Evangelie te zijn. Ik roep verschillende mensen voor verschillende doelen in Mijn lichaam. Maar als een man of vrouw of jongen of meisje Mijn Geest niet wil ontvangen, zal Ik weggaan. "Zij beantwoordde Mijn roepstem vele jaren lang en zij groeide in de kennis van de Here. Zij leerde Mijn stem kennen en deed vele goede werken voor Mij. Zij bestudeerde het Woord van God. Zij bad veel en vele van haar gebeden werden beantwoord. Zij onderwees veel mensen de weg der heiligheid. Zij was getrouw in haar huis". "De jaren gingen voorbij tot zij op een dag ontdekte dat haar man een affaire met een andere vrouw had. En ook al vroeg hij haar om vergeving, toch werd zij bitter, zij wilde hem niet vergeven en proberen om haar huwelijk te redden. Het is waar, haar man had verkeerd gedaan, hij bedreef een zeer ernstige zonde". "Maar deze vrouw kende Mijn Woord. Zij wist hoe te vergeven, en zij wist dat er bij iedere verzoekinhg uitkomst was. Haar man vroeg haar hem te vergeven. Zij wilde niet. In plaats daarvan wortelde boosheid in haar. Woede groeide in haar. Zij wilde het niet aan Mij overgeven. Zij werd iedere dag bitterder en zei in haar hart: Hier ben ik, ik dien God volkomen, en mijn man loopt een andere vrouw na. "Denkt U dat dat juist is?" vroeg zij Mij. "Ik zei: "Nee, het is niet goed. Maar hij kwam naar je toe en had berouw en zei dat hij het nooit meer zou doen". "Ik zei tegen haar: "Dochter, kijk bij jezelf naar binnen, dan zul je zien dat jij de oorzaak ervan was". "Ik niet, Here", zei ze: "Ik ben de heilige, en hij is de zondige". Zij wilde niet naar Mij luisteren. "De tijd ging voorbij en zij wilde niet tot Mij bidden of de bijbel lezen. Zij werd niet alleen boos op haar man, maar ook op de mensen om haar heen. Zij haalde de schrift aan, maar zij wilde hem niet vergeven". "Zij wilde niet naar Mij luisteren. Zij werd zo bitter dat grote zonde haar hart binnenkwam. Haar hart dat eens vol liefde was, werd moordlustig. En op een dag, in haar boosheid, doodde zij haar man en die andere vrouw. Satan nam geheel bezit van haar en toen doodde zij zichzelf". Ik keek naar die verloren ziel die Christus uit haar leven had weggedaan en haar eigen ziel voor eeuwig had veroordeeld tot de vlammen en de pijn. Ik luisterde toen zij tegen Jezus zei: "Ik zal nu vergeven, Here", zei ze. "Laat mij hieruit. Ik zal U nu gehoorzamen. Hoor maar Heer, ik predik nu Uw Woord. Over een uur zullen de demonen komen om mij mee te nemen om nog verschrikkelijker te martelen. Zij zullen mij urenlang folteren. Omdat ik Uw Woord aan het prediken was zijn mijn martelingen erger. Alstublieft Heer, ik smeek U, laat mij eruit". Ik huilde mee met de vrouw in de put en vroeg de Here om mij alstublieft te bewaren voor een bitter hart. "Laat mij niet toestaan dat bitterheid mijn hart binnenkomt, Here Jezus", zei ik. "Kom, laten we gaan", zei Jezus.
A Divine Revelation of Hell...........deel 3b.
3b. Het rechterbeen van de hel Bedroefd liepen Jezus en ik door naar de volgende put. De afvallige prediker was nog altijd boos op Jezus en vervloekte Hem. Toen wij langs de vuurputten liepen strekten de verlorenen hun handen uit naar Jezus, en riepen klagend om genade. Hun knokige handen en armen waren grijszwart van het branden - er was geen levend vlees of bloed, geen organen, alleen de dood en doodsheid. Binnenin mij schreide ik: O aarde, heb berouw over uw zonden. Als u zich niet bekeert komt u hier. Stop, voor het te laat is. Wij stonden weer stil bij een put. Ik had zo'n medelijden met al die mensen, en voelde zo'n grote droefheid dat ik lichamelijk zwak was en bijna niet kon blijven staan. Mijn lichaam schokte van het snikken. "Jezus, ik heb zo'n pijn vanbinnen", zei ik. Vanuit de put sprak de stem van een vrouw tegen Jezus. Zij stond middenin de vlammen, die haar hele lichaam overdekten. Haar gebeente was vol wormen en dood vlees. Terwijl de vlammen opflikkerden om haar heen, stak zij haar handen uit naar Jezus, en huilde: "Laat mij eruit. Ik zal U nu mijn hart geven, Jezus, ik zal anderen vertellen over Uw vergiffenis. Ik zal voor U getuigen, Ik smeek U, alstublieft, laat mij hieruit!" Jezus zei: "Mijn Woord is de waarheid, en het verkondigt dat allen berouw moeten tonen, zich van hun zonden moeten bekeren en Mij vragen in hun leven te komen, als zij willen ontkomen aan deze plaats. Er is vergeving van zonden door Mijn bloed. Ik ben getrouw en rechtvaardig en zal allen vergeven die tot Mij komen. Ik zal hen niet afwijzen". Hij keerde Zich om, keek naar de vrouw en zei: "Als u naar Mij had geluisterd en tot Mij was gekomen en u bekeerd had, had Ik u vergeving geschonken". De vrouw vroeg: "Heer, is er geen manier om hieruit te komen?" Jezus sprak heel zacht: "Vrouw", zei Hij: "U kreeg vele gelegenheden om u te bekeren, maar u verhardde uw hart en wilde niet. En u kende Mijn Woord dat zegt dat alle hoereerders hun deel in de poel des vuurs zullen hebben". Jezus keerde Zich tot mij en zei: "Deze vrouw had zondige affaires met vele mannen, en zij veroorzaakte vele gebroken huwelijken. Toch, door dit alles heen had Ik haar nog lief. Ik kwam tot haar, niet met veroordeling, maar met behoudenis. Ik zond haar velen van Mijn dienaren, opdat zij zich zou bekeren van haar boze weg, maar zij wilde niet. Toen zij een jonge vrouw was, riep Ik haar, maar zij bleef het kwade doen. Zij deed vele verkeerde daden, toch zou Ik haar vergeven hebben, als zij tot Mij was gekomen. Satan kwam binnen bij haar, en zij werd bitter en wilde anderen niet vergeven. Zij ging alleen naar de kerk om mannen te krijgen. Zij vond ze en verleidde ze. Was zij maar tot Mij gekomen dan waren al haar zonden weggewassen door Mijn bloed. Een deel van haar wilde Mij dienen, maar men kan niet terzelfder tijd God en satan dienen. Elk mens moet kiezen wie hij wil dienen". "Here" schreide ik: "Geef mij de kracht om door te gaan". Ik beefde van mijn hoofd tot mijn voeten vanwege de verschrikkingen van de hel. Jezus zei tegen mij: "Vrede zij u, wees stil". "Help mij, Heer", riep ik. "Satan wil niet dat wij de waarheid weten over de hel. In mijn wildste dromen heb ik nooit kunnen denken dat de hel zo zou zijn. Lieve Jezus, wanneer zal hier een eind aan komen?" "Mijn kind" antwoordde Jezus: Alleen de Vader weet wanneer het einde zal komen". Toen sprak Hij nog eens: "Vrede, wees stil". Toen kwam er grote kracht over mij. Jezus en ik bleven voortgaan langs de putten. Ik wilde ieder persoon die we passeerden wel uit het vuur trekken en vlug aan de voeten van Jezus brengen. Vanbinnen weende ik zeer. Ik dacht bij mezelf: Ik wil niet dat mijn kinderen hier ooit komen. Eindelijk keerde Jezus Zich tot mij en zij rustig: "Mijn kind, wij zullen nu naar je huis gaan. Morgennacht keren we terug naar dit deel van de hel". Toen ik weer thuis was schreide en schreide ik. Gedurende de dag herleefde ik de hel en de afgrijselijke toestand van al die mensen daar. Ik vertelde iedereen die ik ontmoette overdag over de hel. Ik zei hun dat de pijn van de hel onbeschrijfelijk was. U, die dit boek leest, smeek ik: alstublieft, bekeer u van uw zonden. Roep Jezus aan en vraag Hem u te redden. Roep Hem vandaag aan. Wacht niet tot morgen. Er is misschien geen morgen voor u. Er is nog weinig tijd. Val op uw knieën en word gereinigd van uw zonden. Wees goed voor elkaar. Terwille van Jezus, wees vriendelijk en vergevensgezind jegens elkander. Als u kwaad bent op iemand, vergeef hem. Geen ruzie is het waard om voor naar de hel te gaan. Wees vergevensgezind, zoals Christus ons onze zonden vergeeft. Jezus is in staat om ons te bewaren als wij een berouwvol hart hebben en zal ons met Zijn bloed reinigen van alle zonden. Heb uw kinderen lief, en heb uw naaste lief als uzelf.
A Divine Revelation of Hell...........deel 3a.
3a. Het rechterbeen van de hel Ik was niet in staat om te slapen of te eten sinds ik de nacht ervoor in de hel was. Elke nacht in de hel beleefde ik de volgende dag opnieuw. Wanneer ik mijn ogen sloot kon ik niets zien dan de hel. Mijn oren konden het gegil van de verdoemden niet buitensluiten. Alsof ik een televisieprogramma zag, beleefde ik steeds weer al de dingen waarvan ik in de hel getuige was geweest. Elke nacht was ik in de hel, en elke dag worstelde ik om precies de juiste woorden te vinden waarmee ik de wereld over de afschrikwekkende plaats kon vertellen. Jezus verscheen weer aan mij en zei: "Vannacht gaan wij het rechterbeen van de hel binnen, Mijn kind. Wees niet bang, want Ik heb je lief en ben met je". Het gelaat van de Heer was smartelijk, en Zijn ogen waren gevuld met grote tederheid en diepe liefde. Ofschoon degenen die in de hel waren voor altijd waren verloren, wist ik dat Hij ze nog altijd liefhad en lief zou hebben tot in alle eeuwigheid. "Mijn kind", zei Hij: "God, onze Vader, gaf elk van ons een wil opdat wij konden kiezen wie wij wilden dienen, Hem of satan. Weet je, God maakte de hel niet voor Zijn volk. Satan bedriegt velen zodat ze hem zullen volgen, maar de hel was gemaakt voor Satan en zijn engelen. Het is niet Mijn noch Mijn Vaders verlangen dat iemand verloren zal gaan". Tranen van bewogenheid en medelijden liepen langs Jezus' wangen. Hij begon nogmaals te spreken: "Onthoud Mijn woorden in de komende dagen als Ik je de hel laat zien: 'Ik heb alle macht in hemel en op aarde'. Er zullen tijden komen dat je denkt dat Ik je verlaten heb, maar dat is niet zo. Ook zullen we soms gezien worden door de boze machten en de verloren zielen, terwijl we op andere tijden niet gezien worden. Ongeacht waar we heen zullen gaan, wees gerust en vrees niet om Mij te volgen". Wij vervolgden samen onze weg. Ik ging al schreiende vlak achter Hem aan. Ik had reeds dagenlang gehuild en kon de tegenwoordigheid van de hel die mij altijd voor ogen was niet afschudden. Ik huilde het meest vanbinnen. Mijn geest was erg bedroefd. Wij arriveerden bij het rechterbeen van de hel. Voor mij uitkijkend zag ik dat wij op een voetpad waren dat droog en verpulverd was. Gegil vulde de vuile lucht en de stank van de dood was overal. De geur was soms zo weerzinwekkend dat ik er misselijk van werd. Er was overal duisternis, het enige licht dat er was kwam uit Jezus, en dan waren er nog de zwavelputten, die verstrooid waren over het landschap zover als ik kon zien. Opeens passeerden ons allerlei soorten demonen. Duiveltjes gromden tegen ons als zij ons passeerden. Demonische geesten in alle maten en vormen praatten met elkaar. Voor ons uit ging een grote demon die bevelen gaf aan kleine demonen. Wij stonden stil om te luisteren en Jezus zei: "Er is ook een onzichtbare leger van kwade machten die wij hier niet zien - demonen zoals boze ziektemachten". "Ga!" zei de grote demon tegen de kleinere duivels en duiveltjes. "Doet veel slechte daden. Verdeelt huisgezinnen en vernietigt families. Verleidt zwakke christenen en geeft verkeerde aanwijzingen en misleidt zovelen als je kunt. Jullie ontvangen je loon wanneer je terugkomt. "Denk eraan dat jullie voorzichtig moeten zijn tegenover degenen die Jezus hebben aangenomen als hun Verlosser. Zij hebben de macht om jullie uit te werpen. Verspreidt jullie nu over de hele aarde. Ik heb daar al heel veel anderen en heb er nog meer om uit te zenden. Onthoudt het, wij zijn dienaars van de prins der duisternis en van de machthebbers in de lucht". Na die woorden begonnen de boze gedaanten op en uit de hel te vliegen. Deuren bovenin het rechterbeen van de hel openden en sloten zich heel snel om hen uit te laten. Sommigen gingen ook omhoog in de trechter waardoor we gekomen waren en er weer uit. Ik zal proberen te beschrijven hoe deze boze wezens eruit zagen. Die ene die sprak was erg groot, ongeveer de grootte van een grizzly beer, bruin van kleur met een hoofd als een vleermuis, en ogen die heel diep in zijn harig gezicht stonden. Harige armen hingen langs zijn zijden en slagtanden staken uit het haar op zijn gezicht. Een ander had de grootte van een aap met heel lange armen en haar over zijn hele lichaam. Zijn gezicht was klein en hij had een puntige neus. Ik kon nergens ogen bij hem ontdekken. Weer een ander had een groot hoofd, grote oren en een lange staart; en dan was er één die zo groot als een paard was en een gladde huid had. De aanblik van deze demonen en boze geesten, en de vreselijke geur die van hen uitging maakten mij erg misselijk. Overal waar ik keek waren demonen en duivels. De grootsten van deze demonen, vertelde de Here mij, kregen hun bevelen regelrecht van satan. Jezus en ik liepen verder op het voetpad tot we weer bij een put kwamen. Kreten van pijn, onvergetelijke, smartelijke geluiden kon men overal horen. Mijn Heer, dacht ik, wat zal er nu volgen? Wij liepen vlak langs sommigen van de boze wezens, die ons niet schenen te zien, en wij stopten bij nog een vuur- en zwavelput. In deze put was een zwaargebouwde man. Ik hoorde hem het Evangelie prediken. Ik keek vol verbazing naar Jezus, wachtend op Zijn antwoord want Hij kende altijd mijn gedachten. Jezus zei: "Terwijl hij op aarde was, was hij een prediker van het Evangelie. Er was een tijd dat hij de waarheid sprak en Mij diende". Ik vroeg me af wat deze man in de hel deed. Hij was ongeveer 2 meter lang, en zijn skalet was van een vuile grijsachtige kleur, zoals een grafsteen. Delen van zijn kleren hingen nog aan hem. Ik vroeg mij af waarom de vlammen deze gescheurde en voddige kleren niet verbrand hadden. Brandend vlees hing aan hem, en zijn schedel scheen in vlammen te zijn. Een afschuwelijke geur ging er van hem uit. Ik lette op de man en zag dat hij zijn handen spreidde alsof hij een boek vasthield en hij begon schriftgedeelten te lezen uit dit schijnboek. Weer herinnerde ik mij wat Jezus had gezegd: "Je houdt al je zintuigen in de hel, en ze werken veel intensiever dan voorheen". De man las tekst na tekst, en ik dacht dat het goed was. Jezus zei tegen de man met grote liefde in Zijn stem: "Zwijg, wees stil". Onmiddelijk stopte de man met spreken en langzaam wendde hij zijn hoofd om naar Jezus te kijken. Ik zag de ziel van de man binnenin zijn skaletachtige vorm. Hij zei tegen de Heer: "Heer, nu wil ik de waarheid prediken aan alle mensen. Nu, Heer, ben ik gereed om uit te gaan en anderen over deze plaats te vertellen. Ik weet dat ik terwijl ik op aarde was, niet in een hel geloofde, noch geloofde ik dat U zou wederkomen. Ik predikte wat de mensen wilden horen en ik comprommiteerde de waarheid tegenover de mensen in mijn kerk. Ik weet dat ik van niemand hield die van een ander ras was, of een andere huidskleur had, en ik was er de oorzaak van dat velen van U afvielen. Ik maakte mijn eigen regels aangaande de hemel en wat betrof goed en kwaad. Ik weet dat ik velen op een dwaalweg bracht en dat velen struikelden over Uw heilig Woord. Ook nam ik geld van de armen. Maar Heer, laat mij hieruit, en ik zal het goede doen. Ik zal geen geld meer van de kerk nemen. Ik heb me reeds bekeerd. Ik zal mensen van elk ras en elke kleur liefhebben". Jezus zei: "U heeft niet alleen het Heilige Woord van God verdraaid en er een valse voorstelling van gegeven, maar u loog toen u zei dat u de waarheid niet kende. De genoegens van het leven waren belangrijker voor u dan de waarheid. Ikzelf bezocht u en trachtte u te bekeren, maar u wilde niet luisteren. U ging uw eigen weg en het kwaad was uw meester. U kende de waarheid, maar u wilde geen berouw tonen of tot Mij terugkeren. Ik was er al die tijd. Ik wachtte op u, Ik wilde dat u zich zou bekeren, maar u deed het niet. En nu is het oordeel gesteld". Er was erbarmen te lezen op Jezus' gezicht. Ik wist dat als de man acht had geslagen op het roepen van de Verlosser, hij hier nu niet zou zijn. O mensen, alstublieft, luister naar Hem. Jezus sprak weer tegen de afvallige: "U had de waarheid moeten spreken, dan had u velen tot gerechtigheid gebracht met Gods Woord, dat zegt dat alle ongelovigen hun deel zullen hebben in de poel van vuur en zwavel". "U kende de weg van het kruis. U kende de weg der gerechtigheid. U wist hoe de waarheid tegen te spreken; maar satan vulde uw hart met leugens, en u ging de weg van de zonde. U had u in oprechtheid moeten bekeren, niet gedeeltelijk. Mijn Woord is de waarheid. Het liegt niet. En nu is het te laat, te laat". Bij die woorden schudde de man zijn vuist tegen Jezus en vervloekte Hem.
A Divine Revelation of Hell...........deel 2b.
2b. Het linkerbeen van de hel In de volgende put was een tenger-gebouwde vrouw die een jaar of tachtig scheen. Ik kan niet zeggen hoe ik haar leeftijd wist, maar ik wist het. Het vlees was door de aanhoudende vlam verwijderd van haar gebeente en alleen de beenderen waren er nog met een ziel als een vuile mist vanbinnen. Ik keek toe terwijl zij brandde in het vuur. Ik zag alleen beenderen en de wormen die daarbinnen kropen, die het vuur niet kon verbranden. "Here, wat vreselijk!" schreide ik. "Ik weet niet of ik wel door kan gaan, dit is een ongelofelijke verschrikking". Zo ver als mijn ogen konden zien waren zielen aan het branden in putten vol vuur. "Mijn kind, daarom ben je hier", antwoordde Jezus. "Je moet de waarheid weten en vertellen over de hel. De hemel is realiteit! De hel is realiteit! Kom, wij moeten voortgaan". Ik keek om naar de vrouw. Haar geschrei klonk zo bedroefd. Terwijl ik naar haar keek vouwde zij haar knokige handen samen, als in gebed. Ik moest schreien. Ik wist dat de mensen in de hel ook al deze dingen voelden. Jezus kende mijn gedachten. "Ja kind", zei Hij, "dat doen ze ook. Wanneer mensen in de hel komen hebben ze nog dezelfde gevoelens en gedachten als toen zij op aarde waren. Zij herinneren zich hun gezinnen en vrienden en al die tijd op aarde hadden zij de kans om zich te bekeren, maar zij hebben geweigerd. Zij blijven zich alles herinneren. Hadden zij het Evangelie maar geloofd, en berouw getoond voor het te laat was". Ik keek nog eens naar de oude vrouw, en deze keer merkte ik op dat zij maar één been had, en het was alsof er gaten in haar heupgewrichten waren geboord. "Wat zijn dat Jezus?" vroeg ik. Hij zei: "Kind, toen zij op aarde was, had zij kanker en had veel pijn. Zij werd geopereerd om haar leven te redden. Zij lag vele jaren ziek, een bittere oude vrouw. Velen van Mijn mensen kwamen om voor haar te bidden en haar vertellen dat Ik haar kon genezen. Zij zei: "God deed me dit aan" en zij wilde zich niet bekeren en het Evangelie geloven. Eens kende zij Mij zelfs, maar door de tijd heen begon zij Mij te haten". "Zij zei dat ze God niet nodig had en niet wilde dat ik haar genas. Toch pleitte Ik bij haar, want Ik wilde haar nog altijd helpen, Ik wilde haar genezen en zegenen. Zij keerde Mij de rug toe en vervloekte Mij. Zij zei dat ze Mij niet wilde. Mijn Geest bleef pleiten bij haar. Zelfs nadat ze Mij de rug had toegekeerd probeerde Ik haar tot Mij te trekken door Mijn Geest, maar ze wilde niet luisteren. Tenslotte stierf zij en kwam hier". De oude vrouw riep naar Jezus: "Here Jezus, vergeef mij nu, alstublieft. Het spijt mij dat ik geen berouw had toen ik op aarde was". Onder diepe snikken riep ze uit tegen Jezus: "Had ik me maar bekeerd voordat het te laat was! Heer, help me hieruit. Ik zal U dienen, ik zal goed zijn. Heb ik nog niet genoeg geleden? Waarom wachtte ik tot het te laat was? O, waarom heb ik gewacht totdat Uw Geest ophield met het worstelen om mijn ziel?" Jezus zei: "U kreeg kans na kans om u te bekeren en Mij te dienen". Droefheid was op Jezus' gelaat te lezen toen wij doorliepen. Terwijl ik de oude vrouw hoorde roepen, vroeg ik: "Here, wat komt er nu?" Overal om mij heen voelde ik vrees. Overal was kommer, waren kreten van pijn en was er een sfeer vervuld van de dood. Jezus en ik gingen met droefheid en medelijden naar de volgende put. Slechts door Zijn kracht kon ik verder gaan. Vanaf een grote afstand kon ik nog steeds de kreten van berouw en het pleiten om vergiffenis van de oude vrouw horen. Was er maar iets wat ik kon doen om haar te helpen, dacht ik. Zondaar, wacht alstublieft niet totdat Gods Geest ophoudt met u te worstelen om uw ziel. In de volgende put zat een vrouw op haar knieën, asof zij iets aan het zoeken was. Haar skaletvorm was ook vol gaten. Haar beenderen waren duidelijk te zien en haar verscheurde jurk was aan het branden. Haar hoofd was kaal en er waren slechts gaten waar haar ogen en neus zouden moeten zijn. Een klein vuur brandde om haar voeten heen, terwijl zij knielde, en zij klauwde zich vast aan de kanten van de zwavelput. Het vuur hing aan haar handen, en dood vlees bleef van haar afvallen terwijl zij haar nagels ingroef. Geweldige snikken schudden haar. "O Heer, o Heer", huilde zij: "Ik wil eruit". Terwijl wij toekeken had zij zich eindelijk naar de opening van de put geklauwd met haar handen em voeten. Ik dacht dat zij eruit zou gaan toen een grote demon met grote vleugels die bovenaan gebroken leken, en langs zijn zijden hingen, naar haar toe kwam rennen. Zijn kleur was bruinachtig-zwart, en hij had haar over heel zijn grote vorm. Zijn ogen waren heel diep in zijn hoofd gezet, en hij was zo ongeveer de grootte van een grote grijze beer. De demon rende naar de vrouw en duwde haar heel hard achterover de put en het vuur in. Ik keek toe in afgrijzen toen zij viel. Ik had zo'n medelijden met haar. Ik wilde haar in mijn armen nemen en vasthouden, en God vragen haar te genezen en hiervandaan te halen. Jezus kende mijn gedachten en zei: "Mijn kind, het oordeel is vastgesteld. God heeft gesproken. Reeds toen zij een kind was riep Ik haar telkens weer om zich te bekeren en Mij te dienen. Toen zij zestien jaar was kwam Ik naar haar toe en zei: "Ik heb je lief. Geef je leven aan Mij en kom, volg Mij, want Ik heb je geroepen voor een speciaal doel". Haar hele leven riep Ik haar, maar zij wilde niet luisteren. Zij zei: 'Eens op een dag zal ik U dienen. Ik heb nu geen tijd voor U. Geen tijd, geen tijd, ik wil mijn leven van plezier. Geen tijd, geen tijd om U te dienen, Jezus. Morgen zal ik het doen'. Maar morgen is nooit gekomen, want zij wachtte te lang". De vrouw riep tegen Jezus: "Mijn ziel wordt werkelijk gefolterd. Er is geen mogelijk om hier uit te komen. Ik weet dat ik de wereld wilde in plaats van U, Heer. Ik wilde rijkdom, roem en geluk, en ik kreeg het. Ik was mijn eigen baas. Ik was de knapste, meest goedgeklede vrouw van mijn tijd. En ik was rijk, had roem en voorspoed, maar ik ontdekte dat ik die dingen niet met me mee kon nemen de dood in. O Heer, de hel is verschrikkelijk. Ik heb dag noch nacht rust. Ik heb altijd pijn en martelingen. Help mij Heer", huilde zij. De vrouw keek zo verlangend op naar Jezus, en ze zei: "Mijn lieve Heer, had ik maar naar U geluisterd! Ik zal voor altijd berouw hebben dat ik het niet deed. Ik was zo van plan U eens te zullen dienen - wanneer ik er klaar voor was. Ik dacht dat U er altijd voor mij zou zijn. Maar wat heb ik mij vergist! Ik was één van de meest gezochte vrouwen van mijn tijd, vanwege mijn schoonheid. Ik wist dat God mij tot bekering riep. Heel mijn leven trok Hij mij met koorden van liefde, en ik dacht dat ik God kon gebruiken, zoals ik ieder ander gebruikte. Hij zou er altijd wel zijn. O ja, ik gebruikte God! Hij probeerde zo hard om mij zover te krijgen dat Ik Hem ging dienen, terwijl ik al die tijd dacht dat Ik Hem niet nodig had. Wat een vergissing! Want satan begon mij te gebruiken en ik begon meer en meer de satan te dienen. Tenslotte had ik hem meer lief dan God. Ik hield ervan te zondigen en wilde me niet tot God keren. "Satan gebruikte mijn schoonheid en mijn geld, en al mijn gedachten draaide erom heen hoeveel macht hij mij zou geven. Zelfs toen bleef God mij roepen. Maar ik dacht: ik heb morgen of overmorgen. Toen, op een dag, terwijl ik in een auto zat, reed mijn chauffeur op een huis in en ik werd gedood. Heer alstublieft, laat mij eruit". Terwijl zij sprak strekte zij haar knokige handen en armen uit naar Jezus terwijl zij brandde in de vlammen. Jezus zei: "Het oordeel is vastgesteld". Tranen liepen langs Zijn wangen toen wij naar de volgende put gingen. Ik schreide vanbinnen over de verschrikkingen van de hel. "Lieve Heer", riep ik: "de folteringen zijn te reëel. Als een ziel hier binnenkomt is er geen hoop meer, geen leven, geen liefde. Hel is te werkelijk". Geen uitkomst, dacht ik. Zij moet voor altijd in deze vlammen branden. Jezus zei: "We hebben niet veel tijd meer. We zullen morgen teruggaan". Vriend, als u in zonde leeft, bekeer u, alstublieft. Als u wedergeboren bent en God uw rug hebt toegekeerd, heb berouw en keer terug tot Hem nu. Leef een goed leven, en sta voor de waarheid. Waak op, voor het te laat is, en dan kunt u voor eeuwig samen met de Here in de hemel zijn. Jezus sprak weer: "De hel heeft een lichaam. (zoals een menselijke vorm) Het lichaam ligt op zijn rug in het centrum van de aarde. De hel is dus gevormd als een menselijk lichaam - buitengewoon groot en uitgestrekt, met vele folterkamers. "Denk eraan dat je de mensen op aarde vertelt dat de hel werkelijk bestaat... Er zijn miljoenen verloren zielen in de hel en iedere dag komen er nieuwe zielen bij. Op de grote oordeelsdag zullen de dood en de hel in de poel van vuur geworpen worden; dat zal de tweede dood zijn".
A Divine Revelation of Hell ......... deel 2a.
2a. Het linkerbeen van de hel Een vreselijke stank vervulde de lucht. Jezus zei tegen mij: "In het linkerbeen van de hel zijn vele putten. Deze tunnel heeft vertakkingen naar andere delen van de hel, maar wij zullen eerst enige tijd doorbrengen in het linkerbeen." "De dingen die je nu ziet zullen je altijd bijblijven. De wereld moet weten dat de hel reëel is. Vele zondaars en zelfs sommigen van Mijn volk geloven niet dat de hel werkelijk bestaat. Je bent door Mij gekozen om deze waarheden aan hen te openbaren. Alles wat Ik je zal laten zien van de hel, en al het andere wat Ik je zal tonen is waar". Jezus had Zich aan mij vertoond in de vorm van een helder schijnend licht, stralender dan de zon. De vorm van een man was in het centrum van dat licht. Soms zag ik Jezus als een man, maar op andere tijden had Hij de vorm van een geest. Hij sprak weer: "Kind, wanneer Ik spreek, heeft de Vader gesproken. De Vader en Ik zijn één. Denk eraan boven alles lief te hebben, en elkaar te vergeven. Kom nu, volg Mij". Terwijl wij voortgingen, vluchtten boze geesten weg van de tegenwoordigheid van de Here. "O God, o God", riep ik schreiend uit: "Wat komt er nu?" Zoals ik reeds eerder zei, behield ik al mijn zintuigen . Die van mij werkten nu op volle kracht. Angst was er nu aan alle kanten en onuitsprekelijke gevaren lagen overal op de loer. Iedere stap die ik nam was afschuwelijker dan die ervoor. Er waren deuropeningen ongeveer de grootte van een klein raam, bovenin de tunnel. Zij openden en sloten zich heel snel. Gegil vulde de ruimte, als vele boze wezens ons voorbijvlogen, in en uit de poorten der hel. Spoedig waren wij aan het eind van de tunnel. Ik beefde van schrik vanwege het gevaar en de vrees om ons heen. Ik was zo dankbaar voor de bescherming van Jezus. Ik dank God voor Zijn almachtige kracht die ons beschermt, zelfs in de putten van de hel. Zelfs met dat beschermende schild, bleef ik denken: "Niet mijn wil, Vader, maar Uw wil geschiede". Ik keek naar mijn lichaam. Voor de eerste keer merkte ik op dat ik in een geestesvorm was, en dat mijn vorm de gedaante van mijzelf had. Ik vroeg mij af wat er nu zou komen. Jezus en ik stapten uit de tunnel op een pad dat tussen twee stroken land liep. Er waren overal vuurputten zo ver als het oog kon zien. De putten waren schaalvormig en ongeveer 1 1/3 meter wijd en een meter diep. Jezus zei: "Er zijn veel van deze putten in het linkerbeen van de hel. Kom, Ik zal je enkele ervan laten zien". Ik stond naast Jezus op het pad en keek in één van de putten. Zwavel was ingesloten in de kant van de put, en gloeide rood als gloeiende vurige kolen. In het midden van de put was een verloren ziel die gestorven was en naar de hel was gegaan. Vuur begon te branden op de bodem van de put, schoot omhoog en hulde de verloren ziel in vlammen. In een ogenblik doofde het vuur weer bijna uit om dan weer met een geruis omhoog te schieten, over en rondom de gefolterde ziel in de put. Toen ik keek zag ik dat de verloren ziel in de put zat gekooid binnenin de vorm van een geraamte. "Mijn Heer", schreide ik: "Kunt U haar er niet uithalen?" Hoe verschrikkelijk was de aanblik! Ik dacht: Ik had daar kunnen zitten. Ik zei: "Heer, wat is het droevig om te zien en te weten dat daarbinnen een levende ziel is". Ik hoorde een luide kreet uit het midden van die eerste put komen. De ziel, binnenin de vorm van een geraamte, huilde: "Jezus, heb medelijden"! "O, Here!" zei ik. Het was de stem van een vrouw. Ik keek naar haar en wilde haar wel uit het vuur trekken. De aanblik van haar brak mijn hart. De skaletvorm van een vrouw met een vuilgrijze mist vanbinnen, was tegen Jezus aan het praten. Ik luisterde naar haar, diep geschokt. Flarden halfvergaan vlees hingen aan haar beenderen, en, wanneer het brandde viel het naar beneden op de bodem van de put. Er waren alleen maar lege oogholten waar haar ogen waren geweest. Zij had geen haar. Het vuur begon bij haar voeten in kleine vlammen die groter werden als het vuur omhoogklom over en op haar lichaam. De vrouw scheen aanhoudend te branden, zelfs wanneer het vuur alleen maar tot gloeiende kolen werd. Diep vanuit haar binnenste kwamen kreten en wanhopig gejammer: "Heer, Heer, ik wil eruit!" Zij bleef haar armen naar Jezus uitstrekken. Ik keek naar Jezus en er was grote smart op Zijn gelaat. Jezus zei tegen mij: "Mijn kind, je bent hier met Mij om de wereld te laten weten dat zonde de dood voortbrengt, dat de hel echt bestaat". Ik keek weer naar de vrouw, en wormen kropen uit haar beenderen van haar geraamte. Zij hadden geen last van het vuur. Jezus zei: "Zij weet dat die wormen binnenin haar zijn, zij voelt ze". "God, ontferm U!" riep ik uit als het vuur zijn hoogtepunt bereikte en het afgrijselijke branden weer helemaal opnieuw begon. Luide kreten en diepe snikken schudden de vorm van deze vrouwenziel. Zij was verloren. Er was geen uitkomst. "Jezus, waarom is zij hier?" vroeg ik met een klein stemmetje, want ik was erg bang. Jezus zei: "Kom". Het pad waarop wij liepen was niet recht maar kronkelde zich van en naar de vuurputten, zo ver als ik kon zien. Het geklaag van de levende doden, vermengd met gekerm en afschuwelijk gekrijs, kwam van alle kanten op mij af. Er zijn geen tijden van rust in de hel. De geur van dood en rottend vlees hing zwaar in de ruimte. Wij kwamen bij de volgende put. Binnenin deze put die dezelfde afmetingen had als de eerste, was ook een skaletvorm. De stem van een man riep vanuit de put: "Heer, ontferm U over mij!" Alleen wanneer zij spraken kon ik zeggen of de ziel een man of een vrouw was. Grote jammerende snikken kwamen uit deze man: "Het spijt me zo, Jezus. Vergeef mij. Neem me weg vanhier. Ik ben al jaren in deze folterplaats. Ik smeek U, laat mij eruit!" Diepe snikken schudden zijn geraamte, terwijl hij smeekte: "Alstublieft Jezus, laat mij eruit!" Ik keek naar Jezus en zag dat ook Hij schreidde. "Here Jezus", huilde de man vanuit de brandende put, "Heb ik niet genoeg geleden voor mijn zonden? Ik ben veertig jaar geleden gestorven". Jezus zei: "Er staat geschreven: "De rechtvaardige zal uit het geloof leven!" Alle spotters en ongelovigen zullen hun deel hebben in de poel des vuurs. U wilde de waarheid niet geloven. Vele malen werden Mijn mensen naar u toegezonden om u de weg te wijzen, maar u wilde niet naar hen luisteren. U lachte hen uit en weigerde het Evangelie. Hoewel Ik voor u aan een kruis stierf, spotte u met Mij en wilde geen berouw tonen van uw zonden. Mijn Vader gaf u vele gelegenheden om gered te worden. Als u alleen maar had willen luisteren!" Jezus weende. "Ik weet het Heer, ik weet het!" riep de man. "Maar ik heb nu berouw". "Het is te laat", zei Jezus. "Het oordeel is vastgesteld". De man vervolgde: "Heer, sommigen van mijn familieleden zullen hier komen, want zij willen zich ook niet bekeren. Alstublieft Heer, sta mij toe naar ze toe te gaan om ze te vertellen dat zij zich moeten bekeren van hun zonden terwijl zij nog op aarde zijn. Ik wil niet dat zij ook hier komen". Jezus zei: "Zij hebben predikers, leraars, oudsten die allen het Evangelie bedienen. Die vertellen het hun. Zij kunnen ook profijt trekken van de moderne communicatiesystemen, ook zijn er vele andere mogelijkheden om van Mij te leren. Ik heb arbeiders naar hen gezonden opdat zij zullen geloven en gered worden. Als zij niet willen geloven wanneer zij het Evangelie horen, dan zullen zij zich ook niet laten overreden door iemand die uit de dood verrezen is". Hierop werd de man erg kwaad en begon te vloeken. Slechte, godslasterlijke woorden kwamen uit zijn mond. Ik keek toe in afgrijzen als de vlammen omhoog rezen en zijn dood, rottend vlees begon te branden en van hem af te vallen. Binnenin deze dode verloren man zag ik zijn ziel, die eruit zag als een vuilgrijze mist, en die zijn geraamte vanbinnen vulde. Ik keerde me naar Jezus en riep uit: "Here, wat verschrikkelijk!" Jezus zei: "De hel is realiteit; het oordeel is realiteit. Ik heb ze zo lief Mijn kind. Dit is slechts het begin van de vreselijke dingen die Ik je moet tonen. Er komt nog veel meer. "Vertel de wereld voor Mij dat de hel bestaat, dat mannen en vrouwen zich moeten bekeren van hun zonden. Kom, volg Mij. Wij moeten voortgaan".
A Divine Revelation of Hell ...............deel 1
Van: mamma205 (Oorspronkelijk bericht) Verzonden: 27/05/2008 12:45
Deel 1
A Divine Revelation of Hell Netherlands by Mary Kathryn Baxter
Mary Kathryn Baxter - Hell - Netherlands 1. Naar de hel In maart 1976 terwijl ik thuis in gebed was kreeg ik bezoek van de Here Jezus Christus. Ik was reeds dagenlang in de Geest aan het bidden toen ik opeens de onmiskenbare tegenwoordigheid van God ervoer. Zijn kracht en Zijn heerlijkheid vulden het huis. Een schitterend licht verlichtte de kamer waar ik bad, en een liefelijk en wonderbaar gevoel kwam over mij. Lichten stroomden in golven, rolden in en over elkaar en scheidden zich weer. Het was een spectaculair gezicht! En toen begon de stem van de Heer tot mij te spreken. Hij zei: "Ik ben Jezus Christus, jouw Heer, en Ik wens je een openbaring te geven om de heiligen gereed te maken voor Mijn wederkomst en om velen tot gerechtigheid te brengen. De machten der duisternis zijn reëel en Mijn oordelen zijn waarachtig". "Mijn kind, Ik zal je door Mijn Geest meenemen naar de hel, en Ik zal je vele dingen tonen die Ik wil dat de wereld weet. Ik zal vele malen aan je verschijnen; Ik zal je geest uit je lichaam nemen en je werkelijk naar de hel brengen". "Ik wil dat je een boek schrijft waarin je vertelt over de visioenen en alles wat Ik je openbaar. Jij en Ik zullen samen door de hel gaan. Maak een verslag van deze dingen die waren, die zijn en nog komen moeten. Mijn woorden zijn waarachtig, getrouw en betrouwbaar. Ik Ben Die Ik Ben, en er is niemand buiten Mij". "Lieve Here", riep ik uit: "Wat wilt U dat ik doen zal?" Mijn hele wezen wilde tot Jezus roepen, om mijn erkentelijkheid voor Zijn aanwezigheid te uiten. De beste manier waarop ik dit gebeuren kan beschrijfen is door u te zeggen dat liefde over mij uitgestort werd. Het was de mooiste, vredigste, machtigste, meest vreugdevolle liefde die ik ooit heb gevoeld. Gods lof begon uit mij voort te vloeien. Opeens wilde ik mijn hele leven aan Hem geven om door Hem gebruikt te worden, en te helpen met het redden van de mensen van hun zonde. Ik wist, door Zijn Geest, dat het werkelijk Jezus was, de Zoon van God die bij mij in de kamer was. Ik kan geen woorden vinden om Zijn Goddelijke tegenwoordigheid tot uitdrukking te brengen. Maar ik weet dat ik weet dat het de Here was. "Zie, Mijn kind", zei Jezus: "Ik ga je door Mijn Geest meenemen naar de hel, opdat je in staat zult zijn om een verslag te maken van de realiteit ervan, en om heel de aarde te vertellen dat de hel echt bestaat, en om de verlorenen uit de duisternis tot het licht van het Evangelie van Jezus Christus te brengen". Onmiddelijk werd mijn ziel uit mijn lichaam getrokken. Ik ging met Jezus omhoog, mijn kamer uit en de lucht in. Ik wist alles wat er om mij heen gebeurde. Ik zag mijn man en mijn kinderen slapen in ons huis beneden ons. Het was net alsof ik gestorven was en mijn lichaam op mijn bed was achtergelaten terwijl mijn geest met Jezus door het dak van het huis opsteeg. Het leek wel alsof het hele dak teruggerold was, en ik mijn familie zag slapen in hun bedden. Ik voelde de aanraking van Jezus toen Hij zei: "Wees niet bang. Zij zijn veilig". Hij kende mijn gedachten. Ik wil proberen om zoveel als in mijn vermogen ligt u stap-voor-stap te vertellen wat ik zag en voelde. Sommige van de dingen begreep ik niet. De Here Jezus legde mij de betekenis uit van het meeste wat ik zag, maar er waren dingen die Hij mij niet vertelde. Ik wist toen en ik weet nu, dat deze dingen werkelijk gebeurden en dat alleen God ze mij kon tonen. Prijs Zijn heilige naam. Mensen, geloof mij, de hel is realiteit. Ik werd daar vele malen door de Geest naartoe gebracht, tijdens de voorbereidingen van dit verslag. Spoedig waren wij hoog in de lucht. Ik keerde mij om en keek naar Jezus. Hij was vol van glorie en macht, en stromen van vrede vloeiden uit Hem. Hij nam mijn hand en zei: "Ik heb je lief. Vrees niet, want Ik ben met je". Toen Hij dat zei stegen wij nog hoger de lucht in, en nu kon ik de aarde beneden ons zien. Op vele plaatsen, overal verspreid, staken trechters uit de aarde die snel ronddraaiden naar een centraal punt en dan weer terugkeerden. Deze trechters bewogen zich aanhoudend hoog boven de aarde en rezen vanuit de aarde over heel het oppervlak omhoog. "Wat zijn dat?" vroeg ik de Here Jezus toen wij vlakbij één van die dingen waren. "Dit zijn de poorten van de hel", zei Hij. Door één van die poorten zullen wij de hel binnengaan". Onmiddelijk gingen we één van de trechters binnen. Vanbinnen leek het op een tunnel die rond en rond draaide en dan weer terug, net als een tol. Diepe duisternis daalde op ons neer, en met die duisternis kwam er een stank zo verschrikkelijk dat het mijn adem benam. Langs de zijkanten van deze tunnel waren levende vormen, ingesloten in de wand. Donkergrijs in kleur, bewogen de vormen zich en schreeuwden naar ons als wij ze passeerden. Ik wist, zonder dat het mij werd verteld, dat het boosaardige wezens waren. De vormen konden zich bewegen maar zaten nog in de muren vast. Een vreselijke stank ging er van hen uit, en zij krijsten naar ons met een afschuwelijk geluid. Ik voelde een onzichtbare, kwade macht bewegen binnenin de tunnel. Nu en dan kon ik in de duisternis de omtrek uitmaken van de vormen. De meesten van hen waren bedekt met een vuile mist. "Here, wat zijn dit?" vroeg ik terwijl ik Jezus' hand goed vasthield. Hij zei: "Dit zijn boze geesten, gereed om op de aarde uitgespuwd te worden wanneer satan de bevelen geeft". Terwijl wij binnenin de tunnel afdaalden, lachten de kwade vormen en riepen ons na. Zij probeerden ons aan te raken, maar konden het niet vanwege de kracht van Jezus. De lucht was geheel besmet en vuil en alleen de aanwezigheid van Jezus bewaarde mij ervoor dat ik het uitgilde van louter afgrijzen. O ja, ik had al mijn zintuigen - ik kon het boze van deze plaats horen, ruiken, zien, voelen en zelfs proeven. Mijn zintuigen waren in feite zelfs gevoeliger geworden, en de reuk en smerigheid maakten mij misselijk.
Gekrijs vulde de lucht toen wij het einde van de tunnel naderden. Doordringend gegil rees omhoog en kwam op ons af uit de duisternis. Allerlei soorten geluiden vulden de lucht. Overal om mij heen voelde ik angst, dood en zonde.
De ergste stank die ik ooit geroken heb vulde de lucht. Het was de stank van ontbindend vlees, en het scheen uit alle richtingen te komen. Op aarde had ik nimmer zulke boosheid gevoeld of zulk wanhopig gegil gehoord. Spoedig zou ik ontdekken dat dit het gillen was van de doden en dat de hel vervuld was van hun gejammer.
Ik voelde een vlaag van een kwade wind en enige zuigkracht op ons afkomen. Lichten die op bliksemflitsen leken drongen door de zwarte duisternis heen en wierpen grijze schaduwen op de muren. Ik kon amper de vorm uitmaken van iets dat voor mij uitging. Geschokt deinsde ik terug toen ik mij realiseerde dat het een grote slang was die zich voor ons voortbewoog. Toen ik bleef kijken zag ik overal die afschuwelijke slangen glibberen.
Jezus zei tegen me: "Wij zullen spoedig het linkerbeen van de hel binnengaan. Je zult groot leed, pathetische droefheid en onbeschrijfelijke verschrikking zien. Blijf dicht bij Mij, en Ik zal je sterkte en bescherming geven terwijl wij door de hel gaan.
"De dingen die je straks zult zien zijn een waarschuwing", zei Hij. "Het boek dat je zult schrijven zal vele zielen redden van de hel. Wat je ziet is werkelijkheid. Wees niet bevreesd, want Ik zal met je zijn."
Eindelijk waren de Heer Jezus en ik op de bodem van de tunnel. Wij stapten eruit en gingen de hel binnen. Ik zal naar mijn beste vermogen trachten u te vertellen wat ik zag, en ik zal het vertellen in de volgorde waarin God het mij gaf.
Vóór ons waren, zover als ik kon zien, vliegende voorwerpen die overal heen schoten. Gekerm en meelijwekkend gehuil vulden de lucht. Voor ons zag ik een flauw licht en wij begonnen ernaartoe te lopen. Het pad bestond uit droge, poederige grond. Wij waren al gauw bij de ingang van een smalle, donkere tunnel.
Sommige dingen kan ik niet op papier zetten; die waren te ontzettend om te beschrijven. De angst in de hel kon je proeven, en ik wist dat als Jezus niet bij mij geweest was, ik niet terug had kunnen komen. Terwijl ik dit schrijf begrijp ik nog steeds niet sommige van de dingen die ik zag, maar de Heer weet alle dingen, en Hij hielp mij het meeste wat ik zag te begrijpen.
Laat mij u waarschuwen - ga niet naar die plaats. Het is een afschuwelijke plaats vol martelingen, folterende pijn en eeuwige smart. Uw ziel zal altijd blijven leven. De ziel leeft voor eeuwig. Zij is de werkelijke u, en uw ziel zal òf naar de hemel òf naar de hel gaan.
Tot degenen onder u die denken dat de hel hier op aarde is, wil ik zeggen: u heeft gelijk, het is waar! De hel is in het centrum van de aarde, en daar zijn zielen die dag en nacht folteringen ondergaan. Er zijn geen feestjes in de hel. Geen liefde. Geen ontferming. Geen rust. Het is een plaats van zo grote smart, dat het ons bevattingsvermogen te boven gaat.
ANTWOORD VAN SISI OP EERDER BERICHT DE DUIVEL BESTAAT ECHT
INDERDAAD APOLIEN BESTAAT DE DUIVEL ECHT IK HEB HEM PERSOONLIJK ZELF AAN HET WERK GEZIEN BIJ MIJN BROER THUIS EN IN DEZE GEVALLEN MAG JE NIET BANG ZIJN JE MOET HEM DOOR DE KNIEEN WAT IK DAN HEB GEDAAN DAAR IK ALTIJD EEN PATERNOSTER BIJ DE HAND HEB MAAR DEZE MAAL WAS IK VERTEL DIT VERHAAL VOOR DE EERSTE KEER DIT HEEFT PLAATSGEHAD ZO EEN JAAR OF ZES TERUG MAAR IK VOELDE WEL ALS IK BIJ MIJN BROER GING DAT ER EEN KILTE ROND MIJ GING IK KON DAAR NIET BIJVEN ZITTEN NU JA MOEST IK DAAR IK JUIST BIJ MIJN BROER TERECHT KON OM EEN BABBELTJE TE SLAAN NU WAS MIJN VADER DAAR OOK EN DE REST VAN DE KINDEREN WAREN DAAR OOK IK VOELDE TERUG DE KOUDE IK ZETTE MIJ RECHT OM PLAATS TE NEMEN AAN DE TAFEL IK DACHT DAAR EEBS GAAN ZIEN OF HET DAAR OOK KOUD IS IK WOU DE STOEL VAN ONDER DE TAFEL IK WOU DE STOEL VAN ONDER DE DE TAFEL TREKKEN OM MIJ OP TE ZETTEN MAAR DE STOEL GING VANZELF WEG WAAROP IK ONMIDDELIJK RIEP HIER IS IETS NIET PLUIS IN DIT HUIS ALLEMAN SPRONG RECHT OM TE KOMEN KIJKEN IEDEREEN WAS VERBAASD MIJN VADER ZEGDE TEGEN MIJ PAK DE STOEL NOG EENS IK WOU HEM NEMEN EN WEER HETZELFDE HIJ GING VANZELFS WEG IK ZIJ TEGEN IEDEREEN IK GA ER MIJ OPZETTEN EN GA BEGINNEN TE BIDDEN EN ALS ER IETS VREEMD GEBEURD BIDDEN JULLIE ALLEMAAL NOG HARDER TE BIDDEN ZEGDE IK HUN EN JA DAAR WAS HET BEEST INEENS GING DE TAFEL DE HOOGTE IN MIJN VADER AL WENEND LAG HEM MET ZIJN HELE LICHAAM OP DE TAFEL MAAR DE TAFEL GING MET HEM OMHOOG DE ANDEREN BEGONNEN TE HULEN WAAROP IK RIEP JULLIE MOETEN NIET HUILEN MAAR BIDDEN EN ZE BEGONNEN TE BIDDEN EN DE TAFEL VAN HIER NAAR DAAR DE DUEREN BEGONNEN OOK TE SLAAN EN BOVEN HOORDEN WIJ BONKEN OP DE MUREN EN DAN HOORDEN WIJ IEMAND DE TRAP KOMEN AFGERAAST MAAR WE ZAGEN NIEMAND MAAR DAN NIEMAND TOEN IK HARDOP RIEP HA MENEER BEN JE DAAR LAAT JE EENS ZIEN WAAROP IK ZEER HARD RIEP IK GELOOF IN ONZE LIEVE HEER EN ONZE LIEVE VROUW EN IK NOEMDE NOG HEILIGEN WAAROP DE TV VANZELFS GING SPELEN DE RADIO BEGON TE SPELEN EN OOK GING DE TV TERUG VANZELFS AAN MAAR IK LIET MIJ NIET AFLEIDEN DAT MAG JE NOOIT DOEN WANT ALD HET BEEST ZIET DAT JE TOEGEEFT BEN JE VERLOREN LIEVE MENSEN GELOOF MIJ HET HEEFT TOCH EEN LANG UUR GEDUURD VOOR HET WEG WAS HOOR DAARACHTER HEEFT MIJN BROER ZIJN HUIS LATEN ZUIVEREN EN NU IS DAT DAAR VOLLEDIG GEDAAN OOK ZIJ DRAGEN NU EEN ROZENKRANS BIJ ZICH MAAR ZOALS IK VERTEL VAN MIJN VADER DIE OP DE TAFEL LAG WAS BIJ HEM HET KWAAD INGEGAAN EN DAT WAS DAN BIJ MIJ THUIS HIERACHTER HET VERVOLG VAN BIJ MIJ THUIS VANWEGE SISI .
GROET AAN MIJN ENGELBEWAARDER.
Mijn lieve engelbewaarde, Gods geschenk aan mijn wereldse zwakheid, dichter bij mij dan mijn schaduw, met liefde en dank groet ik U als mijn hemelse broeder. Elke morgen opent U mijn ogen opdat zij de wereld zouden waarnemen in een hemels licht. Bid toch voor mij opdat ik heilig moge worden en mijn bestemming als kind van God moge bereiken. Laat mij Uw hand voelen bij elke klip en op elk kruispunt op mijn levensweg. Wees mijn schild wanneer de duivel de hand op mij wil leggen. Verenig U met mij telkens ik bid, opdat mijn gebeden een engelachtige zuiverheid mogen verkrijgen. Vul de onvolmaaktheid van mijn gebed aan, opdat het God waardig moge zijn en de wereld moge dienen. Waak over mij wanneer ik in diep gebed en dood voor de wereld ben. Geleid mij dan veilig op de weg terug naar de lichamelijke tempel van mijn ziel. Dank en loof God en Maria in mijn naam. Betuig hen onophoudelijk de liefde die mijn hart verteert doch die verdwaalt op de lange weg naar mijn mond. Houd mij constant het Licht voor ogen, opdat de duisternis mijn ware bestemming niet aan mijn blik zou kunnen onttrekken. Vervul mijn oren onophoudelijk met Uw zachte stem, opdat ik de luide schreeuw van het kwaad niet meer zou horen. Spreek door mijn mond, opdat al mijn woorden lofzangen aan God mogen zijn. Geef mijn lichaam de kracht die het nodig heeft om al mijn plichten en apostolaat te vervullen. Bid voor mij wanneer ik zwak, ziek of bewusteloos ben, en niet zelf kan bidden. Laat mij vanavond onder Uw vleugels slapengaan, opdat de duisternis mij moge vinden als een heilig licht. Mijn lieve hemelbroeder, sterk mij in mijn stervensuur voor de laatste strijd, en leg mij aan Maria's voeten neer, opdat mijn Voorspreekster mij met Haar allerzuiverste handen aan het Eeuwige Licht moge aanbieden. AMEN.
GEBED TOT MARIA, KONINGIN VAN DE VREDE.
Lieve Moeder Maria, Gods schepping is bevlekt door oorlog, onenigheid, ruzie, onbegrip, haat, onverdraagzaamheid, afgunst, nijd, jaloersheid, broedertwist, moord, doodslag, vernietiging, kwelling, foltering, verachting en alle verdriet dat mensen elkaar aandoen. Ik smeek U, laat het Licht uit Uw tedere ogen ons mensen de weg naar onze ware godskern terugvinden. Moge de kracht van Uw Liefde de bevroren mensenharten ontdooien en daardoor de antichrist, de eeuwige meester van de haat, ontwapenen. O Koningin van de Vrede, laat ons, wier harten door de gevolgen van de erfzonde tegen Gods Plan van Bestemming worden verscheurd, Uw vredesapostelen zijn, opdat wij samen met onze Hemelse Meesteres de komst van het Tijdperk van de Vrede mogen inluiden. AMEN.
20. Hij ging naar huis. en weer stroomde de menigte samen, zodat ze niet eens de gelegenheid kregen om brood te eten,
21. Zijn familie, die over hem gehoord had, ging erop uit om hem in bedwang te houden.
Want ze zeiden dat hij zichzelf niet was.
22. Ook de schriftgeleerden die van Jeruzalem waren gekomen, zeiden ; 'Hij is in de macht van Beelzebul' en 'Het is door de opperdemon dat hij de demonen uitdrijft.'
23. Hij riep hen bij zich en sprak hen toe met vergelijkingen ;
'Hoe kan de satan de satan uitdrijven ?
24. Als een koninkrijk innerlijk verdeeld raakt, kan dat koninkrijk
niet standhouden.
25. Als een familie innerlijk verdeeld raakt, kan die familie niet standhouden.
26. Als de satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld raakt, kan hij niet standhouden, maar is dat zijn einde.
27. Bovendien kan niemand het huis van een sterke binnendringen en de inboedel weghalen, als hij niet eerst die sterke vastbindt ;
pas dan kan hij zijn huis leeghalen.
28. Ik verzeker u, alles zal de mensenkinderen vergeven worden, hun zonden en de lastertaal die ze gesproken hebben.
29. Maar wie de heilige geest lastert, krijgt in de eeuwigheid geen vergeving, maar is schuldig aan een eeuwige zonde.'
30. Dit omdat ze zeiden ; 'Hij is in de macht van een onreine geest.'
14. Toen ze bij de menigte gekomen waren, kwam een man naar hem toe, die voor hem op de knieén viel,
15. en zei; Heer, heb medelijden met mijn zoon, want hij lijdt aan toevallen en is er slecht aan toe.
Want dikwijls valt hij in het vuur of in het water.
16. Ik heb hem naar uw leerlingen gebracht, maar die konden hem niet genezen'.
17. 'Ongelovig en tegendraads slag mensen, zei Jezus.
Hoelang moet ik nog bij jullie blijven?
Hoelang moet ik jullie nog verdragen? Breng hem hier bij me.'
18. Jezus bestrafte hem en de demon ging uit hem weg.
En de jongen was vanaf dat uur genezen.
19. Toen vroegen de leerlingen Jezus onder vier ogen; 'Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?'
20. Hij zei hun; 'Omdat je te weinig vertrouwen hebt !
Want ik verzeker jullie, als je vertrouwen hebt zo groot als een mosterdzaadje, dan zeg je tegen die berg; ga van hier naar daar, en hij gaat. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.'
( Math. 17 ).
JEZUS' TEGENVRAAG OVER DE MESSIAS.
41. Terwijl de Farizeeén bij elkaar waren, vroeg Jezus hun;
42. 'Wat denkt u van de messias ? Van wie is hij de zoon ?'
Ze zeiden hem; 'Van David.'
43. Hij zei;
'Hoe kan David, geinspireerd door de geest, hem dan heer noemen,
als hij zegt;
44. De Heer heeft gezegd tot mijn heer;
Ga zitten aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden aan uw voeten heb gelegd?
45. Als David hem heer noemt, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?'
46. Niemand kon hem daarop een antwoord geven, en niemand durfde hem van die dag nog iets te vragen.
( Math. 22-23 ).
EEN GOEDE HERDER....Ezechiël, 34: 1-31
De goede herder [1] Het woord van de heer werd tot mij gericht: [2] Mensenkind, profeteer tegen de herders* van Israël, profeteer en zeg tegen de herders: Zo spreekt de Heer god: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden. Moeten de herders niet hun schapen weiden? [3] U eet het vet, u kleedt zich met de wol, u slacht het vetgemeste dier, maar u weidt de beesten niet. [4] Het zwakke dier geeft u niets om aan te sterken, het zieke dier geneest u niet, het gewonde dier verbindt u niet, het verdwaalde dier brengt u niet terug en het verloren dier zoekt u niet; u behandelt de dieren hard en ruw. [5] Ze raken verspreid omdat ze geen herder hebben ; ze dienen als voedsel voor de wilde dieren of raken verdwaald. [6] Mijn schapen dwalen rond over alle bergen en hoge heuvels; over heel de aarde zijn mijn schapen verstrooid, zonder dat er iemand naar ze vraagt of ze zoekt. [7] Daarom, herders, luister naar het woord van de heer: [8] Zowaar Ik leef godsspraak van de Heer god: omdat mijn schapen weggeroofd worden, omdat ze ten prooi vallen aan de wilde dieren doordat ze geen herder hebben, omdat mijn herders niet op zoek gaan naar mijn schapen, maar alleen zichzelf weiden en niet mijn schapen, [9] daarom, herders, hoor het woord van de heer. [10] Zo spreekt de Heer god: Ik keer mij tegen de herders! Ik zal mijn schapen van hen opeisen en henzelf als herder ontslaan. De herders zullen niet langer zichzelf weiden. Ik zal mijn schapen uit hun mond bevrijden, ze zullen hun niet langer als voedsel dienen. [11] Want, zo spreekt de Heer god, Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen. [12] Zoals een herder omziet naar zijn schapen als die verdwaald zijn, zo zal Ik omzien naar mijn schapen en ze veilig terugbrengen van alle plaatsen waar ze verstrooid zijn geraakt op de dag* van wolken en dichte duisternis. [13] Ik zal ze terugvoeren uit de volken, ze samenbrengen uit de landen en ze leiden naar hun eigen grond; Ik zal ze weiden op de bergen en in de dalen van Israël, op alle bewoonbare plaatsen van het land. [14] Op goede weidegrond zal Ik ze laten grazen, het hoogland van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen ze worden ondergebracht op goede plaatsen en grazen in welige weiden op de bergen van Israël. [15] Ik zal zelf mijn schapen weiden en ze zelf een rustplaats wijzen godsspraak van de Heer god. [16] Het verdwaalde dier zal Ik zoeken, het verlaten dier terughalen, het gewonde dier verbinden, het zieke dier sterken, maar de vette en sterke dieren verdelgen; Ik zal ze weiden zoals het hoort. [17] U, mijn schapen, zo spreekt de Heer god, Ik ga rechtspreken tussen het ene schaap en het andere. Aan de rammen en de bokken: [18] is het niet voldoende dat u de beste weide afgraast? Moet u dan nog wat er overblijft met uw hoeven vertrappen? Is het niet voldoende dat u het helderste water drinkt, moet u dan nog de rest met uw poten bevuilen? [19] De andere schapen moeten dan eten wat uw hoeven vertrapt hebben en drinken wat uw poten bevuild hebben. [20] Daarom, zo spreekt de Heer god tegen hen, ga Ik rechtspreken tussen de vette en de magere schapen. [21] Omdat u alles wat zwak is met zijde en schouder wegdringt en met de hoorns stoot totdat u ze verdreven hebt, [22] kom Ik mijn schapen te hulp zodat ze niet langer verdrukt worden; Ik ga rechtspreken tussen het ene en het andere schaap. [23] Dan zal Ik over hen één herder* aanstellen die hen weiden zal: mijn dienaar David*. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn. [24] Ik, de heer, zal hun God zijn, en mijn dienaar David hun vorst; Ik, de heer, heb gesproken. [25] Dan sluit Ik met hen een vredesverbond*; wilde dieren laat Ik uit het land verdwijnen zodat ze veilig kunnen leven in de steppen en slapen in de bossen. [26] Ik zal mijn zegen uitstorten over hen en over het gebied rondom mijn heuvel. Ik zal het op tijd laten regenen, weldadige regens zullen het zijn. [27] De bomen in het veld zullen hun vruchten dragen en de akkers zullen hun gewas voortbrengen. Mijn volk zal wonen op zijn eigen grond en erkennen* dat Ik de heer ben, als Ik het hout van zijn juk breek en het bevrijd uit de macht van zijn onderdrukkers. [28] Dan zullen ze niet langer geplunderd worden door de volken en verscheurd worden door de wilde dieren; ze zullen veilig wonen zonder dat iemand ze opschrikt. [29] Ik zal het gewas voor hen zo weelderig laten groeien dat men er overal van spreekt, niemand in het land zal meer van honger omkomen en de vernedering van de volken zullen ze niet langer te verduren hebben. [30] Dan zullen ze erkennen dat Ik, de heer, hun God, hen bescherm en dat zij, het volk Israël, mijn volk zijn godsspraak van de Heer god. [31] U bent toch mijn schapen, de schapen die Ik weid; u bent mijn mensen en Ik ben uw God godsspraak van de Heer god.
JE KAN KAN GEEN TWEE HEREN DIENEN..........
JE KAN KAN GEEN TWEE HEREN DIENEN..........MATHEUS 6, 19 -34 [19] Verzamel geen schatten op aarde, waar mot of houtworm ze aantast, en waar dieven inbreken om ze te stelen. [20] Maar verzamel schatten in de hemel, waar mot noch houtworm ze aantasten, en waar geen dieven inbreken om ze te stelen. [21] Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn. [22] De lamp van het lichaam is het oog. Dus als je oog helder is, zal heel je lichaam verlicht zijn. [23] Maar als je oog slecht is, zal heel je lichaam duister zijn. Als nu binnenin je het licht duisternis is, hoe erg zal dan de duisternis zijn! [24] Niemand kan twee heren dienen. Want hij zal de een verfoeien en van de ander houden, of zich hechten aan de eerste en de ander verachten. Je kunt God en de geldduivel* niet tegelijk dienen. [25] Daarom zeg Ik jullie: maak je niet bezorgd over wat je zult eten of drinken om in leven te blijven, en ook niet over de kleding voor je lichaam. Is het leven niet meer dan het eten, en het lichaam niet meer dan de kleding? [26] Kijk naar de vogels van de hemel: ze zaaien niet en maaien niet en oogsten niet, je hemelse Vader voedt ze. Zijn jullie niet meer waard dan vogels? [27] Wie van jullie kan met al zijn zorgen een el toevoegen aan zijn leven? [28] En wat maak je je bezorgd over je kleren? Leer van de lelies op het veld hoe ze groeien. Ze werken niet, ze spinnen niet. [29] Maar Ik zeg jullie: zelfs Salomo met al zijn pracht en praal ging niet gekleed als een van hen. [30] Als God nu het gras op het veld, dat er vandaag staat en morgen in de oven wordt gegooid, zo kleedt, hoeveel te meer kleedt Hij dan jullie, kleingelovigen? [31] Vraag je dus niet bezorgd af: Wat zullen we eten? Wat zullen we drinken? Wat zullen we aantrekken? [32] Want naar dat alles zijn de heidenen op zoek. Jullie hemelse Vader weet wel dat je dat allemaal nodig hebt. [33] Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan krijg je dat alles erbij. [34] Maak je dus niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal zich wel bezorgd maken over zichzelf. Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.
Namen van God..........ja is ja en nee is nee.....Bijbel teksten
De Here is goed, Hij is tot sterkte in de dag der benauwdheid, en Hij kent hen die op Hem betrouwen.
( Nahum 1:7 ).
Als die in alles verdrukt worden doch niet benauwd, twijfelmoedig doch niet mismoedig, vervolgd doch niet verlaten, nedergeworpen doch niet verloren.
(2 Kor. 4:8,9 ).
Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen de toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.
( Psalm 138:7 ).
Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij.
( Joh. 14:1 ).
Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn; en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verteren, en de vlam zal u niet verbranden.
( Jesaja 43:2 ).
En wij weten, dat voor degenen die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk voor degenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
( Rom. 8:28 ).
Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat Gij mijn ellende hebt aangezien en mijn ziel in benauwdheden gekend.
( Psalm 31:8 ).
Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar hulp komen zal.
Mijn hulp is van de HERE, die hemel en aarde gemaakt heeft.
( Psalm 121:1,2 ).
Want wij hebben geen hogepriester die geen medelijden kan hebben met onze zwakheden, maar die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde.
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te gelegener tijd.
( Hebr. 4:15,16 ).
Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.
( 1 Petr. 5:7 ).
Zijt gij dan niet bezorgd tegen de morgen, want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.
( Math. 6:34 ).
Alzo zullen de vrijgekochten des HEREN wederkeren en met gejuich tot Sion komen, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij verwerven, kommer en gezucht zullen wegvlieden.
( Jes. 51:11 ).
Geloofd zij God en Vader van onze Here Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting, die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen die in allerlei verdrukking zijn, met de vertroosting waarmee wijzelf door God vertroost worden.
( 2 Kor. 1:3,4 ).
Weest in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God.
En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus.
1. Na deze toespraak sloeg Jezus zijn ogen op naar de hemel en bad; 'Vader, het uur is gekomen !
Verheerlijkt uw zoon, opdat uw zoon u verheerlijkt.
2. Laat hem, krachtens de macht die u hem gegeven hebt over alle mensen, eeuwig leven schenken aan al degenen die u aan hem toevertrouwd.
3. Eeuwig leven ! Dat betekent dat ze u, de enige waarachtige God, leren kennen, en ook degene die u gezonden hebt ; Jezus Christus.
4. Ik heb u op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat u mij te doen hebt gegeven.
5. Verheerlijkt mij nu, vader, aan uw zijde, en bekleed mij met de heerlijkheid die ik bij u bezat voordat de wereld bestond.
6. Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen uit de wereld die u mij had toevertrouwd. Ze waren van u, en u hebt hen aan mij toevertrouwd. Ze hebben uw woord ter harte genomen.
7. Nu erkennen ze dat alles wat u mij gegeven hebt, van u komt.
8. Want de woorden die u mij gegeven had, heb ik aan hen doorgegeven, en zij hebben die aangenomen; ze hebben naar waarheid erkend dat ik van u was uitgegaan; ze hebben geloofd dat u mij had gezonden.
9. Voor hen bid ik. Niet voor de wereld, maar voor hen die u mij hebt toevertrouwd bid ik, omdat ze de uwen zijn
10. al het mijne is trouwens het uwe en al het uwe is het mijne en omdat in hen mijn heerlijkheid zichtbaar is geworden.
11. Ik ben al niet meer in de wereld, maar zij, zij blijven in de wereld achter, terwijl ik naar u toe kom. Heilige vader, bewaar hen in mijn naam, die u mij hebt toevertrouwd, opdat ze één mogen zijn zoals wij.
12. Zolang ik bij hen was, was het mijn taak hen te bewaren in uw naam, die naam die u mij hebt toevertrouwd; ik heb over hen gewaakt, en geen van hen is verloren gegaan, behalve degene die verloren moest gaan, opdat de Schrift in vervulling zou gaan.
13. Nu kom ik naar u toe, maar terwijl ik nog in de wereld ben, zeg ik dit alles opdat ze volkomen vervuld mogen zijn van mijn vreugde.
14. Ik heb hun uw woord doorgegeven, en de wereld is hen gaan haten, want ze zijn niet van de wereld, zoals ik niet van de wereld ben.
15. Ik vraag u niet hen uit de wereld weg te nemen, maar hen te bewaren voor de macht van het kwaad.
16. Zij zijn niet van de wereld, zoals ik niet van de wereld ben.
17. Maak hen u toegewijd in de waarheid ; uw woord is waarheid.
18. Zoals u mij naar de wereld hebt gezonden, zo heb ik hen naar de wereld gezonden,
19. en voor hen wijd ik mijzelf u toe, opdat ook zij u toegewijd zullen zijn in de waarheid.
20. Niet alleen voor hen bid ik, maar ook voor degenen die door hun woord in mij geloven ;
21. dat ze allen één mogen zijn. Zoals u, vader, in mij bent en ik in u, zo moeten zij in ons zijn, zodat de wereld kan geloven dat u mij hebt gezonden.
22. Ik heb hen laten delen in de heerlijkheid waarin u mij hebt laten delen, opdat ze één mogen zijn zoals wij één zijn
23. Ik in hen zoals u in mij ; dat hun eenheid volkomen mag zijn, zodat de wereld kan erkennen dat u mij hebt gezonden en dat u hen hebt liefgehad met de liefde die u mij hebt toegedragen.
24. Vader, diegenen die u mij hebt toevertrouwd, zou ik graag bij mij hebben waar ik ben, zodat ze de heerlijkheid zien waarin u mij hebt laten delen, want voor de grondvesting van de wereld al had u mij lief.
25. Rechtvaardige vader, hoewel de wereld u niet heeft gekend ik heb u gekend, zijn zij het die hebben erkend dat u mij gezonden had.
26. Uw naam heb ik hun bekend gemaakt en dat zal ik blijven doen, opdat de liefde die u mij hebt toegedragen, in hen mag zijn opdat ik in hen mag zijn.'
( Johannes 16-17-18 ).
HET WOORD VAN DE HEER
[1] Het woord van de heer werd tot mij gericht:
[2] Mensenkind, zo spreekt de Heer god over de grond van Israël: Het* einde komt, het einde over de vier hoeken van het land.
[3] Nu komt het einde over u; Ik ga mijn woede op u koelen; Ik zal u vonnissen naar uw doen en laten; Ik zal u al uw gruweldaden vergelden.
[4] Ik zal u niet ontzien en geen medelijden met u hebben, maar uw doen en laten vergelden; uw gruweldaden zullen op u neerkomen en u zult erkennen* dat Ik de heer ben.
[5] Zo spreekt de Heer god: Het onheil komt, ramp op ramp!
[6] Het einde komt! Het komt, het einde! Het einde komt voor u.
[7] Het noodlot* zal u treffen, bewoners van het land, de tijd is gekomen, de dag is nabij dat het krijgsrumoer de vreugdekreten op de bergen doet verstommen.
[8] Binnenkort laat Ik mijn toorn de vrije loop en ga Ik mijn woede op u koelen, u vonnissen naar uw doen en laten en al uw gruweldaden vergelden.
[9] Ik zal u niet ontzien en geen medelijden met u hebben, maar uw doen en laten op u laten neerkomen en uw gruweldaden vergelden, en u zult erkennen dat Ik het ben, de heer, die slaat.
[10] Daar komt de dag, daar komt hij, waarop het noodlot zich voltrekt. De scepter bloeit en de overmoed draagt vrucht;
[11] een misdadige scepter, opgeschoten uit geweldpleging. Maar het is uit met hen, gedaan met hun drukte, gedaan met hun geraas, gedaan met hun praal.
[12] De tijd is gekomen, de dag is nabij. Laat de koper* zich niet verheugen en de verkoper* niet treuren want de woede komt over allen.
[13] Al zouden beiden dan nog leven, nooit krijgt de verkoper het verkochte terug, want de profetie over allen is onherroepelijk; niemand die behagen schept in ongerechtigheid kan zijn leven behouden.
[14] Blaas de bazuin, maak alles gereed. Maar niemand zal ten strijde trekken want mijn woede komt over allen.
[15] Het zwaard woedt buiten de muren, de pest en de honger binnen. Wie op het veld is zal sterven door het zwaard en wie in de stad is zal door honger en pest omkomen.
[16] Zoals duiven uit de vlakte in de bergen klagen, zo zullen de overlevenden treuren over hun zonden.
[17] Allen zullen van angst verlamd zijn en hun water laten lopen.
[18] Ze zullen zich in zakken hullen, ontzetting zal hen overweldigen; alle gezichten zullen rood zijn van schaamte en ze zullen hun hoofden kaalscheren.
[19] Hun zilver zullen ze op straat werpen en hun goud wekt afschuw op. Hun zilver en hun goud zal hen ook niet kunnen redden op de dag van de toorn van de heer; ze zullen zich daarmee niet kunnen verzadigen en hun maag er niet mee vullen, want het was de oorzaak van hun zonde.
[20] Hun sieraden waren immers hun trots. Ze hebben er hun gruwelbeelden van gemaakt, die misbaksels van ze. Daarom zal Ik zorgen dat ze ervan gruwen.
[21] Ik zal die sieraden aan barbaren uitleveren en aan de ergste bruten op de wereld als krijgsbuit geven; en zij zullen het schenden.
[22] Ik zal mijn gezicht van hen afwenden en men zal mijn schatkamer schenden; barbaren zullen er binnendringen en hem ontwijden.
[23] Maak ketenen, want in het land zijn bloedige oordelen aan de orde van de dag en de stad is vol geweld.
[24] Ik zal de wreedste volken ontbieden, die zullen hun huizen in bezit nemen. Ik zal een einde maken aan hun trotse kracht en hun heiligdommen zullen worden ontwijd.
[25] Er zal paniek uitbreken; ze zullen uitzien naar vrede, maar tevergeefs.
[26] Ramp op ramp zal komen, gerucht op gerucht zal zich verspreiden. Tevergeefs zullen ze de profeten om een godsspraak vragen; de priester zal geen aanwijzing meer hebben en de oudste geen raad.
[27] De koning zal rouwen, de vorst zal met stomheid geslagen zijn en het volk van het land verlamd van ontzetting. Ik zal hun daden vergelden en hen naar hun doen en laten vonnissen, en zij zullen erkennen dat Ik de heer ben.
DE TWAAL STENEN JOZUA 4.1_24
Jozua 4,1-24 De twaalf stenen [1] Toen* het volk de Jordaan was overgestoken, sprak de heer tot Jozua: [2] Zoek twaalf mannen uit, van iedere stam één, [3] en geef hun deze opdracht: Haal twaalf stenen uit de Jordaan, van de plek waar de voeten van de priesters hebben gestaan. Breng ze naar deze kant en leg ze op de plaats waar vannacht uw kamp staat. [4] Daarop riep Jozua de twaalf mannen die hij uit de Israëlieten had laten aanwijzen bijeen, één uit iedere stam, [5] en zei tegen hen: Ga de Jordaan in tot bij de ark van de heer uw God, en neem ieder één steen op uw schouder, [6] om daarmee een gedenkteken op te richten. Als uw kinderen later vragen: Wat betekenen die stenen? [7] dan moet u zeggen: Die betekenen dat de Jordaan voor de ark van het verbond van de heer is afgesneden. Bij de overtocht is de Jordaan afgesneden; daarom zijn deze stenen voor de Israëlieten een blijvend gedenkteken. [8] De Israëlieten deden wat Jozua hun opdroeg. Zoals de heer aan Jozua had opgedragen, haalden zij twaalf stenen uit het midden van de Jordaan, brachten die naar het kamp en legden ze daar neer. [9] Twaalf stenen heeft Jozua midden in de Jordaan laten leggen, op de plek waar de voeten van de priesters gestaan hadden die de ark van het verbond droegen. Ze liggen daar vandaag nog. [10] De priesters die de ark van het verbond droegen, bleven midden in de Jordaan staan tot alles uitgevoerd was wat Jozua, in opdracht van de heer en overeenkomstig zijn aanstelling door Mozes, aan het volk had bevolen. Het volk trok haastig naar de overkant. [11] Toen het volk aan de overkant was, trokken ook de priesters met de ark van de heer voor de ogen van het volk naar de andere oever. [12] De strijdbare mannen van Ruben, Gad en de halve stam Manasse waren aan de spits van de Israëlieten de rivier overgestoken, zoals Mozes bevolen had. [13] Met ongeveer veertigduizend gewapende mannen waren ze langs de ark van de heer de rivier overgetrokken, om in de vlakte van Jericho de strijd te beginnen. [14] Die dag heeft de heer Jozua bij alle Israëlieten zozeer in aanzien laten stijgen dat ze voor hem evenveel ontzag kregen als voor Mozes tijdens zijn leven. [15] En de heer sprak tot Jozua: [16] Zeg dat de priesters die de ark met de verbondsakte dragen, uit de Jordaan komen. [17] Jozua zei dus tegen de priesters: Kom uit de Jordaan. [18] Toen trokken de priesters die de ark van het verbond van de heer droegen uit het midden van de Jordaan weg. En nauwelijks hadden de voetzolen van de priesters het droge bereikt of het water van de Jordaan hervatte zijn loop en trad weer buiten zijn oevers. [19] Op de tiende dag van de eerste maand is het volk van de Jordaan weggetrokken. Zij sloegen hun kamp op bij Gilgal, aan de oostgrens van Jericho. [20] De twaalf stenen die zij uit de Jordaan hadden meegenomen, stelde Jozua op bij Gilgal* [21] en hij zei tegen de Israëlieten: Als uw kinderen later aan hun vader vragen: Wat betekenen die stenen? [22] dan moet u uw kinderen deze uitleg geven: Hier is Israël over de droge bedding van de Jordaan getrokken. [23] De heer jullie God heeft de Jordaan voor jullie drooggelegd tot jullie de andere oever bereikt hadden, zoals Hij ook de Rietzee voor ons heeft drooggelegd tot wij erdoorheen waren. [24] Daardoor zullen alle volken van de aarde weten hoe machtig de hand van de heer, jullie God is, en zullen jullie altijd ontzag voor Hem hebben.
De getuigenis van een 8-jarig meisje die Jezus Christus ontmoette
Visioenen van de Wegvoering, de Beroering, de Heilige Stad, & de Tronen van GODen satan. De getuigenis van een 8-jarig meisje die Jezus Christus ontmoette. (Jannet Balderas Canela)
Originele vertaling uit Spaanse Audio, Illustraties werden toegevoegd en maken geen deel uit van de originele getuigenis. Deze getuigenis werd geverifieerd en bevestigd dooreen onafhankelijke & geloofwaardige profeet. (www.DivineRevelations.info)
Geachte broeders, moge de Heer U allen zegenen in dit uur. Laten we uit de Bijbel lezen in 2 Korintiërs 12:1-4, het Heilig Woord van God. In de naam van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest. "Ik moet blijven verbluffen. Alhoewel er niets mee te winnen valt, zal Ik verdergaan met visioenen en openbaringen van de Heer. Ik ken een man in Christus die veertien jaren geleden in de Derde Hemel opgenomen werd. Of het in het Lichaam of buiten het lichaam gebeurde weet ik nietGod weet het. En ik weet dat deze manin het lichaam of buiten het Lichaam weet ik niet, maar God weet hetin het paradijs opgenomen werd. Hij hoorde onuitspreekbare dingen, dingen die de mens niet toegelaten is te vertellen."
Ik zal jullie vertellen over een ervaring die Ik had met de Heer op 5 September, 1999. We waren in de Kerk en de Macht van God vulde daar onze levens. Ik viel op de vloer en voelde de aanwezigheid van de Heer in me. Ik voelde dat de Heer in me werkzaam was, en Hij begon me visioenen te tonen.
In een visioen zag ik twee wegen, één was heel breed, waarover heel veel mensen gingen, maar ze wandelden naar hun ondergang. De andere weg was zeer smal, Ik zag dat er vele mensen over deze weg wandelden, terwijl ze de Heer prezen en eerden.
Toen toonde de Heer me een ander visioen waarin een engel aan het vechten was tegen een draak. De draak wierp vuur en demonen op deze Aarde.
Daarna zag ik een ander visioen van een zeer heldere lichtgevende klok. Ze was gemaakt van goud. De tijd die ze toonde was twaalf uur. Toen zag ik een hand die de klok terugdraaide naar elf uur. De Heer zei me, "Kijk, Mijn dienaar, Ik draai de tijd terug omdat Mijn volk niet zo voorbereid is als Ik hen wens te zijn, Ik draai de tijd terug, omdat Mijn volk Me niet zo prijst als Ik het wens, en het is daarom, omwille van Mijn grote Genade dat Ik hen een laatste kans geef, zodat iedereen die zelf voor Mijn Voeten zal komen staan, het eeuwige leven zal ontvangen."
Toen toonde de Heer me een ander visioen, terwijl ik nog op de vloer lag. Ik zag een man op een paard naar me toe rijden. Hij strekte Zijn handen naar me uit, en naderde de plaats waar ik op de vloer lag. Toen voelde Ik dat de Heer me in Zijn armen nam. Ik voelde dat Hij mijn geest uit mijn lichaam nam, en in Zijn Armen. We begonnen dan te rijden, we reden naar boven en stopten in een plaats niet te hoog of laag. Hij sprak tot me, "Kijk Mijn dienaar, Ik zei u dat Ik U met Me mee zou nemen, en dat is wat Ik nu doe, omdat Ik volbreng wat Ik zeg met Mijn mond. Wat Ik zeg, doe Ik. Daarom heb Ik u naar hier gebracht Mijn dienaar. Maar Ik zal u eerst Mijn wonden tonen, zodat ge er rekening mee zult houden en nooit zult vergeten wat Ik voor jullie allemaal heb gedaan."
We kwamen aan voor de Troon van God en de Heer toonde me de plaats waar de nagels werden geslagen en waar Zijn zijde doorboord werd. Hij toonde me ook hoe Hij gegeseld werd. Ik zag alle littekens en geselstrepen die Hij verduurde voor ons allemaal. Hij zei, "Kijk Mijn dienaar, velen van jullie houden geen rekening met alles wat Ik voor jullie gedaan heb, velen van jullie vergeten dat Ik voor jullie stierf op het Kalvariekruis, en Ik voel pijn Mijn dienaar. Ik voel pijn wanneer Mijn volk me negeert en ontkent, alsof die wonde weer geopend wordt, en het doet Me pijn. Het is alsof ze Me weer kruisigen aan het kruis." Ik zag hoe de Heer aan het wenen was, omdat Hij pijn voelt wanneer we Hem laten vallen.
-HEMEL-
Hij zei, "Dienaar, Ik zal u vele dingen tonen, Ik zal U de straten van goud en de kristallen zee tonen, zodat ge bij uw terugkeer aan de mensen kunt vertellen welke grote dingen Ik voor hen bereid heb."
We kwamen spoedig aan in een plaats met prachtige straten, zo prachtig. Ik heb nooit zulke dingen gezien of aangeraakt op de Aarde. De straten straalden licht uit! De Heer zei, "Mijn dienaar, raak deze gouden straat aan, omdat gij en Mijn volk hier zullen leven, omdat Mijn volk hier heel binnenkort naartoe zal komen." Ik zag de weerspiegeling van de Heer en mezelf terwijl we reden.
Vervolgens kwamen we aan bij de kristallen zee, het was zo mooi. Terwijl ik met de Heer door die kostbare zee reed, vertelde Hij me, "Mijn dienaar, dit alles is niet voor Mezelf, dit alles is voor Mijn volk. Alles wat ge kunt aanraken heb Ik met zo veel liefde voor Mijn volk voorbereid." Toen zei Hij, "Dienaar kom hier, want Ik wil u andere dingen tonen."
We kwamen toen aan op een prachtige plaats waar ik de glorie van God kon zien, en Zijn Macht voelen. Het was een grote, prachtige plaats. Ik zag vele tafels, en ik vroeg de Heer, "Heer, waar dienen al die tafels voor?" Hij zei, "Dienaar, herinner U het Huwelijk van het Lam, herinner U dat we aan deze tafels het Huwelijk van het Lam zullen vieren." Ik zag een ontelbaar aantal tafels, en ik kon er het einde niet van zien. Er stonden engelen aan iedere tafel, en ik vroeg dus aan de Heer, "Heer, waarom staat er een engel aan iedere tafel en bij iedere stoel?"De Heer zei, "Mijn dienaar, deze engelen versieren de tafels, deze engelen zetten iedere tafel klaar omdat Ik al alles aan het voorbereiden ben."
Beste broeders, deze tafels waren zo schitterend; ze waren allemaal van goud gemaakt. De tafels waren zeer knap versierd. Ik zag hoe elke engel de vork, het mes, de lepel, de glazen en de borden plaatste, alles gemaakt van goud, zo prachtig. De Heer zei me, "Dienaar, zeg Mijn volk dat ze zich klaarmaken, want heel binnenkort zal Ik hen met Me meenemen zodat ze hier naartoe kunnen komen en tesamen met Mij zich kunnen verheugen in het Huwelijk van het Lam."
Het was zo prachtig; de aanwezigheid van de Heer kon er gevoeld worden, zulk een glorie en majesteit! De Heer zei, "Dienaar, kom hier want Ik wil u andere dingen tonen." We kwamen aan op een plaats met vele prachtige deuren, zovele prachtige deuren. Ik vroeg, "Heer, wat is er achter deze deuren?" Hij zei, "Achter deze deuren zijn Mijn discipelen, achter deze deuren zijn Mijn apostelen, achter deze deuren zijn al diegenen die eens op de Aarde leefden en die Mijn Naam prezen en verheerlijkten."
-MARIA-
We reden weer verder en kwamen aan bij een half-geopende deur, en de Heer zei, "Dienaar kom hier, kom hier want achter deze deur is Maria. Kom nader en luister wat Ze zegt, zodat ge aan Mijn volk kunt vertellen hoe Maria lijdt." Ik kwam dichtbij en zag een jonge vrouw, zo een mooie jonge vrouw, zo schoon, haar gezicht was zo mooi. Ze keek door een zeer klein raampje. Ze was geknield en keek naar de Aarde, terwijl ze huilde van de vreselijke pijn.
Ze zei, "Waarom aanbid ge me? Waarom, als ik over geen enkele macht beschik! Waarom aanbid ge me? Ik doe zelf niets! Aanbid me niet! Buig niet voor me! Want Ik kan U niet redden! De enige die kan redden, de enige die U kan bekeren is Jezus, die voor alle mensen stierf! Vele mensen zeggen dat ik macht heb, dat Ik mirakels kan doen, maar dat is een leugen! Ik doe zelf niets! De Almachtige God was tevreden over me en Hij gebruikte mijn schoot zodat Jezus kon geboren worden om iedereen te redden, maar ik heb geen enkele macht. Ikzelf kan niets! Buig niet voor me! Aanbid me niet! Want ik ben niet waard aanbeden te worden. De enige die dat waard is, de enige waarvoor ge moet buigen en die ge moet aanbidden is Jezus! Hij is de Enige die geneest en red!"
Ik kon zien hoe die jonge vrouw zulk een enorme pijn voelde, ze was vol angst en weende. Ze zei, "Nee! Nee! Aanbid me niet! Waarom buigt ge voor me? Ik doe zelf niets!" Ziet ge mijn beste broeders, het was een overweldigend iets om deze jonge vrouw te bekijken, zoals ze aan het wenen was met zulk een pijn en droefheid.
-MANTELS EN KRONEN-
De Heer zei me, "Dienaar kom hier, want Ik wil U dingen blijven tonen." We kwamen aan bij een heel prachtige plaats waar Ik de glorie van God kon voelen. Ik zag rijen en rijen van witte mantels, zo heel wit en prachtig! Ik raakte ze aan en de Heer zei, "Dienaar, voel deze mantels, want deze mantels zijn voor jullie allemaal."
Ik zag vele rijen en raakte het fijne weefsel aan. Het was zo helder en wit, in niets te vergelijken met hetgeen ik op Aarde aanraakte. De Heer zei, "Dienaar, deze mantels zijn voor jullie allemaal." Er liepen tranen over de Heer zijn wangen. De Heer zei, "Dienaar, vele van deze witte mantels zullen hier blijven, in afwachting dat iemand hen neemt. Vele van deze witte mantels zullen hier blijven, wachtend op een lichaam.""Waarom Heer?" vroeg ik. "Omdat velen Me niet aanbidden zoals Ik het wil, velen schenken geen aandacht aan alle dingen die Ik voor jullie allemaal doe. Dienaar, vele van deze witte mantels zullen hier blijven, wachtend op een Lichaam, omdat Ik in Mijn Koninkrijk geen besmeurde dingen ontvang. In Mijn Koninkrijk laat Ik alleen heilige dingen toe, omdat in Mijn Woord geschreven staat, wees heilig, omdat Ik heilig ben."(1 Petrus 1:16)
Ik keek en zag vele mantels; elk ervan droeg een naam geschreven in goud. Ik raakte de mantels aan die kleiner waren en andere afmetingen hadden, en ik zei, "Heer, deze kleine mantels, wie zullen ze dragen ?" De Heer antwoordde, "Dienaar, herinner U Mijn kleine kinderen, denk eraan dat Ik voor iedereen geef, Ik maak geen onderscheid tussen personen, deze kleine mantels zijn voor Mijn kleine kinderen die Mijn Naam prijzen, ze zijn voor Mijn kinderen die graag naar Mijn Huis gaan en Mijn Naam eren, daarom heb ik grote dingen voor hen bereid. Ik heb voor iedereen die naar Me uitkijkt, Ik heb voor al diegenen die voor Mijn Voeten komen staan, Ik geef hen Eeuwig Leven."
We begonnen weer te rijden en spoedig kwamen we aan in een grote ruimte met vele kronen. Er waren luxueuze kronen, schitterende kronen, dus zei ik, "O Heer! Deze kronen, ze zijn zo mooi. Voor wie zijn deze kronen?" De Heer zei, "Dienaar, deze kronen die ge aanraakt, zijn voor diegenen die Mijn Naam prijzen, voor diegenen die Mijn Naam echt verheerlijken op de wijze dat Ik het wil."
De Heer toonde me andere kronen, maar ik merkte op dat ze alleen uit metalen frame bestonden. Toen sprak de Heer, "Dienaar, kijk naar hier." En ik begon andere kronen te zien, maar deze kronen waren van doornen gemaakt, dus zei ik, "Heer, laat een doornenkroon of een simpel frame niet de mijne zijn!" De Heer zei me, "Dienaar, op deze plaats zijn er drie types van kronen: de luxueuze en schitterende kronen die ge kunt zien en aanraken zijn voor diegenen dieMijn Naam echt prijzen, voor allen die echt en uit heel hun hart Mijn Naam verheerlijken en prijzen. Ze zijn voor diegenen die werken in Mijn wijngaard, voor diegenen die er plezier in scheppen in Mijn Huis te zijn, voor diegenen die graag moeite doen en lijden om Mij te behagen voor Mijn Woord. De kronen die enkel een frame zijn dat ge kunt zien en aanraken, zijn voor diegenen die alleen spelen met Mijn woord, ze zijn voor diegenen die niet graag in Mijn huis zijn, het is voor diegenen die niet graag vasten, noch volhouden, die Mijn Naam niet verheerlijken, ze zijn voor diegenen die Me enkel met hun lippen prijzen, maar niet met hun harten zoals Ik het wil. Waarom mijn dienaar? Omdat niemand Me kan bedriegen, er bestaat geen schuilplaats om aan Me te ontkomen. Dienaar, die doornenkronen die ge kunt aanraken en zien, zijn voor diegenen die spotten met Mijn Woord, zijn voor diegenen die Mijn Woord bekritiseren, zijn voor al diegenen waarbij Ik aanklop op hun harten maar die Mijn Woord niet willen aanvaarden, voor al diegenen die kritiek uiten op Mijn Woord."
-VISIOEN van de WEGNAME (RAPTURE)-
Daarna sprak de Heer, "Diestmaagd, Ik zal U de wegname tonen, Ik zal U tonen hoe Mijn Wederkomst zal zijn." En ik zei,"Heer, ik heb reeds vele dingen gezien, waarom toont Ge me nog meer?" Toen kwamen we aan bij de Troon van God, en Ik zag daar duizenden en duizenden engelen samen. Toen daalden we af, en de Heer en ikzelf stopten in een zeer mooie witte wolk. De Heer gaf opdracht aan de engelen om te komen en de Kerk te ontvangen, en de Heer zei me,"Kijk nauwgezet toe, dienstmaagd, want zo zal het zijn wanneer Ik wederkom, dit zal Mijn Komst zijn."
Ik zag mensen opstijgen van de vier hoeken van de Aarde, ze prezen de Naam van de Heer. Al deze mensen werden bedekt met de Macht van God. Ze werden gekleed in witte mantels en stegen hoger en hoger. Ze begonnen een zeer mooi lied te zingen, "Heilig, Heilig, Heilig zijt Gij oh Heer! Dank U Vader! Omdat Ge ons verheven hebt!Dank U Heer, omdat Ge ons verheven hebt!"
Ik zag veel verschillende mensen, magere, kleine, donkere, blanke. Al deze mensen, en al deze engelen stegen op naar de wolk waar de Heer en Ik waren. Al de mensen en engelen waren vervuld van dankzegging aan de Heer, en we zegden allemaal, "Heilig! Heilig! Heilig zijt Gij oh Heer!" Het was een zo enorm gebeuren, Ik zag zoveel mensen dat Ik meende hen te kennen. Ze werden allen bedekt met de Heerlijkheid van God.
-VISIOEN van de BEROERING-
Nadat we aankwamen bij de Troon van God, zei de Heer, "Dienstmaagd, kom hier." We verlieten de Troonzaal en kwamen aan in een kamer met een zeer klein raampje. De Heer zei, "Dienstmaagd, kijk nu naar beneden." Ik zag een verschrikkelijke verwoesting, zo een enorme verwoesting; de hele Aarde was verwoest en vol van pijn. De Heer zei, "Kijk dienstmaagd, dit is wat er zal zijn nadat Ik Mijn Volk van de Aarde weggevoerd zal hebben, dit zal er zijn na Mijn Komst, dit zal er zijn wanneer Mijn Kerk hier bij Mij is." Ik zag een zo enorme verwoesting.
Ik zag mensen die het ene ogenblik aan het feestvieren waren, maar vervolgens zag ik een vader die zijn zoon zocht, een moeder die haar dochters zocht, maar ze konden hen niet vinden, omdat de Almachtige God hen meegenomen had. Familie zocht achter haar verwanten, maar konden hen niet vinden. Mensen zochten achter hun buren maar konden hen niet vinden, omdat de Heer hen met zich mee naar boven genomen had.
Iets vreselijks gebeurde toen over gans de Aarde. Ik zag een pastoor rennen van de ene plaats naar de andere, en ik vroeg de Heer, "Heer, waarom loopt die man van de ene plaats naar de andere?" De Heer antwoordde, "Dienstmaagd, deze man was een pastoor, maar omdat hij meende dat Ik dit zou uitstellen, werd hij achtergelaten. Hij dacht niet dat Ik nu zou komen, hij dacht dat het nog lang zou duren voordat ik zou wederkeren, en daarom werd hij achtergelaten." De pastoor bleef rondlopen, zeggende "Heer, waarom werd ik achtergelaten? Als ik een pastoor ben, als ik een positie in de kerk bekleed, en de kerkgemeenschap is weg, en Ik wordt achtergelaten? Waarom werd ik achtergelaten?"De Heer zei, "Dienstmaagd, Ik kan nu niets doen, hij meende dat Mijn Wederkomst op zich liet wachten, wel, hij werd achtergelaten."
Ik zag dat die man vervolgd werd. Hij zei, "Het enige wat ik wil is door Christus opgenomen te worden! Het enige dat ik wil is bij de Heer te zijn omdat ik niet hier wil zijn en lijden in de grote beroering!"Hij bleef op en af lopen en vroeg zichzelf af, "Waarom werd ik achtergelaten? Neem me mee Heer! Ik wil hier niet zijn en lijden!" De Heer zei, "Dienstmaagd, er is niets wat Ik nu kan doen, ik sprak een lange tijd met hem, en vertelde hem dat Ik spoedig zou weerkeren, maar hij geloofde me niet, wel, nu wordt hij achtergelaten."
Ik zag veel andere mensen overal rondlopen. Zoveel mensen liepen er rond, ze poogden wanhopig vrede te vinden, maar ze konden ze niet verkrijgen. Ze riepen, "Wij willen het Woord van Leven! Wij Dorsten naar het Woord van God!" Maar het was al te laat, omdat de Heer Zijn Kerk met zich meegenomen had.
Ik zag zovele jonge meisjes en jongens door het struikgewas lopen, ze liepen door de bergen in een poging om vrede te vinden. Ze verlangden vrede maar konden ze niet vinden. De Heer zei me waarom, "Dienstmaagd, Ik heb Mijn Kerk al meegenomen, en nu is satan degene die in controle is." Satan heerste al over gans de Aarde en er was kwelling over heel de Aarde! Mensen liepen van plek naar plek. Mensen wilden elkaar levend opeten, en elkaars haren uittrekken. Ze smeten elkaar verwijten naar het hoofd en deden elkaar pijn, omdat ze vrede wilden vinden, maar ze konden ze niet vinden! Het was niet mogelijk omdat de Heer Zijn Kerk al weggevoerd had.
Zulk een verschrikkelijke tijd op Aarde, Ik zag zo gruwelijke dingen. Zoveel mensen kwetsten elkaar, zeggende, "We willen liefde! We willen vrede!" Maar het was te laat! De Heer zei me, "Kijk Mijn dienstmaagd, Ik sprak met hen, Ik nam tijd om aan te kloppen op de harten van deze mensen, maar ze wensten Me niet te zoeken. Wel, nu worden ze achtergelaten, en er is niets dat Ik nu voor hen kan doen. En wel daarom, omdat Ik mijn Kerk al met Me meegenomen heb. Terwijl al deze mensen bij Me in de Hemel zijn, en zich verheugen in het Huwelijk van het Lam, zullen al deze mensen hier grote pijnen lijden, en er zal geween zijn en tandengeknars. Want ze wensten Mijn Woord niet te gehoorzamen, ze gaven er de voorkeur aan plezier te maken en Mijn Woord te bekritizeren."
-HET BOEK VAN HET LEVEN-
Daarna toonde de Heer me een groot en prachtig boek. Het was erg glimmend en gemaakt van goud. Ik zei, "Heer, dat groot boek, waar dient dat voor?" Hij vertelde me, "Dienstmaagd, in dit boek staan de namen van diegenen die Me prijzen, en de namen van diegenen die zich bekeerd hebben en die gezocht hebben achter Mijn Wegen. Want dit is het Boek van het Leven. In dit Boek zijn de namen geschreven van al diegenen die samenkomen om Mijn Naam te prijzen en te verheerlijken." Het boek was zo groot, en zijn letters waren geschreven in goud. Hij zei, "Kijk Mijn dienstmaagd, vele van deze namen heb Ik niet uitgewist omwille van Mijn Genade, omdat velen Me de rug hebben toegekeerd. Velen hebben Me de rug toegekeerd, maar Mijn Genade is zo groot dat Ik hen nog niet uitgewist heb, want Ik wens niet dat er iemand verloren gaat, maar dat iedereen eeuwig leven heeft." Ik begon het Boek aan te raken, en zag hoeveel namen erin geschreven stonden.
-HEL-
Daarna zei de Heer me, "Dienaar, Ik zal u de hel tonen." Maar ik zei, "Heer, nee, Ik zal het niet kunnen verdragen, na alles wat ge me reeds getoond hebt, ik heb genoeg gezien." En de Heer sprak tot me, "Dienaar, Ik zal U de hel tonen, opdat ge kunt teruggaan en aan de Kerk en de mensen kunt vertellen dat er een hemel is maar ook een hel." We begonnen lager en lager af te dalen. We waren nog ver van de hel verwijderd, toen Ik kreten en luid gekreun begon te horen. Ik zei, "Heer haal me hier weg, want ik ga dat niet kunnen aanzien!" De Heer antwoordde, "Kijk Mijn dienaar, heb geen angst want Ik ben bij u." We daalden af door enkele tunnels. Er heerste een grote duisternis op die plaats, een duisternis zoals ik die nooit gekend had op Aarde.
We wandelden langs enkele muren en ik hoorde zoveel zielen roepen, kreten van pijn en angst. De Heer zei, "Dienaar, laten We verder gaan." We kwamen aan op een plaats waar een persoon aan het roepen was. Ik vroeg de Heer,"Heer, waarom zijn, we hier gestopt?" Hij antwoordde, "Kijk dienaar, bekijk deze persoon heel aandachtig, want deze persoon was familie van U op de Aarde." En Ik zei, "Heer, wie is het? Ik kan deze persoon niet herkennen." De Heer sprak, "Deze persoon was uw grootmoeder op de Aarde, ze was uw familielid, maar ze was heel ongelovig, en daarom is ze nu hier."
Ze zei,"Geef me water a.u.b., haal me hier weg, want ik kan deze pijn niet meer verdragen, Ik ben dorstig." Maar ik kon niets doen, ik huilde alleen maar. Ik sprak,"Heer, omwille van Uw oneindige Genade en Uw oneindige Goedheid, haal haar hier weg! Waarom is ze hier, als mijn ouders me vertelden dat ze in de hemel was?"
De Heer zei, "Dienaar, de priester zei tegen uw ouders dat ze naar de Hemel was gegaan, maar dat was een leugen. Dat was een leugen, omdat ze steeds boog voor beelden, ze aanbad beelden, en kijk hoe deze beelden haar niet konden redden. Vele malen klopte Ik aan op haar hart, opdat ze het zou openen, en Ik naar binnen kon treden, maar in plaats daarvan dreef ze de spot met Mijn Woord. Ze besloot dat het beter was de wereld te volgen dan Mijn Naam te eren, en daarom is ze nu hier. Ze aanvaardde nooit Mijn Woord, ze wou zich nooit bekeren, en de priester zei hen dat ze naar de Hemel opgegaan was en dat ze al in het Hemelse huis was, maar dat was een leugen. Kijk Mijn dienaar, waar ze nu is." Ze schreeuwde het uit van zoveel lijden. Ze zei, "Geef me water! Haal me hier uit!" De Heer zei,"Dienaar, Ik kan niets doen nu, deze ziel behoort Me niet meer toe." We keerden en wandelden weg. Ze riep me na, "Nee! Laat me hier niet achter! Geef me water! Haal me hier weg!" Hij kon niets doen.
We bleven zovele mensen bekijken. Zielen poogden de klederen van de Heer te grijpen, zeggende, "haal ons hier weg!" Maar de Heer zei hen,"Ga weg van Me, want jullie behoren me niet meer toe, jullie behoren toe aan satan en zijn demonen." Het was zo een vreselijke plaats, met zo vele zielen, zoveel mensen.
-satan's troon-
We bleven rijden en kwamen aan bij een heel verschrikkelijke plaats, en de Heer zei, "Kijk dienaar, Ik zal U de troon van satan tonen." Ik zei Hem, "Nee Heer! Ik wil die troon niet zien!" Hij antwoordde, "Wees niet bevreesd, dienaar, want Ik ben bij u." Toen kwamen we aan in een verschrikkelijke en gruwelijke plaats, Ik zag een enorm grote stoel waar satan op gezeten was. Hij had grote nagels, en hij lachte en lachte, hij kon niet stoppen met lachen. Ik zag ook overal demonen . Ik zag demonen van verschillende afmetingen, Ik zag prinsdommen, Ik zag bolwerken, en vele verschillende demonen. Ik zag hoe satan orders gaf aan zijn demonen, orders om naar de Aarde op te stijgen en alle soorten slechte dingen uit te lokken.
Ik zag hoe deze demonen opstegen en botsingen, slachtpartijen, gevechten, scheidingen en alle soorten slechte dingen uitlokten. Dan daalden ze terug af en rapporteerden hem alles wat ze deden. En satan lachte en lachte maar. satan gaf prijzen aan de demonen, en de demonen begonnen hem te vieren, en prezen hem en zongen voor hem.
Ik zag hoe satan zo vele plannen had om kristenen te vernietigen, grote plannen om de dienaars van God te vernietigen. Ik zag grote kerken en congregaties die vol waren van modernisme. De Heer zei, "Kijk dienaar, deze kerken zijn bezeten door satan, en ze zullen niet mee kunnen opgaan met Mij."
De Heer toonde me hoe demonen zoveel moorden uitlokten, en al deze zielen kwamen dan aan in deze vervloeking, een afschuwelijke plaats. Ik zag een oven, en de Heer zei, "Kijk dienaar, dit is de poel van vuur, en dit is de hel."
Elke keer dat de demonen slachtingen veroorzaakten, vielen de zielen op die plaats. Het vuur verteerde ze, en ze smolten. De zielen schreeuwden het uit van de pijn en de angst, en de demonen keerden terug naar de troon van satan en vertelden hem wat ze gedaan hadden. Satan lachte en lachte maar, en gaf prijzen aan de demonen. De demonen zongen en dansten dan voor hem, en deden vanalles om hem te vieren. satan lachte van vreugde en trots omwille van alle zielen die in de hel vielen. Ze bleven seconde na seconde binnenvallen, en satan was zo trots dat hij kon stoppen met lachen.
Ik voelde ook de vele demonische gevoelens op die plaats, zo veel bolwerken. Ik zei, "Heer, als t U belieft, haal me hier weg, Ik kan het niet meer verdragen." De demonen doorboorden en martelden er de zielen. De zielen schreeuwden, "Laat ons alleen! Laat ons in vrede, we willen geen pijniging meer, we willen vrede!" En de demonen lachten.
-DE HEILIGE STAD-
Daarna gingen we weg en de Heer zei, "Kijk dienaar, Ik zal U de Heilige Stad tonen, zodat ge kunt teruggaan en Mijn Volk vertellen over de grote dingen die Ik voor hen klaar heb." We gingen omhoog en kwamen aan op een prachtige plaats, waar prachtige bomen stonden, dennen zo groot. Alles was er zo mooi. Ik kon zulk een gevoel van vrede voelen.
In de deur van die stad was een prachtige regenboog. Er stonden vele engelen aan weerszijden van de weg. We gingen door de deur en de Heer zei, "Dienaar, dit is de Heilige Stad." We wandelden tot we arriveerden bij een hof vol met prachtige rozen, zoals ik er nooit een gezien heb op Aarde.
Ik liet de Heer zijn hand los, en Ik liep naar de hof. Ik koesterde de bloemen, ze waren zo fijn en hun geur was zo heerlijk. Ik wou een bloem plukken, maar de Heer zei, "Nee dienaar, ge kunt nu nog niets nemen. Ge zult deze bloemen alleen kunnen plukken wanneer Mijn volk naar hier komt, wanneer Mijn Kerk aankomt op deze plaats, dan zult ge deze bloemen kunnen plukken." En ik zei, "Heer, ik wilde slechts één bloemmeenemen naar de Aarde om ze te tonen aan alle kerken." Maar de Heer zei, "Nee, dienaar, omdat Mijn volk nog niet hier is."Ik zag vele verschillende types mooie bloemen.
Toen reden we door mooi groen gras. De Heer zat neer op het gras, en met een prachtige glimlach zei Hij, "Dienaar, dit alles wat gij aanraakt en ziet, heb Ik voorbereid voor Mijn volk."
We reden toen naar een plaats met een enorme boom die vol fruit hing. Ik zei,"Heer, deze boom? Wat is de betekenis van deze boom? En al dat fruit?"Ik wou ook hier één van de vruchten plukken, maar de Heer zei me opnieuw,"Nee, dienaar, ge kunt deze vruchten nog niet nemen, omdat deze boom de boom van het Leven is, en van deze boom zal Mijn volk eten wanneer ze naar hierboven komen. Ondertussen kunt ge niets plukken tot Mijn volk hier aangekomen is." De boom had zulke schone vruchten.
Toen reden we verder, en ik zag zoveel prachtige vlinders en dieren. De Heer zei, "Dienaar, al deze dingen hier zijn voor Mijn volk. Vertel Mijn volk dat zij heel binnenkort hier zullen zijn, en deze Heilige Stad zullen binnenrijden."
We gingen verder en kwamen aan bij een andere prachtige plaats, met veel hoge bomen en dennen. De Heer zei,"Dienaar, dit alles is voor Mijn volk. Dienaar, kom hier want Ik wil U wonderen tonen."
We kwamen aan in een prachtig oord dat vol van engelen was. Eén engel was heel groot, en had een grote bazuin aan zijn mond. Ik zei, "Heer, die engel, wat betekent dat?" De Heer antwoordde, "Kijk dienaar, deze engel wacht op een signaal, deze engel wacht op een order die ik zal geven, zodat hij op de bazuin kan blazen, en wanneer deze engel op die bazuin begint te spelen, zal Mijn volk opgenomen worden, opstijgen, en omgevormd worden. Maar wees van één ding zeker, dienaar, deze bazuin zal alleen gehoord worden door diegenen die naar me uitkijken! Keer dus weer en vertel aan Mijn volk dat ze moeten uitkijken, vertel aan Mijn volk dat ze niet moeten slapen, want als ge in slaap valt, zult ge de bazuin niet horen, vertel aan Mijn volk om uit te kijken, want diegenen die slapen, zal ik niet kunnen laten opstijgen."
De engel was zo groot en mooi, en achter hem stonden veel meer engelen die kleinere bazuinen hadden. Deze bazuinen waren gemaakt van goud, en blonken fel. De Heer zei,"Dienaar, zeg Mijn volk dat ze klaar moeten staan, omdat Ik zo goed als klaarsta, om de opdracht te geven die de bazuin zal laten weerklinken."
We begonnen weer te rijden en de Heer zei, "Kijk dienaar, Ik zal U de troon van Mijn vader tonen. Ik heb hem niet getoond aan U, maar Ik zal hem nu tonen, zodat ge bij uw terugkeer kunt vertellen aan Mijn volk dat Mijn Vader reëel is, en dat Ik reëel ben." We begonnen allemaal te wandelen, de Heer, de engelen en Ikzelf. Toen we nog ver van de Troon van de Vader verwijderd waren, voelde ik dat ik het niet meer aankon; Ik kon me niet staande houden tegenover zulke Macht en Heerlijkheid. Toen we dichter en dichter naderden, voelde ik me alsof ik een veer was, Ik kon nauwelijks gaan. Als de engelen me niet overeind hadden gehouden, had Ikniet verder kunnen gaan.
We kwamen aan bij de Troon van de Vader, en ik kon zulke enorme Macht voelen uitgaan van de Troon. Krachtige bliksemschichten schoten uit de Troon; het was zo glorierijk en enorm. Zulk een Macht omringde de Troon; hij schitterde en was van goud gemaakt. Er zat Iemand op de Troon, maar ik kon Zijn Gezicht niet zien, Ik kon de Macht niet weerstaan die uit de Troon kwam. Ik kon de Vader alleen zien vanaf zijn lenden naar beneden toe. Maar vanaf zijn lenden naar omhoog toe, kon ik niets zien want dan viel ik op de grond. Ik viel omdat ik zulke Macht en Glorie niet kon verdragen.
Daarna zag ik de 24 ouderlingen de Naam van de Heer prijzen en verheerlijken. Ik zag enorme aartsengelen die ook de Naam van de Heer verheerlijkten. De 24 ouderlingen knielden neer en baden "Heilig, Heilig, Heilig zijt Gij, O Heer!" De engelen werden nooit moe van het verheerlijken en prijzen van de Heer, en de ouderlingen hielden nooit op met het verheerlijken van de Naam van de Heer. Enorme vlammen schoten uit de Troon, en er waren zovele mooie dingen in die Troon.