Herman Wijns, 'de kleine pastoor', overleed op 26 mei 1941, 10 jaar oud. Zijn wonderbaarlijke uitspraken als kleine jongen en de vreemde uitstraling van zijn graf op de oude begraafplaats in de Van Heybeeckstraat hebben er een pelgrimsoord van gemaakt.
Velen geloven dat Hermanneke geneest en rond zijn graf staan honderden dankbetuigingen van mensen die door hem van hun kwalen zouden zijn verlost.
Hij is zelfs al meerdere keren 'gezien' door moderne profeten en heeft tegen zeker een dame 'gesproken'.
Nog dagelijks wordt zijn graf door tientallen mensen bezocht en nog elke eerste vrijdag van de maand vindt er een massaal bezochte plechtigheid plaats.
Wanneer Herman Wijns op 26 mei 1941 niet was overleden aan de gevolgen van een hersenvliesontsteking na een verwonding aan zijn knie was hij vorige week (15 maart) wellicht 75 jaar geworden.
Maar er zijn dit jaar meer jubilea als het om Ons Hermanneke gaat.
In zes afleveringen brengen we u daarom het leven van Herman Wijns.
Herman weende niet Herman werd geboren op zondag 15 maart 1931, als de zoon van een slagersechtpaar, en de volgende dag al werd hij gedoopt in de St. Bartholomeuskerk.
Vader Jozef Wijns had een succesvolle varkensbeenhouwerij en charcuteriewinkel op de Bredabaan en was daarnaast vertegenwoordiger van verschillende buitenlandse vleeswarenfabrikanten.
Het was een bekende zaak met klanten uit de wijde omgeving waar naast vader en moeder Wijns ook vier gasten hun job hadden.
Herman Wijns, 2 jaar oud
Herman groeide op in de beenhouwerij van zijn ouders en al snel kende iedereen in Merksem het ventje, omdat hij bij goed weer door zijn moeder bij de winkeldeur werd gezet.
Uren kon hij daar naar verluid zitten, samen met zijn hond Mus en de kat van de familie.
Het kwam al eens voor dat vader en moeder Wijns in de drukte vergaten het kereltje eten te geven, maar naar het schijnt kwam er nooit een klacht over zijn lippen.
Herman weende niet en zaagde niet.
Hij trok zich terug op de zolder en verwonderde zich over de plaatjes in de oude gazetten, totdat men hem kwam roepen voor het avondeten, zo gaat het verhaal.
Nonkel Mon Toen Herman een jaar of vijf was en al wat avontuurlijker de omgeving verkende trok hij veel naar de gasten, achter de beenhouwerij in het atelier.
De slagersjongens waren gek met het beminnelijke kereltje, namen hem mee op hun rondes en lieten hem dan voorop de fiets in de mand zitten.
Naar het schijnt was Herman beste vrienden met iedereen.
Hij moet een onbezorgde kindertijd gehad hebben, waarin het geloof en vooral zijn onkel Mon een centrale rol speelden.
Herman hing aan de lippen van nonkel Mon als die vertelde en wachtte geduldig naast diens zetel of zelfs op zijn schoot wanneer hij, moe van het vertellen, een dutje deed.
Herman en de hond van het gezin 'Mus'
Hermans favoriete spelletje was echter 'de mis spelen' met nonkel Mon.
Het moet een koddig toneel geweest zijn: een man van in de vijftig die met een bel of een ratel in zijn hand de mis diende van een manneke van vijf, waarbij dan eens een pompbak, dan een kast of een tafel dienst deed als altaar.
Het verhaal gaat ook dat wanneer de ouders van Herman 's avonds nog moesten gaan werken en de buren op hem pasten, de oudere kinderen daar er bijna om vochten om de kleuter bij zich te kunnen hebben.
St-Eduardusinstituut Verliep voor Herman alles naar wens en was zijn wereld een grote speeltuin vol magie en mensen die hem graag zagen, voor vader en moeder Wijns ging het allemaal een pak minder.
De crisis van de jaren '30 deed zich ook in Merksem voelen en in 1938 - Herman was zeven jaar oud - moesten ze hun ooit zo florerende zaak op de Bredabaan sluiten.
Toen Herman vijf jaar was vond vader Wijns het tijd om hem op school te doen.
Niet direct in het eerste leerjaar.
Nee, beter zou het zijn om hem eerst een jaar naar de kleuterschool te sturen.
In de paasvakantie van 1936 ging pa Wijns daarom met zijn zoon naar de Broeder Bestuurder van het St-Eduardusinstituut.
Die wilde liever dat Herman ineens naar de jongensschool zou gaan, maar zijn leeftijd was wat dat betreft natuurlijk een probleem.
De Broeder Bestuurder twijfelde lang, maar gaf uiteindelijk toch toestemming om Herman het laatste trimester van het voorbereidende leerjaar te laten meedoen, maar niet voor hij de kleuter een klein testje afnam.
Een schoolklas van het St-Eduardusinstituut in de tijd dat Herman deschool bezocht.
Hermanneke, waar woon je? vroeg de Bestuurder.
Op de Bredabaan 422, antwoordde Hermanneke.
Ha ja, dat is tegen de Oude Bareel, niet waar?
Nee, zei de kleine rustig. Dat is tegen het gemeentehuis.
Och ja, dat is waar ook. Dat is daar waar tram 12 en 17 rijden, niet waar? probeerde de broeder.
Nee, antwoordde Herman weer, tram 3 en 23.
Och ja, dat is waar ook.
De kleine plagerij was voldoende voor de Broeder Bestuurder om te weten wat voor vlees hij in de kuip had, en Herman mocht na de paasvakantie naar school.
In het laatste trimester van het voorbereidende studiejaar deed hij het vervolgens zo goed dat er geen sprake van was dat Herman na de zomer in het voorbereidende studiejaar zou beginnen.
Hij werd meteen toegelaten tot het eerste leerjaar, als knulleke van vijf jaar oud.
AAN ALLEN EEN GEZEGENDE VRIJDAG TOEGEWENST.
N. ( M ).
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
VIER EN DERTIGSTE VERSCHIJNING.
Vrijdag, 19 september 1975.
Die dag zouden moeder-overste en zuster J. om vier uur door de bisschop ontvangen worden. Madeleine is zoals iedere vrijdag, om drie uur naar de kapel gegaan die zij verlaten heeft om weer om vier uur terug te komen, want een zuster had haar verteld hoe laat met de bisschop was afgesproken.
Na een tientje van de rozenkrans ziet Madeleine het Licht bij het tabernakel, en hoort :
"Zegt aan de priester, de nonnen, en twee personen die de Boodschap kennen, om hier om 17.30 uur te komen."
Daarop verdwijnt het Licht.
Op het afgesproken uur verschijnt het Licht, daarna Jezus met zijn handen naar Madeleine uitgestrekt. Dan heft Hij zijn rechterhand op in zegenend gebaar met de wijs en middelvinger naar boven gericht. De twee personen, Mevrouw T. en Mevrouw G., die door de zusters gevraagd waren, zijn nu aanwezig.
Hij zegt tegen Madeleine :
"De vrede blijft met u. Maakt het Kruisteken.
Jezus kruist zijn handen op de borst en richt met bedroefd en ernstig gelaat zijn ogen ten hemel, en vervolgt :
Vader, uw wil geschiede op deze aarde."
Jezus kijkt zeer verdrietig. Nog even blijft Hij zo en neemt daarop zijn gewone houding aan en zegt tegen Madeleine terwijl Hij naar de aanwezigen kijkt :
"Zegt dit hardop : "Gij priesters en nonnen, die met de Boodschap belast zijt, laat de mensheid toch niet naar hun ondergang snellen. Ik heb u gevraagd voor de oprichting van het Glorierijke Kruis te werken. Ziet u dan niet dat het moment gekomen is vanwege de verschijnselen die zich opvolgen ! Want de tijd verstrijkt en mijn Boodschap blijft in het duister. Als dit zo blijft zal het aantal geredden klein zijn. Maar gij die het Woord van mijn Vader niet uitvoert, uw straf zal groot zijn. Want met het aantal geredden, daarmee zult u geoordeeld worden.
Gebruikt niet het middel van wijs beraad, maar luistert naar de dwaasheid van de Boodschap. Want het is door deze Boodschap dat het God behaagt de wereld te redden.
- Weest niet als de joden die om tekenen vragen.
- Maar door deze enige en laatste Boodschap die God heeft geopenbaard aan zijn dienares *
- De woorden die uit haar mond zijn gekomen, zijn geen mensenwoorden. Maar door hetgeen haar door de Geest is onderwezen *
Het ogenblik is aangebroken waarop Ik in de mensenharten mijn Barmhartigheid moet uitstorten, maar laten zij die belast zijn met de Boodschap, goed beseffen dat zij het zijn die het Mij verhinderen, aangezien zij de wereld in onwetendheid laten. Bedenkt, omwille van de uitverkorenen zullen de dagen verkort worden, maar wee zij die het Woord van God niet uitvoeren."
Hierop zegt Jezus tegen Madeleine :
Doet uw schoeisel uit, verlaat dan de kapel en loopt door totdat uw voeten op aarde staan. Komt vervolgens hier terug."
Madeleine doet wat Jezus haar vraagt. Als zij weer voor Hem op haar knieën ligt, zegt Hij haar :
"Deze grond van Dozulé, die mijn Vader gezegend en geheiligd heeft : wij zijn zelfs niet waardig om onze voet daarop te zetten.
Jezus neemt weer een gelaatsuitdrukking aan van stralende goedheid en lieflijkheid.
Hij lacht haar toe en zegt :
Ik ben de God van Goedheid en Liefde Mijn Barmhartigheid is oneindig. Al mogen mijn woorden vandaag hard zijn, dan is dat niet om u te veroordelen, maar integendeel : Ik wil door mijn Boodschap de wereld redden."
Daarna verdwijnt Jezus. Gelijkertijd dat dit aan Madeleine werd gezegd, vroeg de bisschop aan de twee zusters om wijs beraad... "
Bedroefd heeft Jezus hierop zijn antwoord gegeven.
* Beide zinnen kunnen worden aangevuld met : "behaagt het God de wereld te redden".
ONZE MOEDER, ONZE BIJSTAND.
Helpster bij onze Levensgroei.
Alle leven streeft naar groei en bloei: het meisje moet vrouw en het jongetje moet man worden. Zo is het ook in het bovennatuurlijke leven; het moet tot ontwikkeling komen. God had voorzeker kunnen vaststellen, dat wij, evenals de engelen, door één enkele wilsakt onze eeuwigheid zouden bepalen. Hij heeft echter onze groei gewild en er ons de tijd en de middelen voor gegeven. De genade die wij in het doopsel ontvangen, is slechts een beginpunt. "De weg van de rechtvaardigen is als het schitterende licht waarvan de luister groeit tot op het midden van de dag", zegt de heilige Schrift.
Maria nu helpt ons groeien in Christus Jezus. Zij is moeder, en een moeder stelt er zich niet mee tevreden, aan haar kind het leven te geven; zij waakt ook over zijn groei, zij wil het naar de volmaaktheid voeren. Elk ogenblik vereist de bovennatuurlijke groei nieuwe krachten, altijd genaden van bijstand; zonder deze zou onze groei aanstonds ophouden. Maria geeft ons die genaden, alle genaden die wij nodig hebben, voor alle omstandigheden van ons leven, voor alle moeilijkheden, voor alle mogelijke voortgang.
Pinksteren is het beeld van hetgeen dat tot het einde van de tijden zal geschieden. Die dag is, op Marias bede, de Heilige Geest over de gelovigen neergedaald. Zó nu zal het altijd zijn. Men zou in zekere zin kunnen zeggen: "Maria heeft over alle mededelingen van de Heilige Geest, een zekere rechtsmacht, enig gezag gekregen".
Ongetwijfeld komt aan Christus, de enige Middelaar, krachtens onvervreemdbaar recht, de genadebedeling toe. God alleen kan in het diepst van de ziel de genade voortbrengen. "Alleen de Godheid kan vergoddelijken". Maar God heeft gewild, dat Christus en zijn Moeder, die zo innig verenigd waren in het verlossingswerk, dit óók zouden zijn in de uitdeling van de genaden. God kon de genaden alleen uitdelen; het behaagt Hem echter dit te doen door Maria.
Al wat Christus lijden voor ons heeft verdiend, krachtens recht in de meest strikte zin, is ook de verdienste van Marias mede-lijden, maar dan op titel van geschonken voorrecht. De genaden, in zo grote smarten verdiend, deelt Maria thans aan ons uit. "Wijl zij aan het werk van s mensen verlossing haar diensten heeft geboden, oefent zij eveneens in de uitdeling van de onophoudelijk van het kruis afvloeiende genaden, de zelfde bediening uit, bekleed als zij daartoe is met een bijna onmetelijke macht."
Met heel zijn mysterie heeft de Christus haar innig verbonden. Opdat het Woord mens werd, was haar vrije toestemming nodig, "zo noodzakelijk was het voor de mensen, dat Maria hun heil begeerde".
"Op de Calvarieberg heeft zij met haar Zoon voor onze zaligheid geleden. Zou het billijk zijn, als zij de uitwerkselen van die mysteries, de genaden ter heiliging nu niet mocht uitdelen? God heeft ons door de heilige Maagd Jezus Christus willen geven en die orde verandert niet meer. De gaven Gods worden nooit door Hem berouwd. Het is en zal altijd waar zijn, dat wij, die eens door haar het alomvattende beginsel van de genade ontvingen, ook door háár tussenkomst, in alle mogelijke omstandigheden van het christelijke leven, de verschillende toepassingen er van bekomen. Wijl de moederlijke liefde in het geheim van de Menswording zoveel heeft bijgedragen tot ons heil, zal zij ook, bij alle andere daaruit voortvloeiende werkingen, eeuwig haar medewerking verlenen."
In de hemel past Christus nu de verdiensten van zijn lijden op ons toe; "Hij is onze voorspreker en bidt zonder ophouden voor ons".
Dit doet ook Maria. Op aarde bracht zij ons redding als mede-verlosseres; in de hemel is zij onze voorspreekster; aanhoudend spreekt zij voor ons ten beste. Zij vraagt, dat alle genade door haar Zoon en haar zelf verdiend, op ons mogen worden toegepast. Dezelfde plaats die Zij in het mysterie van de Menswording en van de Verlossing innam, bekleedt zij ook in dat van de heiligmaking.
Sint Paulus zegt van Christus sprekende: "Hij leeft altijd om onze Middelaar te zijn. Hij is de Hogepriester die wij behoeven Wij hebben een Hogepriester die gezeten is ter rechterzijde van de troon van de goddelijke Majesteit in de hemelen Hij oefent een veel voortreffelijker bediening uit, naarmate het Verbond waarvan Hij Middelaar werd, volmaakter is".
Passen wij, met inachtneming van de noodzakelijke verhoudingen, deze verheven teksten op Maria toe. Zij is gezeten aan Gods rechterhand, om onze voorspreekster te zijn, om het bemiddelingsambt uit te oefenen, dat in eigenlijke zin een priesterlijk karakter heeft. Zij is de uitdeelster, de bedienares van de genade. Haar goddelijk moederschap heeft haar een priesterschap meegedeeld hoger dan het sacramentele priesterschap. Het wordt uitgeoefend met het priesterschap van haar Zoon, waarvan het in zekere zin de aanvulling is. Als priesterlijke maagd, hulp van de eeuwige Priester, algemene middelares, zal zij aan Gods vrijgekochten de gehele eeuwigheid door het goddelijke leven meedelen.
Zou zij anders wel moeder zijn? En Maria is moeder, zij is ten vólle moeder. Ten koste van een onmetelijke smart heeft zij ons gebaard. Dit deed zij niet, om ons aan onszelf over te laten. Al haar moederlijke diensten wil zij verrichten; zij wil voeden, ontwikkelen, haar kinderen intenser doen leven, Jezus ledematen uit hen vormen. Alle heil ontvangen wij door haar. "Toen Jezus aan het kruis tot Sint Joannes en in zijn persoon tot heel de Kerk zeide: Ziedaar uw Moeder, stelde Hij Maria aan tot moederlijke verzorgster over de gehele Kerk. Het was alsof Hij zeide: Niemand kan gered worden, tenzij door de verdienste van mijn kruis en dood, en zo kan ook niemand deel hebben aan mijn Bloed, tenzij door de tussenkomst van mijn Moeder. Hij alleen zal kind van mijn smarten zijn, die Maria tot moeder zal hebben. Mijn wonden zijn eeuwige, altijd geopende genadebronnen, maar zij zullen slechts vloeien door het kanaal, Maria. Hij die Maria niet als moeder bemint, roept tevergeefs de Vader aan..."
Onze kinderlijke liefde ondervindt een heel rechtmatige voldoening, als zij zich weet te verklaren, op welke wijze onze Moeder ons het goddelijke leven toebedeelt. Welnu dan, Maria bidt voor ons en zij doet haar invloed op ons gelden.
In de aanschouwing van het Woord kennen de uitverkorenen in de hemel al wat op aarde hun belangstelling wekt, naargelang van de hier vervulde taak. De volmaaktheid van hun geluk vereist dit. Een vader, een moeder kennen de roeping, de gevaren en de noden van hun kinderen; zij kunnen hen te hulp komen. Hun kennis wat dat betreft is een daadwerkelijke kennis en de volmaaktheid van die kennis is afhankelijk van de graad hunner gelukzaligheid.
Maria heeft een volmaakte kennis van al wat betrekking heeft op de vrijgekochten, haar kinderen. Zou zij een wezenlijk moederschap kunnen uitoefenen zonder de juiste kennis van onze roeping en onze behoeften? Zij moet geheel de onze zijn, voor allen tesamen en voor ieder in het bijzonder. Met haar wonderbare moederlijke intuïtie dringt zij diep in ons door. Zij ziet ons in het Goddelijk Woord en kent ons op goddelijke kenwijze. Evenals de goede Herder ieder van zijn schapen bij name kent, zo onderscheidt zij ons allen in het bijzonder. Men verwondere zich hierover niet; haar kennis immers heeft een eeuwigheidsmaat. Zij kent dus mijn persoonlijke roeping, Gods gedachte over mij, de volmaaktheid die ik moet bereiken, de glorie waartoe ik moet komen.
Bovendien kent zij mijn geschiedenis, mijn zwakheden, mijn tegenwoordige gevaren en de genaden, die ik heden, op ditzelfde ogenblik, voor mijn volharding behoef. Wijl zij door Gods vrije uitverkiezing deel heeft aan het werk van de heiliging, openbaart God haar ook zijn gedachte over alle vrijgekochten. Als bij een moeder, ligt hun zaligheid haar na aan het hart: zij zijn de kinderen van haar smart. Veel zou aan haar geluk ontbreken, als zij over het bovennatuurlijke leven van haar kinderen niet kon waken. Door haar volmaakte vereniging met God heeft zij een zeer volmaakte kennis van onze liefde, onze wensen, onze zwakheden, zelf van onze voor onszelf verborgen noden. Worden ook op aarde de kinderen niet het best door hun moeders begrepen? Het geheim van mijn persoonlijke roeping, mij zelf onbekend, doorgrondt zij volkomen, om voor mij een hulp te kunnen zijn ter bereiking van het doel dier roeping.
Hoe zoet is het te denken, dat Maria vaak bidt, om ons bij te staan in onze onbekende noden! Blindheid voor ons zelf is onze kwaal, maar moederogen dringen diep in alles door. In de goddelijke aanschouwing ziet Maria alles. Menigmaal spreekt zij voor ons ten beste, zonder dat wij haar hebben aangeroepen, bewogen als zij is door onze ongekende ellende.
"Tot u, Moeder van Barmhartigheid, Moeder van de deerniswaardigen, roepen in de ballingschap Evas kinderen. Onze uiterste nood zélf roept tot u. Onze behoeftigheid heeft haar noodkreet. Dit aardse dal weergalmt zó van droef geween, dat onze nóód tot u opschreit, als wij niet klagend om hulp roepen. Tegenover u kán onze ellende niet zwijgen, en het is u onmogelijk, ze niet te horen, want de Moeder van Barmhartigheid zijt gij."
Maar vooral bemint zij ons.
God is liefde. Uit liefde heeft Christus ons verlost: "Hij heeft mij bemind en Zich voor mij overgeleverd". Maria eveneens. De oneindige liefdestroom voerde haar mee, en haar moederlijke tederheid voor ons bewoog haar tot het offer van haar Zoon.
Moeten wij dit nog duidelijker doen zien? Als er een werkelijkheid is, waaraan de gelovigen zich steeds sterk vastgrepen, dan is het voorzeker Marias onuitsprekelijke liefde voor de mensen. Zij bemint ons als een moeder, een moeder die veel geleden heeft, en wij, wij zijn haar kinderen, die haar een onuitsprekelijke marteling hebben gekost.
Zij bemint ons met een waarachtige liefde; zij wil ons van onze kwalen, onze ellenden verlossen, uit de schande doen opstaan, ons opheffen, zoals een moeder doet, ons naar God trekken, en in ons het volle leven doen vloeien. Is een van haar kinderen zwak, dan ijlt zij er heen; haar barmhartigheid wekt haar mededogen en haar liefde is krachtdadiger.
Is het ook Jezus niet, die zij in ons bemint? Zijn wij niet de ledematen van haar Zoon? De rechtvaardigen bemint zij, omdat zij verenigd zijn met Jezus, de zondaars, opdat zij met Jezus verenigd worden. Altijd gaat het er om, het mystieke Lichaam te ontvangen en te vormen. Zij houdt niet op de aan Christus bewezen liefde, ook over Christus ledematen uit te storten. Wie zag ooit zulk een liefde, zulk een moederschap?
Haar hemelzaligheid verkoelt haar liefde niet, integendeel, zij doet ze feller ontbranden. Wat een verlangen, allen voor wie Jezus stierf, zalig te maken, het grote Godsgezin in heiligheid te zien ontbloeien en groeien. Haar liefde maakt van haar gebed een vlammend vuur. De heiligen met een volmaakter liefde bidden in de hemel ook méér voor de mensen hier op aarde en helpen hen door die gebeden. Hoe groter hun vereniging met God is, des te krachtdadiger is hun gebed. Goddelijke ordening is het, dat de voortreffelijkheid van de hogeren afdaalt op de lageren. Daarom zegt ook Sint Paulus over Christus: "Hij is bij God, om voor ons ten beste te spreken". En Maria is dicht bij Hem, één met Hem, als eens bij de kribbe en het kruis; met tedere liefde oefent zij haar moederschap uit.
Men kent de kracht van deze bemiddeling. Sinds lang reeds noemt de christelijke overlevering Maria omnipotens suplex, de smekende almacht. Wat God door zijn wil vermag, kan Maria door haar gebed. Haar titel van Moeder en Middelares verleent haar bij God een onmetelijke macht. "Haar tussenkomst wordt nooit door de Heer verstoten, niets weigert Hij van hetgeen zij vraagt, zo dicht nadert zij de allerenkelvoudigste en alleraanbiddelijkste Drieëenheid."
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
HOOFDDOEL.
Boek 10 - KAP. 1.
Deze orde wil ik dus stichten ter ere van mijn dierbaarst geliefde Moeder, in de eerste plaats en hoofdzakelijk door vrouwen, en ik zal met mijn eigen mond de inrichting en regels die orde geheel en al verklaren en verkondigen.
11-05-2011
AAN ALLEN EEN GEZEGENDE WOENSDAG TOEGEWENST.
N. ( M ).
Zou ik van u Heer Jezus ... (1)
Zou ik van u Heer Jezus ... (1)
MARIA.
MARIA
ik roep uw barmhartigheid aan.
Maria, troosteres van de bedroefden,
troost de kinderen
van ons met bloed en tranen
doordrenkte land,
trek U het lot van de verbannenen aan
en troost ook onze
door verlangen,
leed en nood verteerde harten.
Maria, ik bid om hulp
voor de verdedigers van mijn vaderland,
ik smeek om ware rust voor allen
die hun leven
voor hun vaderland hebben gegeven,
ik bid om vrede
en rust voor mijn land
en voor de uitgeputte wereld.
Maria, ik strek mijn vermoeide handen
naar U uit,
en bid: smeek voor mij
om vergeving van al mijn zonden,
mijn tekorten en onvolmaaktheden,
voor mij en voor de mijnen. Amen.
Alles voor Jezus,
dag en nacht.
Maria, toevlucht van de zondaars.
Maria, toevlucht van de zondaars,
troosteres der bedrukten,
met een hart vol verdriet
smeek ik u om hulp
voor mijn gestorven ouders,
die ons gezin
met hun arbeid en zorg
beschermden en omringden.
Maria, vraag voor hen
zo spoedig mogelijk met Uw Zoon
verenigd te zijn,
opdat zij hoog uit de hemel
ons opnieuw leiden
en ons geleiden
uit alle valstrikken
en afgronden,
en alle bekoringen
die het leven brengt. Amen
O Jezus zachtmoedig en nederig van hart.
O Jezus zachtmoedig en nederig van hart, hoor mij aan.
Bevrijd mij, Jezus,
Van het verlangen geliefd te worden
Van het verlangen verheerlijkt te worden
Van het verlangen geëerd te worden
Van het verlangen geprezen te worden
Van het verlangen verkoren te worden boven anderen
Van het verlangen geraadpleegd te worden
Van het verlangen goedgekeurd te worden
Van de angst vernederd te worden
Van de angst geminacht te worden
Van de angst een berisping te ondergaan
Van de angst vergeten te worden
Van de angst onrechtvaardig behandeld te worden
Van de angst verdacht te worden
En Jezus, verleen mij de genade om te verlangen,
Dat men anderen meer liefheeft dan mij
Dat men anderen meer waardeert dan mij
Dat anderen meer aanzien in de wereld zullen genieten dan ik
Dat anderen gekozen worden, en ik opzij gezet
Dat anderen geprezen worden, en ik onopgemerkt blijf
Dat men te allen tijd aan anderen de voorkeur geeft
Dat anderen heiliger mogen worden dan ik, als ik maar zo heilig word als nodig is.
AMEN.
VERGEEF JE NAASTE ALS JE JEZUS WIL VOLGEN.
Hij heeft ons voorgedaan, leeft gelukkig, zonder haat en nijd.
Neem dan de Rozenkrans op om door liefde te gaan in de strijd.
Want door verkeerd te handelen wordt het leven ondraaglijker en onaangenaam.
Want wie sterk wil zijn en op twee benen wil blijven staan.
Laat die nemen Godsliefde met zich mee.
Ook al geeft je naaste broeder niet mee gedwee.
Dan laat hem maar met zijn fouten door laten gaan.
Want ook degene komt op een gegeven moment voor de Troon van God te staan.
God weet het leven, zal het leven, gaan leiden zoals Zijn Wil.
Het recht zal geschieden door eerlijkheid vertrouwen want het wordt opgenomen in de ziel.
God onthoud elke leugen maar ook elke liefdesgedachte.
Geef aan ieder een eerlijke strijd, want dat is wat God van u wil verwachten.
Dreig niet, fosseer niets want dat is een duistere zijde van het leven.
Wij als Vredestichters willen ons met liefde over de aarde begeven.
Haat en nijd maakt toch elke mens kapot.
Ieder weet, een mens is maar een mens en zijn toch allen een kind van God.
Want wat iemand een ander misdaan heeft, zal men kunnen verhalen in zijn levensles.
Men moet willen vergeven, anders gaat het helemaal mis.
Wie God volgt op die manier zoals Hij het ons heeft voor gedaan.
Die zal gelukkig zijn als hij liefdevol naar het Hemelse Koninkrijk mag gaan.
ZALIGSPREKINGEN.
Zalig zij , die ons , bejaarde mensen , oud durven laten worden in deze tijd , zij zullen de rijkdom van onze jaren mogen ervaren. Zalig zij , die aanvaarden dat wij trager worden en behoren tot een ver verleden tijd , zij zullen niet opgeslokt en afgestompt worden door het jachtend razen van deze meedogenloze tijdstrijd. Zalig zij , die beseffen dat onze oren niet alles meer horen en onze ogen niet alles meer zien , zij zullen de taal van ons hart en de tekening van ons leven mogen ontdekken. Zalig zij , die met ons meeleven als wij de lasten van onze oude dag moeten dragen , zij zullen de kracht van onze liefde voelen groeien in het diepste van hun hart. Zalig zij , die ons dagenlang laten vertellen en nooit wrevelig zeggen ; 'Dat heb je mij al duizend keren gezegd' , zij zullen de waarde van de herinnering in de diepte van ons levensverhaal vinden. Zalig zij , die ons 'oud - zijn' en ons 'mens zijn' respecteren en ons onze waardigheid laten , zij zullen eerbiedig en dankbaar het geschenk van onze levensvoltooiing ontvangen. Zalig zij , die door hun milde goedheid ons helpen ons laatste restje levensweg naar God te gaan , zij zullen Hem als kern van ons bestaan doorheen hun dagen dragen. Het zij zo.
Amen.
Wat moeten wij doen om gered te worden?
Mensen te Kafarnaüm vroegen Jezus: "Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?" (Johannes 6:28). Een wetgeleerde vroeg Hem: "Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?" (Lucas 10:25). Een rijke jongeling vroeg Hem: "Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?" (Marcus 10:17). Op de Pinksterdag vroeg het volk: "Wat moeten wij doen?" (Handelingen 2:37). De gevangenbewaarder te Filippi vroeg: "Wat moet ik doen om behouden te worden?" (Handelingen 16:30).
Welke antwoorden kregen deze mensen van Jezus en Zijn apostelen?
Een populair antwoord in onze tijd, door Evangelischen gegeven, is: U hoeft helemaal niets te doen! De volgende aanhalingen heb ik op Internet gevonden: (1) "De redding hangt niet af van wat u doet of niet doet"; (2) "Uw heil hangt niet af van wat u doet".
Heeft Jezus geleerd dat men niets moet doen om behouden te worden?
Jezus zei: "Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is" (Matteüs 7:21). "Een ieder nu, die deze mijn woorden hoort en ze doet, zal gelijken op een verstandig man, die zijn huis bouwde op de rots. En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, en het viel niet in, want het was op de rots gegrondvest. En een ieder, die deze mijn woorden hoort en ze niet doet, zal gelijken op een dwaas man, die zijn huis bouwde op het zand. En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het viel in, en zijn val was groot" (Matteüs 7:24 t/m 27).
Dus, om Gods koninkrijk binnen te gaan, moeten wij de wil van de Vader doen. Wij moeten doen wat Jezus zegt.
Evangelischen spreken Jezus tegen wanneer zij beweren dat het heil niet afhankelijk is van wat men doet.
Welke antwoorden kregen mensen die vroegen: "Wat moet ik doen?"
Te Kafarnaüm vroegen de mensen: "Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?" (Johannes 6:28). Jezus antwoordde: "Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft" (Johannes 6:29).
Het eerste dat men moet doen om behouden te worden, is in Christus geloven. "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe" (Johannes 3:16).
Daarna legt Jezus uit dat geloven of niet-geloven verband houdt met wat men doet: "Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos. Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen; maar wie de waarheid doet, gaat tot het licht, opdat van zijn werken blijke, dat zij in God verricht zijn" (Johannes 3:19 t/m 21).
"Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods" (Romeinen 3:23). Alleen door Christus kunnen zondige mensen gered worden: "De behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden" (Handelingen 4:12). "Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen" (Titus 2:11). Christus is "voor allen gestorven" (2 Korintiërs 5:15). Hij heeft Zich gegeven "tot een losprijs voor allen" (1 Timoteüs 2:6). "Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld" (1 Johannes 2:2).
Door het offer van Zijn Zoon heeft God de redding voor iedereen beschikbaar gemaakt. Of men wel of niet behouden wordt, hangt dan af van hoe men op Gods aanbieding van heil reageert.
Het eerste antwoord op de vraag "Wat moeten wij doen?" is "Gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft" (Johannes 6:29).
Dit geloof moet men belijden. Jezus zei: "Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is; maar al wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is" (Matteüs 10:32, 33).
En de wetgeleerde dan, welk antwoord kreeg hij toen hij Jezus vroeg, "Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?" (Lucas 10:25). Jezus vroeg hem zijn eigen vraag te beantwoorden en hij zei: "Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf" (Lucas 10:27). Toen zei Jezus: "Gij hebt juist geantwoord; doe dat en gij zult leven" (Lucas 10:28). Toen de wetgeleerde probeerde zich te verontschuldigen door te vragen, "En wie is mijn naaste?", gaf Jezus het voorbeeld van de Barmhartige Samaritaan en zei: "Ga heen, doe gij evenzo" (Lucas 10:29 t/m 37).
Wat moeten wij doen om het eeuwige leven te beërven? Geloof is de eerste vereiste, maar geloof zonder liefde is waardeloos: "Al ware het, dat ik ... al het geloof had, zodat ik bergen verzette, maar ik had de liefde niet, ik ware niets" (1 Korintiërs 13:2).
Wat was het antwoord van Jezus aan de rijke jongeling toen hij vroeg: "Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?" (Marcus 10:17).
Eerst zei Hij: "Indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden" (Matteüs 19:17). Om gered te worden, moeten wij Gods geboden onderhouden. Dit was waar onder het Oude Verbond, en dit is waar onder het Nieuwe Verbond.
Jezus zei: "Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren" (Johannes 14:15). "Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren" (Johannes 14:21). "Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijn liefde" (Johannes 15:10).
Maar het is niet voldoende om geboden te onderhouden. Toen de rijke jongeling Jezus zei dat hij de geboden onderhouden had, antwoordde Jezus: "Nog één ding komt gij te kort: verkoop alles wat gij bezit, en verdeel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in de hemelen, en kom hier, volg Mij" (Lucas 18:22).
Al hielt hij de tien geboden, kwam hij tekort. Hij moest zich bekeren en Jezus volgen. Zonder zich te bekeren, kan niemand behouden worden.
Verwijzende naar mensen die wegens hun zonden stierven, zei Jezus: "Meent gij, dat deze Galileeërs groter zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat zij dit lot hebben ondergaan? Neen, zeg Ik u, maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen" (Lucas 13:2, 3). Verwijzende naar mensen die per ongeluk stierven, zei Jezus: "Of meent gij, dat die achttien, op wie de toren bij Siloam viel en die erdoor gedood werden, schuldiger waren dan alle andere mensen, die in Jeruzalem wonen? Neen, zeg Ik u, maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen" (Lucas 13:4, 5).
Om gered te worden, moeten wij alles op zij zetten dat ons van God scheidt en Christus volgen. Jezus zegt: "Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij" (Lucas 9:23).
Is er nog iets dat men moet doen? Nadat Jezus stierf en opstond uit het graf, zei Hij aan Zijn volgelingen: "Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping. Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden" (Marcus 16:15, 16).
Naast geloof, belijdenis en bekering, moeten wij ook gedoopt worden om behouden te worden. Dit zegt Jezus.
Paulus verduidelijkt dat de doop zelf is een genadegave God waardoor Hij ons redding schenkt: "Toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland (en) God verscheen, heeft Hij, niet om werken der gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, doch naar zijn ontferming ons gered door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de heilige Geest, die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland, opdat wij, gerechtvaardigd door zijn genade, erfgenamen zouden worden overeenkomstig de hope des eeuwigen levens" (Titus 3:4 t/m 7).
Er mankeert iets aan het geloof van mensen die leren: "Uw heil hangt niet af van wat u doet of niet doet". Zij verwerpen Gods genade die ons door de doop wordt geschonken. Zij zijn ongelovigen in de zin dat zij niet geloven wat Jezus over de redding zegt. Zij beweren dat men door geloof alleen behouden wordt, terwijl Jezus zegt: "Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden" (Marcus 16:16). De Heilige Geest geloven zij ook niet, die door Jacobus zegt: "Geloof zonder werken is dood" (Jakobus 2:20). "Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof" (Jakobus 2:24). Mensen die geloven in redding door geloof alleen hebben geen reddend geloof.
De apostelen predikten hetzelfde evangelie dat Jezus predikte.
Toen de gevangenbewaarder te Filippi vroeg: "Wat moet ik doen om behouden te worden?" (Handelingen 16:30), werd hij gezegd: "Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis. En zij spraken het woord Gods tot hem in tegenwoordigheid van allen, die in zijn huis waren. En in datzelfde uur van de nacht nam hij hen mede om hun striemen af te wassen, en hij liet zichzelf en al de zijnen terstond dopen; en hij bracht hen naar boven in zijn huis en richtte een tafel aan, en hij verheugde zich, dat hij met zijn gehele huis tot het geloof in God gekomen was" (Handelingen 15:31 t/m 34).
Paulus schreef: "Met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis" (Romeinen 10:10).
En wat was het antwoord van Petrus op de Pinksterdag toen het volk vroeg: "Wat moeten wij doen?" (Handelingen 2:37). "Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave van de heilige Geest ontvangen" (Handelingen 2:38).
Toen de apostelen gevraagd werden: "Wat moeten wij doen om gered te worden?" was hun antwoord hetzelfde als het antwoord van Jezus. Om behouden te worden moeten mensen in Jezus geloven, hun geloof belijden, zich bekeren en zich tot vergeving van hun zonden laten dopen. Om Jezus te volgen moeten zij zich verloochenen en alles leren onderhouden wat Hij hun bevolen heeft (Matteüs 28:20).
God heeft u zo liefgehad dat Hij Zijn Zoon gezonden heeft om aan het kruis te sterven om de straf voor uw zonden te ondergaan. Hij biedt u de redding aan als een gratis geschenk van Zijn genade. Of u wel of niet behouden wordt, hangt van uw respons af. U kan behouden worden indien u in Christus gelooft, Zijn naam belijdt, zich van uw zonden bekeert en zich laat dopen. Dit is het goed nieuws door Jezus en Zijn apostelen gepredikt.
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
DRIE EN DERTIGSTE VERSCHIJNING.
Vrijdag, 4 juli 1975 om 15.50 uur.
De priester had net het derde tientje van de rozenkrans aangekondigd, toen het Licht verscheen en daarna Jezus.
Hij kijkt eerst naar Madeleine en dan naar zuster J. die schrijfgerei bij zich had.
"Zegt dit hardop : Ziehier wat de religieuze moet opschrijven. Deze brief is gericht aan het Hoofd der Kerk en het is Jezus van Nazareth die hem aan u dicteert door de mond van zijn dienares.
Hij zegt :
"Zalig de geroepenen door mijn Vader, die de Vrede en Vreugde gevonden hebben op deze grond van Dozulé, maar hoe groot zal hun aantal wel niet zijn als de gehele wereld vol berouw aan de voet van het Glorierijke Kruis gekomen is, wat Ik u vraag op te richten.
Want de tijd is voorbij waarin Ik de lichamen opwekte, maar het ogenblik is aangebroken waarop Ik de geesten moet opwekken.
Begrijpt dit wel : in de dagen die aan de zondvloed voorafgingen, hadden de mensen geen enkel vermoeden tot aan de komst van de zondvloed, die hen allen wegnam. Maar heden bent u gewaarschuwd. U maakt de tijd mee waarvan Ik u zei :
Deze aarde zal door van alles in grote beroering zijn; de ongerechtigheid, die is oorzaak van de ellende en hongersnood; de volkeren zullen in angst verkeren vanwege de buitengewone verschijnselen aan hemel en op aarde; daarom houdt u gereed, want de grote verdrukking is nabij; zoals niet eender geweest is sinds het begin der wereld tot nu toe en zoals nooit meer zal zijn.
Ik zeg u, deze jonge generatie zal niet voorbijgaan voordal dit plaatsvindt. Maar vreest niets, want zie, aan de hemel verheft zich het Teken van de Mensenzoon, dat Madeleine heeft zien schitteren van Oost naar West. U, Hoofd van de Kerken, voorwaar Ik zeg u, het is door dit Kruis, opgericht op de wereld, dat de volkeren gered zullen worden.
Mijn Vader heeft Mij gezonden om te redden, en het ogenblik is aangebroken waarop Ik in de mensenharten mijn Barmhartigheid moet uitstorten.
Waarop zachter en alleen tot Madeleine :
"Mijn Boodschap mag niet rusten in het duister van een lade, maar moet Waarheid en Licht zijn voor de gehele wereld."
Vervolgens met luide stem :
Dit Glorierijke Kruis moet worden opgericht in het einde van het Heilig Jaar. Dit Heilig Jaar zal verlengd worden tot aan de oprichting van het Glorierijke Kruis."
Hiermee eindigt mijn boodschap. Ik draag u op om, vergezeld van een overste, het persoonlijk te overhandigen aan het Hoofd der Kerk."
Daarna verdwijnt Jezus.
De boodschap werd zo langzaam gedicteerd dat zuster J. alle tijd had het op te schrijven; Madeleine heeft de inhoud hiervan niet kunnen onthouden. Om het naar de Heilige Vader te gaan brengen, wacht de zuster af totdat de bisschop haar daar opdracht toe geeft.
MOEDER MARIA.
"Aan de voet van het kruis stond Jezus Moeder".
"Staande" als een offeraar, droeg zij gewillig en vrij het slachtoffer op. Geen schepsel vormt zich een denkbeeld van haar smart in deze vreselijke uren, een smart, opgevoerd tot de uiterste hoogte vanwege de onuitsprekelijke tederheid van haar hart, de volmaakte fijnheid van haar lichamelijk gestel, haar verlichte kennis, bovenal dat zij moeder is en door een enig voorrecht van volmaaktheid en heiligheid met haar Zoon verbonden. Toch moeten wij ons haar niet voorstellen als terneergeslagen, bezwijmend en ondersteund door de heilige vrouwen. Neen, zij stond, als de priester voor het altaar, volkomen meesteres van haar gedachten, haar gevoelens, haar wil. Zij onderwierp zich niet alleen aan de eisen van de goddelijke gerechtigheid, zij trad ook zonder voorbehoud in de bedoelingen van de hemelse Vader, die zijn enige Zoon voor het heil van de wereld slachtofferde. Zij voltooide toen de toestemming, bij de Boodschap gegeven, bij de opdracht bevestigd en gedurende heel haar leven vernieuwd: voor ons gaf zij haar Zoon.
Had zij Jezus kunnen losmaken van het kruis en van de foltering bevrijden, zij zou het niet gedaan hebben, evenmin als Jezus zelf Zich aan zijn beulen wilde onttrekken. Ook zij sprak in haar hart de zelfde woorden als Jezus: "Zal ik de kelk die de Vader mij gegeven heeft, niet drinken?" Heel haar leven was zij met haar Zoon innig verenigd; alles wat Hij wilde, wilde ook zij, maar nooit was die vereniging volkomener dan in het uur, waarop de Christus zijn zending volbracht. "De wil van Christus en die van Maria maakten slechts één wil uit, hun beider brandoffers vormden slechts één offer. Op overeenkomstige wijze boden Jezus en Maria God hun offer aan: Jezus in het bloed van zijn vlees, Maria in het bloed van haar hart."
Daarom stond Maria aan de voet van het kruis, in priesterlijke houding, en slachtofferde haar Zoon, om ons daardoor te doen leven. Maar tevens bood zij zichzelf aan, met haar gebroken hart, haar diep bedroefde ziel, haar smart "onmetelijk als de zee".
Maria heeft dus tweemaal gebaard: de eerste maal, toen te Bethlehem het vleesgeworden Woord de wereld binnentrad, in de onuitsprekelijke zoetheid van een allerhoogste vreugde; de tweede maal, toen op Calvarië een overgrote menigte voor het goddelijke leven werd geboren, te midden van een nameloze angst. Zij die ons het leven schenkt, is onze moeder.
Door Maria nu zijn wij geboren voor de genade. Zij is dus waarlijk onze moeder Deze benaming is niet in figuurlijke zin op te vatten, maar in heel eigenlijke, heel werkelijke zin. Onze aardse moeder heeft ons het lichamelijke leven gegeven; Maria gaf ons het bovennatuurlijke leven, het leven dat de ziel met God verenigt. Zij beminde ons, zij leed voor ons. Haar hart stort nog steeds zijn overvloed in ons uit, dat hart vol opborrelend leven, vrouwenhart, moederhart.
Volmáákte moeder is zij. Het goddelijke leven waarvan wij moeten leven, bezit zij in volheid en kan zij ook ons mededelen. Haar moederschap is de afbeelding van Gods vaderschap. Alles geeft zij ons en met welk een toewijding, welk een tederheid! Omdat God haar belast met het uitdelen van al zijn gaven, legt Hij haar ook op, dit te doen met zijn liefde. Haar táák is het. Niet om te leraren is zij gemaakt, noch om recht te spreken: zij bemint, want zij is moeder. Zózeer is zij moeder, dat overal waar zij, ten opzichte van Jezus het góddelijke moederschap uitoefent, zij ook, ten opzichte van ons, het genademoederschap doet gelden. Zij waakt over Jezus bij de kribbe en biedt Hem de herders en de Wijzen aan; zij draagt Hem op in de Tempel, maar voor óns; zij staat haar Zoon bij op Calvarië en voor ónze zaligheid slachtoffert zij Hem. Op het ogenblik dat zij ten opzichte van Jezus haar laatste moederplicht vervult, openbaart Hij haar moederschap over de zielen.
Haar moederlijke macht strekt zich uit over de gehele Kerk. Toen zij aan Christus zijn stoffelijke lichaam gaf, begon eerst haar taak; nu geeft zij Hem zijn geestelijke lichaam. Uit haar bloed en haar melk vormde zij Christus persoonlijke lichaam; uit haar hart, haar sterke liefde zijn mystieke lichaam. Jezus is slechts de eerste van haar zonen. Als Eva is zij "de moeder van de levenden". Zij zoekt de voorbeschikten, om ze in te lijven bij Christus. Allen die voorbestemd zijn voor de genade, zijn ook voorbestemd om haar kinderen te zijn.
In het mystieke Lichaam bewerkt zij de eenheid van de zielen; dit is het werk van het moederschap; de moeder immers vormt in haar schoot de ledematen en verenigt ze in een enkel lichaam. Evenzo vormt Maria ook Jezus mystieke ledematen en verenigt ze organisch met het Hoofd.
Na de Hemelvaart van haar Zoon blijft zij voor de Kerk nog op deze aarde en doet voor haar, wat zij voor Jezus had gedaan: zij waakt over haar wieg. De heilige Schrift bewaarde voor ons het eerste beeld van de Kerk: één in geest en in gebed hebben Jezus broeders zich rond de Moeder geschaard. Zij hadden haar nodig, om de geest van Jezus te behouden en in de komende vervolging niet te wankelen. De gevaren die Bethlehems Pasgeborene hadden omringd, bedreigden nu zijn mystieke Lichaam. De Moeder die het Christuskind redde, bewaakt dus nu ook de opkomende Kerk! Is het niet treffend, dat het Christusmysterie, bij de Menswording slechts begónnen door Maria, op Pinksterdag zijn volheid bereikt door bemiddeling weer van Maria?
Elke dag roepen wij haar aan als "Ark van het Verbond". De verbondsark van het Oude Testament bewaarde in de stilte van het Heilige van het heiligen heel de schat van het gelovige volk, was zijn bescherming, zijn hoop. Maria nu, in haar werking altijd verborgen, is aan de levensbron van de Kerk gezeten. Zoals een ware moeder is zij weggedoken in de verborgenheid van het huis; maar de uitdeelster is zij van het leven. Ark van het Verbond van de Kerk, is zij haar geheime kracht, het hart van haar heiligheid.
Bij Christus zijn wij ingelijfd, in Christus opgenomen, met Christus bekleed. Christus is als een soort atmosfeer, die de ledematen van zijn mystieke Lichaam omgeeft en waarin zij leven.
Zo kunnen wij ook zeggen, dat wij leven in Maria. Is ook Marias moederlijke macht niet als een soort atmosfeer, waarin de christenheid ademt? Alle uitverkorenen toch zijn in háár schoot gevormd. Het genadeleven is geen krachtig werkend leven van het eerste begin af; het kent zijn groei, het heeft zijn kindsheid; het is een leven dat wordt. Voor zijn zwakke tijd heeft het een moeder nodig, en heel ons aardse leven duurt die periode van kindsheid. Zolang wij in het genadeleven zijn, bevinden wij ons in de vormingsperiode. Is de genade niet de kiem van de glorie? De heiligen zelfs zijn kinderen voor haar. En besef nu, welke een intimiteit met de Lieve Vrouw de vorming in haar schoot bewerkt. Zolang het kind leeft in moeders schoot, maakt het slechts één met haar uit; al wat het heeft aan leven komt van haar. Tot de dag waarop wij voor het eeuwige leven worden geboren, draagt Maria ons in haar liefdegloed. Met de genade, waarvan zij de volheid bezit, voedt zij ons. Uit het Bloed van Jezus toch vormt zij de genademelk, die zij voor onze kinderleeftijd geschikt maakt. Welke Christen gevoelt niet, dat hij leeft en groeit in een atmosfeer van moederlijke liefde?
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
VERKLARING VAN VOORGAAND HOOFDSTUK.
INLEIDING. KAP. 3.
Ik ben de Schepper van alles en door niemand geschapen. Onder alles wat ik gemaakt heb, heb ik niets gemaakt van zoo groote waarde als den mensch, dien ik bestemde als heerser over alles, wat op aarde geschapen is. En ik gaf hem eveneens verstand om van alles tot zijn voordeel gebruik te maken en tot zijn nooddruft en opdat hij mij loven zou voor de genade, die ik hem gegeven heb. Maar onder alle schepselen is er geen, die mij tot zo groote gramschap opwekt als de mens. Alles volgt mijn gebod op, uitgezonderd de mens.
Ik zeide u tevoren, dat ik was als een koning, die goede wijngaarden plantte, welke gedurende langen tijd goede vruchten droegen. En welke waren die wijngaarden anders dan de kloosterorden en de besluiten door Heilige mannen ingesteld, waardoor zij die dorst hadden gelest en verfrist werden, die koud waren verwarmd werden, die trots en hoovaardig waren verootmoedigd, en die blind waren verlicht.
En nu klaag ik, omdat de schutting en omheining der wijngaarden omvergeworpen en verwijderd is, de wachten slapen en de dieven dringen er binnen, de wortels zijn door mollen opgegraven, de ranken door de droogte verlept en de druiventrossen door de wind afgewaaid en onder de voeten vertrapt. Maar opdat de wijn niet geheel verdwijnen zal, zal ik een nieuwe wijngaard planten, waarheen gij de wijnstokken van mijn woorden dragen zult; mijn vriend zal die planten, en ik zelf, God, zal de wijngaard bemesten met mijn genade.
En naar deze wijngaard zal ik wachters zenden, die s nachts niet zullen slapen. Ik zal hem omheinen met goddelijke liefde. Ik zal de wortels van den goeden wil er in vastmaken, en die zullen niet opgegraven worden door de verleidingen des duivels. Ik zal de wijnranken zijner daden verspreiden. Ik zal de druiventrossen van zijn goeden naam en van zijn vroomheid zoet maken voor velen. Daarom moet gij, die de ranken dragen zult, sterk en standvastig zijn in het dragen, gewillig en waakzaam in het nemen en ontvangen, trouw en voorzichtig in het waken, opdat de duivel u niet bedriegt. Maar, hij die de loten plant, moet op zijn hoede zijn en zorgvuldig opletten dat hij ze op de geschikte plaats zet, nauwkeurig en bedachtzaam zorg dragen, dat hij ze beschut voor koude en vorst, zon en hitte.
Daarom wees standvastig en heb mij lief met geheel uw hart! Ontvlied allen hoogmoed en neem allen ootmoed in acht. Bewaar uw mond en heel uw lichaam, tot mijn eer. Gehoorzaam mijn gebod. Onderzoek steeds uw geweten, om te zien, waar en in welke mate gij mijn gebod hebt overtreden. Sta aanstonds op, indien gij valt. Bekommer u niet om de eer der wereld of haar vrienden, door mij wordt u alles zoet. En als gij mij volmaakt bemint, wordt zonder mij, alles wat de wereld toebehoort, u bitter als gal.
09-05-2011
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE MAANDAG.