For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
05-04-2011
Medjugorje gebedsdag Banneux integraal te (her-)beluisteren.
Beste Medjugorjevrienden,
De Gebedsdag van zaterdag 2 april in Banneux was prachtig! Een verslag vind je op een nieuwe pagina op Gebedsdag 2011.
Voor het eerst kan je de gebedsdag ook volledig herbeluisteren. Je vindt alle (opgedeelde) audiofragmenten op diezelfde pagina. Men zegge het voort
Verenigd in gebed, Gert.
TOEWIJDING VAN ZICHZELF AAN JEZUS CHRISTUS DOOR MARIA.
TOEWIJDING VAN ZICHZELF AAN JEZUS CHRISTUS DOOR MARIA.
Maria, ik hernieuw en bekrachtig heden in uw handen de beloften van mijn Doopsel. Voor altijd verzaak ik aan satan, aan zijn ijdelheden en aan zijn werken. Ik geef mij geheel aan Jezus Christus, de mens geworden Wijsheid om achter Hem mijn kruis te dragen, alle dagen van mijn leven. Om Hem voortaan trouwer te dienen dan tot nu toe kies ik U heden, in tegenwoordigheid van alle engelen en heiligen, tot mijn Moeder en Koningin
Ik lever mij aan U over en ik wijd U toe, in volledige en liefdevolle onderwerping, mijn lichaam en mijn ziel, mijn inwendige en uitwendige goederen, zelfs de waarden van mijn goede werken in verleden, heden en toekomst.
Daarbij laat ik U het volstrekte en volledige recht over mij en al het mijne te beschikken, zonder enige uitzondering, zoals het U behaagt in tijd en eeuwigheid, tot grotere Heerlijkheid van God! Amen. (Heilige Montfort)
"Jezus, Maria, Jozef red de zielen, red vooral de priesterzielen."
NOVEEN TOT DE GODDELIJKE BARMHARTIGHEID.
NOVEEN TOT DE GODDELIJKE BARMHARTIGHEID.
Goede Vrijdag tot Beloken Pasen.
"De Heer zei me ook het Kroontje te bidden op de negen dagen voor het Feest van Zijn barmhartigheid, te beginnen op Goede Vrijdag. Hij beloofde mij: "Tijdens deze Noveen zal Ik aan de zielen vele genaden geven."
((Hoe wordt de Rozenkrans of het Kroontje van de Goddelijke Barmhartigheid gebeden?))
Onze Vader, Wees gegroet... de Twaalf Artikelen van het Geloof.
Op de kralen van het Onze Vader bidt men het volgend gebed:
"Eeuwige Vader, ik offer U op het Lichaam en Bloed, de Ziel en de Godheid van uw Welbeminde Zoon, Onze Heer Jezus Christus, tot vergeving van onze zonden en die van de hele wereld".
Op de kralen van het Wees Gegroet bidt men:
"Omwille van Zijn smartelijk Lijden, wees barmhartig voor ons en voor de hele wereld".
ofwel
"Door het smartelijk lijden van uw Zoon, heb medelijden met ons en met heel de wereld".
Op het einde bidt men driemaal het volgende:
"Heilige God, Heilige Almachtige God, Heilige Eeuwige God, ontferm U over ons en over de hele wereld".
ofwel
"Heilige God, Almachtige God, Eeuwige God, door het smartelijk lijden van uw Zoon, heb medelijden met ons en met heel de wereld".
LITANIE TER ERE VAN DE GODDELIJKE BARMHARTIGHEID.
LITANIE TER ERE VAN DE GODDELIJKE BARMHARTIGHEID.
Heer, ontferm U over ons.
Christus, ontferm U over ons.
Heer, ontferm U over ons, Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
God, Hemelse Vader, wij vertrouwen op U.
God, Zoon Verlosser van de wereld, wij vertrouwen op U.
God Heilige Geest, wij vertrouwen op U.
Allerheiligste Drieënige God, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, hoogste volmaaktheid van de Schepper, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, grootste volmaaktheid van de verlosser, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, oneindige liefde van de Geest, die ons heiligt, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, onbegrijpelijk geheim van de heilige Drieëenheid, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, bewijs van de grootste goddelijke Macht, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die geheel de wereld omvat, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons het eeuwig leven schenkt, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons behoedt voor de straffen die wij verdienen, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons bevrijdt van de ellenden van de zonde, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons door het Vleesgeworden Woord, de verlossing schenkt, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die voor ons ontspringt aan Christus Wonden, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons toevloeit uit het H. Hart van Jezus, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons de allerheiligste Maagd schonk, de Moeder van Barmhartigheid, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die zich openbaart door de goddelijke geheimen, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, zichtbaar geworden in de stichting van de Heilige Kerk, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons in de sacramenten, stromen van genade opent, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, bijzonder werkzaam in de Sacramenten van Doopsel en Boetvaardigheid, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid tegenwoordig in de H. Eucharistie en het Priesterschap, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons roept tot het heilig Geloof, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die de zondaars bekeert, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die de rechtvaardigen heiligt, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die de heiligen tot volmaaktheid voert, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, verfrissende bron voor zieken en bedroefden, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, troost en rust voor ons hart, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, hoop van de hopelozen, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons bestendig begeleidt, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, die ons overlaadt met genaden, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, vrede voor de stervenden, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, hemelse vreugde van de uitverkorenen, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, verkwikking en licht van de zielen en het vagevuur, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, kroon van alle heiligen, wij vertrouwen op U.
Goddelijke Barmhartigheid, onuitputtelijke bron van wonderen, wij vertrouwen op U.
Lam Gods, wiens oneindige Barmhartigheid de wereld redde op het kruis, vergeef ons. wij vertrouwen op U.
Lam Gods, dat zich voor ons opoffert in elk sacrament, verhoor ons. wij vertrouwen op U.
Lam Gods, dat in Uw onuitputtelijke Barmhartigheid, de zonden van de wereld wegneemt, heb medelijden met ons.
De Barmhartigheid van God gaat al Zijn werken te boven. Daarom willen wij eeuwig Gods barmhartigheid bezingen.
Laat ons Bidden.
God, U Barmhartigheid heeft geen grenzen en Uw medelijden is onuitputtelijk: zie goedgunstig op ons neer en vermeerder in ons de werken van Uw Barmhartigheid opdat wij niet tot wanhoop vervallen, zelfs niet te midden van de grootste beproevingen en de ergste wisselvalligheden, maar dat wij ons altijd en in volle vertrouwen onderwerpen aan Uw Heilige Wil, die de Barmhartigheid zelf is.
Door onze Heer Jezus Christus, de Koning van de Barmhartigheid die met U en de Heilige Geest Zijn Barmhartigheid toont in de eeuwen der eeuwen.
Amen.
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
Goede Vrijdag, 12 april 1974.
s Middags, nadat zuster B. met de eigenaar van het grasland overeenstemming had bereikt, graven drie mannen het waterbekken uit. Het was koud en zuster B. houdt voor de vrijwilligers de koffie warm op een spiritusbrander onder in de kuil van het waterbekken, dat geleidelijk aan vorm neemt.
*****************************************
ZESTIENDE VERSCHIJNING.
Vrijdag, 3 mei 1974 van 17.10 tot 17.25 uur
Jezus vertoont zich met de handen naar Madeleine uitgestrekt. Hij lacht haar toe, zij is zeer gelukkig en zou voor altijd in zijn tegenwoordigheid willen blijven.
Hij zegt :
"Zegt dit hardop :
"De priester heeft het niet verkeerd. Die schuine boom is het symbool van Zonde. Rukt hem uit, nog voordat hij vruchten draagt en haast u om in zijn plaats het Glorierijke Kruis te doen oprichten, want het Glorierijke Kruis zal vrijspreken van alle zonde."
Madeleine zegt :
"Direkt daarna legde Jezus zijn handen gevouwen op de borst. Hij keek mij bedroefd aan en ik zag twee tranen vanuit zijn ogen glijden. Ik heb toen gehuild, Jezus was zo bedroefd."
Vervolgens zei Hij :
"Wee de gehele mensheid, indien zich binnen vijftig dagen na aanleg geen water in dat bekken bevindt, want Satan verhindert de reiniging van zoveel mogelijk. Weest mijn Woord indachtig, Ik zal laten begaan wegens het gebrek aan geloof".
Even later :
Zegt aan de Kerk dat zij boodschappen over de gehele wereld rondstuurt en dat zij zich moet haasten om op de aangeduidde plaats het Glorierijke Kruis te doen oprichten, en aan de voet ervan een Heiligdom. Vol berouw zullen allen daar komen en er de Vrede en Vreugde vinden. Het Glorierijke Kruis, of het Teken van de Mensenzoon, is de aankondiging van de nabije wederkomst in Heerlijkheid van de verrezen Jezus. Wanneer dit Kruis van de aarde verhoogd wordt, zal Ik alles tot mij trekken.
Daarop zegt Jezus :
Vindt elf personen in deze gezegende en geheiligde stad. Zij zullen mijn discipelen zijn. In mijn Naam zullen zij van deur tot deur collecteren voor de oprichting van het Glorierijke Kruis. En dit zijn de geboden waaraan iedere discipel zich houden moet :
- Werkt tot aan de oprichting van het Glorierijke Kruis;
- zijt nederig, geduldig en liefdevol, opdat men in u mijn discipelen herkent;
- zoekt geen persoonlijk voordeel, maar zet u volledig in ten dienste van de oprichting van het Glorierijke Kruis, want een ieder die hier vol berouw gekomen is, zal worden gered.
Daarna zegt Jezus tot haar, zonder opdracht om het na te zeggen :
Zegt de priester dat Ik u voor de zeventiende keer bezoek, want het Glorierijke Kruis is ook de verrezen Jezus."
Daarna verdwijnt Jezus.
Opmerking :
Tevergeefs hadden de priester en Madeleine de Haute Butte bestegen en geprobeerd de plaats te bepalen van het Kruis. Na die poging maakten zij in het schemerdonker gebruik van elektrische lampen omhoog wijzend naar de hemel.
Terwijl Madeleine bij het venster bleef staan vanwaar ze zes keer het Kruis had gezien. Daar vandaan gaf zij aanwijzingen aan de priester die de Haute Butte op ging. Tenslotte kwam hij uit bij een ronde verhoging door een greppel omgeven, wat zich juist op de grens van het gebied van Dozulé bleek te bevinden. Het juiste punt om het Kruis in vast te zetten, hoefde nu alleen nog maar overeenkomstig de wens van de Heer, te worden gevonden op die verhoging zelf. De priester dacht dat het heel goed op de plaats van die scheve appelboom zou kunnen zijn die zich op die verhoging bevond, maar hij voelde zich niet zeker zodat hij er 's nachts niet van slapen kon. Het is Jezus die hier de juistheid van zijn oordeel bevestigt.
Opmerking :
Het waterbekken was bepaald door vanaf de stam van de scheve appelboom met een lang touw de 223 meter af te passen. Reeds 3 weken geleden was dat bekken gegraven, volgens de bevestiging van Jezus dus op de juiste plaats. Vanaf nu wordt de komst van water daarin hun voornaamste zorg, zelfs zo dat men vergeet om zich naar de plek van het Kruis te begeven. Na Pinksteren wordt er een noveen gehouden voor het water dat maar niet komen wil. Op een nacht dromen Madeleine en zuster M. dat water in het bekken verschenen is en vertellen dit 's ochtends aan de priester, die antwoordt :
"Beste zuster, wat droomt u toch fraaie dromen !"
Hij had namelijk de vorige avond geconstateerd dat er geen water was in het bekken.
Desondanks beklimt Madeleine de Haute Butte en stelt vast dat het water wel degelijk gekomen is en niet zon klein beetje : 30 cm hoog. Het was toen 19 juli, 98 dagen nadat het waterbekken gegraven was. Op navraag deelt het weerstation mee dat het de vorige nacht niet geregend heeft en dat een dergelijke hoeveelheid niet veroorzaakt kon zijn door een regenbui.
De heilige Eucharistie.
Veel gaven worden gegeven,
aan wie godvruchtig communiceren.
De gelovige: Heer mijn God, voorkom uw dienaar met de zegeningen van uw mildheid, dat ik tot uw heilig Sacrament waardig en godvruchtig mag naderen.
Wek mijn hart op tot U en ontdoe mij van mijn zware loomheid. Bezoek mij met uw heil om in de geest uw goedheid te proeven die in dit Sacrament als in een bron overvloedig verborgen is.
Verlicht ook mijn ogen om zulk een groot geheim te kunnen beschouwen en versterk mij om het met onwankelbaar geloof aan te nemen.
Want dit is uw werking en geen menselijke kracht; het is uw heilige instelling en geen uitvinding van mensen. Niemand is uit zichzelf immers bekwaam om dit te vatten en datgene te verstaan wat zelfs het scherpe verstand van de engelen te boven gaat. Wat zou ik dan, onwaardig zondig mens, stof en as, over dit heilig geheim kunnen onderzoeken en achterhalen?
Heer, in de eenvoud van mijn hart, in een waar en sterk geloof en op uw bevel nader ik tot U met vertrouwen en eerbied. In waarheid geloof ik dat Gij hier in het Sacrament aanwezig zijt, als God en mens.
Gij wilt dus dat ik U ontvang en mij in liefde met U verenig. Daarom bid ik uw grote goedheid en smeek ik U mij met het oog hierop een bijzondere genade te geven: dat ik volkomen in U mag opgaan en uit liefde mij in U overstorten en mij verder met geen enkele andere vertroosting meer inlaat.
Want dit hoogste en allerwaardigste Sacrament is een zegen voor ziel en lichaam, een medicijn voor allerlei geestelijke kwalen. Hier worden mijn gebreken verbeterd, mijn hartstochten beteugeld, mijn bekoringen overwonnen of verminderd; hier wordt overvloedige genade gegeven, wordt de begonnen deugd versterkt, wordt het geloof bevestigd en ontvangt de hoop nieuwe kracht, raakt de liefde in vlam en wordt zij verruimd.
Want talrijke gaven hebt Gij verleend en geeft Gij nog dikwijls in dit Sacrament aan uw geliefden die godvruchtig communiceren, mijn God, Gij die mijn ziel hebt aangenomen, die de menselijke zwakheid hebt hersteld, die de Gever zijt van de innerlijke vertroosting.
Want grote vertroosting geeft Gij hun tegen de veelvuldige kwelling, en uit de diepte van eigen neerslachtigheid richt Gij hen op tot hoop op uw bescherming, en door nieuwe genade herstelt Gij hen innerlijk en geeft Gij hun licht. Zodat zij die vóór de communie zich angstig en zonder liefde voelden, daarna door hemelse spijs en drank verkwikt, zich in een beter mens herschapen wisten.
Gij weegt dit voor uw geliefden daarom af, opdat zij waarlijk erkennen en duidelijk ervaren hoe zwak zij uit zichzelf zijn en hoeveel goedheid en welwillendheid zij van uw kant mogen ondervinden. Want uit zichzelf koud, hard en ongodvruchtig, verkrijgen zij door U dat zij vurig, ijverig en vroom zijn.
Want wie zou nederig tot de bron van de goedheid naderend, niet met iets van die beminnelijkheid daaruit verrijkt worden? Of wie zou naast een groot vuur staan en niet daardoor enige warmte opnemen?
Gij zijt de voortdurend volle en overvloeiende bron, een altijd brandend vuur dat nooit verflauwt. Daarom, al is het mij niet geoorloofd uit de volheid van die bron te scheppen noch tot het laatst mijn dorst te lessen, toch zal ik mijn mond zetten aan de opening van dat hemelse toevoerkanaal, dat ik tenminste een enkele druppel opvang om mijn dorst te stillen en niet volkomen te verdorren.
En al kan ik nog niet helemaal hemels en brandend zijn zoals de Cherubijnen en Serafijnen, toch zal ik proberen mij op godsvrucht toe te leggen en mijn hart voor te bereiden, opdat ik tenminste een vonk van die goddelijke brand uit het nederig nuttigen van dit levendmakend Sacrament mag verkrijgen.
Wat mij ook ontbreekt, goede Jezus, allerheiligste Verlosser, wil Gij dat voor mij welwillend en liefdevol aanvullen, Gij die zo goed zijt geweest allen tot U te roepen met de woorden: Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verkwikking geven.
Ik zwoeg immers met bezweet gezicht, mijn hart doorstaat folterende kwelling, ik word beladen met zonden, veel slechte hartstochten verwarren mij en houden mij aan de grond. En er is niemand die mij kan helpen, niemand die mij kan bevrijden of zalig maken, tenzij Gij God, mijn Verlosser; aan U vertrouw ik toe mijzelf en al het mijne, dat Gij mij moogt bewaren en binnenleiden in het eeuwige leven.
Ontvang mij tot lof en glorie van uw naam, Gij die mij uw Lichaam en Bloed tot spijs en drank hebt bereid.
Geef, Heer, God van mijn heil, dat met de herhaling van uw geheim de gloed van mijn godsvrucht mag toenemen. Amen.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
DE LOFZANG "AVE MARIS STELLA."
Boek 9 - KAP. 8
Christus sprak tot Zijn bruid, toen zij in het klooster te Alvastra was, en zeide : "Ga naar Rome en blijf daar, totdat gij den Paus en den Keizer ziet, en spreek tot hen uit mijn naam de woorden, die ik u zeggen zal." Aldus kwam de bruid van Christus naar Rome op haar twee-en-veertigste jaar en bleef daar op Gods bevel vijftien jaar, voordat Paus Urbanus V en Keizer Karel van Bohemen naar Rome kwamen, aan wie zij de Openbaringen over de verbetering en het herstel der Kerk en haar regel overbracht. En gedurende de vijftien jaar dat zij in Rome was, vóor de komst van den Paus en den Keizer, kreeg zij vele Openbaringen over den toestand van Rome, waarin Onze Heer Jezus Christus de inwoners van Rome berispte en hun hun overtredingen en zonden verweet en hen dreigde met strenge straffen.
En toen deze Openbaringen aan de inwoners van Rome gegeven waren en voorgelezen werden, ontstond er een dodelijke vijandschap en haat jegens de H. Birgitta, ten gevolge waarvan sommigen dreigden haar levend te verbranden, anderen haar bespotten, haar krankzinnig noemden en uitscholden voor heks. En de H. Birgitta droeg en verdroeg geduldig hun haat en smaad, maar zij vreesde dat haar bedienden en haar andere vrienden en familieleden, die haar vergezelden, onder den invloed van dien spot zouden komen en afvallig zouden worden. Daarom dacht zij er over eenigen tijd weg te gaan om de boze woede te ontvluchten ; doch zij waagde het niet ergens heen te trekken zonder het uitdrukkelijk bevel van Christus, want gedurende de acht-en-twintig jaar dat zij haar vaderland verlaten had, trok zij nooit naar een stad, land, noch bedevaartsplaats zonder dat Christus het haar bevolen had.
Toen de H. Birgitta bad om een goddelijk antwoord hierop, sprak Christus en zeide : "Gij wenst te weten of ik wil dat gij langer hier in Rome blijven zult, waar vele uwer vijanden het op uw leven gemunt hebben, of dat gij u enigen tijd aan hun boosheid onttrekken zult. Ik antwoord u, dat daar gij mij hebt, gij niemand behoeft te vreezen. Ik zal met den arm van mijn macht hun boosheid tegenhouden, opdat zij u geen kwaad kunnen doen. En hoewel mijn vijanden mij met mijn eigen toestemming hebben gekruist, zullen zij nochthans u niet kunnen doden, noch u kwaad berokkenen."
Verder verscheen haar bij dezelfde gelegenheid de glorierijke Maagd Maria, en zeide : "Mijn Zoon, die macht heeft over mensen en duivels en over al wat is, houdt onzichtbaar al hun boze plannen en streken tegen. En ik zal voor u en de uwen een beschermend schild zijn tegen alle aanvallen van uwe geestelijke en lichamelijke vijanden. Daarom wil ik, dat gij en uwe dienaren iederen avond te zamen komen en den lofzang zingen, "Ave maris stella", en ik zal u hulp geven in al uwe moeilijkheden."
Ten gevolge daarvan bepaalde heer Petrus Olofsson, die sinds negen-en-twintig jaar haar biechtvader was, en die vaan haar dochter vrouwe Catharina, in zaliger nagedachtenis, dat men in haar orde dagelijks dien lofzang zingen zou, verzekerende dat de H. Birgitta zelf gezegd had dat dit gebeuren zou, volgens bevel der glorierijke maagd, omdat de glorierijke maagd zelf beloofd had, dat zij met bizondere genade beschermen zou en inspireeren met de zoetheid en zegen des Heiligen Geestes deze orde, die door haar Zoon aan haar gewijd was.
04-04-2011
The Secrets of Fatima.
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE MAANDAG.
N. ( M ).
Mijn Engel Daniël. ( Vasulla Ryden.)
Mijn Zuivering gaat door.
**********************
Er gingen enkele dagen voorbij en plotseling vroeg mijn engel mij naar het seminarie te gaan om een priester te bezoeken en hem de boodschappen te laten zien. Ik deed precies wat hij mij vroeg. Maar ik was teleurgesteld. Ik had grootste verwachtingen en wat ik ervoer was een klap. De priester geloofde dat ik een psychologische crisis doormaakte en meende dat ik op de rand van schizofrenie was. Hij wilde mijn beide handen onderzoeken. Hij nam mijn twee handen en analyseerde ze. Ik wist wat hij dacht, hij probeerde in mijn handen sporen te vinden van een of ander soort abnormaliteit zoals bij bepaalde geestenziekten. Hij geloofde dat God hem nu dit zware kruis, dat ik was, te dragen had gegeven. Hij beklaagde mij en vroeg mij, om wanneer dan ook, bij hem te komen. Ik ging hem om de twee of drie dagen bezoeken. Ik ging niet graag naar hem toe, want hij behandelde mij in het begin als een geestelijk gestoord geval. Dit duurde ongeveer drie of vier maanden. De enige reden waarom ik volhield hem te bezoeken was, dat ik hem wilde bewijzen niet geestelijk gestoord te zijn. Tenslotte besefte hij na enige tijd dat ik gezond was. Op een dag zei hij zelfs dat wat ik had, een charisma van God zou kunnen zijn. Mijn Engelbewaarder leidde mij intussen naar God en een van de eerste lessen die hij mij gaf was die in onderscheiding. Deze lessen in onderscheiding maakten de duivel nog razender, want het betekende dat ik het verschil zou kennen, ook al zou hij verschijnen als een engel van licht. Mijn engel vertelde mij dat Jezus mij zal benaderen en dat zijn zending ( die van de engel ) afliep. Toen ik dit nieuws hoorde was ik bedroefd. Ik wilde niet dat mijn engel mij verliet. Hij trachtte met mij te redeneren en legde mij uit dat hij slechts de dienaar van God was en dat ik mij tot God zou wenden. Hij probeerde uit te leggen dat zijn zending was mij mee te nemen naar God en mij veilig aan Hem over te geven. Maar dat was des te pijnlijker voor mij. Ik kon de idee niet verdragen dat ik van de ene dag op de andere niet langer in verbinding zou staan met mijn engel. Zoals mijn engel Daniël mij had voorzegd, kwam Jezus op een dag in zijn plaats. Toen Hij Zich aan mij openbaarde vroeg Hij mij, "Wiens huis is belangrijker, jouw huis of Mijn Huis?" Ik antwoordde Hem, "Uw Huis." Ik voelde dat Hij gelukkig was met mijn antwoord. Hij zegende mij en verliet mij. Opnieuw kwam de Heer in plaats van mijn engel en zei, "Ik ben het", en toen Hij zag dat ik aarzelde zei Hij duidelijk, "Ik ben het, God;" maar in plaats van blij te zijn was ik ongelukkig. Ik miste mijn engel verschrikkelijk. Ik hield heel veel van mijn engel en de gedachte alleen al dat hij niet meer zou komen, omdat zijn plaats zou worden ingenomen door God, maakte mij onrustig. Ik wil hier vermelden wat de Heer tegen mij zei met betrekking tot mijn liefde voor mijn engel. Hij zei dat niemand ooit meer van zijn engel heeft gehouden dan ik, en dat Hij hoopte op een dag deze woorden tot mij te kunnen zeggen; "Niemand heeft Mij ooit in jullie tijdperk meer bemind dan jij". Nu bleef mijn engel op de achtergrond. God vroeg mij, "Bemin je Mij?" Ik zei dat ik dat deed. Hij berispte mij niet omdat ik niet genoeg van Hem hield, maar in plaats daarvan zei Hij zeer teder, "bemin Mij meer". De volgende keer dat de Heer zich aan mij openbaarde zei Hij tegen mij, "laat Mijn Huis opnieuw leven" en "vernieuw Mijn Huis". Ik zou me niet kunnen herinneren of ik geantwoord heb, maar ik wist dat wat Hij mij vroeg onmogelijk was. De volgende dagen bezochten mijn engel of Jezus mij, soms beiden tegelijk. Mijn engel preekte tegen mij, hij vroeg mij om vrede met God te sluiten. Toen hij mij dat vroeg, was ik erg verbaasd, en ik zei hem dat ik niet in oorlog met God was, dus hoe moest ik dan vrede met Hem sluiten? God vroeg mij opnieuw Hem te beminnen. Hij vroeg mij vertrouwelijk met Hem te worden, zoals ik dat was met mijn engel. Hij bedoelde dat ik vrijuit tegen Hem moest praten, maar ik kon het niet. Ik ervoer Hem nog steeds als een vreemde en niet als een vriend. Mijn engel herinnerde mij eraan dat hij slechts de dienaar van God was en dat ik God zou moeten beminnen en verheerlijken. Naarmate hij mij meer naar God duwde, des te meer raakte ik in paniek, uit angst dat hij mij zou verlaten. Hij zei me mij aan God over te geven, maar ik deed het niet. Ondertussen had Satan het nier opgegeven, hij hoopte nog steeds mij in mijn zwakke toestand te pakken te krijgen. God stond mij een of tweemaal toe een gesprek te horen tussen Jezus en Satan. Satan vroeg aan Hem mij op de proef te stellen. Hij zei tegen Jezus: "We zullen zien wat er gebeurt met Uw Vassula . Uw dierbare Vassula zal U niet trouw blijven, ze zal vallen en deze keer voorgoed, ik kan U dat bewijzen in de dagen van haar beproevingen." En zo werd Satan toegestaan allerlei bekoringen op mij los te laten. Ongelooflijke bekoringen! Telkens wanneer ik besefte dat het een bekoring was en die overwon, legde hij weer een andere grotere bekoring op mijn weg. Bekoringen die, als ik ervoor bezweken zou zijn, mijn ziel voor de hel zouden hebben gebonden. Toen begonnen zijn aanvallen opnieuw. Hij spatte kokende olie op mijn middelvinger, op de plaats waar ik het potlood vasthoud wanneer ik schrijf. Onmiddellijk verscheen de blaar en ik moest hem verbinden om in staat te zijn het potlood vast te houden als ik schreef. De duivel probeerde nogmaals, en verschrikkelijk wreed, om mij te laten stoppen contact met God te hebben en te schrijven. Ik schreef met veel pijn. Telkens wanneer mijn vinger genezen was herhaalde hij keer op keer hetzelfde, en zo schreef ik gedurende weken, maar niet zonder lijden. Toen mijn familie en ik op vakantie gingen naar Thailand, stapten we in een boot om een eiland te bezoeken. Op de terugweg, zodra we binnenliepen, schudde de boot en ik verloor mijn evenwicht. Om niet te vallen greep ik mij vast aan het eerste wat ik zag, en dat was de uitlaatpijp van de boot, gloeiend heet. Ik verbrande de hele palm van mijn rechterhand. Mijn eerste gedachte was, "Hoe moet ik nu schrijven?" Mijn hand zwol op, werd rood en erg pijnlijk. We waren nog een half uur van ons hotel verwijderd, maar toen we daar aankwamen waren de hele zwelling en de pijn verdwenen. Er was geen spoor meer van de verbranding. De Heer vertelde mij later dat Hij Satan niet had toegestaan zover te gaan en daarom genas Hij mijn hand. De duivel probeerde op een andere manier mij te laten stoppen met schrijven. Hij verscheen aan mijn zoon ( die was toen tien jaar oud ), in een droom. Hij nam de gestalte van een oude man aan en zei hem, terwijl hij bij zijn bed zat, "Je zou er beter aan doen tegen je moeder te zeggen dat ze moet ophouden met schrijven, en als ze het niet doet zal ik met jou hetzelfde doen wat ik met haar deed toen ze jong was. Ik zal komen wanneer je in je bed ligt, je hoofd achterover trekken en je wurgen." Dat beleefde ik toen ik ongeveer zes jaar oud was. Ik zag op zekere nacht terwijl ik in bed lag vlak voor mij, precies boven mijn keel, twee vreselijke handen van een oude man. Het volgende wat ik merkte was dat iets mijn hoofd achterover trok en mijn hals blootlegde. Daarna niets. Maar het liet mij bevend achter. Satan heeft mij vanaf mijn vroegste jeugd lastiggevallen, want bijna elke nacht, vanaf mijn zesde jaar, verscheen hij in dromen om mij schrik aan te jagen, in de gedaante van een grote zwarte hond. Het was altijd dezelfde droom. Ik wandelde in een schemerige gang en daar aan het eind was die grommende hond, klaar om mij te bespringen en me aan stukken te scheuren en doodsbang ging ik op de vlucht. Toen ik ongeveer tien jaar oud was zag ik Jezus in mijn droom. Hij bevond Zich aan het einde van een soort gang. Ik zag alleen zijn portret, ik zag Hem tot Zijn middel. Hij glimlachte en zei, "Kom, kom bij Mij." Ik werd plotseling gegrepen door een onbekende luchtstroom die mij dichter en dichter naar Hem toe trok. Ik was bang voor deze onbekende luchtstroom en Jezus beseft mijn angst, glimlacht naar mij. Deze luchtstroom dreef mij helemaal naar Jezus totdat mijn gezicht Zijn gezicht raakte. Op ongeveer twaalfjarige leeftijd had ik ook nog een andere mystieke ervaring. Het was mijn geestelijke bruiloft met Jezus. Weer in een droom was ik als bruid gekleed en mijn bruidegom was Jezus. Ik kon Hem alleen niet zien maar ik wist dat Hij er was. De mensen die aanwezig waren groetten ons vrolijk met palmbladeren in hun handen. Men verwachtte van ons dat wij de bruiloftsgang zouden gaan. Direct na de bruiloft ging ik een kamer binnen. Daar was onze Gezegende Moeder met de H. Maria Magdalena en twee andere heilige vrouwen. Onze Gezegende Moeder was erg gelukkig en omhelsde mij. Ze begon onmiddellijk mijn jurk en mijn haar in orde te brengen en ik besefte dat Ze wilde dat ik er mooi uit zou zien voor Haar Zoon.
Wordt vervolgd.
ROZENKRANS VAN DE WONDEN VAN JEZUS.
ROZENKRANS VAN DE WONDEN VAN JEZUS.
(Kruisteken) + (Geloofsbelijdenis)
Men begint deze rozenkrans met de volgende aanroepingen:
"O Jezus, Goddelijke Zaligmaker, wees ons en de hele wereld genadig! Heilige God, almachtige God, eeuwige God, heb medelijden met ons en met de hele wereld! O Jezus, schenk ons genade en barmhartigheid in de hedendaagse gevaren, en bescherm ons door Uw Kostbaar Bloed! Eeuwige Vader, wees ons genadig door het Bloed van Uw enige Zoon Jezus Christus; wij smeken U, wees ons genadig! "
Bid op de grote kralen: "Eeuwige Vader, ik offer U op de Wonden van Onze Heer Jezus Christus om de wonden van onze zielen te genezen."
Bid op de kleine kralen van elk tientje:
Mijn Jezus, schenk ons vergeving en barmhartigheid door de verdiensten van Uw Heilige Wonden.
Bid op het einde:
Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest...
Oorsprong en beloften:
Om de verering van Zijn Heilige Wonden aan te moedigen heeft Jezus ons de volgende schietgebeden gegeven, die wij gemakkelijk kunnen aanleren en dikwijls kunnen opzeggen tijdens onze dagelijkse bezigheden:
"Eeuwige Vader, ik offer U op de Wonden van Onze Heer Jezus Christus om de wonden van onze zielen te genezen!"
"Mijn Jezus, schenk ons vergeving en barmhartigheid door de verdiensten van Uw Heilige Wonden!"
Deze aanroepingen werden gedicteerd door Jezus aan zuster Maria-Martha Chambon, een nederige lekezuster bij de Visitandinnen te Chambéry, op 21 maart 1907 in geur van heiligheid overleden, en die verzekerde dat Jezus aan deze devotie de volgende beloften heeft verbonden:
1. Aan al wat Mij gevraagd wordt met de aanroeping van Mijn Heilige Wonden zal gevolg gegeven worden.
2. Waarlijk, dit gebed komt niet van deze aarde maar vanuit de hemel. Het kan alles verkrijgen... het bevat alles.
3. Mijn Heilige Wonden ondersteunen de wereld... vraag Mij de gunst om Mijn wonden altijd te beminnen, omdat ze genadebronnen zijn. Doe er vaak beroep op, breng ze naar de medemens, prent deze devotie in de zielen!
4. Hebt gij smarten te verduren, leg ze spoedig in Mijn Wonden en ze zullen verzacht worden!
5. Bij de zieken moet men vaak deze aanroepingen uiten: "Mijn Jezus, schenk hem/haar vergeving..." Dit gebed verlicht ziel en lichaam.
6. En de zondaar die bidt: "Eeuwige Vader, ik offer U op de Wonden van Jezus...", zal zich bekeren.
7. Mijn Wonden zullen de uwe genezen.
8. Geen dood voor de ziel, die in Mijn Wonden haar toevlucht zoekt. Zij geven haar het ware leven.
9. Bij elk woord van het kroongebed der Barmhartigheid laat Ik een druppel van Mijn Bloed op de ziel van een zondaar vallen.
10. De ziel die Mijn Heilige Wonden vereerd heeft en ze de Eeuwige Vader heeft opgedragen voor de zielen in het vagevuur, zal in zijn/haar stervensuur door de Heilige Maagd Maria en de Engelen tot Mij geleid worden, in Mijn glorie zal ik ze opnemen en kronen.
11. De Heilige Wonden openen de schat der schatten voor de zielen in het Vagevuur.
12. De devotie tot Mijn Wonden is het geneesmiddel in deze slechte tijden.
13. Vruchten van heiligheid spruiten uit Mijn Wonden. Overweeg ze om voortdurend uw liefde te vernieuwen!
14. Mijn kind, door uw daden in Mijn Heilige Wonden te dompelen worden ze waardevol, uw minste daden, door Mijn Bloed bedekt, zullen Mijn Hart verkwikken.
15. Offer Mijn Heilige Wonden aan de Eeuwige Vader, samen met Mijn Onbevlekte Moeder zullen Zij de zegepraal van de Kerk bewerkstelligen."
Verspreid deze devotie!
EERSTE VRIJDAG DEVOTIE TOEWIJDING AAN HET HEILIG HART VAN JEZUS.
EERSTE VRIJDAG DEVOTIE
TOEWIJDING AAN HET HEILIG HART VAN JEZUS
De twaalf beloftes van het Heilig Hart door Onze Heer gegeven
aan de Heilige Margaretha Maria Alacoque
1. Ik zal hen alle genaden geven die zij nodig hebben voor hun leven.
2. Ik zal vrede brengen in hun gezin.
3. Ik zal hen troosten in alle nood.
4. Ze zullen toevlucht vinden in Mijn Hart tijdens het leven en vooral in het uur van de dood.
5. Ik zal hen overvloedig zegeningen schenken in alles wat ze doen.
6. Zondaars zullen in Mijn Hart de bron en oneindige oceaan van barmhartigheid vinden.
7. De lauwe zielen zullen vurig worden.
8. De vurige zielen zullen spoedig de grote volmaaktheid bereiken.
9. Ik zal de huizen zegenen waar het beeld van Mijn Heilig Hart wordt geplaatst en vereerd.
10. Ik zal de priesters de gave geven om de meest versteende harten te beroeren.
11. De naam van zij die deze toewijding verspreiden zal in Mijn Hart geschreven staan en hij zal nooit uitgewist worden.
12. Ik beloof u in de overmatige barmhartigheid van Mijn Hart, dat zijn Almachtige liefde aan allen die op de Eerste Vrijdag van Negen opeenvolgende maanden de Communie ontvangen de eindgenade van boetvaardigheid zal verlenen; zij zullen niet in Mijn ongenade sterven, noch zonder de Sacramenten te ontvangen.
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
VIJFTIENDE VERSCHIJNING.
Vrijdag, 5 april om 15.40 uur
In de kapel vormt zich de stralenkrans op de plaats van de monstrans, waarna
Jezus verschijnt met zijn handen in begroeting naar Madeleine uitgestrekt, die
Hem vol bewondering aankijkt, "want het is zo prachtig !"
Hij lacht haar toe.
Hardop vraagt zij Hem :
"Indien u de Christus bent, waarom zie ik dan nooit uw Wonden ?"
De priester had haar opgedragen deze vraag te stellen.
Jezus bleef haar glimlachend aanzien.
"Wat een onbeschrijflijke zoetheid ondervond ik op dat moment, ik voelde mij niet meer van deze wereld", schrijft zij.
Jezus doet dan zijn rechterhand omhoog en zegt haar :
"De Vrede zij met u !"
"Zegt dit hardop :
Vervolgens zei Hij, terwijl Hij weer in zijn normale houding ging staan en niet meer glimlachte :
Jezus vraagt :
"Waarom die verlegenheid, waarom komen die gedachten in u op ? Is het voor u, de priesters, die tot taak hebt om uit te voeren wat Ik van u verlang, gemakkelijker om wonder te roepen als u vanuit de berg water ziet ontspringen dan wanneer u door de dienares van de Heer woorden hoort uitspreken die zijzelf niet kent ?" Gij kleinsgelovigen, weest mijn Woord indachtig :
Jezus stem klonk streng.
"Zij die in mijn Naam komen, zullen talen spreken die die hun vreemd zijn."
Na een korte stilte, en zonder instructie om het na te zeggen :
"Hebt geen enkele twijfel, staat op en betast Mijn handen."
Madeleine richtte zich op; Jezus toonde haar eerst Zijn linkerhand en daarna Zijn rechter.
Zij schrijft :
"Ik heb dus Zijn twee handen in de mijne genomen."
De aanwezigen zagen Madeleine haar twee handen eerst naar rechts en toen naar links uitstrekken, aan iedere kant van de monstrans, als om de handen van Christus vast te pakken.
Hij zei mij :
"Twijfelt niet meer, een geest heeft geen hand, en geen vlees."
Madeleine is weer op haar plaats gaan knielen.
Waarna Jezus tegen haar zei :
"Zegt ze dit (zij heeft hardop herhaald) Twijfelt niet meer, het is de verrezen Jezus zelf, die ik vandaag voor de zevende maal* zie. Ik heb daarnet zijn handen betast."
Opmerking :
De 14e, 15e en 16e verschijning vormen een probleem voor wat betreft de bezoeken of visioenen van de Heer :
- Tijdens de 14e wordt gezegd : "Jezus bezoekt mij door de 8e keer"; vanaf de 7e verschijning wordt hier ieder als een bezoek geteld.
- Tijdens de 15e wordt gezegd; "De "Verrezen Jezus" die ik voor de 7e maal zie."; hier wordt de 7e verschijning niet meegeteld evenmin als de 13e waar Madeleine niet in staat is te "zien".
- Tijdens de 16e wordt gezegd : "Ik bezoek u voor de 17e keer, want het Glorierijke Kruis is ook de verrezen Jezus." Hier wordt ieder visioen van het Kruis ook als een bezoek gerekend, maar omdat Jezus tijdens de 7e verschijning als Glorierijke Kruis en ook als persoon is verschenen, telt die verschijning dubbel, in totaal dus
16 + 1 = 17.
Om te voldoen aan de wens van hen die niet wisten waar moest worden gegraven voor het waterbekken, vraagt Madeleine hierna het volgende, duidelijk hoorbaar :
"Heer, waar moet gegraven worden om water te krijgen ?"
Hij antwoordde haar :
"Het Glorierijke Kruis opgericht op de Haute Butte staat zo dicht mogelijk bij de grens van het gebied van Dozulé, op precies dezelfde plaats waar zich de fruitboom bevindt, de boom van Zonde, want het Glorierijke Kruis zal vrijspreken van alle zonde. Zijn armen moeten gericht staan van Oost naar West. Iedere arm moet 123 meter lang zijn en zijn hoogte zes keer zoveel. Vanaf deze 123 meter die door het Kruis in beslag worden genomen, moeten de 100 meter worden afgepast. Laat daarna een waterbekken graven van twee bij anderhalve meter en één meter diep. Maakt een ommuring. Water zal te voorschijn komen.
Hierop voegt Jezus toe :
Indien uw hart droog is, zal er weinig water zijn en weinig zullen gered worden."
En verder zegt Hij :
Vos amici Mei estis si feceritis quæ Ego præcipio vobis, dixit Dominus."
Vertaling uit het Latijn : "Gij zijt Mijn vrienden, indien gij doet wat Ik u gebied, zo spreekt de Heer."
Jezus voegt toe :
"Legt uw linkerhand op uw hart en uw rechter er overheen."
Daarna verdwijnt Jezus en Madeleine gaat dus naar haar plaats terug.
Zij heeft zin om haar vreugde uit te roepen, haar ogen tranen van geluk en zij zegt tot de priester en iemand anders, de kapel verlatend :
"Jezus leeft echt. In het vlees opgestaan heb ik zijn handen betast. Het zijn handen van vlees zoals de onze, zij voelen warm aan... ik had zin om te zingen "
Op haar verzoek zingt men het Magnificat.
"Ik mag volgens opdracht niets zeggen, men dient te gehoorzamen aan de priesters en bisschoppen. Dat heeft mij weerhouden. Ik zou mijn vreugde aan iedereen hebben willen toeroepen om daarmee aan een ieder die twijfelt de Vreugde van de verrezen Jezus te schenken."
Opmerking :
De hoogte van het Kruis van 738 meter, komt overeen met de gemiddelde hoogte boven zeeniveau van Jeruzalem.
De heilige Eucharistie.
Het is nuttig dikwijls te communiceren
De gelovige: Zie, ik kom tot U, Heer, opdat het mij wel mag gaan door uw geschenk en ik mij verheug in uw heilig gastmaal, dat Gij, God, in uw goedheid voor de mens hebt gereed gemaakt. Zie, in U is alles aanwezig wat ik kan en moet verlangen; Gij zijt mijn heil en mijn verlossing, mijn hoop en mijn sterkte, mijn eer en mijn glorie. Verblijd dan vandaag het innerlijk van uw dienaar, want tot U, Heer Jezus, heb ik mijn geest verheven. Ik wens U nu godvruchtig en eerbiedig te ontvangen; ik verlang U in mijn woning binnen te leiden om met Zacheüs te verdienen door U te worden gezegend en onder de zonen van Abraham te worden erkend.
Mijn innerlijk verlangt naar uw Lichaam, mijn hart wenst met U te worden verenigd. Geef Uzelf aan mij en het is goed. Want buiten U is geen enkele vertroosting volwaardig. Ik kan niet zonder U zijn; en zonder uw bezoek kan ik niet leven. Daarom moet ik wel dikwijls tot U naderen en U als geneesmiddel tot het heil ontvangen; anders zou ik misschien onderweg bezwijken, als ik beroofd bleef van dit hemels voedsel.
Want zo, allerbarmhartigste Jezus, hebt Gij bij uw prediking aan het volk en bij het genezen van allerlei kwalen het eens gezegd: Ik wil hen niet zonder voedsel naar hun huis terug laten gaan, misschien zouden ze onderweg omkomen.
Doe dan met mij hetzelfde, Gij die Uzelf tot troost van uw gelovigen in het Sacrament hebt nagelaten. Want Gij zijt een heerlijke verkwikking voor mijn innerlijk wezen en wie U waardig heeft genuttigd, zal deelgenoot en erfgenaam zijn van de eeuwige glorie.
Voor mij is het onmisbaar, omdat ik zo dikwijls wankel of val, zo snel weer lauw en onder de maat ben, dat ik door veelvuldig te bidden en te biechten en door het heilig ontvangen van uw Lichaam mijzelf vernieuw, mij reinig en weer vurig word, want door mij daar langer van te onthouden zou ik weggedreven worden van mijn heilig voornemen.
De zinnen van een mens immers zijn geneigd tot het kwaad vanaf zijn jonge jaren en als het goddelijk geneesmiddel hem niet ter hulp komt daalt de mens weldra tot een minderwaardig leven af.
De heilige communie houdt hem dus terug van het kwaad en bevestigt hem in het goede. Als ik namelijk nu al zo vaak nalatig en lauw ben terwijl ik communiceer, wat zou het dan zijn als ik dit geneesmiddel niet tot mij nam en deze sterke steun niet zocht? En al ben ik niet iedere dag goed genoeg gesteld, toch zal ik er mij op toeleggen de goddelijke mysteriën te vieren op de geschikte tijden en zorgen dat ik deel krijg aan die grote gunst. Want dit is een bijzonder belangrijke vertroosting voor wie U trouw wil zijn en blijven zolang hij ver van U in dit sterfelijk lichaam nog onderweg is: dat hij herhaaldelijk zijn God indachtig, zijn Geliefde met vrome gesteltenis mag ontvangen.
O wonderbare begenadiging van uw liefde jegens ons; dat Gij, Heer onze God, Schepper en Levensbron van alle geesten, tot dit armzalig menselijk wezen wilt afdalen en met heel uw godheid en mensheid zijn honger overvloedig wilt verzadigen.
Gelukkig de geest en zalig de ziel die U, haar Heer en God, godvruchtig verdient te ontvangen en bij die geestelijke gave van vreugde vervuld wordt. Zij ontvangt een groot machthebber, zij voert een zeer beminnelijke gastvriend binnen, zij krijgt een vriendelijk gezel bij zich, zij aanvaardt een trouwe vriend. Zij omhelst een bruidegom die edel en voornaam is, die boven alle geliefden en boven alles wat begerenswaardig is bemind moet worden.
Laat dan, mijn dierbaarste beminde, hemel en aarde en alles wat hen siert zwijgen in uw tegenwoordigheid, want wat zij aan lof en schoonheid bezitten, is een geschenk van uw vrijgevigheid en nooit zullen zij de heerlijkheid van uw naam nabij komen wiens wijsheid zonder grenzen is.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
DRIE KONINGEN VOOR HET OORDEEL. MAGNUS ERIKSZOON, MAGNUS LADULÅS EN ERIK XII.
ACHTSTE BOEK, KAP. 48.
WAAROM GODS WOORDEN SOMS DUISTER ZIJN.
Gods moeder sprak tot de bruid van Christus en zeide: "O! Dochter, ik heb u vroeger gezegd, dat het de laatste brief was, die den koning, mijn vriend, gezonden zou worden. Maar, dit doelde op wat zijn eigen persoon en mij aanging. Daarom zal iedereen hooren, die hooren wil, dat wat nu volgt geen brief is met vermaningen, maar een lied van liefde en rechtvaardigheid. Want toen vroeger iemand een brief gezonden werd, behelsde die brief verwijten en vermaningen; ondankbaarheid werd er in verweten jegens weldaden en er werd in vermaand om betere zeden aan te nemen. Maar, nu zingt de goddelijke rechtvaardigheid een schoon lied, dat allen aangaat, en een ieder die het gezang hoort en het gelooft en er naar handelt, zal zalig worden en de vruchten van het eeuwige leven genieten.
Nu kunt gij vragen, waarom Gods woorden zoo duister gezegd worden, zodat zij op verschillende wijze uitgelegd kunnen worden en soms door God op éen wijze begrepen worden en door de mensen op een andere. Ik antwoord: God stijgt soms door Zijn rechtvaardigheid, en daalt soms door Zijn barmhartigheid, zooals bij de koning, aan wien de profeet uit naam der rechtvaardigheid verkondigde, dat hij sterven zou, terwijl de barmhartigheid hem evenwel toeliet nog verscheidene jaren te leven. Soms daalt God door eenvoudige woorden en uitdrukkingen, en soms verheft Hij zich in geestelijken zin, zooals bij David, wien vele dingen gezegd werden die duidden op Salomon, maar die verstaan moesten worden als doelende op Gods zoon die ze volbrengen zou.
Soms spreekt God over komende dingen op dezelfde wijze als over bestaande dingen, want al wat is, wat was en wat komen zal is voor God gelijk. En verwonder er u ook niet over, dat God spreekt in duistere beelden, want dit geschiedt om vijf redenen. De eerste is, dat God Zijn groote barmhartigheid zal toonen, doordat niemand, die Gods rechtvaardigheid hoort, zal wanhopen aan Zijn barmhartigheid, want zodra de mens zich van de zonde afwendt, verandert God Zijn hard oordeel. De tweede reden is, dat zij die gelooven in de rechtvaardigheid en aan Gods belofte, des te heerlijker gekroond zullen worden voor hun geloof en geduldig wachten. De derde reden is, dat indien Gods oordeel op zekeren tijd bekend was, sommige menschen al te veel beangstigd zouden zijn over de ongelukken, die zij verwachten kunnen, en anderen niet meer verlangen zouden en niet meer zo innig liefhebben, omdat het lange wachten en dralen hun onaangenaam zou zijn.
En daarom als ik enige woorden aan iemand schrijf en zend, wordt er niet op het eind openbaar gezegd, in hoe verre zij door hem welwillend ontvangen moeten worden en al of niet geloofd, en u wordt niet verkondigd, in hoe verre hij de woorden gelooft en er al of niet naar handelt, want dat is u niet vergund te weten. De vierde reden is, dat niemand zich verstouten mag Gods woorden onverstandig of op eigen gezag te onderzoeken, want God maakt laag van hoog en vriend van vijand. De vijfde is, dat zij die gelegenheid zoeken om verdoemd te worden, die vinden zullen, en zij die onrein zijn, zullen nog onreiner worden, maar de goeden zullen des te meer in het oog vallen."
RECHTVAARDIGHEID EN BARMHARTIGHEID.
Daarop zegt de bruid van Christus: "Gods zoon sprak tot mij en zeide: "Indien iemand door een pijp sprak, die drie openingen had en zeide tot dengeen die luisterde: "Gij zult door deze opening nooit mijn stem hooren," zou men hem niet berispen kunnen, indien hij door de twee andere sprak. Zo is het nu ook in ons gesprek, want hoewel mijne moeder Maria zeide, dat het de laatste brief was die den koning gezonden zou worden, moest dit opgevat worden als de laatste brief van haar zelve. Maar, nu zend ik, God, die in de moeder is en de moeder in mij, mijn boodschap aan den koning zowel ter wille van hen die nog leven, als van hen, die nog niet geboren zijn.
Rechtvaardigheid en barmhartigheid zijn in God in alle eeuwigheid; deze rechtvaardigheid was in alle eeuwigheid in God, omdat, daar God vol wijsheid was, en vol goedheid voor Lucifer, wilde Hij, dat velen zijn goedheid deelachtig zouden worden, en daarom schiep Hij de engelen. Maar toen enkelen van hen Zijn schoonheid zagen, streefden zij er naar God te overtreffen, en daarom vielen zij en werden slecht en tot afzichtelijke duivels onder Gods voeten.
En toch heeft God zelfs met hen erbarming in zeker opzicht. Want als de duivel tengevolge van Gods rechtvaardigheid en met Gods vergunning het boze volvoert, waarin hij lust heeft, vindt hij tot zekere hoogte genoegen in zijn boosheid.
Niet zo, dat de kwellingen des duivels daardoor verminderen, maar op dezelfde wijze als een zieke, die een zeer machtigen vijand heeft, er zich over verheugt en verblijdt als hij er naar vraagt en hoort dat die gestorven is, hoewel zijn pijnen en ziekte niet door het bericht verminderen. Op dezelfde wijze verheugt de duivel zich, in zijn gloeiende afgunst, wanneer God rechtvaardigheid tegenover den mens uitoefent, en de dorst van zijn boosheid eenigszins gelescht wordt.
En daarna, toen de duivels gevallen waren en God Zijn heirscharen verminderd zag, schiep Hij (na den overmoed der duivels) den mens, opdat die Zijn gebod gehoorzamen zou en de vruchten zou dragen van goede daden, zodat er evenveel menschen naar het hemelrijk zouden opvaren als er engelen uit neergedaald waren. Aldus was de mens volmaakt geschapen. Maar toen hij de geboden Gods onvangen had, bekommerde hij zich om God noch om Diens glorie, maar gaf gehoor aan de stem van den duivel, brak met Gods gebod en zeide: "Laat ons van den levensboom eten en dan zullen we alles weten evenals God."
Deze twee, namelijk Adam en Eva, wilden God geen kwaad zoals de duivel, en wilden niet boven God geplaatst zijn zooals de duivel wilde, maar zij wilden evenveel weten als God, daarom vielen zij. Maar zij vielen niet zoals de duivel, want de duivel koesterde afgunst voor God en daarom zal er nooit een einde zijn aan diens ellende.
De mens daarentegen wilde iets wat in strijd was met Gods wil en verdiende en ondervond daardoor Gods rechtvaardigheid doch met barmhartigheid. En Adam en Eva ondervonden en werden Gods rechtvaardigheid gewaar, toen zij naakt waren in plaats van bedekt met de kleederdracht der eer, honger hadden in plaats van de vruchten van het paradijs, en vleeselijke lusten in plaats van maagdelijkheid, angst in plaats van zekerheid, arbeid in plaats van rust, en dadelijk Gods barmhartigheid ondervonden, omdat zij kleederen kregen om hun naaktheid te bedekken, voedsel voor den honger en de zekerheid van een nakomelingschap door paring. Adam leidde inderdaad het eerbaarste leven, en had nooit een andere vrouw dan Eva alleen.
God oefent ook rechtvaardigheid en barmhartigheid uit over de dieren. God schiep namelijk drie soorten van schepselen: ten eerste de engelen, die geest hebben en geen lichaam, ten tweede de menschen, die ziel en lichaam hebben, ten derde het dier dat een lichaam heeft, maar geen ziel zoals de mens. En omdat de engel geest is, is hij steeds bij God en heeft geen menschelijke hulp van node of lichamelijke dingen. En daar de mens een lichaam heeft, kan hij niet voortdurend bij God zijn voordat wat sterfelijk is van de geest scheidt. En voor het onderhoud van de mens, schiep God de onredelijke dieren tot hulp van den mensch, opdat zij dien zouden gehoorzamen en dienen, want de mensch staat boven het dier. En God oefent ook barmhartigheid uit over deze onredelijke dieren, want zij kennen geen schaamte over hun lichaam en geen zorg voor de dood, voor die komt, en vergenoegen zich met eenvoudig voedsel.
Ook na den vloed van Noach, verenigde God rechtvaardigheid met barmhartigheid, want wel had God het volk van Israël in korten tijd het land binnengeleid dat hun beloofd was, maar rechtvaardig was het dat de vaten die den besten drank zouden inhouden eerst beproefd en gereinigd werden en daarna ingewijd. En God bewees hun ook veel barmhartigheid, toen Mozes voor hen bad en hun zonde vergeven was en God hun Zijn genade schonk. Ook nadat ik mensch geworden was, werd nooit rechtvaardigheid uitgeoefend zonder barmhartigheid, en geen barmhartigheid zonder rechtvaardigheid."
Daarop werd een luide stem gehoord, die zeide: "O! Gij, moeder der barmhartigheid en van den eeuwigen Koning, oefen barmhartigheid uit en verschaf die, want tot u komen de gebeden en tranen van uw dienaar den koning. Wij weten dat de rechtvaardigheid eischt, dat hij voor zijn zonden gekweld en gestraft zal worden, maar erbarm u over hem, opdat hij zich bekeere en berouw krijgt over zijn zonden en betere en God ere." De geest antwoordde: O! God, gij zijt viervoudig rechtvaardig. Ten eerste, opdat Hij die niet geschapen is en eeuwig zijn zal, boven alles geëerd zal worden, want alles is van Hem, en door Hem blijft alles en uit Hem komt alles. Ten tweede, opdat Hij die is en eeuwig was, die op vooruit bestemden tijd geboren werd, door allen gediend zal worden en in alle reinheid bemind. Ten derde, opdat Hij, die niet voor lijden vatbaar is, maar door de menschelijke natuur er vatbaar voor gemaakt is, en door zelf te sterven den mensch onsterfelijk maakte, boven alles begeerd zal worden, wat begeerd kan worden en begeerlijk is.
Ten vierde, opdat zij die onstandvastig zijn, ware standvastigheid zoeken zullen, en zij die in het duister zijn, licht zullen begeeren, het licht dat de Heilige Geest is, en met berouw en waren ootmoed om Zijn hulp bidden. Maar de rechtvaardigheid zegt van den koning, den dienaar van Gods moeder, voor wie nu om barmhartigheid gebeden wordt, dat er niet voldoende tijd is, om volgens de eischen der rechtvaardigheid van de zonden gereinigd te worden die hij begaan heeft tegen Gods barmhartigheid, en zijn lichaam is niet in staat de straf te doorstaan, die hij voor zijn zonden verdiende. Toch heeft de barmhartigheid van Gods moeder barmhartigheid en genade voor deze haar dienaar verdiend, zodat hij zelf zal kunnen horen, wat hij misdaan heeft en hoe hij zich kan beteren, indien hij misschien berouw krijgt en zich bekeeren wil."
DE LEZENAAR.
En aanstonds zag ik in den hemel een huis van wonderbaarlijke schoonheid en grootte, en in het huis stond een lezenaar en op den lezenaar lag een boek. En toen zag ik een engel en een duivel voor den lezenaar staan. De duivel sprak en zeide: "Mijn naam is: O, wee! Deze engel en ik vervolgen en jagen iets na, wat wij begeeren, want wij zien, dat de machtigste heer van plan is iets groots op te bouwen. En daarvoor arbeiden wij beiden: de engel voor het opbouwen er van en ik werk aan de verwoesting er van.
Soms als het begeerde in mijn handen komt, is het zo heet en brandt het zo hevig, dat ik het niet houden kan. Soms als het in handen van den engel komt, is het zo koud en glibberig, dat het hem aanstonds uit de handen glijdt. En toen ik de lezenaar nauwkeurig beschouwde met al de opmerkzaamheid mijner ziel, waren mijn zintuigen en mijn verstand niet toereikend, en mijn ziel vermocht de schoonheid er van niet te begrijpen, noch te verstaan.
En mijn tong was niet in staat, die uit te spreken, want de lezenaar geleek op roode en witte zonnestralen, die schitteren als goud. Het goud straalde als de zon, en het wit was als de witste sneeuw en het rood als een blozende roos. En iedere kleur was in de andere zichtbaar, want als ik het goud beschouwde, zag ik het wit en daarin het rood, en als ik het wit beschouwde, zag ik er de twee andere kleuren in. En zo was het ook, als ik naar het rood keek en de eene kleur in de andere te zien was, en toch was de eene van de andere onderscheiden en bestond iedere kleur op zich zelf en allen op hetzelfde ogenblik, en de eene was niet groter noch kleiner dan de andere, maar zij schenen in alles en overal geheel gelijk. Toen ik omhoog keek, kon ik de lengte en uitgestrektheid niet nagaan. En toen ik omlaag keek, kon ik de diepte niet meten, want het was onmogelijk om daar iets waar te nemen.
Daarop zag ik op den lezenaar zelf een boek schitterend als het schitterendste goud. Dat boek was open en het schrift was niet geschreven met inkt of iets dergelijks, maar ieder woord in het boek was levend en sprak op dezelfde wijze alsof iemand zeggen zou: doe dit of dat, en het dadelijk gedaan werd door de woorden, die daar te zien waren. Niemand las het schrift van het boek, maar wat er in geschreven stond weerspiegelde zich in den lezenaar en in de kleuren.
DE EERSTE KONING.
Voor de lezenaar zag ik een koning, die toen nog in de wereld leefde; aan den linkerkant van den lezenaar zag ik een anderen koning, die dood was en in de hel, en aan den rechterkant van den lezenaar zag ik een derden koning, die in het vagevuur vertoefde. De bovengenoemde levende koning zat met zijn kroon als in een glazen ballon of bol. Boven den glazen bol hing een verschrikkelijk driekantig zwaard, dat ieder ogenblik de ballon dreigde te naderen, evenals een gewicht aan een klok de wijzerplaat nadert. Aan den rechterkant van denzelfden levenden koning stond een engel met gouden vaten en een gouden schoot, en aan den linkerkant stond een duivel met een hamer en een tang, en beiden wedijverden er om wiens hand den glazen bol het dichtst zou naderen, op het ogenblik als die door het zwaard aangeraakt en verpletterd zou worden. En toen hoorde ik de vreselijke stem van dien duivel, die zeide: "Hoe lang zal dit duren? Wij beiden, de engel en ik, volgen een buit en nog weten wij niet, wie van ons beiden dien winnen zal."
En aanstonds sprak de goddelijke rechtvaardigheid tot mij en zeide: "Deze dingen, die u getoond worden, zijn niet lichamelijk maar geestelijk, en de engel en de duivel zijn niet lichamelijk, doch het wordt u zoo getoond omdat gij geestelijke dingen niet anders verstaan kunt dan in lichamelijke beelden. En de levende koning scheen u te verblijven in een glazen bol, want zijn leven is als broos glas, en het plotseling eindigen. Het driekantige zwaard is de dood, die bij zijn komst drie dingen doet: hij mat het lichaam af, ontneemt het bewustzijn en kracht en scheidt als een zwaard de ziel van het lichaam. En dat de engel en de duivel om den glazen bol schijnen te strijden, betekent, dat beiden begeren de ziel van den koning te bezitten. En dengene wiens raad hij meer gehoorzaamd heeft, zal zij toegewezen worden.
En dat de engel in het bezit is van een vat en een schoot, beteekent, dat op dezelfde wijze als het kind in den schoot der moeder rust, de engel er naar streeft dat de ziel aan God zal voorgesteld worden als in een vat, opdat zij ruste in den schoot der eeuwige vreugde. En dat de duivel een hamer en een tang heeft, beduidt dat de duivel de ziel naar zich toetrekt met de tang der slechte begeerten, en die doorhakt en verplettert met de hamer der kwade bedoelingen en zondige daden. En dat de ronde glazen bol soms zeer heet is en soms glibberig en koud, beteekent de onstandvastigheid des konings, want als hij in verleiding verkeert, denkt hij in zichzelf: "Hoewel ik weet dat ik door mijn begeerten te volgen, God vergram, doe ik het toch, want ik kan het niet laten." En zo zondigt hij wetens en willens tegen zijn God, en daardoor komt hij in handen van den duivel. Later heeft de koning berouw en gaat te biecht en ontloopt voor de tweede maal de handen van den duivel en komt in de macht van den goeden engel. Maar indien de koning zijn onstandvastigheid niet aflegt, verkeert hij in gevaar, want hij staat op onzekeren en valsen grond."
DE TWEEDE KONING.
Daarop zag ik aan den linkerkant van den lezenaar den anderen koning, die dood was en naar de hel verdoemd. Hij was gedost in koningsgewaad en scheen dood en bleek op een stoel te zitten, een verschrikkelijk gezicht. Voor het gelaat van den koning was een rad bestaande uit vier lijnen, en het rad werd bewogen door het ademhalen van den koning. En iedere lijn ging op en neer volgens den wil van den koning, want de bewegingen van het rad waren in de macht des konings. En drie van deze lijnen hadden opschriften, maar op de vierde was niets geschreven.
Ik zag eveneens aan den rechterkant van den koning een engel, schoon als de schoonste mensch, en hoewel zijn handen leeg waren, diende hij toch den lezenaar.
En aan den linkerkant van den koning stond een duivel; het hoofd geleek den kop van een hond en hij had groote, sterke en scherpe klauwen aan iederen voet. Toen zeide iemand tot mij, die even sterk schitterde als de zon en van kleuren straalde, een wonderbaarlijk gezicht: "Deze koning, dien gij nu ziet, is onzalig. Nu zal u getoond worden, de toestand van zijn gemoed tijdens zijn leven en zijn voornemens op zijn sterfbed. Hoe hij gestemd was voor hij koning werd, is u niet vergund te weten.
Maar wel zult gij weten, dat gij niet zijn ziel ziet maar zijn geweten. Maar omdat de ziel en de duivel geen lichaam hebben, maar alleen geestelijk zijn, daarom zal u de verleiding des duivels en de pijn getoond worden door een gelijkenis." En aanstonds begon de dode koning te spreken niet met den mond, maar als met het hart en zeide: "O! Mijne raadslieden, mijn doel is alles te houden en te bewaren wat onder mijn kroon is. Ik wil ook arbeiden om wat ik verkregen heb te vermeerderen.
En opdat mijn bezittingen niet verminderen zullen, wil ik niet vragen, zoeken of uitvorsen, op welke wijze ze verworven zijn. Het is mij voldoende, dat ik behouden en vermeerderen kan wat ik gekregen heb." Toen riep de duivel en zeide: "Het is doorboord, wat zal mijn haak doen?" Toen antwoordde de rechtvaardigheid in het boek, dat op den lezenaar lag: "Steek uw haak in het gat en haal het naar u toe!" en aanstonds nadat de rechtvaardigheid dit gezegd had, was de haak er in gezet. En op hetzelfde oogenblik kwam de hamer der barmhartigheid voor den koning, waarmee de koning er den haak had kunnen uit slaan, indien hij de waarheid van allen nagevorst had en op een rechtvaardige en nuttige wijze zijn wil veranderd had.
Verder sprak dezelfde koning: "O! Mijne raadslieden en mannen, gijlieden naamt mij tot heer en ik ulieden tot raadgevers. Daarom verkondig ik u, dat er een man in het rijk is, die de verrader is van mijn eer en van mijn leven, een bedriegelijk man die de vrede en het volk haat. Indien zulk een man ondersteund en geduld wordt, zal het volk er onder lijden, de oneenigheid groter worden en de binnenlandse onlusten in het rijk zullen toenemen. Geleerden en ongeleerden, machtige mannen en het volk geloofden mij op deze woorden, die ik hun zeide, zo vast dat de man, dien ik berispte en betichtte, de grootste schade en schande onderging, alsof hij verraad gepleegd had. En hij werd uit het land verbannen, hoewel mijn geweten wel wist, wat de waarheid was.
En ik zeide veel wat dien man tot nadeel was, uit begeerte naar het rijk, en omdat ik vreesde het te verliezen en opdat mijn eer zou stijgen en het rijk des te zekerder mij en mijne nakomelingen zou toebehooren. En hoewel ik weet, hoe het rijk verkregen en verworven is en hoe hem onrecht geschied is, indien ik hem weer in genade aanneem en de waarheid onthul, komt alle oneer en schande over mij. En daarom ben ik inwendig vast besloten liever te sterven dan mijn onjuiste woorden en daden te herroepen."
Toen antwoordde de duivel: "O, rechter, zie hoe de koning zijn tong laat zien en tegen mij uitsteekt." De goddelijke rechtvaardigheid antwoordde: "Doe hem den strop om den hals!" Toen de duivel het gedaan had, werd een zeer scherp ijzer voor den mond van den koning zichtbaar, waarmee hij den strop had kunnen doorsnijden, indien hij het gewild had.
Verder sprak dezelfde koning en zeide: "O, mijne raadslieden, ik beraadslaagde met priesters en geleerde mannen over den toestand van het rijk, en allen zeiden mij, dat ik indien ik het rijk aan andere handen overliet, velen onheil zou berokkenen en het leven en het goed van velen benadeelen en de rechtvaardigheid en de wetten krenken. En opdat ik het rijk behouden mocht en het verdedigen en het bewaren voor vijanden, was het onze plicht om eenige nieuwe belastingen te heffen. Want de oude inkomsten en het goed van de kroon en de renten, die den koninklijken voorraadskelder toebehooren, zijn niet toereikend om het land te besturen en te verdedigen; daarom dacht ik eenige nieuwe en onwettelijke belastingen uit om die het rijk op te leggen tot nadeel van velen eveneens van onschuldige rondzwervende kooplieden, en hoewel ik wist dat dit Gode onbehagelijk was en streed tegen alle rechtvaardigheid en openbare eer, was ik toch voornemens tot mijn dood dit vol te houden."
En toen riep de duivel en zeide: "O! Rechter, deze koning zette zijn beide handen onder mijn watervat, wat zal ik doen?" de rechtvaardigheid antwoordde: "Giet er uw gif over uit!" En toen het gif uitgegoten was kwam, aanstonds een vat met heilig oliesel voor den koning, waarmee hij het gif had kunnen afwasschen, indien hij gewild had. Toen riep de de duivel met geweldige stem en zeide: "Ik zie iets wonderbaars en ondenkbaars, want mijn haak is in het hart van den koning gezet, en aanstonds werd hem de hamer op den schoot gegeven; en mijn strik is vastgezet aan zijn tong en mond en het scherpste ijzer werd hem aangeboden; ook mijn gif is hem in de handen gegoten en daarvoor werd hem een vat met heilig oliesel aangeboden." De gerechtigheid antwoordde uit het boek, dat op den lezenaar lag: "Alles heeft zijn tijd, en barmhartigheid zal met rechtvaardigheid gepaard gaan."
Daarop sprak Gods moeder tot mij en zeide: "Kom, dochter en hoor, waartoe de goede geest en de booze de ziel ophitsen en welken raad zij geven, want ieder mensch krijgt een ingeving en wordt bezocht, soms van een goeden, een ander maal van een boozen geest, en er is niemand, dien God in zijn leven niet zoekt." En aanstonds verscheen dezelfde doode koning, aan wiens ziel de goede geest terwijl de koning leefde, den volgenden raad gaf: "O! Mijn vriend, gij zijt verschuldigd God te dienen met alle krachten, want Hij gaf u leven, bewustzijn, verstand, gezondheid en eer en bovendien verdraagt Hij uwe zonden en gaat die met u na."
Het geweten van den koning antwoordde, in beelden sprekende: "Het is waar, dat ik God moest dienen, door Wiens macht ik geschapen en verlost ben, en door Wiens barmhartigheid ik leef en besta." Maar in strijd daarmede hitste de booze geest den koning aan en zeide hem: "O! Broeder, ik geef u een goeden raad: doe zoals men met een appel doet; werp de schil weg en behoud het beste en nuttigste. Doe ook zo, want God is ootmoedig, barmhartig en geduldig en heeft niets nodig. Geef Hem daarom van uw eigendom wat gij goed en gemakkelijk missen kunt en behoud wat u het nuttigst en best is. Doe daarom al wat uw lichaam behaagt, want dat kan spoedig beteren, en laat na wat gij niet gaarne doet, hoewel gij het doen moest; en deel in plaats daarvan aalmoezen uit, tot veler genoegen."
Het geweten des konings antwoordde: "Dat is een nuttige raad. Daarom zal ik van mijn bezittingen weggeven, wat ik zonder moeite missen kan, wat God mij toch het allermeest aanrekent, en al het andere zal ik bewaren tot mijn nut en voordeel, opdat ik veel vrienden krijgen zal."
Daarop sprak door zijn ingevingen weer de engel, die den koning tot bescherming gegeven was, en zeide: "O, mijn vriend, bedenk dat gij sterfelijk zijt en spoedig sterven zult. Bedenk ook, dat dit leven kort is en dat God een rechtvaardig en geduldig rechter is, die al uw gedachten weegt en oordeelt, al uw woorden en daden van het begin af dat gij verstand kreegt tot aan uw einde. En Hij oordeelt ook al uwe intenties en wenschen en laat niets ononderzocht. Benut daarom uw tijd, en gebruik uw bekwaamheden op verstandige wijze. Bestuur uw lichaam tot nur uwer ziel, leef matig en geef niet toe aan boze lusten, want dan komt gij niet in het vaderland Gods."
Hiertegen hitste de geest van den duivel den koning met zijn ingevingen en zijn raad op: "O, broeder, indien gij rekenschap moet afleggen van alle ogenblikken en uren, hoe zult gij dan ooit eenige vreugde smaken? Hoor daarom mijn raad: God is barmhartig en gemakkelijk te verzoenen. En Hij had u niet verlost, indien Hij u had willen verdelgen. Daarom zegt de Schrift, dat alle zonden vergeven worden ter wille van het berouw. Doe daarom als een wijs man, die zijn schuldeiser twintig pond goud betalen moest, en daar hij niets had om mee te betalen, vroeg hij een vriend om raad, die hem ried, twintig pond koper te nemen en die met een pond goud te vergulden, en daarmee zou hij zijn schuldeiser betalen.
En hij volgde den raad, die hem gegeven werd, betaalde aldus zijn schuldeiser die hem geleend had en in hem geloofd twintig pond koper, bedekte het met goud en negentien pond goud behield hij voor zich zelf. Doe ook zo Gebruik negentien uren van den tijd voor uw eigen genoegen, dan blijft u een uur over om verdriet en berouw te hebben over uwe zonden. Doe daarom na de bekentenis uwer zonden en de biecht stoutmoedig wat u lust, want evenals het koper, met goud bedekt, geheel goud scheen te zijn, zullen op dezelfde wijze uwe zonden, die door het koper aangeduid worden, verguld met berouw, uitgewist worden en zullen al uwe daden schitteren als goud."
Het geweten van den koning antwoordde: "Deze raad schijnt mij wijs en aangenaam, want als ik dien opvolg, kan ik al mijn tijd gebruiken voor mijn genot."
Verder sprak de goede engel tegen den koning en zeide: "O! Mijn vriend, bedenk eerst met welk meesterschap God u leidde uit den engen schoot uwer moeder, en bedenk ten tweede met welk geduld God u leven laat; en wees ten derde gedachtig aan de groote smart, waarmee Hij u van den eeuwigen dood verloste."
Lijnrecht in tegenstelling hiermede liet de stem van den duivel zich in den koning horen en zeide: "O! Broeder, indien God u uit den engen schoot uwer moeder de wijde wereld inleidde, bedenk dat God u ook weer de wereld uitleidt door een bitteren dood, en bedenk ook, dat indien God u een lang leven gunt, gij tegen uw wil ook veel zorg en moeite in dit leven hebt. En indien God u verloste door Zijn bitteren dood, wie dwong Hem daartoe? Gij hebt het Hem niet gevraagd."
Toen antwoordde het geweten van den koning, als sprak het inwendig. "Wat ge zegt is waar. Ik treur er nu meer over dat ik sterven zal dan dat ik uit den schoot mijner moeder geboren ben. En het valt mij zwaarder dan iets anders om wereldsche zorgen en tegenspoed te dragen en al wat mij tegenstaat. En indien mij de keus gelaten werd, wilde ik liever in de wereld leven zonder zorgen en aan de vreugde er van blijven deelnemen dan van de wereld scheiden, en ik zou liever eeuwig op de wereld leven in voortdurende heerlijkheid en vreugde, dan door Christus bloed verlost te zijn. En ik zou niet naar het hemelrijk vragen, indien ik de wereld op aarde bezitten kon, zoals ik het wilde."
HET OORDEEL OVER DEN TWEEDEN KONING.
Toen hoorde ik van den lezenaar het woord der rechtvaardigheid dat luidde: "Ontneem den koning het olievat, want hij zondigde tegen God den Vader. God de Vader, die sinds eeuwigheid is in den Zoon en in den Heiligen Geest, gaf door Mozes een goede en ware wet, maar deze koning stelde wetten in die onrechtvaardig waren. Maar daar hij ook wat goeds deed, al deed hij het niet met een goede intentie, mag hij het rijk bezitten en behouden, zolang hij leeft, om er in de wereld voor beloond te worden."
Weer luidde het woord van den lezenaar: "Neem het scherpe ijzer van de oogen des konings weg, want hij zondige tegen Gods Zoon, die door Zijn apostel zegt, dat Gods oordeel zonder erbarming hen treffen zal, die geen erbarming hebben. Maar deze koning wilde geen genade bewijzen en geen erbarming uitoefen tegenover den man, die onrechtvaardig gestraft werd, en hij wilde zijn verkeerde handelingen niet goed maken en zijn onrechtvaardigen wil niet wijzigen.
Toch zal hij als loon voor enige goede daden, die hij deed, enige wijze en verstandige woorden in den mond hebben en door de meesten voor verstandig gehouden worden." Voor de derde maal sprak het woord der rechtvaardigheid en zeide: "Moge de hamer den koning ontnomen worden, want hij zondigde tegen den Heiligen Geest. Want de Heilige Geest vergeeft de zonden van allen, die zich waarlijk beteren. Maar deze koning is van plan tot aan het einde in zijn zonden te volharden. Omdat hij toch eenige goede daden verricht heeft, krijgt hij wat hij het vurigst begeert, en in zijn oogen het meest straalt, namelijk de schoone vrouw, die hij begeert en tot zijn echtgenoote wenst, en ook een dood die in het oog der wereld schoon en begeerlijk is."
Daarna, toen het laatste uur van den koning daar was, riep de duivel en zeide: "Het vat met oliesel is nu weggenomen. Daarom zal ik zijn handen vullen en plagen, opdat zij geen vruchtdragende daden volbrengen zullen." En zoodra de duivel het gezegd had, werd de koning zwak en ziek. En aanstonds riep de duivel en zeide: "Het scherpe ijzer is nu weggenomen; daarom zal ik mijn strop vaster zetten en aanhalen." En aanstonds werd den koning de spraak ontnomen. En op hetzelfde ogenblik sprak de rechtvaardigheid tot den goeden engel, die den koning tot verdediging gegeven was, en zeide: "Zoek in het rad en zie welke lijn naar boven wijst." En toen werd de vierde bevonden naar boven te wijzen, waarop niets geschreven stond. "Daar deze ziel beminde al wat ijdel en leeg was, zal zij nu overgelaten worden aan de goedheid van den duivel." En aanstonds werd de ziel van den koning van het lichaam gescheiden.
Toen de ziel het lichaam ontvlood, riep dadelijk de duivel en zeide: "Ik zal het hart van dien koning verscheuren, want ik zal meester zijn over zijn ziel!" en toen zag ik hoe de koning geheel veranderde van top tot teen; hij zag er vreselijk uit als een dier, dat gevild is, met uitpuilende ogen en aaneengeklonterd vlees. En toen klonk zijn stem: "Wee mij, want ik ben blind geworden, als een welp, die blind geboren wordt. Wee mij, want ik weet door mijn blindheid, dat ik God nooit zien zal, want nu ben ik mij bewust, wat ik had moeten doen en niet gedaan heb. Wee mij, want ik was geschapen volgens Gods beeld en herboren door het doopsel, maar vergat God lief te hebben.
En omdat ik niet wilde drinken van de goddelijke melk der zoetheid, gelijk ik nu meer op een blinden hondenwelp dan op een pasgeboren kind dat zien kan. En daar ik koning was, ben ik nu genoodzaakt, hoewel tegen mijn wil, om de waarheid te zeggen. Ik was als met drie touwen gebonden en moest mijn God dienen van wege het doopsel, van wege het huwelijk en vanwege de kroon van het rijk. Maar het eerste versmaadde ik, want ik richtte mijn wil naar de ijdelheid der wereld. Het tweede nam ik niet in acht, want ik begeerde de vrouw van een ander. Het derde versmaadde ik, als ik mij verhoovaardigde over wereldse macht en Gods macht en de glorie van het hemelrijk niet in acht nam, of er niet aan dacht. En hoewel ik nu blind ben, zie ik in mijn bewustzijn toch, dat ik doordat ik het doopsel minachtte aan den haat des duivels overgelaten zal worden.
Voor de onbeheerste begeerten en handelingen van mijn lichaam zal ik al de booze begeerten van den duivel te doorstaan hebben. En voor mijn hoogmoed zal ik aan de voeten des duivels vastgebonden worden." Toen zeide de duivel: "O! Broeder, nu is het tijd, dat ik spreek en handel. Kom daarom naar mij toe, niet met liefde, maar met haat. Waarlijk, ik ben de schoonste van alle engelen, en gij waart een sterfelijk wezen. En de almachtige God gaf mij een vrijen wil, doch daar ik daar op verkeerde wijze gebruik van maakte en liever God haten wilde, omdat ik Hem liever wilde overtreffen dan liefhebben, viel ik met het hoofd naar beneden. Maar gij werd na mijn val geschapen als andere menschen en werd boven mij bizonder bevoordeeld, doordat Gods Zoon u met Zijn bloed verloste, maar mij niet.
Omdat gij de liefde voor God verachtte, zult gij uw hoofd buigen naar mijn voeten, en ik zal uw voeten in mijn mond nemen, en wij zullen samen verbonden zijn, zooals zij waarvan de een het zwaard in het hart van den ander stak en deze het mes in de ingewanden van den eerste. Steek mij met uw woede, en ik zal u steken met mijn boosheid. Want ik had het hoofd, dat is het verstand, om God te eren, indien ik gewild had, en gij hadt voeten, dat is de kracht om naar God te gaan, maar gij hebt niet gewild. Daarom zal mijn vreselijk hoofd uwe koude voeten verslinden en verteren. Gij zult verslonden worden zonder terug te keeren en niet verteerd maar herboren, om steeds tot in alle eeuwigheid dezelfde pijn te ondergaan. Wij zullen ons als met drie touwen aan elkaar vastmaken. Het eerste touw om het middel. Met het tweede touw binden wij uw hoofd en mijn voeten samen, met het derde mijn hoofd en uwe voeten."
Daarna zag ik dat dezelfde duivel aan iederen voet drie scherpe klauwen had; en hij zeide tot den koning: "O! Broeder, daar gij oogen hadt om den weg des levens te zien, en een geweten om kwaad van goed te onderscheiden, zullen twee mijner klauwen u de oogen uitsteken en de derde zal uw hersens binnendringen, waardoor gij zo gedrukt en gekweld zult worden, dat gij geheel en al onder mijn voeten komt, hoewel gij toch geschapen waart om mijn heer te zijn en ik uw voetbank. Gij kreegt daarbij ook twee ooren om den weg des levens te horen en een mond om te spreken wat nuttig was voor de ziel. Maar daar gij versmaaddet te horen en te spreken wat bijdroeg tot het welzijn uwer ziel, zullen twee klauwen van mijn anderen voet uwe ooren binnendringen en de derde uw mond. En daardoor zult gij zo gepijnigd worden, dat alles u het bitterst wordt, wat u het zoetst scheen, toen gij zondigdet tegen God."
Hierop werden zij aan elkaar vastgebonden op bovengenoemde wijze. En toen hoorde ik een stem, die zeide: "O! o! Wat heeft de koning nu aan al zijn rijkdommen? Waarlijk niet anders dan letsel. En wat aan zijn eer? Waarlijk, niet anders dan schaamte. Wat aan de begeerte, waarmede hij streefde naar het rijk? Waarlijk, niet anders dan pijn. Hij was gezalfd met de heilige olie en gewijd met heilige woorden en gekroond met een koninklijke kroon, opdat hij Gods woord en daden en ere zou houden en Gods volk zou verdedigen en besturen en zich altijd onderdanig weten zou aan God. Maar daar hij God niet onderdanig wilde zijn, is hij nu den duivel onderdanig en hangt aan diens voeten. En daar hij zijn tijd niet gebruikte voor goede werken, terwijl hij kon, zal hij hierna geen tijd verkrijgen die vruchten dragen kan."
DE GEESTELIJKE BETEEKENIS VAN DE VOORAFGAANDE BEELDEN.
Daarna sprak de rechtvaardigheid in het boek, dat in den lezenaar was, en zeide tot mij: "Al deze dingen, die u zoo ernstig getoond zijn, gebeuren bij God in een ogenblik. Maar daar gij een lichamelijk wezen zijt, is het noodzakelijk, dat geestelijke kennis u bijgebracht wordt in den vorm van zinnebeelden. En dat de koning, de duivel en de engel u samen schenen te praten, betekent niet anders dan de ophitsing en de ingeving van goede of kwade geesten, die door den engel of den duivel in de ziel van den koning kwamen, of door hun raadgevers en vrienden.
En door het roepen van den duivel "het is doorboord" moet verstaan worden dat het geweten van den koning met het ijzer des duivels doorboord was, dat wil zeggen dat hij volhardde in de zonde. En de haak werd in de ziel van den koning gezet, toen de verleiding des duivels er zoveel macht kreeg dat de koning tot aan het einde zijns levens zijn onrechtvaardigheid wilde volhouden. En de hamer, betekent den tijd, die den koning gegeven was om zich te beteren, want als de koning gedacht had: Ik zondigde, nu wil ik niet langer onrechtvaardig verkregen goed behouden, nu zal ik mij beteren was de haak der rechtvaardigheid er door den hamer des berouws uitgeslagen en kwam de koning op den goeden weg en was hij een goed leven gaan leiden.
De strop werd aangelegd, omdat de koning geen genade wilde uitoefenen, tegenover den man die door hem tot schande gebracht werd. Hierdoor moeten wij verstaan dat een ieder die ter wille van eigen roem wetens en willens zijn medemensch benadeelt door een duivelschen geest bestuurd wordt en met een strop gebonden moet worden als een dief. Het scherpe ijzer beteekent den tijd, die den koning gegeven werd om zich te verbeteren. Want als een mensch zijn misdaad goed wil maken, zich verbeteren, is die goede wil als het scherpste ijzer, waarmee de strop des duivels wordt doorgesneden en vergiffenis der zonde verdiend wordt. Want indien de koning den verongelijkten man genade had verleend, was aanstonds de strop des duivels doorgehouwen. Maar, daar hij met een slecht doel onrechtvaardig bleef, was het rechtvaardig, dat hij nog ongevoeliger werd.
Het gif betekent dat de handelingen van den koning bestuurd werden door den geest, de booze aanhitsingen en den slechten raad van den duivel. Want evenals het gif onrust en koude in het lichaam brengt, werd de koning verontrust en gekweld door slechten raad en slechte gedachten.
Het olievat, dat na het gif kwam, beteekent het bloed van Jezus Christus, dat tot nieuw leven opwekt. Want, indien de koning het bloed dat Jezus Christus voor ons vergoten heeft niet vergeten had en God om hulp gebeden en gezegd: "O, Heere God, Gij, die mij geschapen en verlost hebt, ik weet dat ik met Uw toestemming de kroon van dit rijk aanvaard heb. Bekamp de vijanden, die tegen mij strijden, en verlos mij van mijn schuld, want de inkomsten van het rijk zijn niet toereikend," dan had ik hem geholpen en had ik zijn last verlicht.
En het rad beteekent het geweten van den koning, dat draaide en wendde als een rad, geneigd tot vreugde, een ander maal tot verdriet. En de vier lijnen in het rad beteekenen den viervoudigen wil, dien ieder mensch hebben moest, namelijk den volmaakten sterken, waren en redelijken. Een volmaakte wil is de wil om God lief te hebben en Hem boven alles te bezitten. Deze wil moet de eerste en hoogste plaats innemen. De tweede wil is de wil om zijn naasten lief te hebben zooals zich zelf, ter wille van God. En deze wil moet sterk zijn en niet door haat of afgunst verslappen. De derde wil is de wil om zich te onthouden van zinnelijke begeerten en onkuisheid en naar de eeuwigheid te verlangen.
Die wil moet de ware zijn, om alleen God te willen behagen en niet den mensen. En deze wil behoort de derde plaats in te nemen. De vierde, de wil om op aarde alleen dat te verlangen wat noodig is voor het onderhoud van het lichaam. Toen het rad werd omgedraaid, bleek uit de lijn die omhoog ging, dat de koning de genoegens der wereld liefhad en de liefde voor God versmaadde. Op de tweede lijn was geschreven dat hij wereldsgezinde mensen liefhad en wereldse eer. De derde lijn toonde het genoegen, dat hij had in wereldse bezittingen en rijkdommen. Op de vierde lijn was niets geschreven, en daar had de liefde voor God boven alles op moeten staan.
Dit betekent dat zijn ziel liefde en vrees voor God niet kende, want door de vrees trekt de ziel God naar zich toe en door de liefde treedt God de goede ziel binnen. Indien een mens gedurende heel zijn leven God nooit had lief gehad, maar in zijn laatste uur zeide: "O! Heere God, ik berouw met geheel mijn hart, dat ik tegen U gezondigd heb. Geef mij Uw liefde en ik zal mij daarna beteren," zou zo iemand niet naar de hel gaan. Maar omdat de koning niet liefhad wat hij moest liefhebben, heeft hij nu het loon voor zijn liefde."
DE DERDE KONING.
Daarna zag ik aan den rechter kant der gerechtigheid den tweeden koning, die in het vagevuur was. Hij zag er uit als een pasgeboren kind en kon zich niet bewegen, maar alleen de oogen opslaan. Links van den koning stond een duivel, zijn hoofd geleek een blaasbalg met lange pijp, zijn armen geleken twee slangen en zijn knieën een pers en zijn voeten een langen haak. Aan den rechter kant van den koning stond de schoonste engel tot hulp gereed. Toen hoorde ik een stem die zeide: "Nu is de koning zooals zijn ziel was, toen die het lichaam verliet." En dadelijk riep de duivel tot het boek in den lezenaar en zeide: "Dit is vreemd, want deze engel en ik wachtten op de geboorte van dit kind, hij met zijn reinheid en ik met al mijn onreinheid.
En zodra het kind geboren was, was er een onreinheid in te bespeuren, die de engel verafschuwde, zodat hij het kind niet kon aanraken. Maar ik raakte het kind aan, want het viel in mijne handen, maar ik weet niet, waarheen ik het leiden zal, want mijn duistere ogen zien het niet tengevolge van een helderen steen in de borst van het kind. Maar de engel, die het knaapje ziet en weet waarheen hij hem leiden zal, kan hem niet aanraken. Daarom moet gij, die een rechtvaardig rechter zijt, onzen strijd en twist beslechten. Het woord van het boek op den lezenaar antwoordde: "Gij, die spreekt, zeg waarom de ziel van dezen koning u in handen viel?"
De duivel antwoordde: "Gij zelf zijt de gerechtigheid; gij zeide dat niemand het hemelrijk zou binnengaan, die onrechtmatig verkregen goed niet weergeeft. Maar deze ziel is geheel verontreinigd door onrechtmatig verkregen goed; al de aderen, het merg, het vleesch en het bloed zijn er door gevoed. Ten tweede zeide gij, dat schatten en bezittingen, waaraan motten en wormen knagen en daardoor vernield worden, niet verzameld moeten worden, maar alleen die welke blijvend zijn. Maar in deze ziel is de plaats leeg, waar de schatten van het hemelrijk moesten liggen. Maar de plek waar wormen en ongedierten geboren worden en zich ontwikkelen, was vol.
Ten derde zeide gij, dat men zijn naaste moest liefhebben ter wille van God, maar deze ziel had het lichaam meer lief dan God en bekommerde zich niet om de liefde voor zijn naaste. Want toen de ziel in het lichaam huisde, verheugde de koning zich over goederen, die zijn medemenschen oneerlijk ontnomen waren, en verscheurde het hart van zijn onderdanen zonder te letten op het kwaad dat hij anderen deed, terwijl hij zelf overvloed had. Hij deed wat hem behaagde en gebood wat hij wilde en stoorde zich weinig aan rechtvaardigheid en billijkheid. Dit is de voornaamste reden waarom hij in mijn handen kwam, en daarbij komen nog ontelbare vele andere." Toen antwoordde het woord in het boek der gerechtigheid en zeide tot den engel: "O, gij engel, wachter der ziel, die in het licht zijt en het licht ziet, welk recht of welke kracht hebt gij om deze ziel te helpen?"
De engel antwoordde: "Hij had het ware geloof en geloofde en hoopte dat iedere zonde uitgewischt zou worden door berouw en biecht; en hij vreesde God, hoewel minder dan hij moest." Weer sprak de gerechtigheid uit het boek en zeide: "O! Mijn engel, u zij nu toegelaten de ziel aan te raken, en u, duivel, zij toegelaten het licht der ziel te zien. Onderzoekt daarom beiden en ontdekt wat deze ziel liefhad, toen die in het lichaam huisde en heel het lichaam gezond was." De engel en de duivel antwoordden beiden: "Die had de wereld lief en rijkdom." Toen zeide de gerechtigheid in het boek: "Wat had hij lief op het oogenblik dat zij den doodsstrijd streed?"
Toen antwoordden zij beiden: "Hij had zich zelf lief, want hij stelde eigen ziekte en verdriet hooger dan de pijnen van zijn Verlosser." Verder sprak de gerechtigheid: "Onderzoekt wat hij liefhad in zijn laatste uur, toen hij nog vol bewustzijn had en verstand."
De engel alleen antwoordde: "Deze ziel dacht: "Wee mij, want ik trad zeer stoutmoedig op tegen mijn Verlosser; God gave, dat ik tijd had, om mijn God te danken. Ik treur nu meer en heb meer verdriet, omdat ik tegen God gezondigd heb dan over mijn lichamelijke pijnen, en zelfs al verwierf ik er het hemelrijk niet door, toch wil ik mijn God dienen."
Daarop antwoordde de gerechtigheid uit het boek: "Daar gij, duivel, de ziel niet zien kunt van wege haar helderen glans, en gij, mijn engel, haar niet kunt aanraken van wege haar onreinheid, is het een rechtvaardig oordeel dat gij, duivel, de ziel zult zuiveren en gij, engel, haar troost totdat zij de klaarheid der glorie binnengeleid kan worden. En u, ziel, wordt beloofd den engel te zien en door hem getroost te worden. En gij zult het bloed van Christus deelachtig worden en de gebeden van zijn moeder en van de Kerk." Hierop kwelde de duivel de ziel met zijn pers, zijn blaasbalg en de slangen.
Toen de duivel deze drie kwellingen weer van vorenaf aan wilde beginnen, zag ik Gods engel de handen uitstrekken over die des duivels, opdat hij de kwelling niet zo vreeselijk zou maken als de eerste maal. En zo verminderde Gods engel iedere maal de kwellingen. En de ziel sloeg na iedere kwelling haar ogen naar den engel op, maar zeide niets, maar scheen door gebaren aan te duiden dat zij den troost van den engel voelde en dat zij hoopte op spoedige redding.
DE GEESTELIJKE BETEEKENIS VAN VOORGAANDE ZINNEBEELDEN.
Daarna sprak het woord van den lezenaar en zeide tot mij: "Al deze dingen, die u zoo uitvoerig getoond zijn, gebeuren bij God in één oogenblik. Maar daar gij een lichamelijk wezen zijt, worden deze dingen u in beelden getoond. Hoewel deze koning prijs stelde op wereldse eer en gaarne nam wat het zijne niet was, vreesde hij toch God en ten gevolge daarvan deed hij engele dingen niet, waarin hij lust had, en zo leidde deze godsvrucht hem tot Gods liefde. En gij zult weten, dat velen, die zeer misdadig waren en verward in vele zonden, door het hevigste berouw werden aangegrepen vóór hun dood, een berouw dat zo volmaakt kan zijn, dat niet alleen de zonden hun vergeven worden, maar ook de kwellingen van het vagevuur, indien zij sterven in dat berouw.
Maar deze koning werd niet van liefde vervuld aleer hij op zijn sterfbed lag. Maar toen zijn bewustzijn en de krachten van zijn lichaam begonnen te verzwakken, kreeg hij door mijn genade een goddelijke ingeving, zoodat hij meer treurde over de oneer God aangedaan, dan over zijn eigen lijden en pijn. En dat verdriet werd voorgesteld door het licht, dat de duivel zo verblindde, dat hij niet wist waarheen hij de ziel des konings leiden zou. En niet daarom zeide hij verblind te zijn alsof hij geen geestelijk begrip had, maar wel alsof hij verwonderd ware geweest dat zulk een groote klaarheid van licht gepaard ging met een zoo groote onreinheid bij deze ziel. Maar de engel wist wel waarheen hij de ziel leiden zou, doch hij kon haar niet aanraken voordat zij gereinigd was, zooals geschreven staat: Niemand zal Gods aangezicht zien, voor hij gezuiverd is."
Verder sprak het woord van den lezenaar en zeide: "Het uitstrekken der handen van den engel boven die van den duivel, opdat de duivel zijn kwellingen minder hard zou maken, beteekent de macht van den engel over de macht en de heerschappij van den duivel, waardoor de engel den duivel zijn macht ontneemt. Want indien de duivel niet door Gods kracht teruggehouden werd, zouden zijn kwellingen nog vreeselijker zijn. Zodoende oefent God ook in de hel barmhartigheid uit. Want, hoewel de verdoemden niet verlost worden en geen vergiffenis voor hun zonden bekomen en geen troost, bestaat Gods barmhartigheid toch daarin, dat zij niet meer gepijnigd worden dan rechtvaardig is en zij verdiend hebben. Anders kende de boosheid des duivels grens noch maat.
Dat deze koning u getoond wordt als een pasgeboren kind beteekent, dat degeen die uit de ijdelheid der wereld tot het leven des hemelrijks geboren wil worden, onschuldig moet zijn als een kind en door Gods genade tot volmaaktheid in de deugd opgroeien. En dat de koning zijn ogen naar den engel opsloeg betekent, dat hij troost kreeg van den engel, zijn verdediger, en vreugde door zijn hoop, want hij hoopte op het eeuwig leven. En zoo zullen geestelijke dingen begrijpelijk gemaakt worden door lichamelijke beelden, want in werkelijkheid hebben engelen en duivels niet zulke lichamen en houden niet zulke gesprekken, omdat zij geest zijn."
Daarop sprak het woord van den lezenaar en zeide tot mij: "De lezenaar, dien gij zaagt, beteekent de Godheid zelf: Vader en Zoon en de Heilige Geest. En dat gij de lengte en breedte en diepte en hoogte van den lezenaar niet waar kunt nemen, beteekent dat niemand in God begin of einde vinden kan, want Hij was en is zonder begin en zal zijn zonder einde. En dat de drie kleuren alle in elkaar zichtbaar waren en toch de eene kleur van de andere onderscheiden was beteekent, dat God Vader in den Zoon is en in den Heiligen Geest in eeuwigheid, en de Zoon in den Vader en in den Heiligen Geest, en de Heilige Geest in beiden, in waarheid één natuur en toch onderscheiden door de persoonlijkheid. De bloedroode kleur betekent den Zoon, die de menselijke natuur aannam, zonder dat Hij de goddelijke natuur verloor. Het wit betekent den Heiligen Geest, door Wiens genade de vergiffenis der zonden meegedeeld wordt. En het goud beteekent den Vader, die de oorsprong en volmaking van alles is.
Niet omdat de Vader volmaakter is dan de Zoon, en niet dat de Vader grooter is dan de Zoon, maar opdat gij verstaan zult, dat de Vader niet dezelfde is als de Zoon, maar een ander is de persoon des Vaders, een ander is de persoon des Zoons, een ander is de persoon des Heiligen Geestes en zij zijn één in wezen, daarom werden u drie afzonderlijke en toch vereenigde kleuren getoond, onderscheiden door het verschil der personen en vereenigd door de eenheid van wezen.
En evenals gij ieder afzonderlijke kleur de twee andere kleuren zaagt en de eene kleur niet zien kondt zonder ook de andere te zien en niet daarvoor noch daarna, noch grooter, noch kleiner, zoo is ook in de Heilige Drievuldigheid niets daarvoor noch daarna, noch grooter, noch kleiner dan iets anders, noch gescheiden, noch tegenovergesteld, maar één wil, één eeuwigheid, één macht, één heerlijkheid. En hoewel de Zoon van den Vader is en de Heilige geest van beiden, was toch nooit de Vader zonder Zoon en den Heiligen Geest en waren nooit de Zoon en de Heiligen Geest zonder den Vader."
Verder sprak het Woord tot mij en zeide: "Het boek, dat gij op den lezenaar zaagt, beteekent, dat in de Godheid eeuwige rechtvaardigheid en wijsheid zijn, waaraan niets toegevoegd noch ontnomen kan worden. En dit is het boek des levens, dat niet geschreven is als een schrift, dat is en niet was, maar het schrift van dit boek is eeuwig, want in de Godheid is eeuwigheid en kennis over alles, tegenwoordige, verleden en toekomende dingen, zonder wisseling noch verandering; en niets is onzichtbaar voor de Godheid, want die ziet en weet alles. En dat het Woord zelf sprak betekent dat God het eeuwige Woord is, van Wien alle woorden zijn en door Wien alles leven krijgt en blijft bestaan.
En het Woord sprak op zichtbare wijze, toen het Woord vlees werd en onder de mensen verkeerde. Gij zult eveneens weten, dat Gods moeder u dit goddelijk visioen gaf. En de barmhartigheid die het Zweedsche rijk beloofd is, bestaat daarin, dat de inwoners de woorden zullen hooren, die uit Gods mond komen. Maar dat er weinigen zijn, die de hemelsche woorden aannemen en gelooven, die u door God verkondigd zijn, is niet de schuld van God maar die der menschen, omdat zij hun gemoed koud laten. Want de woorden der Schrift zijn niet vervuld door de eerste koningen van dezen tijd, maar de tijden zullen komen, waarin zij vervuld zullen worden."
03-04-2011
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE ZONDAG.
N. ( M ).
Van zodra ik meer tijd heb wordt dit blog dagelijks bijgewerkt, ik kom handen te kort. Ook zal ik Jullie mailtjes zo vlug mogelijk antwoorden.
Christelijke Groetjes,
Nelly. ( M ).
Boodschap aan Mirjana Dragicevic op 2 april.
Onze-Lieve-Vrouw gaf de volgende boodschap:
***************************************
"Lieve kinderen, met moederlijke liefde verlang ik het hart van ieder van u te openen en u te onderrichten in de persoonlijke eenheid met de Vader. Om dit te aanvaarden, moet u begrijpen dat u belangrijk bent voor God en dat Hij u hoogstpersoonlijk roept. U moet begrijpen dat uw gebed een conversatie van een kind met de Vader is; dat liefde de weg is waarover uw reis loopt, liefde voor God en liefde voor de naaste.
Dat is, mijn kinderen, de liefde die geen grenzen kent. Dat is de liefde die uitgaat van de waarheid en die tot het uiterste gaat. Volg mij, kinderen, zodat ook anderen u zouden volgen doordat ze de waarheid en de liefde bij u herkennen. Dank u wel!"
Opnieuw vroeg Maria ons te bidden voor onze herders, onze priesters en zegde:
"Zij hebben een bijzondere plaats in mijn hart. Zij vertegenwoordigen mijn Zoon."