For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
28-02-2011
God van het leven.
God van het leven,
het is uw woord dat ons wekt,
het is de zegen van uw nabijheid,
die ons gaande houdt.
Wij danken U en vragen:
doe ons opstaan telkens weer
uit sleur en alledag.
Geef ons de kracht,
om al wat dodelijk is
uit ons midden te bannen
en ons steeds te vernieuwen
in de geest van Jezus,
die voor ons is en voor ons blijft:
toekomst en leven
voor tijd en eeuwigheid.
Amen.
Met hart en ziel willen wij U loven, Heer.
Met hart en ziel willen wij U loven, Heer.
Wij zingen een lied voor U.
De valse goden mogen het horen.
Hier passen naast U geen goden van vlees,
geen goden als geesten,
geen valse spinsels uit enge dromen.
Wij knielen voor U en richten ons naar uw huis.
Van U ontvingen wij dit huis waarin we wonen,
waarin we elkaar kunnen herbergen,
koesteren en beminnen.
Wij willen U prijzen om uw trouw.
Gij doet uw woord gestand.
Gij houdt uw naam in eer.
Als wij U aanroepen in nood
komt Gij ons te hulp.
Gij verhoort onze gebeden en geeft ons moed.
Gij blijft niet ver van ons.
Gij leeft mee in ons eigen leven.
Voor U zingen wij omwille van uw Zoon.
Hij opent ook vandaag nog onze ogen
voor uw liefde in al wie gering is, broos en klein.
Hij toont ons uw eerbied
voor het kleinste teken van leven,
voor de oproep die in mensen woont.
Zelf heeft Hij zijn lichaam aan U afgestaan,
gebroken heeft Hij het omwille van de mensen,
om hun gebreken werd Hij gekraakt,
omwille van hun afvalligheid
vloeide het bloed uit Hem weg.
Op die laatste avond van zijn leven
gaf Hij ons bij zijn leerlingen
een teken, een levensopdracht mee.
Hij toonde in knechtenwerk uw aanwezigheid:
uw genade leeft in dienstbaarheid.
Biddend brak Hij het brood met hen
en gaf het hen om te delen,
om het in zich op te nemen
opdat ze hun eigen lichaam door Hem verrijkt
zouden geven en breken.
En zo sloot Hij ook een verbond met hen.
Hij nam de beker en bad tot U,
verhief de wijn tot de kracht van de liefde
die Hem had bezield
en werd vergoten als weerstand tegen het kwaad.
Geen zonde zal nog bestaan als ook wij
in ons leven de zonde zullen wegnemen
en meewerken aan bevrijding.
Al voelen wij daarbij angst,
wij geloven en getuigen dat Hij stierf,
dat U Hem bij U hebt opgenomen,
en dat wij zoals Hem kunnen breken en delen
tot redding van mensen.
Gij God houdt van ons,
zoals Gij houdt van hen
die ons zijn voorgegaan en bij U leven.
Gij houdt van hen die zorgen en leiden,
die besturen in mildheid en wijsheid,
die lichaam en verstand door U laten leiden
in Jezus naam, door Zijn Geest.
U danken wij en bidden wij
dat ook wij uw naam zouden blijven eren,
omdat Gij ons nooit vergeet,
liefdevolle Heer, almachtige Vader
tot in eeuwigheid .
God.
God, midden het leven, de taak en de opdracht die aan ons is toevertrouwd,
bidden wij om helderheid van geest, om open handen en een warm hart.
Om open ogen die zien wat misloopt en wat goed en hoopvol is in deze wereld.
Om woorden in onze mond die wijs en verstaanbaar zijn.
Om luisterbereidheid en fijngevoeligheid voor wat mensen ten diepste beroert.
Om voldoende kracht om te leven en te werken en dromen te realiseren.
Om de lange adem om het uit te houden in moeilijke momenten.
Wij blijven bidden, God, dat in onze leven iets van U herkenbaar wordt. Amen.
De H. Maagd van Guadalupe. ( Bij de heiligverklaring van Juan Diego op 31 juli 2002).
Azteken en Missie.
Toen de Spanjaarden naar Mexico City kwamen, de hoofdstad van het rijk van de Azteken, troffen ze daar een beschaving aan met een complexe sociale structuur en regering. Bovendien was er een wrede en onmenselijke godsdienst. Wreed, omdat ieder jaar ongeveer 20.000 mensen, mannen, vrouwen en kinderen, geofferd werden aan afgoden als Quetzacoatl, de slangegod, of Tlaloc, de god van de regen en de zon.
Kort na de komst van de Spanjaarden werd bisschop Fray Juan de Zumarraga samen met twaalf Franciscanen en enkele Dominicanen uitgezonden om dit volk te missioneren. Het was een moeilijke taak, want het grootste deel van de inheemse bevolking wilde zich niet bekeren. Slechts God kon beide culturen verenigen. En God greep in, na het gebed van de missionarissen.
De verschijning.
In de vroege ochtend van zaterdag 9 december 1531 ging Juan Diego, een arme Azteekse boer, op weg naar de kerk om de H. Mis bij te wonen. Op de top van de Tepeyac, op 2600 meter hoogte, stopte hij abrupt om te luisteren. Verbeeldde hij het zich? Nee, de muziek was echt, onbeschrijflijk mooie muziek, als een koor van vogels. Het leken er wel duizenden. Hij keek omhoog naar de schemerige bergtop en zag daar tot zijn stomme verbazing een witte wolk ontstaan, waaruit in alle kleuren van de regenboog stralend licht stroomde, als vloeibaar zilver. Zacht, maar dwingend hoorde hij een vrouwenstem zijn naam roepen. Het trof hem als een speer. Zonder een spoor van angst klom hij de laatste meters omhoog naar de top van de berg. Plotseling stond hij voor de gedaante van een zeer schone, jonge vrouw, die hem uitnodigde dichterbijte komen.
«Juanito, mijn zoon, waarheen gaat ge?»
«Edele Vrouwe» hoorde hij zichzelf mompelen, «ik ben op weg naar de kerk in Tlaltelolco om de H. Mis bij te wonen.»
De Dame glimlachte en zei: «Weet, dierbaarste van mijn zonen, dat ik de volmaakte en eeuwige Maagd Maria ben, Moeder van de ware God, door Wie alles leeft, de Heer van alle dingen, die Meester is van hemel en aarde. Ik wens vurig dat er op deze plaats een heiligdom voor mij wordt gebouwd. Daar zal ik al mijn liefde aan de mensen laten zien, mijn liefde aanbieden, mijn medelijden, mijn hulp en mijn bescherming. Ik ben uw genaderijke Moeder, de Moeder van allen die in dit land leven, de Moeder van het mensdom, van allen die mij beminnen, van allen die tot mij roepen, van allen die vertrouwen in mij stellen. Hier zal ik luisteren naar hun wenen, ik zal hun verdriet en hun smart horen, ik zal hen genezen, hun lijden en hun ongeluk verlichten en verzachten, hun noden lenigen. Ga daarom naar het huis van de bisschop van Ciudad Mexico (Mexico City) en vertel hem dat ik u gezonden heb en dat het mijn wens is dat hier een kerk wordt gebouwd. Vertel hem alles wat ge hier hebt gezien en gehoord. Wees er van verzekerd dat ik dankbaar zal zijn en u zal belonen voor de ijver waarmee ge mijn opdracht zult volbrengen. Nu ge mijn woorden hebt vernomen, ga nu, mijn zoon, en doe alles naar best vermogen.»
Juan boog diep en zei hoffelijk: «Mijn Heilige, mijn gebiedster, ik zal alles doen wat ge van mij vraagt.»
Hij ging rechtstreeks naar de bisschoppelijke residentie. Op zijn kloppen werd de deur geopend door een bediende, die zijn ruwe uiterlijk met afkeurende blik van top tot teen achterdochtig bekeek. Juan vroeg de bisschop te spreken. De bediende liet hem mopperend binnen, leidde hem naar de patio en gaf hem opdracht daar te gaan zitten. Na vele uren wachten in de snijdend koude wind kwam eindelijk de bediende terug en gebood Juan hem naar de bisschop te volgen. Juan trok zijn tilma (mantel, poncho) huiverend om zich heen en liep mee.
Bisschop Zumárraga begroette zijn bezoeker met zijn gebruikelijke minzaamheid en riep zijn tolk, Juan Gonzalez, naderbij, die zich door zijn omzwervingen meester had gemaakt van de Azteekse taal en daarom als tolk in de bisschoppelijke huishouding was opgenomen. Juan Diego deed zijn verhaal. De bisschop schudde langzaam zijn hoofd en geloofde er niets van; hij verzocht hem later nog eens terug te komen om hem uitgebreider in te lichten.
Toen hij op weg naar huis was en de top van de Tepeyac naderde stond Maria daar, badend in de immens lichtende stralenkrans die hij nu voor de tweede maal zag. Hij viel op zijn knieën en zei:
«Edele Vrouwe, ik heb uw orders uitgevoerd, maar de bisschop geloofde mij niet. Ik smeek u, Edele Vrouwe, stuur toch een belangrijker iemand, die bekend is en alom in aanzien staat. Want ik ben maar een arme boer, Edele Vrouwe, en u stuurt me naar een plek waar ik niets beteken.»
Koel ontvangen.
Maar Onze Lieve Vrouw wilde persé dat Juan de volgende dag terug zou gaan naar de bisschop. De tweede maal werd hij koel en met ergernis ontvangen. Zijne Excellentie had wel wat belangrijkers aan zijn hoofd en of Juan maar wilde maken dat hij weg kwam. Maar Juan bleef aanhouden en voor de tweede maal ging de bediende hem voor naar de binnenplaats. Tot op het bot versteend in de ijskoude en scherpe wind, werd hij verscheidene uren later weer tot de bisschop toegelaten. Opnieuw geloofde de bisschop hem niet. Hij verlangde een teken en stuurde na Juans vertrek bedienden op discrete afstand achter hem aan om te kijken waar hij heen ging en wat hij deed.
Zij volgden hem door de stadspoort, de helling van de Tepeyac op. Toen Juan bijna boven was aangekomen, verdween hij als bij toverslag uit het gezicht. De bedienden zochten overal, maar hij was nergens meer te zien. Terwijl de bedienden met hun zoekactie bezig waren, klom Juan Diego verder naar de top. De Moeder Gods stond hem al op te wachten. De heldere aura die haar omgaf sloot hem als een helder stralende nevel in en onttrok hem aan het oog van de bedienden van de bisschop. Ofschoon hij op zijn knieën liggend zijn hart bij Maria uitstortte, zei zij hem toch de volgende dag weer terug te gaan. En zij besloot haar weinige zinnen met de woorden: «Ik zal je rijkelijk belonen, mijn kleine zoon, voor alle zorg, moeite en narigheid die ge gedaan en ondervonden hebt om mij. Ga nu naar huis. Morgen zal ik hier op je wachten.»
De hele nacht en de volgende dag zat Juan Diego aan het bed van zijn zieke oom en zorgde voor hem zo goed als hij kon. Tegen zonsondergang was het duidelijk dat zijn oom zou sterven. De Heilige Maagd zou wel begrijpen waarom hij niet kwam opdagen De volgende ochtend rond vier uur ging Juan op weg om een priester te halen om zijn oom de sacramenten der stervenden toe te dienen. Zo ging in de vroege ochtend van 12 december 1531 Juan Diego terug, zich haastend langs het pad naar Tlaltelolco. Toen hij de Tepeyac naderde week hij van de gebruikelijke weg af om zo mogelijk ongezien door de H. Maagd voorbij te glippen.
Verblindend licht.
Terwijl hij de top langs de andere kant passeerde, zag hij plotseling tot zijn grote ontsteltenis een verblindend licht langs de helling afdalen in zijn richting, tot het licht hem onderschepte. Overweldigd door schaamte en ten prooi aan de grootste verwarring hoorde hij haar stem, zacht en vol medeleven als altijd: «Wat is er aan de hand, mijn kleine zoon? Waar ga je heen?»
«Edele Vrouwe, het zal u pijn doen wat ik te zeggen heb. Mijn oom, uw arme dienaar, is erg ziek. Hij lijdt aan de pest en ligt op sterven. Ik haast me naar de kerk in de stad om een priester te halen, zodat hij kan biechten en het H. Oliesel kan krijgen. Als ik dat gedaan heb, dan zal ik terug gaan en uw boodschap overbrengen.»
Moeder Maria zei hem, geruststellend glimlachend: «Wees niet bezorgd en laat geen verdriet je terneerdrukken. Vrees geen enkele ziekte of kwelling, angst of pijn. Ben ik niet je Moeder? Sta je niet in mijn schaduw en onder mijn bescherming? Vind je geen toevlucht in de plooien van mijn mantel? In mijn beschermende armen? Is er nog iets wat je nodig hebt? Maak je niet bezorgd om de ziekte van je oom, want hij zal niet aan deze ziekte sterven. Op ditzelfde ogenblik is hij genezen. Kom nu naar de plek waar je mij al eerder hebt gezien. Daar zul je vele bloeiende bloemen vinden. Pluk ze zorgvuldig, verzamel ze en laat me dan zien wat je hebt.»
Juan Diego pakte zijn tilma bijeen als een schort en vulde die met veelkleurige bloemen. Toen hij ze aan de H. Maagd liet zien herschikte zij ze met haar eigen handen en sprak: «Al deze bloemen zijn het teken waar de bisschop om heeft gevraagd. Zeg hem dat hij mijn wil moet erkennen en vervullen.»
Toen Juan bij de residentie van de bisschop aanklopte, renden boze bedienden naar buiten om hem weg te jagen. Maar Juan hield vol en een uur of zo later stond hij toch voor de bisschop en deed zijn verhaal. Toen hij was uitverteld opende hij zijn tilma en de bloemen, waaronder veel Castiliaanse rozen, vielen naar buiten in een overweldigende geuren- en kleurenpracht. Juan, de bisschop en andere omstanders staarden verbaasd naar de tilma. Plotseling, gedurende één geladen moment, werd het muisstil en de aanwezigen keken perplex en aan de grond genageld naar het kledingstuk van Juan Diego. Langzaam verscheen daarop onder hun ogen in een gloed van licht de afbeelding van de H. Maagd Maria, zoals zij aan Juan was verschenen. Langzaam zonk iedereen in ontzag en verering op de knieën.
Toen mgr. Zumárraga uiteindelijk opstond omhelsde hij Juan Diego en vroeg hem om vergiffenis omdat hij hem niet had geloofd.
Bekeringen.
Zonder enige officiële bekendmaking verspreidde het nieuws zich als een lopend vuurtje. Duizenden indios stroomden op het plein samen om de wonderbare afbeelding te zien van haar, die zich als hun moeder voorstelde. Bekeringen volgden en hielden steeds maar aan: ze bereikten in weinige jaren het respectabele aantal van acht miljoen. Historici zeggen dat er dagelijks meer dan 15.000 indios kwamen om het H. Doopsel te ontvangen.
Symboliek.
De naam van deze Vrouw luidde in het Azteeks "Coatlaxoupeuh", "zij die de stenen slang vertrapt", de aankondiging van de vernietiging van Quetzacoatl, de slangegod.
Ieder detail van deze wonderbare afbeelding was een voor de indianen volkomen begrijpelijk symbool. De H. Maagd staat met haar voeten op een zwarte halve maan, die hun godin, de verschrikkelijke Covolxauhqui voorstelt, de koningin der duisternis, vijandin van het licht. De H. Maagd staat voor de zon, de meest vreeswekkende van de Azteekse afgoden. Zon, maan en sterren symboliseerden voor de Azteken het leven.
De verdeling van de sterren stemt nauwkeurig overeen met de stand van de sterren zoals die op 12 december 1531, de dag waarop zij haar beeltenis schonk, aan het firmament zichtbaar waren. De winterzonnewende was voor de Azteken heel belangrijk: het begin van een nieuwe tijd van leven dank zij een nieuwe zon.
Iedere afbeelding op haar mantel bevat een boodschap. De grote bloemen op haar mantel symboliseren de tegenwoordigheid van God. De naam van deze bloem luidt "nahui-ouin", zonnebloem. De stroken stof die de H. Maagd Maria om haar arm draagt zijn dezelfde die de dienaressen van hoge heren droegen. De lichte kleur groen van de binnenkant van de mantel duidt op koninklijke waardigheid, want bij de Azteken mocht deze specifieke kleur alleen door de koning gebruikt worden.
Maar wellicht het belangrijkste symbool was het kleine kruis dat men als een kleine broche op de kraag van het kleed kan onderscheiden. Daarin herkende de inheemse bevolking het kruis, dat zij op de schepen van de Spanjaarden zagen, hetzelfde kruis dat de Franciscanen en de Dominicanen predikten.
Toen de H. Maagd zei, dat zij hun moeder was en het kruis vasthield, betekende dat, dat de missionarissen gelijk hadden en dat de godsdienst die zij predikten de waarheid was. Wij mogen niet vergeten dat haar getinte huid, de zwarte kleur van het haar en de donkere ogen voor de indios het bewijs waren, dat zij niet een vreemde, maar een inheemse was. Het is gemakkelijk te begrijpen waarom zoveel indios het katholieke geloof aannamen: deze afbeelding droeg een boodschap over en sprak hen aan. De H. Maagd Maria veranderde het land. Nauwelijks zes jaar na de verschijning waren er al een universiteit en een drukkerij, en het eerste ziekenhuis werd geopend.
Scepticisme.
Vele jaren zijn verstreken, de wetenschap heeft vooruitgang geboekt. Het scepticisme kwam en men begon alles in twijfel te trekken wat niet met wetenschappelijke middelen kon worden bewezen. Voor de indios was er geen bewijs nodig, hun was de boodschap die de beeltenis overbracht genoeg. De moderne mens heeft deze natuurlijke eenvoud, spijtig genoeg, verloren. Men begon de beeltenis wetenschappelijk te onderzoeken, en wat verrassing alle onderzoeken bevestigen dat deze afbeelding niet door mensenhand werd geschilderd, maar volkomen bovennatuurlijk van oorsprong is.
Wetenschappelijk onderzoek.
De afbeelding van O.L. Vrouw van Guadalupe bezorgt de wetenschap de volgende problemen:
· De naad van de tilma is op mysterieuze wijze verschoven. De hechtdraad die de beide lengtedelen waaruit zij bestaat verenigt, wijkt op de plaats waar het gelaat zich bevindt af, om de schoonheid daarvan niet aan te tasten.
· Aan de voorkant van de tilma, waar de afbeelding zich bevindt, is het weefsel zo glad als zijde en aan de achterkant ruw en vol oneffenheden.
· Het kledingstuk is niet gevoelig voor stof en motten. Nooit is het weefsel door ook maar één enkel stofkorreltje aangeraakt, evenmin door insecten, die verder alles vernietigen wat ze kunnen vinden.
· De stof is ongevoelig voor vocht en zuur. Het lukte niet het kledingstuk nat te maken met water uit het nabijgelegen Texpoco-meer, noch konden salpeterdampen de heilige beeltenis ook maar in het geringste aantasten.
· Toen de tilma in 1791 in aanraking kwam met een grote hoeveelheid salpeterzuur, dat een weefsel normalerwijze verbrandt en oplost, ontstond er geen enkele schade. Dit wordt door authentieke documenten bewezen.
· Het kledingstuk laat zich noch door vuur noch door kruit voor kogels beschadigen. De tilma was, voordat er een glasplaat ter bescherming voorgezet werd, 116 jaar lang blootgesteld geweest aan roet van kaarsen, zonder enig nadelig effect. Ook bij de bomaanslag van 1921 bleef hij onbeschadigd.
· De stof werd niet geprepareerd voor een schilderij. Kunstschilders, die de beeltenis onderzochten met infraroodfotografie, verbaasden zich er over dat de afbeelding zich op een zo dunne laag weefsel bevond.
· De kleuren van de afbeelding zijn wonderbaarlijk fris en duurzaam.
· De ogen van de H. Maagd weerspiegelen Juan Diego, die verbaasd in zijn eigen tilma staat te kijken, alsmede de bisschop en nog enige andere personen. Dit kwam in 1979 aan het licht toen de afbeelding professioneel werd gefotografeerd. Bij vergroting van de fotos werden in Marias ogen de mensen zichtbaar die in de kamer aanwezig waren op het ogenblik dat de afbeelding op de tilma ontstond.
De bescheiden tilma.
Het eerste wonder, dat niet door de moderne wetenschap weerlegd kon worden is het feit, dat de stof niet aan natuurlijk verval onderhevig is. De beeltenis is ontstaan in de tilma van de H. Juan Diego. Het kleed is gemaakt uit vezels van de agave. De agave is een plant die in die streek inheems is. Normaal gesproken is twintig jaar genoeg om de tilma uit elkaar te laten vallen; niettemin is deze na bijna vijf eeuwen nog volledig gaaf en intact. Maar dat is nog niet alles! Meer dan een eeuw is de beeltenis zonder enige bescherming in de kerk tentoongesteld en daar door honderden pelgrims aangeraakt, en er werden kaarsen gebrand. Trouwens: wie zou het in zijn hoofd halen een dergelijke afbeelding op zulke grove stof te schilderen?
De kleuren zijn ook een mysterie. De proeven die men met de tilma heeft gedaan hadden tot resultaat dat men de herkomst van de kleuren niet kan vaststellen. Zij zijn niet plantaardig noch dierlijk noch mineraal. In die tijd bestonden er nog geen kunstmatige kleur- en verfstoffen. Bovendien blijven de kleuren door de eeuwen heen fris en helder.
De ogen van de Moeder Gods.
De ogen van de Moeder Gods zijn een groot wonder. In 1929 werd de weerspiegeling van een man in de ogen van de afbeelding waargenomen door Alfonso Marcué Gonzalez. Op advies van de autoriteiten van het heiligdom bleef zijn ontdekking geheim, hoewel een Mexicaanse radiozender op 11 december 1955 aankondigde dat de in de ogen van de afbeelding weerspiegelde persoon definitief Juan Diego was.
In 1962 ontdekken dr. Charles Wahlig uit New York en zijn vrouw na bestudering van een foto van het gelaat de reflectie van nog twee andere personen in de ogen van de afbeelding. De foto werd vijfentwintig keer vergroot.
Ook de professoren Philip Callahan van de Universiteit van Florida en Jody Smith van Pensacola, Florida, namen zon zestig fotos, waarvan sommige met infrarood licht. Andere fotos werden met de computer geoptimaliseerd. Toen zij met hun werk klaar waren gaf prof. Callahan het volgende commentaar: «Het bestuderen van deze afbeelding was de meest ontroerende ervaring van mijn leven. Toen ik dichtbij de afbeelding kwam kreeg ik hetzelfde vreemde gevoel dat anderen kregen die aan de Lijkwade van Turijn hebben gewerkt. Het moge vreemd klinken uit de mond van een wetenschapper, maar voor zover het mijzelf betreft, ik ben van mening dat de afbeelding wonderbaarlijk is.»
Het Mexicaanse volk heeft nooit aan de echtheid van de oorsprong van deze beeltenis getwijfeld. Onze Lieve Vrouw van Guadalupe leeft in het hart van iedere Mexicaan.
«Wees niet bang», zei de Allerzaligste Maagd tegen Juan Diego, «Ben ik dan niet hier, je moeder?»
Laten we de woorden niet vergeten die paus Benedictus XIV sprak toen hij voor de eerste keer een kopie van de afbeelding van de H. Maagd van Guadalupe zag: «Non fecit taliter omni natione.» «Zoiets heeft Hij nog voor geen enkel volk gedaan.»
De Maria-basiliek van Onze Lieve Vrouw van Guadalupe is het grootste Maria-heiligdom ter wereld en wordt jaarlijks door twintig miljoen pelgrims bezocht.
Beknopt chronologisch overzicht:
1531: 9 december. Eerste en tweede verschijning van O.L. Vrouw aan Juan Diego, een 57-jarige Azteekse boer, op de Tepeyac. - 10 december. Derde verschijning op de Tepeyac.- 12 december. Vierde verschijning op de Tepeyac.
1533: De kapel, bekend onder de naam Tweede Hermitage, op de Tepeyac is afgebouwd.
1548: Juan Diego overlijdt op de Tepeyac in de leeftijd van 74 jaar.
1737: O.L. Vrouw van Guadalupe wordt uitgeroepen tot patrones van het land.
1754: De H. Congregatie voor de Riten keurt per decreet een apart Officie en een Votiefmis ter ere van O.L. Vrouw van Guadalupe goed. Paus Benedictus XIV vaardigt een bul uit die O.L. Vrouw van Guadalupe als patrones van Mexico officieel goedkeurt en citeert daarbij psalm 147, vers 20: "Zo deed Hij voor geen ander volk."
1791: Tijdens schoonmaakwerkzaamheden morst men per ongeluk salpeterzuur op de afbeelding. Het laat geen enkel spoor na.
1895: Paus Leo XIII keurt een nieuw Officie en een nieuwe Votiefmis van O.L. Vrouw van Guadalupe goed.
1910: Paus Pius X proclameert O.L. Vrouw van Guadalupe als patrones van Latijns Amerika.
1921: Antigodsdienstige regeringsagenten brengen naast de afbeelding een bom tot ontploffing. Er ontstaat zelfs geen barstje in de afdekkende glasplaat.
1929: De reflectie van een man wordt ontdekt in de ogen van de H. Maagd.
1933: 12 december. Paus Pius X herhaalt de proclamatie van O.L. Vrouw van Guadalupe als patrones van Latijns Amerika van Pius X.
1945: Paus Pius XII herdenkt de 50ste verjaardag van de kroning va de heilige beeltenis in een radiotoespraak tot het Mexicaanse volk op 12 oktober.
1951: Carlos Salinas onderzoekt de beeltenis en ziet nog meer mensen in de ogen weerspiegeld.
1962: Het artsenechtpaar Wahlig uit New York ontdekt nog twee andere personen in de ogen van de afbeelding, na de fotos tot 25 maal te hebben vergroot.
1979: Een team van professoren onderzoekt de beeltenis grondig en komt tot de slotsom dat zij er geen verklaring voor hebben. Hun rapport bevestigt de bovennatuurlijke oorsprong van de beeltenis. Paus Johannes Paulus II bezoekt het heiligdom van O.L. Vrouw van Guadalupe.
27-02-2011
Jesaja 49,3.5-6.
De Heer had mij gezegd: "Mijn dienaar zijt gij, Israël, door wie Ik mijn glorie ga vinden." Van de moederschoot af had Hij mij tot zijn dienaar gevormd om Jakob terug te brengen naar Hem en Israël van de ondergang te redden. Ik sta bij de Heer in ere en mijn God is mijn sterkte. Thans echter heeft Hij gezegd: "Gij zijt niet alleen mijn dienaar om Jakobs stammen op te richten en de rest van Israël terug te brengen. Ik maak u nu ook tot een licht voor de heidenen, zodat mijn heil tot de grenzen der aarde zal gaan."
Vader.
Vader, wij willen uw naam in de wereld verkondigen met woord en daad. Maak ons, als wij van hier weer naar de wereld gaan, instrumenten die uw licht kunnen uitstralen om duisternis te verdrijven en om het leven van velen smakelijk een aantrekkelijk te maken. Dat vragen wij in het voetspoor stappend van Jezus uw Zoon en onze Heer. Amen
25-02-2011
AAN ALLEN EEN GEZEGENDE VRIJDAG TOEGEWENST.
N. ( M ).
Chaplet to the Divine Mercy .
Chaplet to the Divine Mercy .
LAAT ME HERADEMEN.
Heer,
laat me herademen bij
de intense krachten,
verborgen in de natuur,
de kunst en de mensen.
Leer me hoe ruim
de tijd kan zijn;
tijd voor wat rust,
emoties en ontspanning.
Mag ik opnieuw ontdekken
hoe vriendelijk vriendschap
kan zijn.
Laat me mezelf zijn en
leer me respect te hebben
voor anderen.
Amen.
JEZUS WAARSCHUWINGEN . ( MARGUERITES ).
De waanzin van de huidige wereld heeft de grenzen van mijn geduld bereikt. Het is door het Kruis dat ik de wereld wil redden.
De kracht van mijn Liefde zal hen treffen in hun vlees, in hun geest. Kijk naar degenen die hen voorafgegaan zijn, die het Kruis omhelsd hebben om gered te worden. Voorwaar, IK zeg u: niet allen zullen gered worden, want ze hebben de maat overschreden die Ik hun had toegestaan. Voor velen is het te laat, en dit aantal neemt dagelijks toe. Ze zijn niet meer te redden. Mijn Liefde kan niets meer voor hen doen en mijn Gerechtigheid zal zich voltrekken. Diegenen zullen nochtans gered worden die, nog tijdens dit leven, tot inkeer zullen komen door een oprecht berouw over hun zonden.
Zie Mij opstijgen naar de Vader en met Mij diegenen die gered werden door mijn Offer. "Wanneer IK zal opgeheven zijn van de aarde, zal IK alle zielen tot Mij trekken". De zielen die Mij zullen volgen, maar niet zij die tot het einde toe in hun ellende zullen blijven steken. Ik zal Licht brengen aan hen die niet begrepen hebben....... Maar Ik zal het ontnemen aan hen, die, nadat ze het Offer van een reddende Liefdegod begrepen hadden, vergeten dat ze christenen zijn en niet ophouden Me te beledigen.
Mijn kindje, gij zijt het zaadje van de Liefde. Het is reeds op vele plaatsen in de wereld ontkiemd. Deze kleinen, die mijn Hart bemint, zijn tot genade herboren. Stap voor stap volgen ze Mij op de weg naar de Hemel. Op hun weg ontmoeten ze dikwijls het Kruis dat de Liefde hun vraagt te dragen en te offeren Voor de kinderen van de Liefde, is het Kruis hun enige hoop geworden door het geloof in mijn Belofte:
"Zullen gered worden, zij die de ziel van een arme hebben". Zie hoe mijn allerheiligste Moeder, in een smekend gebaar, haar handen uitstrekt naar de zielen in nood.
Ja, de mensen doen mijn Moeder wenen, maar nog steeds verspert mijn Hart de weg van mijn Gerechtigheid die hen wil vernietigen.
Voor hoelang nog?
Troostvol bezie Ik mijn kleintjes, die Ik ben komen redden en die in hun hart de klacht horen van hun goddelijke Vriend: de Offerende Liefde.
Het is vreselijk!
Het is vreselijker dan ge denkt. Op vele plaatsen in de wereld triomfeert het gouden kalf, niettegenstaande mijn waarschuwingen. Deze triomf is weliswaar van korte duur, maar toch verwoestend voor de zielen. En IK kan er niets aan doen, want IK eerbiedig hun vrije wil tot op de dag dat de tijden voltooid zijn en dat de Immanente Gerechtigheid in werking zal treden.
Mijn kind de Kerk is ernstig ziek. Ik vraag mijn kleinen ze te hulp te komen. Door de terugkeer naar de Bronnen. Het is Dringend! Ik kan niet langer ongevoelig blijven voor de tranen van mijn Moeder. Zal de wereld geslagen moeten worden?
Ik ben de liefde komen aanleren aan de mensen en de liefde vlucht uit deze wereld die de liefde in haar zuiverste wezenheid aantast.
Ik wil doorzichtigheid vanwege de mensen die Mij lief hebben. Ik wil verschijnen in u, mijn kinderen. De schurftige schapen zijn talrijk. Zij die nog gezond zijn, dreigen besmet te geraken. Vandaar de noodzaak van doorzichtigheid doorheen een menselijke natuur die naar mijn Beeld geschapen werd.
Bid, mijn kleintje, bid zonder ophouden. Moge alles in u liefde zijn. Als ge hier en daar een bevestiging van hoop ziet, weet dan dat het nog maar een klein teken is van een noodzakelijke heropstanding.
De toestand is zorgwekkend. Het is het uur van de keuze.
MARGUERITES DEVOTIE .
Omdat ik U bemin, Jezus, houdt mijn armzalig hartje niet op voor U te kloppen. Zonder die liefde zou het al lang gezegd hebben: genoeg! Ik wil de doorzichtigheid van de Liefde zijn. Ik wil dat mijn Welbeminde door mij heen straalt en ik wil in Hem verdwijnen. Ik leef enkel om U te beminnen. Ik kan mijn leven niet anders opvatten.
De doorzichtigheid van een wezen, dat door de Liefde bezield is, mag geen donkere vlekken hebben. Deze donkere vlekken zijn zonden die God beledigen. Ik heb vertrouwen in uw Barmhartigheid die me alles heeft gegeven. Ik voel me doordrongen van uw goddelijke Liefde.
Het verwondert mij niet dat ik moet lijden onder mijn onmacht, gezien mijn zondigheid. Mijn leed bestaat erin dat ik U verdriet aandoe. In uw Oneindige Liefde worden mijn verlangens eindeloos. Ik zou de wereld willen opheffen en ze U op een gouden pateen aanbieden. Mijn kleinheid kent geen grenzen en geen beperkingen. Ze gaat heel onbeduidend, tegelijk heel doortastend tot aan het uiteinde der wereld. Ze glipt binnen in alle sociale lagen die tot ondergang gedoemd zijn, indien Gij niet tussenbeide komt.
Goede Jezus, dit betekent geen verwaandheid. Ik wil me niet gelijkstellen met U. Dit betekent dat ik mezelf moet verliezen in U en met U op tocht gaan om de wereld te veroveren. Ja, ik weet het! Dit is niet voor morgen. De wereld is veel te ver van U verwijderd. De dag van morgen zal misschien veel liefde meebrengen voor de mensheid die tegenwoordig nog maar één taal kent: die van de zelfgenoegzaamheid en de hoogmoed. Onze priesters hebben een vreselijke verantwoordelijkheid; velen hebben de zin voor het sacrale verloren.
Mijn God, wat ons nu boven het hoofd hangt is verschrikkelijk indien..... voor hen, voor allen. Iedereen zal getroffen worden door een ontbranding die de ganse wereld zal doen wankelen. De allerkleinsten zullen zich verschuilen onder de beschermende vleugels van de Liefde. En toch zullen heel wat onschuldigen de dwaasheid van de wereld met hun leven betalen. Wat al lijden!
DE INNERLIJKE VERTROOSTING.
Men moet niet iedereen geloven;
in woorden struikelt men gemakkelijk.
Heer, geef mij hulp bij mijn beproeving, want de hulp van mensen is waardeloos. Hoe dikwijls heb ik geen vertrouwen gevonden waar ik dat zeker had verwacht. En hoeveel malen ontmoette ik het daar, waar ik het nauwelijks durfde veronderstellen. Onvast is daarom het vertrouwen dat men op mensen stelt; maar het heil van de rechtvaardige, mijn God, ligt in U.
Heer mijn God, wees geprezen bij alles wat ons overkomt. Wij zijn maar zwak en onstandvastig: spoedig vergissen wij ons of veranderen van mening. Waar is de mens die zich zo behoedzaam en voorzichtig weet te gedragen, dat hij zich soms niet vergist en geen uitweg meer ziet?
Maar wie op U, Heer, zijn vertrouwen stelt en U zoekt, eenvoudig en oprecht, vergist zich niet zo gemakkelijk. En als hij al eens in beproeving terechtkomt of op welke wijze ook in verwarring raakt, zal hij eerder door U worden bevrijd of troost van U ontvangen. Gij immers zult iemand die op U vertrouwt niet blijvend overlaten aan zijn eigen lot.
Zeldzaam is de trouwe vriend, die trouw blijft aan zijn vriend bij al diens zware zorgen. Gij Heer alleen zijt bij alles tot het uiterste trouw en buiten U is er geen ander.
Wat had die heilige ziel het goed begrepen die zei: Mijn hart is beveiligd, want het vindt zijn zekerheid in Christus.
Als het zo met mij gesteld was, zou de vrees voor mensen mij niet zo vaak beangstigen en zouden de pijlen van hun woorden mij niet raken.
Wie is in staat alles tevoren te overzien en wie kan alle dreigend kwaad voorkomen?
Als zelfs kwets wat men reeds voorzien had, wat moet het onverwachte dan zwaar aankomen.
Maar waarom zie ik, ellendig mens, niet méér vooruit? Waarom heb ik zo lichtzinnig geloof gehecht aan wat anderen zeggen? Wij zijn maar mensen, zelfs niets anders dan zwakke mensen, ook al denken en zeggen velen dat wij engelen zijn.
Wie zal ik dan geloven, Heer, wie anders dan U? Gij zijt de waarheid, Gij bedriegt niet en Gij kunt U niet vergissen.
En wederom: Ieder mens is leugenachtig, zwak, wankel, en onzeker, vooral in zijn woorden; zelfs zó dat men nauwelijks dadelijk mag geloven wat op het eerste gehoor goed gezegd lijkt.
Hoe wijs hebt Gij ons tevoren al vermaand, dat we ons moeten wachten voor de mensen; dat de eigen huisgenoten van een mens zijn vijand zijn en wij het niet moeten geloven als iemand zegt: Kijk, hier is Hij of: Hij is daar.
Door eigen schade ben ik wijs geworden en mocht het mij nu brengen tot groter behoedzaamheid en niet tot dwaasheid. Pas op, pas op, zegt iemand mij, vertel niet verder wat ik heb gezegd. En terwijl ik zwijg en meen dat het een geheim is, kan hij zelf niet zwijgen wat hij mij als een geheim vertelde: maar meteen verraadt hij zichzelf en mij en verdwijnt.
Heer, bewaar mij voor dat gebabbel en voor die onberaden lieden, dat ik hun niet in handen val of ooit zulke dingen doe. Laat mij waarachtig zijn en consequent in mijn woorden en houd sluwe taal van mij weg. Wat ik niet wens te ondergaan moet ik met alle middelen in mijn daden zelf voorkomen.
Wat is het goed en vredelievend over anderen te zwijgen en niet lukraak alles zo maar te geloven of zonder reden verder te vertellen. Hoe goed is het zich maar zelden geheel uit te spreken en altijd U te zoeken die van mijn binnenste alles weet. En niet met iedere wind van woorden mee te waaien, maar te wensen dat alles wat intiem is of openbaar, zich mag voltrekken volgens het welbehagen van uw wil.
Hoe veilig tot behoud van de hemelse genaden is het, te vermijden die aan mensen kenbaar te maken; hoe veilig ook, niet dát willen verkrijgen wat blijkbaar bij anderen bewondering oproept; maar liever met hart en ziel zich te richten op wat verbetering van leven en vurigheid voortbrengt. Wat heeft het velen schade toegebracht dat hun deugd bekend werd en al te vroeg geprezen. Wat was het altijd voordelig dat de genade met stilte werd omgeven in dit broze leven, dat, zoals men zegt, vol bekoring is en strijd.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
BIRGITTA IN ASSISI.
ZEVENDE BOEK, KAP. 3.
Op den feestdag van den heiligen Franciscus verscheen in zijn Kerk te Rome aan de andere oever van de Tiber, de heilige Franciscus aan de bruid van Christus en zeide: "Kom naar mijn kamer om met mij te eten en te drinken." En toen zij dit hoorde, maakte zij zich dadelijk voor de reis gereed om hem te Assisi te bezoeken. En toen zij daar vijf dagen geweest was en naar Rome dacht terug te keeren, ging zij de Kerk binnen om zichzelf en haar gevolg aan St. Franciscus aan te bevelen.
Toen verscheen hij voor haar en zeide: "Wees welkom, ik nodigde u op mijn kamer om met u te eten en te drinken. Maar gij zult weten, dat dit huis niet de kamer is, die ik u noemde, maar mijn kamer is de ware gehoorzaamheid, die ik altijd betrachtte, zodat ik nooit was zonder iemand, die over mij beval. Want ik had altijd een priester bij mij, wiens bevelen ik ootmoedig gehoorzaamde, en die was mijn kamer. Doe ook zo, want zo behaagt het God. En het voedsel, dat mij het best verkwikte, was dat ik het liefst van alles mijn medebroeders onttrok aan de ijdelheid van het wereldse leven om God te dienen met geheel hun hart.
En de vreugde daarover smaakte mij als het beste voedsel. En mijn drank was de vreugde, die ik had, als ik enkelen, die ik bekeerd had, God met alle kracht zag liefhebben en als ik hen onvermoeid zag in gebed en in godsvrucht en hen anderen zag aanmoedigen om goed te leven en oprechte armoede lief te hebben. Zie, dochter, deze drank maakte mijn ziel zo blij, dat ik afkeer had van alle aardse dingen. Ga daarom in mijn kamer en eet met mij deze kost en drink met mij deze drank, opdat gij u eeuwig met God verheugen zult."
Prijs de Heer.
Christenen loven God. Wij prijzen God wegens wie Hij is, en wat Hij voor ons heeft gedaan.
Wij prijzen God omdat Hij groot en machtig is. "Want de HERE is groot en zeer te prijzen" (Psalm 96:4). "Verhef U, o HERE, in uw kracht, wij willen uw sterkte met psalmen bezingen" (Psalm 21:14).
"Toen prees David de HERE ten aanschouwen van de gehele gemeente, en David zeide: Geprezen zijt Gij, HERE, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Van U, o HERE, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o HERE, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven" (1 Kronieken 29:10,11). "Thans loven wij U, o onze God, en prijzen wij uw heerlijke naam" (1 Kronieken 29:13).
"Alle volken, die Gij gemaakt hebt, zullen komen en zich voor U nederbuigen, o Here, en uw naam eren; want Gij zijt groot en doet wonderen, Gij, o God, alleen. Leer mij, HERE, uw weg, opdat ik in uw waarheid wandele; verenig mijn hart om uw naam te vrezen. Ik zal U loven, Here, mijn God, met mijn ganse hart, en uw naam eren voor altoos" (Psalm 86:9 t/m 12).
"Ik zal U verhogen, mijn God, Gij Koning, ik zal uw naam prijzen voor altoos en immer; te allen dage zal ik U prijzen, uw naam loven voor altoos en immer. De HERE is groot en zeer te prijzen, zijn grootheid is ondoorgrondelijk" (Psalm 145:1 t/m 3). "Al uw werken zullen U loven, HERE, uw gunstgenoten zullen U prijzen; zij zullen van de heerlijkheid van uw koningschap spreken en van uw mogendheid gewagen, om de mensenkinderen zijn machtige daden te verkondigen en de luisterrijke heerlijkheid van zijn koningschap. Uw koningschap is een koningschap voor alle eeuwen, uw heerschappij is over alle geslachten" (Psalm 145:10 t/m 13).
Wij vereren God omdat Hij rechtvaardig is: "En mijn tong zal van uw gerechtigheid gewagen, van uw lof de ganse dag" (Psalm 35:28). "Ik zal de HERE loven naar zijn gerechtigheid, en de naam des HEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen" (Psalm 7:18).
Wij loven God omdat Hij trouw en waarachtig is: "O HERE, Gij zijt mijn God, U zal ik verheffen, uw naam loven, want Gij hebt wonderen gedaan, raadsbesluiten uit een ver verleden in waarheid en trouw volvoerd" (Jesaja 25:1).
Wij prijzen God om Zijn barmhartigheid: "Looft de HERE, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid" (2 Kronieken 20:21). "Halleluja. Looft de HERE, want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid" (Psalm 106:1). "Looft de HERE, alle gij volken, prijst Hem, alle gij natiën; want zijn goedertierenheid is machtig over ons, en des HEREN trouw is tot in eeuwigheid. Halleluja" (Psalm 117:1,2).
"Juicht de HERE, gij ganse aarde, dient de HERE met vreugde, komt voor zijn aangezicht met gejubel. Erkent, dat de HERE God is; Hij heeft ons gemaakt, en Hem behoren wij toe, zijn volk, de schapen die Hij weidt. Gaat met een loflied zijn poorten binnen, zijn voorhoven met lofgezang, looft Hem, prijst zijn naam; want de HERE is goed, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid, en zijn trouw tot in verre geslachten" (Psalm 100:1 t/m 5).
"Gij zijt mijn God, U zal ik verhogen. Looft de HERE, want Hij is goed, ja, zijn goedertienenheid is tot in eeuwigheid" (Psalm 118:28,29).
Wij loven God omdat Hij ons redt. "De HERE is mijn kracht en mijn psalm, Hij is mij tot heil geweest. Hij is mijn God, Hem verheerlijk ik, de God mijns vaders, Hem prijs ik" (Exodus 15:2). "De HERE leeft. Geprezen zij mijn Rots, en verhoogd zij de God mijns heils" (2 Samuël 22:47). "Zingt de HERE, gij ganse aarde, boodschapt zijn heil van dag tot dag. Vertelt onder de volken zijn heerlijkheid, onder alle natiën zijn wonderen. Want de HERE is groot en zeer te prijzen" (1 Kronieken 16:23 t/m 25). "De HERE leeft. Geprezen zij mijn Rots, en verhoogd zij de God mijns heils" (Psalm 18:47). Amen.
Wanneer zal dat geschieden?
Wat betekenen de voorspellingen in Matteüs 24, Marcus 13 en Lucas 21?
"En Jezus ging de tempel uit en vertrok. En zijn discipelen kwamen tot Hem om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen. En Hij antwoordde en zeide tot hen: Ziet gij dit alles niet? Voorwaar, Ik zeg u, er zal hier geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken. Toen Hij op de Olijfberg gezeten was, kwamen zijn discipelen alleen tot Hem en zeiden: Zeg ons wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?" (Matteüs 24:1 t/m 3 // Marcus 13:1 t/m 4; Lucas 21:5 t/m 7).
Men had al 46 jaar aan de tempel van Herodus gebouwd (Johannes 2:20). De Joden waren trots op de pracht daarvan. Die was uit wit kalksteen gemaakt en grote delen waren met goud bedekt.
Toen Jezus zei dat de tempel vernietigd zou worden, vroegen Zijn discipelen zich af wanneer dat zou gebeuren.
Veel verwarring is ontstaan door vreemde interpretaties van Matteüs 24, Marcus 13 en Lucas 21. Laten wij deze voorspellingen onder de loep nemen in het licht van andere teksten over dezelfde onderwerpen.
Eerst moeten wij er nota van nemen dat de discipelen twee afzonderlijke vragen stelden. (1) Wanneer wordt de tempel vernietigd? (2) Wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?
Om misverstand te vermijden, moeten wij er notitie van nemen welke vraag in verschillende delen van de tekst wordt behandeld. Er is soms verwarring en mensen denken, bijvoorbeeld, dat iets over Jeruzalem op de wederkomst slaat.
Wanneer wordt de tempel vernietigd?
Jezus waarschuwt Zijn volgelingen: "Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is. Laten dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen, en die binnen de stad zijn, de wijk nemen, en die op het land zijn, er niet binnengaan, want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat. Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! Want er zal grote nood zijn over het land en toorn over dit volk, en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen weggevoerd worden onder alle heidenen" (Lucas 21:20 t/m 24 // Matteüs 24:15 t/m 22; Marcus 13:14 t/m 20).
Cestius omsingelde Jeruzalem in 66 na Christus om een opstand te onderdrukken, maar opeens staakte hij de belegering en vertrok (Josephus, Oorlogen van de Joden, Boek 2, Hoofdstuk 19, Deel 7). Toen dat gebeurde, vertrokken de christenen weg uit Jeruzalem wegens de waarschuwing van Jezus. In 70 na Christus werd Jeruzalem door Titus omsingeld. Na een lange belegering waarbij velen de hongerdood stierven, werd de stad ingenomen en de tempel werd door de soldaten in brand gestoken, al had Titus het bevel gegeven om de tempel te sparen. Na de brand werd de tempel steen per steen uit elkaar gehaald om aan het goud te komen dat gesmolten was en tussen de spleten was gevloeid. Naar schatting was er 50 ton goud op de muren van de tempel. Tijdens de belegering werden de lijken van wie verhongerden over de muren buitengeworpen, en toen de stad werd ingenomen vloeide er bloed als regenwater in de straten.
Eusebius, die rond 300 na Christus zijn kerkgeschiedenis schreef, zegt dat vóór de belegering alle christenen Jeruzalem hadden verlaten (Eusebius Kerkgeschiedenis, Hoofdstuk 5, Deel 3).
Wanneer zullen hemel en aarde vergaan?
Hoewel Jezus duidelijke tekenen van de vernietiging van de tempel gaf, wist Hij niet wanneer de voleinding der wereld zou zijn: "Zo moet gij ook, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het nabij is, voor de deur. Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan. Maar van die dag of van die ure weet niemand, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, alleen de Vader" (Marcus 13:29 t/m 32 // Matteüs 24:34 t/m 36).
De tempel zou in dat geslacht vernietigd worden, maar alleen de Vader weet wanneer de aarde vergaat.
Bij de wederkomst van Christus worden hemel en aarde vernietigd.
Jezus vervolgt: "De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen. Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. Want zoals zij in [die] dagen vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn" (Matteüs 24:35 t/m 39).
Dus "de hemel en de aarde zullen voorbijgaan" bij "de komst van de Zoon des mensen".
Alleen de Vader weet wanneer de voleinding zal zijn. Dit is iets "waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft" (Handelingen 1:7). Dit gebeurt "te zijner tijd" (1 Timoteüs 6:15).
Dus moeten volgelingen van Christus steeds klaar zijn. "Ziet toe, blijft waakzaam. Want gij weet niet, wanneer het de tijd is. Gelijk een mens, die buitenslands ging, zijn huis overliet en aan zijn slaven volmacht gaf, aan ieder zijn werk, en de deurwachter opdroeg te waken. Waakt dan, want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, laat in de avond of te middernacht, bij het hanegekraai of des morgens vroeg, opdat hij niet, als hij plotseling komt, u slapende vinde. Wat Ik u zeg, zeg Ik allen: Waakt!" (Marcus 13:33 t/m 37) "Daarom, weest ook gij bereid, want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des mensen" (Matteüs 24: 44).
Vele valse leraars beweren dat ze weten wanneer Christus komt. Maar Jezus zegt dat Zijn volgelingen de tijd van Zijn wederkomst niet kennen.
Er zijn ook valse leraars die de wederkomst van Christus en de vernietiging van de wereld uit elkaar willen halen. Maar de twee gebeuren gelijkertijd volgens deze tekst.
Ook Petrus schrijft dat bij de wederkomst van Christus, hemel en aarde worden vernietigd. "Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is. Want willens en wetens ontgaat hun, dat door het woord van God de hemelen er sedert lang geweest zijn en de aarde, die uit en door het water bestaat, waardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water. Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen" (2 Petrus 3:3 t/m 7).
Petrus brengt "de belofte van Zijn komst" in verband met de vernietiging van hemel en aarde. Aangezien wij niet weten wanneer Christus komt, de tijd kan òf kort òf lang zijn. Intussen hebben zondaars nog de gelegenheid zich te bekeren: "Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Here talmt niet met de belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen" (2 Petrus 3:8, 9).
Maar of de tijd kort of lang is, het einde komt: "Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Op die dag zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden. Daar al deze dingen aldus vergaan, hoedanig behoort gij dan te zijn in heilige wandel en godsvrucht, vol verwachting u spoedende naar de komst van de dag Gods, ter wille waarvan de hemelen brandende zullen vergaan en de elementen in vuur zullen wegsmelten. Wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont" (2 Petrus 3:10 t/m 13).
Jezus noemt bepaalde dingen die geen tekenen van Zijn komst zijn.
"Ook zult gij horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet. Want volk zal opstaan tegen volk, en koninkrijk tegen koninkrijk, en er zullen nu hier, dan daar, hongersnoden en aardbevingen zijn." (Matteüs 24:6, 7).
Het is verbazingwekkend dat bepaalde valse leraars als tekenen van de komst van Jezus precies die dingen noemen die volgens Jezus geen tekenen van Zijn komst zijn! Eens hoorde ik een radioprediker deze tekst in die zin aanhalen, maar bij het voorlezen, sloeg hij het gedeelte over: "maar het einde is het nog niet"! Pas op voor valse leraars! Zij verdraaien de Schrift.
Wie beweert te weten wanneer Jezus komt, is een valse leraar.
Jezus waarschuwt: "Ziet toe, dat gij u niet laat verleiden. Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben het, en: De tijd is nabij. Gaat hen niet achterna" (Lucas 21:8). In ieder geslacht zijn er mensen die beweren te weten dat de tijd nabij is. En, zoals Jezus heeft voorspeld, misleiden zij velen. Waarom? Omdat velen niet luisteren naar wat Jezus zegt: "Gaat hen niet achterna".
Met Johannes kunnen wij zeggen: "Het is de laatste ure" (1 Johannes 2:18) en met Petrus: "Het einde aller dingen is nabijgekomen. Komt dus tot bezinning en wordt nuchter, opdat gij kunt bidden" (1 Petrus 4:7) omdat wij vanaf de Pinksterdag in "de laatste dagen" zijn (Handelingen 2:17) en Jezus kan op ieder ogenblik komen. Maar wie beweert meer dan dat te weten door te zeggen: "De tijd is nabij" (Lucas 21:8) is een valse leraar.
Alleen de Vader weet wanneer het einde zal zijn. Wij moeten steeds klaar zijn.
Iedereen zal Jezus zien bij Zijn komst.
"Indien dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of: Hier, gelooft het niet. Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden. Zie, Ik heb het u voorzegd. Indien men dan tot u zegt: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen; zie, Hij is in de binnenkamer, gelooft het niet. Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn" (Matteüs 24:23 t/m 27).
"Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken" (Openbaring 1:7).
Dus, iemand die beweert dat Jezus in 70 na Christus is gekomen, is een valse leraar, evenals Getuigen van Jehova die beweren dat Hij in 1914 onzichtbaar is gekomen.
Bij de komst van Jezus zal iedereen Hem zien. Laat u niet bedriegen.
De tekenen van de wederkomst van Christus gebeuren bij Zijn komst.
Wanneer die tekenen verschijnen, is het te laat zijn. De tijd voor bekering is voorbij. "En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid. En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere" (Matteüs 24:30, 31).
"En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid. Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt" (Lucas 21:25 t/m 28).
Dus, wanneer het teken van de Zoon des Mensen verschijnt, zullen de verlorenen beven en de behoudenen juichen. Jezus komt als een dief in de nacht. Wij moeten klaar zijn. Eenmaal het teken van de Zoon des Mensen verschijnt, is het te laat.
Wat dan is het antwoord op de twee vragen? (1) De tempel wordt in dat geslacht vernietigd. Zijn volgelingen herkenden de tekenen en hebben Jeruzalem verlaten. (2) Niemand weet wanneer Jezus zal wederkomen, dus moeten wij steeds klaar zijn. Misschien gaan duizenden jaren nog voorbij, of misschien komt hij nu! Het einde aller dingen is nabijgekomen. Zijn we klaar?
Bidden en vasten.
"Als je bidt, doe dat dan niet zoals schijnheilige mensen, die graag in het openbaar bidden om indruk te maken op anderen. Laat Mij je vertellen dat zij hun loon al hebben. Maar wanneer jij bidt, ga dan naar je kamer, doe de deur dicht en bid tot je Vader, die in het verborgene is. Dan zal Hij, die ziet wat er in het geheim gebeurt, je belonen. En wanneer je bidt, doe dat dan niet met een heleboel woorden en eindeloze herhalingen, sommige religieuze mensen denken zo gehoord te worden. Zo hoef je niet te bidden, want je Vader weet wat je nodig hebt, zelfs voordat je het hem vraagt. Als je bidt, doe het dan op deze manier: Onze Vader in de hemel. Laat Uw naam geheiligd worden (dat mensen U zullen erkennen als enige God en ontzag voor U hebben). Laat Uw Koninkrijk komen, Uw wil worden gedaan, op de aarde, zoals in de hemel. Geef ons vandaag het brood dat we nodig hebben. Vergeef ons onze schulden (zonden), zoals wij de mensen vergeven die ons iets schuldig zijn (die tegen ons zondigen). En laat ons niet in verleiding komen (om iets verkeerds te doen), maar verlos ons van slechtheid (ook wel vertaald als: de slechte persoon, de boze of de duivel). Want van U is het Koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid."
(Veel mensen bidden dit gebed graag letterlijk vanuit een bepaalde vertaling. Dit gedeelte wekt echter eerder de indruk dat het om een modelgebed gaat, dat als voorbeeld gebruikt kan worden voor een algemeen gebed. In het boek Handelingen staan andere gebeden opgetekend die door de apostelen zijn uitgesproken. Waar het om gaat is dat we juist niet met standaardgebeden moeten bidden, maar vanuit een relatie met de Vader, over alledaagse dingen zoals eten, verleidingen, onenigheden en vergeven. Jezus bad zelf tenslotte ook gebeden die heel anders waren dan dit voorbeeldgebed.)
(Mat.6:5-13; Luk.11:2-4)
"Maar wanneer je staat te bidden en je hebt iets tegen iemand, vergeef het hem, zodat je Vader in de hemel ook jouw zonden zal vergeven. Als je de mensen vergeeft die jou iets aangedaan hebben, zal je hemelse Vader jou ook vergeven.
"Maar als je anderen niet vergeeft, zal je Vader jou ook niet vergeven."
(Mat.6:14,15; Mrk.11:25)
"Stel je voor, iemand gaat midden in de nacht naar zijn vriend toe en zegt: Vriend, leen mij eens drie broden, want ik heb een vriend te logeren die op doorreis is en ik heb niets om hem voor te zetten. En dan hoort hij vanuit het huis: Val me niet lastig, de deur is al dicht en we liggen allemaal in bed. Ik kan niet opstaan om je iets te geven. Ik zal je vertellen dat hij toch zal opstaan, niet omdat hij zijn vriend is, maar vanwege de vasthoudendheid van de man en hij zal hem geven wat hij nodig heeft."
(Luk.11:5-8)
"Vraag en het zal je gegeven worden. Zoek en je zult vinden. Klop en de deur zal voor je worden opengedaan. Want iedereen die vraagt ontvangt, wie zoekt vindt en wie klopt zal open gedaan worden. Wie van jullie zal, als je zoon om een brood vraagt, hem een steen geven? En als hij om een vis vraagt, zou je hem in plaats van een vis een slang geven of als hij om een ei vraagt, hem een schorpioen geven? Zelfs al zijn jullie in wezen slecht, je bent toch in staat om iets goeds te geven aan je kinderen. Zal je Vader in de hemel niet nog veel beter weten hoe Hij goede dingen moet geven als Zijn kinderen iets aan Hem vragen? Hij zal ook zeker de Heilige Geest geven aan hen die Hem daarom vragen!"
(Mat.7:7-11; Luk.11:9-13)
"Als je vast, moet je niet somber kijken, zoals schijnheilige mensen. Want zij vertrekken hun gezichten om anderen te laten zien dat ze vasten. Ik zeg: zij hebben hun volledige beloning al ontvangen. Maar wanneer jullie vasten, was dan je gezicht en doe een lekker geurtje op, zodat het niet overduidelijk is dat je aan het vasten bent, behalve voor je Vader, die in het verborgene is. En je Vader, die ziet wat niemand anders ziet, zal je belonen."
(Mat.6:16-18)
[Leerlingen van Johannes de Doper vroegen Hem waarom Zijn leerlingen niet vastten zoals zij en de Joodse leiders.]
"Hoe kunnen gasten van de bruidegom vasten zolang de bruidegom bij hen is? Maar er komt een tijd dat de bruidegom van hen zal worden weggenomen en dan zullen ze vasten. Niemand naait een nieuw lapje stof op een oude jas. Want als je dat doet, zal het nieuwe lapje er af scheuren en dan past het niet meer (omdat het meer krimpt dan de jas). En niemand doet nieuwe wijn in een oude wijnzak. Als je dat doet zal de oude zak kapot gaan (omdat de oude wijnzak niet meer uitzet wanneer de wijn gaat gisten), en dan gaan zowel de wijn als de wijnzak verloren. Nee, men doet nieuwe wijn in nieuwe wijnzakken. (Je kunt geen oude gewoonten proberen in te passen in iets nieuws: het Koninkrijk van God.) En niemand wil nieuwe wijn na het drinken van oude wijn, want hij zegt: Die oude smaakt best." (Natuurlijk, want die ben je gewend en er zit meer alcohol in; het is moeilijk om mensen van oude gewoonten af te krijgen.)
(Mat.9:14-17; Mrk.2:18-22; Luk.5:33-39)
"Twee mannen gingen naar de tempel om te bidden, de ene was een godsdienstige leider en de andere een belastinginner. De leider stond op en bad voor zichzelf: God, ik dank u dat ik niet zo ben als andere mensen rovers, slechteriken, overspelige mensen of zelfs zoals deze belastinginner. Ik vast twee keer per week en geef een tiende van alles wat ik krijg. Maar de belastinginner stond op een afstand; hij wilde niet eens zijn ogen opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op zijn borst en zei: God, wees mij, een zondaar, genadig. Ik zal je vertellen dat deze man rechtvaardig voor God naar huis ging en die andere niet. Want een ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en een ieder die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden."
(Luk.18:10-14)
[In de tempel waren mensen handel aan het bedrijven op de plaats waar de heidenen konden bidden. Jezus joeg ze daar weg, gooide hun tafels om en smeet hun handel en geld over de grond.]
"Haal deze dingen hier weg! Hoe durven jullie Mijn Vaders huis te veranderen in een markt? Staat er niet in de geschriften (in Jesaja 56:7): Mijn huis zal een huis van gebed voor alle volken worden genoemd? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!" (Jeremia 7:11)