Foto
TOESPRAAK VAN PATER PETAR
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7
  • Deel 8
  • Deel 9
  • Foto
    Foto
    Het  logo  van  het  Bisdom  Gent  van  MG.  Van  Looy
     
    Origen
    Quantcast
    Met hulp en medewerking van John Pont is dit blog gemaakt
    HOUD UW LAMPEN BRANDEND.
         Image and video hosting by TinyPic
    For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
     2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt
    Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois
    Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Gastenboek

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Wonder

    17-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hulp van de Christenen.

    Levensgroei

    Door de verdienste kan ons leven snel groeien. Beginsel van groei in ons is Gods genade. Zoals de persoonlijke mensheid van Jezus, hier op aarde, steeds in wasdom toenam, zo wil Jezus ook in ons, zijn ledematen, groeien en tot de volmaakte leeftijd komen. "Wij zullen, de waarheid belijdend, in ieder opzicht groeien in de liefde, in Christus die ons Hoofd is". De liefde vormt alles om, de meest gewone handelingen zelfs. De christen behoeft slechts met Christus verenigd te zijn en Diens wil te doen, om aan zijn leven een hoge waarde, en aan zijn daden een onmetelijke prijs te geven. Hoe alledaags, hoe gemakkelijk, hoe gering zijn handelingen ook zijn, worden zij uit liefde gedaan, dan zijn het bovennatuurlijke daden; zij geven glorie aan God en winnen zijn bijzijn.

    Men bedenkt niet genoeg, hoe gemakkelijk de christen de genade in zich kan vermeerderen en de tegenwoordigheid van de Heilige Drieëenheid in zijn ziel versterken. Door verdienstelijke daden groeit de genade steeds aan. Doet de liefde u een akt verwekken, die uw gewone gesteltenis overtreft in kracht, dan is uw verdienste vermeerderd, vermenigvuldigd en gaat alle voorafgaande verdiensten te boven. Opnieuw stort de Heilige Drieëenheid haar goddelijk leven in u uit. En toch was een geringe akt voldoende, soms een eenvoudige verzuchting van het hart, maar geheel van liefde doordrongen.

    Slechts met enige huivering kan men aan de volmaaktheid denken die ieder van ons zou kúnnen bereiken. De genade is zo iets groots en zo machtig. De getrouwheid aan de genade geeft, om zo te zeggen, aan Gods edelmoedigheid de vrijheid; is men aan een genade getrouw, dan voert deze weer een andere mee, machtiger, krachtdadiger. God stort Zich opnieuw in de ziel uit. De liefde voert haar omhoog.

    Zien wij op naar Maria; óns leven heeft zij geleefd en dóór het te leven verdiende zij onmetelijke genaden. En zij bezit die genaden, om ze óns mee te delen.
    Alle wegen die wij moeten volgen, heeft ook zij gevolgd. Alle vreugden en alle smarten heeft zij gekend. Alle toestanden van Jezus heeft ook zij doorlopen. Zij heeft al zijn mysteriën beleefd en er aan meegewerkt; de volle vruchten er van vindt men dan ook in háár. Alle genaden van Jezus’ leven, dat wij moeten nabeelden, zijn dus in háár en vloeien uit haar over, om in óns te komen, en onze zielen binnen te leiden in het leven van Christus.

    Maria is geschapen naar Jezus’ beeld; geen enkel schepsel geeft zijn volmaaktheden zo nauwkeurig weer. Alle genaden en gaven, alle deugden van Maria zijn aan Hem te danken. Méér nog, in haar leven vindt men in haar de schone weergave van Jezus’ zijns- en handelwijze.

    De gelijkenis met Jezus, waarnaar ook wij moeten streven, is bij haar volmaakte werkelijkheid geworden. Wilt gij weten, hoe Jezus de Vader aanbad en tot Hem smeekte, hoe Hij met de naaste en met de zondaars omging; wilt gij zijn goedheid, zijn minzaamheid, zijn barmhartigheid kennen, zijn vertrouwelijke omgang met zijn vrienden, de edelmoedigheid van zijn liefde: beschouw Maria. Dit alles vindt gij in háár; zij spreidt het ten toon en bij die sublieme weergave legt zij er tevens haar moederlijke zachtheid in.

    "Gij zijt vol van genade", zeide de engel van de Menswording. Maria’s heiligheid was toen reeds onmetelijk. Vanaf de eerste ogenblikken van haar bestaan had God haar met zijn gaven overstelpt; alles wat Hij aan goddelijk leven een louter schepsel schenken kon, had zij ontvangen. De volheid bezat zij in heel de vatbaarheid van haar wezen. En die vatbaarheid overschreed elke voorstelling van menselijke verbeelding, want God was van plan in zijn Moeder samen te brengen, al wat Hij in zijn ledematen bewerken zou; zij moest het hart worden van het leven van de Kerk. Toen reeds bezat zij dus een onmetelijke genadenschat. Toch is de genade steeds blijven groeien.

    Helaas, wij weten het maar al te goed, zelfs heiligen blijven stilstaan en vallen; in de goddelijke werking mengen zij hun persoonlijke strevingen. Zelfs in de heiligen doet God niet alles wat hij zou willen.

    Maria echter gaf zich geheel en al aan de genade over. Geen enkele schuld, geen enkele onvolmaaktheid kwam ooit haar opgang stuiten. Haar wil, met die van God verenigd, streefde met onweerstaanbare kracht omhoog. Vanaf haar ontvangenis ging zij met standvastige liefde naar God. Zij was geheel en al gericht naar God. Al haar levensdaden ontsproten uit een overgrote liefde, die elke genade deed groeien. Zij hield niet op te klimmen in heiligheid, omdat zij voortdurend steeg in liefde. De menselijke verbeelding is dan ook te zwak, om haar vooruitgang te kunnen volgen. Elk uur bracht een onschatbare aanwas. Niets van de Goddelijke stuwkracht zou zij verliezen. De genade breidde in haar zich uit als in de hemel. Ieder ogenblik trok de trouw van haar liefde de heilige Drieëenheid tot haar, die Zich dan uitstortte in een nieuwe vloed. Onophoudelijke overstroming van goddelijk leven.

    Die nieuwe verdiensten verwierf zij vooral bij elke ontvouwing van het Christusmysterie.
    Willen wij een voorbeeld, zien wij dan slechts, wat er in Maria plaats greep, toen zij Jezus in haar schoot droeg. Een uitwisseling van onvergelijkelijke liefde! Die vereniging reeds in het gemeenschappelijke vlees! Maria gaf aan Jezus het zuiverste van haar eigen vlees, om zijn lichaam te vormen; zij gaf Hem het bloed, dat de wereld moest vrijkopen; zij vormde het hart en de mensheid, waaruit zoveel genaden zouden voortvloeien. Met een onuitsprekelijke tederheid schonk zij die gave, met een liefde geheel doorstraald van Jezus’ licht, dat haar klaarheid schonk omtrent het einddoel van dit mysterie. En die liefde beantwoordde Jezus, zoals alleen God het doen kan. Wat er in Maria’s schoot plaats greep, herinnert aan de theologische leer over het innerlijke leven van de heilige Drieëenheid, over die eeuwige uitwisseling van licht en liefde tussen de drie goddelijke Personen, over die in-elkaar-woning, die het goddelijke geluk uitmaakt; zo bestond ook tussen Jezus en zijn Moeder een wonderbare, door God alleen te begrijpen uitwisseling van tederheid. Welk een genadenvloed bracht de Bewerker van de genade door zulke onmiddellijke en voortdurende contacten in Maria teweeg! Een zo enige, zo volmaakte band! Alleen de tegenwoordigheid slechts van het Woord was onophoudelijk oorzaak van genade, en Maria’s volmaakte gesteltenissen droegen er toe bij, de genadenstroom rijker en eindeloos te maken.

    De innige verbinding met de mensheid eist een ander, een geestelijk, een nog inniger contact door de genade. "Onze Heer Jezus Christus verenigt Zich altijd slechts lichamelijk met de bedoeling, Zich nauwer geestelijk te verbinden..... Als dit zo is, o verheven Maagd, dan denk ik van u iets zó groots, dat het mij niet alleen aan wóórden ontbreekt, om het uit te drukken, maar mijn geest ook de grootste moeite ondervindt, om het voor zichzelf in een helder licht te plaatsen. Want uw vereniging met Jezus’ lichaam in uw gezegende schoot was van dien aard, dat men zich geen inniger denken kan. Stond de vereniging met de geest daarmee niet in de juiste verhouding, dan zou aan de rechtmatige vordering van Jezus’ liefde te kort zijn gedaan, Hij zou geweld in u lijden. Om Hem te bevredigen, moet gij dus met Hem evenzeer verenigd zijn in de geest, als gij Hem nauw verwant zijt door de banden van natuur en bloed. En wijl deze vereniging door de genade wordt bewerkt, wát kan men denken en wát kan men zeggen? Wáár moeten onze gedachten haar vlucht staken, willen wij geen onrecht doen aan die grootheid. En brengen wij alle gaven in Gods schepselen bijeen, kan dan dit alles uw volheid wel evenaren?" "Jezus," zegt Bérulle, "trekt haar tot Zich, voert haar in Zich mee. En die twee harten van Jezus en Maria, door de natuur zo na verwant en vereend, zijn door de genade nog veel meer en veel inniger verbonden, zij leven in elkander."

    Gedurende geheel haar leven heeft Maria op die wijze deelgenomen aan de mysteriën van haar Zoon. Door deze mysteriën ontvouwde God langzamerhand zijn verborgen wereldplannen. Maria was er de vertrouwelinge van. Méér nog, in deze mysteriën nam zij een plaats als mede-verlosseres in. Zij werkte er in mee en God verlichtte haar voor die medewerking. Dit alles vermeerderde haar verdienste, want zij werkte in het licht en in de liefde. Denk eens aan haar verdienste aan de voet van het kruis. Haar mede-lijden was een werk van liefde: liefde tot God en liefde tot de mensen. Uit liefde gaf zij haar Zoon. Wat een zee van verdiensten! Welke genaden moest zij niet verwerven, toen zij, door haar moederschap van smarten, inderdaad de moeder van alle Godskinderen werd. Voeg hierbij de groei door de stage gang van het dagelijkse leven. Nooit een smet, nooit een val, nooit stilstand in de aanwas van die genadenzee. Aanhoudende vooruitgang. Elke daad van de Moedermaagd bracht groei. God vervulde haar met licht waarin de liefde speelde en de maat er voor was geen andere dan haar gestadig groeiende vatbaarheid.

    "Die uitgaat om te zaaien" werpt elke minuut zijn zaad, en alles verzamelt zij gewillig, liefdevol; alles behoudt zij voor een honderdvoudige oogst. "De jaren snellen voort," zegt Bérulle, "de genaden vermeerderen, en in deze genade-orde, uitsluitend de hare, dompelt zij zich van dag tot dag in een wonderbare vloed en zij dompelt er zich in door een bijzondere genade-uitstorting en een volmaakte medewerking. Het is het gewijde samenspel tussen Gods geest en Maria’s geest. Van ogenblik tot ogenblik stort God een nieuwe genade in deze ziel, en onafgebroken en met al haar kracht beantwoordt die ziel er aan. En die beantwoording met volmaakte overeenstemming voert haar op tot een toppunt van genade, en die genaden, hoewel buitengewoon groot voor die op Gods weg altijd voortsnellende ziel zijn slechts graden die haar tot nieuwe gratie-hoogheid moeten verheffen. Die zo zeldzame, voortreffelijke, alleredelste, zó op aarde levende ziel, verrukt de hemel en zou ook de aarde verrukken, als de duisternissen haar niet het gezicht van zo’n kostbaar voorwerp ontnamen."

    Liefde is de schoonheid van haar leven. In haar daden bracht Maria zoveel licht en zoveel liefde, dat zij de zwaarste werken van de grootste heiligen overtroffen. Haar vurige liefde ontving elke minuut genade, gaf er zich onverdeeld aan over, beantwoordde er op volmaakte wijze aan en bracht een eindeloze vermeerdering teweeg. "De dagen sloten zich aaneen, de jaren volgden op elkander, en als een verwonderlijke machine van overstelpende kracht en onzichtbare snelheid ging steeds maar voort de werking van de beantwoording aan de genade, van haar heiliging en vermenigvuldigde zich dermate, dat alle ménselijke cijfers nooit zulk een product zouden kunnen opleveren." Maar wijl in haar hart de liefde zonder enig beletsel heerste, groeide deze onophoudelijk van dag tot dag door de beoefening, groeide door zichzelf, zodat die al maar zich uitbreidende liefde tot zulk een volmaaktheid steeg, dat de aarde ze niet meer bevatten kon. Er was dan ook geen andere oorzaak van Maria’s dood dan de vuurgloed van haar liefde........

    "De liefde deed Maria leven; de liefde ook doet haar sterven."

    Maar Maria is moeder en de glorie van de moeder is de vruchtbaarheid. Heeft God haar zo groot gemaakt en in staat gesteld, alle levensschatten in zich te besluiten, dan is het, om ze uit te storten. Zij is het ruime meer van de goddelijke genaden, om er het kanaal van te kunnen worden. De zegeningen die zij heeft ontvangen, moeten neerdalen op de geestelijke schepping. God is in haar als levensbron voor Christus’ ledematen. Zij ontving slechts zoveel, om te kunnen geven.

    Bovendien drijft de liefde haar aan. De wet van de liefde, vooral van de moederliefde, is geven. Maria vloeit van leven en zaligheid over en wij hebben er behoefte aan. Kunt gij u een ware moeder verbeelden, die, als zij gelukkig is, niet branden zou van verlangen, ook haar kinderen gelukkig te maken? In waarheid, het door Maria vloeiende goddelijke leven deelt zij ook mee aan ons. Maria is voor ons slechts liefde, zich gevende liefde.

    Ons geluk is slechts te vinden in de verwezenlijking van onze bovennatuurlijke roeping. "Geprezen zij God," zegt Sint Paulus, "de Vader van Onze Heer Jezus Christus, die ons in Hem heeft uitverkoren voor de grondvesting van de wereld, om heilig en vlekkeloos in de liefde te zijn". Van alle eeuwigheid heeft God aan ons gedacht en, in zijn liefde, voor ons vastgesteld, welke volmaaktheid wij moeten bereiken; Hij wil onze gelijkvormigheid aan zijn Zoon. "Hen die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd, om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon." Dát is de christelijke roeping: ons aan Christus gelijkvormig maken, "het beeld van Christus" worden, leven als Christus.

    In welke máte moet ieder van ons Jezus’ gelijkenis in zich weergeven? Dat is het geheim van God. Maria ként echter de geheimvolle verborgenheid van onze eeuwige voorbestemming. Zij kent de persoonlijke roeping van ieder onzer. Zij weet wat ik zijn moet. Haar moederlijke liefde nu maakt haar bezorgd voor mijn geestelijke toekomst. Bij de verwezenlijking van die roeping is zij werkelijk mijn leidster, mijn hulp, mijn kracht. Het geestelijke leven is een leven in wording, elke dag. Het heeft zijn groei, maar ook zijn verrassingen en beproevingen, zijn onbestendigheden en mislukkingen. De Moeder van de goddelijke genade leidt de groei; daarvoor wendt zij haar zachtheid, haar liefderijke behulpzaamheid, haar tedere zorg, heel haar moederlijke medelijden aan.

    Vóór alles tracht zij ons de zucht naar God te geven, ons het verlangen naar het goddelijke leven in te boezemen. Aan alle groei toch ligt het verlangen ten grondslag. Zij herinnert zich, hoe haar Zoon Jezus in de zuilenhallen van de Tempel staande, tot de menigte riep: "Zo iemand dorst heeft, Hij kome tot Mij en drinke". De christen die God wil zoeken, vindt Hem spoedig. Sprak Jezus niet tot de zalige Angela van Foligno: "Wilde iemand Mij in zijn geest gewaar worden, Ik zou mij niet aan hem onttrekken. Wilde iemand Mij zien, Ik zou Mij met de grootste blijdschap aan hem vertonen. Wilde iemand met Mij spreken, Ik zou Mij in de grootste vreugde met hem onderhouden".

    De ondervinding leert, dat zij die met Maria leven, met een levendige hoop zijn bezield op de verwerkelijking van hun christelijke roeping. Sint Paulus wenste, dat "wij, geworteld en gegrondvest in de liefde, geschikt zouden worden, om met alle heiligen te begrijpen, welke de breedte en de lengte, de hoogte en de diepte is, geschikt zelfs om te kennen de liefde van Christus, die alle kennis overtreft, en dat wij vervuld zouden zijn met alle volheid Gods". Eerst dus moeten wij wensen, naar die "volheid van God", naar de innige vereniging met Jezus te verlángen.

    Maar de Moeder van de genade bezit die "volheid" voor ons, en zij kan onze ziel geschikt maken, om ze te ontvangen. Haar moederschap heeft tot taak, u tot ledematen van Christus te maken. Daarom wil zij u "Jezus tonen" alle dagen van uw leven, en u leren Hem te zoeken in de plichten van uw staat, in uw werk, uw lijden en in de andere ledematen van de mystieke Christus.

    "De Zoon van de mensen," zeide Jezus, "is gekomen, niet om gediend te worden, maar om te dienen." Zó dacht ook zijn Moeder. Haar leven kende de arbeid.
    Wat zij deed? Wat de vrouwen van Nazareth nóg doen. Zie ze slechts in haar primitieve woningen, die onderaardse, in het rotsgesteente van de heuvelhelling uitgegraven vertrekken, zoals ook ongeveer het huis van Joseph was. Zorgvuldig laten zij het oog over een armoedig huisgezin gaan; zij maken de maaltijden gereed, malen het koren, kneden het deeg, bakken het brood en halen aan Nazareths enige bron het water, dat zij op galilese wijze, de kruik op het hoofd, weg dragen. "De gezegende onder de vrouwen" deed dit alles dagelijks. Haar moederhanden, die het Jezuskind droegen, gebruikte zij met zorg voor het eentonig, huishoudelijk werk van elke dag. En, omdat het Gods wil was, deed zij het met liefde.

    Haar werk was een akt van aanbidding, de nederige dienst voor de glorie van de hoogste en heiligste Heer. Met een liefdevolle nederigheid kweet zij er zich van. Een vermoeiende arbeid verrichten, was voor haar de gerechtigheid vervullen. Het was zich op voortreffelijke wijze vernederen, niet slechts voor de wil van God, die de mens beval zijn brood te winnen in het zweet van zijn aangezicht, maar voor het ondoorgrondelijke wezen van God, die haar zo heerlijk had begunstigd.
    En dan, was zij niet de Moeder van de Verlosser? Evenals haar Zoon, gaf zij zich aan de boetedoening van het werk, van lastig werk, van de bezigheden van de armen.

    Maria nodigt ook óns tot werken uit: tot de arbeid, die Godsverering is, de nederige erkenning van Gods opperste rechten, en tevens de dienst van de naaste. Het is billijk, dat wij, zondaars, in vereniging met Christus, al onze krachten inspannen in de dienst van Hém, die ons zozeer heeft liefgehad. Billijk is het ook, dat Christus’ ledematen zich ten beste geven voor elkander. Het christelijk werk is een uitwisseling van dienstbetoning.

    De arbeid is voor het menselijk geslacht wel een smartelijk mysterie; door de erfzonde werd hij een straf, een bittere straf. Maar hij is ook een mysterie van vreugde. Zeide Jezus niet: "Mijn Vader werkt, en ook Ik werk"? Denken wij dan ook bij onze zware arbeid aan dit goddelijk werken. Door de arbeid verlenen wij aan Gods heiligend werk in de wereld gedeeltelijk onze medewerking. Toen God de mens op aarde bracht, was zijn schepping voltooid, maar óns blijft de taak, haar te ordenen, haar naar God te richten, haar Gods glorie te doen zingen. Ja, de schepping is voor ons niet zozeer een schouwspel om gade te slaan, dan wel een goddelijk werk, dat op onze voltooiing wacht. "Zij smacht," zegt ons Sint Paulus, "reikhalzend naar de openbaring van de kinderen Gods ..... heel de schepping zucht en kreunt in barensweeën."

    Hóé moeten wij echter werken? Denken wij aan Nazareth. Jezus en Maria werkten niet ten koste van hun innerlijke leven. Hun werk deed nooit aan hun beschouwing te kort. Als Jezus Zich bevond in de werkplaats van Sint Joseph of op de wegen van Galilea, altijd kon Hij zeggen: "Ik ben in mijn Vader". Ook Maria bleef voortdurend in beschouwing en in de liefde van haar God; dit was de vaste bodem van haar innerlijke leven, waarop alle uiterlijke handelingen steun vonden, waaruit al haar mysteriën opbloeiden. En Sint Paulus vraagt het van ons, als hij zegt: "Wat gij ook doet in woord of in werk, doet alles in de naam van de Heer Jezus, door Hem dank zeggend aan God de Vader". Het werk van de met God verenigde zielen is veel dienstiger voor Gods glorie en het zielenheil dan dat van de gewone christenen, door de liefde die hen drijft. Hun werkzaamheid is niet gevaarlijk meer voor hun innerlijke leven; hun werk wordt liefde. De grootste beslommeringen zelfs, zo Gods ze maar wil, schaden hun vereniging met de Heer allerminst. "Als zijn geest zich van de uwe heeft meester gemaakt," zeide de eerbiedwaardige Maria van de Menswording, "en Hij het diepst van uw ziel beheerst, om u, door een blik van liefde, in een innige en blijvende vereniging met zijn goddelijke Majesteit te houden, dan kunnen al uw bezigheden dat goddelijke verkeer niet meer verstoren. Zij voegde er evenwel aan toe: "Ik zeg: in het diepst van uw ziel, want het is niet mogelijk, zich in deze wereld met tijdelijke zaken bezig te houden, zonder op een behoorlijke manier het oordeel en het verstand er bij te gebruiken. Maar in die staat van vereniging en verkeer met God in het hoogste zieledeel verliest men zijn heilige tegenwoordigheid niet".
    Bij dat vermoeiende werk zal het dikwijls gebeuren, dat de liefde niet wordt gevoeld, en ze slechts leiding geeft aan de kracht van de wil. Toch blijft Gods dienaar in de beoefening van de liefde; en "die in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem".

    De liefde tot de naaste is een bovennatuurlijke, ja goddelijke deugd, dat wil zeggen, een van die hogere deugden, die onmiddellijk God betreffen. "De liefde waarmee wij de naaste beminnen," zegt Sint Thomas, "is dezelfde als die waarmee wij God beminnen." Wij hebben dan ook niet de vrijheid, onze naaste te beminnen of niet te beminnen. Christus heeft er ons absoluut toe verplicht. "Mijn gebod is, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad." De broederlijke liefde is het eigen kenmerk van de christen. "Hieraan zal men erkennen, dat gij mijn leerlingen zijt, als gij elkander liefhebt." De eeuwige Vader sprak tot de heilige Catharina van Siëna: "Zodra de ziel Mij bemint, bemint ze ook de naaste, anders is haar liefde niet waarachtig, want de liefde tot Mij en tot de naaste zijn slechts één. Hoe meer de ziel Mij bemint, des te meer bemint zij de naaste." Deze vereniging van de liefde tot God en de naaste is zo nauw, dat Sint Paulus zelfs durft zeggen: "Hij die zijn naaste bemint, heeft de wet vervuld". En Sint Joannes zegt: "Wij weten, dat wij uit de dood tot het leven zijn overgegaan, omdat wij onze broeders beminnen. Die niet bemint, blijft in de dood".

    De dienst van de naaste is een onmiddellijke vrucht van de goddelijke vereniging. Het is een kenmerk van het goede, zich mede te delen. Het oneindig Goed stort van eeuwigheid Zich uit in de persoon van het Woord en in de persoon van de Heilige Geest en ten laatste vloeit het zelfs in overvloed uit naar buiten, in de schepping. Deelt nu een schepsel in deze goddelijke Goedheid, dan gevoelt het aanstonds het verlangen, zich aan andere mee te delen. Hoe meer de ziel bezit, des te meer wil zij geven. Hoe meer God in haar is, des te meer wordt zij er toe aangedreven, God mede te delen. Die wet verklaart ook de wederzijdse lichtuitstraling van de engelen; de engelen van hógere rang, die God méér bezitten en genieten, haasten zich, aan de engelen van lágere rang van hun kennis en hun geluk mee te delen. Zo ook de heiligen; hoe meer zij God kennen en beminnen, des te meer worden zij er toe gedrongen, hun licht en hun liefde mee te delen aan hun broeders. Het is dan ook volkomen juist, de inwendige staat van een ziel te beoordelen naar haar echte, zuivere naastenliefde. "O onze Verrijzenis," riep de heilige Catharina van Siëna uit, "machtige en eeuwige Drieëenheid, doe dan mijn ziel naar buiten uitbreken! O Verlosser, onze Verrijzenis, eeuwige Drieëenheid, Vuur dat altijd brandt, nooit uitdooft, nooit kan verminderen, zelfs dán niet, als Gij U aan geheel de aarde meedeelt..... ik bezweer U, beweeg krachtig mijn ziel en ontvlam ze voor het heil van de wereld."

    Maria had voor haar naaste een brandende, onmetelijke liefde en die liefde vloeide voort uit haar liefde tot God. "Ik bid voor hen," zeide Jezus, haar Zoon, tot zijn Vader, "omdat zij de uwen zijn." Beschouwde Maria de onuitsprekelijke goddelijke liefde voor de zielen; beschouwde zij de Vader, die, na ze uit louter liefde te hebben geschapen, en zo rijkelijk begiftigd, ze tot de eeuwige zaligheid riep; de Zoon, die voor haar mens werd, ze moeizaam ging zoeken en leed, om ze gelukkig te maken; de Heilige Geest van liefde en waarheid, die zonder ophouden werkt, om ze te zuiveren, te heiligen, in glorie te verheffen; beschouwde Maria "die al te grote liefde", wat elk ogenblik geschiede, dan voelde zij zich aangegrepen door een grenzenloze liefde voor alle zielen, dochters van de Vader, ledematen van de Zoon, tabernakels van de Heilige Geest, en bovendien háár kinderen. Dan sprak zij in haar hart, evenals Jezus: "Ik geef mijn leven voor mijn schapen".

    Voor óns leefde ze. Voor óns bad ze geheel haar leven. Weliswaar was haar gebed allereerst aanbidding van de Godheid en dankzegging; maar onmiddellijk daarna werd het een smeekbede voor ons. Door dit gebed schonk zij God grote vreugde, zij wist het; aan het goddelijk leven gaf zij immers de gelegenheid, zich uit te storten? Want, wil God zijn goederen schenken, dan wacht Hij op het gebed. Zij was dan ook de deelgenote van zijn barmhartigheid.

    Tot de engel zeide Maria, dat zij de dienstmaagd van de Heer was; zij had er aan toe kunnen voegen, dat zij ook de dienstmaagd van de mensen was. In de mysteriën van haar leven neemt de dienst van de mensheid een voorname plaats in. Maria’s antwoord bij de Menswording is een akt van onmetelijke liefde voor de mensen, die zij nu tot haar kinderen aanneemt. De liefde voert haar ook ijlings naar Elisabeth heen. Haar liefde dringt haar Zoon, te Cana zijn openbaring te vervroegen en zijn eerste wonder te doen. Haar liefde doet haar op Calvarië bitter lijden.

    Waar ontvlamde dat grote vuur? Om de ware oorsprong te vinden van de liefde voor de zielen, van het apostolische ijvervuur, moet men teruggaan naar hetgeen in Maria’s schoot geschiedde, op het ogenblik van de Menswording. Sint Paulus zette dit uiteen in zijn brief aan de Hebreeën: "Bij zijn intrede in de wereld sprak Christus: Offers noch gaven hebt Gij gewild, maar een Lichaam hebt Gij Mij bereid. Brand- en zoenoffers behaagden U niet. Toen zeide Ik: "Zie Ik kom, om uw wil te doen, o God!"...... Uit kracht van die wil zijn wij eens en voor al geheiligd door het Offer van Jezus Christus". Later hoorde Maria haar Zoon dit verrassende woord tot de apostelen zeggen, echo van het "Ecce venio", gesproken in haar schoot: "Daarom bemint Mijn Vader Mij, omdat Ik mijn leven voor u geef".

    God wilde de mensen redden door de dood van Zijn Zoon, en omdat Jezus die wil van zijn Vader aanvaardde, beminde de Vader Hem. Het apostolaat, de dienst van de naaste bestaat dus op de eerste plaats in het offer dat het goddelijk leven mededeelt. Voor dit God verheerlijkende offer is het Woord vlees geworden: "Ja, Vader, ik ben voor dit uur gekomen, Vader, verheerlijk uw naam!".

    Overweeg nu eens de veréniging van Jezus en Maria, en gij zult haar geweldig vlammende ijver begrijpen. Zij óók heeft haar "Ecce venio" gesproken, dat tot uiting kwam in het voor ons gebrachte offer van haar Zoon. Heel haar genade-rijkdom als moeder van het mystieke Lichaam neemt haar op in het offer en dus ook in het apostolaat. Goddelijke levenswoorden wil zij uitzenden en God verheerlijken door ledematen van Christus te vormen.

    Dit maakt duidelijk, dat de dienst van de naaste niet in koortsige bedrijvigheid bestaat, maar vóór alles in gebed en offer. Offergeest is waarachtige apostelgeest; apostelen zijn zij die in Christus’ liefde zichzelf geven. Koningin van de apostelen is daarom Maria.

    Het woord dat Jezus bij zijn intrede in de wereld sprak: "Ecce venio: Mijn God, hier ben ik, om uw wil te doen", is een samenvatting van geheel zijn leven. Het woord dat Maria tot de aartsengel zeide: "Zie de dienstmaagd des Heren", vat ook geheel háár leven samen. Beiden leefden naar het woord, bij het begin van hun zending gesproken, machtige kreet van hun ootmoed, die de diepste grond van hun ziel blootlegde. Zij waren gehoorzaam, en de heilige Schrift zegt ons: "tot aan de dood, ja, tot aan de dood van het kruis". Heel hun kinderlijke liefde voor de Vader heeft zich vertolkt en voltooid in een liefdevolle en grenzenloze gehoorzaamheid. "Mijn voedsel is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft." "Ik doe altijd wat Hem behaagt."

    Tot deze geest van gehoorzaamheid roept Maria ook óns. Hij is het bewijs, het hoogste bewijs van liefde. "Wie mijn geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het die Mij liefheeft; maar wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader worden bemind en ook Ik zelf zal hem beminnen en Mij aan hem openbaren."

    Wij allen zijn verplicht te beminnen. Maar wie kan verzekeren, dat hij waarlijk liefheeft? De natuurlijke gevoeligheid kan sommigen doen menen, in de geestelijke wegen al gevorderd te zijn, omdat ze gemakkelijk tot tranen worden bewogen en tot beloften gedreven. Jezus’ woorden geven ons zekerheid, waar de gevoelens ons in het onzekere laten: de liefde is in de gehoorzaamheid gelegen.

    De gehoorzaamheid nu leidt binnen in de vereniging met God: "Hij zal door mijn Vader bemind worden". De afhankelijkheid van God bewerkt het gehecht-zijn aan God. De beoefende, betuigde en getrouwe liefde wekt wederzijds vertrouwen, een innige saamhorigheid. De gehoorzame christen die Gods wil boven alles liefheeft en zich aan zijn rechten wijdt, is met Hem nog slechts "één en dezelfde geest", zegt Sint Paulus. Hij voedt zich met God. Sint Vincentius a Paulo zeide dan ook: "God is een aanhoudende communie voor de ziel die zijn wil doet".

    Jezus sprak over de gehoorzaamheid een verwonderingwekkend woord en juist naar aanleiding van Onze Lieve Vrouwe: "Alwie de wil van mijn Vader doet, hij is mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder". "Hij is mijn moeder": "Hij ontvangt geestelijkerwijze het Woord door het geloof," verklaart de heilige Beda, "hij doet Het geboren worden, hij voedt Het in zijn eigen hart en in het hart van de naaste, door de beoefening van het goede". Dit is de grote taak van de christen: God doen geboren worden. Men kan enigszins de verdienste schatten van de ziel die leeft in de geest van gehoorzaamheid. Haar minste werken zijn heilig. Dan geen alledaags en onbeduidend leven meer; de gehoorzaamheid geeft voor God aan alles waarde. Daardoor was Maria’s zo nederig leven, zo glorievol voor God. Als de christen de wil van God volgt, is hij nooit meer alleen; hij kan dan met Jezus zeggen: "Mijn Vader, die Mij heeft gezonden, heeft Mij niet alleen gelaten, maar altijd met en in Mij blijvend, verricht Hij waarlijk al mijn werken".

    Het leven van Maria was een volmaakt en standvastig "ja" op de wil van God, een volledig "ja", dat haar geheel overgaf aan God; daarom kon de Vader door haar zijn groot mysterie voltrekken. Door de gehoorzaamheid ook brengt Maria óns er toe, onze roeping werkelijkheid te doen worden. Heeft Sint Paulus niet gezegd: "Dit is de wil van God, dat gij heilig zijt"?

    Zonder ophouden werkt de heilige Drieëenheid aan de verwezenlijking van die wil. Denk eens wat er gebeuren zou, als God door onze gesteltenis in staat was, volkomen het door Hem begeerde doel te bereiken. Wat een overvloed van genaden op de dag, dat onze gehoorzaamheid aan zijn liefde zou beantwoorden! En wat een vreugde voor Gods Moeder; dan immers kwamen de grote plannen van God tot uitvoering: de voltooiing van de volledige Christus, dat is van Christus’ mystiek Lichaam in de heiligen.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
    AAN GUSTAF TUNASON STURE.
    VIERDE BOEK, KAP. 34.

    De bruid van Christus zeide: Het is alsof ik mannen zie die touw draaiden. Sommigen maakten paarden gereed, anderen smeedden tangen, en weer anderen richtten galgen op. Toen ik deze dingen zag, verscheen mij een maagd die bedroefd scheen en treurende en mij vroeg, of ik dit begreep. En toen ik antwoordde, dat ik het niet begreep, zeide zij tot mij: “Al deze dingen, die gij ziet, verbeelden het geestelijk lijden, van iemand, die gij kent.

    De touwen dienen om het paard te binden, dat de ziel moet voortsleepen, de tangen om neus en oogen en ooren en lippen stuk te knijpen, de galg om aan te hangen.” Toen ik over dit alles bedroefd was, antwoordde de maagd mij voor de tweede maal: “Wees niet bedroefd, want nog is er tijd, zoodat hij, als hij wil, het touw kan stuk rukken, de paarden omver werpen, de tangen als was versmelten en de galg afbreken.

    En bovendien kan zijn hart zoo gaan gloeien van liefde voor God, dat al de zinnebeelden en strafwerktuigen hem tot de grootste eer zullen worden. Het touw, waarmee hij smadelijk gebonden zou worden, kan in een gouden gordel veranderd worden en in plaats van paarden, waardoor hij getrokken en door de straten gesleept zou worden, zullen engelen hem gezonden worden en hem voeren tot Gods aanschijn. In plaats van de tangen, waarmee hij smadelijk geknepen zou worden, zal aan zijn neus een goeden geur gegeven worden, aan den mond een goeden smaak, aan de oogen het schoonste gezicht en aan de ooren het heerlijkste gezang.”

    VERKLARING.
    Deze man van wien hier sprake is, was maarschalk. Hij kwam naar Rome met zooveel boetvaardigheid en ootmoed, dat hij blootshoofds naar vele Kerken ging, God biddend, en anderen verzoekend voor hem te bidden, dat hij niet naar zijn vaderland mocht terugkeeren, opdat hem niet gebeuren zou dat hij wellicht weer in zijn vroegere zonden herviel. God verhoorde dit gebed en die stem, zoodat hij stierf in Monte Fiascone, toen hij Rome verliet, en waarvan Onze Heer later zeide tot de H. Birgitta: “Zie dochter, wat mijn barmhartigheid deed en wat een goede wil doet. Deze ziel was in de klauwen des duivels, maar de goede wil ontrukte hem aan diens tanden, zoodat hij nu op weg is naar het hemelrijk en al het goede deelachtig wordt, wat in de heilige Kerk gedaan wordt.”
    Wordt  vervolgd.

    15-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN ALLEN EEN GEZEGENDE WOENSDAG TOEGEWENST.
    Con amor a nuestra amada Madre María!
    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Te Lourdes op de bergen
     

    Te Lourdes op de bergen

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Moeder van de Goddelijke Barmhartigheid.

    Sacramentele Groei

    Ook de sacramenten bewerken onze goddelijke groei. Ze zijn een wonderbaar middel ter heiliging en zelfs het gewóne middel waardoor God ons heiligt. Ze zijn de voornaamste levensbronnen, door Isaias aangekondigd: "Gij zult met vreugde de wateren putten uit de bronnen van de Zaligmaker", de bronnen van Calvarië, de wonden van Christus. Alle leven komt van zijn Bloed.

    Christus’ ménsheid is het, die ons door de sacramenten heiligt. "De onnaspeurbare rijkdommen van de Christus", zoals Sint Paulus zegt, worden daardoor ons deel. "Er ging van Hem een kracht uit die genas", meldt ons het Evangelie. Zó is het ook nú nog, als wij met vertrouwen tot Hem naderen. Als de vrouw van het Evangelie worden wij dan hetzelfde uitwerksel van zaligheid gewaar: "Iemand heeft Mij aangeraakt en Ik heb gevoeld, dat er een kracht van Mij is uitgegaan".

    Het christelijke leven is een sacramenteel leven. Uit een sacrament worden wij geboren, door een sacrament gevoed, door een sacrament genezen en ons leven wordt versterkt door een sacrament. Enkele er van merken ons met het Christuszegel. Zijn wij met Hem verenigd, dan is het door hun uitwerkselen, want het enige doel van alle sacramenten is de vereniging met Christus en het nauwer toehalen van de band van deze vereniging. Die sacramentele levensgroei ontdekt men slechts met een zekere verbazing; het is ook de groei van Christus in de zielen.
    "God, die gezegd heeft: Licht zal schijnen uit duisternis, Hij heeft licht ontstoken in uw harten." De ziel neemt toe in wasdom, vormt zich naar Christus’ beeld, en "komt" ten slotte "tot de volmaakte leeftijd van Christus".

    Dit groeien door de sacramenten wordt ons ook verleend door de tussenkomst van Maria. Zeer zeker, in hem die ze behoorlijk ontvangt, brengen de sacramenten dóór zichzelf hun uitwerkselen teweeg. Men moet hier volstrekt niet denken aan een ingrijpen tussen het sacramentele teken en het voortgebrachte uitwerksel. In die zin denken wij aan Maria’s bemiddeling niet.

    Maar vanwaar komen de sacramenten en het leven dat zij in de zielen voortbrengen? Uit de onuitputtelijke bron die Jezus met Maria op Calvarië deed ontspringen. De sacramenten zijn tekenen van Christus’ lijden, zij brengen ons de Calvarieberg-genade, en om het verdienen van die genade heeft Maria geleden.

    Vanwaar ook komen de vereiste gesteltenissen bij het ontvangen? Van Maria’s tussenkomst. De volledige genade-orde sluit ook de sacramentele genade in, en wijl Maria heeft meegewerkt aan het tot stand brengen van die orde, werkt zij ook mede aan de uitdeling van die genaden.

    Maria is Moeder, Moeder van Christus’ ledematen, Moeder van de Kerk en de taak van de moeder is het leven meedelen. Haar moederschap openbaart zich echter niet door uiterlijke tekenen; nooit ziet men Maria verschijnen om de sacramenten toe te dienen, of een van de middelen toe te passen, waarvan de bedienaren van de Kerk gebruik maken. De priesterlijke macht bezit Maria niet, maar het priesterschap, dat Jezus instelde en bezielde, steunt in zijn bediening op haar moederschap.

    Ook de Kerk is moeder, door de sacramenten geeft zij het leven. Hóger dan dat van de Kerk staat echter Maria’s moederschap. De Kerk is met God verenigd, opdat de uitverkorenen kinderen van God worden. Maar méér dan de Kerk is Maria, om Godskinderen voort te brengen, tot die goddelijke vereniging geroepen. Haar moederschap kent geen grenzen; het beantwoordt aan het vaderschap van God. God heeft Zich een Hem gelijkvormige hulpe gemaakt, die zijn wil, aangenomen kinderen, broeders van Jezus te vormen, ijverig te werk stelt. Hij heeft een moederschap geschapen, dat aan de werkingen van zijn vaderschap niet te kort doet.

    Ten slotte, waaróm de sacramenten? Om aan de ledematen van het mystieke Lichaam het leven mee te delen. Het doopsel lijft ons bij Christus in; de Eucharistie geeft ons zijn leven en bewerkt de eenheid van de mystieke Christus. Maar werkt Maria er niet aan mee? De functie van het moederschap is de opbouw van het leven en de vereniging van de ledematen die het lichaam moeten vormen. Maria is de bewerkster van de eenheid van Christus’ ledematen. In háár schoot hebben, in de persoon van Jezus, de Godheid en de mensheid zich verenigd; onder háár invloed komt ook de mystiéke Christus tot eenheid. Gaat het om vorming het leven betreffende, dan is het Maria die werkt; haar komen de innerlijke verrichtingen van het moederschap toe.

    Als de heilige Leo naar aanleiding van de Menswording over het doopsel en de sacramenten spreekt, verzekert hij, dat de tussenkomst van de Heilige Geest, die ze krachtdadig maakt, de uitbreiding is van Diens werking in de schoot van de Maagd. "Dezelfde kracht van de Allerhoogste, dezelfde werking van de Heilige Geest, die Maria de Verlosser deed baren, brengt in het herscheppende waterbad de gelovige voort". Zo waar is het, dat alles begon in de schoot van Maria en met haar medewerking.

    Wat zijn op stuk van zaken de sacramenten anders dan Christus’ mensheid, die zich ten dienste stelt voor onze heiliging? Die mensheid is Gods grote sacrament, "de levensstroom" waarvan de Apocalyps ons spreekt. Die mensheid nu heeft Maria ons gegeven. "Van háár, eerste oorsprong van Jezus’ bloed, van haar uit," zegt Bossuet, "begint zich uit te storten die heerlijke genadestroom, die door de sacramenten in onze aderen vloeit en de levensgeest brengt in heel het lichaam van de Kerk." Aan de bron van de sacramenten zetelt Maria. Zij passen op ons toe de kracht van het Bloed, dat Jezus van háár ontving.

    Deze waarheid geldt meer in het bijzonder de Eucharistie. Het Lichaam dat Zich in het sacrament omsluiert, is het Lichaam dat uit de maagd Maria werd geboren, zoals de liturgie telkens herhaalt. De Eucharistie mogen wij dan ook de grote gave van Maria noemen. "Mijn welbeminde broeders," zei Sint Petrus Damianus, "overweeg hier, ik bezweer het u, hoeveel wij aan de gelukzalige Moeder van God verschuldigd zijn, en hoe wij haar, ná God, voor een dergelijk grote weldaad moeten danken. Het Lichaam van Christus dat zij heeft gebaard en in haar schoot gedragen, dat zij in doeken gewikkeld heeft en, moederlijk liefkozend, met haar melk gevoed, is hetzelfde Lichaam, dat wij ontvangen aan de heilige Tafel; het is háár bloed dat wij in het sacrament onzer verlossing drinken..... Neen, geen menselijk woord is bij machte, háár, uit wie de Middelaar tussen God en mens zijn Vlees nam, naar waarde te prijzen. Welke eerbetuiging wij haar ook mogen brengen, nooit evenaart deze haar verdiensten, want in haar zuivere schoot heeft zij voor ons het onbevlekte Vlees bereid dat ons voedt."

    Dit voedsel wil Maria, als de beste van de moeders, ook géven. Haar wil is in de voltrekking van dit mysterie innig verenigd met die van de Vader en de Zoon, evenzeer als hij er mee verenigd was in het geheim van de Menswording en van de Verlossing. "De Eucharistie," zegt Sint Thomas, "is de voltooiing van de goddelijke gave: divinae donationis complementum."

    Toen deze gave haar aanvang had genomen, toen God de wereld zó had bemind, dat Hij zijn enige Zoon gegeven had, en die Zoon Zich zelf gaf en overleverde, schonk Maria te Bethlehem, in de Tempel, op Calvarië, óók uit liefde, die Zoon, haar hoogste Goed, aan ons. Is het dan niet passend, dat zij, bij de voltooiing van die grote gave, nu de Zoon ons als voedsel wordt geschonken, ook werkdadig er bij tegenwoordig is, en ook zij ons geeft die "voltooiing van de goddelijke gave", de eucharistische Spijze?

    Meer dan één heilige heeft geschreven, dat Jezus op Maria’s gebed de Eucharistie instelde. Zij waren van mening, dat Maria op het ogenblik van de Menswording, toen zij aan de goddelijke plannen haar goedkeuring schonk, al de consequenties van de Menswording aanvaardde. Zeker kende zij de Eucharistie, toen Jezus, tijdens zijn openbaar leven, het haar plechtig beloofde. Door haar innige deelname aan het kruismysterie werd Maria ook verbonden met zijn altijddurende voortzetting, het offer van het altaar, dat haar kinderen zou doen delen in de vrucht van het Bloed. Toen ook wilde Maria ons deelachtig-zijn aan het Levensbrood.

    Bekend is de bekering van pater Hermann. Maria verscheen hem en met hem sprekend zeide zij ook dit: "Kom het brood eten, dat ik met de maagdelijke wijn van mijn maagdelijk bloed heb gekneed, kom de wijn drinken die ik uit mijn zuiverste bloed heb geperst. Wilt gij de moeder kennen die gij bij voorkeur moet volgen, let dan op de vrucht, op het voedsel dat zij u geeft; beschouw de vrucht van mijn schoot". En terwijl zij hem de monstrans toonde: "Dit is mijn vrucht, de Eucharistie".

    Men moet echter tot de sacramenten naderen met de vereiste gesteltenissen. Ontmoet de genade geen tegenstand, dan zal zij rijk aan vruchten zijn en dit te meer, naarmate onze gesteltenissen volmaakter zijn. Ieder ontvangt bij de heilige Communie de gehele Christus; sommigen trekken er weinig voordeel uit, anderen echter, die beter gestemd zijn, worden met goddelijk leven als overstroomd.

    Hier is Maria’s tussenkomst allerkrachtdadigst. Door háár gebed verkrijgen wij de goede gesteltenissen voor het ontvangen van de sacramenten en, zoals overigens alle genaden, deelt zij ons die mee.
    Zij siert ons met de gesteldheid en de deugden die God zo gaarne in ons ziet; moeders zijn immers gewoon haar kinderen op te smukken, om ze beminnelijk te maken. In de Openbaringen van de heilige Gertrudis vinden wij een bekoorlijk verhaal van hetgeen Maria doet, om haar kinderen voor te bereiden tot het ontvangen van de sacramenten.

    "Gedurende de heilige Mis waaronder Gertrudis zou communiceren, zag zij Gods Moeder vervuld van de luister en de majesteit aller deugden, en nederig aan haar voeten knielend, bad zij de heilige Maagd haar te willen bereiden voor het ontvangen van het Lichaam van haar Zoon. Toen gaf de heilige Maagd haar een zeer mooi halssnoer met zeven afdelingen, naar het scheen. Aan elke afdeling was een steen van grote waarde bevestigd. En al die stenen stelden de buitengewone deugden voor die aan Onze Heer Jezus Christus in zijn heilige Moeder hadden behaagd. Toen de heilige Gertrudis met dit halssnoer voor haar God en Heer verscheen, was Deze zo verrukt over die deugden glans, dat Hij, als door liefde vervoerd, Zich tot haar overboog, haar op goddelijke wijze in Zichzelf trok, en haar, als in zijn binnenste opgesloten, met zijn reine en kuise liefkozingen vereerde."

    Als de heilige Gertrudis de deugden opsomt die Maria haar verwierf, noemt zij het eerst de nederigheid.
    Altijd moet men de Menswording indachtig blijven. Als uitgangspunt van het Christusmysterie neemt dit geheim in ons geestelijk leven een allervoornaamste plaats in: "De Menswording," zegt Bérule, "is een geheim, dat God met de mens, en de mens met God verbindt; en men moet zichzélf verenigen met dit mysterie..... het is van doeltreffende kracht, en men moet er de vruchten van plukken en de invloed van zijn werking ondergaan." Welnu: "De genade die aan de Menswording eigen is, is een genade van onthechting en kruisiging, een genade van zelfverzaking en vernietiging".

    Maria was geheel en al doorgeurd van die genade. Haar verheven geloof wierp in haar geest een schitterend licht op de goddelijke grootheid, en, bij terugstraling, op haar eigen "niet". "Weet ge, wie gij zijt en wie Ik ben?" zeide de Heer tot de heilige Catharina van Siëna. "Ik ben die ben en gij zijt die niet zijt."

    Niemand heeft deze waarheid beter begrepen en meer bemind dan Maria. Gód was alles: zij was niets. Dit wist Maria niet alleen, maar met heel haar ziel beminde zij die waarheid. Zij zag duidelijk in, dat zij slechts was, wat God wilde wat zij zijn zou, en die absolute afhankelijkheid had zij lief. In het licht dat haar bestraalde was haar "niet" voor haar een bron van welgevallen, en het kwam niet bij haar op, iets van haar zielerijkdom aan zich zelf toe te schrijven. Evenals haar wonderlijke zuiverheid haar beveiligde tegen elk zindelijk genot, zo behoedde de nederigheid haar voor elke geestelijke zelfvoldoening. Uit zichzelf is zij de arme vrouw, van zichzelf ontdaan, aan zichzelf onttrokken. Geheel aan God toebehorend, volmaakt naar God gericht, verwacht zij haar God. De schaduw van de Allerhoogste bedekt haar dan ook en zij ontvangt het Woord. "Virginitate placuit, humilitate concepit," zegt Sint Bernardus: "Zij behaagde aan God door de maagdelijkheid, zij ontving Hem door de nederigheid."

    Over de heilige Mis sprekend, zeide pater de Condren: "Bij deze handeling moeten wij ons vernietigen en louter ledematen van Jezus Christus zijn". Dit nu is de geest van onthechting, van losmaking van zichzelf, de geest van de Menswording. De sacramenten, de heilige Communie vooral, zullen ons met Christus omkleden, zoals Sint Paulus zegt, maar slechts dán, als wij ontdaan zijn van ons "ik". Verwacht gij God? Wilt gij aan God gelijkvormig worden? Ontdoe u van uzelf. Gaat gij niet tot de van alles beroofde Jezus? In de Hostie is Jezus in zijn goddelijke armoede. Alles is voor het oog verdwenen, niet slechts zijn Godheid, ook zijn mensheid. Het Woord zwijgt er. Het is Christus’ hoogste onthechting.

    Volg Maria na in háár onthechting, in háár nederigheid. De nederigheid wijst u tegenover God uw plaats. Zij is de grondslag van geheel onze verhouding tot God: "locus gratiae", zeggen de heiligen, de plaats waar God zijn genaden uitdeelt. Wat zouden de sacramenten uitwerken in een ziel, geheel met zichzelf bezig en niet overtuigd van haar eigen ellende? Bijna niets. "Want" zegt Sint Thomas, "de nederigheid is de gesteltenis, die de vrije nadering van de ziel tot de geestelijke en goddelijke goederen vergemakkelijkt."
      Wie worden bij het ontvangen van de sacramenten met God verenigd? De armen, de nederigen. Zij alleen. De maat voor de goddelijke gaven is de nederigheid.

      Oefenen wij ons door Maria in die losmaking van ons zelf, die ware nederigheid, die het hart verovert, ons onze afhankelijkheid doet liefhebben, en ons er toe dwingt als het ware, God te dienen, te beminnen, te verheerlijken, en die tenslotte slechts liefde is.

      De Eucharistie, aller sacramenten einddoel, is het sacrament van de eenheid en de liefde. Sint Paulus schreef aan de Corinthiërs: "Omdat het één Brood is, daarom zijn wij, hoe talrijk ook, één lichaam, want allen hebben wij deel aan het éne Brood".
      "Begrijpt het en verheugt u", voegt Sint Augustinus er aan toe. "Eenheid, godsvrucht, liefde. Eén brood. En wat is dat éne brood? Een enkel lichaam, gemaakt uit vele. Het brood immers ontstaat niet uit een enkele graankorrel, maar uit vele. Gedurende de duivelbezwering waart gij, in zekere zin, onder de molensteen. Bij het doopsel zijt gij als met water doorweekt. En het vuur gelijk, waardoor het deeg gebakken wordt, is de Heilige Geest in u gekomen. Weest wat gij ziet en ontvangt wat gij zijt.... Wat de kelk aangaat, er hangen veel druiven aan de tros, maar het kostbare vocht dat uit alle neerdruppelt, vloeit tot een eenheid samen."

      Het blijkt zonneklaar, dat de liefde tot het wezen van Christus’ mystiek Lichaam behoort. Denken wij hieraan, als wij tot het altaar naderen. De deelname aan het offer moet broederlijk zijn. Dwaling zou het zijn, te denken, dat de heilige Communie ons alléén aangaat en slechts een daad van persoonlijke godsvrucht is. Zonderen wij ons toch niet alléén met Jezus af; laten wij ook zijn ledematen niet vergeten. De heilige Communie zij allereerst een daad van het mystieke Lichaam. Communiceren met het Hóófd van dat Lichaam is tevens communiceren met de ledematen, want zij maken slechts één uit. "Hij die wil leven", zegt Sint Augustinus, "weet, waar hij het leven genieten, waar hij het putten zal. Hij nadere en gelove, hij lijve zich bij Christus in, dáár zal hij het leven vinden. Maar de vereniging met Christus’ ledematen mag hem geen afkeer inboezemen." Men ziet nu wel in, hoe absoluut noodzakelijk de eenheid en de broederlijke liefde is. "Als gij het altaar nadert en vreest, dat uw broeder iets tegen u heeft, ga u eerst met uw broeder verzoenen, en kom dan uw offer opdragen." Maar hebt gij "ingewanden van liefde," zoals de Apostel zegt, is uw hart vol van vergiffenis en welwillendheid, kom dan en open uw ziel; God zal ze verzadigen met zijn leven en gij zult Jezus zijn verwonderingwekkend woord horen herhalen: "Heilige Vader, dat zij allen samen één zijn, zoals Gij, mijn Vader, in Mij zijt en Ik in U, opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt".

      God is in wezen mededeelzaam. Is de zaligheid van de Vader en de Zoon niet besloten in die zelfstandige Liefde, die uit hun wederzijdse genegenheid voortspruit, en elkanders Gave is? Wonderbaar mysterie, óók aan de schepselen geeft God Zich. De Vader geeft ons zijn Zoon; Beiden geven ons de Heilige Geest, die, zoals de liturgie zegt, de Gave van de Allerhoogste aan de mensen is.

      Het leven is dan ook een communie. Het is communie in God: de Vader geeft Zich eeuwig aan het Woord, die geheel de goddelijke natuur in gemeenschap ontvangt, terwijl de Ademtocht van oneindige liefde door de Vader en het Woord tesamen wordt uitgeademd.

      Communie is het leven in het mysterie van de Menswording. De mensheid van Christus is opgenomen in de Persoon van het Woord, vanaf het eerste ogenblik van haar bestaan in Maria’s schoot. De Godheid heeft de mensheid aangenomen en in een algehele vervoering heeft zij zich zelf weggeschonken. Tussen de Godheid en de mensheid was een eeuwige communie begonnen.

      Dit, zou men kunnen zeggen, is ook de communie van Maria. Als Gods schaduw haar overdekt, ontvangt zij Jezus in zijn Godheid en zijn mensheid. En met welk een verrukking geeft zij geheel zichzelf, om God vol liefde te ontvangen. Zij antwoordt met een volledig ja: "ecce ancilla". Zó leert zij ons, hoe wij God moeten ontvangen.

      God wil Zich dus mededelen. Maar, in het goddelijke plan van de Menswording vindt men God slechts door Maria, door háár is men slechts deelgenoot van het leven. Door háár konden de herders en de Wijzen worden toegelaten tot de kribbe van het Godkind en Het beschouwen met de ogen van het lichaam. Willen wij Het beschouwen met de ogen van de ziel en ons met Hem verenigen, dan moet dit nog te méér geschieden door Maria. God geeft Zich door Maria. Gods gave aan de mensen, Christus Jezus, bron van ons leven, is ook Maria’s gave.

      De apostolische geloofsbelijdenis zegt ons, dat Jezus ontvangen is van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria. Wat waar was vanaf het begin, zal dit blijven tot het einde van de tijden: overal waar Jezus door de genáde wordt geboren, wordt Hij door de Heilige Geest en uit de maagd Maria geboren. De Menswording heeft haar de macht gegeven de Christus mee te delen. Telkens als zij een ziel nadert, geeft zij deze deel aan haar Zoon.

      Aan Jezus’ wil, zijn leven mee te delen aan zijn ledematen, moet in ons het verlangen beantwoorden, Hem te ontvangen. Het verlangen, God te smaken, is een genade, komende van háár, die onmiddellijk na de ontvangenis van Jezus haastig oprees, om Hem naar de Doper te dragen. Zij wekt in onze harten de Godshonger, in het bijzonder de honger naar de Eucharistie, naar het bezit van haar Zoon. Niet altijd een diep doorvoeld verlangen, zoals enige heiligen ondervonden, maar een gééstelijk verzuchten, een sterke wilsdrang naar het geestelijke voedsel, dat de band van onze vereniging met God nauwer toehaalt, onze krachten herstelt, onze hartstochten breidelt.

      Dit verlangen naar God is zo weldadig. Het is de allerbeste voorbereiding tot het ontvangen van de sacramenten. Aan allen die Hem roepen, gééft God Zich. "Indien iemand dorst heeft," zeide Jezus, "hij kome tot Mij en drinke." En tot de heilige zuster Mechtildis sprak Hij: "De bijen werpen zich niet zo gretig op de bloemen, om er de honing uit te puren, als Ik Mij naar uw ziel heenspoed, wanneer deze begeert Mij te ontvangen".

      Bij het ontvangen van de sacramenten deelt de genade zich aan de ziel mede naar de kracht van haar verlangens. Verwacht men in nederigheid meer, dan ontvangt men ook meer. Want het uit nederigheid geboren verlangen verwijdert de beletselen; het opent de deur van de ziel, waarvoor het verrukkelijke woord van de Apocalyps werkelijkheid wordt: "Zie, Ik sta aan de deur en klop; zo iemand mijn stem hoort en de deur opent, dan zal Ik bij hem binnentreden, Ik zal maaltijd met hem houden en hij met Mij".

      De dagelijkse aansporing van de Kerk in de canon van de heilige Mis luidt: In gemeenschap verenigd, vieren wij allereerst de gedachtenis van de zalige Maagd Maria.
      Wat zoeken wij bij het altaar?
      De Emmanuel. Hij die Zich gewaardigd heeft "God met ons" te worden, wiens werkelijke tegenwoordigheid de kracht van ons leven is, "de bron van de levende wateren", volgens het Schriftwoord. Maar danken wij die werkelijke tegenwoordigheid van de Emmanuel niet aan zijn Moeder Maria, wier nederigheid en zuiverheid Hem aanlokten? Wie anders verleent ons toegang tot Hem, dan zij, wier taak het is, aan de wereld de Christus aan te bieden, zij, die Hem mededeelde aan Joannes de Doper, aan de herders, aan de Wijzen, aan Simeon? Zij is het, die Jezus geeft.

      Méér nog gaan wij op naar het altaar, om aan het offer deel te nemen. "Wij worden geheiligd door het offer dat Jezus Christus eens en voor altijd heeft gebracht". Alle genaden, alle heiligheid komen van het kruis en dus van de heilige Mis, de voortduring van het kruisoffer. Het altaar is de Calvarieberg; dezelfde offerande wordt er opgedragen, hetzelfde Slachtoffer wordt er door dezelfde Hogepriester de Hemelse Vader aangeboden. Wie zal ons doen binnentreden in die offerhandeling, die ons Christus geeft in de volheid van zijn mysteriën? Wie anders dan Maria! Komen van haar niet priester en slachtoffer?

      In Maria’s schoot heeft Christus’ mensheid de zalving van de Heilige Geest ontvangen, die priesterlijke zalving, die zich "als een vreugdeolie" over Jezus uitgoot, een zalving die Hem onze "Hogepriester voor immer" doet zijn.

       "De Heilige Geest zal over u komen," zeide de Engel tot Maria, "en die uit u zal geboren worden zal de Heilige zijn." En Maria sprak: "Het geschiede volgens uw woord," "Fiat"; en dit was het teken voor de zalving en wijding van de eeuwige Priester.

      Óók het Slachtoffer geeft zij. De Verlosser wilde zij ter wereld brengen, Hém die ons moest vrijmaken van onze zonden. In háár schoot begon dit Slachtoffer Zich op te dragen. Sint Paulus verzekert ons, dat de eerste woorden, die Hij aanstonds na zijn Menswording sprak, déze waren: "Gij hebt mij een lichaam gegeven, o Vader, om Mij aan U op te dragen, want die ongenoegzame offeranden konden U niet meer behagen: Zie, hier ben Ik; ecce venio". Het "Consummatum est" van het kruis is slechts de voltooiing van het "Ecce Venio" in de schoot van zijn Moeder. En Maria wist, dat zij de Moeder van het Slachtoffer was.

      Gedurende heel haar leven bood zij dit Slachtoffer aan. Op Calvarië vooral; daar vertegenwoordigde zij de Kerk. De heilige Mis is de voortzetting van Calvarië, en daarom is Maria ook hier van het goddelijke Slachtoffer niet te scheiden. Zij gaat voort, ons de Hogepriester en de Hostie te geven. Moeten wij niet denken aan Maria, als wij mogen nuttigen het Lichaam dat Zich slachtoffert op het altaar, het Bloed dat ons vrijkoopt. Dat Lichaam is in háár gevormd, dat Bloed heeft zij haar Zoon gegeven. Door háár is het Woord ons voedsel geworden.

      De heilige Augustinus gaf hiervan aan zijn gelovigen een voortreffelijke verklaring. Het Woord, Gods gedachte, leven en licht, is het voedsel van Gods kinderen. Het is dit voor de engelen en de uitverkorenen in de hemel. Het wil dit ook op aarde zijn. Maar voor óns is het een te krachtig brood; wij zijn nog slechts kinderen. Wie zal uit de spijze van de uitverkorenen het voedsel voor de kleinen gereed maken? Maria! Als moeder vervult zij dan haar eigen taak. Het voedsel van het Woord moest de geschiktheid verkrijgen om door kindertjes te kunnen worden genuttigd en die krachtspijze moest voor ons, kinderen die wij zijn, in melk veranderen. Deze nu geeft zij ons in het heilige Altaarsacrament. Zingt de liturgie niet: "De mens heeft het engelenbrood gegeten"? Daarom past ook de Kerk deze woorden van de Wijsheid op Maria toe: "Kom, eet mijn brood, drink de wijn die ik u heb gemengd".

      De heilige Joannes Damascenus noemde Maria "de priesterlijke maagd". Wij begrijpen waarom. Niet, dat zij het sacramentele priesterlijke merkteken heeft ontvangen. Haar Zoon trouwens ook niet. Maar haar moederschap heeft in haar een heilig stempel gedrukt. Zij bezat de verlossersgeest van haar Zoon, die op uitnemende wijze de geest van het priesterschap is. Zij kan over het brood niet de sacramentele woorden spreken. Maar uit eigen naam sprak zij dat "Fiat" van onmetelijke draagwijdte, dat Jezus aan de wereld schonk. Van Godswege deelt zij het goddelijke leven uit. Als middelares is zij méér dan een priester: zij is Moeder van de allerhoogste Priester én Moeder van het Slachtoffer.

      De heilige Mis is de verhevenste handeling van de Kerk, het is de essentiële daad van het Lichaam van Christus. Maria is er bij tegenwoordig, om zich met de Kerk te verenigen en de vruchten uit te reiken van Christus’ Bloed.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.

    BOETE VOOR NICOLAUS ACCIAJUOLI.
    VIERDE BOEK, KAP. 8.

    Daarop sprak de engel en zeide: “Die ziel wier toestand gij zaagt en wier vonnis gij hoordet, ondergaat de zwaarste pijnen van het vagevuur, omdat zij niet weet, of zij na de loutering tot rust zal komen, of dat zij verdoemd zal zijn. En dit is volgens Gods rechtvaardigheid, want hij had veel kennis en verstand, terwijl hij op aarde leefde, maar hij gebruikte het tot lichamelijk welzijn volgens de wereld en niet tot het geestelijk welzijn der ziel.

    Omdat hij God zoo vaak vergat, terwijl hij leefde, daarom staat nu zijn ziel hitte uit in het vuur en rilt zij in de koude; de ziel is blind door het duister, en bang voor het vreeselijk aanschijn des duivels, doof door het geschreeuw des duivels, inwendig hongerig en dorstig en uitwendig met schande bekleed. Toch gaf God de ziel een genade na den dood, een genade die daarin bestond, dat zij niet door de duivels zou aangeraakt worden.

    Want hij vergaf en verontschuldige zijn hevigste vijanden alleen ter wille van God en stichtte vriendschap met zijn doodvijand en grootsten tegenstander. En weet ook, dat naast het goed dat hij deed en beloofde en wegschonk van zijn rechtmatig verkregen eigendommen, ook de gebeden van Gods vrienden zijn kwellingen zullen verminderen en verzachten, zooals bepaald is in Gods rechtvaardigheid. Maar andere geschenken, die hij gaf, van oneerlijk verkregen goed, komen tot geestelijk voordeel van hen, die ze vroeger rechtmatig bezaten, indien zij het volgens Gods besluit waard zijn.”

    Verder sprak de engel: “Gij hoordet te voren, dat deze door de gebeden van Gods vrienden een vruchtbaar berouw kreeg over zijn zonden kort voor zijn dood, en dat berouw bewaarde hem voor de hel. Daardoor veroordeelde Gods rechtvaardigheid hem na den dood tot het branden in het vagevuur zes maal zoo lang als hij geleefd heeft van het oogenblick, dat hij voor het eerst met vol bewustzijn en vrijen wil een doodzonde begin, totdat hij vruchtbaar berouw kreeg uit liefde voor God, indien hij geen hulp krijgt van Gods vrienden in de wereld. De eerste maal, omdat hij God niet liefhad terwille van den dood van Zijn hoogheilig lichaam, en ter wille van Zijn veelvoudige pijnen en droefheid, die Christus zelf uitstond tot geen ander doel dan tot de redding der zielen. De tweede maal, omdat hij zijn ziel niet liefhad als een Christen en God niet dankte voor zijn doopsel en omdat hij God niet dankte dat hij geen jood of heiden was.

    De derde maal, omdat hij wist, wat God hem beval te doen, maar onwillig was om het te volbrengen. De vierde maal, omdat hij wist wat God verbiedt aan hen die in den hemel willen komen, en daar stoutmoedig tegen in handelde, aldus luisterend niet naar het verwijt of de wroeging van zijn geweten, maar naar de begeerte en den wil van zijn lichaam. De vijfde maal, omdat hij de genade niet benuttigde, die hem gegeven was, en niet biechtte zooals hij behoorde te doen, toen hem zooveel tijd vergund werd. De zesde maal, omdat hij het lichaam des Heeren weinig liefhad en het niet ijverig wilde nuttigen, want hij wilde de zonde niet nalaten, en hij had geen begeerte om het lichaam des Heeren te nuttigen voor op het einde van zijn leven.”

    Daarop verscheen iemand, die van zeer voornamen stand scheen; zijn kleederen waren wit en schitterend als de albe van de priesters, hij droeg een linnen gordelband om de lendenen en een roode stool om den hals en onder de armen, en hij begon zijn woorden op de volgende wijze: “Gij, die dit ziet, let op en bemerk en herinner u wat gij ziet en de dingen die u gezegd worden. Voorzeker, gij die in de wereld leeft, kunt niet, als wij die met Hem zijn, Gods wil en bestiering over het geheel der tijden inzien. Want de dingen die voor God aanwezig zijn in een oogenblik, kunnen door u niet begrepen worden, zij moeten in woorden omgezet, of als gelijkenissen voorgesteld worden. Ik ben een van hen, aan wie de man, die nu tot het vagevuur veroordeeld is, zijn geschenken uitdeelde terwijl hij leefde.

    Daarom gaf God mij door Zijn genade, dat de ziel, indien men doet wat ik zeg, naar en hoogere plaats vervoerd zal worden, waar zij haar ware gestalte krijgt. Daar is de kwelling dan gelijk aan die van een zieke, die machteloos ter neer gelegen heeft en als de pijnen verdwenen zijn er zich over verheugt dat hij zal blijven leven. Want zooals gij zijn ziel vijfmaal Wee hebt hooren roepen, roep ik hem vijfmaal iets toe wat hem verheugen zal. Het eerste Wee was, dat hij God weinig lief had.

    En opdat hij van dat Wee gered worde, moeten dertig kelken voor zijn ziel gegeven worden, waarin Gods bloed geofferd moet worden en God zelf verherrlijkt. Het tweede Wee was, dat hij God niet vreesde. Opdat dit geboet worde, moeten dertig godvruchtige priesters ieder afzonderlijk dertig missen lezen, wanneer zij willen, neger ter eere van de martelaars, neger ter eere van de belijders, negen ter eere van alle heiligen en een ter eere van de engelen, een ter eere der maagd Maria en een ter eere der Heilige Drievuldigheid.

    En allen moeten ijverig voor zijn ziel bidden, opdat Gods gramschap bedaart en Zijn rechtvaardigheid tot erbarming geneigd worde. Het derde Wee was voor zijn hoogmoed en gierigheid. Opdat dit uitgeboet worde, geve men dertig armen, wier voeten met ootmoed gewasschen zijn, voedsel, geld en kleederen, zoodat zij zich verheugen kunnen. En laten zij die wasschen, zoowel als die gewasschen worden, God in ootmoed bidden, dat Hij ter wille van Zijn eigen ootmoed en bittere pijnen de ziel den hoogmoed vergeve en de hebzucht, die haar aankleeft. Het vierde Wee was voor zijn losbandig leven.

    Daarom, indien iemand een maagd of een weduwe in het klooster en een ander maagd in het huwelijk deed treden en daarbij zorgde voor haar voeding en kleeding, dan vergaf God zijn ziel de zonden, die zijn lichaam bedreven heeft. Dit zijn immers de drie levensstaten die God instelde en die Hij in de Wereld wenschte te zien voortleven. Het vijfde Wee was, omdat hij vele zonden beging die anderen tot ergernis waren, daar hij veel moeite aanwendde, opdat beide bovengenoemden, die zeer na aan elkander verwant waren, samen in het huwelijk traden. En deze verbintenis bewerkstelligde hij meer ter wille van zich zelf dan van het rijk en zonder de vergunning van den paus, tegen de bepaling der heilige Kerk in.

    En voor dergelijke handelingen hebben velen zich laten martelen, opdat zoo iets niet geduld zou worden noch toegelaten tegen God en de heilige Kerk en de christelijke gebruiken in. Indien daarom iemand, die deze zonde zou willen uitboeten, naar den paus ging en zeide: Zeker iemand deed zulk een zonde, en hoewel hij berouw had en de absolutie kreeg, toch stierf hij voordat de zonde was uitgeboet; leg mij daarvoor de boete op welke gij wilt en ik zal die volbrengen, want ik ben gereed de zonde voor hem goed te maken en indien hem dan geen grooter boete werd opgelegd dan één Pater Noster, toch zou het de kwellingen der ziel in het vagevuur helpen verminderen.”

    Wordt  vervolgd.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE BIJBEL ZEGT...

    De Bijbel zegt, dat je alles mag vragen en dat je alles zult krijgen, maar wij vragen en krijgen lang niet alles wat wij willen. Wat mankeert er aan ons bidden? Wat is bidden en hoe moeten wij bidden? Jacobus schrijft: "Gij hebt niets, omdat gij niet bidt. Of, gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt..." (Jacobus 4:2,3) Aan welke voorwaarden moet je gebed voldoen om gebedsverhoring te krijgen?

    Laat de Bijbel zien, hoe je moet bidden? Zoals de leerlingen van Johannes de Doper aan hun leraar vroegen hoe zij moesten bidden, zo vroegen ook de leerlingen van de Here Jezus dit aan Hem. Wij stellen dezelfde vraag en kijken naar wat de Bijbel over het gebed zegt.
     

    Wat is bidden?

    Het Hebreeuwse woord voor gebed is tefilla. Het is afgeleid van een stam die "rechtspreken", "strijden" betekent. In de wederkerige vorm betekent het "met jezelf strijden" en "rekening en verantwoording afleggen van wat er in godsdienstig opzicht in je omgaat." Wie dit weet, begrijpt de volgende woorden van de apostel Paulus veel beter: "Maar, broeders, ik vermaan u bij onze Here Jezus Christus en bij de liefde des Geestes, om samen met mij te worstelen in den gebede voor mij tot God." (Romeinen 15:30) en "Epafras laat u groeten, die een der uwen is, een dienstknecht van Christus Jezus, altijd in zijn gebeden voor u worstelende, dat gij moogt staan, volmaakt en verzekerd bij alles wat God wil." (Colossenzen 4:12)

    Bidden is dus veel meer dan alleen maar een aantal vragen bij God neerleggen. Het is ook veel meer dan een verzoek om hulp. Bidden is het strijdtoneel betreden. Bidden is een gevecht; geen gevecht met God, maar een gevecht met jezelf. Bidden is vragen, smeken, pleiten, bij God in beroep gaan. Bidden is in gesprek gaan met God. Bidden is praten met God. Bidden is ook God eren, loven en prijzen voor wie Hij is en voor wat Hij doet of gedaan heeft. Bidden is God danken voor zegeningen die Hij jou geschonken heeft. In het gebed zoals de Bijbel ons leert bidden, kom je niet alleen met je vreugde en je verdriet, maar spreek je ook je Godsvertrouwen uit! Hoewel het lijkt of wij bij het bidden alleen spreken tegen God en hoewel velen op die manier bidden, is echt bidden in feite een gesprek met God aangaan, waarbij God door Zijn Heilige Geest via de Bijbel en via het gebed zelf weer tot ons kan spreken.

    In het gebed beleven wij, dat wij een relatie hebben met God. Wij beleven in het gebed ook de relatie met medegelovigen. Wij bidden immers niet alleen. Zij bidden ook! En het mooiste is, als wij allen dezelfde gebeden tot God opzenden! Terwijl het geloof zelf in feite geen zaak van ons gevoel maar juist van ons verstand is (waarbij ons hart en ons verstand samen belijden, wie Hij is en dat wij van Hem zijn), gaan wij in het gebed juist het contact met God voelen. Hier mag je iets beleven. Hier word je opgetild uit en boven het aardse en het dagelijkse en treed je in een ontmoeting met de heilige God. Door het gebed treed je als het ware Gods wereld binnen! In die ontmoeting spreek je tot Hem en spreekt Hij tot jou. Zo praat je dus met God en luister je naar God. Hij heeft (gelukkig!) ons ook iets te zeggen. Ja, Hij heeft ons heel veel te zeggen. De vraag is, wie in ons gebed het meest te zeggen heeft: God of wij. De vraag is, wat een goed gebed is; een gebed waarin God het meest zegt, of een gebed waarin de bidder het meest zegt. Het gebed zoals de Bijbel het ons leert, de tefilla, is een gebed, waarin in de eerste plaats God aan het woord is!

    Een mooi voorbeeld van het spreken van God in en door het gebed hebben wij bijvoorbeeld in Psalm 25, waarvan wij de eerste verzen citeren. "Van David. Tot U, HERE, hef ik mijn ziel op; mijn God, op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden, laten mijn vijanden niet over mij juichen. Ja, allen die U verwachten, worden niet beschaamd, beschaamd worden wie trouweloos handelen zonder oorzaak. HERE, maak mij uw wegen bekend, leer mij uw paden, leid mij in uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils, U verwacht ik de ganse dag." (Psalm 25:1-5) In dit gebed stelt David vragen aan God, maar belijdt hij ook zijn geloof, dat "allen die God verwachten, niet beschaamd worden." Door dit zelf te zeggen, laat hij God tegen zich spreken. Hij luistert naar wat hij zelf bidt en hoort daardoor ook God tot zich spreken. Zo wordt bidden zowel spreken als luisteren.

    In Psalm 91:14,15 belijdt de bidder, dat God bij de bidder in diens benauwdheid bij hem zal zijn en hem tot ere zal brengen. Door dit in het gebed uit te spreken, kun je Gods spreken ook weer vernemen. In Jesaja 58:9 zegt God, dat Hij tegen de bidder zal zeggen: "Hier ben Ik." God zal dus bij de bidder zijn. Dat mag de bidder belijden. Dit is in overeenstemming met de prachtige belofte uit Psalm 23:4 die wij David horen bidden: "Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij." Er is geen belofte, dat God het duistere dal van je zal af nemen. Wel, dat Hij in het duistere dal bij je zal zijn. Dat alles mag in het gebed beleden worden. Zo wil God door Zijn eigen woorden, die wij belijden, tot ons spreken als wij bidden!

    Wij komen verschillende beschrijvingen van het gebed in de Bijbel tegen.
     

    Bidden is je stellen voor Gods aangezicht.

    In het gebed doen wij hetzelfde als de offeraar in de tabernakel en de tempel deed: wij staan voor Gods heiligdom en voor Zijn aangezicht. "Daarna vergaderde Jozua alle stammen van Israël te Sichem. Hij ontbood de oudsten van Israël, zijn oversten, zijn rechters en zijn opzieners, en zij stelden zich voor het aangezicht Gods." (Jozua 24:1) Zij verzamelden zich bij de tabernakel en waren met hun gezichten en harten gericht op de ark des verbonds, ook al konden zij die niet zien. Zo kwamen zij God raadplegen. Bidden wil dus zeggen, dat je voor Gods aangezicht gaat staan. Verwacht wordt, dat de bidder staat.
     

    Bidden is je ziel brengen in de nabijheid van God.

    De Bijbel spreekt over het opheffen van je ziel tot de Here (Psalm 25:1). Dit betekent, dat je je ziel bij Hem brengt. Je wilt niet slechts een oppervlakkig contact met God, maar je zoekt zielsverbondenheid met Hem. Zoals in het Heilige het offer vanaf het reukofferaltaar voor Gods aangezicht - voor de voorhang naar het Heilige der Heiligen - omhoog steeg, zo stijgen onze gebeden op naar de troon van God. Zo naderen wij de genadetroon, dat is de ark des verbonds, die achter de voorhang is. Namens het volk bracht de priester de gebeden van het volk voor Gods aangezicht. Hij deed dit op grond van het offer dat in de voorhof gebracht was en dus op grond van het bloed van dat offer. Hierbij zijn wij als christenen ons bewust, dat wij alleen door de Here Jezus, door Zijn offer en Zijn bloed hier kunnen staan en onze gebeden kunnen offeren. Wij geven als voorbeeld het eerste vers van Psalm 25. "Van David. Tot U, HERE, hef ik mijn ziel op." (Psalm 25:1; zie ook Psalm 86:4; 141:2; 143:8; Lucas 1:10; Hebreeën 4:16; 10:19; Openbaring 5:8 en 8:3)
     

    Bidden is roepen tot God en je hart voor Hem uitstorten.

    Wij komen het tegen als het te hulp roepen van God. Dit gebeurt als er nood in ons leven is en wij de hulp van de almachtige God nodig hebben.

    Toen Hanna in de voorhof van de tempel te Silo aan het bidden was, zei zij tegen Eli, dat zij haar hart voor de Here uitgestort had. Bidden is dus je ziel openleggen voor Gods aangezicht en je hart voor hem uitstorten. Je "laat het achterste van je tong" aan de Here zien. Je houdt niets voor Hem verborgen. Je bent je bewust, dat Hij alles weet, daarom kun je Hem ook alles vertellen. Zie 1 Samuel 1:15 en Psalm 62:9.
     

    Bidden is het aanroepen van God.

    Bij dit aspect krijgt het gebed het karakter van een "eredienst" voor God. Het is als het ware een "minikerkdienst", waarin alleen God en de bidder aanwezig zijn. Dit woord wijst erop, dat zoals wij in een samenkomst ter ere van God bijeengekomen zijn om Hem onze hulde, eer en aanbidding te brengen, wij dit in ons persoonlijk gebed ook behoren te doen.

    Genesis 4:26 vertelt, dat de mensen al in een ver verleden begrepen hadden, dat zij God moesten eren, door Zijn Naam aan te roepen. Van Abraham lezen wij, dat als hij een altaar gebouwd had, hij bij dat altaar de Naam des HEREN aanriep. "Toen brak hij vandaar op naar het gebergte ten oosten van Betel, en hij spande zijn tent, met Betel tegen het westen en Ai tegen het oosten, en hij bouwde daar een altaar voor de HERE en riep de naam des HEREN aan." (Genesis 12:8) Toen er eenmaal een tabernakel en later een tempel was, waren dit de plaatsen waar de mensen bijeenkwamen om God aan te roepen, dat wil zeggen om Hem te eren en Hem hun hulde te brengen, Hem te loven en te prijzen. "De beker der verlossing zal ik opheffen, ik zal de Naam des HEREN aanroepen... Ik zal U lofoffer brengen en de Naam des HEREN aanroepen." (Psalm 116:13,17) Het moet duidelijk zijn, dat bij dit hulde brengen het fundament niet dient te liggen bij ons hart, maar bij God Zelf. Het gaat niet slechts om onze dankbaarheid, maar juist om Gods heerlijkheid.

    Bidden is het loven van God. Het is een lofprijzing en een huldebetuiging. Ook nu valt er niets voor onszelf of voor anderen te vragen. Het gaat om de grootheid van God, die wij onder woorden brengen in ons gebed. Het gaat om het eren en verheerlijken van God en Zijn Naam. Het gaat om het roemen en prijzen van de grootheid van de Koning van het ganse heelal.

    Zulke gebeden worden ook in het boek Openbaring genoemd: "Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom en de wijsheid en de sterkte en de eer en de heerlijkheid en de lof." (Openbaring 5:11,12) en "Amen, de lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de macht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheden. Amen." (Openbaring 7:12)

    Tot Wie bidden wij?
     

    Wij bidden tot God.

    Wij bidden tot God de Schepper van hemel en aarde, de Koning van het ganse heelal, de Koning der koningen en de Here der heren. Hoewel wij ook bij de schepping behoren en dankbaar zijn dat wij leven, gaat het hier in het bijzonder om de openbaring van Gods heerlijkheid. God wordt gehuldigd om Wie Hij is en om wat Hij gedaan heeft.

    Wij bidden tot God onze hemelse Vader. Nu gaat het om Wie God door de Here Jezus voor ons is en om wat God in de Here Jezus voor ons gedaan heeft, onze redding, ons behoud. Ons gebed is nu gericht op het Vaderhart van God. Zie 2 Corinthe 1:3; Ephese 1:3; 3:14; Colossenzen 1:3.

    Het lijkt alsof er een tegenstelling is tussen het bidden tot God als Koning en het bidden tot God als onze hemelse Vader. Wij moeten het echter niet zien als een tegenstelling maar als een mooie aanvulling. Hierin mogen wij iets beleven van de Joodse geloofsbelijdenis, namelijk dat de HERE één is. Ook al openbaart Hij Zich aan ons zowel als Koning als ook als Vader, het is een en dezelfde God, die tot ons spreekt en die naar ons luistert!

    Als wij tot God bidden als de Koning van het heelal, realiseren wij ons Zijn huiveringwekkende grootheid, Zijn macht en majesteit. Hij is onvoorstelbaar hoog boven de mensen verheven. Toen David zichzelf vergeleek met Saul, de koning, noemde hij zichzelf al een dode hond en een vlo (1 Samuel 24:14; vgl. 26:20). Als David zijn nietigheid en kleinheid tegenover koning Saul op een dergelijke manier toonde, hoe nietig en klein zijn wij dan tegenover de Almachtige! In de Psalmen wordt dit als volgt onder woorden gebracht: "De HERE is nabij de gebrokenen van hart en Hij verlost de verslagenen van geest." (Psalm 34:19) "De offeranden Gods zijn een verbroken geest; een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God." (Psalm 51:19)

    Wij als christenen vergeten nogal eens, dat wij bidden tot de Koning der koningen. Wij maken God onze problemen bekend en vragen Hem dan ze voor ons op te lossen. Vaak zeggen wij er ook nog bij, op welke wijze Hij ze moet oplossen. Daarmee veranderen wij onze verhouding tot God. Wij zien nog wel de Koning-knecht relatie, maar net andersom. Wij zijn de koning geworden en God is de Knecht geworden, die onze opdrachten moet uitvoeren. Het moet u duidelijk zijn, dat dit niet de bedoeling van God en van het gebed is. Natuurlijk moeten wij weten, dat wij onze zorgen en bekommernis op de Heer moeten werpen, want Hij zorgt voor ons (1 Petrus 5:7). Wij moeten Hem echter niet degraderen tot onze Knecht, die voor ons moet werken en onze problemen moet oplossen!

    Als wij tot God bidden als onze Vader in de hemel, realiseren wij ons de vertrouwelijke omgang die wij met Hem mogen hebben. "Des HEREN vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen." (Psalm 25:14) Duidelijk blijkt, dat de vertrouwelijke omgang weer geldt voor hen, die de Here vrezen! In de vertrouwelijke omgang komen wij met al onze moeiten, zorgen en verdriet tot onze hemelse Vader. God heeft belangstelling voor onze kleine mensen zorgen en verdriet. Hij is altijd dichtbij ons!

    Als wij tot God bidden als onze Vader, mogen wij ons bewust zijn, dat Hij ook als een vader voor ons zorgt. Hij is bij ons. Hij legt Zijn hand op onze schouders. Hij draagt ons door gevaarlijke plaatsen. Hij verzekert ons, dat Hij ons beschermt en dat wij absoluut veilig zijn bij Hem.

    Velen op aarde hebben geen Vader in de hemel. Zij aanvaarden niet dat God de Schepper is en kennen Hem niet als hun hemelse Vader. Wat zijn zij onvoorstelbaar arm. Zij leven in een harde wereld en hebben geen Vader. Zij gaan door diepe dalen en hebben geen Vader. Zij hebben moeiten en verdriet en missen de Vader. Zij leven temidden van zorgen en spanningen, van teleurstelling en ellende en hebben geen Vader. Zij leven in feite als wezen op aarde.
     

    Wij bidden tot de Here Jezus.

    Hoewel wij in de Bijbel het meest lezen over het bidden tot God de Vader, lezen wij een aantal keren toch ook over gebeden tot de Here Jezus. Hij is zó één met God de Vader, dat wij ook tot Hem bidden. Wij doen dit op dezelfde manier als bij God de Vader. Wij brengen Hem onze hulde en storten ons hart ook voor Hem uit. Christenen heten in de Bijbel niet voor niets "mensen die de Naam van de Here Jezus aanroepen". Wij zien dit bijvoorbeeld bij de dood van Stefanus: "En zij stenigden Stefanus, die de Here aanriep, zeggende: Here Jezus, ontvang mijn geest. En op de knieën vallende, riep hij met luider stem: Here, reken hun deze zonde niet toe! En met deze woorden ontsliep hij." (Handelingen 7:59,60. Zie ook 1 Corinthe 1:2; 2 Timotheus 2:22 en Openbaring 5:13)

    Hebt u er weleens over nagedacht, toen de discipelen aan de Here Jezus vroegen of Hij hen wilde leren bidden, dat Hij toen niet zei, dat zij tot Hem moesten bidden, maar dat zij tot de Vader moesten bidden? Toen de Here Jezus Zijn discipelen leerde bidden, leerde Hij hen tot de Vader bidden. Moet dit niet een les zijn voor hen, die meestal liever tot de Here Jezus bidden dan tot de Vader? Moeten wij niet leren om zowel tot de Here Jezus als tot de Vader te bidden?

    Let op, dat wij niet bidden tot de Heilige Geest. Wij bidden tot God die in de hemel op Zijn troon zit. Wij bidden tot de Here Jezus die gezeten is aan de rechterhand van de Vader, maar wij bidden niet tot de Heilige Geest, die in ons eigen hart aanwezig is en die ons juist helpt bij ons bidden. "En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit." (Romeinen 8:26,27; zie ook Openbaring 22:17)
     

    Waarom bidden wij?

    Het wonderlijke is, dat er nergens in de Bijbel staat: "Je moet bidden..." Toch bidden wij. Waarom? Omdat wij uit de volgende teksten begrepen hebben, dat God wil, dat wij zullen bidden. God heeft opdracht gegeven om tot Hem te bidden. Zoals Hij ons opdracht gegeven heeft om Hem lief te hebben, zo heeft Hij ons ook opdracht gegeven om tot Hem te bidden. "En dan zult gij daar de HERE, uw God, zoeken en Hem vinden, wanneer gij naar Hem vraagt met uw ganse hart en met uw ganse ziel." (Deuteronomium 4:29) Vervolgens komt nogmaals een opdracht om te bidden. Er staat: "... de HERE, uw God, liefhebt en Hem dient met uw ganse hart en uw ganse ziel..." (Deuteronomium 11:13) Hier gaat het over het gebed.

    In de eerste tijd die de Bijbel beschrijft, waren er geen vaste gebeden. Ieder bad wat in zijn eigen hart opkwam, net zoals dit in onze tijd ook vaak weer het geval is. Wat men bad en hoe vaak men bad, werd aan ieder zelf overgelaten. Pas vanaf de tijd van Abraham horen wij over bepaalde vaste gewoonten en nog later, in de tijd van de tempel, worden bepaalde gewoonten vastgelegd. Zoals er een vaste orde van dienst in de tempel kwam, die David vastgesteld had, zo gingen de mensen ook op vaste tijden bidden. Ten tijde van Ezra werd door de mannen van de grote vergadering vastgesteld, dat alle Joden voortaan drie keer per dag moesten bidden. Vanaf die tijd ontstonden er ook vastgestelde woorden die in de gebeden gezegd werden. Het mooie was, dat de Joden daarop de eenheid in het gebed en in de gebeden gingen beleven. Allen baden op dezelfde tijd en allen spraken op dezelfde manier tot God. Er kwam eensgezindheid in de gebeden. Dit vinden wij rond de Pinksterdag ook in het Nieuwe Testament vermeld: allen waren eendrachtig bijeen met hun gebeden! "Deze allen bleven eendrachtig volharden in het gebed... En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden." (Handelingen 1:14 en 2:42)

    In de synagogen kwamen de mensen bijeen en gingen hun gezamenlijke gebeden tot God opzenden. De synagoge was zowel een plaats van studie als een huis van gebed. In Handelingen 16:13 horen wij ook van een "gebedsplaats" die als openluchtsynagoge dienst deed en waar de Joden bijeenkwamen om te bidden. Hiernaar verwijst de volgende tekst, die in de Nieuwe Vertaling als volgt luidt: "Daarom spreek: zo zegt de Here HERE: hoewel Ik hen weggedreven heb onder de volken en in de landen heb verstrooid, zodat Ik hun slechts weinig ten heiligdom geweest ben in de landen waar zij gekomen zijn." (Ezechiel 11:16) Hier staat iets moois over God, waarbij de vertalers de eigenlijke tekst vergeestelijkt hebben.

    De Groot Nieuws Bijbel vertaalt terecht: "Maar je moet tegen de ballingen zeggen wat ik, God, de Heer, zal doen. Ik heb hen ver weg gestuurd, naar vreemde volken; ik heb hen uiteengejaagd naar verre landen. Ook daar zal ik voor hen aanwezig zijn in hun povere gebedsplaatsen." Deze tekst maakt duidelijk, dat er in die tijd al speciale gebedsplaatsen waren en dat de gebeden een belangrijke plaats innamen in het geloofsleven van de Joden.

    In hun gebeden beleefden de Joden hun eenheid. Allen baden op hetzelfde moment hetzelfde gebed. In hun gebeden noemden de bidders zich niet "ik", maar "wij". Dat is ook het opmerkelijke van het gebed, dat de Here Jezus ons leerde bidden. Hij leerde ons niet bidden: "Mijn Vader in de hemel...", maar "Onze Vader in de hemel."

    In hun gebeden bidden alle Joden over de hele wereld dezelfde woorden. Zij spreken daarbij God aan als "de Eeuwige", de "Heer van de wereld" en als "Koning van het heelal". Zij prijzen God in hun gebeden om Zijn almacht, Zijn eenheid, Zijn eeuwigheid, Zijn hulp in alle omstandigheden. Zij danken Hem, omdat Hij over hen waakt 's nachts en overdag en omdat hun zielen in Zijn hand zijn; zowel de zielen van de levenden als de zielen van de doden. Zij zeggen Hem, dat zij zich aan Hem toevertrouwen, omdat Hij, de enig waarachtige God, hen gered heeft. Zij vragen God hen te helpen en te onderwijzen als zij Zijn Woord bestuderen. Zij vragen God of Hij Zijn zegen over hen wil uitstorten.

    Wat zou het mooi zijn, als wij ook zouden leren om bepaalde vaste zaken in onze gebeden op te nemen, zodat wij zouden weten, dat wij dagelijks dezelfde gebeden hebben en ons daarin met andere gelovigen verenigd hebben in het gebed en dus de eensgezindheid in de gebeden mogen kennen, naast het feit, dat wij natuurlijk ook onze eigen gebeden houden!

    Wat zou het mooi zijn als wij bijvoorbeeld elke maand een vast gebed hebben, waarin wij eenparig God bidden en allen bepaalde zaken voor Gods troon zouden brengen? Zo'n gebed zou dan elke maand in het gemeenteblad afgedrukt kunnen worden en zou een maand lang door ons allen gebeden moeten worden. Het is dan bidden, zoals de Here Jezus het ook met Zijn discipelen deed: allen dezelfde gebeden!
     

    Enkele voorbeelden

    Wij geven enkele voorbeelden van gebeden naar Joods-Bijbels model, waaraan het specifieke van ons geloof in de Here Jezus is toegevoegd, zoals ook het Nieuwe Testament ons toont, evenals het karakter van het gebed dat de Here Jezus Zijn discipelen leerde (het "Onze Vader). In deze gebeden zijn woorden uit de Bijbel verwerkt, waardoor het bidden zowel vragen als loven is, zowel beloven als luisteren naar God is. Het zijn twee gebeden die als voorbeeld dienen en die natuurlijk niet de enige gebeden zijn die gebeden kunnen worden.

    Het eerste voorbeeld
    "Heer, onze God, Koning van het ganse heelal, samen met de andere leden van onze gemeente buig ik mijn knieën voor U en aanbid ik U. U bent onze God, onze Verlosser en Heer. U bent mijn hulp en toeverlaat in tijden van nood. In uw hand is mijn ziel, zowel als ik slaap als wanneer ik wakker ben. U bent altijd bij mij, zodat ik nooit bang hoef te zijn. U zorgt voor mij elk moment van de dag. Heer, onderwijs mij iedere dag uit Uw Woord en laten Uw woorden mijn hart vervullen. Leid mij op Uw weg, zodat ik een gehoorzaam en trouw dienaar van U zal zijn.

    Houd ons allen heel dicht bij U, zodat ons geloof versterkt moge worden en onze liefde voor U zal groeien. Leer ons steeds meer in afhankelijkheid van U te leven. Leer ons om steeds meer U toegewijd te zijn, zodat wij niet voor onszelf leven, maar voor U. Moge het beeld van de Here Jezus steeds meer gestalte in ons krijgen. Niet alleen in mijn leven, maar in het leven van allen in onze gemeente.

    Ik beloof u, dat ik mijn best zal doen om zo te leven, dat anderen iets van U in mij zullen zien. Ik ben mij bewust, dat U mij geroepen en uitgekozen hebt om als een priester in Uw dienst te staan. Ik wijd mijzelf aan U toe, opdat U mij in Uw dienst zult kunnen gebruiken.

    Onze Vader in de hemel, ik dank u, dat ik de Here Jezus heb leren kennen als mijn Heiland en Heer. Ik dank U, dat U nu ook mijn Vader bent en dat U als een Vader voor mij zorgt.

    Ik bid u voor de anderen in de gemeente, voor de voorganger, de leden van de raad en voor allen die meewerken in onze gemeente. Heer, zegen ons allen en moge Uw hand ten goede op ons rusten. Wees ons nabij, opdat wij allen door U gezegend mogen worden.

    Ik bid u voor onze zieken. Ik bid u voor... (noem hun namen). Ik bid u voor hen die moeite en verdriet hebben in hun leven (noem hun namen). Ik bid u, dat zij Uw kracht en nabijheid zo duidelijk mogen ervaren, dat zij erin kunnen staan en ervaren mogen, dat zij door U opgetild en gedragen worden.

    Geprezen bent U, Eeuwige, onze God en Vader, onze Koning, om Uw trouw, die U ook ons beloofd hebt. Met heel mijn hart loof en prijs ik Uw heilige Naam. Amen.

    Het tweede voorbeeld
    Heer, onze God, Eeuwige, Koning van de wereld, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde. Ik breng U mijn hulde en de dank van mijn hart, omdat ik mag leven. Ik dank U, dat U mijn leven gewild hebt en dat U mij het leven geschonken hebt. Geprezen en gezegend bent U, die ons geroepen hebt om Uw kinderen te zijn. Geprezen bent U, die wij 'onze Vader' mogen noemen. Samen met de andere leden van de gemeente kom ik tot U en dank ik U, dat wij allen veilig zijn en geborgen in Uw eeuwige Vaderarmen.

    Heer, U bent ons Licht en ons Leven. U bent onze Redder. Help ons om steeds in Uw nabijheid te mogen blijven en de aanwezigheid van de Here Jezus door de Heilige Geest te mogen ervaren. Help ons om niet voor onszelf te leven, maar onze liefde te mogen richten op U en op anderen. Onderwijs ons, zodat wij steeds meer zullen leren anderen lief te hebben als onszelf en daardoor aan U onze liefde te tonen. Mogen onze harten en gedachten steeds meer vervuld worden van Uw grote heerlijkheid.

    Heer, wij zijn ons bewust, dat wij door het offer van de Here Jezus verbonden zijn met allen die U toebehoren. Wij danken U, dat het gebed van de Here Jezus vervuld is en dat wij ons één mogen weten met allen die voor eeuwig behouden zijn door het verzoenend bloed van de Here Jezus. Wij danken U, dat Hij Zijn heilig bloed in Uw hemels heiligdom gebracht heeft, waar het ook voor ons tot een eeuwige verlossing geworden is.

    Ik dank u, dat mijn hart rust gevonden heeft in en bij U. Ik weet, dat U ons nooit zult verlaten en dat wij altijd veilig zijn bij U. Ik dank U, dat Uw ogen ook op mij gericht zijn en dat ik geen ogenblik aan Uw aandacht zal ontsnappen.

    Heer, ik beloof u, dat ik mijn best zal doen om met andere mensen over u te spreken. Ik ben mij bewust, dat velen om mij heen U niet kennen en de redding van de Here Jezus nooit gevonden heb. Heer, laat iemand op mijn pad komen, die ik van U kan vertellen. Ik bid u voor mijn vrienden (noem hun namen). Ik bid u in het bijzonder voor mijn vrienden die U niet kennen (noem hun namen). Ik bid u, dat er een deur geopend zal worden, opdat ik met hen over U kan spreken. Help mij om hen te tonen wie de Here Jezus is.

    Gezegend bent U, Eeuwige, onze Schepper en Koning, onze Vader en Heer, die Israël gekozen hebt tot Uw volk en de Gemeente tot Uw eigendom en om Uw Licht op aarde te verspreiden. Ontferm U over Israël en over Uw Gemeente. Geef ons Uw vreugde, diep in ons hart. Ik loof en prijs Uw heilige Naam. Dank U wel, dat alle kracht om te leven en te overwinnen bij U is. Amen.

    Het derde voorbeeld
    Wij zagen, dat nadat de Israëlieten in de Babylonische ballingschap terechtgekomen waren, en de steun van de priesters in de tempel misten bij het dienen van God, ging Ezra de mensen leren om zelf te bidden en om allen dezelfde gebeden op te zenden. Eén van deze gebeden is het Amied, het gebed, dat de Joden sindsdien elke dag bidden. Ook de Here Jezus bad dit gebed. Voor deze maand geven wij u een vertaling en bewerking van het eerste deel van dit gebed. U vindt het in het eerste en grootste deel van dit gebed, waar de zinnen niet tot het eind van de regel gaan. Wij hebben hier enkele speciaal christelijke regels aan toegevoegd, die u kunt herkennen aan het feit, dat ze cursief gedrukt zijn. Ook het tweede deel dat niet uit het Amied afkomstig is gemakkelijk te herkennen, vooral ook omdat er een sterretje staat tussen het Joodse Amied gedeelte en het christelijke gedeelte.

    Heer, help mij om tot U te bidden. Laat mij over U spreken en help mij U hulde te brengen (Psalm 51:17).

    Heer, onze God, U bent de bron van al onze zegeningen. Daarom danken wij U. Geprezen bent U, Eeuwige, onze God en Israëls God; God van Abraham, Izaak en Jacob. Gezegend bent U, de grote, machtige en ontzagwekkende God (Deuteronomium 10:16,17), die hoog boven alles en iedereen verheven is, die het heelal geschapen heeft en erover heerst, die ons in liefde rijkelijk zegent en die de trouw van Abraham, Izaak en Jacob niet vergeten is en er nog altijd rekening mee houdt.

    U hebt ons opgedragen U lief te hebben boven alles en iedereen en dit te tonen, door onze naaste lief te hebben als onszelf (Mattheus 22:37-40). U hebt ons opgeroepen om U te dienen en U te volgen (Deuteronomium 13:4). U hebt ons opgeroepen om zoals U eens de naakten kleedde (Genesis 3:21), dit ook te doen, om de hulpbehoevenden te onderhouden, de zieken te bezoeken (Genesis 18:1), de treurenden te troosten (Genesis 25:11) en te delen in vreugde en verdriet van onze naasten (Deuteronomium 34:6; Mattheus 25:35,36). Help ons om hierin U trouw te volgen, te dienen en te gehoorzamen. Omwille van Uw Naam hebt U Israël en ons in liefde de Verlosser geschonken. Zoals U eertijds Israël liefhad, hebt U nu naast Israël ook ons lief. U bent Koning, Helper, Redder en Beschermer. Help ons, dat wij steeds zullen zien, dat zoals Israël gezegend werd door de verdiensten van Abraham, Izaak en Jacob, wij heel bijzonder gezegend zijn door de verdienste van de Here Jezus, die de straf voor onze zonden gedragen heeft en ons Zijn heerlijkheid en rechtvaardigheid geschonken heeft. Geprezen bent U, Eeuwige, Schild en Beschermer van Abraham (Genesis 15:1).

    U bent onze altijd almachtige Heer. U zorgt voor de overleden gelovigen en houdt hen onder Uw hoede; U bergt hun zielen onder Uw altaar (Openbaring 6:9). U bent een machtige Redder. U zorgt met liefde voor hen die leven, U brengt met grote barmhartigheid de doden weer tot leven. U ondersteunt hen die struikelen in hun geestelijke levenswandel, U geneest hen die zonde-ziek zijn, U bevrijdt hen die gevangen zijn in de kerker van de zonde en blijft trouw aan hen, die in het stof slapen (Psalm 146:6-8). Wie is als U, machtige en barmhartige Vader, wie is aan U gelijk, Koning, die laat sterven en weer tot leven brengt, die hulp en redding schenkt (Exodus 15:11). Uit Uw hand ontvangen wij zowel wat ons blij maakt als wat ons droevig stemt. Uw trouw is groot. U bent steeds bij ons. U leidt ons door Uw raad en U zult ons eens in Uw hemelse heerlijkheid opnemen (Psalm 73:24). Geprezen bent U, Eeuwige, die de doden weer tot leven brengt.

    U hebt Uzelf eens aan Mozes bekend gemaakt als de God die er altijd is, die er altijd was en die er altijd zijn zal. Zo heeft de Here Jezus ons beloofd, dat Hij ons nooit zal verlaten. Daarvoor danken wij U.

    U bent heilig en Uw Naam is heilig. U bent hoog boven ons verheven. U hebt Uw troon geplaatst op de lofzangen van Uw volk (Psalm 22:4). Heilige engelen prijzen U, door elke dag lofliederen voor U te zingen. U wilt, dat ook wij in ons gebed en in ons lied U zullen loven en prijzen. U wilt, dat wij Uw Naam zullen heiligen en zelf ook heilig zullen leven; afgezonderd van de wereld. U wilt, dat wij in gedachten, woorden en daden openbaren, dat wij Uw heilige kinderen zijn. U wilt, dat wij als gemeente een heilige gemeenschap vormen, waarin de een de ander uitnemender zal achten dan zichzelf. Heer help ons om al deze opdrachten uit te voeren. Geprezen bent U, Eeuwige, heilige God.

    * Heer, wij danken U, dat U door Uw Woord tot ons spreekt, zoals een man met zijn vriend spreekt. Help ons om zo te leven, dat zichtbaar wordt, dat wij Uw kinderen en Uw vrienden zijn. Ik dank U, dat U mijn Helper en mijn Gids bent, zodat ik te allen tijde op U kan vertrouwen. Help mij om U te volgen, waar U ook gaat. Help mij om heel dicht bij U te blijven, zodat Uw kracht in mijn zwakke momenten openbaar kan worden. Dank U wel, dat zelfs in de donkerste momenten van mijn leven Uw licht toch altijd weer schijnt. Help mij, zodat ik mijn ogen nooit zal sluiten voor Uw heerlijkheid of mijn ogen ervan zal afwenden.

    Heer, U hebt gezegd, dat U als een herder Uw kudde zult weiden, dat U in Uw arm de lammeren zult vergaderen en dat U ze in Uw schoot zult dragen (Jesaja 40:11). Ik dank U, dat U zo ook voor mij zorgt.

    Heer, ik wil Uw gunstbewijzen vermelden. Ik dank U, dat U zó met mij meeleeft, dat U in al mijn benauwdheden ook benauwd bent, dat U in al mijn verdriet en pijn, ook verdriet en pijn hebt, dat U in al mijn leed, ook leed hebt (Jesaja 63:9). Heer, ik dank U voor de wijze waarop U met mij meeleeft, mij redt en mij in Uw armen draagt. Here Jezus, ik dank U, dat U een Hogepriester bent, die met ons kan meevoelen in al onze zwakheden (Hebreeën 4:15).

    Heer, ik dank u, dat ik weten mag, dat ik voor eeuwig Uw kind ben. Ik dank u, dat ik zeker mag weten, dat ook ik, omdat ik in U geloof, de Heilige Geest ontvangen heb als Uw Vertegenwoordiger in mijn leven. Ik dank U, dat ook mijn lichaam een tempel is van Uw Heilige Geest en dat Uw Geest mij nooit zal verlaten. Dank U voor die zekerheid, die U schenkt. Amen.

     


    14-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gebed tot de Heilige Geest.

    Heilige Geest, onze Trooster, voltooi in ons het werk waarmee Christus een aanvang heeft gemaakt; verleen kracht aan

    het gebed, dat wij uit naam van de gehele wereld uitspreken en zet het voort. Maak dat wij allen spoediger tot een diep

    innerlijk leven komen; geef bezieling aan ons apostolaat, dat alle mensen en volkeren wil bereiken, want zij zijn allen

    verlost door het Bloed van Christus en vormen allen zijn erfgoed.

    Beteugel in ons de aanmatiging van de natuur en breng ons tot de ware nederigheid, heilig ontzag voor God en

    edelmoedigheid.

    Moge geen enkele aardse band ons hinderen onze roeping eer aan te doen. Laat geen enkel eigenbelang ons de eisen

    van de rechtvaardigheid uit het oog doen verliezen, en bevrijd ons van bekrompenheid en kleinzielig egoïsme. Moge alles

    groot zijn in ons: het zoeken naar en het beoefenen van de waarheid, de bereidheid tot het offer tot aan het kruis en de

    dood.

    En tenslotte moge alles in overeenstemming zijn met wat in het laatste gebed van de Zoon tot de hemelse Vader

    gevraagd wordt, dat de Vader en de Zoon U, Heilige Geest van liefde, mogen uitstorten over de Kerk en haar

    instellingen, over ieder mens afzonderlijk en over alle volkeren. Amen. Alleluja.

    (Paus Joannes XXIII, 1962)


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Breng licht in de duisternis van mijn hart.

    O allerhoogste, grote God,

    breng licht in de duisternis van mijn hart

    en geef me

    een oprecht geloof,

    een zekere hoop

    en volmaakte liefde, inzicht en kennis, o Heer,

    opdat ik uw heilige opdracht kan vervullen.

    Amen.

    Franciscus van Assisi.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een eenvoudig gebed.

    O God, ik ben een vat vol tegenstrijdigheden.

    Het ene moment

    hef ik mijn handen in aanbidding naar U op

    en het andere moment schud ik mijn vuist naar U.

    Ik word heen en weer geslingerd

    tussen groeiende hoop

    en steeds dieper wordende wanhoop.

    Ik heb een groot geloof, maar ook sterke twijfels.

    Ik gun anderen het beste,

    maar ben jaloers als ze het krijgen.

    Toch wil ik niet voor U weglopen, o God.

    En ik wil me ook niet beter voordoen dan ik ben.

    Dank U dat U me accepteert

    met al mijn tegenstrijdigheden.

    Amen.

     


    08-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN ALLEN EEN GEZEGENDE WOENSDAG TOEGEWENST.

    ¡HO MARIA SIN PECADO CONCEBIDA! ¡Ruega por nosotros que recurrimos a ti!
    N. ( M ).


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.WOENSDAG 8 DECEMBER 2010 FEEST VAN DE ONBEVLEKTE ONTVANGENIS.

     

    WOENSDAG 8 DECEMBER 2010
    FEEST VAN DE ONBEVLEKTE ONTVANGENIS

    Het GENADE-UUR    VAN 12.00 uur   TOT 13.00 uur.

    De Allerheiligste Maagd Maria heeft in een kleine kerk in Montichiari, aan zuster Pierina Gilli gevraagd  om een gebedsuur te houden op deze dag. Het zal dan een dag van  Genade worden voor hen die het genade-uur in ere houden.   Dit gebedsuur wordt doorgebracht in alle stilte op een plaats naar keuze, maar een plaats die Niet storend is voor het gebed, ten einde  volledig geconcentreerd de aandacht op het gebed te houden.
    Men begint met driemaal Psalm 51 te bidden, (met uitgestrekte armen). [1]

    Vervolgens bidt men een tientje (de droevige mysteries), en maakt men de geest ledig om zich totaal in het lijden van Jezus te verdiepen.  Men dankt God de Vader, dat Hij zijn Zoon heeft willen zenden. Men dankt de Heilige Geest omdat Hij met het Ja-woord van de Heilige Maagd, Haar tot bruid heeft genomen.  Men dankt Jezus omdat Hij mens is geworden en omdat Hij heeft willen lijden en sterven voor de redding van alle mensen. Ook vroeg de Allerheiligste Maagd om boete te doen. Zij zei: “Boete is niets anders dan het aanvaarden van onze dagelijkse kruisjes. Hoe klein ze ook zijn aanvaardt ze met liefde” Dan vroeg Zij aan Zuster Pierina om op 8 december ‘s middags terug te komen. “Dit zal mijn Uur van Genade zijn”. De Zuster vroeg hoe zij zich moest voorbereiden op dit Uur van Genade, waarop Maria antwoordde, “met gebeden en boete. Bidt Psalm 51 driemaal met uitgestrekte armen. Gedurende dit Uur van Genade, worden zeer veel geestelijke genaden gegeven. De meest verharde zondaars zullen geraakt worden door de genade van God. De Gezegende Maagd beloofde:  “Wat men ook vraagt gedurende dit Uur van Genade, het zal verleend worden, indien het in overeenstemming is met de Wil van de Eeuwige Vader.”


     

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HET BEGRIP ‘MILLENNIUM’ IN DE APOCALYPS.

    HET BEGRIP ‘MILLENNIUM’ IN DE APOCALYPS.

    Conferentie door E.H. P. van de Kerckhove.

     

    De tussentijdse wederkomst van Jezus en het Millennium.

     

    De wederkomst van Christus is in het Nieuwe Testament duidelijk verbonden met het einde van de wereld (cfr. 1 Kor. 15). De overleden gelovigen, die gestorven zijn in de Heer, zullen glorierijk verrijzen bij Zijn komst: d.i. Zijn wederkomst bij het einde van de wereld.

     

    Maar wat moeten wij denken van een zgn. “tussentijdse wederkomst”, nog voor het einde van de wereld? Bestaan daarover teksten in het Nieuwe Testament? Zo spreekt bv. Apoc. 20 over een “duizendjarig rijk” tussen de eerste opstanding en de algehele opstanding op het einde van de wereld. Er is in de theologie en de exegese een stroming die gelooft dat Christus tussentijds zal wederkomen en dat er een eerste verrijzenis zal plaatsvinden van de goede christenen. Dan zou een periode van 1000 jaren volgen, een periode van vrede en voorspoed waarin Christus zal heersen op aarde. Als de periode van 1000 jaren voorbij is, zal Satan worden losgelaten (Apoc. 20,7) op aarde en hij zal vele volkeren misleiden. Maar vuur zal neervallen uit de hemel en hem vernietigen. De duivel wordt in de hel geworpen voor eeuwig. Christus zal dan wederkomen als Rechter over levenden en doden op het einde van de wereld. Dan zal er een algehele eindverrijzenis en een algemeen en laatste oordeel plaatsvinden (Apoc. 20,11).

     

    Wordt er in het Nieuwe Testament gesproken over een tussentijdse wederkomst van Christus op aarde of is er alleen sprake van zijn glorievolle wederkomst op het einde van de wereld? Om deze vraag te beantwoorden, ondervragen we de Heilige Schriften: I) De Evangeliën. II) Brieven van Paulus. III) Apocalyps, vooral Apocalyps 1-10, waar sprake is van het ‘millennium’ het 1000 jarige rijk. Mijn conclusie zal zijn dat de theorie van een tussentijdse wederkomst berust op een fantaserende interpretatie.

     

    I) De Evangeliën.

    In Zijn eschatologische redevoering spreekt de Heer over Zijn komst, d.i. steeds Zijn wederkomst. Maar kan men hierin een onderscheid maken tussen een tussentijdse en een laatste wederkomst? Neen, de tekst spreekt over slechts één wederkomst en dit is de wederkomst op het laatste oordeel. Maar Lucas zegt dat bij de wederkomst van Jezus er van twee vrouwen één wordt achtergelaten en de andere wordt opgenomen. Hoe kan dit slaan op de laatste wederkomst? Deze uitspraak van de Heer is uiteraard een parabolische uitspraak zoals bij de dwaze en de wijze maagden. De enen blijven buiten staan, de anderen gaan mee binnen met de Bruidegom wanneer Hij komt. Die komst wordt dan uitgelegd als het “komen van Christus” bij de dood van ieder van ons.

     

    Wees dus waakzaam en bereid u voor tijdens uw leven want de dood komt als je het niet verwacht. Er is een bijzonder oordeel voor ieder van ons! De komst van de Bruidegom wordt in de exegese dan ook toegepast op de laatste wederkomst van Christus op het einde van de wereld. Een tussentijdse wederkomst in millennaristische zin is een interpretatie die voortkomt uit een materialistische lezing van de teksten die parabolische voorspellingen zijn.

     

    In het Onze Vader bidden we: “Uw Rijk kome”. Dat is volgens sommigen een bede voor een tussentijdse wederkomst in millennaristische zin. Maar Zijn Rijk is al 2000 jaar gekomen. Het is begonnen met de stichting van de Kerk van Christus op aarde, dus met Zijn eerste komst. Dat Rijk zal in volle glorie zijn na het laatste oordeel (Apoc. 21). De bede van het Onze Vader is een bede opdat de hemelse zaligheid ons zou toekomen, d.w.z. opdat ze ons zou ten deel vallen bij de dood van ieder van ons en bij het laatste oordeel. Met een tussentijdse wederkomst van Christus heeft dit niets te maken.

     

    Bij de hemelvaart van Jezus zeiden twee mannen: “Deze Jezus zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie Hem naar de hemel hebben zien gaan.” Dat zou volgens sommigen niet kunnen slaan op de laatste wederkomst van Christus. Men denkt, en men dacht reeds in Jezus’ tijd, dat Zijn wederkomst bedoeld was om het rijk van Israël te herstellen. Jezus’ tijdgenoten hadden vaak een te materialistische, aardse visie op dat Rijk. Millennaristen geloven dat Jezus zal wederkomen op aarde om een rijk van 1000 jaren te vestigen. Welnu, het gaat ook in het geval van de Hemelvaart om de laatste wederkomst van Jezus Christus. De twee engelen zeiden helemaal niet dat Jezus zou wederkomen om het rijk van Israël te herstellen, of een aards rijk te vestigen in materiële zin. De woorden van de engelen verwijzen naar het opstijgen ten hemel en het wederkomen uit de hemel bij Zijn laatste wederkomst. Deze tekst moet ook gelezen worden in het licht van de andere teksten over Zijn wederkomst. Het Rijk Gods, dat gevestigd is op aarde, is juist de Kerk vanaf Pinksteren.

     

    II) Brieven van Paulus.

    In 1 Kor. En 1 en 2 Thess. zegt Paulus dat al wie op het einde van de wereld nog in leven is, zal getransformeerd worden (alle codices hebben deze tekst in 1 Kor. 15!). De doden zullen verrijzen. De Heer zal neerdalen uit de hemel. De doden zullen verrijzen en wij, die dan nog in leven zijn, zullen opgenomen worden met hen. Het gaat in deze teksten telkens om de laatste wederkomst van Christus. Op het moment van Zijn laatste wederkomst zullen zij die dan nog in leven zijn, niet eerst sterven en dan verrijzen, maar zij zullen getransformeerd worden.

     

    Iedereen moet sterven, behalve diegenen die nog in leven zullen zijn bij Zijn wederkomst op het einde. Paulus spreekt daarbij over gedoopte christenen die nog in leven zullen zijn. Over het lot van de heidenen zegt hij niets. …

    In Rom. 8,19-23 is de bevrijding van ons lichaam, die op het einde bij de algehele eindverrijzenis. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde veronderstellen dat de oude eerst zullen vernietigd worden en dat gebeurt pas bij het einde van de wereld. Het nieuwe Rijk Gods is dat van de eeuwige glorie. Er is geen tussentijds rijk op aarde, dat voor het einde van de wereld zou moeten gevestigd worden. Een dergelijk geloof zou vernietigend geweest zijn voor de hoop op hemelse glorie en gelukzaligheid. De theorie van een tussentijdse wederkomst baseert zich op de hoop naar een louter aards geluk. Onze christelijke hoop is juist gevestigd op de hemel!

    Ook Hebr. 9,28 bevestigt dat de tweede komt van Christus de laatste wederkomst is op het einde. Heil of redding voor de Joden zal ook komen door hun bekering bij Zijn wederkomst op het einde van de wereld!

     

    III) Apocalyps.

    Het Millennium (Apoc. 20,1-10): hemels, of aards, of allebei?

     

    Sommige exegeten geven aan het 1000 jarige rijk een materiële of aardse interpretatie (Justinus, Ireneüs, Hiëronymus; Augustinus, in ‘De Civitate Dei’ 20: de 1000 jaren is het bestaan van de Kerk op aarde. …). Sommige anderen geven er een spirituele of hemelse interpretatie aan (Origenes, Cyprianus, Hypollitus, Gourgues o.p. The Thousand Year Reign CBQ 1985; Giblin S.J. The Millennium as Heaven NTS 1999; U. Vanni in Missionalia 42, 1993: het 1000 jarige rijk is Gods overwinning op het kwade! …). Persoonlijk vind ik mijn interpretatie de beste. Ik noem ze de interpretatie van de dubbele dimensie!

     

    De interpretatie van de dubbele dimensie.

    1. Apoc. 20,1-3 - “1000 jaar” in de aardse dimensie:

    “Toen zag ik een engel uit de hemel neerdalen met de sleutel van de Afgrond en een grote ketting in zijn hand. En hij greep de Draak, de oude Slang – dat is de Duivel, de Satan – en hij boeide hem voor duizend jaren, en wierp hem in de Afgrond, die hij grendelde en verzegelde boven zijn hoofd, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden voordat de duizend jaren voorbij waren. Daarna moet hij voor een korte tijd worden losgelaten.”

     

    Wat Johannes hier in Apoc. 20 bedoelt met het gevangen houden van Satan is ongeveer hetzelfde als wat Paulus bedoelt als hij schrijft in II Thess. 2,3-8 dat er iets is dat de Satan tegen houdt of vasthoudt en hem verhindert zich te manifesteren. Dat iets is de reddende actie van de Kerk waardoor mensen geloven in Jezus Christus en door dat geloof ook eeuwig leven vinden (zie mijn exegetische commentaren bij II Thess.). Chronologische precisie moet de lezer hier, of in wat voorafgaat in de Apoc. niet zoeken. De vooraf in de Apoc. beschreven taferelen van de strijd tegen het Beest, tegen de Draak, de oorlog etc. zijn wel historisch maar niet in de chronologische zin van het woord (niet alsof men jaar na jaar kan zien wat er zal gebeuren!). Gebeurtenissen worden als parallel voorgesteld in tijdsoverlappende beschrijvingen. Zo is ook het visioen van Apoc. 20 dat begint met de woorden: “Toen zag ik een engel uit de hemel neerdalen …” Sommige exegeten denken dat wat in de tekst op elkaar volgt in de Apoc. dat dit elkaar ook volgt in chronologische orde. Maar dat is een vergissing. De structurele analyse is m.i. beter geschikt voor de exegese van de Apocalyps dan de historische analyse!

    De reddende actie van de Kerk dus die maakt dat vele zielen gered worden, betekent niet dat er geen mensen zijn die het geloof zullen verwerpen. Maar aan ieder die gelooft in Zijn Naam (Proloog 4de Evangelie) heeft Hij het vermogen gegeven om kinderen van God te worden.

    Paulus schrijft aan de Thess. dat de antichrist nu al aan het werk is en Petrus in I Petr. schrijft dat de duivel ronddwaalt tot verderf van de zielen … maar er komt een tijd, en die tijd moet nog komen (nota: ik schrijf in anno 2010), dat geloofsafval en zedenbederf en corruptie door macht en geld zo zal toenemen dat de reddende kracht van de Kerk erdoor zal te niet gedaan worden. Dan zal de Satan losgelaten worden. Hij zal de antichrist lanceren, d.i. een tegenpool van Christus, die de mensen zal aanzetten tot ontucht en hebzucht en alle zonden tot verderf van de zielen. Dat wil ook zeggen dat de verderfelijke godsdiensten en filosofieën vrij zullen kunnen verkondigd worden en velen zullen tot geloofsafval komen. De Heer Jezus zegt Zelf dat die tijd zal ingekort worden want dat anders de Satan zelfs de uitverkorenen zou kunnen misleiden.

    Paulus schrijft dat de geloofsafval zo groot zal worden dat er quasi totale apostasie komt. Maar dan zal God ingrijpen en komt Christus terug in al Zijn Glorie voor een laatste en universeel oordeel (Apoc. 20,11-17). In de aardse dimensie is de “1000 jaren” de gehele tijd van de Kerk op aarde tot aan het laatste oordeel.

     

    2. Apoc. 20,4 - “1000 jaar” in de hemelse dimensie:

    “En ik zag tronen en zij namen daarop plaats en hun werd het oordeel gegeven. Ik zag de zielen van hen die onthoofd waren vanwege het getuigenis van Jezus en het Woord van God, en zij die het Beest en zijn beeld niet hadden aanbeden en het merkteken niet hadden aangenomen op hun voorhoofd en op hun hand. En zij werden weer levend en heersten met Christus, duizend jaren lang. Dit is de eerste verrijzenis.”

     

    Voor een goed begrip van het 1000 jarige rijk is de context van groot belang. Wie namen er plaats op de tronen? In het licht van de Evangeliën gaat het om de apostelen die oordeelsmacht gekregen hebben over het nieuwe Israël (Mat. 19; Luc. 22,30). Zij die als martelaren gestorven zijn en zij die (Gr. kai hoitines – heeft m.i. een nevenschikkende betekenis) trouwe gelovigen geweest zijn, ze werden levend (Gr. ezèsan – de 3de persoon meervoud, een aorist, van het werkwoord ‘zaô – leven’ d.i. is hier m.i. in de zin van het eeuwig leven in de eeuwige glorie. Cfr. Thess. 5,10: samen met Christus leven… Filip. 1,21: voor mij is het leven Christus en sterven een gewin. … Joh. 11,25: wie in Mij gelooft, ook al is hij gestorven, zal leven…) en ze heersten met Christus duizend jaren lang.

     

    Veel hangt af van hoe men het Grieks ‘ezèsan’ vertaalt. Zo men het vertaalt als “ze werden weer levend”, (d.i. in de fysieke zin van een lichamelijke verrijzenis) dan vervalt men in een millennarisme dat letterlijk wordt opgevat. Mijn vertaling past beter in de spiritualiserende interpretatie. Alle trouw gebleven gelovigen (martelaren e.a.) werden levend, d.w.z. ze zijn in de hemel waar ze leven in de eeuwige glorierijke toestand van het hiernamaals. In de hemelse dimensie is de “1000 jaar” een beeld voor de eeuwige zaligheid in de hemel.

     

    Zo mijn interpretatie juist is, is de “eerste verrijzenis” het verheerlijkte leven van de ziel bij God, na de dood van het menselijke lichaam. De “1000 jaar” van hemelse zaligheid is echter verbonden met de geschiedenis van de Kerk op aarde, de instelling, door Christus gesticht, tot het einde van de wereld.

    Ezèsan is een aorist die ik vertaal als “ze werden levend”. Het punctuele feit is de overgang van dood naar levend, waarbij de ziel leeft in de eeuwige glorie van God. Deze aorist is bovendien de vertaling van een Semitisch profetisch perfectum. Het is een perfectum met tegenwoordige en toekomstige betekenis. “Ze leven en zullen leven”, d.w.z. allen die nog zullen volgen tot het einde van de wereld zitten erin begrepen, totdat het getal bereikt is (Apoc. 6,11) dat God heeft vastgesteld in Zijn oneindige Wijsheid.

     

    3. Apoc. 2O,5 - “1000 jaar” in de aardse dimensie:

    “De andere doden werden niet levend totdat de duizend jaren voorbij waren.”

     

    De andere doden, de ongelovigen en de ontrouwe christenen, zullen niet leven. Dit betekent dat zij na de dood in de sheôl terechtkomen waar zij niet leven in Gods heerlijkheid, zij blijven hiervan verstoken. Ze zullen echter wel deelhebben aan de algehele, fysieke eindverrijzenis als de 1000 jaren voorbij zijn (d.i. het millennium in de aardse dimensie). Bij deze eindverrijzenis zullen de heiligen fysiek verrijzen ten eeuwigen leven en de boosdoeners zullen verrijzen tot eeuwige verdoemenis.

    Het begrip “verrijzenis” (Gr. anastasis) is geestelijk (de eerste verrijzenis) of fysiek (de tweede op de eindverrijzenis).

    Het begrip “dood” (Gr. thanatos) is geestelijk (de tweede dood = de eeuwige verdoemenis) of fysiek (de eerste dood = het overlijden van het lichaam).

     

    Zo zien we dat bij Johannes sommige begrippen ambivalent zijn zoals dood en verrijzenis en zoals het begrip millennium, dat ook een tweedimensionale betekenis heeft. Hierin ligt de rijkdom van de tekst van Johannes.

    Dat de andere doden niet levend werden, betekent dat ze geen deel hadden aan de eerste verrijzenis van de trouwe gelovigen, tot aan het einde van de 1000 jaren (d.i. de periode van de Kerk op aarde), dan zullen zij deel hebben aan de eindverrijzenis (de tweede verrijzenis). Dan komt het laatste en universele oordeel. De boosdoeners zullen dan de tweede dood sterven. Het begrip tweede dood is eveneens Joods en komt zes maal voor in de Targoems in de betekenis van eeuwige verdoemenis (Targ. Deut. 33,6; Jes. 65,5 …).

    De eerste verrijzenis heeft m.i. een geestelijke betekenis. Het is de voorlopige gelukzaligheid van de zielen in afwachting van het laatste oordeel en de eindverrijzenis die zal plaatsvinden op het einde van de wereld. Dat is dan “de tweede verrijzenis”. Van deze voorlopige gelukzaligheid is de staat van genade op aarde reeds het begin. Die term ‘eerste verrijzenis’ komt ongeveer overeen met de verrijzenis volgens het Boek Jubileeën Hst. 23; Testament van Juda 25; van Zabulon Hst. 10, waar juist met verrijzenis een nieuw leven van de ziel bedoeld wordt na de dood. De tweede verrijzenis (de term staat niet in Apoc.) is dan de verrijzenis van de doden op het einde van de wereld, waarvan sprake in het O.T. (Dan. 12,2; Jes. 26,19; Ezech. 37,1-11; …) en in joodse, apocalyptische literatuur (4 Ezra; Apoc. Bar.; 2 Makk.; Ps. Van Sal. 13).

    De ontrouwe christenen en de ongelovigen die Christus hebben verworpen, zullen bij de eerste dood (d.i. de fysieke, lichamelijke dood) niet delen in de voorlopige hemelse zaligheid en zij zullen bij de algehele eindverrijzenis en het laatste oordeel ook veroordeeld worden en de tweede dood sterven (Apoc. 20,14), d.i. de eeuwige verdoemenis in de hel.

    (Over de ongelovigen die Christus niet gekend hebben en dit zonder fout van hunnentwege, heeft Johannes het niet. Dit is in het geval van onoverkomelijke onwetendheid. Dezen zullen ook gered zijn door Gods genade. Dat zal de latere theologie verduidelijken).  

     

    4. Apoc. 20,6: “Gelukkig zij die delen in de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht.” In de zaligsprekingen zegt de Heer (Matth. 5): “Zalig zijn jullie als ze jullie vervolgen en van alle kwaad betichten. Weest blij en juicht want groot is jullie loon in de hemel.”

    Dat loon is juist het leven van gelukzaligheid bij God. Het is dezelfde idee die Apoc. 20 uitdrukt.

     

    Wat is die periode van 1000 jaar? Is dit in letterlijke zin te verstaan, is het een lange periode, of is het één dag, want bij God is één dag als 1000 als duizend jaren zegt Ps. 90,4 (ook II Petr. 3,8 waar ook sprake is van de vernietiging van de oude wereld en de schepping van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde).

    In de Apocalyps is de 1000 jaar een beeld van de eeuwige hemelse zaligheid (Apoc. 20,4; 20,6), het zevende millennium van de sabbatrust van God. Het is ook een beeld voor de gehele tijdsduur van de Kerk van Christus op aarde tot het laatste oordeel (Apoc. 20,1-3; 20,5; 20,7). Dit is mijn interpretatie van de dubbele dimensie van “1000 jaar”.

    De 1000 jaar als vervulling van de scheppingsweek met het messiaanse rijk vinden we ook in 2 Henoch (de geheimen van Henoch), een joods apocalyptisch werk van het begin van de 1ste eeuw en bij de rabbijnen, maar dan wel in aardse, materiële zin geïnterpreteerd. Rabbi Eliezer ben Joseph ha-gelili verwijst hierbij expliciet naar Psalm 90,4 en Jes. 63,4. Ook rabbijn Eliezer ben Hyrcanus (ca. 90 na Chr.) zegt dat het messiaanse rijk 1000 jaar zak duren. Rabbi Eliezer is ongetwijfeld de vertegenwoordiger van de oudere Joodse traditie van voor Christus. Derhalve besluiten Strack & Billerbeck: Kommentar zum Testament aus Talmud und Midrash, vol. III p. 827 „Die Möglichkeit das der Verfasser der Offenbarung Johannes die 1000 Jahre der Königsherrschaft des wiederkehrenden Christus in Anlehnung an die jüdische Tradition vom 1000 jährigen Messiasreich formuliert habe, kann daher aus chronologischen Gründen nicht bestritten werden.“ Een overzicht van de verschillende rabbijnse interpretaties over de tijdsduur van het messiaanse rijk, op basis van verschillende Bijbelpassages, vindt men in de BT Sanhedrin 97a: 2000 jaar; 6000 jaar; 7000 jaar; 400 jaar; 40 jaar; 100 jaar; 3 generaties; 365 jaar; 365.000 jaar…

     

    In de christelijke exegese wordt het millennium ook verschillend geïnterpreteerd.                        

    1) De oudste interpretatie beschouwt de “1000 jaar” als aards in materiële zin. Christus komt weer om te heersen op aarde. Eusebius vermeldt (H.E. 3,28,2; 7,25,2) hoe Cerinthe – einde van de 1ste eeuw – en zijn ketters het millennium interpreteerden: “Hij leerde dat het Rijk van Christus aards zou zijn en dat de uitverkorenen in Jeruzalem zouden wonen en slaaf van alle passies en plezier des vlees! Hij leerde dat er 1000 jaar lang bruiloftsfeest zou zijn.” Over de Apocalyps zei men toen, juist omwille van dat eng millennarisme, dat het niet van Johannes kon zijn. “Het is geen Openbaring,” besloot Eusebius, “want het zit vol dwaling … de auteur is geen apostel, maar wel Cerinthe.” Dit eng of overdreven millennarisme (of chiliasme) vinden we ook bij Papias, Justinus (Dial. 80) en Ireneüs (A.H. V,33,3; 35,1; 36,3). Dit enge millennarisme opteert voor een tussentijdse wederkomst van Christus waarin Hij een aards rijk zou stichten en er heersen voor 1000 jaren met de uitverkorenen. Dit is echter een misvatting en er is voor zulke interpretatie geen enkel argument te vinden in de Bijbel, noch in de apostolische Geloofsbelijdenis. Het Credo kent maar één wederkomst van Christus, nl. de glorievolle wederkomst op het einde van de wereld. Bij sommige protestantse bewegingen, o.a. de Maranathabeweging, vinden we de oude interpretatie van een aards rijk van Christus in fysieke vorm nog terug. De 1ste verrijzenis leggen zij dan uit als een fysieke, lichamelijke verrijzenis…

    2) Dit beeld werd verworpen door andere Kerkvaders. Origenes heeft het enge millennarisme veroordeeld als “Een dwaze leer, vol ingebeelde noties van naïevelingen die de Schrift interpreteerden zoals de materialistische Joden.” Denys van Alexandrië schreef een magistrale weerlegging van dit foute millennarisme en hij ging ook zo ver de Apocalyps als niet authentiek te verklaren. Origenes beschouwde de 1000 jaar als een beeld voor de eeuwige zaligheid. Hiëronymus en Augustinus (De Civitas Dei 20,7) veroordeelden eveneens het enge millennarisme. Het millennium kreeg bij Augustinus de betekenis van de gehele periode van de Kerk op aarde, vanaf Christus’ eerste komst tot aan Zijn glorievolle wederkomst.

    3) Een andere interpretatie ziet in het millennium een bijzondere periode van bloei, voorafgaand aan de glorievolle wederkomst van Christus, maar het is geen letterlijk Rijk met Christus op aarde dus! De eerste verrijzenis is dan in geestelijke zin te verstaan en wordt ook onderscheiden van, bij het laatste oordeel, de eindverrijzenis.

    4) Een andere goede interpretatie ziet in het millennium de periode vanaf Christus’ Hemelvaart en de nederdaling van de Heilige Geest over de apostelen. Christus heeft alle macht over hemel en aarde. Zijn Kerk is zowel aards als hemels. In de hemel is de Kerk bevrijd van aardse structuren, maar op de aarde is de Kerk nog onvolmaakt en in dit leven zijn wij onderhevig aan tegenkantingen, pijn en dood en zijn we zelf ook zwak of zondig.

     

    Tenslotte. De 1000 jaar in Apoc. 20,1-10 is, naargelang de context, en beeld voor volmaakte gelukzaligheid in de hemel, of een beeld voor de periode van de Kerk op aarde die tot het einde van de wereld uitverkorenen verzamelt voor het hemelse Rijk! Hemelse en aardse dimensie zijn verschillend en daarin zit de moeilijkheid voor de exegese van Apocalyps 20,1-10.

    “Als de 1000 jaren voorbij zijn” (20,7) lijkt te wijzen op het einde van de Kerk op aarde want aan de eeuwige gelukzaligheid in de hemel komt geen einde. “De heiligen, die heersen met Christus voor 1000 jaren”, lijkt dan weer eerder te wijzen op de eeuwige gelukzaligheid in de hemel, want Zijn heerschappij kent geen einde.

    Hemelse en aardse dimensie zijn allebei aanwezig maar moeten onderscheiden worden zo we tot een juiste interpretatie willen komen van Apoc. 20,1-10. In het Onze Vader bidden we “Uw Wil geschiedde op aarde zoals in de hemel.” In de hemel geschiedt Gods Wil altijd volmaakt. Op aarde helaas niet, want op aarde is er nogal wat belemmering! Ook de passage waar staat dat “Satan wordt opgesloten voor 1000 jaar” wordt duidelijker (20,1-3). In de hemel is zijn activiteit nul. Op aarde is zijn activiteit zeer gering zo men Jezus’ Heilsboodschap aanvaardt en leeft naar de geboden van de Heer. De volmaakte heerschappij is niet op aarde, maar wel willen we ervoor ijveren dat Gods Rijk op aarde moge komen zoals het in de hemel bestaat. Dat Gods Wil moge geschieden en meer mensen het geloof zouden aannemen tot heil van hun zielen.

     

    Symbolen zijn soms meerduidig. De 1000 jarige heerschappij kan heel goed, met nuance door Johannes gewild, aan verschillende interpretatieschema’s beantwoorden, nl. een aards en een hemels schema. De rijkdom van de teksten van Johannes ligt juist in de verschillende betekenissen die kunnen gegeven worden aan eenzelfde uitdrukking. Dat is de rijkdom van de Bijbelteksten en het is aan ons, exegeten, om die rijkdom eruit te halen. Christus komt ook echt terug. Dat geloof wil ik toch onderstrepen. Maar Hij komt terug op het einde van de wereld, voor het laatste oordeel waarover de Apocalyps in 20,11-17 spreekt.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BEZINNING BIJ DE ADVENT.

    BEZINNING BIJ DE ADVENT.

    Door E.H. P. van de Kerckhove.

     

    De profeet Jesaja, hoofdstuk 40, zegt: “Bereid de Heer een weg, een rechte baan voor God. Elk dal moet gevuld en alle bergen en heuvels geslecht worden. Kronkelpaden worden recht en oneffen wegen worden effen. Dan zal de Glorie van God zich tonen en alle vlees zal het heil aanschouwen.”

     

    Lucas 3 geeft een meer volledig citaat dan Marcus, wat wijst op een oorspronkelijker traditie. Als voorbereiding op de Advent en op Kerstmis bevat deze tekst een heel programma van geestelijke hervorming voor ons die ons waardig willen maken om onze Heer en Verlosser waardig te ontvangen bij Zijn geboorte in Betlehem Matheus 3 zegt uitdrukkelijk dat die tekst spreekt over Johannes de Doper: de stem van één die roept is de stem van Johannes, bijgenaamd, de Doper, want hij diende een doopsel toe in de Jordaan, een doopsel met water dat een voorbereiding was en een profetische voorafbeelding van het christelijke doopsel dat de Heer Jezus tot het niveau van sacrament van het N.T. heeft verheven met Zijn eigen doopsel toen Hij het water van de Jordaan heiligde met Zijn mensheid. Toen verscheen de Heilige Geest en er sprak een Stem. Welnu, het Johannesevangelie getuigt dat Johannes een godsspraak had ontvangen dat Diegene op Wie de Geest zou neerdalen, de Messias is!

     

    In onze bezinning gaan we dieper in op de geestelijke voorbereiding op Kerstmis.

    Waaruit bestaat deze voorbereiding?

     

    Bereid de Heer een weg …

    Het bereiden wan de weg wordt in verschillende delen voorgesteld; het is een 5 punten programma. Die voorbereiding is wel noodzakelijk omdat we Hem anders niet zullen ontvangen, of toch niet waardig genoeg ontvangen. Als je een grote persoonlijkheid ontvangt, geef je die toch ook alle eer en je bereidt je huis voor en je gaat je inspannen om een speciale ontvangst voor te bereiden met wat eerbetoon, een fanfare, een receptie, een woord van appreciatie.

     

    Welnu, voor de Zoon van God, de Messias, Die ons het Heil komt brengen, doen we toch veel meer zeker dan even ons beste tafelservies uithalen met Kerstmis. We gaan ons ook innerlijk reinigen en voorbereiden. Daarover gaat “de weg van de Heer”. De weg van de Heer moeten we vrijmaken van alle obstakels die ons verhinderen om dat heil met vrucht te kunnen ontvangen. Dit werk van voorbereiding is een werk van het voorbereiden van onze harten, van ons afkeren van alles wat zondig is, van alles wat niet recht is of wat leeg is, van al wat te ver boven uitsteekt en wat oneffen is!

     

    Het rechte pad voor God …

    Wat wil dat zeggen? Dat is de rechtgezindheid van hart en ziel. Wat scheef was moet terug worden recht getrokken door de rechtvaardigheid die de mens moet beoefenen, de werken van rechtvaardigheid jegens God, jegens de naaste …

    Dit is het eerste belangrijke punt.

     

    Elk dal moet gevuld worden en elke heuvel genivelleerd …

    Overal waar leegte ontstaat in onze ziel door de vergetelheid van God en Zijn gebod, moeten wij ons toeleggen op God en Zijn gebod. Waar leegte ontstaan is door ons materialisme en onze aardse verzuchtingen, moet onze ziel opnieuw vol worden van geestelijk verlangen naar het hiernamaals.

    Wat moet genivelleerd worden is onze hoogmoed tot het niveau wat we werkelijk zijn voor God. … We zijn niets dan mieren voor God. … Ons egoïsme, waardoor we onszelf verheffen boven alle anderen, ook dat moet worden afgevlakt tot we ook onze medemensen liefhebben, die even hoog staan als wij. Onze evennaaste is gelijk in de ogen van God, wat hij of zij ook doet, of wat hij of zij ook voor plaats bekleedt in de Kerk.

     

    Kronkelpaden worden recht, wat oneffen is wordt effen. …

    Kronkelpaden van schijnheiligheid, van dubbelzinnigheid, leugenachtigheid moeten terug recht worden. Wij moeten terug waarheidlievende mensen worden, want God verafschuwt hypocrisie. Hij noemt het zuurdesem van de Farizeeën en het verhindert de mens om binnen te gaan in het Rijk der Hemelen. Wat oneffen is, d.w.z. hobbelig, onze prikkelbaarheid voor futiliteiten, onze woede en onze rancune, moeten plaats maken voor de effen weg van zachtheid en liefde.

     

    Dan zal de Glorie van God zich tonen en alle vlees zal Zijn Heil aanschouwen. …

    “En alle mensen zullen de heerlijkheid van God zien.”, dat staat letterlijk in Jesaja 40,5. De Aramese Targoem vertaalt en parafraseert in messiaanse zin: het heil, d.i. de redding die van God komt!

    Met Kerstmis komt de Redder, onze Heiland, Jezus onze Heer, en zo wij ons voorbereiden zal Hij Zich openbaren aan wie Hem zien wil, d.i. wie in Hem gelooft en Hem ziet met de ogen van het geloof en we zullen Hem waardig ontvangen als Zoon van God en Hij zal ons de redding brengen die hij beloofd heeft door Zijn profeten. Heil en genezing, eerst en vooral van de ziel, en door het doopsel het Leven van Gods genade in onze ziel waardoor we kinderen van God worden, mede erfgenamen van het Rijk der Hemelen. In de middernachtmis zullen wij Hem ontvangen in de Heilige Communie.

     

    Zoals Jezus is geboren in Betlehem, zo komt Hij tegenwoordig met Lichaam en Ziel en Godheid onder de gedaanten van brood en wijn. Zijn Eucharistische Tegenwoordigheid is een fysieke tegenwoordigheid. Dan zal voor ons het verwijt niet gelden: “… de wereld was door Hem geworden, en toch erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in het Zijne, maar de Zijnen aanvaardden Hem niet.” Heel even leek het alsof de duisternis het Licht had overwonnen bij Jezus’ Kruisdood, maar Hij zal in glorie verrijzen en nog glorievoller schitteren met Zijn Godheid wanneer Hij verrijst met Zijn Godheid en met Zijn verheerlijkte mensheid en toen heeft Hij Zijn Glorie geopenbaard aan talrijke getuigen.

     

    Dus, beste vrienden, laten wij ons voorbereiden met Maria, Moeder van God. Als we tot Haar bidden, bekomt Zij voor ons de genade om het Kindje te aanvaarden uit Haar handen. Zij zal Hem aan ons geven door Haar bemiddeling. Ontvangen wij Hem want Zij is de Moeder van God en van alle genaden: “Moeder van onze Verlosser, bescherm ons!”

     

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MARIA ONZE BIJSTAND.

    Helpster bij onze Levensgroei

    Alle leven streeft naar groei en bloei: het meisje moet vrouw en het jongetje moet man worden. Zo is het ook in het bovennatuurlijke leven; het moet tot ontwikkeling komen. God had voorzeker kunnen vaststellen, dat wij, evenals de engelen, door één enkele wilsakt onze eeuwigheid zouden bepalen. Hij heeft echter onze groei gewild en er ons de tijd en de middelen voor gegeven. De genade die wij in het doopsel ontvangen, is slechts een beginpunt. "De weg van de rechtvaardigen is als het schitterende licht waarvan de luister groeit tot op het midden van de dag", zegt de heilige Schrift.

    Maria nu helpt ons groeien in Christus Jezus. Zij is moeder, en een moeder stelt er zich niet mee tevreden, aan haar kind het leven te geven; zij waakt ook over zijn groei, zij wil het naar de volmaaktheid voeren. Elk ogenblik vereist de bovennatuurlijke groei nieuwe krachten, altijd genaden van bijstand; zonder deze zou onze groei aanstonds ophouden. Maria geeft ons die genaden, alle genaden die wij nodig hebben, voor alle omstandigheden van ons leven, voor alle moeilijkheden, voor alle mogelijke voortgang.

    Pinksteren is het beeld van hetgeen dat tot het einde van de tijden zal geschieden. Die dag is, op Maria’s bede, de Heilige Geest over de gelovigen neergedaald. Zó nu zal het altijd zijn. Men zou in zekere zin kunnen zeggen: "Maria heeft over alle mededelingen van de Heilige Geest, een zekere rechtsmacht, enig gezag gekregen".
    Ongetwijfeld komt aan Christus, de enige Middelaar, krachtens onvervreemdbaar recht, de genadebedeling toe. God alleen kan in het diepst van de ziel de genade voortbrengen. "Alleen de Godheid kan vergoddelijken". Maar God heeft gewild, dat Christus en zijn Moeder, die zo innig verenigd waren in het verlossingswerk, dit óók zouden zijn in de uitdeling van de genaden. God kon de genaden alleen uitdelen; het behaagt Hem echter dit te doen door Maria.

    Al wat Christus’ lijden voor ons heeft verdiend, krachtens recht in de meest strikte zin, is ook de verdienste van Maria’s mede-lijden, maar dan op titel van geschonken voorrecht. De genaden, in zo grote smarten verdiend, deelt Maria thans aan ons uit. "Wijl zij aan het werk van ’s mensen verlossing haar diensten heeft geboden, oefent zij eveneens in de uitdeling van de onophoudelijk van het kruis afvloeiende genaden, de zelfde bediening uit, bekleed als zij daartoe is met een bijna onmetelijke macht."

    Met heel zijn mysterie heeft de Christus haar innig verbonden. Opdat het Woord mens werd, was haar vrije toestemming nodig, "zo noodzakelijk was het voor de mensen, dat Maria hun heil begeerde".

    "Op de Calvarieberg heeft zij met haar Zoon voor onze zaligheid geleden. Zou het billijk zijn, als zij de uitwerkselen van die mysteries, de genaden ter heiliging nu niet mocht uitdelen? God heeft ons door de heilige Maagd Jezus Christus willen geven en die orde verandert niet meer. De gaven Gods worden nooit door Hem berouwd. Het is en zal altijd waar zijn, dat wij, die eens door haar het alomvattende beginsel van de genade ontvingen, ook door háár tussenkomst, in alle mogelijke omstandigheden van het christelijke leven, de verschillende toepassingen er van bekomen. Wijl de moederlijke liefde in het geheim van de Menswording zoveel heeft bijgedragen tot ons heil, zal zij ook, bij alle andere daaruit voortvloeiende werkingen, eeuwig haar medewerking verlenen."

    In de hemel past Christus nu de verdiensten van zijn lijden op ons toe; "Hij is onze voorspreker en bidt zonder ophouden voor ons".
    Dit doet ook Maria. Op aarde bracht zij ons redding als mede-verlosseres; in de hemel is zij onze voorspreekster; aanhoudend spreekt zij voor ons ten beste. Zij vraagt, dat alle genade door haar Zoon en haar zelf verdiend, op ons mogen worden toegepast. Dezelfde plaats die Zij in het mysterie van de Menswording en van de Verlossing innam, bekleedt zij ook in dat van de heiligmaking.

    Sint Paulus zegt van Christus sprekende: "Hij leeft altijd om onze Middelaar te zijn. Hij is de Hogepriester die wij behoeven… Wij hebben een Hogepriester die gezeten is ter rechterzijde van de troon van de goddelijke Majesteit in de hemelen… Hij oefent een veel voortreffelijker bediening uit, naarmate het Verbond waarvan Hij Middelaar werd, volmaakter is".

    Passen wij, met inachtneming van de noodzakelijke verhoudingen, deze verheven teksten op Maria toe. Zij is gezeten aan Gods rechterhand, om onze voorspreekster te zijn, om het bemiddelingsambt uit te oefenen, dat in eigenlijke zin een priesterlijk karakter heeft. Zij is de uitdeelster, de bedienares van de genade. Haar goddelijk moederschap heeft haar een priesterschap meegedeeld hoger dan het sacramentele priesterschap. Het wordt uitgeoefend met het priesterschap van haar Zoon, waarvan het in zekere zin de aanvulling is. Als priesterlijke maagd, hulp van de eeuwige Priester, algemene middelares, zal zij aan Gods vrijgekochten de gehele eeuwigheid door het goddelijke leven meedelen.

    Zou zij anders wel moeder zijn? En Maria is moeder, zij is ten vólle moeder. Ten koste van een onmetelijke smart heeft zij ons gebaard. Dit deed zij niet, om ons aan onszelf over te laten. Al haar moederlijke diensten wil zij verrichten; zij wil voeden, ontwikkelen, haar kinderen intenser doen leven, Jezus’ ledematen uit hen vormen. Alle heil ontvangen wij door haar. "Toen Jezus aan het kruis tot Sint Joannes en in zijn persoon tot heel de Kerk zeide: Ziedaar uw Moeder, stelde Hij Maria aan tot moederlijke verzorgster over de gehele Kerk. Het was alsof Hij zeide: Niemand kan gered worden, tenzij door de verdienste van mijn kruis en dood, en zo kan ook niemand deel hebben aan mijn Bloed, tenzij door de tussenkomst van mijn Moeder. Hij alleen zal kind van mijn smarten zijn, die Maria tot moeder zal hebben. Mijn wonden zijn eeuwige, altijd geopende genadebronnen, maar zij zullen slechts vloeien door het kanaal, Maria. Hij die Maria niet als moeder bemint, roept tevergeefs de Vader aan..."

    Onze kinderlijke liefde ondervindt een heel rechtmatige voldoening, als zij zich weet te verklaren, op welke wijze onze Moeder ons het goddelijke leven toebedeelt. Welnu dan, Maria bidt voor ons en zij doet haar invloed op ons gelden.

    In de aanschouwing van het Woord kennen de uitverkorenen in de hemel al wat op aarde hun belangstelling wekt, naargelang van de hier vervulde taak. De volmaaktheid van hun geluk vereist dit. Een vader, een moeder kennen de roeping, de gevaren en de noden van hun kinderen; zij kunnen hen te hulp komen. Hun kennis wat dat betreft is een daadwerkelijke kennis en de volmaaktheid van die kennis is afhankelijk van de graad hunner gelukzaligheid.

    Maria heeft een volmaakte kennis van al wat betrekking heeft op de vrijgekochten, haar kinderen. Zou zij een wezenlijk moederschap kunnen uitoefenen zonder de juiste kennis van onze roeping en onze behoeften? Zij moet geheel de onze zijn, voor allen tesamen en voor ieder in het bijzonder. Met haar wonderbare moederlijke intuïtie dringt zij diep in ons door. Zij ziet ons in het Goddelijk Woord en kent ons op goddelijke kenwijze. Evenals de goede Herder ieder van zijn schapen bij name kent, zo onderscheidt zij ons allen in het bijzonder. Men verwondere zich hierover niet; haar kennis immers heeft een eeuwigheidsmaat. Zij kent dus mijn persoonlijke roeping, Gods gedachte over mij, de volmaaktheid die ik moet bereiken, de glorie waartoe ik moet komen.

    Bovendien kent zij mijn geschiedenis, mijn zwakheden, mijn tegenwoordige gevaren en de genaden, die ik heden, op ditzelfde ogenblik, voor mijn volharding behoef. Wijl zij door Gods vrije uitverkiezing deel heeft aan het werk van de heiliging, openbaart God haar ook zijn gedachte over alle vrijgekochten. Als bij een moeder, ligt hun zaligheid haar na aan het hart: zij zijn de kinderen van haar smart. Veel zou aan haar geluk ontbreken, als zij over het bovennatuurlijke leven van haar kinderen niet kon waken. Door haar volmaakte vereniging met God heeft zij een zeer volmaakte kennis van onze liefde, onze wensen, onze zwakheden, zelf van onze voor onszelf verborgen noden. Worden ook op aarde de kinderen niet het best door hun moeders begrepen? Het geheim van mijn persoonlijke roeping, mij zelf onbekend, doorgrondt zij volkomen, om voor mij een hulp te kunnen zijn ter bereiking van het doel dier roeping.

    Hoe zoet is het te denken, dat Maria vaak bidt, om ons bij te staan in onze onbekende noden! Blindheid voor ons zelf is onze kwaal, maar moederogen dringen diep in alles door. In de goddelijke aanschouwing ziet Maria alles. Menigmaal spreekt zij voor ons ten beste, zonder dat wij haar hebben aangeroepen, bewogen als zij is door onze ongekende ellende.

    "Tot u, Moeder van Barmhartigheid, Moeder van de deerniswaardigen, roepen in de ballingschap Eva’s kinderen. Onze uiterste nood zélf roept tot u. Onze behoeftigheid heeft haar noodkreet. Dit aardse dal weergalmt zó van droef geween, dat onze nóód tot u opschreit, als wij niet klagend om hulp roepen. Tegenover u kán onze ellende niet zwijgen, en het is u onmogelijk, ze niet te horen, want de Moeder van Barmhartigheid zijt gij."

    Maar vooral bemint zij ons.
    God is liefde. Uit liefde heeft Christus ons verlost: "Hij heeft mij bemind en Zich voor mij overgeleverd". Maria eveneens. De oneindige liefdestroom voerde haar mee, en haar moederlijke tederheid voor ons bewoog haar tot het offer van haar Zoon.

    Moeten wij dit nog duidelijker doen zien? Als er een werkelijkheid is, waaraan de gelovigen zich steeds sterk vastgrepen, dan is het voorzeker Maria’s onuitsprekelijke liefde voor de mensen. Zij bemint ons als een moeder, een moeder die veel geleden heeft, en wij, wij zijn haar kinderen, die haar een onuitsprekelijke marteling hebben gekost.
    Zij bemint ons met een waarachtige liefde; zij wil ons van onze kwalen, onze ellenden verlossen, uit de schande doen opstaan, ons opheffen, zoals een moeder doet, ons naar God trekken, en in ons het volle leven doen vloeien. Is een van haar kinderen zwak, dan ijlt zij er heen; haar barmhartigheid wekt haar mededogen en haar liefde is krachtdadiger.

    Is het ook Jezus niet, die zij in ons bemint? Zijn wij niet de ledematen van haar Zoon? De rechtvaardigen bemint zij, omdat zij verenigd zijn met Jezus, de zondaars, opdat zij met Jezus verenigd worden. Altijd gaat het er om, het mystieke Lichaam te ontvangen en te vormen. Zij houdt niet op de aan Christus bewezen liefde, ook over Christus’ ledematen uit te storten. Wie zag ooit zulk een liefde, zulk een moederschap?

    Haar hemelzaligheid verkoelt haar liefde niet, integendeel, zij doet ze feller ontbranden. Wat een verlangen, allen voor wie Jezus stierf, zalig te maken, het grote Godsgezin in heiligheid te zien ontbloeien en groeien. Haar liefde maakt van haar gebed een vlammend vuur. De heiligen met een volmaakter liefde bidden in de hemel ook méér voor de mensen hier op aarde en helpen hen door die gebeden. Hoe groter hun vereniging met God is, des te krachtdadiger is hun gebed. Goddelijke ordening is het, dat de voortreffelijkheid van de hogeren afdaalt op de lageren. Daarom zegt ook Sint Paulus over Christus: "Hij is bij God, om voor ons ten beste te spreken". En Maria is dicht bij Hem, één met Hem, als eens bij de kribbe en het kruis; met tedere liefde oefent zij haar moederschap uit.

    Men kent de kracht van deze bemiddeling. Sinds lang reeds noemt de christelijke overlevering Maria omnipotens suplex, de smekende almacht. Wat God door zijn wil vermag, kan Maria door haar gebed. Haar titel van Moeder en Middelares verleent haar bij God een onmetelijke macht. "Haar tussenkomst wordt nooit door de Heer verstoten, niets weigert Hij van hetgeen zij vraagt, zo dicht nadert zij de allerenkelvoudigste en alleraanbiddelijkste Drieëenheid."

    De heilige Thomas leert ons hóe Jezus Christus tot zijn Vader bidt: "Hij is onze voorspraak, door zijn Vader de voor ons aangenomen mensheid aan te bieden en door de openbaring van het verlangen van zijn allerheiligste Ziel naar onze zaligheid."

    Zó is ook Maria’s gebed; als Moeder van God en deelgenote van de Verlosser herinnert zij aan haar lijden en haar liefde, die zo innig één waren met die van haar Zoon. Naar Maria’s verdienste en heiligheid nu is de alvermogendheid van dit gebed af te meten. In hoge mate overtreft het de gebeden van de andere heiligen. "Wat allen vermogen mét haar, dat kan zij alleen zónder hen". "Bewaart zij het stilzwijgen, niemand zal voor ons bidden, niemand ons helpen. Maar bidt zij, dan zullen ook de andere bidden en ons helpen."

    De heilige Gertrudis ontving de gunst, in een bekoorlijk visioen de macht van Maria’s gebed te aanschouwen. "Gedurende het zingen het vers: Ora pro populo, naderde de Koningin van de maagden tot voor Gods troon, boog eerbiedig de knieën, en bood zich als middelares tussen God en de congregatie aan, terwijl zij voor ieder zeer godvruchtig bad. Maar de Koning van de koningen, haar Zoon, hief haar met grote welwillendheid op, en haar op de glorietroon aan zijn zijde plaatsend, gaf Hij haar een onbeperkte macht, om naar welgevallen te bevelen."

    Door dit gebed verkrijgen wij alles. Alles wat ons voor het goddelijke leven noodzakelijk is: de heiligmakende genade, om deelgenoot te worden van dat leven; de genaden van bijstand, om het te onderhouden en tot hoger bloei te brengen; de ingestorte deugden; de gaven van de Heilige Geest; de bijzondere hulp, om weerstand te bieden aan de bekoringen, alle tot ons heil verordende goddelijke weldaden, alles, alles eindelijk vloeit ons toe door Maria. Geen stap kunnen wij doen, tenzij onder haar invloed. Heel onze bovennatuurlijke voortgang is van haar afhankelijk, want door de genade die zij ons toebedeelt, stijgen wij omhoog. Zij leidt de vorming en de wasdom van de mystieke Christus, de vorming van de Kerk en van de heiligen. Want Jezus is het, die in de Kerk als een mosterdzaadje groeit; en over zijn wasdom waakt Maria, gelijk zij te Bethlehem en te Nazareth over de groei van Jezus’ fysieke lichaam waakte.

    Of wij er aan denken of niet, onophoudelijk zijn wij onder Maria’s invloed. Het middelaarschap van de Verlosser is voorzeker rechtens het enige absoluut noodzakelijke. Maar, wijl het de Voorzienigheid behaagde, Maria’s middelaarschap zo innig te verbinden met dat van haar Zoon en geen genade te schenken dan door háár, werd haar middelaarschap voor ons feitelijk noodzakelijk.

    Sint Albertus de Grote zegt: "Aan allen deelt zij alle goederen uit."
    En Bernardinus van Siëna zegt: "De orde van de genaden die neervloeien over het menselijke geslacht is deze: God is de algemene Bron, Christus de algemene Middelaar, Maria de algemene uitdeelster. De heilige Maagd is de mystieke hals van ons goddelijke Hoofd; daardoor vloeien de hemelse gaven aan de overige delen van ons lichaam toe."

    "De Heilige Geest deelde aan zijn trouwe Bruid Maria zijn onuitsprekelijke gaven mee, en Hij koos haar tot uitdeelster van al wat Hij bezit, zodat zij alle gaven en alle genaden geeft aan wie zij wil, zoveel zij wil, zoals zij wil en zolang zij wil, en geen enkele hemelse gave wordt er geschonken, die niet door háár maagdelijke handen gaat. Want zó is de wil van God; alles bezitten wij door Maria."

    Deze altijddurende afhankelijkheid van Maria en haar moederlijke liefde is een beweegreden tot groot vertrouwen en grote vreugde. "Op het ogenblik dat ik er het minst aan dacht," verhaalt Angelo van Foligno, "werd ik in de geest verrukt, en zag ik de heilige Maagd in de glorie. Een vrouw kon dus zetelen op zulk een troon en met zulk een majesteit! Dit besef overstelpte mij met een onuitsprekelijke vreugde. Zij stond en bad voor het menselijke geslacht; haar goedheid en haar vermogen maakten haar zó invloedrijk, dat haar gebed een onbeschrijfelijke kracht verkreeg. Ik was buiten mijzelf van geluk bij het zien van dit gebed."

    "Ik ben de medehelpster van de eeuwige liefde," sprak Maria tot de heilige Veronica, "ik ben de behoedster en de meesteresse van uw ziel: door mij zult u leren beminnen."

    Wat bedoelen wij met de leer, dat alle genaden ons toevloeien door Maria? Niet, dat de genade, als een kostbare gift van God aan ons, door háár handen zou gaan. Stellen wij ons de genade niet voor op stoffelijke wijze, bijvoorbeeld als een water, dat uit de goddelijke oceaan in onze ziel zou stromen door het kanaal, Maria. De genade is een hoedanigheid, die in de ziel wordt voortgebracht. En Maria ontvangt van God de macht, die genade in ons te bewerken door de kracht van de Heilige Geest.

    Het gaat in werkelijkheid weer om Maria’s voorbede, om die grenzenloze macht, die God haar over ons geeft, en welke de werkdadige uitoefening van haar moederlijk beschermrecht is. Ja, God wilde, dat Maria’s bede een bevel werd. Ten opzichte van de Drieëenheid is dit gebed een smeken dat haar afhankelijkheid bewijst en de vereniging van háár wil met God. Ten opzichte van ons is het een teken van haar moederlijke macht en het krachtdadige teken voor de genade. Treedt Maria bemiddelend voor ons op, dan brengt zij de genade in ons. Haar gebed is inderdaad een levenbrengende kracht, want als zij bidt, vormt zij heiligen. Het is nu wel duidelijk, dat deze invloed van Maria een bijzonder karakter heeft. Het is een gebed, maar een krachtdadig, onfeilbaar gebed; een gebed dat een mácht wordt, die zich, tot uitbreiding van het Godsrijk, naar buiten openbaart; een priesterlijk gebed ten slotte, altijd één met de wil van God. Maria is de hulp van Christus; gelijk Hij en mét Hem werkt zij onophoudelijk in op de heiligen.

    In háár en door haar krachtdadige werking kreeg de mensheid van het Woord gestalte; in háár ook en met haar actieve medewerking schept de Heilige Geest de ledematen van deze mensheid. "God de Heilige Geest, onvruchtbaar in God, want Hij brengt geen andere goddelijke Persoon voort, is door Maria, die Hij tot zijn Bruid verkoor, vruchtbaar geworden. Mét haar en in haar en úit haar brengt Hij de mensgeworden God, zijn meesterstuk, voort en verwekt Hij ook alle dagen tot het einde van de tijden de voorbeschikten en de ledematen van dit aanbiddelijke Hoofd. Hoe meer Hij dan ook in een ziel Maria vindt, zijn geliefde Bruid in onverbreekbare trouw, hoe meer werkende kracht Hij openbaart, om in die ziel Jezus Christus voor te brengen, en ín Jezus Christus die ziel."

    Waarin bestaat de werking van Maria?
    Overdenk eens, wat zij deed voor Jezus gedurende zijn aardse leven: zij ontving Hem, waakte over zijn groei, droeg Hem op aan God, toonde Hem aan de mensen en stond Hem bij in zijn slachtoffering. Ditzelfde doet zij nog voor het mystieke Lichaam. Ten bate van ons worden al haar mysteriën vernieuwd. De Menswording, het Bezoek, de Opdracht, het Mede-lijden gaan steeds voort de ledematen van de Christus te vormen.

    Willen wij weten, of haar werking diep en innig is, denken wij er dan aan, dat zij moeder is: voor het góddelijke leven ontvangt en baart zij ons. Maar wat is een kind in moeders schoot? Komt heel zijn leven niet van haar? Het karakter van Maria’s werking ten opzichte van ons is dan ook vanzelfsprekend moederlijk. Die werking is daarbij verborgen, ze wordt uitgeoefend in het diepste innerlijk van de ziel. Ze doet denken aan de invloed van de Eucharistie in de Kerk. De Hostie, schijnbaar onbeduidend, is toch het leven van de christenheid. Als haar Zoon, verbergt Maria zich in de stilte, maar door een geheel inwendige beïnvloeding werkt zij immer voort. Volgens een wet van het geestelijke leven is een invloed méér innerlijk, naarmate zij groter en dieper is. Maria’s stille invloed is het zuurdeeg dat ons doet rijzen boven onze besmetting, de gist die onze werkkracht in beweging brengt.

    Zonder ophouden is Maria in de Kerk tegenwoordig en werkt zij op het leven van het mystieke Lichaam in. Op haar past de liturgie de woorden toe uit het boek van de Spreuken: "In het heelal speelt gij in Gods tegenwoordigheid en vindt uw vermaak onder de kinderen van de mensen"
    Welk aandeel heeft zij in Gods Voorzienigheid? Zij leidt de mensen, heerst over de christenheid en houdt, vol bezorgdheid, soms een wakend oog over haar verschillende afwisselende verschijnselen; zij voorziet in haar behoeften en antwoordt op haar smeekgeroep; zij voltooit de vorming van het mystieke Lichaam.

    Dat is voor haar "een spel", verzekert ons de Heilige Geest, want deze alomvattende werking in de schepping, waaraan te denken ons doet duizelen, gaat de onvergelijkelijke macht van Gods Moeder niet te boven. Haar wondervolle macht openbaart zich ieder ogenblik in volmaakte daden, eindeloos verscheiden en menigvuldig, sterke en zachte daden, om elke ziel en het gehele, door haar in liefde omvatte Lichaam van Christus weldadig te beïnvloeden. Haar stille, zachte en tere werking verovert onophoudelijk de schepping. Een van de werkelijke waarden die de Kerk spoedig ontdekte, is deze: dat zij steeds geleid wordt door de onzichtbare en vruchtdragende werking van Maria’s moederlijke macht.

    Ook elke ziel is zij nabij, met de zoetste werkelijkheid van haar geestelijke tegenwoordigheid. Maria is bij ons, omdat zij ons ziet, ons bemint, voor ons zorgt. Zij is dicht bij ons, dichter dan onze Engelbewaarder, in zekere zin dichter dan wij zelf. Op volmaakte wijze kent zij ieder van haar kinderen, wier roeping en meest verborgen geheimen zij doorschouwt. Zij dringt door in díe diepte van onze ziel, die wij voor allen verbergen, en die voor onszelf somtijds tot het onbewuste behoort. Alle middelen, om zich in ons dagelijks leven te mengen en het te besturen, zijn in haar bezit. Hoe gemakkelijk is het voor ons, haar te naderen! Tussen haar en ons bestaat een ware wisseling van gedachten en liefdebetuigingen.

    Enige denken misschien aan de afstand die ons van haar verheerlijkt lichaam scheidt. Maar wat geeft hier de ruimte? Gods alomtegenwoordigheid doet elke afstand verdwijnen; zijn macht heft het afwezig-zijn op. Het is mogelijk, dat twee lichamelijke wezens bijeen zijn en toch vreemdelingen voor elkaar. De tegenwoordigheid neemt eerst een aanvang met de kennis; de gemeenzaamheid ontstaat door het verstand en het hart. Zijn wij door de gedachte en de liefde niet voortdurend met Maria verenigd? Wij spreken tot haar, zij hoort ons; wij roepen haar hulp in, zij geeft antwoord door de genade; met haar kinderen is zij in blijvend contact. Alles ziet zij, en zij voorziet ook in alles. Zij is voor ons tegenwoordig, als de moeder voor het kind, dat zij ontving en onder het hart draagt.

    Enige dienaars van Maria hebben ook gesproken van haar bijzóndere tegenwoordigheid in de ziel. In Maria’s genadegeheim spreekt de heilige De Montfort hierover. "Zorg er voor, u niet te verontrusten, als gij niet zo spoedig de zoete tegenwoordigheid van de heilige Maagd in uw binnenste geniet. Deze genade is niet voor allen, en als God uit grote barmhartigheid er een ziel mee begunstigt, kan zij ze gemakkelijk verliezen, als zij er niet op uit is, dikwijls in zichzelf te keren." De heilige noemt op een andere plaats deze tegenwoordigheid met een nog duidelijker woord: "de woning in het mooie innerlijk van Maria". De heilige Philippus Nerius, de heilige Ignatius, Olier en anderen hebben blijvend die tegenwoordigheid genoten.

    Als de ziel de gewoonte aanneemt, met Maria te leven, volgens haar bedoelingen te handelen, met haar liefde tot God te gaan en zelf door het geloof bij Maria te zijn, dan zal ongetwijfeld Maria’s tegenwoordigheid in haar leven een zoete werkelijkheid worden, en het uitgangspunt voor een nieuwe geestelijke opgang. Maria’s tegenwoordigheid toch, die, over het geheel genomen, een tegenwoordigheid is van invloed en van liefde, is wél een kostbare genade, maar, naar het schijnt, geen buitengewoon verschijnsel in het christelijke leven.
    Deze geestelijke tegenwoordigheid van Maria in de zielen en in het mystieke Lichaam is wél een van de grootste en zoetste werkelijkheden van het leven van de Kerk.




    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
    BIJ DEN DOOD VAN NICOLAUS ACCIAJUOLI.
    VIERDE BOEK, KAP. 7.

    Iemand, in gebeden wakend en niet slapend, meende in een geestelijk visioen, een paleis te zien, onmetelijk groot met ontelbare lieden, gekleed in witte en schitterende kleederen en ieder had zijn eigen afzonderlijken zeten. En in het paleis stond een vorstelijke en majestueuze rechterstoel, waarin de zon scheen neergezeten. En het licht en de glans die van de zon uitging, was onmetelijk in lengte, diepte en breedte. Een jonkvrouw stond bij den zetel en had een kostbare kroon op het hoofd. En allen vereerden de zon, die in den zetel zat, en prezen God met lofgezang.

    Daarop verscheen een neger, afzichtelijk van uiterlijk en met wonderlijke gebaren. Hij was blijkbaar zeer onrustig en in groote woede ontstoken. Hij riep en zeide: “O, rechter, laat de ziel aan mij over en hoor haar daden, want weinig blijft er over vans mans leven; en laat mij het lichaam pijnigen, totdat, de ziel het lichaam verlaat.”
    Daarop zag ik iemand voor den zetel staan, een gewapenden ridder gelijk. Hij was hoffelijk en zeer wijs in zijn spreken, zichzelf volkomen meester en zedig in zijn gebaren, en hij sprak en zeide: “O, rechter, zie hier zijn de daden die hij deed tot aan dit oogenblik!” En dadelijk werd de stem van de zon gehoord, die in den zetelt zat, zeggende: “Hier is de ondeugd grooter dan de deugd, maar het is niet rechtvaardig, dat de ondeugd vereenigd zal worden met de hoogste deugd.”

    De neger antwoordde: “Het is rechtvaardig, dat deze ziel mij toegewezen wordt, want indien zij enkele ondeugden heeft, in mij is al het kwaad.” De ridder antwoordde: “Gods barmhartigheid volgt ieder mensch tot in den dood en tot het laatste oogenblik, en dan komt het oordeel. En bij dezen man, over wien wij nu spreken, zijn ziel en lichaam nog te zamen, en bewustzijn heeft hij nog.” De neger antwoordde: “De Schrift, die niet kan liegen, zegt: Gij zult God boven alles liefhebben en uw naaste gelijk u zelf.

    Zie nu, dat al zijn handelingen gedaan zijn uit vrees en niet uit liefde, waaruit hij ze gedaan moest hebben; en gij zult vinden, dat hij zijn groote zonden gebiecht heeft met onoprecht berouw, en daarvoor verdiende hij de hel, daar hij het hemelrijk niet verdiende. En dad is de aanleiding waarom zijn zonden hier geopenbaard worden voor de goddelijke gerechtigheid, omdat hij nog nooit uit godvruchtige liefde berouw gevoelde over de groote zonden, die hij begaan heeft.” De ridder antwoordde, dat hij nog geloofde en hoopte op waar berouw voor den dood.

    De neger antwoordde: “Gij hebt al de goede werken, die hij gedaan heeft, verzameld en gij kent die. En gij kent alle woorden en gedachten, die hij in zijn ziel had (en kunt toonen, hoe die gewoonlijk waren) Zij kunnen niet vergeleken worden bij de genadegave, het goddelijk berouw, door goddelijke liefde, met vast geloof en trouwe hoop, en nog minder al zijn zonden uitwisschen. Want God is zoo rechtvaardig, dat een zondaar, die geen oprecht berouw heeft, het hemelrijk niet binnen treedt. En daar het onmogelijk is dat God oordeelt in strijd met de orde voor eeuwig door Hem zelf vastgesteld, moet deze ziel tot de hel veroordeeld worden.” Toen zweeg de ridder.

    Daarop verschenen ontelbare duivels als vonken, die uit een brandenden oven spatten, en riepen tot hem, die als zon in den zetel zat: “Wij weten, dat gij zijt en waart en zonder einde blijft één God in drie personen en geen andere God bestaat er buiten u. Gij zijt voorwaar de liefde zelf, waarmee de barmhartigheid en de rechtvaardigheid vereenigd zijn. Gij waart in u zelf van het begin, zonder iets in u dat verminderd of veranderd kon worden, gelijk voor God noodzakelijk en betamelijk is. Zonder u is er niets, en niets verblijdt zich zonder u; zoo schiep uw liefde de engelen door niets anders dan door de macht van uw godheid, en gij deedt zooals de barmhartigheid voorschreef.

    En toen ons hart van hoogmoed, afgunst en begeerte werd ontstoken, werden wij door uw liefde, die de rechtvaardigheid beminde, uit den hemel geworpen met het vuur van ons venijn en in een onmetelijke en donkere diepte, die nu de hel genoemd wordt. Zoo deed uw liefde toen, en die zal ook nu niet afwezig zijn bij uw rechtvaardig oordeel, hetzij het oordeel geschiedt volgens barmhartigheid of volgens rechtvaardigheid. Wij zeggen bovendien, dat indien zij, die gij boven alles liefhadt, de maagd, die u baarde, en die nooit zondigde, indien zij doodzonde begaan had en gestorven was zonder bovennatuurlijk berouw, gij de rechtvaardigheid zoozeer bemint, dat haar ziel het hemelrijk niet beërfd zou hebben, maar met ons in de hel zou zijn. Daarom, o rechter, waarom laat gij die ziel niet over aan ons, opdat wij haar volgens haar daden straffen kunnen?”

    Daarop werd een geluid gehoord als van een lier, en allen die het hoorden, zwegen en toen sprak een stem en zeide: “O, gij, alle engelen en zielen en geesten des afgronds, hoort en luistert naar wat Gods moeder spreekt!” En nu verscheen een maagd voor den rechterstoel en hield iets groots als verborgen onder haar mantel, en zeide: “O, gij vijanden, gijlieden haat de barmhartigheid, en hebt de rechtvaardigheid niet lief. En hoewel hier gebrek schijnt aan goede werken, zoodat deze ziel het hemelrijk niet beërven moest, ziet dan toch en overtuigt u van wat ik onder mijn mantel heb!” Toen de maagd de beide slippen van den mantel had opgelicht, zag men onder de eene iets dat een kleine kerk geleek, waarin eenige grijze monniken waren. Onder de andere slip zag men vrouwen en mannen, Gods vrienden, religieuzen en anderen. En allen riepen eenstemmig: “Erbarm u, barmhartige God!”

    Daarop heerschte stilte, en de maagd sprak en zeide: “Die ten volle geloof heeft, kan bergen verzetten.”
    “Wat kunnen en moeten dan niet de stemmen van u allen, die geloof hadden en God dienden met gloeiende liefde? Wat moeten ook niet die vrienden Gods doen, wien hij verzocht, voor hem te bidden, dat hij van de hel bevrijd mocht blijven en het hemelrijk beërven? Hoe moeten al hun tranen en gebeden hem niet helpen en verlichten, opdat hij voor zijn dood innig berouw krijgt uit liefde? En daartoe zal ik mijn gebeden vereenigen met de gebeden van alle heiligen, die in den hemel zijn, en die hij bizonder vereerde.”

    Verder zeide de maagd: “O, geesten des afgronds, ik beveel u in naam des rechters acht te geven op wat gij nu ziet in de gerechtigheid.” Zij antwoordden allen als uit één mond en zeiden: “Wij zien dat weinig water in de wereld en veel wind Gods gramschap bedaren. Zoo wordt door uw gebed ook God verzacht tot liefderijke erbarming. Daarop klonk de stem van de zon, zeggende: “Door mijn gebeden zal deze bovennatuurlijk berouw hebben voor zijn dood, zooveel dat hij niet in de hel zal komen, maar gereinigd zal worden met hen, die een harde straf in het vagevuur moeten doorstaan. En als de ziel gezuiverd is, zal zij loon in den hemel krijgen met hen, die op aarde geloof en hoop hadden, zijt ook slechts met geringe liefde.”

    Daarop scheen het Gods bruid, alsof een afzichtelijke, donkere plaats zich opende, waarin het inwendige van een gloeienden oven zichtbaar was, en dat vuur had geen andere brandstof dan geesten des afgronds en levende zielen. En boven dezen oven was de ziel te zien, wier oordeel nu vernomen werd. De voeten van de ziel waren aan den oven bevestigd, en de ziel stond recht op als een mensch. Zij stond niet op de hoogste en niet op de laagste plaats, maar als op den kant van den oven. Zij zag er vreeselijk en zeer vreemd uit.

    Toen klonk de stem van de ziel, die vijfmaal onder tranen en uit alle macht riep: “Wee, wee!” Eerst zeide zij: “Wee mij, dat ik God zoo weinig lief had, voor Zijn groote goedheid en de genade, die mij gegeven was.” De tweede maal: “Wee mij, dat ik Gods rechtvaardigheid niet zoozeer vreesde als ik moest.” De derde maal: “Wee mij, want ik beminde de lusten van mijn zondig vleesch en van mijn lichaam!” de vierde maal: “Wee mij, van weges werelds rijkdommen en mijn hoodmoed!” De vijfde maal: “Wee mij, dat ik ooit Lodewijk en Johanna gezien heb!”

    En toen zeide de engel tot mij: “Ik zal u dit visionen uitleggen. Het paleis dat gij zaagt is het beeld van het hemelrijk. En de menigte, die op zetels zat, gekleed in witte, glinsterende kleederen, zijn de engelen en de zielen der heiligen. De zon beteekent Christus in Zijn godheid, de vrouw de maagd, die God baarde, de neger den duivel, die de ziel verried. De ridder beteekent den engel, die de goede daden van de ziel vermeldt, de oven beteekent de hel, die inwendig zoo gloeiend is, dat indien geheel de wereld brandde met alles wat er in is, het niet te vergelijken zou zijn met de vlammen en de hitte van dezen oven. In dezen oven zijn verschillende stemmen, alle hun woorden beginnend en eindigend met wee.

    En de zielen verschijnen als menschen, wier ledematen als op de pijnbank uitgerekt worden en nooit rust krijgen. Gij zult ook weten, dat het vuur dat in den oven te zien is, in eeuwige duisternis brandt. En de zielen, die er in branden, hebben niet allen dezelfde kwellingen. En het duister, dat om den oven zichtbaar is, wordt Limbus genoemd en onstaat door de duisternis, die in den oven is, en zij vormen beide één gebied en één hel.

    En wie er in komt zal nooit naderen tod God. Boven dit duister is de hardeste en zwaarste kewlling van het vagevuur, die de zielen verdragen kunnen. En boven deze is een andere, waar de kwelling minder is, eigenlijk niets anders dan een verzwakking der krachten, wat ik door de volgende gelijkenis duidelijk zou kunnen maken: alsof iemand ziek was en door de ziekte en pijn kracht noch macht in de ledematen had, maar die eerste langzamerhand terug kreeg. Verder is er een derde plaats waar geen andere kwelling is, dan het verlangen naar God.

    En opdat gij het nog beter zoudt begrijpen, zal ik het door een gelijkenis duidelijk maken. Het is of een metaal met goud vermengd moet branden in het heetste vuur en zoo lang gezuiverd moet worden tot het metaal verteerd is en alleen het zuiver goud overblijft. En hoe krachtiger het metaal is en hoe grooter de hoeveelheid, des te heeter moet het vuur zijn, vóór het goud vloeiend wordt als water en gloeiend. Daarop brengt de meester het goud naar een andere plaats, waar het een bepaalden worm kan krijgen, die gezien en behouden kan worden.
    Daarna zendt hij het naar een derde plaats, waar het bewaard kan worden en aan den eigenaar overhelaten. Geestelijk is het ook zoo. Op de eerste plaats, boven de diepe duisternis, is de zwaarste pijn van het vagevuur, waar gij zaagt hoe de ziel gereinigd werd. Daar worden de zielen door de booze geesten aangeraakt, daar verschijnen giftige wormen en afzichtelijke dieren, daar is hitte en koude en duisternis.

    Daar hebben enkele zielen grootere en andere mindere pijnen, al naarmate de zonden uitgeboet waren of niet, toen de ziel nog in het lichaam was. Daarop brengt de meester, dat is Gods rechtvaardigheid, het goud, dat zijn de zielen, naar andere plaatsen, waar niets anders is dan het onvermogen harer krachten en waar de zielen moeten verblijven tot zij hulp krijgen van hun bizondere vrienden, of van de nimmer onderbroken werken der heilige Kerk. En hoe meer hulp de ziel krijgt, des te sneller herleeft zij en wordt zij gered. Daarna wordt de ziel gevoerd naar de derde plaats, waar geen pijn is, maar alleen de begeerte om in Gods nabijheid te komen en voor Zijn zalig aanschijn. Hier verblijven velen en zeer lang, uitgezonderd zij die vurig verlangen hadden, terwijl zij in de wereld leefden, om in Gods nabijheid en voor Zijn aanschijn te komen.

    Gij zult ook weten, dat velen in de wereld sterven zoo rechtvaardig en onschuldig, dat zij dadelijk in Gods tegenwoordigheid en voor Gods aanschijn komen. En sommigen hebben hun zonden zoo afgeboet door goede werken, dat hun zielen geen pijnen zullen kennen. Maar de meesten bevinden zich daar, waar alleen de begeerte is om bij God te komen. En alle zielen, die in deze drie plaatsen vertoeven, hebben deel aan de gebeden der heilige Kerk en aan de goede werken, die in de wereld verricht worden, en vooral de goede werken, die zij deden, terwijl zij leefden, en die, welke hun vrienden voor hen doen na hun dood.

    Gij zult ook weten dat evenals de zonden veelvuldig zijn en verschillend, ook de straffen veelvuldig en ongelijk zijn. Want evenals iemand die honger heeft zich verheugt over eten, dat naar zijn mond komt, en iemand die dorst heeft over drinken, die verdriet heeft over blijdschap en die naakt is over kleederen, en een zieke zich verheugt op rust, zoo verheugen de zielen er zich op deel te hebben aan de goede werken, die voor hen op aarde gedaan worden.”

    Daarop zeide de engel: “Gezegend hij, die in de wereld de zielen helpt met gebeden en goede werken en met lichamelijke werken van barmhartigheid, want Gods rechtvaardigheid kan niet bedriegen, die zegt, dat de zielen na den dood door de pijnen van het vagevuur gereinigd moeten worden, of snel verlost door de goede werken harer vrienden.”

    Toen klonken er vele stemmen uit het vagevuur, zeggende: “O! Heere Jezus Christus, rechtvaardige rechter, zend uw liefde naar hen, die geestelijke macht bezitten op aarde; dan kunnen wij nog meer dan nu deel hebben an de verdiensten van hun gezang, hun bidden en hun offers.” Boven de ruimten, waaruit dat geroep klonk, was iets te onderscheiden, wat op een huis geleek, waarin vele stemmen klonken, die zeiden: “Mogen zij loon van God ontvangen, die ons hulp zonden in onze pijnen en nood!”
    En in dat huis scheen morgenrood op te stijgen, en onder het morgenrood was een wolk, die niets van het licht van het morgenrood had. En uit het morgenrood klonk een krachtige stem, die zeide: “O, Heere God, geef met Uw onmetelijke macht honderdvoudig loon aan een ieder op aarde, die ons verhief met goede werken tot het licht van Uw godheid en het aanschouwen van Uw gelaat.”

    Wordt  vervolgd.

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE DAG VAN DE HEER.

    Hoofdstuk 2
    De dag van de HEER
    [1] Dit zijn de woorden van Jesaja, de zoon van Amos; het visioen dat hij zag over Juda en Jeruzalem.
      [2] Eens zal de dag komen dat de berg
    met de tempel van de HEER rotsvast zal staan,
    verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen.
    Alle volken zullen daar samenstromen,
     
      [3] machtige naties zullen zeggen:
    ‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER,
    naar de tempel van Jakobs God.
    Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen,
    en wij zullen zijn paden bewandelen.’
    Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht,
    vanuit Jeruzalem spreekt de HEER.
      [4] Hij zal rechtspreken tussen de volken,
    over machtige naties een oordeel vellen.
    Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers
    en hun speren tot snoeimessen.
    Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk,
    geen mens zal meer weten wat oorlog is.
      [5] Nakomelingen van Jakob, kom mee,
    laten wij leven in het licht van de HEER.
      [6] U hebt uw volk, Jakobs nakomelingen, verstoten.
    Zij waren ontvankelijk voor invloeden uit het Oosten,
    net als de Filistijnen lieten zij zich in met waarzeggerij,
    ze zijn met vreemde gebruiken vertrouwd geraakt.
     
      [7] Ze vulden hun land met zilver en goud,
    hoe meer schatten, hoe beter.
    Ze vulden hun stallen met paarden,
    hoe meer wagens, hoe beter.
      [8] Ze vulden hun huizen met afgoden,
    vereerden wat zij zelf hadden gemaakt,
    goden die ze vormden met hun eigen handen.
      [9] Ze zullen vernederd worden, buigen zullen ze.
    Nee, vergeef het hun niet!
      [10] Verschuil je tussen de rotsen, verberg je onder de grond,
    vlucht voor de vreselijke macht van de HEER,
    voor zijn geduchte majesteit.
     
      [11] Wie hoogmoedig was, slaat de ogen neer,
    wie trots was, buigt het hoofd.
    Want de dag komt
    dat alleen de HEER hoog verheven is.
      [12] Op die dag zal de HEER van de hemelse machten
    zich keren tegen ieder die hoogmoedig is en trots,
    tegen ieder die zich verheven acht – ze worden vernederd! –,
      [13] tegen alle ceders van de Libanon
    die zich zo trots verheffen,
    tegen de eiken van Basan,
      [14] tegen de bergen met hun trotse hoogte
    en de heuvels die zich hoog verheffen,
      [15] tegen iedere hoge toren,
    tegen elke machtige muur,
      [16] tegen alle trotse handelsschepen,
    schepen met kostbare lading.
      [17] Wie hoogmoedig was, buigt het hoofd,
    wie trots was, bijt in het stof.
    Want de dag komt
    dat alleen de HEER hoog verheven is.
      [18] Dan zullen de afgoden in het niets verdwijnen.
      [19] Men schuilt weg in rotsspelonken,
    in holen in de grond,
    op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER,
    voor zijn geduchte majesteit,
    wanneer zijn komst de aarde schokt.
      [20] Op die dag zullen de mensen de afgoden,
    gesmeed van hun zilver en goud,
    gemaakt om te vereren,
    prijsgeven aan ratten en vleermuizen.
      [21] Ze zullen wegschuilen in rotsholen,
    in kloven en bergspleten,
    op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER,
    voor zijn geduchte majesteit,
    wanneer zijn komst de aarde schokt.
      [22] Schenk de mens niet langer aandacht.
    Wat is hij zonder adem in zijn neus?
    Wat heeft hij te betekenen?
     



    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE KOMST VAN DE MENSENZOON.

    Hoofdstuk 24
    De komst van de Mensenzoon
    [1] Nadat Jezus de tempel had verlaten, wendden zijn leerlingen zich onderweg tot hem en vestigden zijn aandacht op de tempelgebouwen. [2] Hij zei tegen hen: ‘Hebben jullie dat alles goed gezien? Ik verzeker jullie: geen enkele steen zal op de andere blijven, alles zal worden afgebroken!’
         [3] Op de Olijfberg ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen, en nu ze onder elkaar waren vroegen ze: ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we uw komst en de voltooiing van deze wereld herkennen?’ [4] Jezus antwoordde hun: ‘Pas op dat niemand jullie misleidt. [5] Want er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zeggen: “Ik ben de messias,” en ze zullen veel mensen misleiden. [6] Jullie zullen berichten horen over oorlogen en oorlogsdreiging. Laat dat je dan niet verontrusten, die dingen moeten namelijk gebeuren, al is daarmee het einde nog niet gekomen. [7] Het ene volk zal tegen het andere ten strijde trekken en het ene koninkrijk tegen het andere, en overal zullen er hongersnoden uitbreken en zal de aarde beven: [8] dat alles is het begin van de weeën. [9] Dan zal men jullie onderdrukken en doden, en jullie zullen door alle volken worden gehaat omwille van mijn naam. [10] Velen zullen dan ten val komen, ze zullen elkaar verraden en elkaar haten. [11] Er zullen talrijke valse profeten komen die velen zullen misleiden. [12] En doordat de wetteloosheid toeneemt, zal bij velen de liefde bekoelen. [13] Maar wie standhoudt tot het einde, zal worden gered. [14] Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen.
         [15] Wanneer jullie dus de “verwoestende gruwel” waarover gesproken is door de profeet Daniël, zien staan op de heilige plaats (lezer, begrijp dit goed), [16] dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten; [17] wie op het dak van zijn huis is moet niet naar beneden gaan om nog spullen te halen, [18] en wie op het land is moet niet terugkeren om zijn mantel te halen. [19] Wat zal het rampzalig zijn voor de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben! [20] Bid dat jullie niet in de winter zullen moeten vluchten en ook niet op sabbat. [21] Want het zal een tijd zijn van enorme verschrikkingen, zoals er sinds het ontstaan van de wereld tot nu nooit geweest zijn en er ook niet meer zullen komen. [22] En als die tijd niet verkort zou worden, dan zou geen enkel mens worden gered; maar omwille van de uitverkorenen zal die tijd worden verkort. [23] Als iemand dan tegen jullie zegt: “Kijk, dit is de messias,” of: “Daar is hij,” geloof dat dan niet. [24] Want er zullen valse messiassen en valse profeten komen, die indrukwekkende tekenen en wonderen zullen verrichten om ook Gods uitverkorenen zo mogelijk te misleiden. [25] Let op, ik heb jullie dit van tevoren gezegd. [26] Wanneer ze dus tegen jullie zeggen: “Kom mee, hij is in de woestijn,” ga er dan niet heen, of als ze zeggen: “Kijk, hij is daarbinnen,” geloof dat dan niet. [27] Want zoals een bliksemschicht vanuit het oosten weerlicht tot in het westen, zo zal ook de Mensenzoon komen. [28] Waar een lijk is, daar zullen de gieren zich verzamelen.
         [29] Meteen na de verschrikkingen van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan geen licht meer geven, de sterren zullen uit de hemel vallen en de hemelse machten zullen wankelen. [30] Dan zal aan de hemel het teken zichtbaar worden dat de komst van de Mensenzoon aankondigt, en alle stammen op aarde zullen zich van ontzetting op de borst slaan als ze de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel, bekleed met macht en grote luister. [31] Dan zal hij zijn engelen uitzenden, en onder luid bazuingeschal zullen zij zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeenbrengen, van het ene uiteinde van de hemelkoepel tot het andere. [32] Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is. [33] Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat het einde nabij is. [34] Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren. [35] Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen.
         [36] Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het. [37] Zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het zijn wanneer de Mensenzoon komt. [38] Want zoals men in de dagen voor de vloed alleen maar bezig was met eten en drinken, met trouwen en uithuwelijken, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging, [39] en zoals men niet wist dat de vloed zou komen, totdat die kwam en iedereen wegnam, zo zal het ook zijn wanneer de Mensenzoon komt. [40] Dan zullen er twee op het land aan het werk zijn, van wie de een zal worden meegenomen en de ander achtergelaten. [41] Van twee vrouwen die samen aan de molen draaien, zal de ene worden meegenomen en de andere achtergelaten. [42] Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag jullie Heer komt. [43] Besef wel: als de heer des huizes had geweten in welk deel van de nacht de dief zou komen, dan zou hij wakker gebleven zijn en niet in zijn huis hebben laten inbreken. [44] Daarom moeten ook jullie klaarstaan, want de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht.

         [45] Wie is die betrouwbare en verstandige dienaar die de heer heeft aangesteld over zijn huispersoneel om hun op tijd te eten te geven? [46] Gelukkig de dienaar die daarmee bezig is wanneer zijn heer komt. [47] Ik verzeker jullie: hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit. [48] Slecht is echter de dienaar die bij zichzelf zegt: Mijn heer blijft voorlopig nog weg, [49] en die zijn mededienaren begint te slaan en het met dronkaards op een slempen zet. [50] Dan zal de heer van die dienaar komen op een dag waarop hij het niet verwacht en op een tijdstip dat hij niet kent, [51] en hij zal hem straffen met zijn zwaard en hem het lot van de huichelaars laten ondergaan; daar zal hij met hen jammeren en knarsetanden.



    07-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN ALLEN EEN GEZEGENDE DINSDAG TOEGEWENST.

    N.

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.The Miracle of Damascus - Part 25.
     
    The Miracle of Damascus - Part 25.



    Foto

    Getuigenissen van de jongeren van Cenacolo
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7

  • Foto

    Foto

    Foto

    Godelieve heeft voor mij
    deze prachtige pps gemaakt
    waarvoor mijn dank





    Foto

    Schrijft u wat in mijn gastenboek
    klik dan op het boek boven




    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Klik op het plaatje en krijg een prachtige rondleiding door het Vaticaan
    Ieder nummertje is weer iets moois
    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Foto

    Een interessant adres?


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Meer blogs