For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
15-01-2011
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE ZATERDAG.
N. ( M ).
Zaligverklaring Johannes Paulus II op 1 mei .
Zaligverklaring Johannes Paulus II op 1 mei .
VATICAANSTAD - De vorige paus, Johannes Paulus II is zalig verklaard. Paus Benedictus XVI heeft een decreet getekend waarin hij bevestigt dat de vorige paus een wonder heeft verricht. Een Franse kloosterzuster zou op wonderbaarlijke wijze zijn genezen van Parkinson, nadat ze Johannes Paulus II om hulp had gevraagd.
Johannes-Paulus II op 1 mei zalig .
Paus Benedictus XVI verklaart op 1 mei zijn populaire Poolse voorganger Johannes-Paulus II (1978-2005) zalig, zo heeft de prefect van de Congregatie voor Zalig- en Heiligverklaringen, kardinaal Angelo Amato, vrijdag in Rome bekendgemaakt.
Benedictus heeft als opvolger van Karol Wojtyla vrijdagochtend het decreet ondertekend ter zaligverklaring. De feestelijke ceremonie is voorzien voor de eerste zondag na Pasen.
Eerder had de Congregatie een aan de Poolse paus toegeschreven wonder gevalideerd: de wonderbaarlijke genezing door zijn tussenkomst na gebeden van de 44-jarige Franse zuster Marie Simon-Pierre Normand van de ziekte van Parkinson, waaraan ook de katholieke leider leed. Het mirakel deed zich enkele maanden na zijn dood op 84-jarige leeftijd op 2 april 2005 voor.
Het proces tot zaligverklaring werd zeer snel opgestart en was in een recordtempo rond na het einde van het 27-jarige pontificaat van Johannes Paulus II, en werd tijdens zijn uitvaart al door talrijke gelovigen geëist. In plaats van de gebruikelijke vijf jaar startte de procedure al twee maanden na zijn dood. De volgende stap is, mits een tweede wonder, een heiligverklaring.
Dit wordt de nieuwe begraafplaats van Johannes Paulus II.
Dode paus krijgt nieuwe woning.
Paus Johannes Paulus II, die in 2005 overleed, krijgt een nieuwe rustplaats. Hij verhuist van zijn crypte in de St. Pieter naar de kapel van de heilige Sebastianus, gelegen aan de rechterkant van de kerk.
De paus gaat er qua onderkomen niet op achteruit. Zijn nieuwe plekje ligt tussen de kapel waar de Pietà van Michelangelo te bewonderen is en de sacramentskapel. Voor de verhuizing moet de gestorven paus nog wel even zalig verklaard worden door de huidige paus, Benedictus XVI. Italiaanse media hebben gemeld dat die verklaring eventueel vrijdag komt.
Johannes Paulus II wordt niet zomaar verhuisd. Hij heeft dat te danken aan een wonder dat hij ooit liet gebeuren. De Congregatie voor de Zalig- en Heiligverklaringen hebben gisteren namelijk vastgesteld dat de paus een Franse kloosterzuster, Marie Simon-Pierre, heeft genezen van Parkinson.
De innerlijke vertroosting .
Hoe wij moeten handelen en spreken
bij alles wat wij verlangen
De Heer: Mijn zoon, zeg bij alles wat gebeurt: Heer, zoals Gij wilt, laat het zo geschieden. Als dit strekt tot uw glorie, dan zij het zo in uw naam.
Heer, als Gij meent dat dit goed is voor mij en Gij het nuttig oordeelt, geef mij dan dat ik het tot uw eer mag aanwenden. Maar meent Gij dat het voor mij schadelijk is en geen voordeel brengt voor mijn eigenlijk heil, neem dan deze begeerte van mij weg. Want niet ieder verlangen komt van de heilige Geest, ook al lijkt het de mens juist en goed.....
Het is moeilijk naar waarheid te beoordelen of een goede geest ofwel een andere u aandrijft om dit of dat te verlangen en ook of ge misschien slechts door uw eigen geest bewogen wordt. Velen zijn op het einde bedrogen uitgekomen die in het begin schijnbaar door een goede geest geleid werden. Daarom behoort men altijd bij het vragen naar wat aantrekkelijk is vroom en bescheiden te zijn en altijd moet men met volkomen berusting alles aan Mij overlaten en zeggen: Heer, Gij weet wat het beste is, laat dit of dat gebeuren overeenkomstig uw welbehagen. Geef wat Gij wilt en zoveel Gij wilt en wanneer Gij wilt. Doe met mij zoals Gij het ziet en zoals U het meest behaagt en zoals uw grotere eer het vordert. Plaats mij waar Gij wilt en handel vrij met mij in alles. Ik ben in uw hand: keer en wend mij in alle richtingen. Zie, ik ben uw dienaar, tot alles bereid: want ik wil niet leven voor mijzelf maar voor U, laat mij dat waardig en op volmaakte wijze doen.
Gebed om Gods welbehagen te volbrengen
Geef mij, goede Jezus, uw genade: laat die mij begeleiden bij mijn arbeid en bij mij blijven tot aan het einde toe.
Sta mij toe altijd dat te verlangen en te willen, wat voor U het meest aanvaardbaar is en het meest behaaglijk.
Laat uw wil mijn wil zijn en mijn wil de uwe altijd volgen en daarmee volkomen één zijn.
Laat mijn willen en niet willen het zelfde zijn als bij U. Dat ik niets anders kan willen of niet willen dan wat Gij wilt en niet wilt.
Geef mij voor alles dood te zijn wat louter aards is en voor U graag veracht en voor niets geteld te worden in deze tijd.
Geef mij boven alles wat ik verlang, tot rust te komen in U en laat mijn hart in U de vrede vinden.
Gij zijt de ware vrede des harten; Gij de enige rust; buiten U is alles wreed en onrustig.
In deze vrede, juist daarin, dat wil zeggen: in U, het enige, het hoogste, het eeuwige Goed, zal ik slapen en tot rust komen. Amen.
De ware troost moet men in God alleen vinden
Wat ik ook maar kan verlangen of bedenken tot mijn troost, verwacht ik niet hier maar wel later. Al zou ik alle vertroosting van de hele wereld voor mijzelf alleen kunnen bezitten en van alle genietingen profiteren, zeker is dat het niet lang duren kan. Daarom, o mens, kunt gij nooit helemaal getroost of volkomen verzadigd worden, behalve door God die de armen troost en begaan is met de nederigen. Wacht nog even, zeg ik bij mijzelf, wacht op de goddelijke liefde en gij zult de overvloed van al wat goed is in de hemel bezitten. Want als gij te onbeheerst de aardse genoegens zoekt in deze tijd, zult gij de hemelse verliezen in eeuwigheid.
De tijdelijke dingen moogt gij gebruiken, maar verlang naar de eeuwige. Gij kunt niet door enig tijdelijk goed voldaan worden, want om dat te genieten zijt gij niet geschapen. Al zoudt gij ook alle geschapen goederen bezitten, gij zoudt toch niet gelukkig en voldaan kunnen zijn, maar in God die alles heeft geschapen bestaat heel uw zaligheid en uw geluk. En dan niet volgens het oordeel en de aanprijzing van dwaze wereldminnaars, maar zoals de christengelovigen dat verwachten en zoals de innerlijke mensen en de reinen van hart er soms een voorsmaak van hebben, omdat zij met het hemelse weten om te gaan.
Alle menselijke troost is vluchtig en kort. De zalige en waarachtige vertroosting wordt door de ware zoeker gevonden in het innerlijk. Een godvruchtig mens draagt altijd zijn vertrooster Jezus met zich mee en zegt tot Hem: Heer Jezus, blijf bij mij altijd en overal. Dit zal mijn troost zijn: graag alle menselijke troost te missen. En als alle troost afwezig is, dan zal uw wil en uw rechtvaardige beproeving mijn hoogste troost uitmaken. Want niet in eeuwigheid zult Gij toornen en ons niet bedreigen voor altijd.
Al onze zorg moeten wij aan God overlaten
De Heer: Mijn zoon, laat Mij met u doen wat Ik wil: Ik weet wat goed voor u is. Gij denkt als een mens, gij oordeelt in veel zaken zoals uw menselijk gevoelen dat ingeeft.
Heer, het is waar wat Gij zegt. Uw zorg om mij is groter dan alle bezorgdheid die ik voor mijzelf kan opbrengen. Wie niet al zijn zorgen aan U overdraagt is al te zeer aan het toeval overgeleverd.
Heer, als mijn wil maar rechtstreeks en met kracht op U blijft gericht, doe dan met mij wat U behaagt. Het kan immers niets anders zijn dan goed, wat Gij met mij zult doen. Wilt Gij dat ik in duisternis ben, wees gezegend, en wilt Gij dat ik in het licht leef, wees opnieuw gezegend. Wilt Gij dat ik getroost word, wees gezegend, en wilt Gij dat ik kwelling lijd, wees altijd evenzeer gezegend.
Mijn zoon, zo moet uw houding zijn als gij samen met Mij wilt leven. Gij moet evenzeer bereid zijn om te lijden als om u te verblijden. En even graag behoeftig en arm leven als in overvloed en rijkdom.
Heer, graag zal ik voor U lijden, wat Gij mij ook wilt laten overkomen. Zonder enig verschil wil ik uit uw hand goed en kwaad, zoet en bitter, blijdschap en droefheid aannemen, en voor alles wat met mij gebeurt U dank zeggen. Bewaar mij voor alle zonde, dan vrees ik dood noch hel. Als Gij mij in eeuwigheid maar niet verwerpt en mijn naam niet uitwist uit het boek des levens, dan kan niets mij schade doen, wat er ook aan ellende over mij neerkomt.
Dat wij zoals Christus geduldig alles moeten dragen
De Heer: Mijn zoon, Ik ben uit de hemel voor u neergedaald; Ik heb uw noden op Mij genomen, niet uit noodzaak maar omdat de liefde Mij er toe trok. Ik deed het om u geduld te leren en opdat gij de tijdelijke moeilijkheden zonder bitterheid zoudt dragen. Want vanaf het uur van mijn geboorte tot aan mijn dood op het kruis ontbrak Mij nooit het verduren van leed. Ik had groot gebrek aan tijdelijke goederen; Ik heb veel klachten over Mij moeten horen; beschamende en beschimpende woorden heb Ik welwillend verdragen. Voor mijn weldaden kreeg Ik ondank, voor mijn wonderen vervloeking, voor mijn onderricht verwijten.
Heer, omdat Gij geduldig zijt geweest tijdens uw leven en vooral dáárin het bevel van uw Vader hebt volbracht, is het juist dat ook ik, onnozele rebel, mijzelf volgens uw wil in geduld verdraag. En dat ik zolang Gij het zult willen de last van dit vergankelijk leven tot mijn eigen heil geduldig op mij neem.
Want al wordt dit tegenwoordig leven ervaren als een last, toch is het door uw genade zeer verdienstelijk geworden en door uw voorbeeld en de voetsporen van uw heiligen voor ons, zwakke mensen, draaglijker en doorzichtiger. Maar bovendien biedt het veel meer troost dan onder de Oude Wet ooit mogelijk was. Toen bleef de hemeldeur gesloten, leek de weg naar de hemel zeer duister en maar weinigen maakten er werk van het rijk der hemelen te zoeken.
Ook degenen echter die toen rechtvaardig leefden en gered zouden worden, konden vóór uw lijden en het offer van uw heilige zoendood het hemelrijk niet binnengaan. Hoeveel dankbetuigingen ben ik U schuldig, omdat Gij zo welwillend zijt geweest mij en alle gelovigen de juiste en goede weg naar uw eeuwig rijk te wijzen.
Want uw leven is onze weg en door het heilig geduld wandelen wij U tegemoet die onze kroon zijt. Als Gij ons niet waart voorgegaan en ons niet had onderwezen, wie zou er dan aan denken U te volgen? Helaas, hoevelen zouden ver achter U blijven, als zij niet aandachtig opzagen naar uw roemvol voorbeeld. Zie, nu nóg zijn wij lauw na het horen over zoveel tekenen en onderrichtingen. Wat zou er gebeuren, als het ons ontbrak aan dit groot licht waarbij wij U kunnen volgen?
Het dragen van onrecht en de ware geduldige
De heer: Wat zegt gij toch, mijn zoon? Houd op u te beklagen, als gij mijn lijden en dat van mijn heiligen hebt beschouwd. Gij hebt nog geen weerstand geboden tot bloedvergietens toe. Wat gij lijdt is weinig in vergelijking met degenen die zoveel hebben geleden, zo zwaar werden bekoord, zo bitter beproefd, zo veelvuldig getoetst en gekweld. Breng u daarom het zwaardere lijden van anderen in herinnering om uw nietige pijnen gemakkelijker te dragen. En als u die niet zo gering voorkomen, let dan eens op of dit niet zijn oorzaak vindt in uw ongeduld. Of het nu klein of groot is, doe uw best alles geduldig te verdragen.
Hoe beter gij u instelt op het lijden, des te wijzer doet ge en des te groter is uw verdienste. Gij zult het ook lichter dragen, omdat uw gerichtheid en uw daad met wilskracht zijn voorbereid. Zeg niet: ja maar, van zo iemand wens ik dat niet te nemen, of: zoiets kan ik niet dragen, want dit brengt mij grote schade toe en hij beschuldigt mij van dingen waaraan ik nooit gedacht heb. Maar van een ander kan ik dat best hebben en zal ik het beschouwen als mijn lot. Die gedachtengang is dwaas en heeft met de deugd van geduld niets te maken en ook niet met Hem die haar kan belonen. Maar hier wordt veeleer op de personen en op de beledigingen zelf gelet.
De ware geduldige is niet degene die niets wil verdragen, behalve dat wat hij zelf verkiest en zoveel als het hem uitkomt. Maar de ware geduldige let er niet op van welke mens zijn beproeving komt, of het nu komt van een goed en heilig persoon of van een slecht en onwaardig mens. Maar onverschillig van welk schepsel de tegenslag komt of hoeveel of hoe vaak, hij neemt dat alles in dank uit Gods hand aan en acht het grote winst. Bij God immers kan ook het minste wat men voor Hem lijdt niet zonder verdienste blijven.
Wees daarom bereid tot de strijd, als gij de overwinning wilt. Zonder strijd kunt gij niet komen tot de bekroning van het geduld. Geen lijden geen kroon. Maar verlangt gij bekroond te worden, strijd dan dapper en verdraag geduldig.
Zonder zwoegen geen rust, zonder strijd geen overwinning. Heer, geef dat door uw genade voor mij mogelijk wordt wat mij van nature onmogelijk schijnt. Gij weet dat ik maar weinig kan hebben en snel ontmoedigd word, zelfs als ik op maar lichte tegenstand stuit. Laat iedere moeilijkheid die mij op de proef stelt, ter wille van U voor mij beminnelijk en welkom worden; want lijden en belast worden ter liefde van U, is zeer vruchtbaar voor mijn innerlijk leven.
De betekenis van eigen zwakheid
en de ellende van dit leven
Ik zal mijzelf mijn overtredingen bekennen, Heer, voor U belijd ik zwak geweest te zijn. Dikwijls is het een kleinigheid die mij uit mijn evenwicht brengt en bedroeft. Ik neem mij voor resoluut te handelen; toch behoeft er maar een kleine beproeving te komen of ik zit in angst. Soms is het een uitermate geringe zaak waaruit een zware bekoring voortkomt. Soms terwijl ik mij vrij veilig voel omdat niets mij raakt, ontdek ik dat ik om wat onbenul bijna bezweken was.
Heer, zie neer op mijn geringheid en mijn zo duidelijk zichtbare zwakheid. Ontferm u over mij en haal mij uit de modder, dat ik niet vastraak en niet voorgoed blijf liggen. Wat mij dikwijls treft als een slag en voor U beschaamd maakt: dat ik zo wankel ben en onmachtig in het weerstaan aan mijn hartstochten.
En als het niet tot toestemming komt, toch is hun aanval zelf al een druk en een last en heb ik er meer dan genoeg van zo iedere dag al vechtend door te komen. En hierdoor geef ik vooral blijk hoe zwak ik ben: dat die afschuwelijke fantasieën mij altijd gemakkelijker bestormen dan dat zij weer weggaan.
Wil Gij, de sterke God van Israël, die opkomt voor hen die U trouw zijn, neerzien op het getob en de ellende van uw dienaar; sta hem toch bij in alles wat hij onderneemt. Geef mij kracht door de sterkte die uit de hemel komt, zodat de oude mens, mijn armzalige lichamelijkheid, die nog steeds niet ten volle onderworpen is aan de geest, ten slotte toch niet de macht in handen krijgt. Ik moet daartegen vechten zolang er in dit arme leventje nog geademd wordt.
Och, wat is dit leven, waar kwelling en bitterheid maar nooit uit verdwijnen, waar alles vol vijandschap en listen zit! Want is de ene beproeving of bekoring op de aftocht, dan is de volgende in aantocht; bovendien, terwijl die eerste nog voortduurt, komen er andere en meerdere conflicten bovenop en dat onverhoeds. Hoe kan men toch dit leven beminnen waar zoveel bitters in schuilt, dat zozeer onderhevig is aan rampspoed en aan droefheid? Ja hoe durven wij zelf iets leven noemen dat zoveel dood en verderf inhoudt?
Toch heeft men er liefde voor en velen zoeken er zich in te verlustigen. De wereld moet dikwijls het verwijt horen dat ze waan is en bedrog; toch laat men ze niet gemakkelijk los, omdat de aardse verlangens er zo luid in meespreken. Sommige dingen brengen ons tot liefde voor het aardse, andere sporen ons aan het te verachten.
Tot liefde voor de wereld leidt het lichamelijk begeren, de hebzucht van de ogen en de hoogmoed van het leven; maar de straffen en de miserie die daar terecht op volgen, doen ons die vergankelijkheid wederom haten en ervan walgen. Helaas, de verboden genietingen overwinnen de geest die zich eraan overgeeft en in het rijk van de zinnen te leven houdt zo iemand voor de hoogste zaligheid. Want hij weet niet welk een zoetheid God doet smaken, hij heeft geen idee en geen ervaring van de innerlijke heerlijkheid die met de deugd verbonden is. Maar wie het verboden volkomen minachten en proberen in heilige zelfbeheersing voor God te leven, die weten iets van de goddelijke zoetheid, beloofd aan de werkelijke zelfverloochenaars, en dezen zien evident hoe verschrikkelijk de wereld dwaalt en zich vergist op allerlei manieren.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
HET GEBED VAN DE MAAGD MARIA VOOR SIGVID RIBBING ("DEN ROVER").
ZESDE BOEK, KAP. 23.
De maagd sprak tot haar Zoon, zeggende: "O mijn Zoon, gezegend zijt Gij. Ik bid U om erbarming voor deze rover, voor wie Uw bruid wenend bidt." De Zoon antwoordde: "O, mijn moeder, waarom bidt gij voor hem? Hij heeft drie diefstallen begaan. Eerst bestal hij mijn engelen en uitverkorenen. Ten tweede stal hij het lichaam van vele mensen, want hij scheidde de ziel van het lichaam, voor het natuurlijk stervensuur gekomen was. Ten derde stal hij de bezittingen van vele onschuldige menschen.
Eerst bestal hij de engelen, want hij ontnam hun de zielen van vele mensen, welke aan hun zorgen zouden toevertrouwd worden, doordat hij mensen met lichtzinnige woorden en slechte daden en voorbeelden verleidde tot kwaad en doordat hij de boosheid van slechte menschen duldde en hen in het kwade aanmoedigde door hun niet te straffen, terecht te wijzen of te kasttijden, zooals de rechtvaardigheid eischte.
Ten tweede liet hij in zijn woede vele onschuldige mensen doden. Ten derde stal hij de bezittingen van onschuldige menschen. Drie andere slechte eigenschappen zijn hier het gevolg van: ten eerste eerzucht, ten tweede een losbandig leven, ten derde hoogmoed, zodat hij in niemand zijn gelijke ziet. Zie, zo is hij, voor wie gij bidt. Gij ziet mijn rechtvaardigheid en wat een ieder toekomt. Wat heb ik de moeder van Jacobus en Johannes geantwoord, toen zij tot mij ging en smeekte dat de een aan mijn rechterhand mocht zitten en de ander aan mijn linker? Ik antwoordde: Mijnen kelk zult gij wel drinken, doch het zitten aan mijne rechter of linkerhand komt mij niet toe aan u te geven, maar aan degenen, wien het bereid is door mijnen Vader."
De moeder antwoordde: "Gezegend zijt Gij, mijn Zoon, vol rechtvaardigheid en erbarming. Ik zie Uw rechtvaardigheid als vuur en als de machtigste berg, en haar durft niemand naderen, maar ik zie ook Uw tedere barmhartigheid. O! Mijn Zoon, tot die tedere barmhartigheid spreek ik, want hoewel ik iets weet wat de rover eenigszins rechtvaardigen kan, zal dit hem niet helpen, indien Uw barmhartigheid daar niet toe bijdraagt. Hij is als het kind, dat een mond heeft en ogen, handen en voeten, en toch niet praten kan met den mond en het vuur en de klaarheid der zon niet zien, noch onderscheiden kan en niet met de voeten lopen, noch met de handen werken kan. Zo is deze rover.
Zijn oren waren van zijn geboorte af doof voor het goede; zijn ogen verduisterd om waar te nemen wat in het verschiet lag; zijn mond gesloten voor Uw lof, en zijn handen waren wat goede werken voor God aangaat geheel onmachtig, en wel zo volkomen, dat alle deugd en alle goedheid voor hem als dood waren.
Toch scheen hij met één voet in twee voetsporen te staan. Want menigmaal heeft hij inwendig verlangd naar iemand die hem leeren zou hoe hij zich beteren kon, opdat God hem meer genadig wezen zou, God voor wie hij gaarne zijn leven zou willen geven. Hij stond in het ene voetspoor door zijn voortdurende vrees en angst voor de zware eeuwige straf. In het tweede door zijn verdriet over het verlies van het hemelrijk. Daarom, o! Mijn zoetste Zoon, arbarm U over hem ter wille van Uw goedheid en mijne gebeden, daar ik U in mijn schoot gedragen heb."
De Zoon antwoordde: "Gezegend zijt gij, mijn dierbare moeder, uwe woorden zijn vol wijsheid en rechtvaardigheid, en omdat alle wijsheid en erbarming in mij zijn, schonk ik hem tot vergelding van de drie goede dingen die hij ter mijner eer gedaan heeft, drie goede gaven: ik zond hem mijn vriend, die hem den weg wees, omdat hij den wil had zich te beteren; en omdat hij de eeuwige straf vreesde, leerde ik hem die beter begrijpen, zoodat hij die in al haar ontzetting in zich kon opnemen. Omdat hij zoveel verdriet had over het verlies van het hemelrijk, versterkte ik zijn hoop, zoodat zijn verlangen nu inniger is dan vroeger en hij op een betere en verstandigere wijze bevreesd is."
Daarop zeide Maria: "Gezegend zijt Gij, mijn Zoon, door ieder schepsel in den hemel en op aarde, omdat Gij in Uw rechtvaardigheid de rover deze drie gaven als vergelding schonkt. Nu bid ik U ook, U toch te verwaardigen hem Uw erbarming te geven, want Gij doet niets zonder erbarming. Geef hem daarom in Uw barmhartigheid een genade voor mijn gebed en een andere voor dat van Uw dienaren, die mij aanroepen om voor hem te bidden. En geef hem een derde genade voor de bebeden en tranen van mijn dochter, Uw bruid."
De Zoon antwoordde: "Gezegend zijt gij, mijn liefste moeder, heerscheres der engelen en koningin der hemelen. Uwe woorden zijn mij zoet als de beste wijn en aangenamer en liefelijker dan alles wat denkbaar is, en zijn in alles steeds wijs en rechtvaardig bevonden. Gezegend zij uw mond en uwe lippen, waarvan alle erbarming uitgaat voor zondaars en bozen. Gij wordt de moeder der barmhartigheid genoemd, en gij zijt het in waarheid, want gij ziet het ongeluk van allen en nijgt mij tot erbarming. Vraag wat gij wilt, uw liefde zal u bijstaan en ook uw gebed zal niet vergeefsch zijn."
Toen zeide de moeder: "O mijn Zoon en mijn Heer, deze rover is in groot gevaar, want het is alsof hij met éen voet in twee sporen staat. En opdat hij vaster moge staan, geef hem wat mij het allerdierbaarst is, Uw heilig en rein lichaam, dat Gij van mij gekregen hebt na een onbevlekte ontvangenis. Uw lichaam is het snelste geneesmiddel voor de zieken; het geeft blinden het gezicht, doven het gehoor, kreupelen den gang; het geeft de handen bezigheid, het is de sterkste en hechtste pleister, waardoor de zieken spoedig kracht en gezondheid terugkrijgen. Geef het hem, opdat hij hulp krijge door Uw lichaam en zich er over verheuge met warme liefde.
Ten tweede bid ik U, dat Gij U verwaardigt hem te tonen, wat hij doen moet om U gunstig te stemmen. Ten derde bid ik U, dat hij leere zijn lichaam te beheersen, ter wille der gebeden van hen, die voor hem bidden."
De Zoon antwoordde: "O! Mijn liefste Moeder, uw woorden zijn mij zoet als honig. Maar omdat ik rechtvaardig ben en U niets geweigerd mag worden, zal ik als een wijs meester uw gebed overdenken. Niets omdat ik ook maar veranderlijk ben, of omdat Gij dit alles niet weet en dit alles niet in mij ziet, maar ik draal ter wille van mijn Bruid, opdat zij mijn wijsheid moge verstaan."
Wordt vervolgd.
Span je tot het uiterste in,
Span je tot het uiterste in, eenmaal weg van deze plek,
je licht brandend te houden,
in pijn en verdrukking,
houd brandend het licht van de overwinning.
voor de nauwe, gesloten deur: houd brandend het licht van de hoop.
op het feest van de glitter en het goud, houd brandend het licht van de eenvoud,
Velen gaan bekende, brede, hel verlichte wegen. Ga met een klein lichtje
de weg tegen alle wegen in. Ga de weg van God, ga met God naar de mensen.
Zijn deur staat steeds open.
In de naam van de Vader + en de Zoon en de Heilige Geest. Amen
Voor mensen van goede wil.
Voor mensen van goede wil.
Die in eenvoud leven, eerbiedig zijn en stil.
Om Gods werken te aanvaarden.
Het door te geven aan de nakomelingen van onze aarde.
Om het geluk te mogen vinden.
Wat de mensheid nodig heeft, onder al zijn mensenkinderen.
Door geloof, hoop en liefde wat men verkregen heeft door de allergrootste Meester Jezus Christus.
Die de liefde van de Goddelijke wereld bracht naar ons.
Om God lief te hebben voor Zijn goedheid.
Voor Zijn Schepping wat Hij voor de mens had voorbereid.
We moeten daar toch dankbaar voor zijn.
Als we door Zijn liefde verkrijgen alle soorten voedsel en wijn.
Maar wij als mens vernietigen vele Scheppingen die God voor ons openbaarde.
Zo werpen wij ons in het teniet, wat het leven zal verzware.
Heb eerbied voor al het leven.
Zodat je een harmonisch geheel kunt beleven.
VOLUNTAS TUA.
Heer Uw Heilige Wil geschiede ! Ik aanbid en bemin Uw Heilige Wil. Geef mij de genade enkel te willen wat Gij wilt. Ik wil alles willen wat Gij wilt zoals Gij het wilt zolang Gij het wilt. Ook al zie ik het niet in ook al begrijp ik het niet ook al gevoel ik het niet Heer , ik geloof met een vast betrouwen op Uw Goddelijke Voorzienigheid dat de toestand waarin ik mij nu bevind dat alles wat nu met mij gebeurt het werk is van Uw Liefde van Uw persoonlijke Goedheid voor mij ! Met volle vrije wil ook al komen mijn gemoed en mijn gevoelens in opstand verkies ik voor nu en altijd deze toestand boven iedere andere die mij aangenamen zou zijn die ikzelf zou kunnen verlangen of voorstellen. Ik werp mij in Uw armen omdat Gij het zo verlangt. Gij die gezegd hebt ; 'Kom allen tot mij die belast en beladen zijt ik zal u troosten'. 'Schenk mij dan die enige troost Uw Heilige Wil te volbrengen U te gehoorzamen. Wat zal er met mij gebeuren ? Wat zal er mij vandaag overkomen ? Ik weet het niet , ik moet het niet weten , Gij weet het en dat is genoeg zo wil ik gerust zijn. Voor alle eeuwigheid hebt Gij mijn leven gepland ik wil 'uw Plan' aanbidden , beminnen en gehoorzamen. Ik onderwerp mij eraan ik aanvaard alles ik offer U alles In vereniging met Uw eeuwig offer tot redding van de zielen voor de bekering der heidenen. Slechts dit wou ik U nog vragen , Heer , geef mij geduld , blijmoedige onderwerping moed en zielekracht om in blijdschap en goed humeur alles te kunnen dragen wat Uw Liefde en Goedheid mij zal overzenden. Moeder Maria , ik reken op U neem mijn hand en hou mij vast zo zal ik niet wankelen.
Amen.
STERK EN TROOST MIJ.
Mijn God , ik dank U dat U mij deze nacht bewaard hebt en ik vraag Uw Zegen over de komende dag. Eerst ga ik mijn H. Mis lezen in mijn kamertje om U te danken voor uw liefde en uw goedheid jegens mij. Daar ik niet tot U kan komen , God , aanhoor mijn gebeden die ik stort uit liefde tot U. O Jezus , zend mij uw Heilige Geest opdat hij mij helpe met Maria , mijn Hemelse Moeder U te aanbidden en te danken te beminnen en te vertrouwen nu ik U heb ontvangen in de Communie. Heilige Geest , ziel van mijn ziel , ik aanbid U , verlicht , sterk en troost mij zeg mij wat ik moet doen geef mij uw wensen te kennen opdat ik deze dag mag doorbrengen naar de zin en uw verlangen. Geef dat ik vandaag niemand pijn doe maar dat ik sterk genoeg mag zijn om te troosten waar verdriet is. Aanhoor dan goedgunstig de gebeden die ik tot U richt en zegen diegenen die hun kruis niet meer kunnen dragen. Geef mij de kracht om hen te troosten , neem mij op in Uw Barmhartigheid.
Amen.
GEBED VAN EEN HERDER.
Heer Jezus , ik zit hier in mijn werkkamer. Heel mijn tuin baadt in de zon. Door het open raam zie ik een weelde van bloemen. Ontelbare vogels hoor ik tjilpen en fluiten. En toch ben ik met mijn gedachten elders. Ik denk aan de vele mensen die moeten leven onder grauwe en loodzware wolken ; mensen die gebukt gaan onder lichamelijk lijden of gekweld worden door angst en verdriet. Ik denk aan de mensen met honger en pijn. Gevangenen en verdrukten. Mensen ook met sombere vooruitzichten. Verlies ik mijn baan ? Vind ik nog werk ? Gaat mijn zaak ten onder ? Wordt het zwarte armoede ? Velen voelen zich alleen met hun kwellingen. Oudere mensen en ook jonge mensen ; onbegrepen door hun ouders. Teleurgesteld door hun partner. Verlaten door eigen kinderen. Onschuldig en toch ellendig. Eenzame mensen , ontroostbaar om het verlies van een beminde. Zieke mensen , krachteloos , misschien bedreigd door een ongeneeslijke kwaal. Of geestelijk ondermijnd. Ze kijken naar de toekomst met angst in de ogen. Heeft het leven nog betekenis ? Ben ik de speelbal van het noodlot ? De pechvogel ? Die mensen met tegenspoed zijn mijn medemensen. De meesten onder hen zijn mijn broeders en zusters in het christelijk geloof. Vooral in mijn gebed. Gij weet het Heer , maar ik zou vandaag heel lang met U over hen willen spreken. Heel persoonlijk over die mensen die het kruis zwaar op hun schouders voelen wegen. Over die mensen met kommer en verdriet. Goede Meester , ik ben voor hen geen vreemde. Ze hebben een grote plaats in mijn hart. Gij hebt mij naar hen gezonden want ik ben een van de herders in uw Kerk. Ik mag bij U komen uit naam van hen aan wie Gij beloofd hebt dat Gij verkwikking zult brengen als ze belast en overladen zijn. Velen onder hen zijn doorgaans zeer moedig. Als je hun medevoelen betuigt , krijg je vaak als spontane reactie ; zo beladen en belast ben ik toch ook wel niet. Gij hoort graag dat antwoord. Heel wat bedroefde mensen hebben van U geleerd met hun lijden te leven. Ze hebben hun moeilijke uren , maar ze komen die weer te boven. Ze trachten hun lijden 'voorlopig' te dragen. Ze kennen uren van tegenslag en teleurstelling maar ze leren leven met wat onvolkomen is. Ze wachten niet tot alle zwarte wolken weg zijn. Nu reeds doen ze wat ze kunnen ; ze werken wat , ze rusten wat , ze bidden wat. Ze scheppen een zekere orde in hun dag. Dat geeft hun genezende kracht. Geordende bezigheid voert hen naar gezond levensritme. Velen weten dat hun pijn een diepere ondergrond heeft. Ze voelen angst , een dof geknaag , een soort zelfverwijt ; had ik dit maar niet gedaan , had ik daar maar gezwegen , had ik dat maar aangepakt. Die mensen fluistert Gij in het oor ; 'Til niet te zwaar aan dat onrustig gevoel. Je moet niet steeds aan jezelf de schuld geven van wat in je leven mislukt. Soms ligt de schuld bij anderen. Vaak is het een samenloop van onstandigheden. Je kunt niet alles. Je krachten zijn beperkt. Iedereen kan zich vergissen. Bij iedereen loopt de toestand al eens uit de hand , zonder dat je daarvoor verantwoordelijk bent'. Sommigen slaan zich weliswaar niet zonder reden op de borst ; 'Door mijn schuld , door mijn grote schuld' , maar Gij zegt hun ; 'Je hoeft daarom niet te wanhopen. Dank zij mijn kruisdood is vergeving altijd mogelijk. God vraagt u aan anderen vergiffenis te geven , maar Hij doet dat ook zelf. Op jouw berouw volgt steeds zijn helend woord ; 'Je zonden zijn je vergeven'. En de barmhartige God is daarbij oprecht. Met goddelijke kracht heeft Hij je dan werkelijk gereinigd. Je bent opnieuw bij Hem aanvaard. Zoals voordien. Meer dan voordien want de ervaring van mijn barmhartigheid geeft Je een stut in de rug ! Gij hebt gezegd ; 'Ik ben de verrijzenis en het leven'. Dank zij U heeft een christen nooit een geldige reden om in de grond van zijn hart angstig te blijven of wanhopig te worden. Uw Vader , onze Vader zorgt immers voor zijn mensen. Meer dan voor zijn bloemen in de velden en zijn vogels in de lucht. Zelfs als de orkaan raast , horen ze nog uw stem ; 'Waarom zijn jullie bang , kleingelovigen ? ( Mt. 8 , 26 ). Gij schenkt de mensen moed. Uw Geest wil ze vindingrijkheid geven om een uitkomst te ontdekken. Hij biedt kracht om te volharden. Gij zijt altijd van goede wil , overvloeiend van goedwillendheid. Daarom kan een christen met vertrouwen bidden ; 'Uw wil geschiede op aarde als in de hemel ! Goede Meester , vele mensen zeggen met beklemd gemoed ; 'Bidden ? Ik bid zo weinig. Ik ben zo ver van God en van de godsdienst gaan leven. Soms ben ik kwaad op God. Help ze om hierdoor niet ontmoedigd te worden. Leer ze geloven dat de Vader iedere dag op de uitkijk staat. Steeds gereed om te vergeven en alles weer goed te maken. Zoals ouders dat zouden doen voor hun eigen kind. Voor iedereen is er redding. Toon hun de wonden in uw handen en uw voeten. Voor hen zijt Gij gestorven en verrezen. Zeg ook vandaag aan uw ontstelde leerlingen ; Je Vader kan begrijpen dat je inzinkingen hebt , dat je soms schreeuwt ; 'Laat die bittere kelk aan mij voorbijgaan'. Ze mogen gerust huilen ; 'Mijn God , mijn God , waarom hebt Gij mij verlaten' ? Deze woorden zijn geen vloekwoorden. Het zijn Uw eigen woorden als Zoon van God. Gij hebt het uitgeschreeuwd van menselijke ellende. Maar uw liefde en uw vertrouwen haalden de bovenhand ; 'Maar niet mijn wil , maar uw wil geschiede. 'En in volle overgave hebt Gij op het kruis gezegd ; 'Vader , in uw handen beveel ik mijn Geest'. Lijdende mensen vergeten soms dat zij niet alleen staan met het lijden en dat anderen nog meer lijden dan zijzelf. Ze denken er niet aan dat ze voor anderen een troost kunnen zijn. Leer hun een opbeurend woord tot hen te spreken en hun lijden te offeren voor de redding van anderen , zoals Gij gedaan hebt. Gij zult hun medewerking niet onbeloond laten. De vrouwen aan het graf legden hun eigen smart het zwijgen op om eerst uw dode lichaam te balsemen. Aan hen verschijnt Gij als Verrezene het eerst. Wat gij ontvangt aan zorgen voor uw ledematen , geeft Gij terug als troost voor de harten. Wie voor de anderen lijdt , ervaart een mysterieuze vreugde. Paulus die wist wat lijden was , schreef ; 'Op dit ogenblik verheug ik mij dat ik voor U lijden mag'. Ik mag aanvullen wat aan kwellingen van de Christus in mijn vlees ontbreekt , ten bate van zijn lichaam dat de Kerk is' ( Kolos. 1 , 24 ). Geen mens begrijpt het lijden ten volle. Waarom ? Waarom ik ? Waarom opnieuw ? Waarom zo dikwijls ? Waarom nu ? Het lijden is en blijft een afgrond in het menselijk bestaan. Een duistere mysterie. Licht en verlichting vindt hij slechts in een ander mysterie ; het mysterie van Uw kruis en verrijzenis. Leer deze mens zijn lot toevertrouwen aan U , zijn gekruisigde Meester. Laat hem niet eenzaam worstelen met zijn vragen en problemen. Laat hun geloven dat Gij bereid zijt met hen door het mysterie te stappen en hun hart brandend te maken. Grijp hen bij de hand en zeg hun ; 'Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in mij gelooft , zal leven , ook al is hij gestorven. En iedereen die leeft in geloof aan Mij , zal in eeuwigheid niet sterven' ( Joh. 11 , 25 - 26 ). Na lijden komt verblijden. Eeuwig verblijden in Gods onuitsprekelijke vreugde voor hen die in U hun vertrouwen hebben gesteld. Jezus Christus , Zoon van God , en mijn gekruisigde Medemens , ontferm U over alle lijdende en angstige mensen. Ik bid U om hen op te beuren en hen te troosten. Zorg voor hen vanuit de hemel. Geef hun vertrouwen en moed. En komt er soms een dag dat ze aan de hemel nergens meer een licht kunnen ontwaren , leer hun dan met gesloten ogen voor de Vader staan en bidden ; Mijn God , ik ben zo bang. Ik vrees voor deze avond en voor morgen. Wat zal het weer worden ? Ik voel me hulpeloos en klein , onzeker en onveilig. Mijn God , ik heb veel verdriet. Uit de diepte roep ik , Heer , luister naar mijn stem. Laat uw kind niet eenzaam achter. Leg uw handen zacht op mijn hoofd en zeg het nogmaals ; 'Ik ben toch Uw Vader waarom ben je dan zo bang' ?
13-01-2011
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE DONDERDAG.
N. ( M ).
Litany Of St. Michael...beautiful.
Litany Of St. Michael...beautiful.
De innerlijke vertroosting .
Men moet de begeerte van het hart
onderzoeken en beheersen
Mijn zoon, gij moet nog veel aanleren wat gij tot nu toe nog niet goed hebt opgenomen. Wat is dat, Heer? Dat gij uw verlangens volkomen aanpast aan mijn welbehagen; dat gij uw eigenliefde aflegt en in plaats daarvan vurig de verwezenlijking zoekt van wat Ik wil. De begeerten zetten u dikwijls in vlam en drijven u hevig voort; maar onderzoek eens of gij om mijn eer of vooral om uw eigen voordeel zo bewogen zijt.
Gaat het om Mij, dan zult gij zeer tevreden zijn, hoe Ik het ook regel; maar schuilt er iets van eigenbelang in, zie, dan komt het dáárdoor als ge u gedwarsboomd en belast voelt. Zorg dus goed dat gij niet te veel steunt op een vooropgezet ideaal waarin gij Mij niet hebt gekend: want daarna zou het u kunnen berouwen of mishagen, wat u eerst zo lief was en waarmee gij ijverig de goede zaak dacht te dienen. Niet iedere neiging, al lijkt die goed, moogt ge zo maar involgen en niet iedere tegengestelde neiging moet gij terstond ontwijken.
Het is soms goed om de teugels aan te leggen ook bij goede strevingen en verlangens, om niet door ontijdig handelen geestelijk uit uw koers te geraken, ook om anderen niet te ergeren door uw gebrek aan zelftucht of u door hun weerstand plotseling van uw stuk te laten brengen en alles te laten vallen.
Maar soms moet men zelfs geweld gebruiken en krachtig tegen de begeerte van de zintuigen weten in te gaan; er geen acht op slaan wat het lichaam wel en wat het niet wil, maar proberen het meer aan de geest te onderwerpen, ook tegen zijn zin. En het moet net zo lang stevig aangepakt en tot onderwerping gedwongen worden dat het bereid is tot alles, leert om met weinig tevreden te zijn en genoegen te nemen met eenvoudige dingen en niet om een of ander ongerief te morren.
Vorming tot geduld:
strijd tegen begeerlijkheid
Heer mijn God, zoals ik zie heb ik het geduld hard nodig, want in dit leven komt veel teleurstelling voor. Want hoe ik het ook wil regelen om de vrede te bewaren, mijn leven bestaat niet zonder strijd en verdriet. Zo is het, mijn zoon. Maar ik wil niet dat gij een vrede zoekt zonder beproevingen of een die u ongevoelig maakt voor tegenslag.
Blijf ook dan overtuigd dat ge de vrede hebt gevonden, als gij door allerlei moeilijkheden wordt geschoold en in veel tegenslagen wordt gelouterd. Als gij zegt niet veel te kunnen verduren, hoe zult gij dan het vagevuur doorstaan? Van twee kwaden moet men altijd het minste kiezen.
Om dus in de toekomst aan de eeuwige foltering te ontsnappen moet gij alles in het werk stellen om de lasten van dit leven met gelijkmoedigheid voor God te dragen. Of meent gij dat de mensen in de wereld weinig of niets te verduren hebben? Gij zult dat nergens aantreffen, al zoudt gij de meest bevoorrechten zoeken.
Ja, zegt gij, maar zij hebben veel voldoeningen en volgen hun eigen wil; daarom voelen zij de last van hun tegenslagen haast niet. Laat dat zo zijn, zij hebben wat zij wensen, maar hoe lang denkt gij dat het duren zal? Zie, als rook zullen zij verdwijnen, de rijken van deze wereld, en er blijft zelfs geen herinnering over aan hun vroegere genoegens.
Maar zelfs bij hun leven kunnen zij daarvan niet rustig genieten zonder bitterheid, teleurstelling en zorgen. Want dezelfde dingen waarin zij genot en voldoening vinden, worden tot hun straf ook dikwijls oorzaak van leed. Zij hebben het verdiend: want daar zij hun genoegens ongeordend zoeken en najagen, kunnen zij die niet ten volle smaken zonder onrust en verbittering. O hoe kort, hoe bedrieglijk, hoe onbeheerst en onedel is dit alles. Maar bedwelmd en verblind zien zij dat niet, maar als stom vee lopen zij in dit sterfelijk leven omwille van een gering genot regelrecht de afgrond in.
Gij, mijn zoon, volg uw begeerte niet. Schep uw behagen in de Heer en Hij zal de verlangens van uw hart vervullen. Want als gij werkelijk wilt genieten en zeer overvloedig door Mij wilt worden getroost: weet wel dat in de verachting van al het voorbijgaande en in het kappen met alle lagere voldoening uw zegen zal bestaan en dat dan rijke troost u als vergoeding zal worden gegeven. En hoe gij u aan alle troost van geschapen dingen zult onttrekken, des te zaliger en machtiger vertroostingen zult gij vinden.
Maar in het begin zult gij dit niet zonder een zekere droefheid en moeizame strijd kunnen bereiken. Want een ingewortelde gewoonte biedt weerstand, maar zij zal door een betere gewoonte worden overwonnen. Het lichaam zal zich verzetten, maar door de gloed van de geest wordt het beteugeld. De oude slang zal u uitdagen tot verbittering, maar zij gaat voor het gebed op de vlucht; bovendien wordt haar door nuttige arbeid de toegang grotendeels afgesloten.
Gehoorzaam en nederig onderworpen
naar het voorbeeld van Jezus Christus
Mijn zoon, wie probeert zich te onttrekken aan de gehoorzaamheid onttrekt zichzelf aan de genade; en wie uit is op persoonlijk voordeel verliest wat de gemeenschap hem biedt. Er is geen lastiger en erger vijand voor uw heil, dan gij zelf, als gij u niet weet te voegen naar de geest. Gij moet u beslist een ware zelfverachting eigen maken, als gij stand wilt houden tegen vlees en bloed. Omdat gij nog al te ongeregeld uzelf liefhebt, daarom huivert gij ervoor u volledig te schikken naar de wil van iemand anders.
Maar wat is er voor grootheid in gelegen, als gij die stof zijt en niets méér, u omwille van God onderwerpt aan een mens, terwijl Ik, de Almachtige en Allerhoogste, die alles uit niets heb geschapen, ter wille van u Mijzelf in nederigheid van een mens afhankelijk heb gemaakt? Ik ben de nederigste en geringste van allen geworden, opdat gij uw trots door mijn nederigheid zoudt overwinnen.
Leer gehoorzamen, stof dat ge zijt; leer uzelf vernederen, gij aarde en modder, en laat over u lopen door de voeten van allen. Leer telkens uw eigen wil te breken en wees bereid tot elke onderwerping. Treed op tegen uzelf en wees niet zo opgeblazen, maar dermate klein en onderdanig, dat allen u als stof van de straat kunnen vertrappen.
Onbeduidend wezen, waarover hebt gij te klagen? Wat kunt gij als verachtelijk zondig mens antwoorden als men u beschimpt, gij die zo dikwijls God hebt beledigd en zoveel malen de hel hebt verdiend? Maar Ik heb u gespaard, want uw ziel was kostbaar in mijn oog, opdat gij mijn liefde zoudt leren kennen en altijd in dankbaarheid voor mijn weldaden zoudt leven; en ook opdat gij altijd bereid zoudt zijn tot waarachtige onderwerping en geduldig de minachting van uw eigen persoon zoudt dragen.
Om ons niet te verheffen op het goede
moeten wij het verborgen oordeel
van God overdenken
Als een donder komt uw oordeel over mij, o Heer; van schrik en beven, trilt heel mijn gebeente en mijn ziel huivert van angst. Ik sta met stomheid geslagen en bedenk dat zelfs de hemelen niet rein zijn voor uw oog. Als Gij verdorvenheid in uw engelen hebt ontdekt en zelfs hen niet hebt gespaard, wat zal er van mij dan worden?
De sterren zijn van de hemel gevallen en ik die stof ben, wat matig ik mij aan? Zij die geprezen werden om hun daden zijn diep gevallen en zij die zich eens voedden met het brood der engelen, hebben moeten genieten van varkensvoer. Er bestaat dus geen heiligheid als Gij, Heer, uw hand terug trekt.
Geen wijsheid heeft nog nut, als Gij ophoudt die te leiden.
Geen sterkte kan ons helpen, als Gij die niet in stand houdt.
Geen kuisheid is veilig, als Gij haar niet beschermt.
Geen waken over zichzelf heeft enige zin, als uw heilige wacht ons niet omgeeft. Want aan onszelf
overgelaten zinken wij en vergaan, zoals de H. Petrus op het meer, maar door U bezocht
richten wij ons op en leven.
Wij zijn immers onstandvastig maar worden door U bevestigd; wij verflauwen maar raken door U in gloed. Wat moet ik bescheiden en min over mij denken, hoe nietswaardig moet ik het vinden als ik iets goeds schijn te hebben. Hoe grondeloos diep moet ik mij aan uw oordelen onderwerpen, Heer, want ik constateer dat ik niets anders ben dan niets en nogmaals niets.
O onmetelijk gewicht, o ontoegankelijke diepzee, waar niets van mij in te vinden is, helemaal niets. Waar kan de eigenwaan dan nog een toevlucht vinden? Waar blijft het ingebeelde vertrouwen op eigen deugd? Al mijn zinloos zwetsen wordt meegezogen in de onpeilbare diepte van uw oordeel over mij.
Wat betekent al het menselijke voor uw aangezicht? Zal het leem zichzelf prijzen tegenover hem die het boetseert? Hoe kan iemand zich verheffen met verwaande taal, als zijn hart werkelijk onderworpen is aan God? Nog niet de hele wereld kan hem trots maken die de Waarheid aan zich onderdanig heeft gemaakt: en door geen woord van mensenlof wordt hij ontroerd die op God geheel zijn hoop gevestigd heeft. Want ook zijzelf die zo vleiend spreken, ach, zij zijn allen tezamen niets, zij verdwijnen even snel als de klank van hun woord. Maar de waarheid des Heren zal blijven in eeuwigheid.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
CHRISTUS MAANT BIRGITTA AAN TOT ZACHTMOEDIGHEID.
ZESDE BOEK, KAP. 6.
Ik ben uw Schepper en bruidegom. Gij, mijn nieuwe bruid, hebt op vier verschillend wijzen misdreven. Ten eerste zijt gij in uw hart ongeduldig geweest over woorden die gesproken werden. Ik, daarentegen, heb ter wille van u geeselslagen verdragen, en toen ik voor den rechter stond, heb ik gezwegen.
Ten tweede hebt gij met bittere woorden geantwoord en hebt gij uw stem luid verheven en verwijten uitgesproken, terwijl ik, die met spijkers aan het kruis genageld werd, mijn blikken naar den hemel richtte en mijn mond niet opende. Ten derde hebt gij mij versmaad, ter wille van wien gij geduldig alles verdragen moest. Ten vierde zijt gij geen goed voorbeeld geweest voor uwe medechristenen, die verdwaald geraakt waren en die door uw geduld op den goeden weg terug moesten komen.
Daarom wil ik, dat gij voortaan uw woede bedwingt. Indien iemand die opwekt, spreek dan niet voor de woede uit uw gemoed verdreven is; en als uw gemoed tot kalmte gekomen is en gij over de aanleiding tot gramschap nauwkeurig hebt nagedacht, spreek dan met zachtmoedigheid. En als het nutteloos is om te spreken en gij er niemand goed mede doet en door zwijgen niet zondigt, dan is het verdienstelijker om te zwijgen.
Wordt vervolgd.
Ik wou dat ik jullie kon vertellen hoeveel God van jullie houdt.
Ik wou dat ik jullie kon vertellen hoeveel God van jullie houdt.
Ik wou dat je het kon zien. Al was het maar voor even
Een halve seconde zou al genoeg zijn.
Een enkele heldere flits in je hart zou je al veranderen.
Je denkt zo snel dat God er niet is voor je.
Je bent zo snel teleurgesteld in jezelf.
Je denkt zo snel dat God je in de steek laat.
Zag je maar de glans in zijn ogen, de liefdesglans.
Die vol bewogenheid en begrip naar je kijkt.
De glans die voortkomt uit zijn tranen van liefde.
Zijn verdriet, omdat je zo de leugen gelooft.
En Zijn Woorden van liefde negeert.
God weet wat er in je hart aan de hand is.
Hij kent je pijn.Hij is niet ver en Hij is niet afwezig.
Hij is overal. Hij is bij je, nu op dit moment.
Kijk toch niet alleen maar naar je situaties.
Kijk toch naar Hem.
Kijk toch naar de God die zoveel van je houdt.
Hij is niet ver. Hij is bij je.
Bezinning .
Ik hoef niet te geloven
in mooie woorden
of grote gebaren
zo lang ik maar geloof
in de taal van het hart.
Ik hoef niet te geloven
in strenge regels
of zware plichten
zo lang ik maar geloof
in de waarde van het leven.
Ik hoef niet te geloven
in een belangrijke positie
een plaats vooraan
zo lang ik maar geloof
in de gelijkwaardigheid van de mensen.
Ik hoef niet te geloven
in wat anderen zeggen
over de oorsprong en zin
van dit, van mijn leven
zo lang ik maar geloof in de Vader
die mens voor mens, ook mij, op handen draagt,
In de Zoon
Die midden in het leven staat, in mijn leven.
In de Geest
die hoop geeft waar de zin vervaagt.
In elke mens
die voor de liefde opengaat.
Ik hoef niet voor een gesloten deur te staan
Als ik de deur maar open voor een ander.
Als ik maar weet
Dat God mijn steeds de deur open houdt.
Als ik maar weet
Dat Jezus de deur is.
Als we in dit huis
deze kerk van Jezus
de deur voor mensen open houden.
Dan..
Moet je niet bang meer zijn.
Een bemoedigende tekst.
Iemand zegt: Kijk eens om je heen
Jezus zegt: Zie op Mij
Iemand zegt: Hier kom je nooit uit
Jezus zegt: Ik maak je vrij
Iemand zegt: Je struikelt telkens weer
Jezus zegt: Ik hou je vast
Iemand zegt: Je hebt ook zoveel zorgen
Jezus zegt: Geef Mij dan je last
Iemand zegt: Jij schiet altijd te kort
Jezus zegt: In Mij ben je volmaakt
Iemand zegt: Je woorden zijn zonder kracht
Jezus zegt: Ik ben het die harten raakt
Iemand zegt: Jij kan alleen maar huilen
Jezus zegt: Verblijdt je ten alle tijden
Iemand zegt: Trek maar een muur op
Jezus zegt: Niets kan je van Mijn liefde scheiden
Iemand zegt: Je bent onzeker en angstig
Jezus zegt: Vrees niet je bent van Mij
Iemand zegt: De mensen mogen mij niet
Jezus zegt: Ik ben voor jou ,wie zal tegen je zijn
Iemand zegt: Je bent zo minderwaardig
Jezus zegt: Je bent kostbaar in Mijn ogen
Iemand zegt: Ga maar heel diep gebukt
Jezus zegt: Hef je hoofd omhoog
Iemand zegt: Jij bent zo zwak
Jezus zegt: Zo openbaar je Mijn kracht
Iemand zegt: Hoe kun je nu volhouden
Jezus zegt: Als je Mij maar verwacht
Iemand zegt: Je hebt weer te weinig gebeden
Jezus zegt: Slaap nu maar, Rust maar in mijn vrede.
ACHTER DAT BEDIENERS MASKER!
Al eerder, hebben wij over de invloed van jezebels geest binnen Gods Kerk geschreven. Ook hebben we, enkele van haar eigenschappen bij de overige themas bekent gemaakt. Eigenschappen waarmee men de aanwezigheid van de enige geest die verwerpen moet worden, ervaart heeft, dus de jezebel geest!.
Jezebel manifesteert zich vooral door profetische figuren, het meest door de vrouwen, maar dit bedoelt niet dat ze ook door mannen zich kan manifesteren. Nou, waarom manifesteert ze zich het meest door profeten?. Omdat, jezebel haat degenen die een echte intimiteit met God hebben, die zijn de mannen en vrouwen Gods, die hun oren afgestemd hebben om Gods stem te kunnen horen en Zijn wil altijd gehoorzamen.
De profeet is Gods stem in het midden van Zijn volk, een volk die niet alleen luistert maar ook de profetieën onderzoekt; Gods woord inderdaad wordt op een individuele manier door Zijn Heilige Geest bevestigd, om overtuiging te brengen dat HIJ zelf gesproken heeft om Zijn instructies aan het volk te geven.
Jezebels doel is iedereen die God dient te vernietigen, de echte dienaren die Jezus als het center van hun leven/bediening hebben geplaatst, die het woord der waarheid op een goede manier gebruiken en volledig onder het gezag van Jezus Christus zich onderworpen.
Jezebel komt alleen binnen Gods gemeente om een vals geloof en onderwijs te creëren en vooral om de echte kern van autoriteit te schudden en breken.
Hoe bereikt jezebel haar doel, met behulp van het vlees vrucht als onmisbare gereedschappen, om Gods kinderen weg te brengen van een echte geestelijke leven, waar ze in een golf van emoties zweven en in vallei van verwarring doorheen gaan, jezebel verleidt ze met zoete en welvarende woorden en leid ze tot een zee van koeterwaals, vervolgens heeft het volk het maximum punt van emotionele extase bereikt en pas dan, jezebel stel de grote receptiviteit van het volk in, hoe open het volk staat, hoe meer een meer kan ze met een manipulerende sprak vol van valse profetieën en visies, aan hen raden voor haar eigen voordeel.
Hoe hoog de toestand van de geestelijk en emotionele stoornis van het volk is, hoeveel is de macht dat ze over hun kan nemen, om ze te behandelen als slaven die uiteraard geen echte kennis van het Woord van God hebben.
Hosea 4:6
" Mijn volk was vernietigd, omdat ze te weinig kennis had ."...
Door middel van deze houding, Jezebel verzamelt een aantal mensen, dat een gebrek aan aandacht lijden die een diepe dorst hebben om het woord te ontvangen. Zij, natuurlijk, waarneemt de status van deze mensen en zie hoe ze speciaal en uniek zich voelen wanneer zij, haar interesse en haar eigen tijd in hun belangen toont en besteed dan worden deze mensen haar trouwe volgelingen die haar niet alleen in hun geestelijke maar ook het natuurlijke leven, een belangrijke rol geven. Dan, verdedigt zij fel haar eigen nieuwe en kleine koninkrijk, dorstig om meer en meer slachtoffers te kunnen vangen, zo wordt ze de nr. 1 concurrent voor de grootste menselijk winst en niet vanwege de naam van Jezus Christus, natuurlijk.
Jezebels geest, is vaker te zien in bedieningen waar zwakke mannen zich bevinden, mannen die bang zijn voor andere mannen of vrouwen, die volgens hem meer gezalfd zijn; deze zwakke mannen streven om mensen te verheugen, zolang ze maar niet ophouden om aan hen alle aandacht te geven. ( deze geest manifesteerde zich in een man die Diotrefes heette. Lees hiervoor 3 Johannes ).
Maar eigenlijk, zijn de vrouwen waar jezebels geest het meest zich lekker bevindt, vrouwen die een disfunctionele relatie met hun vader hebben gehad, hetzij door de afwezigheid van haar vader of omdat zij juist fysiek/seksueel door haar eigen vader misbruikte werd. Daarom, degene die door deze geest bezeten word weerstaat de sterke mannelijke autoriteit, misschien is deze een duidelijke reden waarom zon persoon zoveel wrevel heeft. ( daarom moet de jezebels bezeten vrouw altijd naar het voren komen, de man blijft steeds achter en achter )
Meestal, de personen die niet door het bloed van Jezus getransformeerd zijn, manifesteren de problemen die ze hebben gehad, in vele gevallen, degene die bezeten door jezebel zijn, zijn degenen die ernstige problemen in zijn gezin hebben geleefd, waardoor de traumas en diepe marken meegroeien. En juist van hierdoor, wordt de jezebels geest gevoed, vanuit de problemen van disfunctionele gezinnen, de perfecte kandidaten voor de realisatie van haar antichristen plannen. De problemen kunnen zijn: alcoholisme, fysiek of seksuele misbruik, psychische aandoeningen, drugs, enz... daarom, veel mensen die door deze problemen hebben geleefd, zijn het meest diep aangetrokken door jezebels geest, want hier bestaat zeker een identificatie tussen hen.
Degenen die onder de invloed van jezebels geest werken, lopen voortdurend op jacht naar nieuwe slavinnen/personeelsleden/dienaren/bedieningen ( waar niemand ze kent of zeer weinig over hen weten ). Meestal wordt er alleen gericht op degenen die het gezag hebben, om te leiden, begeleiden en commanderen en vervolgens al hun macht, vaardigheden ( gaven/talenten ) en ten slotte, zijn spirituele leven af te halen/stelen.
Jezebel, zal de hemel en aarde bewegen om de Gods gedelegeerde autoriteit te slopen, ze zal zich voor als een vriendelijk, hardwerker, belangstellende dienaar te doen, die alleen van een nuttige dienst voor de andere wilt zijn. Altijd bereid om deel te nemen in de groepen van zorg en voorbede, van ondersteuning, en dergelijke activiteiten. Deze geest heeft de mogelijkheid om zijn tactiek en bewegingen te verkleden.
Als een persoon met deze verkapte kenmerken een kerk/bediening binnenkomt, aanvankelijk zijn de mensen vaker aangemoedigd en dankbaar aan God voor hen beantwoorden gebeden. Razend snel worden ze, een aantal groot potentiële gemeenteleden en vervolgens worden ze in posities geplaatst waar alleen de mensen met super spirituele vaardigheden hun gaven en talenten kunnen gebruiken.
Degenen die werkelijk de gave van onderscheidingsvermogen hebben, kunnen onder de oppervlakkige dekmantel zien, die gebruikt wordt door degenen die onder de invloed van de jezebels geest loopt. Met deze mantel demonstreren ze de opstand, woede, hoogmoed, leugens, het verlangen naar controle, jaloezie, listigheid, manipulatie, de valse vriendschap en bezorgdheid, de roddel, de vleiendheid al deze de ingrediënten voor een perfecte tovenarij daad.
Op het moment dat jezebels geest in een kerk/bediening geïnstalleerd word, zal ze altijd naar manieren zoeken, om op hoogte te zijn van alles wat rondom haar gebeurt. Ze zal zich bewust auto uitnodigen om deel te nemen aan vergaderingen/activiteiten, met de bedoeling om een nuttig gereedschap te worden en daarmee de informatie die zij wil te kunnen beheren/manipuleren voor haar eigen doel, inclusief de informatie die eigenlijk haar niets gaat, omdat ze inderdaad alleen interesse heeft om alles en iedereen ( Gods dienaren ) te kunnen manipuleren. Dit is duidelijk geen intentie/bedoeling om een hulp / back-up te zijn.
Met open deuren in de bediening, streeft ze er naar Gods gezag in de leiders en voorgangers te schudden, breken en overnemen. Een daad die hen naar ontmoediging, wanhoop, zelfmoord en/of depressie leidt. ( Zie: Elia, Baal en Jezebel - 1 koningen 17 en 18 ).
Een ander jezebels geest snelle kenbare merk is, het gemak waarmee ze van ene naar andere plaats verhuisd ( omdat ze nooit zich aan iemand bind ), dus ze heeft geen enkele legale geestelijk dekking, ze vlieg net als een vlindertje van bloem aan bloem. En bij elke plek dat ze betreedt zegt ze luid en krachtig: " Hier heeft me God gebracht om een hulp te zijn, dit is mijn plek en niemand haal me hier eruit ". Na een paar weken weer en bij een andere plek publiceer ze nog luider: " Dit is Gods tijd, dit is de richting dat Hij aan mij gegeven heeft om te nemen, ik ben aan de juiste richting gekomen ".
God is een God van perfectie, wanneer Hij zegt aan de rechterkant neem ik jou mee, zal Hij morgen niet zeggen: " Ik heb het beter gedacht, ik vind dat je hier nu moet uitstappen en dan links nemen . Wat voor god is deze dat hij zich vergist?
Gelieve Gods volk, open uw geestelijk ogen en laat u niet weer voor de gek houden!. Daarom kan jezebel zo gemakkelijk door de voordeur binnen komen, want je verlangt alleen om te horen wat je wilt, dit is: over voorspoed, geluk, zalving, massale vakbonden, beloning
Het is waar, wie wil niet horen dat Gods speciale plannen voor elke van ons heeft?. Dat God grote dingen doorheen ons zal verrichten?. Iedereen inderdaad, wil elke keer dat God tot ons spreekt, over dit horen. Maar zeker, niemand wil over discipline, correctie en de gevolgen van ongehoorzaamheid horen vergeet niet dat God die liefheeft, corrigeert.
Psalmen 94:12
Heer, gelukkig de man aan wie u leiding geeft, aan wie u leert wat u wilt.
Spreuken 13:24
Wie nooit straft, houdt niet van zijn kind; maar wie het liefheeft, straft het, al is het jong.
God heeft het een paar jaar geleden gesproken (2007): Ik ben mijn gemeente aan het verschonen, de boom die geen vrucht draagt of de boom die de andere bomen onderbreekt om vrucht te dragen, zal ik het vanaf zijn root snijden en in het verbeterende vuur gooien.
God zal nooit een dienaar/bediening steunen die tegen zijn wil werkt. En wat NIET van Hem is, zal op een onverwachte en onvoorstelbare manier beëindigen. Deze zal geen vruchten, groei, herkenning en waarde achterlaten.
Jezebels geest weet hoe ze mensen moet lokken, het kennis niveau van het woord, de trouwheid en intimiteit met de Heer in persoon, kan Jezebel goed onderzoeken. Dit zijn enkele termen die deze leugenaar en moordenaar geest gebruikt om Gods zalving te vernietigen, ze komt de kerk van Jezus Christus binnen en lokt haar slachtoffers doormiddels van indruk te maken met het volgende.
Makkelijke mensen niveau:
zijn degenen die niet bidden, het woord van God niet lezen, moeite hebben om de mysteries van het Evangelie te begrijpen. Dit zijn degenen die hopen dat anderen het werk voor hen doen, ze volgen apostelen, profeten, evangelisten en iedereen die de gave van profetie heeft constant achter, omdat ze willen alleen dat de toekomst van hun leven voorspeld wordt, alleen wat goed bij hen past, aanvaarden ze zonder het onderzoeken. Dit is jezebels houding tegen deze makkelijke mensen: God vertelede mij/toonde me, dat jij mij moet volgen/met mij zijn/ omdat jij bent de juiste persoon voor een specifieke taak die ik in gedachte heb/ dat jij zich aan "mijn bediening" moet aansluiten.
Half makkelijke mensen niveau: zijn degenen die wel bidden, vasten, het woord van God lezen, Hem aanbidden.. maar de gave van geduld niet hebben, ze vertrouwen in Gods tijd en details niet. Ze geloven dat de tijd geen belangrijke rol speelt. Wetende dat het wantrouwen in Gods beloften een machtig wapen is, zet jezebels geest haar mensen in actie. En het volk wordt enthousiast als ze horen en zien het werk van jezebel, ze onderzoeken niet, ook zoeken ze geen directe bevestiging in God of dit inderdaad van HEM is. Dit is jezebels houding tegen deze half makkelijke mensen:
( als suggestie of aanvraag gesteld ) " Misschien is de wil van God dat jij, samen met mij moet zijn om in mijn bediening te werken?".
Moeilijke mensen niveau ( maar niet onmogelijk ): Dit zij degenen die ook bidden, vasten, het woord van God lezen, Hem aanbidden en lofprijzen, de volgende stappen verzoeken, geduldig zitten te wachten, naar Gods manifestatie in hun levens verlangen.. maar ook de geesten niet onderzoeken en door zijn zoete woorden en signalen verleiden worden, want jezebel het gebrek aan wijsheid en alerte niveau in deze mensen kan voelen. Dit is jezebels houding tegen deze moeilijke mensen ( maar niet onmogelijk ): " Ik geloof dat God wil dat wij samen moeten gaan bedienen/werken in Gods koninkrijk ik geloof dat dit is Gods tijd voor ons.. grote dingen heeft God voor onze bedieningen voorbereid ".
Onaanraakbare mensen niveau: dit zijn degenen die echt hun leven aan de Heer totaal en volledig hebben gegeven, zodat Hij hun levens op Zijn heilige wil kan besturen. Dit zijn degenen die niet alleen bidden, vasten, Hem aanbidden, Zijn woord lezen en ondergronden, maar ook een echte intimiteit en communicatie met God beleven, een dagelijkse en directe communicatie met de Vader, om Zijn stem te kunnen herkennen, horen en Hem opvolgen, om de geesten te kunnen onderzoeken en niet door filosofische en theologische woorden verleid kunnen worden.
Toch gebeurt dat, wanneer jezebel zich in een hoek bevindt en nergens heen kan om terreinen/bedieningen te betreden, beheren en vernietigen, alleen dan, word ze gedwongen om de moeilijkste taak ooit te voeren, de laatste poging die een totale vernedering eist.
Dit is jezebels houding tegen deze onaanraakbare mensen ( zonder geen enkele garantie ): " Ik bid al een tijd lang en de Heer heeft me bewijzen dat u, Zijn trouwe dienaar bent en ( hier komt de vernedering ) ik geloof dat Zijn wil is dat, IK met u moet gaan samen werken/bedienen.. Dat IK een nuttig opbouwen gereedschap in u bediening kan zijn het is alleen om u tijdelijk te helpen, want ik heb nog meerdere werk te verrichten, maar wat u bediening betreft, God heeft me de last laten zien en er is hulp nodig in sommige taken waar IK goed kan helpen, omdat IK in die gebieden al jaren ervaring heb en daar gaat ze weer tot het punt om zich te geloven dat zij haar doel zal bereiken ".
Gemeente van Jezus!, Je moet eindelijk begrijpen dat Jezus, de enige bemiddelaar tussen God en jou is. Doormiddel van de Heilige Geest word je van deze waarheid overtuigd!. Wat is er mis Kerk?, Waarom geloof jij dat God alleen bepaalde personen kan gebruiken om met jou te praten?. De redding is individueel wist jij dat?... de verantwoordelijkheid is ook individueel, zo is ook de communicatie tussen God en jij, individueel ( per persoon ). Waarom geloof jij niet dat God direct tot jou kan spreken om richting en bevestiging van alles te geven?.. Het is wel waar dat God Zijn instrumenten gebruikt om ons te spreken, dit moet NOOIT ongedaan worden, maar het is ook bijzonder NODIG om de via waarmee God tot ons spreekt te onderzoeken, ondergronden naar mijn persoonlijke mening, degene die niet onderzoekt, ondergrond is een onwetende vrijwilliger.
Jezebels geest enige doel is geïntroduceerd in Gods gemeente/bediening te kunnen worden. Zich zelf als een dienaar presenteren en haar diensten lenen om die gemeente/bediening in zijn verbouwing te kunnen helpen om daarna het commando over te nemen, om deze gemeente/bediening te splitsen en Gods zalving waar dan ook te vernietigen.
NIET WAAR?
Kijk, zie, observeert en analyseert de huidige toestand van de vorige gemeente/bediening waar die geest is geweest en zijn diensten heeft verstreken, waar zij een nuttig instrument is geweest. Is er enige zegende verandering aangebracht waar deze trouwe en grote dienaar is geweest?. Is er spirituele groei in het midden van het volk, is het volk nog steeds sterk op zijn voet en verenigd?. Is de vrucht van Geest zichtbaar en tastbaar in die plaats?. Is Gods volk werkelijk innerlijk-geestelijk vrij en geneest?.
Jakobus 3:13-18
Wijsheid van de hogere plaats afkomstig
Wie van u, is wijs en verstandig? Dat kan alleen maar blijken uit iemands goede daden en liefdevolle wijsheid. Maar als u door jaloezie en ruzie vol wrok zit, kunt u zich nergens op beroemen; dan zou u de waarheid geweld aandoen.Want jaloezie en egoïsme lijken in de verste verte niet op Gods wijsheid; nee, zij zijn aards, ongeestelijk en duivels. Waar jaloezie en eerzucht zijn, vindt u ook wanorde en meer van dat kwaad. Maar de wijsheid die van God komt, is bovenal zuiver. Zij is ook vreedzaam, vriendelijk en beleefd; zij is bereid te praten en anderen gelijk te geven; zij leeft intens met anderen mee en doet veel goed; zij spreekt rechtuit en is zeker en oprecht. Vredestichters zaaien vrede en zij oogsten goedheid en rechtvaardigheid.
Doormiddel van deze signalen, kunnen wij de vruchten van degene die onder de invloed van jezebels geest opereert. Ze komt via de voordeur binnen en haar intellectuele voorbereide niveau met fanfare horen laat. Maar wanneer deze onreine geest ontdekt wordt, toch zal ze doorgaan totdat zij haar doel bereikt ( in her dreams! ). Alleen degenen die echt sluw zijn, voor ze zich zijn nederlaag erkennen en voordat iemand anders hen uit hun gemeente/bediening verwijdert, besluiten ze om die gemeente/bediening via de achterdeur in vrede te verlaten en al diegenen te bedanken voor het verlengde gelegenheid dat ze mogen hebben om een nuttige bediener te kunnen zijn, maar dat nu moeten ze vertrekken om voor de aanwezigheid van God te verschijnen om te ontdekken en begrijpen, wat Hij echter van hen wilt . EN zo gaan ze nederig weg als martelaren dienaren... Wat een spectaculaire VLESELIJKE SHOW voor een grote barbecue feest!.
Heel interessant, nadat zoveel tijd bewerende dat God gesproken heeft.. nu weten ze zich zelf niet eens wat God eigenlijk van hen wilt?... Wat voor god dienen ze, dat hij zich vergist???.
Maar het plan gaat zich voort, grijpende aan de afwijzing van degenen die hen al kennen, besluiten ze om te vertrekken naar een hogere niveau ( volgens hun gedachten ), om een nieuwe of verbeterde bediening te beginnen, met personen die hun ware identiteit ontkennen.
Dit zijn personen die een gebrek aan wijsheid en onderscheidingsvermogen hebben, meestal zijn deze ook ongehoorzame personen die onder de invloed van rebellie zich bewegen ( geen wonder dat ze goed met jezebel kan omgaan ), personen die eisen dat als andere samen met hen willen werken moeten ze een kennisgeving van hun vorige leider/voorganger ontvangen, tenzij hen zelf geen enkele geestelijke vader hebben, ook niet naar Gods autoriteit gepresenteerd in een apostel/voorganger onderwerpen ( maar dit is puur valse diplomatiekgedoe ) want eigenlijk willen ze dat iedereen meteen aan hen zich verbind het diplomatiekgedoe is een manipulerende mantel en zeer listig geven ze door dat de beslissing NU genomen moet worden.
Deze plannen zijn uiteraard niet van GOD afkomstig, maar van een corrupte geest die veel denkt en geloof dat zij veel is en verdiend, maar UITEINDELIJK zal deze geest NOOIT Gods echte volk voor paal zetten voordat zij ontdekt word.
Maar eerst dood, dan vernederd te vertrekken!.
Hoe kunnen we omgaan met personen die door jezebels geest bezeten zijn?. Ze moeten op een directe en wijze manier geconfronteerd worden, met een sterke spirituele - geestelijke autoriteit, dus geen nominale of institutionele autoriteit.
Om dit te laten gebeuren, degene die de autoriteit verstrekt moet een leven van totale onderwerping aan God beleven, alleen op deze manier kan de macht van jezebels geest verwijderd worden met de zalving van de Heilige Geest. Omdat er zijn niet het schreeuwen, noch de toon van de stem, noch het hoeveelheid mensen die de Kerk invult, dat God tot beweging brengen maar wel de gehoorzaamheid en onderwerping aan Zijn perfecte en heilige wil.
Waar het werkelijke gehoorzaamheid en onderwerping bestaan, daar kan jezebels geest NIET binnen komen, waar de mannen en vrouwen zich aan de echte en legale leiders autoriteit van hun gemeente onderwerpen en inachtneming van hun pastorale autoriteit, deze gemeente zal voorzeker eerst in wijsheid en rijpheid uitgroeien en uitbreiden, dan in genade, macht en zalving, deze gemeente zal dorstige mensen naar de ware en werkelijke manifestaties van God in hun levens aantrekken.
Meestal wanneer jezebels geest geconfronteerd wordt, reageert vaak zich uit een defensieve houding en val ze vijandig aan met religieuze beschuldigingen ( met bijbel in hand en citerende verzen ), om zoveel mogelijk groot schuldgevoel in degene die haar confronteert te zaaien en haar deelname verwerpt.
Voelende zich aangevallen, verwijt ze met extreme arrogantie en hoogmoed wat voor soort dienaar ze is. Dit is uiteraard een duidelijk teken van rebellie. Vergeet niet dat, jezebel een diepe hekel aan de woorden onderwerping en gehoorzaamheid heeft.
Op deze manier, zaait ze gevoelens van zieligheid en schuld, manipuleert zij de zwakke en beweert alles wat ze ( voor liefde ) gedaan heeft, al de tijd die ze investeert heeft in de gemeente/bediening. Met agressieve houding, bewijs zij uiteraard haar gebrek aan liefde en intimideert met bijbelse citaten om de andere te laten voelen hoe klein en inferieur voor haar ze zijn.
En als degene die jezebels geest confronteert
, een zekere mate van schuldgevoel toont of als deze persoon laat weten dat de confrontatie wil ophouden, omdat hij/zij niet in oorlog wil zijn met zijn/haar broer/zus dan maakt jezebels geest gebruik van deze gelegenheid om te dreigen dat ze alles onmiddellijk zal verlaten, zo met deze houding in verwachting van een zwakke reactie, de andere geeft toe en weet dat hij/zij bedreigd werd. Dit is precies wat deze onreine geest tot leven brengt, omdat niemand is bereid een confrontatie door te maken, vrezend dat de gemeente/bediening straks leeg zal worden!.
Wat kunnen wij doen?.
Voor degenen die onder de invloed van jezebels geest bidden, werkelijk voor degenen die wij echt weten en geloven dat het zo is. Zeer belangrijk: Bid voor degenen die in het leiderschap zitten. Maar zorg ervoor dat u te maken heeft met DE demonische geest. Iemand beschuldigen zonder eerst bidden en na te denken, kan tot emotionele schade leiden aan de leden van Jezus Christus lichaam. Als er geen goddelijk touch aan deze situatie toegevoegd wordt, kunnen er verkeerde personen beschuldigen worden, die niet eens, een direct contact mee te maken hebben.
Voordat je zelfs iets begint, vraagt aan God in gebed om wijsheid en leiding van de Heilige Geest, om deze situatie goed onder controle te kunnen hebben, voordat je contact met de echte beschuldig persoon neemt.
Maar wat als die persoon weigert om volledig samen te werken en blijft met de zelfde agressieve en vijandige houding?
Voor onbepaalde tijd, geef geen taak meer aan deze persoon/personen om uit te voeren. Laat deze persoon niet mee doen aan de locale activiteiten ( als leider of leidinggevende ), vraag aan deze persoon ook niet om bepaalde taken in de gemeente/bediening/huis uit te voeren, hoe klein ze kunnen lijken.
Ja, zelfs niet eens de bidstond leiden. Er moet een strenger ( niet hatelijk ) controle uitgevoerd worden wat zijn stappen betreft; al zijn/haar taken moeten door iemand anders vervangen worden tot het genezing proces voltooid is. De Here zal wijzen tot welke niveau/moment.
Elke gemeente/bediening moet een ruimte voor TOTALE DISCIPLINE beschikken, dit is voor het geestelijk welzijn van Gods volk.
Het doel eindelijk is om herstel en verzoening te brengen en niet om uitsluiting en uitzetten van die persoon / personen.
Mattheus 26: 51-54.
OVER HET AFSLAAN VAN DES HOGENPRIESTERS
DIENSTKNECHTS DOOR PETRUS, EN JEZUS'
ERNSTIGE VERMANING DAAR OVER.
Mattheus 26: 51-54.
En ziet! een van degenen, die met Jezus waren, die hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande de dienstknecht des Hogenpriesters, hieuw zijn oor af. Toen zei Jezus tot hem: keer uw zwaard weer in zijn plaats! want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Of meent gij, dat ik mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal mij meer dan twaalf legioenen Engelen bijzetten? Hoe zouden dan de sehriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo geschieden moet?
Onder de veelvuldige wederwaardigheden, die oudtijds de beroemde Koning David bejegenden, in die tijd, als hij genoodzaakt was te moeten vluchten voor het aangezicht van zijn rebellige en weerspannige zoon Absalom, blinkt zonderling uit, die smadelijke bejegening, die hij ontving van de goddeloze Simei, de zoon van Gera, uit het huis en het geslacht van de Koning Saul, Davids voorzaat in de regering; hetgeen wij beschreven vinden, 2 Sam. 16: 5. De Koning David was, voor zijn rebe!lige zoon Absalom, die zijn vader naar de kroon stak, gevlucht uit de Rijksstad Jeruzalem; en nu met zijn bij zich hebbend gevolg, gekomen zijnde te Bahurim, in het Land van Benjamin, ontmoette hem Simei, die, omdat hij uit Sauls huis en geslacht was, daarom een bittere en dodelijke haat tegen David had, die hij nu aan hem, omdat hij in zo grote wederwaardigheid was, vrij meende te kunnen koelen. Wat deed deze boosaardige? De Koning David ziende, ving hij aan, op een schandelijke wijze Hem te mishandelen; Hem gans bitter vloekende en scheldende voor een Belialsman, een snode bloedvergieter enz. smijtende zelfs de Koning met zijn gevolg van ver met stenen. Over deze mishandeling van de snode Simei, werd een van Davids helden, namelijk Abisai, de zoon van Davids zuster Zeruja, dermate vergramd, dat hij die booswicht met kracht te lijf wilde, en van de Koning verlof verzocht, om hem te mogen ombrengen, zeggende met grote hevigheid en verbolgenheid: waarom zou deze dode hond mijn heer, de Koning vloeken? Laat mij toch overgaan, en zijn kop wegnemen! Doch David dit horende, wilde zulks geenszins toelaten, maar verbood Abisai, zijn hand, en aan de boosaardige Simei te slaan, hem over zijn haastigheid en wraakzucht dus nadrukkelijk bestraffende: wat heb ik met u te doen, gij zoon van Zeruja? Ja, laat hem vloeken, want de Heere toch tot hem gezegd heeft, vloek David. In dit geval blinkt, op een zonderlinge wijze uit, des Konings Davids groot geduld, lankmoedigheid, en Godvruchtigheid, in het midden van zijn wederwaardigheden en de smadelijke bejegening, die hem alhier, van de razende Simei werd aangedaan. Het schijnt ons toe Aandachtigen! dat wij hier, de Koning David, niet onaardig kunnen aanmerken, als een zoet zinnebeeld of of beeldsel van de ware en tegenbeeldige David, de Heere JEZUS CHRISTUS, met betrekking tot hetgeen Hem, in Zijn grote wederwaardigheden, kort voor Zijn sterven gebeurde. Want, werd David in zijn zware verdrukkingen zo smadelijk bejegend en mishandeld, van de vuile, bittere en boosaardige Simei; iets dergelijks ontmoette immers de Heere JEZUS ook, in Zijn zware verdrukkingen, angsten en ellenden, in de laatste nacht van Zijn bedroefde leven? Toen werd Hij ook zeer smadelijk bejegend en mishandeld; niet van een, maar van veel razende Simei's; ik meen de woedende menigte van gewapende krijgsknechten en uitgezonden gerechtsdienaars van der Joden Overpriesters, met de allerboosaardigste en bitterste verrader Judas aan hun hoofd. Van deze hoop bittere en boosaardige vloekverwanten, werd hij ook zeer smadelijk bejegend, en even als een schelm of misdadiger gegrepen en gevangen genomen. Gelijkerwijs nu, Abisai, een uit David's gevolg, deze smadelijk mishandeling van Zijn heer en Koning niet kunnende aanzien, zich daarover in grote gramstorigheid en verbolgenheid aan de boze Simei wilde wreken; iets dergelijks gebeurde hier, bij deze mishandeling van de Heere JEZUS, door de uitgezonden soldaten en gerechtsdienaars ook; een uit JEZUS gevolg, namelijk, de Apostel Petrus kon deze mishandeling van Zijnen Heer en Meester ook met geen goede ogen aanzien; maar werd daarover dermate vergramd en verbolgen, dat hij de bewerkers van die mishandeling met geweld te lijf wilde, en ook reeds tot dadelijkheid kwam, slaande een van hen, met zijn zwaard het oor af. Doch hield de Koning David de held Abisai in zijn ijver tegen; bestrafte hij hem over zijn onbezonnen wraakzucht, niet willende, dat hij aan de vloeker Simei zijn handen zou slaan, doordien deze rampzalige hier niet anders deed dan des Heeren verborgen bevelen uit te voeren; op geen andere wijze immers handelde ook de Heere JEZUS met Zijn wraakzuchtige discipel; Hij bestrafte hem ook over zijn onbezonnen daad; en verbood hem verder aan Zijn vijanden en vervolgers de handen te slaan; aangezien deze hier ook niet anders deden, dan het geen Gods hand en raad tevoren bepaald hadden, dat alzo geschieden zou. Heeft iemand lust de zaken zelf in te zien; dan leze hij maar het verhaal van Mattheus die ze ons aldus, beschrijft: en ziet een van degenen, die met JEZUS waren, enz.
Hier vangen wij het verhaal en de geschiedenis van 's Heilands lijden nu wederom aan, Aandachtigen! daar wij dezelve de laatste keer lieten. Toen beschouwden wij het heilloze en snode verraad, van Judas, hoe deze rampzalige, de Heere JEZUS door een valse en verraderlijken kus, aan zijn bij zich hebbende en mee gebrachte bende van soldaten en gerechtsdienaars aanwees; en hoe deze daarop terstond op de Heiland aanvielen, Hem grepen en gevangen namen, tegelijk met de gehele, zonderlinge en merkwaardige omstandigheden, die daarbij voorvielen. Dus was de Zaligmaker dan nu gekomen, in de handen van Zijn vijanden; doch aleer wij Hem gebonden zien voeren en slepen naar Jeruzalem, om daar terecht gesteld en veroordeeld te worden, viel er hier in of omtrent de hof, nu nog het een of ander voor, dat eerst zal moeten overwogen en beschouwd worden; als daar is de onbezonnen ijver en wraakzuchtigheid van de Apostel Petrus, die hij alhier, bij deze gelegenheid van het gevangen nemen van de Heiland betoonde, trekkende in een haastige verbolgenheid zijn zwaard uit, en slaande daarmee dermate de dienstknecht van de Hogepriester, dat hij hem het oor afhieuw, doch welke daad, de Heere JEZUS geheel kwalijk opnam; in zoverre, dat Hij deze Zijn discipel daarover op de nadrukkelijkste wijze bestrafte, hem verbiedende enig geweld te gebruiken; maar zijn geweer of zwaard op te steken en de menigte met hem te laten begaan. Dit merkwaardige geval zal heden in dit morgenuur, volgens de orde, de stof moeten zijn van onze verhandeling. Alle godvruchtigen wekken dan hiertoe hun aandacht op! en leren van de Heere JEZUS heden, zachtmoedig te zijn, en nederig van hart in alle voorkomende gelegenheden en wederwaardigheden van deze wereld! Amen.
De geschiedenis scheidt zich zeer gepast, in twee stukken of delen. Het eerste behelst de onbezonnen daad en ijver van de Apostel Petrus, de dienstknecht van de Hogepriester met een zwaard slaande en het oor afhouwende vs. 51. Het andere behelst de nadrukkelijke bestraffing, die de Heere JEZUS daarover aan deze Zijnen discipel deed, en de verdere redenen van Hem, op dat .stuk voortgebracht en gesproken, tot onderrichting van Petrus en de andere discipelen, in de drie volgende verzen.
Aangaande het eerste stuk, of de schielijke en gans onbezonnen daad en ijver van Petrus, die wordt ons van Mattheus aldus opgegeven: en ziet een van degenen die met Jezus waren enz.
De Evangelist knoopt dit zijn verhaal aan het vorige vast, door het koppelwoordje en, om aan te duiden, dat het op dat zelfde moment, als de Heere JEZUS van de uitgezonden bende werd gevangen genomen gebeurde; en omdat het iets zonderlings en merkwaardigs was, dat men niet ongemerkt moest over het hoofd zien, voegt hij er het woordje ziet vooraan, schrijvende: en ziet; een enz. Als wilde hij zeggen: geef acht lezer! en merk op, wat een zonderling voorval hier bij het gevangen nemen van de Zaligmaker gebeurde, een van degenen, die enz. Mattheüs gewaagt hier maar in het algemeen van een van degenen die met Jezus waren. Daardoor verstaande een van Zijn elf discipelen, die hier met Hem waren, zonder zijn naam te noemen of te melden wie deze ene, in het bijzonder geweest is; doch uit het verhaal van Johannes blijkt, dat deze discipel is geweest Petrus, want zo schrijft hij, hoofdst. 17:10, Simon Petrus dan, hebbende een zwaard trok enz. Alvorens wij deze onbezonnen daad van Petrus zelf overwegen, moeten wij vooraf eerst de gelegenheid aanmerken, bij welke hij tot dezelve kwam. Dit heeft ons Lukas in het bijzonder aangetekend; schrijvende, hoofdstuk 22: 49, en die bij Hem waren, ziende wat daar geschieden zou, zeiden tot Hem, Heere! zullen wij met het zwaard slaan? Door die bij Hem waren, worden hier verstaan de elf discipelen, die bij de Heere JEZUS waren, wanneer Hij hier in de hof word gevangen genomen, deze ziende wat daar geschieden zou, namelijk, hoe hun beminde Heere en Meester alhier, door deze gewapende menigte werd omringd en van hen stond gegrepen en gevangen genomen te worden; dit ziende, uit de toebereidselen die daartoe gemaakt werden; zo geraakten zij in verlegenheid, hoe of op wat wijze zij zich hier in dit voorval zouden gedragen; of zij dit gevangen nemen van hun Meester zo stilzwijgend moesten aanzien, dan of zij zich liever tegen deze menigte dienden te weer te stellen, en de Heiland tegen hun geweld te beschermen. Wat deden zij? Zij vroegen aan JEZUS, volgens de aantekening van Lukas, wat zij hierin doen moesten, zeggende: Heere! zullen wij, met het zwaard slaan! Om dit goed te begrijpen, Aandachtigen! is het nodig, dat wij hier een weinig terug treden, naar hetgeen Lukas ons verhaald heeft, hoofdstuk 22: 36 enz. Daar schrijft hij, dat de Heiland in deze zelfde nacht, wanneer Hij met Zijn discipelen uitging, naar de Olijfberg, hun belastte, dat zij hun klederen zouden verkopen, die zij missen konden; en dat zij voor het geld dat daarvan kwam, zwaarden zouden in de plaats kopen. Dat deze daarop aan de Heiland hadden vertoond twee zwaarden, die zij bij zich hadden, zeggende: Heere! zie hier twee zwaarden; en dat de Heiland die zwaarden gezien hebbende, daarop, antwoordde, dat die genoeg waren. Ofschoon de Heere JEZUS nu op deze wijze met Zijn discipelen, in het uitgaan naar de Olijfberg sprak, zo moesten nochtans deze Zijn woorden geenszins eigenlijk en naar de letter worden opgevat, evenals had Hij gewild, dat Zijn discipelen waarlijk voor hun klederen, zwaarden zouden kopen; neen maar de Heiland wilde hier, door een figuurlijk en oneigenlijk gesprek Zijn discipelen leren, dat er nu, in het toekomende, zware en bedroefde tijden voor hen ophanden waren; dat die stille en geruste vrede, die zij tot dus lang genoten hadden, nu in onrust en in zware vervolging zou veranderen; dat zij nu van alle kanten door menigvuldige vijanden zouden warden omringd, met welke zij, om Zijns Naams wil zouden moeten strijden, zodat zij eer zwaarden zouden nodig hebben, tom zich tegen de aanvallen van de vijanden te beschermen, als klederen om te dragen. Ziet! dat wilde de Heere JEZUS eigenlijk met dit Zijn gesprek, de discipelen voorstellen; maar niet dat zij juist eigenlijk naar de letter, voor hun klederen zwaarden moesten gaan kopen. Ondertussen hadden de discipelen nochtans, dit gesprek van de Heiland eigenlijk, en naar de letter verstaan en opgevat, en gemeend, als of Hij hun hiermee belastte, dat zij zich van zwaarden moesten voorzien tot hun en Zijn lichamelijke bescherming; en daarom, wanneer het er alhier nu op aankwam, en deze gewapende menigte op de Heere JEZUS begon aan te vallen en Hem gevangen te nemen, zo kwam hun dit gesprek van de Heiland zo-even te voren, toen zij uit Jeruzalem gingen, gehouden, nu in de gedachten; en daarom vragen zij Hem hier nu, Heere! zullen wij met het zwaard slaan? Als wilden zij zeggen: Heere en Meester! Gij hebt ons zo-even te voren, toen wij hier naar toe gingen, van zwaarden gesproken, en belast dat wij ons daarvan voorzien zouden, daarmede hebt Gij ons zeker willen te kennen geven, dat wij U en onszelf tegen de aanvallen van onze vijanden moesten verweren en beschermen; zeg ons dan nu wat wij doen moeten; nu komt het er op aan, moeten wij nu met de zwaarden, die wij bij ons hebben, slaan en vechten, en U en onszelf tegen deze woedende menigte beschermen? Zeg Heere! wat zullen wij doen: zullen wij met het zwaard slaan of niet? Gij merkt ligt mijn Vrienden! dat deze vraag van de discipelen voortkomt uit hun ijver voor de Heere Jezus en de grote genegenheid, die zij voor Hem hadden, waardoor zij bereid waren lijf en leven en alles te wagen om Hem tegen deze woedende menigte te beschermen. Tot nog toe schenen zij te enenmale onbevreesd te zijn, en gelijk zij tevoren betuigd hadden, hun Heere en Meester zelfs onbeschroomd in de dood te willen volgen; doch deze hun moed duurde niet lang, zij werden wel gauw zodanig door de vrees bevangen, dat zij hun Heiland gezamenlijk verlieten. Ondertussen was deze hun stoutheid en onbevreesdheid, die zij hier betoonden, meer een uitwerksel van onbezonnen lichtvaardigheid, dan van een voorzichtige dapperheid en heldenmoed; want wat waren deze onnozele lieden toch machtig, met hun twee zwaarden, die zij bij zich hadden tegen een zo sterke en wel gewapende menigte, van soldaten en gerechtsdienaars te kunnen uitvoeren? Immers niet het allerminste? Als het op een vechten gegaan had, waren zij terstond alle elf verslagen geweest; zodat het alzo maar een onbezonnen en lichtvaardige ijver was, zich tegen een zo machtige troep of bende te willen teweer stellen Niettemin, hoe ongelijk de kans nochtans ook was, was de onbezonnen ijver hier evenwel, in het eerst zo groot, dat zonder het antwoord van de Heilands, op hun voorgestelde vraag eens af te wachten, een van hen, namelijk Petrus, al terstond tot dadelijkheid kwam, en zijn zwaard uittrekkende, daarmee degenen, die de Heiland wilden gevangen nemen, te lijf ging, en zelfs een van hen kwetste; want zo schrijft Mattheüs, en ziet! enz. Het is al van oude tijden aangemerkt Aandachtigen! dat de Apostel Petrus, een man is geweest van een zeer ijverige, driftige en voorbarige aard of inborst, gelijk zo de ene mens daarin, de anderen ver te boven gaat. De een is van een bezadigd gemoed, die alles doet met voorzichtigheid en langzaam overleg, eerst de zaken goed overdenkende en overwegende, eer hij die uitvoert en te werk stelt. Anderen integendeel, zijn van nature zeer schielijk en oplopend; en doen alles met even veel ijver en drift, waardoor zij menigmaal, zeer onbezonnen in hun woorden en werken zijn, en zich hun schielijkheid en driftige ijver, dikwijls te laat beklagen. Van dit slag nu was Petrus ook, zijnde in al zijn doen, met een zeer grote schielijkheid, ijver en drift bevangen. Viel er wat te spreken of te antwoorden, hij was altijd de voorbarigste en eerste onder de Apostelen, die het woord voerde. Moest er wat gedaan worden, hij was altijd het eerst van al de anderen op de been, een bijzonder vuur van ijver blonk altijd in hem uit. Wij hebben er tevoren een voorbeeld van gezien in dat gesprek, dat hij met de Heere JEZUS hield, toen zij naar de Olijfberg gingen. Wat was hij driftig en ijverig voor al de anderen in zijn getrouwheid en standvastigheid aan de Heiland, op het duurst te betuigen! Meer voorbeelden van zijn grote ijver en drift, ontmoeten wij in de Evangelische Schriften. Als de Heiland eens aan hun allen vroeg, wie zij meenden, dat Hij was; terstond nam Petrus, eer nog iemand sprak, voor allen het woord op; zeggende: Gij zijt de CHRISTUS, de Zoon van de levende God. Matth. 16: 15, 16. Toen CHRISTUS met Mozes en Elias op de Berg verheerlijkt werd, was Petrus ook de eerste, die het woord voerde; willende, dat men daar, voor deze drie doorluchtige personen terstond, drie tabernakelen zou bouwen. Luk. 9: 31, 32. En dergelijke voorbeelden zouden wij uw aandacht meer kunnen aanwijzen. Zo ijverig en driftig deze man dan altijd en in al zijn doen was, zo schielijk en voorbarig, was hij hier in deze gelegenheid nu ook. Eer de Heiland nog eens geantwoord had, of de discipelen met hun zwaarden zouden slaan en vechten of niet, zo valt hij er al ten eerste met een onbezonnen ijver op in; hij trok zijn zwaard uit, schrijft Mattheus, en slaande de dienstknecht van de Hogepriester, hieuw zijn oor af. Hieruit is of te nemen, dat van de twee zwaarden, degens of houwers, die de discipelen bij zich hadden, en die zij onder weg aan de Heiland vertoonden, zoals wij zo even zagen, Petrus er een droeg; hetzij hij het best en handigst er mee kon omgaan; of om andere redenen. Althans, Petrus droeg hier een van de twee degens of zwaarden bij zich. Met reden vraagt hier iemand, wat de discipelen hier toch met deze twee zwaarden bij zich deden, daar de Heiland hun immers te voren verboden had, een zwaard te gebruiken? Verscheiden zijn hieromtrent de gedachten van de geleerden; doch die wij thans niet willen ophalen, omdat wij niet kunnen zien, dat breedvoerige verhandelingen over dingen van die natuur, op de predikstoel, zo grote nuttigheid aanbrengen. Met weinigen willen wij u maar zeggen, wat wij er van denken. Wij oordelen met de meesten, dat de discipelen van de Heiland, deze zwaarden met zich zullen gedragen hebben, tot hun veiligheid en bescherming; want gij moet weten Aandachtigen! dat de weg, uit Galilea naar Jeruzalem lopende, die zij waren komen gaan, door menigvuldige dieven, rovers en straatschenders, op deze tijd, zeer onveilig gemaakt werd, wordende de reizende mensen dikwijls aangerand, geplunderd, en op die weg vermoord. Hierom waren de reizigers, welke die weg moesten passeren, dan wel op hun hoe de, met zich van wapens en geweer te voorzien, teneinde om hun lijf en leven tegen struikrovers en moordenaars te beschermen. Wij vinden daarom, bij de beroemde joodse geschiedschrijver Jozephus aangetekend, dat op deze tijd, zelfs de Esseeën, de alleringetogendste sekte bij de Joden, die niet veel verschilden van de hedendaagse woestijnbewoners en kluizenaars, die, buiten de steden op het land woonden, altijd uit vrees voor de moordenaars en struikrovers, gewoon waren gewapend te reizen en van geweer voorzien. En dus twijfelen wij er niet aan, of dit is ook de ware reden geweest, waarom 's Heilands discipelen, welke die weg uit Galilea waren komen reizen, zich van deze twee zwaarden, tot hun bescherming voorzien hadden. Daarvan droeg en had er Petrus hier nu een; en zo gauw er gesproken werd, van met de zwaarden te slaan, was hij nu, volgens zijn gewone driftige en voorbarige aard, hier het eerst in de weer; hij trok terstond zijn zwaard, dat hij bij zich had, uit de schede, en sloeg en hakte daar terstond mee in op de gewapende menigte, die zijn Heere en Meester wilde grijpen en gevangen nemen; en dat met zulk een onbesuisdheid, dat hij er een uit de hoop, een gevoelige kwetsuur of wond toebracht; want zo wordt ons hier verhaald, dat hij, slaande de dienstknecht van de Hogepriester hem het oor afhieuw. De Hogepriester van wie hier gesproken wordt, was Kajafas, voor wie de Heiland in het vervolg zal worden geleid en terecht gesteld. Gelijk nu de Hogepriester, naast de Koning, de aanzienlijkste en waardigste persoon was onder de Joden, zo hield Hij, volgens zijn waardigheid ook een grote stoet van bedienden, en van deze was er nu ook een hier, onder deze bende en gewapende menigte; die zich mede bij de soldaten en gerechtsdienaars gevoegd had, om de Heere JEZUS te helpen gevangen nemen. Johannes heeft ons zelfs de naam van deze dienstknecht aangetekend, schrijvende, dat hij Malchus geheten was; een naam, die niet ongewoon was bij de Joden, en die volgens hun uitspraak Malluch luidde, gelijk wij zo van enen Malluch lezen, Nehem. 10: 4. Het schijnt, dat deze Malluch of Malchus, des Hogepriesters dienstknecht, hier onder de eerste en ijverigste van de hoop geweest is, die de handen aan de Heere JEZUS sloeg, om Hem te grijpen; en daarom Petrus, die dicht bij de Heiland stond dat ziende, neemt nu zijn zwaard, en dat uit de schede getrokken hebbende, dreigt niet lang, maar slaat er zo maar terstond op in, en hakt deze dienstknecht van de Hogepriesters, deze Malchus het oor af. Daar is geen twijfel aan te slaan, of Petrus, hier deze man met zijn zwaard naar het hoofd slaande, zal hem met kracht, het hoofd aan tweeën hebben willen kloven, en dermate slaan, dat hij er bij neer viel; maar tot zijn geluk kwam juist de slag niet recht aan; maar ging dicht bezijden zijn hoofd, zodat hij hem het oor wegnam; hetgeen, volgens Lukas en Johannes verhaal, het rechteroor was. Dat oor dan sloeg Petrus hier met zijn zwaard, deze man van het hoofd af, zodat het op de grond neerviel; of, dat wij met sommigen liever geloven willen, nog met een klein gedeelte aan de zijde van het hoofd bleef hangen, en het bloed hem bij het hoofd en het lijf neerliep; want ofschoon er zijn die willen, dat Petrus hier Malchus maar een stukje of gedeelte van het rechter oor af sloeg; zo geloven wij toch, acht gevend op het Griekse woord, hetgeen wij vinden in het verhaal van Lukas, dat Petrus Malchus rechter oor geheel heeft afgeslagen; doch zodat het waarschijnlijk nog maar slechts door het vel aan zijn hoofd, gelijk als hangen bleef. Waarlijk! een gans onbezonnen daad van Petrus, die in het allerminst niet kon goedgekeurd of geprezen worden! want daardoor stelde hij immers, en zichzelf, en al de andere discipelen in het grootste gevaar, van door deze woedende menigte, mede aangetast en zeer mishandeld te worden. Door zijn onbesuisde schielijkheid, zou hij hier zich en de anderen het grootste ongeluk op de hals gehaald hebben. Hierom de Heiland dit voorziende, ving Hij aan, deze Zijn driftige discipel, over zijn onbezonnen en haastige daad gans nadrukkelijk aan te spreken en te bestraffen en hem te vermanen alle verder geweld en tegenweer te staken, gelijk wij dit gesprek en deze vermaning van de Heere JEZUS nu nog verder moeten overwegen.
Mattheüs ons verhaald hebbende de onbezonnen daad van de Apostel Petrus, hoe hij hier dus ontijdig met het zwaard sloeg, en des Hogepriesters dienstknecht kwetste, en het rechteroor afhieuw; gaat hier nu vervolgens over, om ons een verhaal te doen, van des Heilands nadrukkelijke bestraffing, die Hij hier over deed, aan Zijn driftige en heethoofdige discipel, schrijvende: toen zeide JEZUS tot hem, keer uw zwaard enz. Toen, dat is zo gauw de Heiland deze onbezonnen daad van Petrus had gezien, zo gauw Petrus met zijn zwaard de slag gegeven, en des Hogepriesters dienaar aan zijn hoofd of oor gekwetst had; aanstonds keerde JEZUS zich naar hem toe, en spreekt hem aan, zeggende: keer uw zwaard enz. Lukas verhaalt ons 's Heilands redenen en woorden, enigszins anders schrijvende, Kap. 22: 51, dat JEZUS tot Petrus zei: laat ze tot hiertoe geworden! Wij zouden oordelen, dat de Heiland het een en het andere beide, tot Petrus gesproken heeft; dat Hij zijn gesprek dus volgens Lukas heeft begonnen: laat ze tot hier geworden, en het, volgens Mattheüs toen dus vervolgt: keer Uw zwaard, enz. Het eerste dan, dat de Heere JEZUS tot Zijn driftige discipel zei, toen hij hier met zijn blote zwaard in de hand nog bij Hem stond, en gereed, om er al verder op in te hakken was: Laat ze tot hiertoe geworden! Zo zetten onze taalmannen deze woorden over, als ware de zin en inhoud ervan: houd op Petrus! Laat deze uitgezonden menigte tot zo ver met mij geworden en begaan! dat zij mij grijpen en gevangen nemen; doe hun daarin geen verder geweld of tegenstand; maar laat ze vrij tot hiertoe geworden. Doch wij zouden hier met anderen liever, de Syrische taalman van het N. T. volgen, die de Griekse woorden aldus heeft overgezet: het is genoeg tot hiertoe; of dat hetzelfde is: laat het hierbij blijven. Deze vertaling dunks ons veel netter en gepaster op de zaken; en zo wil de Heiland met deze woorden dan eigenlijk aan Petrus bevelen, dat hij niet verder moest gaan met zijn zwaard te gebruiken; maar dat hij het bij deze slag moest laten blijven; dat er al genoeg gevochten was; even als wilde Hij zeggen: houd, op Petrus! mijn discipel! ga niet voort met uw zwaard te slaan! het is genoeg; laat het hier bij blijven! doe geen verdere tegenweer; maar houd u stil! het is genoeg tot hiertoe. Ziet! dit menen wij, dat de Heere JEZUS met deze woorden eigenlijk heeft willen te kennen geven. Daarop ging Hij nu verder in Zijn gesprek voort, en voegde er bij, volgens Mattheüs, keer uw zwaard enz. Hiermede wilde de Heiland aan Petrus maar alleen dit belasten: dat Hij aanstonds zijn zwaard weer zou in de schede steken en het daarin houden, zonder met hetzelve verder enig geweld, te doen of te slaan; als had hij willen zeggen: Simon Petrus! Ik belast u, dat gij zo aanstonds uw zwaard weer opsteekt! Ik wil niet dat gij er verder tot mijn bescherming iets mee zult uitrichten; het is hier met geen vechten, houwen of hakken te doen; en daarom keer uw zwaard wederom terstond in zijn plaats, en steek het in de schede. En om te tonen, dat dit bevel en deze vermaning recht ernst was, voegt er de Heiland nu in het vervolg een en andere reden bij, waarom Hij niet wilde, dat Petrus of de andere discipelen, met hun andere twee zwaarden meer tegenweer zouden bieden; want zegt Hij, in de eerste plaats, allen die het zwaard nemen zullen door het zwaard vergaan. Over de rechte zin en inhoud van deze woorden van de Heiland, vinden wij der uitleggeren gevoelens en gedachten, al opnieuw verschillend, doch de zekerste en eenvoudigste uitlegging, dunks ons deze te zijn, dat de Heere JEZUS hier met deze Zijn woorden, het oog heeft op de Goddelijke wet, die gebiedt dat allen, die op hun eigen hand, en zonder dat zij daartoe wettig geroepen of bevoegd zijn, uit haastigheid of wraaklust, de handen aan iemands leven slaan, tot boete van hun gepleegde misdaad, ook zonder enige verschoning met de dood moeten worden gestraft. Immers zo luidt de Goddelijke wet, die de Heere al aanstonds aan Noach gaf, Gen. 9: 6, Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mensen vergoten worden; want God heeft de mens, naar Zijn beeld gemaakt. Welke wet ook naderhand herhaald werd aan de kinderen van Israel, Num. 30: 30, al wie een ziel slaat, naar de mond der getuigen, zal men de doodslager doden. Waarop Paulus het oog heeft Rom. 13: 4, daar hij schrijft, dat de Overheid hier op aarde, Gods dienaresse is, die het zwaard niet tevergeefs draagt; maar die een wreekster is, tot straf van degenen, die kwaad doen. Ziet! zo moesten alle doodslagers, die mensenbloed op een onwettige wijze vergoten, dan volgens de Goddelijke wet, zonder verschoning gedood en hun bloed ook door de mensen vergoten worden. Daarop nu zouden wij niet twijfelen, of de Zaligmaker heeft hier in dit Zijn gesprek het oog gehad; en dus heeft Hij hier dan aan Petrus en de andere discipelen willen vertonen, dat zij hun zwaarden moesten terug houden; omdat zij niet bevoegd waren, met dezelve iemand te slaan of te doden, aangezien zij als dan volgens de Goddelijke wet, ook de dood schuldig waren, en van de Overheid met het zwaard moesten gestraft worden. Als wilde Hij zeggen: Simon Petrus! en gij mijn andere discipelen! houdt uw zwaarden toch terug, en slaat er niet verder mee; want weet, dat dit uw gedrag is tegen de Goddelijke wet! die alle doodslagen en bloedstortingen onder de mensen wel streng verbiedt, belastende, dat men het bloed van de zodanigen ook zonder enige verschoning zal vergieten. En daarom, omdat zij, die het zwaard nemen, en daarmee hun evenmens komen te doden, ook volgens de Goddelijke wet, door het zwaard, vergaan moeten; zo wacht gij u dan hiervoor! steekt uw zwaarden op en vergiet er geen mensenbloed mee. Ziet! dit houden wij met vele uitleggers voor de ware en rechte zin van deze woorden van de Heiland, die het zwaard nemen zullen door het zwaard vergaan. Doch hier laat het de Heere JEZUS, nu nog niet bij blijven! Nee, Hij vervolgt Zijn redenen, en toont verder aan hoe onnodig deze zwakke tegenweer van Petrus en de andere discipelen hier was, zeggende voornamelijk tot de driftige Petrus: of meent gij dat ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen Engelen bijzetten? De Heiland wil met dit Zijn zeggen eigenlijk te kennen geven, dat Hij deze hulp, van Petrus of van Zijn andere discipelen tot Zijn bescherming tegen deze gewapende en vijandige hoop, in het allerminste niet nodig was; dewijl Hij overvloedig genoeg van oneindig machtiger hulp en bijstand, als Hij wilde, kon voorzien worden; dat als Hij maar een enkel gebed en verzoek deed aan Zijn hemelse Vader, deze Hem terstond wel twaalf legioenen van heilige Engelen zou bij zetten en tot Zijn hulp en bijstand op ditzelfde ogenblik uit de hoge hemel zenden. Hij spreekt van meer dan twaalf legioenen van Engelen, die Hem Zijn Vader, wanneer Hij er Hem maar om verzocht, aanstonds tot hulp en bescherming zou kunnen bijzetten. Met de spreekwijs van twaalflegioenen Engelen heeft de Heiland hier het oog op de krijgsheiren der Romeinen, die verdeeld waren in Legioenen evenals onze legers in Regimenten. Hoeveel man er nu eigenlijk in een Romeins Legioen of Regiment was, hebben wij uw aandacht voor deze al gezegd, dat niet precies kan bepaald worden; want dat was op de ene en andere tijd zeer ongelijk. Wij lezen bij de Romeinse schrijvers van Legioenen van vier, vijf en zelfs van zes duizend en meer mannen. Neemt nu maar de legioenen eens, op zijn minst van vier duizend mannen; dan bedragen twaalf Legioenen acht en veertig duizend koppen. En zo wil de Heiland hier dan zeggen, dat als Hij het begeerde, Zijn Hemelse Vader, Hem zo aanstonds, wel een getal van meer dan acht en veertig duizend Engelen zou kunnen bijzetten, tot Zijn bijstand en bescherming. Dit is waarlijk een zeer groot en machtig getal! meer dan acht en veertig duizend heilige Engelen! Iemand, zal mogelijk denken, dat de Heere JEZUS hier zo onbepaald weg spreekt, bij wijze van vergroting, om aan te duiden een grote en genoegzame menigte van Engelen; gelijk dusdanige vergrotende manier van spreken, onder ons ook wel gebruikelijk is. Doch het is niet nodig, dat wij hier een zo vergrotende wijze van spreken zoeken; het getal der heilige Engelen in de Hemel is nog oneindig sterker en groter; dat komt niet eens op een deel duizenden aan. De Heilige bladeren spreken van Gods Engelen in de Hemel, als van een ontelbare schare of menigte. Mozes sprak eens tot de kinderen van Israël, dat de Heere was gekomen van Sinaï, en blinkende verschenen van het gebergte Paran, en aangekomen met de tienduizenden van Heiligen. Deut. 33: 2. De Profeet Daniel maakt het getal van de heilige Engelen nog veel groter, zeggende: Kap. 7: 10, dat duizendmaal duizenden de Heere in de Hemel dienen; en dat tienduizend maal tien duizenden voor Hem staan; en wat dergelijke plaatsen, die wij hier tot bewijs zouden kunnen aanhalen meer zijn. Terecht dan spreekt de Heiland hier van zo een groot en machtig getal van Engelen, die bepalende tot twaalf Legioenen, zijnde op zijn minst acht en veertig duizend Engelen. De reden, waarom Hij hier juist noemt het precieze getal van twaalf Legioenen, en niet meer of minder kan geweest zijn, omdat Hij zag en zinspeelde op het precieze getal van Zijn discipelen, zichzelf daarbij onder gerekend; want zo waren zij te samen met hun twaalven, zodat de Heiland hiermee dan zou hebben willen aanduiden, dat Hij wel een geheel Legioen van Engelen voor een ieder van hen tot bijstand en bescherming zou kunnen krijgen van Zijn Hemelse Vader. Ook is het opmerkelijk, dat Hij hier deze spreekwijs gebruikt van zovele legioenen Engelen, want daarmee schildert Hij hier de menigte van de Engelen af, als een precies geregeld heirleger, bestaande uit vele Legioenen. En terecht, want zo worden ons de heilige Engelen, meermalen in Gods woord ofgebeeld en voorgesteld, op de wijze van legers of heerscharen. Zo zingt de dichter Psalm 103: 21, looft de Heere, gij Engelen! gij krachtige helden! looft de Heere al Zijn heirscharen! Zo verscheen aan de herders van Bethlehem, bij gelegenheid van 's Heilands geboorte een menigte van het Hemelse heirleger Luk. 2: 13. Billijk spreekt de Heere JEZUS hier dan ook van zovele Legioenen van Engelen. Van deze nu zegt Hij hier, dat Zijn Hemelse Vader Hem, als Hij er om bidden en verzoeken wilde, meer dan twaalf Legioenen zou bijzetten; want zo spreekt Hij: of meent gij enz. Hij wil dan eigenlijk dit zeggen: hoe Petrus, mijn discipel! meent gij dat ik hier, om uw zwakke hulp en bescherming verlegen ben? verslijt gij Mij voor een bloot mens en een gering schepsel? Weet gij niet, dat ik de Zoon van de levende God ben; en dat, als Ik Mijn Hemelse Vader er maar om verzoek, Hij Mij tot Mijn bescherming genoeg heilige Engelen zal zenden? Ik zeg u dat Hij er Mij, op dit eigen ogenblik op Mijn verzoek, meer dan twaalf Legioenen van zenden zou uit de Hemel, die terstond deze gehele gewapende bende zouden verslaan en vermorzelen. En daarom, Simon Petrus! en gij Mijn waarde discipelen! laat of Mij verder met uw zwaarden te beschermen; want ik ben om uw hulp en bijstand in het allerminste niet verlegen.
En ziet! als zou dit nog niet genoeg zijn, om de discipelen, en voornamelijk de driftige Petrus te weerhouden, Hem met hun zwaarden bij te staan en te helpen; zo voegt er de Heiland nu nog verder bij: hoe zouden dan de Schriften vervuld worden die zeggen, dat het alzo geschieden moet. De Heere JEZUS beroept zich hier op de Schriften, of de voorzeggingen en Godsspraken van de Profeten, die in vroegere tijden, dit Zijn lijden al hadden aangewezen en voorzegd, hoe de Messias eens zou moeten komen in de macht en het geweld van Zijn vijanden; en van hen worden gegrepen en gevangen genomen. Gelijk Petrus alzo schrijft, 1 Petrus 1: 11, dat de Profeten tevoren voorzegd hebben het lijden, dat op CHRISTUS komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende; en hoe de profeten ook, in het bijzonder, dit gevangen nemen van de Zoon van God, hebben voorzegd, is te voren reeds van ons uw aandacht vertoond en aangewezen, uit Psalm 22: 13 en Jes. 53: 8. Op die voorzeggingen van de Schriften, dringt de Heiland hier dan nu met reden aan; en vertoont aan Petrus, en aan Zijn andere discipelen, dat die nu noodzakelijk haar waarheid en vervulling moesten krijgen; bijgevolg, dat zij zich, tegen dit Zijn gevangen nemen, dan nu geenszins met geweld moesten aankanten; maar hetzelve integendeel, onverhinderd laten geschieden; omdat het toch, tot vervulling van de Schriften, noodzakelijk zo moest gebeuren; als wilde Hij zeggen: O Simon Petrus, en gij mijn andere discipelen! wat bent gij gezamenlijk nog onkundig en onwetende! wilt gij mij hier met geweld, tegen mijn vijanden behoeden en beschermen; en hun verhinderen mij, uw Meester, gevangen te nemen? Wel, hebben de Schriften en de Profeten, dat al lang te voren niet zo aangewezen en duidelijk voorzegd? Moeten die Schriften en die voorzeggingen dan nu niet vervuld en bewaarheid worden? Is God dan een mens, dat hij liegen zou, of eens mensen kind, dat Hem iets berouwen zou? Ik zeg u dan, en ik belast u, steekt uw zwaarden op! en doet verder niet de minste tegenstand aan mijn vijanden, maar laat ze met mij begaan! opdat alzo de Schriften vervuld worden, die zulks te voren op die wijze voorzegd hebben. Johannes voegt er bij, dat de Heiland ook nog zou gezegd hebben, de drinkbeker, die de Vader mij gegeven heeft, zal Ik die niet drinken? Deze spreekmanier van de drinkbeker te drinken, hebben wij in een voorgaande stof, almede verhandeld en uw aandacht vertoond, dat daar niet anders door verstaan wordt, dan het ondergaan van 's Heilands bitter en bloedig Borglijden, tot verlossing van de uitverkoren zondaar; en dus wil de Heere JEZUS hier dan nu, met deze woorden, al wederom niet anders te kennen geven, dan dat Petrus en Zijn andere discipelen, Hem hier in het allerminste niet moesten beschermen, of Zijn vijanden trachten te beletten, Hem gevangen te nemen en met zich te voeren; omdat het ten enenmale noodzakelijk was, dat het gebeurde, als moetende Hij nu, langs die weg en door dat middel, Zijn voorgesteld en op zich genomen Borglijden voor de uitverkoren zondaar ondergaan. Terecht dan vraagt de Heere JEZUS hier, de drinkbeker, die de Vader mij gegeven heeft, zal ik die niet drinken?
Wat dunks u, Aandachtigen! moest Petrus al deze nadrukkelijke redenen van de Heiland horende, hier nu niet in grote mate beschaamd en verlegen worden? Aan de ene kant, over zijn onbezonnen en voorbarige drift: aan de andere kant, over zijn grote onwetendheid, die hij hier in allen dele aan de dag bracht? Buiten twijfel zal hij zijn zwaard wel gauw weer in de schede gestoken, en geen lust meer gehad hebben, om er iets verder mee tegen deze gewapende menigte te voeren. Ondertussen, was deed de Heere JEZUS nu verder? Lukas alleen verhaalt ons, dat Hij het afgeslagen en gekwetste oor van de dienstknecht des Hogepriesters aanraakte, en hem zo weer heelde. De Heiland, die tot nog toe, zich in grote mate vermaard en beroemd gemaakt had onder de Joden, door menigvuldige wonderwerken en tekenen van Zijn Goddelijke almacht, waardoor Hij alom, waar Hij kwam, alle ongeneeslijke ziekten, kwalen en ongemakken, in een ogenblik en met een woord te spreken genas, en de arme lijders ervan verloste, gaf daar hier, bij deze gelegenheid, ook wederom een zeer doorluchte proef van; want na Petrus en de andere discipelen eerst met ernst bestraft en vermaand te hebben, en belast geen verder geweld te plegen, trad Hij terstond naar de gekwetste dienstknecht van de Hogepriester, en raakte zijn oor, dat Petrus hem met zijn zwaard, of geheel, of dat waarschijnlijker is, voor het merendeel had afgeslagen, met Zijn hand aan, hetzelve wederom op zijn rechte plaats aan het hoofd voegende, en daarmee, zonder er iets anders aan te doen, genas Hij hem volkomen, zodat het oor wederom zo was, als of het in het allerminste niet was gewond, of gekwetst geweest. Waarlijk! een doorluchtig wonderwerk en een luisterrijk teken, waaruit hier zelfs 's Heilands vijanden klaar konden zien, dat Hij meer was dan een bloot mens; omdat dit wonderwerk, van zulk een schielijke en ongehoorde genezing, ver boven het bereik was van het menselijk vermogen. Vraagt nu iemand, welke reden de Heere JEZUS had, van dus deze dienstknecht des Hogepriesters zo terstond wederom te genezen? Dat kan Hij gedaan hebben, uit deze twee redenen: om daarmee deze gewapende troep, te stillen en tevreden te stellen; want het is wel te denken, dat zij door deze daad van Petrus gaande gemaakt, en ziende een van hen zodanig door hem gekwetst, niet lang zouden gewacht hebben, met zich daarover aan hem en aan de andere discipelen te wreken, en hun alzo deze slag betaald te zetten, hetgeen dan buiten twijfel, er slecht met Petrus en de andere discipelen zou hebben afgelopen; doch dit kon de Heiland hier beletten en voorkomen, met de gewonde dienstknecht, zo op staande voet, gans wonderbaarlijk, wederom te genezen; en hem en de anderen, daardoor wederom te stillen en tevreden te stellen. In de tweede plaats kan de Heiland daarmee ook dit oogmerk gehad, hebben, om daardoor voor te komen een beschuldiging, die de joden, welke toch Zijn allerbitterste vijanden waren, hierin tegen Hem hadden kunnen inbrengen, even als ware Hij een hoofd en leidsman van een deel oproerige en moordzieke lieden, die met geweld hadden aangevallen op de dienstknechten van de Romeinse Stadhouder en de uitgezonden bedienden van de Joodse Overheden, zoekende hen te vermoorden en om hals te brengen, en dat Hij dienvolgens daarover, ten hoogste strafbaar was. Ziet! het een ander zal mogelijk de Heere JEZUS tot een beweegmiddel gestrekt hebben, om deze gekwetste man, op staande voet, dus wonderbaarlijk wederom te genezen.
Ziet daar, mijn Vrienden! dus hebben wij u dan, dit merkwaardige, nu wederom verhandeld en opengelegd, dat hier, bij het gevangen nemen van de Heere JEZUS voorviel en gebeurde. Nu valt er nog maar alleen in de naaste reis te vertonen, de nadrukkelijke en merkwaardige aanspraak, die Hij hier aan deze gewapende menigte deed; en daarmee zullen wij Hem, als een gevangen man zien heen voeren, door deze hoop of bende naar Jeruzalem, om daar te worden terecht gesteld en veroordeeld. Wat blinkt nu uit alles, wat wij heden beschouwd hebben, niet wederom aan alle kanten zonderling uit. (1) Zijn gehoorzaamheid en gewilligheid, om Zijn Borglijden te ondergaan. Immers, niet alleen, dat Hij hier geen de minste hulp of bij stand begeerde van Zijn discipelen; maar zelfs niet van Zijn Hemelse Vader; daar Hij toch, als Hij het maar begeerd had, meer dan twaalf Legioenen Engelen, tot Zijn bescherming van Hem kon gekregen hebben. Ja, in al de merkwaardigheden, die Hem hier bejegenden, berust Hij hier volkomen in de Heilige Schriften, en hetgeen daar in van Hem voorzegd was; willende, dat dit alles nu aan Hem zou vervuld worden. Groter en luisterrijker blijken immers kon Hij niet tonen van Zijn bereidwillige gehoorzaamheid aan Zijn Hemelse Vader, om zonder de allerminste tegenkanting al datgene te ondergaan, dat Zijn Goddelijke hand en raad, te voren over Hem bepaald hadden. (2) Beschouwt hier ook wederom, van rondom, het gedrag van de Heere JEZUS; dat was immers al weer, aan alle kanten, even betamelijk, heilig en onberispelijk? Hij zorgt voor Petrus en de andere discipelen, door een allerernstigste en nadrukkelijkste vermaning en bestraffing, teneinde zij hun zielen toch niet zouden bezondigen, met het vergieten van mensenbloed; en zo de Goddelijke wet, onbezonnen schenden en overtreden. Hij geneest hier de gekwetsten dienstknecht van de Hogepriester van zijn verkregen wond, ofschoon hij mede onder Zijn vijanden was, die hier tegen Hem gezonden werden; tonende daarmee aan geheel de wereld, dat Hij de Wet der liefde volkomenlijk vervulde, die ons belast, zelfs onze vijanden goed te doen en lief te hebben, als blijkt uit Mattheüs 5: 44. Zo dat immers Zijn gehouden gedrag, hier in allen dele, wederom voorbeeldig en betamelijk was. (3) Wat nu aanbelangt de zwaarte van 's Heilands lijden, die kan ook enigermate, in het bijzonder hier uit blijken, dat Hij hier zo veel te stellen had met Petrus en Zijn andere discipelen. Immers, die onbezonnen driftigheid, die grote onverstandigheid en onkunde, die er bij hen, en voornamelijk bij Petrus was, konden de Heere JEZUS, niet anders dan zeer smartelijk voorkomen; dat moest Hem zeer onaangenaam en verdrietig vallen, dat, terwijl Hij hier genoeg te stellen had met Zijn vijanden, Hij nochtans, aan de andere kant, gedurig vermoeid en geplaagd, werd, door een deel onverstandige en onkundige discipelen, die telkens van Hem moesten vermaand en bestraft worden. Nu zijn er nog twee vereisten van 's Heilands lijden, te weten: Zijn onschuld, en de precieze overeenstemming van het gebeurde met de Godspraken en voorzeggingen van de Profeten; doch die zijn hier wederom dezelfde, als in de twee voorgaande stoffen, omdat deze verhandelde stof, maar slechts een aanhangsel, en een meegaande omstandigheid is van het vorige; zodat wij het een en ander dan hier nu niet wederom behoren bij te brengen.
Aangaande nu onszelf, daar leggen in het verhandelde wederom enige dingen tot onze nodige vermaning en bestraffing. Gave maar de Allerhoogste, dat zij ons in waarheid daartoe mochten dienen. (1) Beschouwen wij hier de onbezonnen drift van Petrus en zijn onkundigen ijver in het verdedigen en beschermen van de Heere JEZUS. Wij leren daaruit, hoe alle ijver tot het goede, juist niet altijd zelf goed en prijselijk is. Daar kan wel een ijver wezen, uit een goed en heilig oogmerk, die nochtans kwaad is, omdat zij met onverstand gepaard gaat. En daarom, een kind van God moet, in alle voorkomende gelegenheden van deze wereld, wel met alle krachten voor de Heere en de eer van Zijn Naam ijveren, tegen de onbekeerden en goddelozen; maar hij moet daar altijd maar voor zorgen, dat het met verstand en een heilige voorzichtigheid gebeurt; dat hij nimmer vervoerd worde door zijn driften of menselijke hartstochten; want als dat geschiedt, dan bezondigt zich een kind van God, zelfs in zijn ijver voor de Heere. Om dat nu voor te komen, weten wij een gelovige ziel, geen beter raad, te geven, dan dat hij de Heere altijd vurig bidt en smeekt, dat toch de geest der verstandigheid en bedachtzaamheid, gedurig over hem, in deze boze en zondige wereld de wacht mag houden; en dat hij ook, door een gedurige onderzoeking en nasporing van de heilige Schriften, meerdere wijsheid en kennis van de raad des Heeren, voor zijn ziel zoekt te verkrijgen. (2) Betrafte de Heere JEZUS hier Petrus met zulke ernst en nadruk, omdat hij zo onbezonnen Hem, met het zwaard, in de hand, wilde verdedigen; dat moet een gelovig kind van God al weer leren, hoe het koninkrijk van de Heere JEZUS, niet is van deze wereld, en daarom ook met geen aardse of lichamelijke wapenen moet worden voortgezet en beschermd. Het gaat hier toch geheel, gelijk er staat Zach. 4: 6, niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest zal het geschieden, spreekt de Heere. Hier zijn geheel andere wapenen tot bescherming nodig, dan in de oorlogen en strijden van deze wereld. Een kind van God heeft hier ook nog wel gedurig een zware strijd te strijden; maar het is met geestelijke wapenen. De discipelen hadden twee zwaarden bij zich; maar JEZUS geestelijke discipelen hebben hier inzonderheid ook twee zwaarden nodig; het een is dat scherpe tweesnijdend zwaard, van des Heeren woord; het andere is het zwaard van de Heilige Geest. Zonder die twee zwaarden, is een kind van God niet machtig zijn geestelijke, en ook zelfs zijn lichamelijke vijanden te kunnen afkeren; en daarom, was is er voor hem dan nodiger, dan dat hij met al zijn vermogens arbeidt, om die twee zwaarden of wapenen toch te verkrijgen. Het zwaard van des Heeren scherpsnijdend woord verkrijgt hij, door een gedurige en onophoudelijke nasporing en onderzoeking van hetzelve; daardoor leert hij dat zwaard wel behandelen en besturen, tot zijn voordeel en bescherming; evenals men de lichamelijke wapenen, recht leert behandelen en gebruiken, door derzelver gedurige oefening. Het zwaard van de H. Geest verkrijgt hij, aan de ene kant, door gedurige en vurige smekingen tot God, om die Geest; aan de andere kant, door zich geheel aan de leiding van die Geest over te geven, en deszelfs invloed en werkingen in zijn ziel, door alle wegen en middelen, meer en meer voort te zetten en te bevorderen. Beval de Heere JEZUS Zijn discipelen, zich van hun klederen te ontdoen om er zwaarden voor te kopen; wij vermanen Gods kinderen ook, dat zij, om deze twee geestelijke zwaarden te bekomen, zich ook hoe langer hoe meer, ontdoen en ontlasten van hun klederen en aardse goederen, door gedurig hun harten daarvan of te trekken, en zichzelf zo meer en meer los te maken van deze ijdele en ondermaanse wereld; en dat, naarmate zij deze twee geestelijke zwaarden verkrijgen, zij met dezelve ook onophoudelijk strijd voeren, tegen al hun geestelijke vijanden; dat zij zich dus alleszins betonen, als dappere helden, die nimmer aflaten te strijden, de goede strijd des geloofs, opdat eenmaal hun hoofden eens, met de heerlijke kroon, van een eeuwige overwinning zullen gekroond worden. (3) Nog een les ligt er in de verhandelde stof, die wij alle ware vromen ook nog met een woord moeten voor ogen houden. Die les wordt gehaald en afgeleid uit de wonderbare genezing, die de Heere JEZUS hier deed aan het afgeslagen en gekwetste oor van de dienstknecht van de Hogepriester; want daarmee leert Hij ons, dat wij ook onze allerbitterste vijanden moeten goed doen en liefhebben met voor hun welvaart en behoudenis naar ziel en lichaam altijd te zorgen. Een ieder, van onze, die vroom voor de Heere wil leven, volge dan hierin ook steeds de voetstappen van zijn Heer en Meester, altijd met zachtmoedigheid weldoende aan degenen die ons haten; voor onze vijanden biddende, en hun zo steeds gelijk als vurige kolen op het hoofd werpende. Door het een en ander altijd in het geloof te betrachten, zal een kind van God, niet alleen meer onbesmet van de zonde voor de Heere wandelen; maar ook eens komen tot het einde van zijn geloof, namelijk de zaligheid van zijn ziel. Amen.