Boven alles wat aan goeds gegeven wordt,
moet men rust vinden in God
Boven alles en in alles zult gij altijd rust vinden in de Heer, want Hij is zelf de eeuwige rust van
de heiligen. Geef Gij, lieve en beminnenswaardige Jezus, dat ik in U boven elk schepsel rusten mag.
Boven alle heil en schoonheid, boven alle eer en glorie, boven alle macht en waardigheid,
boven alle wetenschap en vernuft.
Boven alle rijkdom en kunst, boven alle blijdschap en gejubel, boven alle roem en lof, boven alle zoetheid
en vertroosting.
Boven alle hoop en belofte, boven alle verdienste en verlangen.
Boven alle gaven en geschenken die Gij kunt geven en kunt doen binnenstromen, boven alle vreugde
en jubelzang die de geest kan vatten en verstaan.
Boven alle engelen en aartsengelen en boven heel het hemelse koor, boven al het zichtbare en onzichtbare
en boven alles wat Gij, mijn God, niet zijt.
Want Gij, Heer mijn God, zijt de Allesovertreffende, Gij alleen de Allerhoogste, Gij alleen de Almachtige, Gij die alleen volledig kunt verzadigen en vervullen, Gij de Allerbeminnelijkste en de boven alles Troostrijke. Gij alleen de Schoonste en liefdevolste, Gij alleen de Edelste en de meest Roemvolle boven alles, in wie al het goede tegelijk en volmaakt aanwezig is, altijd geweest is en zijn zal.
En daarom is alles te weinig en onvoldoende wat Gij mij geeft buiten Uzelf, of wat Gij ook over Uzelf openbaart en belooft, als ik Uzelf niet zie of volledig in bezit heb gekregen. Want mijn hart kan nu eenmaal niet werkelijk tot rust komen of geheel voldaan zijn, behalve als het rust in U en boven alle gaven en alle schepselen mag uitstijgen.
O mijn zeer beminde bruidegom Jezus Christus, zuiverste minnaar, Heerser over heel de schepping: wie geeft mij vleugels van ware vrijheid, zodat ik mag vliegen en mijn rust zoeken in U? Wanneer zal het mij ten volle zijn gegeven mij onbelemmerd toe te wijden en te zien hoe lieflijk Gij zijt, Heer mijn God? Wanneer zal ik mij volkomen in U terugtrekken, zodat ik van louter liefde tot U buiten mijzelf leef en alleen U boven alle maat en gevoel ervaar op een wijze die haast niemand kent?
Maar nu zucht ik dikwijls en draag ik met leed mijn zo onbevredigend bestaan waaruit het geluk afwezig is. Want er overkomen mij in dit dal van ellende zoveel rampen die mij dikwijls verwarren en bedroeven, mijn leven verduisteren, die mij dikwijls de weg versperren en mij verstrooien, mij verleiden en binden, zodat ik geen vrije toegang heb tot U en uw gelukkig makende omhelzingen niet kan genieten, die onophoudelijk het geluk zijn van de zalige geesten. Mocht mijn zuchten U bewegen en ook mijn veelzijdige vereenzaming op de aarde. Jezus, glans van de eeuwige heerlijkheid, troost van de mens op zijn pelgrimstocht, mijn mond is bij U zonder stem en mijn zwijgen is voor U welsprekend.
Hoelang zou de Heer nog wachten vóór Hij komt? Laat Hij toch komen tot mij, armtierig wezen, en mij blij maken. Laat Hij zijn hand uitstrekken en mij, ellendige, uit alle benauwenis bevrijden. Kom, kom, want zonder U is er geen dag of uur van blijdschap meer, want Gij zijt mijn blijdschap en zonder U is mijn tafel ledig. Ik ben ellendig en als in een gevangenis opgesloten en zwaar geboeid, totdat Gij mij verkwikt met het licht van uw tegenwoordigheid, mij in vrijheid stelt en mij uw vriendelijk aangezicht laat zien.
Laat anderen vragen wat zij verkiezen inplaats van Uzelf; wat mij betreft, mij behaagt niets en mij zal niets behagen dan Gij, mijn God, mijn hoop, mijn eeuwig heil. Ik zal niet zwijgen en niet ophouden met smeken totdat uw genade terugkeert en Gij inwendig tot mij spreekt.
De Heer: Zie, hier ben Ik. Zie, nu spreek Ik tot u want gij hebt mij geroepen. Uw tranen en het verlangen van uw ziel, uw vernedering en het berouw van uw hart hebben Mij doen neerbuigen en Mij tot u gebracht.
En ik heb gezegd: Heer, ik heb U aangeroepen en verlangd U te genieten, bereid om alles te verachten ter wille van U. Want Gij zijt begonnen door mij aan te sporen U te zoeken. Wees daarom gezegend, Heer, die deze goedheid aan uw knecht bewezen hebt, want zo onbegrensd is uw barmhartigheid
Wat heeft uw dienaar verder in uw tegenwoordigheid te zeggen, wat anders dan dat hij zich diep voor U vernedert, eigen misdadigheid en laagheid altijd indachtig is? Want niets is aan U gelijk onder alles wat er wonderbaar is in de hemel of op aarde. Alles wat Gij doet is zeer goed; uw uitspraken zijn waar en door uw Voorzienigheid wordt alles geleid.
Lof en eer zij U daarom, o Wijsheid van de Vader; U love en zegene mijn mond, mijn diepste wezen en alle schepselen tezamen.
Het gedenken van Gods talrijke weldaden.
Heer, open mijn hart voor uw wet en leer mij de weg van uw geboden te gaan. Geef mij inzicht in uw wil, laat mij met grote eerbied en nauwlettende beschouwing uw weldaden zowel in het algemeen als in het bijzonder overdenken, zodat ik U dan op passende wijze daarvoor dank mag zeggen.
Intussen weet ik en beken dat ook, dat ik zelfs niet voor het allerminste U de verschuldigde lof en dank kan betuigen. Want ik ben al de goedheid die mij is bewezen onwaardig en als ik denk aan uw edelmoedigheid, legt mijn geest het af tegen uw grootheid.
Al wat wij hebben naar lichaam en ziel en wat wij innerlijk of uiterlijk aan natuurlijke en bovennatuurlijke gaven bezitten, zijn uw weldaden. En het bewijst hoe liefdevol en goed Gij zijt, van wie wij het goede in ons hebben ontvangen. Al werd de ene meer, de andere minder toebedeeld, toch is alles het uwe: zonder U kunnen wij zelfs het geringste niet bezitten. Hij die meer heeft ontvangen kan zich niet beroemen op zijn verdienste en zich ook niet boven een ander verheffen of een minder bedeelde minachten. Hij is immers groter en beter die zichzelf minder toeschrijft en bij het brengen van zijn dank uitmunt in nederigheid en vroomheid.
En wie zich de onwaardigste en van allen acht als degene die het minst betekent, hij is het best geschikt om groter weldaden te ontvangen. Wie echter minder ontving moet niet bedroefd zijn of zich te kort gedaan achten en hij mag ook een beter bedeelde niet benijden. Maar moet liever naar U opzien en hoog uw goedheid prijzen, omdat Gij zo overvloedig, zo onverdiend en gul zonder aanziens des persoons uw gaven uitdeelt.
Alles komt van U en daarom moet Gij in alles geprezen worden. Gij weet wat het best aan ieder kan gegeven worden, waarom deze minder en een ander meer heeft; het is niet aan ons dit te beoordelen maar aan U, bij wie de verdiensten van ieder afzonderlijk precies vaststaan. Daarom, Heer mijn God, beschouw ik het als een grote weldaad dat ik niet veel heb waardoor ik naar het uiterlijk en volgens de mensen lof en eer verdienen zou.
Als iemand namelijk de armoede en de geringheid van zijn persoon zeer reëel constateert, mag geen neerdrukkende gedachte, geen droefheid of ontmoediging bij hem opkomen, maar eerder een gevoel van troost, zelfs van uitbundige blijdschap. Omdat Gij, mijn God, de armen, de geringen en voor het oog van de wereld verachtelijken hebt uitgekozen om uw vertrouwelingen en huisgenoten te zijn.
Aldus getuigen uw apostelen zelf die Gij als vorsten over de hele wereld hebt aangesteld. Zij hebben in de wereld geleefd zonder te klagen; zo nederig en eenvoudig, zonder enige list of boosheid, dat zij zich zelfs verheugden smaad te mogen lijden voor uw naam en met groot verlangen omhelsden waar de wereld een afschrik van heeft.
Niets moet daarom hem die U liefheeft en uw weldaden kent zozeer verblijden als dat uw wil in hem vervuld wordt en het eeuwig welbehagen waarmee Gij alles hebt beschikt. Daarover behoort hij zich zó te verheugen en zich zó vertroost te gevoelen, dat hij even graag de minste verlangt te zijn als een ander de grootste wil worden. En even rustig en tevreden op de laatste plaats als op de eerste plaats te nemen en even graag verachtelijk en verworpen zonder enige naam of faam, als boven anderen geëerd in de wereld en belangrijker dan zij. Want uw wil en de liefde voor uw eer moeten voor hem alles te boven gaan en hem meer troosten en behagen dan alle reeds ontvangen of nog te verkrijgen weldaden.
Vier bronnen van grote vrede.
De Heer: Mijn zoon, nu zal Ik u de weg van de vrede en de ware vrijheid wijzen.
Heer, doe zoals Gij zegt, het is mij een vreugde dit te mogen horen.
Leg er u op toe, mijn zoon, eerder de wil van iemand anders dan de uwe te doen.
Kies altijd minder te bezitten in plaats van meer.
Zoek altijd de laatste plaats, zoek allen onderdanig te zijn.
Wens en bid dat Gods wil volkomen in u geschieden mag.
Zie, zo iemand zal het land van de vrede en de rust betreden.
Heer, uw toespraak is kort maar omvat grote volmaaktheid. Zij is klein in woorden maar vol inhoud en overvloedig in vruchtbaarheid. Want als dit trouw door mij onderhouden kon worden, zou er in mij niet zo gemakkelijk onrust ontstaan. Want zo dikwijls ik mij bezwaard voel en ontevreden, ontdek ik dat ik van deze leer ben afgeweken. Maar Gij die alles kunt en altijd mijn innerlijke voortgang wenst, vermeerder uw genade, zodat ik uw woorden waar kan maken en daarmee mijn heil voltooien.
Gebed om hulp tegen slechte gedachten.
Heer mijn God, ga niet van mij weg; mijn God, zie neer om mij te hulp te komen. Want allerlei gedachten komen in mij op en grote angsten, die mij innerlijk overvallen.
Hoe zal ik daar ongedeerd dóórkomen? Hoe zal ik me er doorheen slaan?
Ik, zo sprak Hij, zal voor u uitgaan en de roemvollen van de aarde zal ik vernederen. De deur van de gevangenis zal ik openen en u mijn diepste geheim meedelen.
Heer, doe zoals Gij zegt en laat alle slechte gedachten voor uw aangezicht op de vlucht gaan.
Dit is mijn hoop en mijn enige troost: naar U toe te vluchten in al mijn kwelling, op U te vertrouwen, U uit het diepst van mijn hart aan te roepen en geduldig te wachten totdat Gij mij troost.
Gebed om verlichting van de geest.
Goede Jezus, verlicht mij met de klaarheid van het innerlijk licht en drijf uit de woning van mijn hart alle duisternis weg. Houd die vele afdwalingen tegen en vernietig de bekoringen die mij geweld aandoen.
Strijd krachtig voor mij en verdrijf die kwaadwillige beesten, ik bedoel die verleidelijke begeerlijkheden; dat er vrede moge zijn in uw sterkte en dat uw lof overvloedig moge weerklinken in de heilige hal, ik bedoel in een zuiver geweten.
Beveel de winden en de stormen; zeg aan de zee: Wees rustig en aan de storm: Bedaar, en er zal grote stilte zijn.
Zend uw licht uit en uw waarheid, dat zij stralen over de aarde; want een woeste en lege aarde ben ik, totdat Gij mij verlicht.
Stort uw genade neer vanuit uw verblijf, drenk mijn hart met hemelse dauw, leid de wateren van godsvrucht naar mij toe om het aanzien van de aarde te bevloeien, dat zij goede en zelfs allerbeste vruchten mag voortbrengen.
Hef mijn geest op, die gedrukt gaat onder het gewicht van mijn zonden, en richt heel mijn verlangen op het hemelse, zodat ik na het smaken van de bovenaardse zoetheid met tegenzin nog aan het aardse denk.
Trek en ruk mij weg van alle aardse vertroosting die immers vluchtig is, want geen enkel schepsel kan mijn hevige honger ten volle verzadigen en voldoen.
Bind mij aan U met een onverbrekelijke liefdeband, want Gij alleen voldoet, de minnaar, en zonder U is alles, alles zonder inhoud.