Karol Józef Wojtyla werd op 18 mei 1920 in Wadowice (Polen) geboren. Op 1 november 1946 werd
hij in Krakau tot priester gewijd. In 1953 werd hij professor in de moraaltheologie en sociale ethiek. Op
4 juni 1958 werd hij hulpbisschop van Krakau en op 13 januari 1964 aartsbisschop van dit bisdom.
In 1967 volgde zijn creatie tot kardinaal. Op 16 oktober 1978 werd hij gekozen tot paus en nam de
naam Johannes Paulus II aan. In 1985 bezocht hij Nederland. Hij heeft altijd groot belang gehecht aan
verzoening en vrede. Johannes Paulus II overleed op 2 april 2005. Toen zijn kist de basiliek in werd
gedragen riep de menigte op tot een spoedige zaligverklaring. Reeds zes jaar na zijn dood werd hij
door zijn opvolger, paus Benedictus XVI, op 1 mei 2011 in Rome zalig verklaard.
God, onze Vader,
Wij danken U voor de vele jaren dat U ons de zalige paus Johannes
Paulus geschonken hebt als herder van Uw Kerk.
Dankbaar denken wij terug aan zijn krachtig geloofsgetuigenis.
Met de moed van Paulus en het geloof van Petrus
heeft hij ten einde toe het Evangelie verkondigd
tot in de verste uithoeken van de wereld.
Centraal in zijn verkondiging stond de Boodschap
van Uw barmhartige liefde.
Die liefde heeft hij ons niet slechts voorgehouden,
maar ook voorgeleefd.
Vooral in het geestkracht waarmee hij zijn zware lijden heeft gedragen.
Ontelbaar velen, ook zo vele jonge mensen, zagen in hem een
sprekende gelijkenis met Jezus, Uw Zoon, de Goede Herder
die zijn leven heeft gegeven voor zijn kudde.
God, onze Vader, op voorspraak van deze zalige paus Johannes
de Paulus willen wij U nu bidden: laat de Adem van Uw
Heilige Geest Uw Kerk tot nieuw leven bezielen.
Zuiver ons, de leden van de Kerk, van al onze tekorten
en van al onze zonden. Maak ons allen één in standvastig geloof in U.
Ontsteek in ons hart de vlam van de hoop op Uw eeuwig Koninkrijk.
En wakker in ons Uw liefde aan die naar allen uitgaat,
zonder enig onderscheid.
Heilige Maria, Moeder van de Verlosser, bid voor ons.
Zoals de zalige paus Johannes Paulus wijden wij ons leven geheel en
al toe aan Uw bescherming, Moeder van barmhartigheid. Amen.
Mijn Engel Daniël. ( Vasulla Ryden.)
24 JUNI 1986.
De jaren zullen voorbijgaan maar Jezus zal de Beminde Zoon van God blijven; vrede zij met je; de jaren zullen voorbijgaan en Jezus zal nog steeds genezen; Jezus heeft genezingen verricht die Zijn Heerlijkheid hebben geopenbaard; Jezus bemint jullie allen; onthoud wat Hij heeft gezegd; "Ik bemin jullie allen; Ik heb Mijzelf voor altijd aan jullie gegeven"; Jezus is gestorven om jullie allen te redden; Jezus heeft de Dood overwonnen en is verheerlijkt; Daniël;
25 JUNI 1986.
Vrede zij met je; je verder te zuiveren zal je doen vooruitgaan; neem de Weg die naar God leidt; ik zal bidden voor jouw volmaaktheid; bemin Jezus; keer je tot God; Daniël;
Wordt vervolgd.
Herman Wijns 1931 - 1941.
Een goede leerling Herman Wijns 1931 - 1941
Herman Wijns, 'de kleine pastoor', overleed op 26 mei 1941, 10 jaar oud. Zijn wonderbaarlijke uitspraken als kleine jongen en de vreemde uitstraling van zijn graf op de oude begraafplaats in de Van Heybeeckstraat hebben er een pelgrimsoord van gemaakt.
Velen geloven dat Hermanneke geneest en rond zijn graf staan honderden dankbetuigingen van mensen die door hem van hun kwalen zouden zijn verlost.
Hij is zelfs al meerdere keren 'gezien' door moderne profeten en heeft tegen zeker een dame 'gesproken'.
Nog dagelijks wordt zijn graf door tientallen mensen bezocht en nog elke eerste vrijdag van de maand vindt er een massaal bezochte plechtigheid plaats.
Wanneer Herman Wijns op 26 mei 1941 niet was overleden aan de gevolgen van een hersenvliesontsteking na een verwonding aan zijn knie was hij vorige week (15 maart) wellicht 75 jaar geworden.
Maar er zijn dit jaar meer jubilea als het om Ons Hermanneke gaat.
Eerste Heilige communie Nadat hij een jaar vroeger dan gebruikelijk was toegelaten tot het eerste leerjaar van St-Eduardus, liet Hermanneke meteen blijken een goed en vlijtig student te zijn.
Zijn wekelijkse rapporten vermelden steevast 20 op 20 en omdat ook zijn gedrag onberispelijk was mocht Herman al op zesjarige leeftijd, 4 juli 1937, zijn eerste Heilige Communie doen.
Als alle kinderen zal hij trots geweest zijn opzijn kostumeke: witte blouse, zwart broekske,witte kousen en zwart gelakte schoenen.
De Bredabaan ter hoogte van het St-Eduardusinstituut zoals Herman Wijns het wellicht nog gekend heeft (al is deze foto van voor zijn geboorte). Achter de moeder met kinderen de toegangspoort, daarnaast de houten afrastering van het domein Bouckenborgh
Als alle kinderen zal hij trots voor de spiegel hebben gestaan, want het was feest en daar genoot Herman net zo van als alle andere kinderen.
Religieus als zijn opvoeding was zullen de lessen en de plechtigheid een diepe indruk op hem gemaakt hebben.
Nee, dat kan niet. Dat kan niet zijn. Herman was geen geniale leerling, maar wel een hard werkende.
Het ging niet allemaal vanzelf zoals bij sommige andere leerlingen, nee: Herman moest er voor werken.
Wat hij deed, deed hij goed, maar niet zonder moeite.
Goede punten waren zeer belangrijk voor de kleine Herman en was het eens niet supergoed, dan was hij beschaamd.
In het tweede studiejaar was hij na het eerste trimester de dertiende van de klas.
Het St-Eduardusinstituut (klooster en school) gezien vanuit de klokkentoren van de St. Franciscuskerk (toen nog nieuwe kerk), zoals het werd gebouwd in 1897. Tijdens de tweede wereldoorlog werd het zwaar beschadigd door de inslag van een V2, maar pas in 1964 werden de nieuwe gebouwen die we nu nog kennen gerealiseerd. De Broeder Frederikstraat (r.) heette toen nog Sint-Franciscusstraat
Verlegen stapte hij met zijn rapport naar huis, en durfde over zijn punten niets zeggen tegen zijn ouders.
Volgens de legende stond hij die dag wat rond zijn vader te draaien zonder iets te zeggen.
Pa Wijns had wel door dat er iets scheelde en bedacht dat het beter zou zijn wanneer hij even weg zou gaan: aan zijn moeder zou Herman het wellicht wel durven zeggen.
Maar ook alleen met zijn moeder bleef hij dralen.
Het gesprek dat hij vervolgens met zijn moeder had is een goede indicatie van het karakter van Herman.
Maar moeder, dat kan toch niet. Het kan toch niet waar zijn..., zei hij verontwaardigd.
Maar wat is er dan ventje? vroeg zijn moeder.
Nee, dat kan niet. Dat kan niet zijn.
Allez, zeg het eens manneke. Geen flauwekul hè. Zeg maar eens rap wat er hapert..
Zie dan eens moeke, ik ben maar de dertiende.
Wat? De dertiende maar? zei moeder.
Laat eens zien... Maar je hebt toch 84 op 100 en grote onderscheiding. Wij verwachten van jou toch niet dat je de eerste bent?!
Voor Herman echter was het niet goed genoeg.
Het moest beter en hij was daarom vastbesloten het beter te doen.
In het tweede trimester was hij de achtste met 87 op 100 en in het derde trimester...
Het 1e leerjaar van de Moderne Humaniora van 1937. Zittend op de eerste rij, vierde van links zien we de dan 6-jarige Herman Wijns.
Poe, wat zal het kereltje zich afgemat hebben, en wat legde hij een ongelooflijke wilskracht aan de dag.
Vanaf 's morgens vroeg, direct na de H. Mis tot 's avond half tien was hij in de weer met zijn lessen.
Boeken in de hand, rond de tafel lopend herhaalde hij zijn lessen steeds maar weer, alles om maar de beste te zijn.
Het resultaat was er dan ook naar, want het laatste trimester eindigde hij met 89 op 100 en was hij de beste van de klas.
Vrolijk kind Herman was graag gezien bij zowel zijn medeleerlingen als bij de broeders van het St-Eduardusinstituut.
Er is een anekdote hoe de beroemde Broeder Melarius nadat Herman enkele weken ziek thuis is geweest, zo blij is Herman weer terug op de koer te zien dat hij zegt: Herman, als jij er niet bent is mijn klas niet volledig.
Broeder Melarius - Antoon Persoone - was leerkracht in de laagste klassen en degene die de nagedachtenis aan Herman na diens dood levendig hield.
Is dat echt waar broeder, vroeg Herman.
Echt waar, antwoordde de broeder en maakte met de kleine knaap een rondedansje.
Herman was niet alleen graag gezien, maar ook zeer behulpzaam voor anderen.
Wanneer hij eens ziek en met koorts in bed lag en zag hoeveel moeite zijn vader zich getrooste om de koude compressen op zijn hoofdje keer op keer te verversen, zei hij tegen zijn vader dat hij het zelf wel zou doen.
Wanneer zijn moeder zonder elastiek zat liep de kleine Herman stad en land af op zoek naar het juiste elastiek voor zijn moeder.
Op bezoek bij zijn tante vond hij het geen enkel probleem om zelf om dessert te gaan wanneer zijn neefjes en nichtjes geen goesting hadden.
Al was het zondagmiddag: Herman kwam niet terug voordat hij een winkel had gevonden die nog open was.
Vlijtige leerling
Hij was een vrolijk kind die vooral veel van muziek hield.
De radio moest altijd aan staan zodat hij kon zingen en dansen, en zag hij een kans dan vertelde hij moppen en verhaalde enthousiast over wat er op school allemaal was gebeurd.
Lachen is beter dan wenen Het woord van de broeder was heilig voor Herman.
Wat een ander ook mocht beweren: wat Herman wist was waar, want de broeder had het toch gezegd!
En niemand wist het beter dan de broeder, zelfs zijn vader niet, zo sterk was het kinderlijk vertrouwen van de jongen in zijn opvoeders.
Ook een voorval op de schoolplaats typeert het karakter van de kleine Wijns.
Het gebeurde eens op de koer dat een jongen was gevallen over een uitstekend stuk steen.
De koer van het oude instituut
Hij liep daarbij een hevig bloedende wond op aan zijn been, en de broeder vreesde dat hij zijn been gebroken had.
Terwijl die de brancard ging halen verdrongen de andere jongens van de school zich rond de gekwetste, maar bij het zien van het bloed zetten ze het allemaal op een lopen.
Behalve Herman.
Die drukte zo goed hij kon de wond dicht om het bloeden te stelpen en troostte zijn huilende makker door hem verhaaltjes en moppen te vertellen.
Toen de broeder terug kwam met de brancard trof hij tot zijn verbazing twee lachende jongens aan.
Lachen is beter dan wenen hè, sprak Herman.
Toen dezelfde broeder werd gevraagd of Herman een vrolijk kind was, zei hij: Och, als je een plezante tegenkwaamt, dat was hij niet. Maar als je er nog een plezantere tegenkwaamt, dat was hij.
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
Noveen van Genade.
VIJF EN DERTIGSTE VERSCHIJNING.
Vrijdag, 5 december 1975 om 18.45 uur.
Het is bijna tijd voor het Lof, de kleine kapel is vol mensen. Haar vreugde is zo groot als zij het Licht ontwaart, dat Madeleine onwillekeurig uitroept :
"Daar is het Licht !"
Zij staat op en begeeft zich naar het uitgestalde Sacrament.
Jezus verschijnt met zijn handen naar haar uitgestrekt. Zij ziet alleen nog maar Hem.
"Het is zo mooi, wat een onuitsprekelijke zoetheid. Ik zie niets anders dan de Jezus van Liefde, ik vertoef niet meer in de kapel, verder bestaat niets meer, ik denk nergens meer aan, mijn lichaam voel ik niet meer en lijkt wel verstorven. Als men dood is, denk ik dat men dit zo ondergaat. Slechts mijn geest bestaat nog in vereniging met die van Jezus."
Dan brengt Jezus zijn hand naar zijn borst en zegt :
"Zegt hardop wat u nu zien gaat :"
"Met zijn linkerhand schuift Jezus zijn kleed opzij. Uit zijn borst "
Jezus glimlacht, gaat verder en verduidelijkt hetgeen Madeleine nazegt :
"Uit zijn "Hart" stromen rode en witte stralen en zijn rechterhand is naar ons uitgestrekt : De vlammen uit mijn Hart verteren Mij, zegt Jezus. Meer dan ooit wil Ik ze over ieder van u uitstorten. Ziehier, wat Ik aan de gehele mensheid beloof, als zij mijn Boodschap kennen en in praktijk brengen :
- Ik zal de bitterheid verzachten waarin de ziel der zondaars is gedompeld.
- Ik zal genade vermenigvuldigen in de ziel van priesters en nonnen, want zij zijn het die mijn Boodschap bekend moeten maken.
- Ik zal de vrome en trouwe zielen dichtbij mijn Hart bewaren; zij hebben mij op de weg van Calvarië getroost.
Zodra zij mijn Boodschap kennen, zal Ik de stralen van mijn genade over de heidenen uitstorten, en over allen die Mij nog niet kennen.
- Ik zal de ziel van ketters en afvalligen tot de eenheid van de Kerk aantrekken.
- Ik zal de kinderen en nederige zielen opnemen in de woning van mijn Hart, opdat zij jegens onze hemelse Vader een bijzondere genegenheid koesteren.
- Ik zal velerlei genade verlenen aan degenen die mijn Boodschap kennen en tot het einde toe volharden.
- Ik zal de zielen in het vagevuur verlichting schenken; mijn Bloed zal hun brandwonden blussen.
- Ik zal de meest verstokte harten verwarmen, de ijskoude zielen, die mijn Hart het diepste kwetsen.
Ik beloof allen die vol berouw aan de voet van het Glorierijke Kruis komen en elke dag het gebed bidden wat Ik hun geleerd heb, dat in dit leven Satan geen macht meer over hen zal hebben en dat zij, na een lange periode van onreinheid, in één ogenblik rein zullen worden en Gods kinderen zullen zijn voor eeuwig.
Mijn Vader, wiens Goedheid oneindig is, wil de mensheid redden die zich aan de rand van de afgrond bevindt. Door deze allerlaatste Boodschap dient u zich voor te bereiden. Weet, dat juist dan wanneer u er niet meer in gelooft de Boodschap in vervulling zal gaan, want u kent dag noch uur waarop Ik zal terugkomen in heerlijkheid".
Vervolgens herneemt Jezus zijn normale houding en zegt tegen Madeleine :
Over twintig dagen zult u een noveen beginnen die op de eerste vrijdag van de maand zal eindigen. Ik zal iedere dag het gebed voorbidden dat Ik u zoëven geleerd heb. Deze noveen zal het Heilig Jaar verlengen."
"Over twintig dagen, ... ja, óh wat ben ik gelukkig !"
Terwijl Hij zijn beloften opnoemde, bleven de rode en witte stralen uit Jezus Hart stromen.
Madeleine brengt die twintig dagen in afwachting door, in gebed en stille overpeinzing. Zij telt de dagen "zoals een jong meisje die op haar verloofde wacht". Zij voelde zich nauw verbonden met die liefdevolle Jezus vol van Barmhartigheid. Groot was haar Vreugde gelijk een geestelijk geluk dat tot de hemel reikt, en zij verzoekt Jezus om in dat geluk ook alle arme op zichzelf standen, de ongelovigen te laten meedelen.
Die zalige nacht vóór Kerstmis 1975 heeft zij de slaap niet kunnen vatten...
"Wat was Kerst 1975 een mooie dag !"
ONZE MOEDER, ONZE BIJSTAND.
De heilige Thomas leert ons hóe Jezus Christus tot zijn Vader bidt: "Hij is onze voorspraak, door zijn Vader de voor ons aangenomen mensheid aan te bieden en door de openbaring van het verlangen van zijn allerheiligste Ziel naar onze zaligheid."
Zó is ook Marias gebed; als Moeder van God en deelgenote van de Verlosser herinnert zij aan haar lijden en haar liefde, die zo innig één waren met die van haar Zoon. Naar Marias verdienste en heiligheid nu is de alvermogendheid van dit gebed af te meten. In hoge mate overtreft het de gebeden van de andere heiligen. "Wat allen vermogen mét haar, dat kan zij alleen zónder hen". "Bewaart zij het stilzwijgen, niemand zal voor ons bidden, niemand ons helpen. Maar bidt zij, dan zullen ook de andere bidden en ons helpen."
De heilige Gertrudis ontving de gunst, in een bekoorlijk visioen de macht van Marias gebed te aanschouwen. "Gedurende het zingen het vers: Ora pro populo, naderde de Koningin van de maagden tot voor Gods troon, boog eerbiedig de knieën, en bood zich als middelares tussen God en de congregatie aan, terwijl zij voor ieder zeer godvruchtig bad. Maar de Koning van de koningen, haar Zoon, hief haar met grote welwillendheid op, en haar op de glorietroon aan zijn zijde plaatsend, gaf Hij haar een onbeperkte macht, om naar welgevallen te bevelen."
Door dit gebed verkrijgen wij alles. Alles wat ons voor het goddelijke leven noodzakelijk is: de heiligmakende genade, om deelgenoot te worden van dat leven; de genaden van bijstand, om het te onderhouden en tot hoger bloei te brengen; de ingestorte deugden; de gaven van de Heilige Geest; de bijzondere hulp, om weerstand te bieden aan de bekoringen, alle tot ons heil verordende goddelijke weldaden, alles, alles eindelijk vloeit ons toe door Maria. Geen stap kunnen wij doen, tenzij onder haar invloed. Heel onze bovennatuurlijke voortgang is van haar afhankelijk, want door de genade die zij ons toebedeelt, stijgen wij omhoog. Zij leidt de vorming en de wasdom van de mystieke Christus, de vorming van de Kerk en van de heiligen. Want Jezus is het, die in de Kerk als een mosterdzaadje groeit; en over zijn wasdom waakt Maria, gelijk zij te Bethlehem en te Nazareth over de groei van Jezus fysieke lichaam waakte.
Of wij er aan denken of niet, onophoudelijk zijn wij onder Marias invloed. Het middelaarschap van de Verlosser is voorzeker rechtens het enige absoluut noodzakelijke. Maar, wijl het de Voorzienigheid behaagde, Marias middelaarschap zo innig te verbinden met dat van haar Zoon en geen genade te schenken dan door háár, werd haar middelaarschap voor ons feitelijk noodzakelijk.
Sint Albertus de Grote zegt: "Aan allen deelt zij alle goederen uit."
En Bernardinus van Siëna zegt: "De orde van de genaden die neervloeien over het menselijke geslacht is deze: God is de algemene Bron, Christus de algemene Middelaar, Maria de algemene uitdeelster. De heilige Maagd is de mystieke hals van ons goddelijke Hoofd; daardoor vloeien de hemelse gaven aan de overige delen van ons lichaam toe."
"De Heilige Geest deelde aan zijn trouwe Bruid Maria zijn onuitsprekelijke gaven mee, en Hij koos haar tot uitdeelster van al wat Hij bezit, zodat zij alle gaven en alle genaden geeft aan wie zij wil, zoveel zij wil, zoals zij wil en zolang zij wil, en geen enkele hemelse gave wordt er geschonken, die niet door háár maagdelijke handen gaat. Want zó is de wil van God; alles bezitten wij door Maria."
Deze altijddurende afhankelijkheid van Maria en haar moederlijke liefde is een beweegreden tot groot vertrouwen en grote vreugde. "Op het ogenblik dat ik er het minst aan dacht," verhaalt Angelo van Foligno, "werd ik in de geest verrukt, en zag ik de heilige Maagd in de glorie. Een vrouw kon dus zetelen op zulk een troon en met zulk een majesteit! Dit besef overstelpte mij met een onuitsprekelijke vreugde. Zij stond en bad voor het menselijke geslacht; haar goedheid en haar vermogen maakten haar zó invloedrijk, dat haar gebed een onbeschrijfelijke kracht verkreeg. Ik was buiten mijzelf van geluk bij het zien van dit gebed."
"Ik ben de medehelpster van de eeuwige liefde," sprak Maria tot de heilige Veronica, "ik ben de behoedster en de meesteresse van uw ziel: door mij zult u leren beminnen."
Wat bedoelen wij met de leer, dat alle genaden ons toevloeien door Maria? Niet, dat de genade, als een kostbare gift van God aan ons, door háár handen zou gaan. Stellen wij ons de genade niet voor op stoffelijke wijze, bijvoorbeeld als een water, dat uit de goddelijke oceaan in onze ziel zou stromen door het kanaal, Maria. De genade is een hoedanigheid, die in de ziel wordt voortgebracht. En Maria ontvangt van God de macht, die genade in ons te bewerken door de kracht van de Heilige Geest.
Het gaat in werkelijkheid weer om Marias voorbede, om die grenzenloze macht, die God haar over ons geeft, en welke de werkdadige uitoefening van haar moederlijk beschermrecht is. Ja, God wilde, dat Marias bede een bevel werd. Ten opzichte van de Drieëenheid is dit gebed een smeken dat haar afhankelijkheid bewijst en de vereniging van háár wil met God. Ten opzichte van ons is het een teken van haar moederlijke macht en het krachtdadige teken voor de genade. Treedt Maria bemiddelend voor ons op, dan brengt zij de genade in ons. Haar gebed is inderdaad een levenbrengende kracht, want als zij bidt, vormt zij heiligen. Het is nu wel duidelijk, dat deze invloed van Maria een bijzonder karakter heeft. Het is een gebed, maar een krachtdadig, onfeilbaar gebed; een gebed dat een mácht wordt, die zich, tot uitbreiding van het Godsrijk, naar buiten openbaart; een priesterlijk gebed ten slotte, altijd één met de wil van God. Maria is de hulp van Christus; gelijk Hij en mét Hem werkt zij onophoudelijk in op de heiligen.
In háár en door haar krachtdadige werking kreeg de mensheid van het Woord gestalte; in háár ook en met haar actieve medewerking schept de Heilige Geest de ledematen van deze mensheid. "God de Heilige Geest, onvruchtbaar in God, want Hij brengt geen andere goddelijke Persoon voort, is door Maria, die Hij tot zijn Bruid verkoor, vruchtbaar geworden. Mét haar en in haar en úit haar brengt Hij de mensgeworden God, zijn meesterstuk, voort en verwekt Hij ook alle dagen tot het einde van de tijden de voorbeschikten en de ledematen van dit aanbiddelijke Hoofd. Hoe meer Hij dan ook in een ziel Maria vindt, zijn geliefde Bruid in onverbreekbare trouw, hoe meer werkende kracht Hij openbaart, om in die ziel Jezus Christus voor te brengen, en ín Jezus Christus die ziel."
Waarin bestaat de werking van Maria?
Overdenk eens, wat zij deed voor Jezus gedurende zijn aardse leven: zij ontving Hem, waakte over zijn groei, droeg Hem op aan God, toonde Hem aan de mensen en stond Hem bij in zijn slachtoffering. Ditzelfde doet zij nog voor het mystieke Lichaam. Ten bate van ons worden al haar mysteriën vernieuwd. De Menswording, het Bezoek, de Opdracht, het Mede-lijden gaan steeds voort de ledematen van de Christus te vormen.
Willen wij weten, of haar werking diep en innig is, denken wij er dan aan, dat zij moeder is: voor het góddelijke leven ontvangt en baart zij ons. Maar wat is een kind in moeders schoot? Komt heel zijn leven niet van haar? Het karakter van Marias werking ten opzichte van ons is dan ook vanzelfsprekend moederlijk. Die werking is daarbij verborgen, ze wordt uitgeoefend in het diepste innerlijk van de ziel. Ze doet denken aan de invloed van de Eucharistie in de Kerk. De Hostie, schijnbaar onbeduidend, is toch het leven van de christenheid. Als haar Zoon, verbergt Maria zich in de stilte, maar door een geheel inwendige beïnvloeding werkt zij immer voort. Volgens een wet van het geestelijke leven is een invloed méér innerlijk, naarmate zij groter en dieper is. Marias stille invloed is het zuurdeeg dat ons doet rijzen boven onze besmetting, de gist die onze werkkracht in beweging brengt.
Zonder ophouden is Maria in de Kerk tegenwoordig en werkt zij op het leven van het mystieke Lichaam in. Op haar past de liturgie de woorden toe uit het boek van de Spreuken: "In het heelal speelt gij in Gods tegenwoordigheid en vindt uw vermaak onder de kinderen van de mensen"
Welk aandeel heeft zij in Gods Voorzienigheid? Zij leidt de mensen, heerst over de christenheid en houdt, vol bezorgdheid, soms een wakend oog over haar verschillende afwisselende verschijnselen; zij voorziet in haar behoeften en antwoordt op haar smeekgeroep; zij voltooit de vorming van het mystieke Lichaam.
Dat is voor haar "een spel", verzekert ons de Heilige Geest, want deze alomvattende werking in de schepping, waaraan te denken ons doet duizelen, gaat de onvergelijkelijke macht van Gods Moeder niet te boven. Haar wondervolle macht openbaart zich ieder ogenblik in volmaakte daden, eindeloos verscheiden en menigvuldig, sterke en zachte daden, om elke ziel en het gehele, door haar in liefde omvatte Lichaam van Christus weldadig te beïnvloeden. Haar stille, zachte en tere werking verovert onophoudelijk de schepping. Een van de werkelijke waarden die de Kerk spoedig ontdekte, is deze: dat zij steeds geleid wordt door de onzichtbare en vruchtdragende werking van Marias moederlijke macht.
Ook elke ziel is zij nabij, met de zoetste werkelijkheid van haar geestelijke tegenwoordigheid. Maria is bij ons, omdat zij ons ziet, ons bemint, voor ons zorgt. Zij is dicht bij ons, dichter dan onze Engelbewaarder, in zekere zin dichter dan wij zelf. Op volmaakte wijze kent zij ieder van haar kinderen, wier roeping en meest verborgen geheimen zij doorschouwt. Zij dringt door in díe diepte van onze ziel, die wij voor allen verbergen, en die voor onszelf somtijds tot het onbewuste behoort. Alle middelen, om zich in ons dagelijks leven te mengen en het te besturen, zijn in haar bezit. Hoe gemakkelijk is het voor ons, haar te naderen! Tussen haar en ons bestaat een ware wisseling van gedachten en liefdebetuigingen.
Enige denken misschien aan de afstand die ons van haar verheerlijkt lichaam scheidt. Maar wat geeft hier de ruimte? Gods alomtegenwoordigheid doet elke afstand verdwijnen; zijn macht heft het afwezig-zijn op. Het is mogelijk, dat twee lichamelijke wezens bijeen zijn en toch vreemdelingen voor elkaar. De tegenwoordigheid neemt eerst een aanvang met de kennis; de gemeenzaamheid ontstaat door het verstand en het hart. Zijn wij door de gedachte en de liefde niet voortdurend met Maria verenigd? Wij spreken tot haar, zij hoort ons; wij roepen haar hulp in, zij geeft antwoord door de genade; met haar kinderen is zij in blijvend contact. Alles ziet zij, en zij voorziet ook in alles. Zij is voor ons tegenwoordig, als de moeder voor het kind, dat zij ontving en onder het hart draagt.
Enige dienaars van Maria hebben ook gesproken van haar bijzóndere tegenwoordigheid in de ziel. In Marias genadegeheim spreekt de heilige De Montfort hierover. "Zorg er voor, u niet te verontrusten, als gij niet zo spoedig de zoete tegenwoordigheid van de heilige Maagd in uw binnenste geniet. Deze genade is niet voor allen, en als God uit grote barmhartigheid er een ziel mee begunstigt, kan zij ze gemakkelijk verliezen, als zij er niet op uit is, dikwijls in zichzelf te keren." De heilige noemt op een andere plaats deze tegenwoordigheid met een nog duidelijker woord: "de woning in het mooie innerlijk van Maria". De heilige Philippus Nerius, de heilige Ignatius, Olier en anderen hebben blijvend die tegenwoordigheid genoten.
Als de ziel de gewoonte aanneemt, met Maria te leven, volgens haar bedoelingen te handelen, met haar liefde tot God te gaan en zelf door het geloof bij Maria te zijn, dan zal ongetwijfeld Marias tegenwoordigheid in haar leven een zoete werkelijkheid worden, en het uitgangspunt voor een nieuwe geestelijke opgang. Marias tegenwoordigheid toch, die, over het geheel genomen, een tegenwoordigheid is van invloed en van liefde, is wél een kostbare genade, maar, naar het schijnt, geen buitengewoon verschijnsel in het christelijke leven.
Deze geestelijke tegenwoordigheid van Maria in de zielen en in het mystieke Lichaam is wél een van de grootste en zoetste werkelijkheden van het leven van de Kerk.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
GRONDREGEL.
KAP. 2.
De grondregel en het begin van deze orde en der zaligheid is ware ootmoed, vlekkeloze zuiverheid en vrijwillige armoede.
Daarom is het niemand toegelaten iets, zelfs het allergeringste niet, in eigendom te hebben; zelf geen penning, noch die met de handen aan te raken. Evenmin zilver, noch goud, tenzij het nodig is dit aan te raken voor een handwerk en zelfs dan alleen met de toelating der abdis. Alle benodigheden moeten door de abdis verschaft worden, te weten de orde-kleederen, beddegoed en wat nodig is voor de arbeid. Niemand mag iets hebben wat de regel niets toestaat.
13-05-2011
Ave Maria Olga Szyrowa (Sopran) - Pasja / Passion of the Christ.
Ave Maria Olga Szyrowa (Sopran) - Pasja / Passion of the Christ.
Herman Wijns, 'de kleine pastoor', overleed op 26 mei 1941, 10 jaar oud. Zijn wonderbaarlijke uitspraken als kleine jongen en de vreemde uitstraling van zijn graf op de oude begraafplaats in de Van Heybeeckstraat hebben er een pelgrimsoord van gemaakt.
Velen geloven dat Hermanneke geneest en rond zijn graf staan honderden dankbetuigingen van mensen die door hem van hun kwalen zouden zijn verlost.
Hij is zelfs al meerdere keren 'gezien' door moderne profeten en heeft tegen zeker een dame 'gesproken'.
Nog dagelijks wordt zijn graf door tientallen mensen bezocht en nog elke eerste vrijdag van de maand vindt er een massaal bezochte plechtigheid plaats.
Wanneer Herman Wijns op 26 mei 1941 niet was overleden aan de gevolgen van een hersenvliesontsteking na een verwonding aan zijn knie was hij vorige week (15 maart) wellicht 75 jaar geworden.
Maar er zijn dit jaar meer jubilea als het om Ons Hermanneke gaat.
In zes afleveringen brengen we u daarom het leven van Herman Wijns.
Herman weende niet Herman werd geboren op zondag 15 maart 1931, als de zoon van een slagersechtpaar, en de volgende dag al werd hij gedoopt in de St. Bartholomeuskerk.
Vader Jozef Wijns had een succesvolle varkensbeenhouwerij en charcuteriewinkel op de Bredabaan en was daarnaast vertegenwoordiger van verschillende buitenlandse vleeswarenfabrikanten.
Het was een bekende zaak met klanten uit de wijde omgeving waar naast vader en moeder Wijns ook vier gasten hun job hadden.
Herman Wijns, 2 jaar oud
Herman groeide op in de beenhouwerij van zijn ouders en al snel kende iedereen in Merksem het ventje, omdat hij bij goed weer door zijn moeder bij de winkeldeur werd gezet.
Uren kon hij daar naar verluid zitten, samen met zijn hond Mus en de kat van de familie.
Het kwam al eens voor dat vader en moeder Wijns in de drukte vergaten het kereltje eten te geven, maar naar het schijnt kwam er nooit een klacht over zijn lippen.
Herman weende niet en zaagde niet.
Hij trok zich terug op de zolder en verwonderde zich over de plaatjes in de oude gazetten, totdat men hem kwam roepen voor het avondeten, zo gaat het verhaal.
Nonkel Mon Toen Herman een jaar of vijf was en al wat avontuurlijker de omgeving verkende trok hij veel naar de gasten, achter de beenhouwerij in het atelier.
De slagersjongens waren gek met het beminnelijke kereltje, namen hem mee op hun rondes en lieten hem dan voorop de fiets in de mand zitten.
Naar het schijnt was Herman beste vrienden met iedereen.
Hij moet een onbezorgde kindertijd gehad hebben, waarin het geloof en vooral zijn onkel Mon een centrale rol speelden.
Herman hing aan de lippen van nonkel Mon als die vertelde en wachtte geduldig naast diens zetel of zelfs op zijn schoot wanneer hij, moe van het vertellen, een dutje deed.
Herman en de hond van het gezin 'Mus'
Hermans favoriete spelletje was echter 'de mis spelen' met nonkel Mon.
Het moet een koddig toneel geweest zijn: een man van in de vijftig die met een bel of een ratel in zijn hand de mis diende van een manneke van vijf, waarbij dan eens een pompbak, dan een kast of een tafel dienst deed als altaar.
Het verhaal gaat ook dat wanneer de ouders van Herman 's avonds nog moesten gaan werken en de buren op hem pasten, de oudere kinderen daar er bijna om vochten om de kleuter bij zich te kunnen hebben.
St-Eduardusinstituut Verliep voor Herman alles naar wens en was zijn wereld een grote speeltuin vol magie en mensen die hem graag zagen, voor vader en moeder Wijns ging het allemaal een pak minder.
De crisis van de jaren '30 deed zich ook in Merksem voelen en in 1938 - Herman was zeven jaar oud - moesten ze hun ooit zo florerende zaak op de Bredabaan sluiten.
Toen Herman vijf jaar was vond vader Wijns het tijd om hem op school te doen.
Niet direct in het eerste leerjaar.
Nee, beter zou het zijn om hem eerst een jaar naar de kleuterschool te sturen.
In de paasvakantie van 1936 ging pa Wijns daarom met zijn zoon naar de Broeder Bestuurder van het St-Eduardusinstituut.
Die wilde liever dat Herman ineens naar de jongensschool zou gaan, maar zijn leeftijd was wat dat betreft natuurlijk een probleem.
De Broeder Bestuurder twijfelde lang, maar gaf uiteindelijk toch toestemming om Herman het laatste trimester van het voorbereidende leerjaar te laten meedoen, maar niet voor hij de kleuter een klein testje afnam.
Een schoolklas van het St-Eduardusinstituut in de tijd dat Herman deschool bezocht.
Hermanneke, waar woon je? vroeg de Bestuurder.
Op de Bredabaan 422, antwoordde Hermanneke.
Ha ja, dat is tegen de Oude Bareel, niet waar?
Nee, zei de kleine rustig. Dat is tegen het gemeentehuis.
Och ja, dat is waar ook. Dat is daar waar tram 12 en 17 rijden, niet waar? probeerde de broeder.
Nee, antwoordde Herman weer, tram 3 en 23.
Och ja, dat is waar ook.
De kleine plagerij was voldoende voor de Broeder Bestuurder om te weten wat voor vlees hij in de kuip had, en Herman mocht na de paasvakantie naar school.
In het laatste trimester van het voorbereidende studiejaar deed hij het vervolgens zo goed dat er geen sprake van was dat Herman na de zomer in het voorbereidende studiejaar zou beginnen.
Hij werd meteen toegelaten tot het eerste leerjaar, als knulleke van vijf jaar oud.
AAN ALLEN EEN GEZEGENDE VRIJDAG TOEGEWENST.
N. ( M ).
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
VIER EN DERTIGSTE VERSCHIJNING.
Vrijdag, 19 september 1975.
Die dag zouden moeder-overste en zuster J. om vier uur door de bisschop ontvangen worden. Madeleine is zoals iedere vrijdag, om drie uur naar de kapel gegaan die zij verlaten heeft om weer om vier uur terug te komen, want een zuster had haar verteld hoe laat met de bisschop was afgesproken.
Na een tientje van de rozenkrans ziet Madeleine het Licht bij het tabernakel, en hoort :
"Zegt aan de priester, de nonnen, en twee personen die de Boodschap kennen, om hier om 17.30 uur te komen."
Daarop verdwijnt het Licht.
Op het afgesproken uur verschijnt het Licht, daarna Jezus met zijn handen naar Madeleine uitgestrekt. Dan heft Hij zijn rechterhand op in zegenend gebaar met de wijs en middelvinger naar boven gericht. De twee personen, Mevrouw T. en Mevrouw G., die door de zusters gevraagd waren, zijn nu aanwezig.
Hij zegt tegen Madeleine :
"De vrede blijft met u. Maakt het Kruisteken.
Jezus kruist zijn handen op de borst en richt met bedroefd en ernstig gelaat zijn ogen ten hemel, en vervolgt :
Vader, uw wil geschiede op deze aarde."
Jezus kijkt zeer verdrietig. Nog even blijft Hij zo en neemt daarop zijn gewone houding aan en zegt tegen Madeleine terwijl Hij naar de aanwezigen kijkt :
"Zegt dit hardop : "Gij priesters en nonnen, die met de Boodschap belast zijt, laat de mensheid toch niet naar hun ondergang snellen. Ik heb u gevraagd voor de oprichting van het Glorierijke Kruis te werken. Ziet u dan niet dat het moment gekomen is vanwege de verschijnselen die zich opvolgen ! Want de tijd verstrijkt en mijn Boodschap blijft in het duister. Als dit zo blijft zal het aantal geredden klein zijn. Maar gij die het Woord van mijn Vader niet uitvoert, uw straf zal groot zijn. Want met het aantal geredden, daarmee zult u geoordeeld worden.
Gebruikt niet het middel van wijs beraad, maar luistert naar de dwaasheid van de Boodschap. Want het is door deze Boodschap dat het God behaagt de wereld te redden.
- Weest niet als de joden die om tekenen vragen.
- Maar door deze enige en laatste Boodschap die God heeft geopenbaard aan zijn dienares *
- De woorden die uit haar mond zijn gekomen, zijn geen mensenwoorden. Maar door hetgeen haar door de Geest is onderwezen *
Het ogenblik is aangebroken waarop Ik in de mensenharten mijn Barmhartigheid moet uitstorten, maar laten zij die belast zijn met de Boodschap, goed beseffen dat zij het zijn die het Mij verhinderen, aangezien zij de wereld in onwetendheid laten. Bedenkt, omwille van de uitverkorenen zullen de dagen verkort worden, maar wee zij die het Woord van God niet uitvoeren."
Hierop zegt Jezus tegen Madeleine :
Doet uw schoeisel uit, verlaat dan de kapel en loopt door totdat uw voeten op aarde staan. Komt vervolgens hier terug."
Madeleine doet wat Jezus haar vraagt. Als zij weer voor Hem op haar knieën ligt, zegt Hij haar :
"Deze grond van Dozulé, die mijn Vader gezegend en geheiligd heeft : wij zijn zelfs niet waardig om onze voet daarop te zetten.
Jezus neemt weer een gelaatsuitdrukking aan van stralende goedheid en lieflijkheid.
Hij lacht haar toe en zegt :
Ik ben de God van Goedheid en Liefde Mijn Barmhartigheid is oneindig. Al mogen mijn woorden vandaag hard zijn, dan is dat niet om u te veroordelen, maar integendeel : Ik wil door mijn Boodschap de wereld redden."
Daarna verdwijnt Jezus. Gelijkertijd dat dit aan Madeleine werd gezegd, vroeg de bisschop aan de twee zusters om wijs beraad... "
Bedroefd heeft Jezus hierop zijn antwoord gegeven.
* Beide zinnen kunnen worden aangevuld met : "behaagt het God de wereld te redden".
ONZE MOEDER, ONZE BIJSTAND.
Helpster bij onze Levensgroei.
Alle leven streeft naar groei en bloei: het meisje moet vrouw en het jongetje moet man worden. Zo is het ook in het bovennatuurlijke leven; het moet tot ontwikkeling komen. God had voorzeker kunnen vaststellen, dat wij, evenals de engelen, door één enkele wilsakt onze eeuwigheid zouden bepalen. Hij heeft echter onze groei gewild en er ons de tijd en de middelen voor gegeven. De genade die wij in het doopsel ontvangen, is slechts een beginpunt. "De weg van de rechtvaardigen is als het schitterende licht waarvan de luister groeit tot op het midden van de dag", zegt de heilige Schrift.
Maria nu helpt ons groeien in Christus Jezus. Zij is moeder, en een moeder stelt er zich niet mee tevreden, aan haar kind het leven te geven; zij waakt ook over zijn groei, zij wil het naar de volmaaktheid voeren. Elk ogenblik vereist de bovennatuurlijke groei nieuwe krachten, altijd genaden van bijstand; zonder deze zou onze groei aanstonds ophouden. Maria geeft ons die genaden, alle genaden die wij nodig hebben, voor alle omstandigheden van ons leven, voor alle moeilijkheden, voor alle mogelijke voortgang.
Pinksteren is het beeld van hetgeen dat tot het einde van de tijden zal geschieden. Die dag is, op Marias bede, de Heilige Geest over de gelovigen neergedaald. Zó nu zal het altijd zijn. Men zou in zekere zin kunnen zeggen: "Maria heeft over alle mededelingen van de Heilige Geest, een zekere rechtsmacht, enig gezag gekregen".
Ongetwijfeld komt aan Christus, de enige Middelaar, krachtens onvervreemdbaar recht, de genadebedeling toe. God alleen kan in het diepst van de ziel de genade voortbrengen. "Alleen de Godheid kan vergoddelijken". Maar God heeft gewild, dat Christus en zijn Moeder, die zo innig verenigd waren in het verlossingswerk, dit óók zouden zijn in de uitdeling van de genaden. God kon de genaden alleen uitdelen; het behaagt Hem echter dit te doen door Maria.
Al wat Christus lijden voor ons heeft verdiend, krachtens recht in de meest strikte zin, is ook de verdienste van Marias mede-lijden, maar dan op titel van geschonken voorrecht. De genaden, in zo grote smarten verdiend, deelt Maria thans aan ons uit. "Wijl zij aan het werk van s mensen verlossing haar diensten heeft geboden, oefent zij eveneens in de uitdeling van de onophoudelijk van het kruis afvloeiende genaden, de zelfde bediening uit, bekleed als zij daartoe is met een bijna onmetelijke macht."
Met heel zijn mysterie heeft de Christus haar innig verbonden. Opdat het Woord mens werd, was haar vrije toestemming nodig, "zo noodzakelijk was het voor de mensen, dat Maria hun heil begeerde".
"Op de Calvarieberg heeft zij met haar Zoon voor onze zaligheid geleden. Zou het billijk zijn, als zij de uitwerkselen van die mysteries, de genaden ter heiliging nu niet mocht uitdelen? God heeft ons door de heilige Maagd Jezus Christus willen geven en die orde verandert niet meer. De gaven Gods worden nooit door Hem berouwd. Het is en zal altijd waar zijn, dat wij, die eens door haar het alomvattende beginsel van de genade ontvingen, ook door háár tussenkomst, in alle mogelijke omstandigheden van het christelijke leven, de verschillende toepassingen er van bekomen. Wijl de moederlijke liefde in het geheim van de Menswording zoveel heeft bijgedragen tot ons heil, zal zij ook, bij alle andere daaruit voortvloeiende werkingen, eeuwig haar medewerking verlenen."
In de hemel past Christus nu de verdiensten van zijn lijden op ons toe; "Hij is onze voorspreker en bidt zonder ophouden voor ons".
Dit doet ook Maria. Op aarde bracht zij ons redding als mede-verlosseres; in de hemel is zij onze voorspreekster; aanhoudend spreekt zij voor ons ten beste. Zij vraagt, dat alle genade door haar Zoon en haar zelf verdiend, op ons mogen worden toegepast. Dezelfde plaats die Zij in het mysterie van de Menswording en van de Verlossing innam, bekleedt zij ook in dat van de heiligmaking.
Sint Paulus zegt van Christus sprekende: "Hij leeft altijd om onze Middelaar te zijn. Hij is de Hogepriester die wij behoeven Wij hebben een Hogepriester die gezeten is ter rechterzijde van de troon van de goddelijke Majesteit in de hemelen Hij oefent een veel voortreffelijker bediening uit, naarmate het Verbond waarvan Hij Middelaar werd, volmaakter is".
Passen wij, met inachtneming van de noodzakelijke verhoudingen, deze verheven teksten op Maria toe. Zij is gezeten aan Gods rechterhand, om onze voorspreekster te zijn, om het bemiddelingsambt uit te oefenen, dat in eigenlijke zin een priesterlijk karakter heeft. Zij is de uitdeelster, de bedienares van de genade. Haar goddelijk moederschap heeft haar een priesterschap meegedeeld hoger dan het sacramentele priesterschap. Het wordt uitgeoefend met het priesterschap van haar Zoon, waarvan het in zekere zin de aanvulling is. Als priesterlijke maagd, hulp van de eeuwige Priester, algemene middelares, zal zij aan Gods vrijgekochten de gehele eeuwigheid door het goddelijke leven meedelen.
Zou zij anders wel moeder zijn? En Maria is moeder, zij is ten vólle moeder. Ten koste van een onmetelijke smart heeft zij ons gebaard. Dit deed zij niet, om ons aan onszelf over te laten. Al haar moederlijke diensten wil zij verrichten; zij wil voeden, ontwikkelen, haar kinderen intenser doen leven, Jezus ledematen uit hen vormen. Alle heil ontvangen wij door haar. "Toen Jezus aan het kruis tot Sint Joannes en in zijn persoon tot heel de Kerk zeide: Ziedaar uw Moeder, stelde Hij Maria aan tot moederlijke verzorgster over de gehele Kerk. Het was alsof Hij zeide: Niemand kan gered worden, tenzij door de verdienste van mijn kruis en dood, en zo kan ook niemand deel hebben aan mijn Bloed, tenzij door de tussenkomst van mijn Moeder. Hij alleen zal kind van mijn smarten zijn, die Maria tot moeder zal hebben. Mijn wonden zijn eeuwige, altijd geopende genadebronnen, maar zij zullen slechts vloeien door het kanaal, Maria. Hij die Maria niet als moeder bemint, roept tevergeefs de Vader aan..."
Onze kinderlijke liefde ondervindt een heel rechtmatige voldoening, als zij zich weet te verklaren, op welke wijze onze Moeder ons het goddelijke leven toebedeelt. Welnu dan, Maria bidt voor ons en zij doet haar invloed op ons gelden.
In de aanschouwing van het Woord kennen de uitverkorenen in de hemel al wat op aarde hun belangstelling wekt, naargelang van de hier vervulde taak. De volmaaktheid van hun geluk vereist dit. Een vader, een moeder kennen de roeping, de gevaren en de noden van hun kinderen; zij kunnen hen te hulp komen. Hun kennis wat dat betreft is een daadwerkelijke kennis en de volmaaktheid van die kennis is afhankelijk van de graad hunner gelukzaligheid.
Maria heeft een volmaakte kennis van al wat betrekking heeft op de vrijgekochten, haar kinderen. Zou zij een wezenlijk moederschap kunnen uitoefenen zonder de juiste kennis van onze roeping en onze behoeften? Zij moet geheel de onze zijn, voor allen tesamen en voor ieder in het bijzonder. Met haar wonderbare moederlijke intuïtie dringt zij diep in ons door. Zij ziet ons in het Goddelijk Woord en kent ons op goddelijke kenwijze. Evenals de goede Herder ieder van zijn schapen bij name kent, zo onderscheidt zij ons allen in het bijzonder. Men verwondere zich hierover niet; haar kennis immers heeft een eeuwigheidsmaat. Zij kent dus mijn persoonlijke roeping, Gods gedachte over mij, de volmaaktheid die ik moet bereiken, de glorie waartoe ik moet komen.
Bovendien kent zij mijn geschiedenis, mijn zwakheden, mijn tegenwoordige gevaren en de genaden, die ik heden, op ditzelfde ogenblik, voor mijn volharding behoef. Wijl zij door Gods vrije uitverkiezing deel heeft aan het werk van de heiliging, openbaart God haar ook zijn gedachte over alle vrijgekochten. Als bij een moeder, ligt hun zaligheid haar na aan het hart: zij zijn de kinderen van haar smart. Veel zou aan haar geluk ontbreken, als zij over het bovennatuurlijke leven van haar kinderen niet kon waken. Door haar volmaakte vereniging met God heeft zij een zeer volmaakte kennis van onze liefde, onze wensen, onze zwakheden, zelf van onze voor onszelf verborgen noden. Worden ook op aarde de kinderen niet het best door hun moeders begrepen? Het geheim van mijn persoonlijke roeping, mij zelf onbekend, doorgrondt zij volkomen, om voor mij een hulp te kunnen zijn ter bereiking van het doel dier roeping.
Hoe zoet is het te denken, dat Maria vaak bidt, om ons bij te staan in onze onbekende noden! Blindheid voor ons zelf is onze kwaal, maar moederogen dringen diep in alles door. In de goddelijke aanschouwing ziet Maria alles. Menigmaal spreekt zij voor ons ten beste, zonder dat wij haar hebben aangeroepen, bewogen als zij is door onze ongekende ellende.
"Tot u, Moeder van Barmhartigheid, Moeder van de deerniswaardigen, roepen in de ballingschap Evas kinderen. Onze uiterste nood zélf roept tot u. Onze behoeftigheid heeft haar noodkreet. Dit aardse dal weergalmt zó van droef geween, dat onze nóód tot u opschreit, als wij niet klagend om hulp roepen. Tegenover u kán onze ellende niet zwijgen, en het is u onmogelijk, ze niet te horen, want de Moeder van Barmhartigheid zijt gij."
Maar vooral bemint zij ons.
God is liefde. Uit liefde heeft Christus ons verlost: "Hij heeft mij bemind en Zich voor mij overgeleverd". Maria eveneens. De oneindige liefdestroom voerde haar mee, en haar moederlijke tederheid voor ons bewoog haar tot het offer van haar Zoon.
Moeten wij dit nog duidelijker doen zien? Als er een werkelijkheid is, waaraan de gelovigen zich steeds sterk vastgrepen, dan is het voorzeker Marias onuitsprekelijke liefde voor de mensen. Zij bemint ons als een moeder, een moeder die veel geleden heeft, en wij, wij zijn haar kinderen, die haar een onuitsprekelijke marteling hebben gekost.
Zij bemint ons met een waarachtige liefde; zij wil ons van onze kwalen, onze ellenden verlossen, uit de schande doen opstaan, ons opheffen, zoals een moeder doet, ons naar God trekken, en in ons het volle leven doen vloeien. Is een van haar kinderen zwak, dan ijlt zij er heen; haar barmhartigheid wekt haar mededogen en haar liefde is krachtdadiger.
Is het ook Jezus niet, die zij in ons bemint? Zijn wij niet de ledematen van haar Zoon? De rechtvaardigen bemint zij, omdat zij verenigd zijn met Jezus, de zondaars, opdat zij met Jezus verenigd worden. Altijd gaat het er om, het mystieke Lichaam te ontvangen en te vormen. Zij houdt niet op de aan Christus bewezen liefde, ook over Christus ledematen uit te storten. Wie zag ooit zulk een liefde, zulk een moederschap?
Haar hemelzaligheid verkoelt haar liefde niet, integendeel, zij doet ze feller ontbranden. Wat een verlangen, allen voor wie Jezus stierf, zalig te maken, het grote Godsgezin in heiligheid te zien ontbloeien en groeien. Haar liefde maakt van haar gebed een vlammend vuur. De heiligen met een volmaakter liefde bidden in de hemel ook méér voor de mensen hier op aarde en helpen hen door die gebeden. Hoe groter hun vereniging met God is, des te krachtdadiger is hun gebed. Goddelijke ordening is het, dat de voortreffelijkheid van de hogeren afdaalt op de lageren. Daarom zegt ook Sint Paulus over Christus: "Hij is bij God, om voor ons ten beste te spreken". En Maria is dicht bij Hem, één met Hem, als eens bij de kribbe en het kruis; met tedere liefde oefent zij haar moederschap uit.
Men kent de kracht van deze bemiddeling. Sinds lang reeds noemt de christelijke overlevering Maria omnipotens suplex, de smekende almacht. Wat God door zijn wil vermag, kan Maria door haar gebed. Haar titel van Moeder en Middelares verleent haar bij God een onmetelijke macht. "Haar tussenkomst wordt nooit door de Heer verstoten, niets weigert Hij van hetgeen zij vraagt, zo dicht nadert zij de allerenkelvoudigste en alleraanbiddelijkste Drieëenheid."
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
HOOFDDOEL.
Boek 10 - KAP. 1.
Deze orde wil ik dus stichten ter ere van mijn dierbaarst geliefde Moeder, in de eerste plaats en hoofdzakelijk door vrouwen, en ik zal met mijn eigen mond de inrichting en regels die orde geheel en al verklaren en verkondigen.
11-05-2011
AAN ALLEN EEN GEZEGENDE WOENSDAG TOEGEWENST.
N. ( M ).
Zou ik van u Heer Jezus ... (1)
Zou ik van u Heer Jezus ... (1)
MARIA.
MARIA
ik roep uw barmhartigheid aan.
Maria, troosteres van de bedroefden,
troost de kinderen
van ons met bloed en tranen
doordrenkte land,
trek U het lot van de verbannenen aan
en troost ook onze
door verlangen,
leed en nood verteerde harten.
Maria, ik bid om hulp
voor de verdedigers van mijn vaderland,
ik smeek om ware rust voor allen
die hun leven
voor hun vaderland hebben gegeven,
ik bid om vrede
en rust voor mijn land
en voor de uitgeputte wereld.
Maria, ik strek mijn vermoeide handen
naar U uit,
en bid: smeek voor mij
om vergeving van al mijn zonden,
mijn tekorten en onvolmaaktheden,
voor mij en voor de mijnen. Amen.
Alles voor Jezus,
dag en nacht.
Maria, toevlucht van de zondaars.
Maria, toevlucht van de zondaars,
troosteres der bedrukten,
met een hart vol verdriet
smeek ik u om hulp
voor mijn gestorven ouders,
die ons gezin
met hun arbeid en zorg
beschermden en omringden.
Maria, vraag voor hen
zo spoedig mogelijk met Uw Zoon
verenigd te zijn,
opdat zij hoog uit de hemel
ons opnieuw leiden
en ons geleiden
uit alle valstrikken
en afgronden,
en alle bekoringen
die het leven brengt. Amen
O Jezus zachtmoedig en nederig van hart.
O Jezus zachtmoedig en nederig van hart, hoor mij aan.
Bevrijd mij, Jezus,
Van het verlangen geliefd te worden
Van het verlangen verheerlijkt te worden
Van het verlangen geëerd te worden
Van het verlangen geprezen te worden
Van het verlangen verkoren te worden boven anderen
Van het verlangen geraadpleegd te worden
Van het verlangen goedgekeurd te worden
Van de angst vernederd te worden
Van de angst geminacht te worden
Van de angst een berisping te ondergaan
Van de angst vergeten te worden
Van de angst onrechtvaardig behandeld te worden
Van de angst verdacht te worden
En Jezus, verleen mij de genade om te verlangen,
Dat men anderen meer liefheeft dan mij
Dat men anderen meer waardeert dan mij
Dat anderen meer aanzien in de wereld zullen genieten dan ik
Dat anderen gekozen worden, en ik opzij gezet
Dat anderen geprezen worden, en ik onopgemerkt blijf
Dat men te allen tijd aan anderen de voorkeur geeft
Dat anderen heiliger mogen worden dan ik, als ik maar zo heilig word als nodig is.
AMEN.
VERGEEF JE NAASTE ALS JE JEZUS WIL VOLGEN.
Hij heeft ons voorgedaan, leeft gelukkig, zonder haat en nijd.
Neem dan de Rozenkrans op om door liefde te gaan in de strijd.
Want door verkeerd te handelen wordt het leven ondraaglijker en onaangenaam.
Want wie sterk wil zijn en op twee benen wil blijven staan.
Laat die nemen Godsliefde met zich mee.
Ook al geeft je naaste broeder niet mee gedwee.
Dan laat hem maar met zijn fouten door laten gaan.
Want ook degene komt op een gegeven moment voor de Troon van God te staan.
God weet het leven, zal het leven, gaan leiden zoals Zijn Wil.
Het recht zal geschieden door eerlijkheid vertrouwen want het wordt opgenomen in de ziel.
God onthoud elke leugen maar ook elke liefdesgedachte.
Geef aan ieder een eerlijke strijd, want dat is wat God van u wil verwachten.
Dreig niet, fosseer niets want dat is een duistere zijde van het leven.
Wij als Vredestichters willen ons met liefde over de aarde begeven.
Haat en nijd maakt toch elke mens kapot.
Ieder weet, een mens is maar een mens en zijn toch allen een kind van God.
Want wat iemand een ander misdaan heeft, zal men kunnen verhalen in zijn levensles.
Men moet willen vergeven, anders gaat het helemaal mis.
Wie God volgt op die manier zoals Hij het ons heeft voor gedaan.
Die zal gelukkig zijn als hij liefdevol naar het Hemelse Koninkrijk mag gaan.
ZALIGSPREKINGEN.
Zalig zij , die ons , bejaarde mensen , oud durven laten worden in deze tijd , zij zullen de rijkdom van onze jaren mogen ervaren. Zalig zij , die aanvaarden dat wij trager worden en behoren tot een ver verleden tijd , zij zullen niet opgeslokt en afgestompt worden door het jachtend razen van deze meedogenloze tijdstrijd. Zalig zij , die beseffen dat onze oren niet alles meer horen en onze ogen niet alles meer zien , zij zullen de taal van ons hart en de tekening van ons leven mogen ontdekken. Zalig zij , die met ons meeleven als wij de lasten van onze oude dag moeten dragen , zij zullen de kracht van onze liefde voelen groeien in het diepste van hun hart. Zalig zij , die ons dagenlang laten vertellen en nooit wrevelig zeggen ; 'Dat heb je mij al duizend keren gezegd' , zij zullen de waarde van de herinnering in de diepte van ons levensverhaal vinden. Zalig zij , die ons 'oud - zijn' en ons 'mens zijn' respecteren en ons onze waardigheid laten , zij zullen eerbiedig en dankbaar het geschenk van onze levensvoltooiing ontvangen. Zalig zij , die door hun milde goedheid ons helpen ons laatste restje levensweg naar God te gaan , zij zullen Hem als kern van ons bestaan doorheen hun dagen dragen. Het zij zo.