For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
02-05-2011
Maandelijkse boodschap van Maria aan Mirjana Dragicevic. ( 2 mei 2011).
"Lieve kinderen, God de Vader zendt Mij om u de weg te tonen van de Redding, omdat Hij, Mijn kinderen, u wenst te redden en u niet te veroordelen. Dit is waarom Ik, als een Moeder, u verzamel rondom Mij, omdat Ik u met Mijn moederlijke liefde wens te helpen om vrij te zijn van alle smetten uit het verleden en te beginnen met een nieuw en ander leven. Ik roep u op om te verrijzen in Mijn Zoon. Verzaak, samen met de biecht van de zonden, aan alles dat u heeft verwijderd van Mijn Zoon en dat uw leven leeg en ongeslaagd gemaakt heeft. Zeg "ja" tegen de Vader met het hart en begeef u op de weg van de redding, naar dewelke Hij u roept door de Heilige Geest. Dank u. Ik bid in het bijzonder voor de herders opdat God hen zou helpen om aan uw zijde te staan met de volheid van het hart."
Mirjana zei dat Onze Lieve Vrouw iedere aanwezig en alle religieuze artikelen heeft gezegend. *****************************************
N. ( M ).
Keer nochtans weder!
Keer nochtans weder!
Al ligt u verloren in zonden en schuld,
Uw hart en uw zinnen met onrecht vervuld
Toch klinkt het u toe, zo nameloos teder:
Keer nochtans weder !
Al zijn ook uw zond als scharlaken zo rood;
Uw zonden register oneindig en groot
Toch klinkt het u toe, zo nameloos teder:
Keer nochtans weder !
Al bent u gezonken in modder en slijk;
Uw gruwel en schuld Manasse gelijk
Toch klinkt het u toe, zo nameloos teder:
Keer nochtans weder ..!
Al hebt u met Saulus Gods kindren gejaagd,
Verdrukt, en gedood, en vervolgd, en geplaagd
Toch klinkt het u toe, zo nameloos teder:
Keer nochtans weder ..!
Al hebt u met Rachab uw leven verknoeid,
Gods wetten en normen veracht en verfoeid
Toch klinkt het u toe, zo nameloos teder:
Keer nochtans weder ..!
Al bent u een moorder, genageld aan t kruis;
Voor u is geen plaats meer in t Vaderlijk Huis
Toch klinkt het u toe, zo nameloos teder:
Keer nochtans weder ..!
Al hebt u met Petrus uw Meester miskend,
Ook driemaal verloochend, tot t bittere end
Toch klinkt het u toe, zo nameloos teder:
Keer nochtans weder ..!
Al hebt u uw Herder verlaten, vergeten,
Zodat u al dwalend, de weg niet zou weten
Toch klinkt het u toe, zo nameloos teder:
Keer nochtans weder ..!
En leeft nu t verlangen naar Hem in uw hart,
Al vindt u uzelf in de struiken verward?
Dan klinkt het u toe, zo nameloos teder:
Keer nochtans weder ..!
Maar hebt u geen voeten om tot Hem te gaan,
Geen oog en geen oor om Zijn stem te verstaan?
Zo smeek het Hem dan, en buig u terneder:
Breng mij toch weder ..!
Want als Hij u roept, o dan moet u wel gaan;
Zijn trekkende liefde kan niemand weerstaan
Zo smeek het Hem dan, ootmoedig en teder:
Breng mij toch weder ..!
Hij is het Die doden doet horen Zijn stem;
Die harten bereidt en doet buigen voor Hem.
Nog staat Hij en roept zo nameloos teder:
Keer nochtans weder ..!
HET BLOED AAN DE DEURPOST.
HET BLOED AAN DE DEURPOST
In de nacht, toen t volk van Israel uit het diensthuis werd gevoerd, lag een knaapje ziek terneder, t hoofd bewonden, t hart ontroerd.
Naast zijn bedsteê zat zijn vader, diep bewogen .., t was zijn zoon. t Was zijn oudste, die daar neerlag. Vaders trots en moeders kroon!
Hete koortsgloed gloeit door d adren; en de koorts steeg altijd weer, en al zwakker werd de lijder, haast was er geen hope meer.
Vader had bijna vergeten t bloed als teken van t verbond aan de deurpost aan te brengen, schoon Gods mond het had verkond.
t Uur van middernacht kwam nader; daar waakt uit zijn diepe slaap plots de knaap op: O, mijn vader, Kermt hij, dacht u aan t gebod?
Is het bloed wel aan de deurpost? Als straks d Engel komt voorbij, mist het bloed , hij zou mij doden, mij wegscheuren van uw zij.
Wees maar stil was t kalme antwoord, k droeg het op aan onze buur t bloed daar buiten aan te brengen tegen t middernachtlijk uur.
Dankbaar lei de knaap zich neder; nochtans blijkbaar niet voldaan, want onrustig sliep hij weder, werd weer wakker, zeer ontdaan.
Angstig vroeg hij: Lieve vader, wat u zeide, is dat waar? Is het bloed wel aan de deurpost, t teken van t verbond, wel daar?
Kind, sprak vader, leg je neder, wees toch rustig, hoor mij aan: k zag het bloedig teken glanzen bij het zilver licht der maan.
Dit bracht t arme kind tot zwijgen. Doch maar even t Waakt weer op. t Woelt en woelt en kermt en kreunt maar, Gauw stijgt d onrust tot de top.
t Zal zo aanstonds twaalf uur zijn. Angstig ziet hij naar de deur En hij wil, maar durft niets zeggen; van t gelaat wijkt alle kleur.
Eindlijk vat hij moed en roept het, schrééuwt het zijnen vader toe: Vader, vader, t geldt mijn leven, duld dat ik één vraag nog doe!
Laat mij zien, ik moet het weten dat het bondsbloed niet ontbreekt. k Bid u: laat ik m overtuigen, t is uw zo ziek kind, die t smeekt!
En de vader, die zijn buurman op zijn woord steeds had vertrouwd, moet bemerken, dat hij vruchtloos op een schepsel had gebouwd.
t Was wel laat, maar niet té laat nog om te doen wat God beval; om het bondsbloed aan te brengen dat behoudnis brengen zal.
Vader grijpt een bundel hysop, doopt die in het bloed van t lam, en bestrijkt daarmee de deurpost, was gereed, eer d Engel kwam.
En het knaapje werd behouden, naar de ziel en lichaam beî. En de ouders riepen dankend: Dat de Heer geprezen zij!
Vrienden, is het bloed van Christus, aan de deurpost van uw hart? t Bloed van Hem, Die zondaars nodigt, Vreugde brengt in plaats van smart?
t Bloed, dat reinigt van de zonde. Van de zonde, klein en groot? t Bloed van Hem, Die licht in duister, leven wekt, zelfs uit de dood.
Rust niet, als dat Joodse knaapje voor gij t bloed gesprenkeld weet aan de deurpost uwer ziele; tot de Borg uw schulden kweet.
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
EEN EN DERTIGSTE VERSCHIJNING.
Vrijdag, 30 mei 1975 om 15.00 uur in de kapel.
Jezus verschijnt met een uiterst goedhartige gelaatsuitdrukking :
"Zegt tegen de priester dat de tijd voorbij is waarin Ik de lichamen opwekte. Maar dat het ogenblik is aangebroken waarop Ik de geesten moet opwekken. Zij die in de huidige wereld beweren in mijn Naam de lichamen op te wekken en te genezen, zijn mijn hemelse Vader niet waardig.(*) z.o.z.
Madeleine, gaat heen en verkondigt mijn Boodschap in Dozulé. De taak die Ik u heb gegeven om te volbrengen, moet volbracht worden. Vreest niet, Ik zal u daartoe de kracht geven.
Daarna met een glimlach :
Deze stad heeft mijn Vader gezegend en geheiligd, en allen die vol berouw aan de voet van het Glorierijke Kruis komen, zal Ik ten leven wekken in de Geest van mijn Vader. Zij zullen er de Vrede en Vreugde vinden.
En op ernstige wijze :
De eerste religieuze die u kust als u de Boodschap uitdraagt, sluit zich af voor de woorden die uit uw mond zijn gekomen. Zij onderschat u. Neemt het haar niet kwalijk en bemint uw naaste."
Daarna verdwijnt Jezus.
(*) Opmerking :
Deze onverwachte verklaring waarin Jezus afwijst die in de Naam van zijn Vader de lichamen opwekken en genezen, verbaasde Madeleine zeer, die haar twijfels aan de priester voorlegde. Welnu, juist die morgen had hij een brief ontvangen van een meisje van 15 jaar, Anne, die in Amiens woont niet ver van Calais, en die hij laat lezen aan Madeleine. Anne schrijft de priester :
"Ik ken u niet, maar toch acht ik het wenselijk u te laten weten dat, toen ik de Pinksterdag in Dozulé doorbracht, ik een sterke aandrang voelde om de kerk binnen te gaan, en sindsdien denk ik alleen nog maar aan Christus van Dozulé. Ik ben ziek, heb bloedkanker, wat men voor mij tracht te verbergen maar ik weet het toch. Maar bid niet voor mijn genezing maar voor de bekering van mijn ouders die niet geloven. Want wat mij betreft, voel ik dat mijn hart stervende is en dat mijn geest wordt opgewekt in Jezus mijn Redder."
Alle vragen werden hiermee opgelost.
MOEDER MARIA.
Onze Moeder.
Aan de bronnen der genade is Maria gezeten. Gods gave aan de mensen, Christus Jezus, onze levensbron is ook Marias gave. Keer op keer leren de feiten van het Evangelie ons de liefdevolle wet van het geestelijke leven, dat Jezus Zich geeft door Maria.
Nauwelijks heeft zij Hem ontvangen, of zij haast zich, Hem naar Elisabeth en de Doper te dragen; zij stelt Hem voor aan de Wijzen; zij openbaart Hem te Cana. Overal laat zij Jezus zien. Het is een onveranderlijke genadewet. "Zij vonden het Kind met zijn Moeder."
Jezus, te geven is Marias táák. Zij doet dit altijd. "Jezus Christus is de vrucht van de Maria-devotie".
"Zeker is het, dat Jezus Christus voor iedere met Hem vereende ziel in het bijzonder, even waarachtig als voor geheel de mensheid in het algemeen, de vrucht is van Marias werk. Wanneer dus een vrome christen Jezus Christus in zijn hart heeft gevormd, kan hij vrijmoedig zeggen: Mijn innige dank aan Maria; wat ik bezit is haar werk en haar vrucht, en zonder haar bezat ik Hem niet".
In Gods gedachte echter zijn Jezus en Maria onafscheidelijk. Gelijken op de een, zonder gelijkenis te vertonen met de ander, is niet mogelijk. Dezelfde eeuwige wilsdaad die Jezus voorbestemt tot onze Verlosser en ons voorbeeld, bestemt ook Maria voor tot een innige vereniging met Hem in geheel het verlossingsmysterie, en dus ook mét Hem tot het voorbeeld voor ons leven. Vormt de Heer zijn uitverkorenen, dan ziet Hij ze niet alleen in zijn vleesgeworden Woord, maar ook in haar die men kan noemen: "spiegel van gerechtigheid", zuivere weerglans van zijn heiligheid; ook aan háár beeld wil Hij, dat wij gelijkvormig worden. Zij zelf, trouwens, zorgt er voor, dat dit beeld in onze ziel wordt gedrukt. Zij is "de hoogstbegenadigde van onze verlossing". Maria schrijft in het "levensboek" de voorbestemden van de eeuwige Liefde en merkt ze met het goddelijk zegel. "Méér nog, zij zelf is het "levensboek", waarin de Heer de naam van de uitverkorenen grifte; in haar toch vormde de Heilige Geest de Christus en zijn ledematen."
Door de heiligmakende genade maakt het doopsel ons deelgenoot van Gods innerlijk leven, doet het in ons het goddelijke leven werkelijk geboren worden.
In zeker opzicht nu mogen wij zeggen, dat Maria voor ons die genade heeft verdiend. Wel moeten wij hier de volle nadruk er op leggen, dat het leven ons toevloeit van de enige Verlosser, Jezus Christus. Het kruisoffer is de enige, algehele, noodzakelijke en voldoende oorzaak van ons heil. Het heiligste der schepselen zelfs kon ons niet vrijkopen, terwijl één enkele druppel van Jezus bloed meer dan genoeg zou zijn voor de overvloedigste voldoening van onze schulden.
Het heeft God echter behaagd, de enige Verlosser toch een medeverlosseres toe te voegen.
Met de eerste man, Adam, had Eva door verlokking meegewerkt tot ons verderf; met Christus werkt Maria, door haar toestemming, mee tot ons heil. Bewonderenswaardige eenheid van het goddelijke plan!
Door een vrije beschikking van zijn wijsheid had God van eeuwigheid besloten, dat het Christusmysterie slechts zou verwezenlijkt worden met de toestemming van haar die "de hulp van de nieuwe Adam" moest zijn. Doordat Maria die vrije toestemming gaf, nam zij als medewerkster aan dit mysterie deel en verdiende zo voor ons waarlijk de genade. Haar antwoord aan Gods afgezant: "Zie de dienstmaagd van de Heer, mij geschiede naar uw woord", is zeer zeker een woord van gehoorzaamheid, maar ook een beslissings- en gezagswoord. Zolang zij niet heeft toegestemd, blijft alles in afwachting.
Dit fiat van Maria is haar hoogste daad; daardoor neemt zij deel aan de voltrekking van de goddelijke mysteriën. Het geheim van de Menswording zal zich van nu af niet kunnen ontvouwen zonder haar. Aan zijn groot mysterie gaat God door háár uitvoering geven, het mysterie, "dat de heerlijkheid van de genade doet uitstralen", het mysterie van de Christus, d.w.z. De Christus in ons. Wil God Zich meedelen aan de schepselen, dan zal Hij het doen door Jezus Moeder, de bemiddelares van het goddelijke leven. Het werk van de vereniging, het werk van de liefde, de uitstorting van de genade, dit alles zal God doen door Maria.
Maria wist het. Een profetisch licht toont haar heel het mysterie van haar Zoon, en zonder voorbehoud geeft zij er zich aan over. "Zij weet, zij voelt, zij ziet, waartoe God haar lokt, haar roept, haar verheft, en die verheven staat treedt zij in vol van genade, om in die hoge waardigheid de dienstmaagd van de Heer te zijn."
Zij weet, naar Gabriëls woord, niet slechts, dat Hij "de Zoon van de Allerhoogste is," en dat haar de eer beurt valt Moeder van God te zijn, maar ook, dat zij Hem "Jezus" moet noemen, Jezus, dat is Verlosser, en Hem dus geven moet voor het heil van de mensen. Het grote Godsplan: de uitstorting van het goddelijk leven door haar Zoon, wordt voor haar duidelijk.
Het mysterie van de Menswording zou ook niet op één ogenblik slechts in haar schoot voltrokken worden, maar door de vorming van Christus ledematen zou het voortduren tot het einde van de tijden.
Zij begreep, dat zij, de geroepene tot Moeder van het Vleesgeworden Woord, Hem in zijn gehéél moest ontvangen, en dat eerst door de voortbrenging van de gehele, de volledige Christus haar moederschap de volle volmaaktheid zou bereiken.
Voor geheel dit mysterie vroeg de aartsengel Gabriël van Godswege de toestemming, en ook Geheel dit mysterie wilde Maria. Zij aanvaardde tegelijk én Jezus Moeder én de Moeder van zijn ledematen te zijn; van die dag af was zij dus ook ónze Moeder.
In de schoot van zijn allerzuiverste Moeder nam Jezus Christus niet slechts een sterfelijk lichaam aan, maar ook een geestelijk lichaam, gevormd uit allen die in Hem zouden geloven.
"Mijn liefste Jezus is geen enige Zoon," zeide Maria tot de heilige Gertrudis, "maar wel mijn eerstgeborene, omdat ik Hem het eerst heb ontvangen in mijn schoot; maar ná Hem, of liever dóór Hem, heb ik u allen ontvangen, want in de schoot van mijn moederlijke liefde heb ik u aangenomen tot zijn broeders en mijn kinderen."
Door een inwendig licht doet de Heer haar duidelijk inzien, dat zij die schat moet afstaan, en dat Jezus, de vrucht van haar schoot en het hoogste Goed van haar leven, het Goed van allen moet worden, een gemeenschappelijk Goed, voor het heil van de wereld bestemd.
Gods Moeder wil dan ook deze afstand, als zij haar Zoon Jezus opdraagt in de Tempel. Zich vernederen in onderwerping aan de wet, zichzélf geven, bestond daarin niet steeds haar dagelijks leven? Nú wordt echter veel méér aan haar gevraagd: het offer namelijk van haar Zoon. Simeon riep haar het grote Verlossingsmysterie in het geheugen: haar Zoon was Redder en Verlosser, Hij moest dus voor zijn broeders sterven. Voor dít offer, voor de dood moest Maria Hem aanbieden, zonder aarzelen, zonder voorbehoud, onherroepelijk doet zij het; voor de zaligheid van de mensen geeft zij haar Zoon prijs aan het absolute recht van de goddelijke gerechtigheid, zij wijdt Hem tot slachtoffer. En zichzelf biedt zij aan, om Hem te vergezellen, overal waar het Hem behagen zal haar te roepen.
"Men komt bij het altaar, de Maagd knielt neer, van feller vuur ontgloeid dan de serafijnen in de hemel. In haar handen houdt zij haar Kind, en terwijl zij het als een slachtoffer van alleraangenaamste geur opdraagt aan God, vloeit van haar lippen het volgende gebed: "O, almachtige Vader, aanvaard de offergave die ik, uw dienares, U voor de gehele wereld aanbied. Ontvang deze Zoon, die ons beiden toebehoort, de mijne is Hij in de tijd, de uwe van alle eeuwigheid. Ik breng U eindeloze dank, omdat Gij mij tot Moeder hebt verheven van Hem, van wie Gij de Vader bent. Ontvang dit allerheiligste Slachtoffer uit de handen van uw dienares. Het is het morgenoffer; later zal het tussen de kruisarmen het avondoffer worden. Allerbeste Vader, werp een gunstige blik op mijn offerande en wees indachtig voor wie ik Hem U opdraag"."
Maria neemt haar Zoon weer mee naar Nazareth, en leeft zij met Hem in de zoetheid van het familieleven. De herinnering aan Simeons profetie gaat echter niet uit haar geest, zij leeft in de offergedachte, in het gezicht van Calvarië. De heilige grijsaard had voor haar moederoog het kruis omhoog geheven, aanhoudend vestigt zij nu haar blik daar op. Als de tederste moeder zorgt zij voor het goddelijk Kind en de goddelijke Jongeling, maar zoals een priester het doen zou die voor de slachting het offer in gereedheid brengt. Evenals Abraham de berg beklom, waar hij zijn zoon moest offeren, zo zette ook Maria dagelijks een stap in de richting van Calvarië.
Wordt vervolgd.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
BIRGITTA KRIJGT EEN OPENBARING OVER DE REGEL HARDER ORDE.
Boek 10 - INLEIDING, KAP. 1.
In het domein van de koning van Noorwegen, dat het noordelijkst ligt van alle koninkrijken, zodat er buiten zijn grondgebied geen plaats meer is, waar de mensen willen of kunnen wonen, gebeurde het vrouwe Birgitta, toen zij innig in gebeden verzonken was, dat haar lichamelijke krachten haar ontnomen werden, of machteloos werden, maar haar ziel begon volgens al haar vermogens op de volmaakste wijze levend te worden en krachtig, zodat zij de dingen, die geestelijk zijn, kon zien, horen, uitspreken en gevoelen.
En op zulk een wijze geraakte zij dikwijls in vervoering, zodat zij in de geest veel dingen hoorde, die haar in een geestelijk visioen intellectueel verkondigd werden, welke dingen zij daarna, met groten eerbied en vrees voor God, ootmoedig openbaarde aan de aartsbisschop van Uppsala en tegelijkertijd aan drie andere bisschoppen en aan een bijzonder godvruchtigen Meester (magister), die beschouwd werd als zijnde bijzonder geleerd in de Schrift; eveneens aan een abt, die God zeer genegen was en een leven leidde van buitengewone onthouding, omdat zij vreesde bedrogen te worden door de bedrieger, de engel der duisternis, in de gedaante van de engel des lichts. En toen al deze mannen te zamen met vele andere vrienden Gods dit geval hoorden en onder elkander overwogen met ernst en aandacht, stelden zij vast, dat alles wat de H. Birgitta getoond werd, door een bijzondere genade van de Heiligen Geest, van de goeden geest der waarheid en des lichts afkomstig was.
In zulk een openbaring of visioen zag zij ook eens een man en vrouw in de allerschoonsten vorm, en aanstonds zeide een stem tot haar: "Zie, deze twee personen die gij ziet, zijn Jezus Christus en Zijn moeder Maria, die u nu getoond worden zoals zij waren toen zij in de wereld leefden. Maar hoe hun lichamen nu in het hemelrijk zijn, is u onmogelijk te weten of te zien." Nadat deze woorden gezegd waren, openbaarde Jezus Christus zich aanstonds; Hij opende Zijn mond en sprak en zeide.
01-05-2011
Een spiritueel roosje uit mijn doosje.
Lieve vrienden in de Krans van Rozen,
Vandaag 1 mei start de maand van Maria. Een gelegenheid om onze Lieve Hemelmoeder letterlijk en figuurlijk in de bloemetjes te zetten en dit met de Gouden Roos.
Moge onze Krans van Rozen en al zijn schakeltjes door Jezus en Maria gezegend worden en dit door de voorspraak van onze Zalige Paus Johannes Paulus II.
Gezegende groetjes,
Lea.
***************************************
Een spiritueel roosje uit mijn doosje.
***************************************
"Stralend als de dageraad,
als het zonlicht zondeloos,
gloeiend als een gouden roos,
in een Koninklijke staat" (Hymne, getijdenboek, 1384).
Alles door Maria,
Maria, Moeder van de schone Liefde, in U vloeien schoonheid en liefde ineen.
Ongedwongen schenk ik U mijn geest en zweef op het ritme van uw Hart met U mee.
Immers uw zachte en sterke geest, zo nederig en zuiver, bekoort mijn ziel.
Maria hemelkoningin, door uw liefde sluimert de sublieme schoonheid van de Gouden Roos.
Door Jezus Christus, met Jezus Christus, in Jezus Christus en voor Jezus Christus.
Alles met Maria,
Maria, Moeder van de schone liefde, Gij zijt voor mij de rode draad door heel mijn leven.
Deze draad gesponnen met uw goddelijke deugden, weeft Gij door elk spiritueel roosje heen.
Zo leer ik in alle eenvoud de wil van mijn Liefdelerares met hart en ziel beminnen.
Maria hemelkoningin, met uw liefde sluimert de sublieme schoonheid van de Gouden Roos.
Door Jezus Christus, met Jezus Christus, in Jezus Christus en voor Jezus Christus.
Alles in Maria,
Maria, Moeder van de schone Liefde, in uw Hart wil ik mij verbergen.
Mij veilig verschuilen in uw rijkdom van zoetheid, vreugde en tedere geborgenheid.
In uw prachtlievendheid wordt mijn broos rozenblaadje moederlijk omhuld door diepe vrede.
Maria hemelkoningin, in uw liefde sluimert de sublieme schoonheid van de Gouden Roos.
Door Jezus Christus, met Jezus Christus, in Jezus Christus en voor Jezus Christus.
Alles voor Maria,
Maria, Moeder van de schone Liefde, voor U ben ik in mijn kleinheid een open boek.
Voor U verlang ik een kind te zijn waarin Gij uw liefdesdroom wil verwezenlijken.
Moedermaagd voor U prevel ik dankbaar mijn rozenkrans, om U te loven en te bezingen.
Maria hemelkoningin, voor uw liefde sluimert de sublieme schoonheid van de Gouden Roos.
Door Jezus Christus, met Jezus Christus, in Jezus Christus en voor Jezus Christus.
Verenigd in de Krans van Rozen, de Moederlijke zegen,
Lea.
Mei 2011.
KROONTJE DER GODDELIJKE BARMHARTIGHEID.
KROONTJE DER GODDELIJKE BARMHARTIGHEID.
Begin het kroontje met:
Geloofsbelijdenis Onze Vader Wees Gegroet
Op de grote kralen vóór elk tientje:
Eeuwige Vader, ik offer U het Lichaam en het Bloed, de Ziel en de Godheid van uw geliefde Zoon, onze Heer Jezus Christus, tot eerherstel voor onze zonden en die van de hele wereld.
Op de tien kleine kralen van elk tientje:
Omwille van zijn smartelijk lijden, wees barmhartig voor ons en voor de hele wereld.
De tientjes kunnen ook gebeden worden met de staties van de kruisweg. Deze invoeging wordt ten zeerste aanbevolen, bijzonder op vrijdag.
Eerste tientje
Jezus wordt ter dood veroordeeld + 3 keer "Omwille van ..."
Jezus neemt zijn kruis op zijn schouders + 4 keer "Omwille van ..."
Jezus valt voor de eerste maal onder het kruis + 3 keer "Omwille van ..."
Tweede tientje
Jezus ontmoet zijn bedroefde Moeder + 3 keer "Omwille van ..."
Simon van Cyrene helpt Jezus het kruis dragen + 4 keer "Omwille van ..."
Veronica droogt het aanschijn van Jezus af + 3 keer "Omwille van ..."
Derde tientje
Jezus valt voor de tweede maal onder het kruis + 3 keer "Omwille van ..."
Jezus troost de wenende vrouwen + 4 keer "Omwille van ..."
Jezus valt voor de derde maal onder het kruis + 3 keer "Omwille van ..."
Vierde tientje
Jezus wordt van zijn kleren beroofd + 3 keer "Omwille van ..."
Jezus wordt aan het kruis genageld + 4 keer "Omwille van ..."
Jezus sterft aan het kruis + 3 keer "Omwille van ..."
Vijfde tientje
Het lichaam van Jezus wordt van het kruis genomen + 3 keer "Omwille ..."
Jezus wordt in het graf gelegd + 4 keer "Omwille..."
Jezus verrijst in heerlijkheid uit het graf + 3 keer "Omwille"
Tot slot, na de vijf tientjes:
Heilige God, almachtige God, eeuwige God, wees barmhartig voor ons en voor de hele wereld. (3x)
Jezus, ik vertrouw op U!
"Jezus, Zachtmoedig en ootmoedig van hart,
maak mijn hart gelijk aan Uw Hart."
Aflaat 300 dagen
Iedere maal, Pius X 15 September 1905
"Zoet hart van Jezus, wees mijn liefde."
Aflaat 300 dagen
Eenmaal daags, Leo XIII 21 Mei 1892
"Maria onze hoop, heb medelijden met ons."
Aflaat 300 dagen
"O Maria, zonder zonden ontvangen, bid voor ons, die onze toevlucht tot U nemen."
Aflaat 100 dagen
"Zieltogend Heilig Hart van Jezus, heb medelijden met de stervenden."
Aflaat 100 dagen
" Zoet Hart van mijn Jezus, laat mij U altijd meer en meer beminnen."
Aflaat 300 dagen
Iedere maal, Pius IX 26 November 1892
GEBED MET VOLLE AFLAAT
Zie, o goede en allerzoetste Jezus, ik werp mij op mijn knieën vóór Uw aangezicht neder en bid en smeek U met al de gloed van mijn ziel, levendige gevoelens van geloof, hoop en liefde in mijn hart te willen prenten, alsook een waar berouw over mijn zonden en een vaste wil om mij te verbeteren; terwijl ik met grote aandoening en leedwezen bij mij zelf Uw vijf wonden overdenk en in de geest beschouw, voor ogen hebbende wat reeds de profeet David U over U zelf in de mond legde, O
goede Jezus: " Zij hebben Mijn handen en voeten doorboord, zij hebben al Mijn beenderen geteld."
Volle aflaat toepasselijk (toevoeglijk) aan de gelovige zielen in het Vagevuur, voor hen die na biecht en communie, dit gebed vóór een afbeelding van de gekruisigde Jezus zullen bidden en enige gebeden zullen storten voor de intentie van de paus.
(Bijvoorbeeld 5 Onze Vaders en vijf Weesgegroeten en Vijf Glorie zijde Vader.)
Pius IX 31 Juli 1858
28-04-2011
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE DONDERDAG.
N. ( M ).
Prière avec JNSR.
Prière avec JNSR.
Boodschap van 25 april 2011. ( Medjugorje ).
Boodschap van 25 april 2011. ( Medjugorje ).
"Lieve kinderen,
Zoals de natuur de mooiste kleuren van het jaar geeft, zo roep ook ik u op, om met uw leven te getuigen en om anderen te helpen dichter bij mijn onbevlekt Hart te naderen, zodat in hun harten de vlam van liefde voor de Allerhoogste mag ontkiemen. Ik ben met jullie en ik bid onophoudelijk voor u opdat uw leven op aarde een weerspiegeling van de Hemel zou zijn.
Dank u dat u aan mijn oproep gevolg hebt gegeven."
Mijn Engel Daniël. ( Vasulla Ryden.)
7 JUNI 1986.
Vrede voor jou; begin te bidden; ik wil dat je geestelijk vooruitgaat; Vrede is God; onthoud het Woord van God; Daniël;
8 JUNI 186.
Ik zal je geestelijk genezen; Daniël;
9 JUNI 1986.
Ik zal je verdedigen; ik zal over je waken en je elke bescherming geven die je nodig hebt; vrees nooit;
( Later; )
Ere zij God; vrees nooit de dood; het einde wordt schitterend; prijs Papa; Daniël;
Wordt vervolgd.
Over de Barmhartigheid Gods .
De volgende eigenschap is Gods goedheid of barmhartigheid (genade). Barmhartigheid is het
gevolg en de vrucht van Gods goedheid, Psalm 33:5. Dit is dus de volgende eigenschap: Gods
goedheid of barmhartigheid De geleerden onder de heidenen dachten dat zij hun god Jupiter
twee gouden karaktereigenschappen gaven als zij hem betitelden met goed en groot. Beide
eigenschappen ontmoeten elkaar in God: goedheid en grootheid, majesteit en barmhartigheid.
God is wezenlijk goed in Zichzelf en Hij is goed met betrekking tot ons. Dit wordt in Psalm 119:68
samengevoegd: "Gij zijt goed en goeddoende." Deze goedheid in betrekking op ons is niets
anders dan Zijn barmhartigheid, die een natuurlijke neiging in God is om Zich te ontfermen
over degenen die in ellende verkeren en hen te hulp te komen.
I. Betreffende Gods barmhartigheid (genade) zal ik de volgende twaalf zaken noemen.
1. Het is het grote oogmerk van de Heilige Schrift om God als een barmhartig God voor te
stellen. Dit is als een magneet om zondaars tot Hem te trekken. "HEERE HEERE, God,
barmhartig en genadig; lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid, " enz, Exodus 34:6.
Hier staan zes uitdrukkingen om Gods genade te laten blijken en maar één woord om Zijn
rechtvaardigheid uit te drukken: "Die den schuldige geenszins onschuldig houdt."
Psalm 57:11 "Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen", zie ook Psalm 108:5.
God wordt in Openbaring 4:13 voorgesteld als een Koning met een regenboog boven Zijn
troon. De regenboog was het teken van barmhartigheid. In de Heilige Schrift wordt God meer
voorgesteld in witte klederen van genade dan in klederen die in bloed gewenteld zijn; ook meer
met Zijn gouden scepter dan met Zijn ijzeren roede.
2. God is meer geneigd tot genade dan tot toorn. Genade is Zijn liefste eigenschap, waarin Hij
Zich het meest verlustigt, Micha 7:18. Het behaagt Hem genadig te zijn. "Voor een moeder is
het zeer aangenaam als aan haar borsten gezogen wordt", zegt Chrysostomus; zo is het de Heere
tot verlustiging als aan de borsten van Zijn genade wordt gezogen. "Grimmigheid is bij Mij niet",
Jesaja 27:4; dat wil zeggen: "Ik verblijd Mij daarin niet." Strenge maatregelen moeten eerder van
God afgedwongen worden, Hij bedroeft niet gewillig, Klaagliederen 3:33.
De bij produceert honing van nature, zij steekt alleen, als men haar lastig valt. Zo straft God pas
als Hij het niet langer kan verdragen. "Zodat het de HEERE niet meer kon verdragen vanwege
de boosheid uwer handelingen", Jeremia 44:22. Genade is in Gods rechterhand die Hij het
meest gebruikt; straf opleggen wordt wel Zijn "vreemd werk" genoemd, Jesaja 28:21. Hij doet
het niet vaak. Toen de HEERE de hoogmoed van een volk wilde afsnijden, staat er dat Hij een
scheermes huurde, alsof Hij er Zelf geen had. "Te dien dage zal de HEERE door een gehuurd
scheermes, afscheren ...", Jesaja 7:20. Hij is traag tot toorn, Psalm 103:8, 9, maar gaarne
vergevende, Psalm 86:5.
3. Er is geen omstandigheid, of wij kunnen er genade in bespeuren. Toen de Kerk in
ballingschap vertoefde, riep zij uit: "Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet
vernield zijn", Klaagliederen 3:22. Geografen schrijven over Syracuse op Sicilië, dat dit zó
gelegen is, dat de zon nooit uit het gezicht verdwenen is. In alle verdrukkingen kunnen wij enig
zonlicht der genade opmerken. Dat uitwendige en inwendige moeite niet samengaan, is al
genade.
4. Genade maakt alle andere eigenschappen van God aangenaam. Gods heiligheid zonder
barmhartigheid en Zijn rechtvaardigheid zonder genade zouden vreselijk zijn. Toen het water
bitter was en de Israëlieten het niet konden drinken, wierp Mozes een hout in het water en het
werd zoet. Wat zouden de overige eigenschappen van God bitter en vreselijk zijn als de genade
die niet zoet maakte! De genade maakt Gods macht gaande om ons te helpen, zij maakt dat Zijn
rechtvaardigheid onze vriend wordt, zij zal onze twist twisten.
5. Gods genade is één van de schitterendste parels aan Zijn kroon; zij openbaart de Godheid als
lieflijk en beminnelijk. Toen Mozes de HEERE vroeg: "Toon mij nu Uw heerlijkheid", antwoordde
de HEERE hem: "Ik zal al Mijn goedheid voorbij uw aangezicht laten gaan, maar Ik zal
genadig zijn", Exodus 33:19. Zijn genade is Zijn eer. Zijn heiligheid maakt Hem doorluchtig,
Zijn genade vergevingsgezind.
6. Zelfs de slechtsten smaken nog iets van Zijn genade. Degenen die opstaan tegen Gods
genade, proeven er toch iets van; de goddelozen ontvangen nog enkele kruimels van de
genadetafel. "De HEERE is aan allen goed", Psalm 145:9. Vruchtbaarmakende dauwdruppels
liggen zowel op de distel als op de roos. Het gebied waar de genade valt, is heel groot. Farao's
hoofd was gekroond, hoewel zijn hart verhard was.
7. De genade die verbondsgewijze tot ons komt, is het aangenaamst. Het was genade dat God
Israël regen wilde geven en spijs in overvloed, en vrede en overwinning op hun vijanden,
Leviticus 26:4-6, maar het was nog groter genade dat God hun God wilde zijn, vers 12.
Gezondheid te ontvangen is genade, maar Christus en de zaligheid te ontvangen is groter
genade; dat is als de diamant in de ring, die een nog groter glinstering en schittering verspreidt.
8. Met de ene blijk van genade verbindt de HEERE Zich tot de volgende. De mensen redeneren
als volgt: ik heb u al een gunst bewezen, val me nu dus niet meer lastig. Maar omdat God
genade bewezen heeft, is Hij te meer bereid weer genade te bewijzen. Zijn genade in het verkiezen
doet Hem rechtvaardigen, aannemen en verheerlijken; met de ene daad van genade
verbindt Hij Zich tot meerdere. De liefde van ouders tot hun kinderen spoort hen steeds weer
aan tot geven.
9. Alle ontferming over het schepsel is van Gods genade afkomstig en is slechts een druppel uit
deze oceaan. De ontferming over en het medelijden van een moeder met haar kind is van God:
Hij Die de melk in de borsten geeft, legt ook het medelijden in haar hart. God wordt wel
genoemd: "de Vader der barmhartigheden", omdat Hij alle ontferming in de wereld
voortbrengt, 2 Korinthe 1:3. Als God dus elke ontferming in het schepsel werkt, hoeveel barmhartigheid
moet er dan wel in Hem zijn Die de Vader der barmhartigheden is!
10. Aangezien Gods genade Zijn kinderen gelukzalig maakt, moest die hen zeker nederig
maken. Genade is niet de vrucht van onze goedheid, maar de vrucht van Gods goedheid.
Genade is een aalmoes die God schenkt. Degenen die van de aalmoezen van Gods genade
leven, hebben geen reden om hoogmoedig te zijn. "Ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet
opheffen", Job 10:15. Al mijn gerechtigheid is een gevolg van Gods genade; daarom zal ik
nederig zijn en zal mijn hoofd niet opheffen.
11. Genade stelt de onmiddellijke uitvoering van Gods rechtvaardigheid uit. Zondaren
verwekken God voortdurend tot toorn en maken dat "Zijn grimmigheid in Zijn neus zal
opkomen", Ezechiël 38:18. Vanwaar komt het, dat God hen niet dadelijk arresteert en hen veroordeelt?
Niet omdat God het niet kan, want Hij is bekleed met almacht; maar het komt omdat
Hij genadig is. Genade brengt uitstel teweeg voor de zondaar en houdt het rechtsgeding nog
tegen. God wil door Zijn goedheid zondaren tot bekering leiden.
12. Het is vreselijk als genade tegen iemand getuigt. Het was vreselijk voor Haman toen de
koningin hem zelf beschuldigde, Esther 7:6. Zo zal het ook zijn als de "koningin der genade"
tegen iemand zal opstaan en hem beschuldigt. Het is louter genade als een zondaar behouden
wordt. Hoe vreselijk is het dan als genade onze vijand geworden is. Als genade onze aanklager
is, wie zal dan onze advocaat zijn? De zondaar zal nooit de hel ontgaan als genade de aanklacht
indient.
Ik zou u nog verscheidene soorten genade kunnen tonen, zoals voorkomende genade,
genade, vertroostende genade, bevrijdende genade, kronende genade, enz. Maar ik zal verder
handelen over
II. De eigenschappen en kenmerken van Gods genade.
(1) Gods genade valt vrij. Als men verdienste aandraagt, verderft men de genade. Genade kan
door niets verdiend worden, omdat wij vertreden liggen in ons bloed; ook kan genade niet
afgedwongen worden. Wij kunnen God wel dwingen ons te straffen, maar niet om ons lief te
hebben. "Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben", Hoséa 14:5. Elke schakel in de keten der zaligheid
is aangebracht en ingevoegd op vrije genade.
De verkiezing is vrij. "Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, naar het welbehagen van
Zijn wil", Efeze 1:4, 5.
De rechtvaardiging is vrij. "En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade",
Romeinen 3:24.
De zaligheid is vrij. "Hij heeft ons zalig gemaakt, naar Zijn barmhartigheid", Titus 3:5.
Zeg dan ook niet, dat u onwaardig zijt, want genade is vrij. Als God genade zou bewijzen aan
degenen die het waardig zijn, zou Hij het aan niemand kunnen bewijzen.
(2) Gods genade is overvloeiende genade; zij is oneindig. "Van grote goedertierenheid", Psalm
86:5. "Rijk in barmhartigheid", Efeze 2:4. "Naar de grootheid Uwer barmhartigheden", Psalm
51:3. De fiool van toorn drupt, maar de fontein van genade vloeit. De zon is niet zo vol licht als
God vol van genade is. God heeft genade voor de morgen. "Zijn barmhartigheden zijn elke
morgen nieuw", Klaagliederen 3:23. Hij heeft genade voor de nacht. "Des nachts zal Zijn lied bij
mij zijn", Psalm 42:9. God heeft genade voor het leven onder de hemel, zoals wij die hier mogen
genieten, en genade voor in de hemel, waarop wij hopen.
(3) Gods genade duurt eeuwig. "De goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot
eeuwigheid", Psalm 103:17. In één psalm, Psalm 136 wordt zesentwintig maal herhaald: "Zijn
goedertierenheid is in der eeuwigheid." De zielen van de gezaligden zullen zich voor eeuwig
baden in deze zoete, lieflijke oceaan van Gods genade. De toorn Gods tegen Zijn kinderen
duurt maar een ogenblik, maar Zijn goedertierenheid duurt eeuwig, Psalm 103:9. Zolang Hij
God is, zal Hij Zijn genade bewijzen. Is Zijn genade overvloeiende, ze is ook altoos vloeiende!
Eerste gebruik.
In het gebed behoren wij op te zien tot God, niet in Zijn kleed als Rechter, maar versierd met
de regenboog, vol van genade en goedertierenheid. Ons gebed dient vleugelen te hebben. Toen
Jezus Christus ten hemel voer, was hetgeen Hem naar de hemel met blijdschap deed opvaren:
"Ik ga heen tot Mijn Vader". Hetgeen ons hart in het gebed met blijdschap zou moeten doen
opstijgen is: wij gaan tot de Vader der barmhartigheid, Die op de troon van Zijn genade zit. Ga
met vertrouwen tot deze genade, zoals iemand naar de haard gaat, die niet twijfelt door te
zeggen: misschien zal ik erdoor verwarmd worden, misschien niet.
Tweede gebruik.
Geloof in deze genade: "Ik vertrouw op Gods goedertierenheid, eeuwiglijk en altoos", Psalm
52:10. Gods genade is een geopende fontein. Laat daarin de emmer des geloofs neer en u kunt
drinken uit deze fontein van zaligheid. Wat is er nu groter bemoediging om te geloven dan
Gods genade? God acht het Zijn eer pardonbrieven uit te delen. Hij heeft niets liever dan dat
zondaren de gouden scepter van Zijn genade aanraken en leven. Deze bereidheid om genade te
bewijzen blijkt op twee manieren:
1. Door zondaren te bidden tot Hem te komen en Zijn genade aan te nemen. "Die wil, neme
het water des levens om niet", Openbaring 22:17. De genade lokt zondaren tot zich, zij
buigt zich zelfs tot hen neer. Het zou voor een vorst toch vreemd zijn als hij een veroordeeld
mens moest smeken het pardon te aanvaarden? God zegt: "Arme zondaar, sta Mij toe u lief
te hebben, wees gewillig dat Ik u zalig make."
2. Door Zijn blijdschap te tonen, als zondaren Zijn genade aannemen. Wordt God er meerder
van of wij Zijn genade aannemen of niet? Is er voor de fontein voordeel in als anderen eruit
drinken? Toch is Gods goedheid zodanig, dat Hij Zich verheugt in de zaligheid van
zondaren. Hij is verblijd als men Zijn genade aanvaardt. Toen de verloren zoon thuiskwam,
was de vader verblijd en hij maakte een feest om Zijn vreugde uit te drukken. Zo is God ook
verheugd als er een zondaar komt om Zijn genade te aanvaarden. Wat ligt hier een
bemoediging om in God te geloven! Hij is een God van vergevingen, Nehemia 9:17. "Hij
heeft lust aan goedertierenheid", Micha 7:18. Niets schaadt ons meer dan ongeloof.
Ongeloof stremt de stroom van Gods genade. Het sluit Gods ingewanden toe, het stopt de
opening van Christus' wonden toe, zodat er geen genezende kracht uitkomt. "Hij heeft
aldaar niet vele krachten gedaan vanwege hun ongeloof", Matthéüs 13:58.
Waarom gelooft u Gods genade niet? Benemen uw zonden u de vrijmoedigheid? Gods
genade kan grote zonden vergeven, ja zelfs, omdat ze groot zijn, Psalm 25:11. De zee bedekt
zowel de rotsen als het zand. Sommigen die de hand hadden in het kruisigen van Christus,
hebben zelfs genade gevonden. Zo hoog de hemel is boven de aarde, zo groot is Gods
genade over onze zonde; Jesaja 55:9. Wat anders zal ons aanmoedigen om te geloven dan
Gods genade?
Derde gebruik.
Pas op dat u de genade van God niet misbruikt! Zuig geen vergif uit de zoete bloem van Gods
genade. Denk niet, dat u kunt doorgaan in de zonde, omdat God toch genadig is; dat is van de
genade uw vijand maken. Niemand mocht de ark aanraken behalve de priesters, die door hun
ambt heiliger waren. Zo mag niemand de ark van Gods genade aanraken dan hij die beslist
heilig wil zijn. Te zondigen "omdat de genade te meerder worde" is de logica van de duivel. Wie
zondigt omdat er genade is, is net als iemand die zijn hoofd verwondt, omdat hij een pleister
heeft. Wie zondigt omdat God genadig is, zal zonder genade geoordeeld worden. Misbruikte
genade verandert in toorn. "Als hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: ik zal vrede hebben,
wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om den dronkene te doen tot
de dorstige. De HEERE zal hem niet willen vergeven; maar alsdan zal des HEEREN toorn en
ijver roken over dezelven man", Deuteronomium 29:19, 20.
Niets is zoeter dan genade als het ten nutte wordt gebruikt; niets werkt meer toorn als het wordt
misbruikt; zoals niets kouder is dan lood als men het uit de mijn haalt en niets is zo kokend
heet als men het verhit. Niets is zo stomp als ijzer, maar als men het slijpt is er toch niets zo
scherp. "De goedertierenheid des HEEREN is over degenen, die Hem vrezen", Psalm 103:17.
Genade is niet voor degenen die maar zondigen en niet vrezen, maar voor degenen die vrezen
en niet willen zondigen. Gods genade is heilig, waar zij vergeving schenkt is zij ook genezend.
Vraag. Wat is nodig voor ons zodat wij behoefte krijgen aan Gods genade?
1. Leer uw nood te gevoelen. Bedenk hoezeer u vergevende, reddende genade nodig hebt!
Beschouw uzelf als wees. "Immers zal een wees bij U ontfermd worden", Hoséa 14:4. God
schenkt de gave van Zijn genade alleen aan diegenen die arm zijn. U moet ontdaan worden
van alle besef van eigen waardigheid. God giet de gouden olie der genade in lege vaten!
2. Wend u tot God om genade. "Wees mij genadig, o God!", Psalm 51:3. Zend me niet heen
met algemene genade die verworpenen ook kunnen hebben; geef mij niet slechts eikels
maar parels. Geef mij niet slechts genade om voedsel en deksel te hebben, maar genade om
mij te zaligen. Geef mij het beste van uw genade, HEERE! Laat mij genade en
goedertierenheid smaken. "Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden", Psalm
103:4. Geef mij die genade waarvan Uw verkiezende liefde in mijn ziel getuigt.
O, bid toch om genade. God bezit een schat van genade, het gebed is de sleutel om die
schatkist te openen, maar bedenk wel dat u in het gebed Christus in uw armen meeneemt,
want alle genade komt tot ons door Christus. "Toen nam Samuël een melklam", 1 Samuël
7:9. Neem het Lam Christus in uw armen, ga in Zijn Naam, draag Zijn verdiensten voor en
zeg: O, HEERE, hier is Christus' bloed, de prijs voor mijn vergeving. HEERE, schenk mij
genade omdat Christus die gekocht heeft. God zal ons afwijzen als wij in onze eigen naam
om genade vragen, maar Hij zal ons niet afwijzen als wij in Christus' Naam komen. Pleit op
de voldoening van Christus en dat is een grond waarop God het niet kan weigeren.
Vierde gebruik.
Degenen die genade gevonden hebben spoor ik aan tot drie dingen.
1. Vertoef op Gerizim, de berg van lof en prijs. Zij hebben immers niet alleen gehoord dat de
Koning des hemels genadig is, maar zij hebben het zo ervaren; de honingraat van Gods genade
heeft op hen gedrupt. Als zij in gemis verkeerden heeft de genade daarin voorzien; als zij nabij
de dood waren, heeft de genade hen van het ziekbed opgericht; als zij onder schuld bedolven
waren, heeft de genade hun vergeving geschonken. "Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat
binnen in mij is, Zijn heiligen Naam, Psalm 103:1. O, wat moesten de vaten der
barmhartigheid overlopen van lof!
"Die tevoren een godslasteraar was en een vervolger en een verdrukker; maar mij is
barmhartigheid geschied", 1 Timótheüs 1:13. Als door een wonder is mij genade bewezen. Zoals
de zee de dijken breekt en het land overstroomt, zo heeft de genade Gods de dammen der
zonde bij mij verbroken en is de genade zeer zoet in mijn ziel gevloeid. Gij die wondertekenen
van Gods genade zijt geweest, gij behoort bazuinen van Zijn lof te zijn. Gij die gesmaakt hebt
dat de Heere genadig is, vertel toch anderen welke ondervindingen gij gehad hebt van Gods
genade, opdat u hun moogt aansporen Hem ook te zoeken om genade te verkrijgen.
"Ik zal vertellen wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft", Psalm 66:16. Als ik mijn hart zo dodig
gevoelde, kwam Gods Geest met kracht in mij en het geblaas van die wind veroorzaakte dat de
verwelkte bloemen der genade weer verlevendigd werden. O, vertel anderen van Gods
goedheid, opdat u hen ook moge aanzetten Hem te loven en dat u Gods lof moge doen
voortleven, als gij gestorven zijt.
2. Heb God lief. Genade behoort de liefde op te wekken. "Ik zal U hartelijk liefhebben,
HEERE, mijn Sterkte", Psalm 18:2. Het Hebreeuwse woord liefde betekent "de liefde der
ingewanden (=inwendige edele delen)." Gods rechtvaardigheid kan ons Hem doen vrezen, Zijn
genade doet ons Hem liefhebben. Als genade niet de liefde voortbrengt, wat dan wel? Wij
dienen God lief te hebben omdat Hij ons voedsel geeft, maar veel meer omdat Hij ons genade
geeft. Wij moesten Hem liefhebben, om Zijn sparende genade, maar nog meer om Zijn
reddende genade. Een hart dat door Gods genade niet smelt van liefde, is zeker zo hard als
marmer. "Ik zou mijn eigen ziel haten, als ik er geen liefde tot God in vond", zei Augustinus.
3. Wees een navolger van God in het betonen van barmhartigheid. Is God de Vader der
barmhartigheid, toon dat u Zijn kinderen zijt door daarin op Hem te gelijken. Ambrosius zei:
"De hoofdsom van de godsdienst is: wees overvloedig in werken der barmhartigheid; wees
anderen naar lichaam en ziel behulpzaam. Strooi uw gouden zaad uit; laat de lamp van uw
belijdenis gevuld zijn met de olie van liefdadigheid. Zijt mild in het geven en vergeven. Wees
barmhartig, gelijk uw Vader in de hemel barmhartig is."
Hemel en Hel.
Mattheus 5 vers 18-30.
Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen. Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan. Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht. Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur. Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft; Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave. Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt. Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben. Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen. Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan. Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde. En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.
Mattheus 7 vers 13-29.
Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan; Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden. Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven. Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen? Alzo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen. Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt! Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot. En het is geschied, als Jezus deze woorden geeindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer; Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de Schriftgeleerden.
Mattheus 10 vers 26-42.
Vreest dan hen niet; want er is niets bedekt, hetwelk niet zal ontdekt worden, en verborgen, hetwelk niet zal geweten worden. Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken. En vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel. Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht? En niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader. En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld. Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven. Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want Ik ben gekomen, om den mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder. En zij zullen des mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn. Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig. En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig. Die zijn ziel vindt, zal dezelve verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelve vinden. Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Die een profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. En zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud water, in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.
Mattheus 23 vers 2-37.
De Schriftgeleerden en de Farizeeën zijn gezeten op de stoel van Mozes; Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet. Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren. En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gedenkcedels breed, en maken de zomen van hun klederen groot. En zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen; Ook de begroetingen op de markten, en van de mensen genaamd te worden: Rabbi, Rabbi! Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders. En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Een is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is. Noch zult gij meesters genoemd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus. Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn. En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden. Maar wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden! want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt. Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij den tempel, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud des tempels, die is schuldig. Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt? En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig. Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt? Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve, en bij al wat daarop is. En wie zweert bij den tempel, die zweert bij denzelven, en bij Dien, Die daarin woont. En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij Dien, Die daarop zit. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij vertient de munte, en de dille, en den komijn, en gij laat na het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten. Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en den kemel doorzwelgt. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij reinigt het buitenste des drinkbekers, en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid. Gij blinde Farizeeër, reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid. Alzo ook schijnt gij wel den mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen; En zegt: Indien wij in de tijden onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten. Aldus getuigt gij tegen uzelven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben. Gij dan ook, vervult de mate uwer vaderen! Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden? Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad; Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar. Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht. Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild.
Het beest uit de zee, en het beest uit de aarde.
En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van godslastering. En het beest dat ik zag, was een pardel gelijk, en zijn voeten als eens beers voeten, en zijn mond als de mond eens leeuws; en de draak gaf hem zijn kracht, en zijn troon, en grote macht. En ik zag een van zijn hoofden als tot den dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest. En zij aanbaden den draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? wie kan krijg voeren tegen hetzelve? En hetzelve werd een mond gegeven, om grote dingen en godslasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden. En het opende zijn mond tot lastering tegen God, om Zijn Naam te lasteren, en Zijn tabernakel, en die in den hemel wonen. En hetzelve werd macht gegeven, om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk. En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld. Indien iemand oren heeft, die hore. Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen. En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk, en het sprak als de draak. En het oefent al de macht van het eerste beest, in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt, dat de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was. En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen. En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan hetzelve toe doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond des zwaards had, en weder leefde, een beeld zouden maken. En hetzelve werd macht gegeven om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden. En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden; En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams. Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is een getal eens mensen, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig.
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
DERTIGSTE VERSCHIJNING.
Vrijdag, 2 mei 1975 0m 17.45 uur in de kapel.
Madeleine is alleen; zij heeft niet het gevoel te zijn genodigd om voor het Allerheiligste te knielen. Vanaf haar plaats ziet zij dat de Heilige Hostie plotseling rode en witte stralen begint uit te werpen, onophoudelijk bezield door een blijvende vernieuwing; niet zoals bij zonnestralen zijn zij onbeweeglijk.
Er is geen boodschap geweest of stem, maar toch was de monstrans verdwenen om plaats te maken voor de stralen.
Dit heeft ongeveer drie minuten geduurd.
De heilige Eucharistie.
Een mens moet niet nieuwsgierig dit Sacrament
doorvorsen, maar als nederig navolger van Christus
zijn verstand onderwerpen aan het heilig geloof.
De Heer: Gij moet u van een nieuwsgierig en onnuttig onderzoek van dit aller-diepst Sacrament onthouden, als gij niet in de diepte van de twijfel wilt ondergaan. Wie doorvorser is van de Majesteit, zal door haar glorie worden verpletterd. God kan meer tot stand brengen dan een mens kan begrijpen. Een nederig en godvruchtig onderzoek is toelaatbaar, als men altijd bereid blijft onderricht te worden en erop gesteld is de gezonde meningen van de vaders te volgen.
Gelukkig de eenvoud die de moeilijke paden van de problemen verlaat en langs de open en vaste weg van Gods geboden voortgaat. Velen hebben de godsvrucht verloren, terwijl zij al te diepe vraagstukken wilden doorgronden. Geloof wordt van u gevraagd en een ernstig leven; niet een groot verstand en ook niet de kennis van Gods diepe geheimen.
Als gij iets niet inziet en niet begrijpt wat beneden u staat, hoe wilt gij dan verstaan wat boven u verheven is? Onderwerp u aan God en verneder uw verstand voor het geloof; dan zal u het licht van de wetenschap gegeven worden in de mate waarin dat voor u noodzakelijk en nuttig is.
Sommige worden zwaar bekoord omtrent het geloof en het Sacrament; dat is dan niet aan henzelf te wijten maar eerder aan de vijand. Gij moet niet bezorgd zijn, ga geen discussies aan met uw gedachte; geef ook geen antwoord op de twijfels die de duivel u ingeeft. Maar geloof Gods woord, geloof de heiligen en de profeten, en de boze vijand zal van u wegvluchten. Dikwijls strekt het tot groot voordeel, als een dienaar van God zo iets moet doorstaan.
Ongelovigen en zondaars bekoort hij niet, die zijn al zijn veilig bezit; maar de vrome gelovigen stelt hij op allerlei wijzen met verwarring op de proef.
Ga dus door in eenvoudig en niet-twijfelend geloof en nader tot het Sacrament met nederige eerbied. Wat gij er niet van kunt begrijpen laat dat rustig over aan Gods almacht. God bedriegt u niet; bedrogen wordt wie te veel op zichzelf vertrouwt. God gaat om met de eenvoudigen, Hij openbaart zich aan de nederigen, Hij geeft zich aan de kleinen, Hij opent het verstand voor de zuivere geesten en verbergt de genade voor hen die nieuwsgierig zijn en trots.
Alle menselijke verstand is zwak en kan zich vergissen; het ware geloof echter kan zich niet vergissen. Ieder verstand en de natuurlijke onderzoeking behoort het geloof te volgen, maar niet daaraan vooraf te gaan of het geweld aan te doen. Want het geloof en de liefde hebben daar in hoge mate voorrang en op mysterieuze wijzen werken zij in dit allerheiligst en hoogst verheven Sacrament.
De eeuwige en onmetelijke God die over oneindige macht beschikt, brengt grote en onnaspeurbare dingen tot stand in de hemel en op aarde, en een peilen van zijn wonderbare werken is niet mogelijk. Als Gods werken zo waren dat zij gemakkelijk door het menselijk verstand konden worden begrepen, zouden zij niet wonderbaar zijn en waren wij niet verplicht te zeggen dat zij onuitsprekelijk zijn.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
Rubriek Boek 10 "S. Salvators regel"
Hier begint de S. Salvators regel, van God gegeven door de mond van Jezus Christus aan Zijn godvruchtige bruid, de Heilige Vrouwe Birgitta, welke orde die der nonnen zijn zal ter verering van de eervolle Maagd Maria; welke regel genoemde Heilige Vrouwe Birgitta gegeven werd op wonderbare wijze, zoals hier later medegedeeld zal worden, op het slot Vadstena in het bisdom Linköping van het Zweedse rijk, toen zij in aandachtig gebed vervoerd, geestelijke en intellectueele visioenen had.