For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
14-12-2010
Een eenvoudig gebed.
O God, ik ben een vat vol tegenstrijdigheden.
Het ene moment
hef ik mijn handen in aanbidding naar U op
en het andere moment schud ik mijn vuist naar U.
Ik word heen en weer geslingerd
tussen groeiende hoop
en steeds dieper wordende wanhoop.
Ik heb een groot geloof, maar ook sterke twijfels.
Ik gun anderen het beste,
maar ben jaloers als ze het krijgen.
Toch wil ik niet voor U weglopen, o God.
En ik wil me ook niet beter voordoen dan ik ben.
Dank U dat U me accepteert
met al mijn tegenstrijdigheden.
Amen.
08-12-2010
AAN ALLEN EEN GEZEGENDE WOENSDAG TOEGEWENST.
N. ( M ).
WOENSDAG 8 DECEMBER 2010 FEEST VAN DE ONBEVLEKTE ONTVANGENIS.
WOENSDAG 8 DECEMBER 2010 FEEST VAN DE ONBEVLEKTE ONTVANGENIS
Het GENADE-UURVAN 12.00 uurTOT 13.00 uur.
De Allerheiligste Maagd Maria heeft in een kleine kerk in Montichiari, aan zuster Pierina Gilli gevraagdom een gebedsuur te houden op deze dag. Het zal dan een dag van Genade worden voor hen die het genade-uur in ere houden.Dit gebedsuur wordt doorgebracht in alle stilte op een plaats naar keuze, maar een plaats die Niet storend is voor het gebed, ten eindevolledig geconcentreerd de aandacht op het gebed te houden. Men begint met driemaal Psalm 51 te bidden, (met uitgestrekte armen). [1]
Vervolgens bidt men een tientje (de droevige mysteries), en maakt men de geest ledig om zich totaal in het lijden van Jezus te verdiepen.Men dankt God de Vader, dat Hij zijn Zoon heeft willen zenden. Men dankt de Heilige Geest omdat Hij met het Ja-woord van de Heilige Maagd, Haar tot bruid heeft genomen.Men dankt Jezus omdat Hij mens is geworden en omdat Hij heeft willen lijden en sterven voor de redding van alle mensen. Ook vroeg de Allerheiligste Maagd om boete te doen. Zij zei: Boete is niets anders dan het aanvaarden van onze dagelijkse kruisjes. Hoe klein ze ook zijn aanvaardt ze met liefde Dan vroeg Zij aan Zuster Pierina om op 8 december s middags terug te komen. Dit zal mijn Uur van Genade zijn. De Zuster vroeg hoe zij zich moest voorbereiden op dit Uur van Genade, waarop Maria antwoordde, met gebeden en boete. Bidt Psalm 51 driemaal met uitgestrekte armen. Gedurende dit Uur van Genade, worden zeer veel geestelijke genaden gegeven. De meest verharde zondaars zullen geraakt worden door de genade van God. De Gezegende Maagd beloofde: Wat men ook vraagt gedurende dit Uur van Genade, het zal verleend worden, indien het in overeenstemming is met de Wil van de Eeuwige Vader.
HET BEGRIP âMILLENNIUMâ IN DE APOCALYPS.
HET BEGRIP MILLENNIUM IN DE APOCALYPS.
Conferentie door E.H. P. van de Kerckhove.
De tussentijdse wederkomst van Jezus en het Millennium.
De wederkomst van Christus is in het Nieuwe Testament duidelijk verbonden met het einde van de wereld (cfr. 1 Kor. 15). De overleden gelovigen, die gestorven zijn in de Heer, zullen glorierijk verrijzen bij Zijn komst: d.i. Zijn wederkomst bij het einde van de wereld.
Maar wat moeten wij denken van een zgn. tussentijdse wederkomst, nog voor het einde van de wereld? Bestaan daarover teksten in het Nieuwe Testament? Zo spreekt bv. Apoc. 20 over een duizendjarig rijk tussen de eerste opstanding en de algehele opstanding op het einde van de wereld. Er is in de theologie en de exegese een stroming die gelooft dat Christus tussentijds zal wederkomen en dat er een eerste verrijzenis zal plaatsvinden van de goede christenen. Dan zou een periode van 1000 jaren volgen, een periode van vrede en voorspoed waarin Christus zal heersen op aarde. Als de periode van 1000 jaren voorbij is, zal Satan worden losgelaten (Apoc. 20,7) op aarde en hij zal vele volkeren misleiden. Maar vuur zal neervallen uit de hemel en hem vernietigen. De duivel wordt in de hel geworpen voor eeuwig. Christus zal dan wederkomen als Rechter over levenden en doden op het einde van de wereld. Dan zal er een algehele eindverrijzenis en een algemeen en laatste oordeel plaatsvinden (Apoc. 20,11).
Wordt er in het Nieuwe Testament gesproken over een tussentijdse wederkomst van Christus op aarde of is er alleen sprake van zijn glorievolle wederkomst op het einde van de wereld? Om deze vraag te beantwoorden, ondervragen we de Heilige Schriften: I) De Evangeliën. II) Brieven van Paulus. III) Apocalyps, vooral Apocalyps 1-10, waar sprake is van het millennium het 1000 jarige rijk. Mijn conclusie zal zijn dat de theorie van een tussentijdse wederkomst berust op een fantaserende interpretatie.
I) De Evangeliën.
In Zijn eschatologische redevoering spreekt de Heer over Zijn komst, d.i. steeds Zijn wederkomst. Maar kan men hierin een onderscheid maken tussen een tussentijdse en een laatste wederkomst? Neen, de tekst spreekt over slechts één wederkomst en dit is de wederkomst op het laatste oordeel. Maar Lucas zegt dat bij de wederkomst van Jezus er van twee vrouwen één wordt achtergelaten en de andere wordt opgenomen. Hoe kan dit slaan op de laatste wederkomst? Deze uitspraak van de Heer is uiteraard een parabolische uitspraak zoals bij de dwaze en de wijze maagden. De enen blijven buiten staan, de anderen gaan mee binnen met de Bruidegom wanneer Hij komt. Die komst wordt dan uitgelegd als het komen van Christus bij de dood van ieder van ons.
Wees dus waakzaam en bereid u voor tijdens uw leven want de dood komt als je het niet verwacht. Er is een bijzonder oordeel voor ieder van ons! De komst van de Bruidegom wordt in de exegese dan ook toegepast op de laatste wederkomst van Christus op het einde van de wereld. Een tussentijdse wederkomst in millennaristische zin is een interpretatie die voortkomt uit een materialistische lezing van de teksten die parabolische voorspellingen zijn.
In het Onze Vader bidden we: Uw Rijk kome. Dat is volgens sommigen een bede voor een tussentijdse wederkomst in millennaristische zin. Maar Zijn Rijk is al 2000 jaar gekomen. Het is begonnen met de stichting van de Kerk van Christus op aarde, dus met Zijn eerste komst. Dat Rijk zal in volle glorie zijn na het laatste oordeel (Apoc. 21). De bede van het Onze Vader is een bede opdat de hemelse zaligheid ons zou toekomen, d.w.z. opdat ze ons zou ten deel vallen bij de dood van ieder van ons en bij het laatste oordeel. Met een tussentijdse wederkomst van Christus heeft dit niets te maken.
Bij de hemelvaart van Jezus zeiden twee mannen: Deze Jezus zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie Hem naar de hemel hebben zien gaan. Dat zou volgens sommigen niet kunnen slaan op de laatste wederkomst van Christus. Men denkt, en men dacht reeds in Jezus tijd, dat Zijn wederkomst bedoeld was om het rijk van Israël te herstellen. Jezus tijdgenoten hadden vaak een te materialistische, aardse visie op dat Rijk. Millennaristen geloven dat Jezus zal wederkomen op aarde om een rijk van 1000 jaren te vestigen. Welnu, het gaat ook in het geval van de Hemelvaart om de laatste wederkomst van Jezus Christus. De twee engelen zeiden helemaal niet dat Jezus zou wederkomen om het rijk van Israël te herstellen, of een aards rijk te vestigen in materiële zin. De woorden van de engelen verwijzen naar het opstijgen ten hemel en het wederkomen uit de hemel bij Zijn laatste wederkomst. Deze tekst moet ook gelezen worden in het licht van de andere teksten over Zijn wederkomst. Het Rijk Gods, dat gevestigd is op aarde, is juist de Kerk vanaf Pinksteren.
II) Brieven van Paulus.
In 1 Kor. En 1 en 2 Thess. zegt Paulus dat al wie op het einde van de wereld nog in leven is, zal getransformeerd worden (alle codices hebben deze tekst in 1 Kor. 15!). De doden zullen verrijzen. De Heer zal neerdalen uit de hemel. De doden zullen verrijzen en wij, die dan nog in leven zijn, zullen opgenomen worden met hen. Het gaat in deze teksten telkens om de laatste wederkomst van Christus. Op het moment van Zijn laatste wederkomst zullen zij die dan nog in leven zijn, niet eerst sterven en dan verrijzen, maar zij zullen getransformeerd worden.
Iedereen moet sterven, behalve diegenen die nog in leven zullen zijn bij Zijn wederkomst op het einde. Paulus spreekt daarbij over gedoopte christenen die nog in leven zullen zijn. Over het lot van de heidenen zegt hij niets.
In Rom. 8,19-23 is de bevrijding van ons lichaam, die op het einde bij de algehele eindverrijzenis. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde veronderstellen dat de oude eerst zullen vernietigd worden en dat gebeurt pas bij het einde van de wereld. Het nieuwe Rijk Gods is dat van de eeuwige glorie. Er is geen tussentijds rijk op aarde, dat voor het einde van de wereld zou moeten gevestigd worden. Een dergelijk geloof zou vernietigend geweest zijn voor de hoop op hemelse glorie en gelukzaligheid. De theorie van een tussentijdse wederkomst baseert zich op de hoop naar een louter aards geluk. Onze christelijke hoop is juist gevestigd op de hemel!
Ook Hebr. 9,28 bevestigt dat de tweede komt van Christus de laatste wederkomst is op het einde. Heil of redding voor de Joden zal ook komen door hun bekering bij Zijn wederkomst op het einde van de wereld!
III) Apocalyps.
Het Millennium (Apoc. 20,1-10): hemels, of aards, of allebei?
Sommige exegeten geven aan het 1000 jarige rijk een materiële of aardse interpretatie (Justinus, Ireneüs, Hiëronymus; Augustinus, in De Civitate Dei 20: de 1000 jaren is het bestaan van de Kerk op aarde. ). Sommige anderen geven er een spirituele of hemelse interpretatie aan (Origenes, Cyprianus, Hypollitus, Gourgues o.p. The Thousand Year Reign CBQ 1985; Giblin S.J. The Millennium as Heaven NTS 1999; U. Vanni in Missionalia 42, 1993: het 1000 jarige rijk is Gods overwinning op het kwade! ). Persoonlijk vind ik mijn interpretatie de beste. Ik noem ze de interpretatie van de dubbele dimensie!
De interpretatie van de dubbele dimensie.
1. Apoc. 20,1-3 - 1000 jaar in de aardse dimensie:
Toen zag ik een engel uit de hemel neerdalen met de sleutel van de Afgrond en een grote ketting in zijn hand. En hij greep de Draak, de oude Slang dat is de Duivel, de Satan en hij boeide hem voor duizend jaren, en wierp hem in de Afgrond, die hij grendelde en verzegelde boven zijn hoofd, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden voordat de duizend jaren voorbij waren. Daarna moet hij voor een korte tijd worden losgelaten.
Wat Johannes hier in Apoc. 20 bedoelt met het gevangen houden van Satan is ongeveer hetzelfde als wat Paulus bedoelt als hij schrijft in II Thess. 2,3-8 dat er iets is dat de Satan tegen houdt of vasthoudt en hem verhindert zich te manifesteren. Dat iets is de reddende actie van de Kerk waardoor mensen geloven in Jezus Christus en door dat geloof ook eeuwig leven vinden (zie mijn exegetische commentaren bij II Thess.). Chronologische precisie moet de lezer hier, of in wat voorafgaat in de Apoc. niet zoeken. De vooraf in de Apoc. beschreven taferelen van de strijd tegen het Beest, tegen de Draak, de oorlog etc. zijn wel historisch maar niet in de chronologische zin van het woord (niet alsof men jaar na jaar kan zien wat er zal gebeuren!). Gebeurtenissen worden als parallel voorgesteld in tijdsoverlappende beschrijvingen. Zo is ook het visioen van Apoc. 20 dat begint met de woorden: Toen zag ik een engel uit de hemel neerdalen Sommige exegeten denken dat wat in de tekst op elkaar volgt in de Apoc. dat dit elkaar ook volgt in chronologische orde. Maar dat is een vergissing. De structurele analyse is m.i. beter geschikt voor de exegese van de Apocalyps dan de historische analyse!
De reddende actie van de Kerk dus die maakt dat vele zielen gered worden, betekent niet dat er geen mensen zijn die het geloof zullen verwerpen. Maar aan ieder die gelooft in Zijn Naam (Proloog 4de Evangelie) heeft Hij het vermogen gegeven om kinderen van God te worden.
Paulus schrijft aan de Thess. dat de antichrist nu al aan het werk is en Petrus in I Petr. schrijft dat de duivel ronddwaalt tot verderf van de zielen maar er komt een tijd, en die tijd moet nog komen (nota: ik schrijf in anno 2010), dat geloofsafval en zedenbederf en corruptie door macht en geld zo zal toenemen dat de reddende kracht van de Kerk erdoor zal te niet gedaan worden. Dan zal de Satan losgelaten worden. Hij zal de antichrist lanceren, d.i. een tegenpool van Christus, die de mensen zal aanzetten tot ontucht en hebzucht en alle zonden tot verderf van de zielen. Dat wil ook zeggen dat de verderfelijke godsdiensten en filosofieën vrij zullen kunnen verkondigd worden en velen zullen tot geloofsafval komen. De Heer Jezus zegt Zelf dat die tijd zal ingekort worden want dat anders de Satan zelfs de uitverkorenen zou kunnen misleiden.
Paulus schrijft dat de geloofsafval zo groot zal worden dat er quasi totale apostasie komt. Maar dan zal God ingrijpen en komt Christus terug in al Zijn Glorie voor een laatste en universeel oordeel (Apoc. 20,11-17). In de aardse dimensie is de 1000 jaren de gehele tijd van de Kerk op aarde tot aan het laatste oordeel.
2. Apoc. 20,4 - 1000 jaar in de hemelse dimensie:
En ik zag tronen en zij namen daarop plaats en hun werd het oordeel gegeven. Ik zag de zielen van hen die onthoofd waren vanwege het getuigenis van Jezus en het Woord van God, en zij die het Beest en zijn beeld niet hadden aanbeden en het merkteken niet hadden aangenomen op hun voorhoofd en op hun hand. En zij werden weer levend en heersten met Christus, duizend jaren lang. Dit is de eerste verrijzenis.
Voor een goed begrip van het 1000 jarige rijk is de context van groot belang. Wie namen er plaats op de tronen? In het licht van de Evangeliën gaat het om de apostelen die oordeelsmacht gekregen hebben over het nieuwe Israël (Mat. 19; Luc. 22,30). Zij die als martelaren gestorven zijn en zij die (Gr. kai hoitines heeft m.i. een nevenschikkende betekenis) trouwe gelovigen geweest zijn, ze werden levend (Gr. ezèsan de 3de persoon meervoud, een aorist, van het werkwoord zaô leven d.i. is hier m.i. in de zin van het eeuwig leven in de eeuwige glorie. Cfr. Thess. 5,10: samen met Christus leven Filip. 1,21: voor mij is het leven Christus en sterven een gewin. Joh. 11,25: wie in Mij gelooft, ook al is hij gestorven, zal leven ) en ze heersten met Christus duizend jaren lang.
Veel hangt af van hoe men het Grieks ezèsan vertaalt. Zo men het vertaalt als ze werden weer levend, (d.i. in de fysieke zin van een lichamelijke verrijzenis) dan vervalt men in een millennarisme dat letterlijk wordt opgevat. Mijn vertaling past beter in de spiritualiserende interpretatie. Alle trouw gebleven gelovigen (martelaren e.a.) werden levend, d.w.z. ze zijn in de hemel waar ze leven in de eeuwige glorierijke toestand van het hiernamaals. In de hemelse dimensie is de 1000 jaar een beeld voor de eeuwige zaligheid in de hemel.
Zo mijn interpretatie juist is, is de eerste verrijzenis het verheerlijkte leven van de ziel bij God, na de dood van het menselijke lichaam. De 1000 jaar van hemelse zaligheid is echter verbonden met de geschiedenis van de Kerk op aarde, de instelling, door Christus gesticht, tot het einde van de wereld.
Ezèsan is een aorist die ik vertaal als ze werden levend. Het punctuele feit is de overgang van dood naar levend, waarbij de ziel leeft in de eeuwige glorie van God. Deze aorist is bovendien de vertaling van een Semitisch profetisch perfectum. Het is een perfectum met tegenwoordige en toekomstige betekenis. Ze leven en zullen leven, d.w.z. allen die nog zullen volgen tot het einde van de wereld zitten erin begrepen, totdat het getal bereikt is (Apoc. 6,11) dat God heeft vastgesteld in Zijn oneindige Wijsheid.
3. Apoc. 2O,5 - 1000 jaar in de aardse dimensie:
De andere doden werden niet levend totdat de duizend jaren voorbij waren.
De andere doden, de ongelovigen en de ontrouwe christenen, zullen niet leven. Dit betekent dat zij na de dood in de sheôl terechtkomen waar zij niet leven in Gods heerlijkheid, zij blijven hiervan verstoken. Ze zullen echter wel deelhebben aan de algehele, fysieke eindverrijzenis als de 1000 jaren voorbij zijn (d.i. het millennium in de aardse dimensie). Bij deze eindverrijzenis zullen de heiligen fysiek verrijzen ten eeuwigen leven en de boosdoeners zullen verrijzen tot eeuwige verdoemenis.
Het begrip verrijzenis (Gr. anastasis) is geestelijk (de eerste verrijzenis) of fysiek (de tweede op de eindverrijzenis).
Het begrip dood (Gr. thanatos) is geestelijk (de tweede dood = de eeuwige verdoemenis) of fysiek (de eerste dood = het overlijden van het lichaam).
Zo zien we dat bij Johannes sommige begrippen ambivalent zijn zoals dood en verrijzenis en zoals het begrip millennium, dat ook een tweedimensionale betekenis heeft. Hierin ligt de rijkdom van de tekst van Johannes.
Dat de andere doden niet levend werden, betekent dat ze geen deel hadden aan de eerste verrijzenis van de trouwe gelovigen, tot aan het einde van de 1000 jaren (d.i. de periode van de Kerk op aarde), dan zullen zij deel hebben aan de eindverrijzenis (de tweede verrijzenis). Dan komt het laatste en universele oordeel. De boosdoeners zullen dan de tweede dood sterven. Het begrip tweede dood is eveneens Joods en komt zes maal voor in de Targoems in de betekenis van eeuwige verdoemenis (Targ. Deut. 33,6; Jes. 65,5 ).
De eerste verrijzenis heeft m.i. een geestelijke betekenis. Het is de voorlopige gelukzaligheid van de zielen in afwachting van het laatste oordeel en de eindverrijzenis die zal plaatsvinden op het einde van de wereld. Dat is dan de tweede verrijzenis. Van deze voorlopige gelukzaligheid is de staat van genade op aarde reeds het begin. Die term eerste verrijzenis komt ongeveer overeen met de verrijzenis volgens het Boek Jubileeën Hst. 23; Testament van Juda 25; van Zabulon Hst. 10, waar juist met verrijzenis een nieuw leven van de ziel bedoeld wordt na de dood. De tweede verrijzenis (de term staat niet in Apoc.) is dan de verrijzenis van de doden op het einde van de wereld, waarvan sprake in het O.T. (Dan. 12,2; Jes. 26,19; Ezech. 37,1-11; ) en in joodse, apocalyptische literatuur (4 Ezra; Apoc. Bar.; 2 Makk.; Ps. Van Sal. 13).
De ontrouwe christenen en de ongelovigen die Christus hebben verworpen, zullen bij de eerste dood (d.i. de fysieke, lichamelijke dood) niet delen in de voorlopige hemelse zaligheid en zij zullen bij de algehele eindverrijzenis en het laatste oordeel ook veroordeeld worden en de tweede dood sterven (Apoc. 20,14), d.i. de eeuwige verdoemenis in de hel.
(Over de ongelovigen die Christus niet gekend hebben en dit zonder fout van hunnentwege, heeft Johannes het niet. Dit is in het geval van onoverkomelijke onwetendheid. Dezen zullen ook gered zijn door Gods genade. Dat zal de latere theologie verduidelijken).
4. Apoc. 20,6:Gelukkig zij die delen in de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht. In de zaligsprekingen zegt de Heer (Matth. 5): Zalig zijn jullie als ze jullie vervolgen en van alle kwaad betichten. Weest blij en juicht want groot is jullie loon in de hemel.
Dat loon is juist het leven van gelukzaligheid bij God. Het is dezelfde idee die Apoc. 20 uitdrukt.
Wat is die periode van 1000 jaar? Is dit in letterlijke zin te verstaan, is het een lange periode, of is het één dag, want bij God is één dag als 1000 als duizend jaren zegt Ps. 90,4 (ook II Petr. 3,8 waar ook sprake is van de vernietiging van de oude wereld en de schepping van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde).
In de Apocalyps is de 1000 jaar een beeld van de eeuwige hemelse zaligheid (Apoc. 20,4; 20,6), het zevende millennium van de sabbatrust van God. Het is ook een beeld voor de gehele tijdsduur van de Kerk van Christus op aarde tot het laatste oordeel (Apoc. 20,1-3; 20,5; 20,7). Dit is mijn interpretatie van de dubbele dimensie van 1000 jaar.
De 1000 jaar als vervulling van de scheppingsweek met het messiaanse rijk vinden we ook in 2 Henoch (de geheimen van Henoch), een joods apocalyptisch werk van het begin van de 1ste eeuw en bij de rabbijnen, maar dan wel in aardse, materiële zin geïnterpreteerd. Rabbi Eliezer ben Joseph ha-gelili verwijst hierbij expliciet naar Psalm 90,4 en Jes. 63,4. Ook rabbijn Eliezer ben Hyrcanus (ca. 90 na Chr.) zegt dat het messiaanse rijk 1000 jaar zak duren. Rabbi Eliezer is ongetwijfeld de vertegenwoordiger van de oudere Joodse traditie van voor Christus. Derhalve besluiten Strack & Billerbeck: Kommentar zum Testament aus Talmud und Midrash, vol. III p. 827 Die Möglichkeit das der Verfasser der Offenbarung Johannes die 1000 Jahre der Königsherrschaft des wiederkehrenden Christus in Anlehnung an die jüdische Tradition vom 1000 jährigen Messiasreich formuliert habe, kann daher aus chronologischen Gründen nicht bestritten werden.Een overzicht van de verschillende rabbijnse interpretaties over de tijdsduur van het messiaanse rijk, op basis van verschillende Bijbelpassages, vindt men in de BT Sanhedrin 97a: 2000 jaar; 6000 jaar; 7000 jaar; 400 jaar; 40 jaar; 100 jaar; 3 generaties; 365 jaar; 365.000 jaar
In de christelijke exegese wordt het millennium ook verschillend geïnterpreteerd.
1) De oudste interpretatie beschouwt de 1000 jaar als aards in materiële zin. Christus komt weer om te heersen op aarde. Eusebius vermeldt (H.E. 3,28,2; 7,25,2) hoe Cerinthe einde van de 1ste eeuw en zijn ketters het millennium interpreteerden: Hij leerde dat het Rijk van Christus aards zou zijn en dat de uitverkorenen in Jeruzalem zouden wonen en slaaf van alle passies en plezier des vlees! Hij leerde dat er 1000 jaar lang bruiloftsfeest zou zijn. Over de Apocalyps zei men toen, juist omwille van dat eng millennarisme, dat het niet van Johannes kon zijn. Het is geen Openbaring, besloot Eusebius, want het zit vol dwaling de auteur is geen apostel, maar wel Cerinthe. Dit eng of overdreven millennarisme (of chiliasme) vinden we ook bij Papias, Justinus (Dial. 80) en Ireneüs (A.H. V,33,3; 35,1; 36,3). Dit enge millennarisme opteert voor een tussentijdse wederkomst van Christus waarin Hij een aards rijk zou stichten en er heersen voor 1000 jaren met de uitverkorenen. Dit is echter een misvatting en er is voor zulke interpretatie geen enkel argument te vinden in de Bijbel, noch in de apostolische Geloofsbelijdenis. Het Credo kent maar één wederkomst van Christus, nl. de glorievolle wederkomst op het einde van de wereld. Bij sommige protestantse bewegingen, o.a. de Maranathabeweging, vinden we de oude interpretatie van een aards rijk van Christus in fysieke vorm nog terug. De 1ste verrijzenis leggen zij dan uit als een fysieke, lichamelijke verrijzenis
2) Dit beeld werd verworpen door andere Kerkvaders. Origenes heeft het enge millennarisme veroordeeld als Een dwaze leer, vol ingebeelde noties van naïevelingen die de Schrift interpreteerden zoals de materialistische Joden. Denys van Alexandrië schreef een magistrale weerlegging van dit foute millennarisme en hij ging ook zo ver de Apocalyps als niet authentiek te verklaren. Origenes beschouwde de 1000 jaar als een beeld voor de eeuwige zaligheid. Hiëronymus en Augustinus (De Civitas Dei 20,7) veroordeelden eveneens het enge millennarisme. Het millennium kreeg bij Augustinus de betekenis van de gehele periode van de Kerk op aarde, vanaf Christus eerste komst tot aan Zijn glorievolle wederkomst.
3) Een andere interpretatie ziet in het millennium een bijzondere periode van bloei, voorafgaand aan de glorievolle wederkomst van Christus, maar het is geen letterlijk Rijk met Christus op aarde dus! De eerste verrijzenis is dan in geestelijke zin te verstaan en wordt ook onderscheiden van, bij het laatste oordeel, de eindverrijzenis.
4) Een andere goede interpretatie ziet in het millennium de periode vanaf Christus Hemelvaart en de nederdaling van de Heilige Geest over de apostelen. Christus heeft alle macht over hemel en aarde. Zijn Kerk is zowel aards als hemels. In de hemel is de Kerk bevrijd van aardse structuren, maar op de aarde is de Kerk nog onvolmaakt en in dit leven zijn wij onderhevig aan tegenkantingen, pijn en dood en zijn we zelf ook zwak of zondig.
Tenslotte. De 1000 jaar in Apoc. 20,1-10 is, naargelang de context, en beeld voor volmaakte gelukzaligheid in de hemel, of een beeld voor de periode van de Kerk op aarde die tot het einde van de wereld uitverkorenen verzamelt voor het hemelse Rijk! Hemelse en aardse dimensie zijn verschillend en daarin zit de moeilijkheid voor de exegese van Apocalyps 20,1-10.
Als de 1000 jaren voorbij zijn (20,7) lijkt te wijzen op het einde van de Kerk op aarde want aan de eeuwige gelukzaligheid in de hemel komt geen einde. De heiligen, die heersen met Christus voor 1000 jaren, lijkt dan weer eerder te wijzen op de eeuwige gelukzaligheid in de hemel, want Zijn heerschappij kent geen einde.
Hemelse en aardse dimensie zijn allebei aanwezig maar moeten onderscheiden worden zo we tot een juiste interpretatie willen komen van Apoc. 20,1-10. In het Onze Vader bidden we Uw Wil geschiedde op aarde zoals in de hemel. In de hemel geschiedt Gods Wil altijd volmaakt. Op aarde helaas niet, want op aarde is er nogal wat belemmering! Ook de passage waar staat dat Satan wordt opgesloten voor 1000 jaar wordt duidelijker (20,1-3). In de hemel is zijn activiteit nul. Op aarde is zijn activiteit zeer gering zo men Jezus Heilsboodschap aanvaardt en leeft naar de geboden van de Heer. De volmaakte heerschappij is niet op aarde, maar wel willen we ervoor ijveren dat Gods Rijk op aarde moge komen zoals het in de hemel bestaat. Dat Gods Wil moge geschieden en meer mensen het geloof zouden aannemen tot heil van hun zielen.
Symbolen zijn soms meerduidig. De 1000 jarige heerschappij kan heel goed, met nuance door Johannes gewild, aan verschillende interpretatieschemas beantwoorden, nl. een aards en een hemels schema. De rijkdom van de teksten van Johannes ligt juist in de verschillende betekenissen die kunnen gegeven worden aan eenzelfde uitdrukking. Dat is de rijkdom van de Bijbelteksten en het is aan ons, exegeten, om die rijkdom eruit te halen. Christus komt ook echt terug. Dat geloof wil ik toch onderstrepen. Maar Hij komt terug op het einde van de wereld, voor het laatste oordeel waarover de Apocalyps in 20,11-17 spreekt.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
BEZINNING BIJ DE ADVENT.
BEZINNING BIJ DE ADVENT.
Door E.H. P. van de Kerckhove.
De profeet Jesaja, hoofdstuk 40, zegt: Bereid de Heer een weg, een rechte baan voor God. Elk dal moet gevuld en alle bergen en heuvels geslecht worden. Kronkelpaden worden recht en oneffen wegen worden effen. Dan zal de Glorie van God zich tonen en alle vlees zal het heil aanschouwen.
Lucas 3 geeft een meer volledig citaat dan Marcus, wat wijst op een oorspronkelijker traditie. Als voorbereiding op de Advent en op Kerstmis bevat deze tekst een heel programma van geestelijke hervorming voor ons die ons waardig willen maken om onze Heer en Verlosser waardig te ontvangen bij Zijn geboorte in Betlehem Matheus 3 zegt uitdrukkelijk dat die tekst spreekt over Johannes de Doper: de stem van één die roept is de stem van Johannes, bijgenaamd, de Doper, want hij diende een doopsel toe in de Jordaan, een doopsel met water dat een voorbereiding was en een profetische voorafbeelding van het christelijke doopsel dat de Heer Jezus tot het niveau van sacrament van het N.T. heeft verheven met Zijn eigen doopsel toen Hij het water van de Jordaan heiligde met Zijn mensheid. Toen verscheen de Heilige Geest en er sprak een Stem. Welnu, het Johannesevangelie getuigt dat Johannes een godsspraak had ontvangen dat Diegene op Wie de Geest zou neerdalen, de Messias is!
In onze bezinning gaan we dieper in op de geestelijke voorbereiding op Kerstmis.
Waaruit bestaat deze voorbereiding?
Bereid de Heer een weg
Het bereiden wan de weg wordt in verschillende delen voorgesteld; het is een 5 punten programma. Die voorbereiding is wel noodzakelijk omdat we Hem anders niet zullen ontvangen, of toch niet waardig genoeg ontvangen. Als je een grote persoonlijkheid ontvangt, geef je die toch ook alle eer en je bereidt je huis voor en je gaat je inspannen om een speciale ontvangst voor te bereiden met wat eerbetoon, een fanfare, een receptie, een woord van appreciatie.
Welnu, voor de Zoon van God, de Messias, Die ons het Heil komt brengen, doen we toch veel meer zeker dan even ons beste tafelservies uithalen met Kerstmis. We gaan ons ook innerlijk reinigen en voorbereiden. Daarover gaat de weg van de Heer. De weg van de Heer moeten we vrijmaken van alle obstakels die ons verhinderen om dat heil met vrucht te kunnen ontvangen. Dit werk van voorbereiding is een werk van het voorbereiden van onze harten, van ons afkeren van alles wat zondig is, van alles wat niet recht is of wat leeg is, van al wat te ver boven uitsteekt en wat oneffen is!
Het rechte pad voor God
Wat wil dat zeggen? Dat is de rechtgezindheid van hart en ziel. Wat scheef was moet terug worden recht getrokken door de rechtvaardigheid die de mens moet beoefenen, de werken van rechtvaardigheid jegens God, jegens de naaste
Dit is het eerste belangrijke punt.
Elk dal moet gevuld worden en elke heuvel genivelleerd
Overal waar leegte ontstaat in onze ziel door de vergetelheid van God en Zijn gebod, moeten wij ons toeleggen op God en Zijn gebod. Waar leegte ontstaan is door ons materialisme en onze aardse verzuchtingen, moet onze ziel opnieuw vol worden van geestelijk verlangen naar het hiernamaals.
Wat moet genivelleerd worden is onze hoogmoed tot het niveau wat we werkelijk zijn voor God. We zijn niets dan mieren voor God. Ons egoïsme, waardoor we onszelf verheffen boven alle anderen, ook dat moet worden afgevlakt tot we ook onze medemensen liefhebben, die even hoog staan als wij. Onze evennaaste is gelijk in de ogen van God, wat hij of zij ook doet, of wat hij of zij ook voor plaats bekleedt in de Kerk.
Kronkelpaden worden recht, wat oneffen is wordt effen.
Kronkelpaden van schijnheiligheid, van dubbelzinnigheid, leugenachtigheid moeten terug recht worden. Wij moeten terug waarheidlievende mensen worden, want God verafschuwt hypocrisie. Hij noemt het zuurdesem van de Farizeeën en het verhindert de mens om binnen te gaan in het Rijk der Hemelen. Wat oneffen is, d.w.z. hobbelig, onze prikkelbaarheid voor futiliteiten, onze woede en onze rancune, moeten plaats maken voor de effen weg van zachtheid en liefde.
Dan zal de Glorie van God zich tonen en alle vlees zal Zijn Heil aanschouwen.
En alle mensen zullen de heerlijkheid van God zien., dat staat letterlijk in Jesaja 40,5. De Aramese Targoem vertaalt en parafraseert in messiaanse zin: het heil, d.i. de redding die van God komt!
Met Kerstmis komt de Redder, onze Heiland, Jezus onze Heer, en zo wij ons voorbereiden zal Hij Zich openbaren aan wie Hem zien wil, d.i. wie in Hem gelooft en Hem ziet met de ogen van het geloof en we zullen Hem waardig ontvangen als Zoon van God en Hij zal ons de redding brengen die hij beloofd heeft door Zijn profeten. Heil en genezing, eerst en vooral van de ziel, en door het doopsel het Leven van Gods genade in onze ziel waardoor we kinderen van God worden, mede erfgenamen van het Rijk der Hemelen. In de middernachtmis zullen wij Hem ontvangen in de Heilige Communie.
Zoals Jezus is geboren in Betlehem, zo komt Hij tegenwoordig met Lichaam en Ziel en Godheid onder de gedaanten van brood en wijn. Zijn Eucharistische Tegenwoordigheid is een fysieke tegenwoordigheid. Dan zal voor ons het verwijt niet gelden: de wereld was door Hem geworden, en toch erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in het Zijne, maar de Zijnen aanvaardden Hem niet. Heel even leek het alsof de duisternis het Licht had overwonnen bij Jezus Kruisdood, maar Hij zal in glorie verrijzen en nog glorievoller schitteren met Zijn Godheid wanneer Hij verrijst met Zijn Godheid en met Zijn verheerlijkte mensheid en toen heeft Hij Zijn Glorie geopenbaard aan talrijke getuigen.
Dus, beste vrienden, laten wij ons voorbereiden met Maria, Moeder van God. Als we tot Haar bidden, bekomt Zij voor ons de genade om het Kindje te aanvaarden uit Haar handen. Zij zal Hem aan ons geven door Haar bemiddeling. Ontvangen wij Hem want Zij is de Moeder van God en van alle genaden: Moeder van onze Verlosser, bescherm ons!
Alle leven streeft naar groei en bloei: het meisje moet vrouw en het jongetje moet man worden. Zo is het ook in het bovennatuurlijke leven; het moet tot ontwikkeling komen. God had voorzeker kunnen vaststellen, dat wij, evenals de engelen, door één enkele wilsakt onze eeuwigheid zouden bepalen. Hij heeft echter onze groei gewild en er ons de tijd en de middelen voor gegeven. De genade die wij in het doopsel ontvangen, is slechts een beginpunt. "De weg van de rechtvaardigen is als het schitterende licht waarvan de luister groeit tot op het midden van de dag", zegt de heilige Schrift.
Maria nu helpt ons groeien in Christus Jezus. Zij is moeder, en een moeder stelt er zich niet mee tevreden, aan haar kind het leven te geven; zij waakt ook over zijn groei, zij wil het naar de volmaaktheid voeren. Elk ogenblik vereist de bovennatuurlijke groei nieuwe krachten, altijd genaden van bijstand; zonder deze zou onze groei aanstonds ophouden. Maria geeft ons die genaden, alle genaden die wij nodig hebben, voor alle omstandigheden van ons leven, voor alle moeilijkheden, voor alle mogelijke voortgang.
Pinksteren is het beeld van hetgeen dat tot het einde van de tijden zal geschieden. Die dag is, op Marias bede, de Heilige Geest over de gelovigen neergedaald. Zó nu zal het altijd zijn. Men zou in zekere zin kunnen zeggen: "Maria heeft over alle mededelingen van de Heilige Geest, een zekere rechtsmacht, enig gezag gekregen". Ongetwijfeld komt aan Christus, de enige Middelaar, krachtens onvervreemdbaar recht, de genadebedeling toe. God alleen kan in het diepst van de ziel de genade voortbrengen. "Alleen de Godheid kan vergoddelijken". Maar God heeft gewild, dat Christus en zijn Moeder, die zo innig verenigd waren in het verlossingswerk, dit óók zouden zijn in de uitdeling van de genaden. God kon de genaden alleen uitdelen; het behaagt Hem echter dit te doen door Maria.
Al wat Christus lijden voor ons heeft verdiend, krachtens recht in de meest strikte zin, is ook de verdienste van Marias mede-lijden, maar dan op titel van geschonken voorrecht. De genaden, in zo grote smarten verdiend, deelt Maria thans aan ons uit. "Wijl zij aan het werk van s mensen verlossing haar diensten heeft geboden, oefent zij eveneens in de uitdeling van de onophoudelijk van het kruis afvloeiende genaden, de zelfde bediening uit, bekleed als zij daartoe is met een bijna onmetelijke macht."
Met heel zijn mysterie heeft de Christus haar innig verbonden. Opdat het Woord mens werd, was haar vrije toestemming nodig, "zo noodzakelijk was het voor de mensen, dat Maria hun heil begeerde".
"Op de Calvarieberg heeft zij met haar Zoon voor onze zaligheid geleden. Zou het billijk zijn, als zij de uitwerkselen van die mysteries, de genaden ter heiliging nu niet mocht uitdelen? God heeft ons door de heilige Maagd Jezus Christus willen geven en die orde verandert niet meer. De gaven Gods worden nooit door Hem berouwd. Het is en zal altijd waar zijn, dat wij, die eens door haar het alomvattende beginsel van de genade ontvingen, ook door háár tussenkomst, in alle mogelijke omstandigheden van het christelijke leven, de verschillende toepassingen er van bekomen. Wijl de moederlijke liefde in het geheim van de Menswording zoveel heeft bijgedragen tot ons heil, zal zij ook, bij alle andere daaruit voortvloeiende werkingen, eeuwig haar medewerking verlenen."
In de hemel past Christus nu de verdiensten van zijn lijden op ons toe; "Hij is onze voorspreker en bidt zonder ophouden voor ons". Dit doet ook Maria. Op aarde bracht zij ons redding als mede-verlosseres; in de hemel is zij onze voorspreekster; aanhoudend spreekt zij voor ons ten beste. Zij vraagt, dat alle genade door haar Zoon en haar zelf verdiend, op ons mogen worden toegepast. Dezelfde plaats die Zij in het mysterie van de Menswording en van de Verlossing innam, bekleedt zij ook in dat van de heiligmaking.
Sint Paulus zegt van Christus sprekende: "Hij leeft altijd om onze Middelaar te zijn. Hij is de Hogepriester die wij behoeven Wij hebben een Hogepriester die gezeten is ter rechterzijde van de troon van de goddelijke Majesteit in de hemelen Hij oefent een veel voortreffelijker bediening uit, naarmate het Verbond waarvan Hij Middelaar werd, volmaakter is".
Passen wij, met inachtneming van de noodzakelijke verhoudingen, deze verheven teksten op Maria toe. Zij is gezeten aan Gods rechterhand, om onze voorspreekster te zijn, om het bemiddelingsambt uit te oefenen, dat in eigenlijke zin een priesterlijk karakter heeft. Zij is de uitdeelster, de bedienares van de genade. Haar goddelijk moederschap heeft haar een priesterschap meegedeeld hoger dan het sacramentele priesterschap. Het wordt uitgeoefend met het priesterschap van haar Zoon, waarvan het in zekere zin de aanvulling is. Als priesterlijke maagd, hulp van de eeuwige Priester, algemene middelares, zal zij aan Gods vrijgekochten de gehele eeuwigheid door het goddelijke leven meedelen.
Zou zij anders wel moeder zijn? En Maria is moeder, zij is ten vólle moeder. Ten koste van een onmetelijke smart heeft zij ons gebaard. Dit deed zij niet, om ons aan onszelf over te laten. Al haar moederlijke diensten wil zij verrichten; zij wil voeden, ontwikkelen, haar kinderen intenser doen leven, Jezus ledematen uit hen vormen. Alle heil ontvangen wij door haar. "Toen Jezus aan het kruis tot Sint Joannes en in zijn persoon tot heel de Kerk zeide: Ziedaar uw Moeder, stelde Hij Maria aan tot moederlijke verzorgster over de gehele Kerk. Het was alsof Hij zeide: Niemand kan gered worden, tenzij door de verdienste van mijn kruis en dood, en zo kan ook niemand deel hebben aan mijn Bloed, tenzij door de tussenkomst van mijn Moeder. Hij alleen zal kind van mijn smarten zijn, die Maria tot moeder zal hebben. Mijn wonden zijn eeuwige, altijd geopende genadebronnen, maar zij zullen slechts vloeien door het kanaal, Maria. Hij die Maria niet als moeder bemint, roept tevergeefs de Vader aan..."
Onze kinderlijke liefde ondervindt een heel rechtmatige voldoening, als zij zich weet te verklaren, op welke wijze onze Moeder ons het goddelijke leven toebedeelt. Welnu dan, Maria bidt voor ons en zij doet haar invloed op ons gelden.
In de aanschouwing van het Woord kennen de uitverkorenen in de hemel al wat op aarde hun belangstelling wekt, naargelang van de hier vervulde taak. De volmaaktheid van hun geluk vereist dit. Een vader, een moeder kennen de roeping, de gevaren en de noden van hun kinderen; zij kunnen hen te hulp komen. Hun kennis wat dat betreft is een daadwerkelijke kennis en de volmaaktheid van die kennis is afhankelijk van de graad hunner gelukzaligheid.
Maria heeft een volmaakte kennis van al wat betrekking heeft op de vrijgekochten, haar kinderen. Zou zij een wezenlijk moederschap kunnen uitoefenen zonder de juiste kennis van onze roeping en onze behoeften? Zij moet geheel de onze zijn, voor allen tesamen en voor ieder in het bijzonder. Met haar wonderbare moederlijke intuïtie dringt zij diep in ons door. Zij ziet ons in het Goddelijk Woord en kent ons op goddelijke kenwijze. Evenals de goede Herder ieder van zijn schapen bij name kent, zo onderscheidt zij ons allen in het bijzonder. Men verwondere zich hierover niet; haar kennis immers heeft een eeuwigheidsmaat. Zij kent dus mijn persoonlijke roeping, Gods gedachte over mij, de volmaaktheid die ik moet bereiken, de glorie waartoe ik moet komen.
Bovendien kent zij mijn geschiedenis, mijn zwakheden, mijn tegenwoordige gevaren en de genaden, die ik heden, op ditzelfde ogenblik, voor mijn volharding behoef. Wijl zij door Gods vrije uitverkiezing deel heeft aan het werk van de heiliging, openbaart God haar ook zijn gedachte over alle vrijgekochten. Als bij een moeder, ligt hun zaligheid haar na aan het hart: zij zijn de kinderen van haar smart. Veel zou aan haar geluk ontbreken, als zij over het bovennatuurlijke leven van haar kinderen niet kon waken. Door haar volmaakte vereniging met God heeft zij een zeer volmaakte kennis van onze liefde, onze wensen, onze zwakheden, zelf van onze voor onszelf verborgen noden. Worden ook op aarde de kinderen niet het best door hun moeders begrepen? Het geheim van mijn persoonlijke roeping, mij zelf onbekend, doorgrondt zij volkomen, om voor mij een hulp te kunnen zijn ter bereiking van het doel dier roeping.
Hoe zoet is het te denken, dat Maria vaak bidt, om ons bij te staan in onze onbekende noden! Blindheid voor ons zelf is onze kwaal, maar moederogen dringen diep in alles door. In de goddelijke aanschouwing ziet Maria alles. Menigmaal spreekt zij voor ons ten beste, zonder dat wij haar hebben aangeroepen, bewogen als zij is door onze ongekende ellende.
"Tot u, Moeder van Barmhartigheid, Moeder van de deerniswaardigen, roepen in de ballingschap Evas kinderen. Onze uiterste nood zélf roept tot u. Onze behoeftigheid heeft haar noodkreet. Dit aardse dal weergalmt zó van droef geween, dat onze nóód tot u opschreit, als wij niet klagend om hulp roepen. Tegenover u kán onze ellende niet zwijgen, en het is u onmogelijk, ze niet te horen, want de Moeder van Barmhartigheid zijt gij."
Maar vooral bemint zij ons. God is liefde. Uit liefde heeft Christus ons verlost: "Hij heeft mij bemind en Zich voor mij overgeleverd". Maria eveneens. De oneindige liefdestroom voerde haar mee, en haar moederlijke tederheid voor ons bewoog haar tot het offer van haar Zoon.
Moeten wij dit nog duidelijker doen zien? Als er een werkelijkheid is, waaraan de gelovigen zich steeds sterk vastgrepen, dan is het voorzeker Marias onuitsprekelijke liefde voor de mensen. Zij bemint ons als een moeder, een moeder die veel geleden heeft, en wij, wij zijn haar kinderen, die haar een onuitsprekelijke marteling hebben gekost. Zij bemint ons met een waarachtige liefde; zij wil ons van onze kwalen, onze ellenden verlossen, uit de schande doen opstaan, ons opheffen, zoals een moeder doet, ons naar God trekken, en in ons het volle leven doen vloeien. Is een van haar kinderen zwak, dan ijlt zij er heen; haar barmhartigheid wekt haar mededogen en haar liefde is krachtdadiger.
Is het ook Jezus niet, die zij in ons bemint? Zijn wij niet de ledematen van haar Zoon? De rechtvaardigen bemint zij, omdat zij verenigd zijn met Jezus, de zondaars, opdat zij met Jezus verenigd worden. Altijd gaat het er om, het mystieke Lichaam te ontvangen en te vormen. Zij houdt niet op de aan Christus bewezen liefde, ook over Christus ledematen uit te storten. Wie zag ooit zulk een liefde, zulk een moederschap?
Haar hemelzaligheid verkoelt haar liefde niet, integendeel, zij doet ze feller ontbranden. Wat een verlangen, allen voor wie Jezus stierf, zalig te maken, het grote Godsgezin in heiligheid te zien ontbloeien en groeien. Haar liefde maakt van haar gebed een vlammend vuur. De heiligen met een volmaakter liefde bidden in de hemel ook méér voor de mensen hier op aarde en helpen hen door die gebeden. Hoe groter hun vereniging met God is, des te krachtdadiger is hun gebed. Goddelijke ordening is het, dat de voortreffelijkheid van de hogeren afdaalt op de lageren. Daarom zegt ook Sint Paulus over Christus: "Hij is bij God, om voor ons ten beste te spreken". En Maria is dicht bij Hem, één met Hem, als eens bij de kribbe en het kruis; met tedere liefde oefent zij haar moederschap uit.
Men kent de kracht van deze bemiddeling. Sinds lang reeds noemt de christelijke overlevering Maria omnipotens suplex, de smekende almacht. Wat God door zijn wil vermag, kan Maria door haar gebed. Haar titel van Moeder en Middelares verleent haar bij God een onmetelijke macht. "Haar tussenkomst wordt nooit door de Heer verstoten, niets weigert Hij van hetgeen zij vraagt, zo dicht nadert zij de allerenkelvoudigste en alleraanbiddelijkste Drieëenheid."
De heilige Thomas leert ons hóe Jezus Christus tot zijn Vader bidt: "Hij is onze voorspraak, door zijn Vader de voor ons aangenomen mensheid aan te bieden en door de openbaring van het verlangen van zijn allerheiligste Ziel naar onze zaligheid."
Zó is ook Marias gebed; als Moeder van God en deelgenote van de Verlosser herinnert zij aan haar lijden en haar liefde, die zo innig één waren met die van haar Zoon. Naar Marias verdienste en heiligheid nu is de alvermogendheid van dit gebed af te meten. In hoge mate overtreft het de gebeden van de andere heiligen. "Wat allen vermogen mét haar, dat kan zij alleen zónder hen". "Bewaart zij het stilzwijgen, niemand zal voor ons bidden, niemand ons helpen. Maar bidt zij, dan zullen ook de andere bidden en ons helpen."
De heilige Gertrudis ontving de gunst, in een bekoorlijk visioen de macht van Marias gebed te aanschouwen. "Gedurende het zingen het vers: Ora pro populo, naderde de Koningin van de maagden tot voor Gods troon, boog eerbiedig de knieën, en bood zich als middelares tussen God en de congregatie aan, terwijl zij voor ieder zeer godvruchtig bad. Maar de Koning van de koningen, haar Zoon, hief haar met grote welwillendheid op, en haar op de glorietroon aan zijn zijde plaatsend, gaf Hij haar een onbeperkte macht, om naar welgevallen te bevelen."
Door dit gebed verkrijgen wij alles. Alles wat ons voor het goddelijke leven noodzakelijk is: de heiligmakende genade, om deelgenoot te worden van dat leven; de genaden van bijstand, om het te onderhouden en tot hoger bloei te brengen; de ingestorte deugden; de gaven van de Heilige Geest; de bijzondere hulp, om weerstand te bieden aan de bekoringen, alle tot ons heil verordende goddelijke weldaden, alles, alles eindelijk vloeit ons toe door Maria. Geen stap kunnen wij doen, tenzij onder haar invloed. Heel onze bovennatuurlijke voortgang is van haar afhankelijk, want door de genade die zij ons toebedeelt, stijgen wij omhoog. Zij leidt de vorming en de wasdom van de mystieke Christus, de vorming van de Kerk en van de heiligen. Want Jezus is het, die in de Kerk als een mosterdzaadje groeit; en over zijn wasdom waakt Maria, gelijk zij te Bethlehem en te Nazareth over de groei van Jezus fysieke lichaam waakte.
Of wij er aan denken of niet, onophoudelijk zijn wij onder Marias invloed. Het middelaarschap van de Verlosser is voorzeker rechtens het enige absoluut noodzakelijke. Maar, wijl het de Voorzienigheid behaagde, Marias middelaarschap zo innig te verbinden met dat van haar Zoon en geen genade te schenken dan door háár, werd haar middelaarschap voor ons feitelijk noodzakelijk.
Sint Albertus de Grote zegt: "Aan allen deelt zij alle goederen uit." En Bernardinus van Siëna zegt: "De orde van de genaden die neervloeien over het menselijke geslacht is deze: God is de algemene Bron, Christus de algemene Middelaar, Maria de algemene uitdeelster. De heilige Maagd is de mystieke hals van ons goddelijke Hoofd; daardoor vloeien de hemelse gaven aan de overige delen van ons lichaam toe."
"De Heilige Geest deelde aan zijn trouwe Bruid Maria zijn onuitsprekelijke gaven mee, en Hij koos haar tot uitdeelster van al wat Hij bezit, zodat zij alle gaven en alle genaden geeft aan wie zij wil, zoveel zij wil, zoals zij wil en zolang zij wil, en geen enkele hemelse gave wordt er geschonken, die niet door háár maagdelijke handen gaat. Want zó is de wil van God; alles bezitten wij door Maria."
Deze altijddurende afhankelijkheid van Maria en haar moederlijke liefde is een beweegreden tot groot vertrouwen en grote vreugde. "Op het ogenblik dat ik er het minst aan dacht," verhaalt Angelo van Foligno, "werd ik in de geest verrukt, en zag ik de heilige Maagd in de glorie. Een vrouw kon dus zetelen op zulk een troon en met zulk een majesteit! Dit besef overstelpte mij met een onuitsprekelijke vreugde. Zij stond en bad voor het menselijke geslacht; haar goedheid en haar vermogen maakten haar zó invloedrijk, dat haar gebed een onbeschrijfelijke kracht verkreeg. Ik was buiten mijzelf van geluk bij het zien van dit gebed."
"Ik ben de medehelpster van de eeuwige liefde," sprak Maria tot de heilige Veronica, "ik ben de behoedster en de meesteresse van uw ziel: door mij zult u leren beminnen."
Wat bedoelen wij met de leer, dat alle genaden ons toevloeien door Maria? Niet, dat de genade, als een kostbare gift van God aan ons, door háár handen zou gaan. Stellen wij ons de genade niet voor op stoffelijke wijze, bijvoorbeeld als een water, dat uit de goddelijke oceaan in onze ziel zou stromen door het kanaal, Maria. De genade is een hoedanigheid, die in de ziel wordt voortgebracht. En Maria ontvangt van God de macht, die genade in ons te bewerken door de kracht van de Heilige Geest.
Het gaat in werkelijkheid weer om Marias voorbede, om die grenzenloze macht, die God haar over ons geeft, en welke de werkdadige uitoefening van haar moederlijk beschermrecht is. Ja, God wilde, dat Marias bede een bevel werd. Ten opzichte van de Drieëenheid is dit gebed een smeken dat haar afhankelijkheid bewijst en de vereniging van háár wil met God. Ten opzichte van ons is het een teken van haar moederlijke macht en het krachtdadige teken voor de genade. Treedt Maria bemiddelend voor ons op, dan brengt zij de genade in ons. Haar gebed is inderdaad een levenbrengende kracht, want als zij bidt, vormt zij heiligen. Het is nu wel duidelijk, dat deze invloed van Maria een bijzonder karakter heeft. Het is een gebed, maar een krachtdadig, onfeilbaar gebed; een gebed dat een mácht wordt, die zich, tot uitbreiding van het Godsrijk, naar buiten openbaart; een priesterlijk gebed ten slotte, altijd één met de wil van God. Maria is de hulp van Christus; gelijk Hij en mét Hem werkt zij onophoudelijk in op de heiligen.
In háár en door haar krachtdadige werking kreeg de mensheid van het Woord gestalte; in háár ook en met haar actieve medewerking schept de Heilige Geest de ledematen van deze mensheid. "God de Heilige Geest, onvruchtbaar in God, want Hij brengt geen andere goddelijke Persoon voort, is door Maria, die Hij tot zijn Bruid verkoor, vruchtbaar geworden. Mét haar en in haar en úit haar brengt Hij de mensgeworden God, zijn meesterstuk, voort en verwekt Hij ook alle dagen tot het einde van de tijden de voorbeschikten en de ledematen van dit aanbiddelijke Hoofd. Hoe meer Hij dan ook in een ziel Maria vindt, zijn geliefde Bruid in onverbreekbare trouw, hoe meer werkende kracht Hij openbaart, om in die ziel Jezus Christus voor te brengen, en ín Jezus Christus die ziel."
Waarin bestaat de werking van Maria? Overdenk eens, wat zij deed voor Jezus gedurende zijn aardse leven: zij ontving Hem, waakte over zijn groei, droeg Hem op aan God, toonde Hem aan de mensen en stond Hem bij in zijn slachtoffering. Ditzelfde doet zij nog voor het mystieke Lichaam. Ten bate van ons worden al haar mysteriën vernieuwd. De Menswording, het Bezoek, de Opdracht, het Mede-lijden gaan steeds voort de ledematen van de Christus te vormen.
Willen wij weten, of haar werking diep en innig is, denken wij er dan aan, dat zij moeder is: voor het góddelijke leven ontvangt en baart zij ons. Maar wat is een kind in moeders schoot? Komt heel zijn leven niet van haar? Het karakter van Marias werking ten opzichte van ons is dan ook vanzelfsprekend moederlijk. Die werking is daarbij verborgen, ze wordt uitgeoefend in het diepste innerlijk van de ziel. Ze doet denken aan de invloed van de Eucharistie in de Kerk. De Hostie, schijnbaar onbeduidend, is toch het leven van de christenheid. Als haar Zoon, verbergt Maria zich in de stilte, maar door een geheel inwendige beïnvloeding werkt zij immer voort. Volgens een wet van het geestelijke leven is een invloed méér innerlijk, naarmate zij groter en dieper is. Marias stille invloed is het zuurdeeg dat ons doet rijzen boven onze besmetting, de gist die onze werkkracht in beweging brengt.
Zonder ophouden is Maria in de Kerk tegenwoordig en werkt zij op het leven van het mystieke Lichaam in. Op haar past de liturgie de woorden toe uit het boek van de Spreuken: "In het heelal speelt gij in Gods tegenwoordigheid en vindt uw vermaak onder de kinderen van de mensen" Welk aandeel heeft zij in Gods Voorzienigheid? Zij leidt de mensen, heerst over de christenheid en houdt, vol bezorgdheid, soms een wakend oog over haar verschillende afwisselende verschijnselen; zij voorziet in haar behoeften en antwoordt op haar smeekgeroep; zij voltooit de vorming van het mystieke Lichaam.
Dat is voor haar "een spel", verzekert ons de Heilige Geest, want deze alomvattende werking in de schepping, waaraan te denken ons doet duizelen, gaat de onvergelijkelijke macht van Gods Moeder niet te boven. Haar wondervolle macht openbaart zich ieder ogenblik in volmaakte daden, eindeloos verscheiden en menigvuldig, sterke en zachte daden, om elke ziel en het gehele, door haar in liefde omvatte Lichaam van Christus weldadig te beïnvloeden. Haar stille, zachte en tere werking verovert onophoudelijk de schepping. Een van de werkelijke waarden die de Kerk spoedig ontdekte, is deze: dat zij steeds geleid wordt door de onzichtbare en vruchtdragende werking van Marias moederlijke macht.
Ook elke ziel is zij nabij, met de zoetste werkelijkheid van haar geestelijke tegenwoordigheid. Maria is bij ons, omdat zij ons ziet, ons bemint, voor ons zorgt. Zij is dicht bij ons, dichter dan onze Engelbewaarder, in zekere zin dichter dan wij zelf. Op volmaakte wijze kent zij ieder van haar kinderen, wier roeping en meest verborgen geheimen zij doorschouwt. Zij dringt door in díe diepte van onze ziel, die wij voor allen verbergen, en die voor onszelf somtijds tot het onbewuste behoort. Alle middelen, om zich in ons dagelijks leven te mengen en het te besturen, zijn in haar bezit. Hoe gemakkelijk is het voor ons, haar te naderen! Tussen haar en ons bestaat een ware wisseling van gedachten en liefdebetuigingen.
Enige denken misschien aan de afstand die ons van haar verheerlijkt lichaam scheidt. Maar wat geeft hier de ruimte? Gods alomtegenwoordigheid doet elke afstand verdwijnen; zijn macht heft het afwezig-zijn op. Het is mogelijk, dat twee lichamelijke wezens bijeen zijn en toch vreemdelingen voor elkaar. De tegenwoordigheid neemt eerst een aanvang met de kennis; de gemeenzaamheid ontstaat door het verstand en het hart. Zijn wij door de gedachte en de liefde niet voortdurend met Maria verenigd? Wij spreken tot haar, zij hoort ons; wij roepen haar hulp in, zij geeft antwoord door de genade; met haar kinderen is zij in blijvend contact. Alles ziet zij, en zij voorziet ook in alles. Zij is voor ons tegenwoordig, als de moeder voor het kind, dat zij ontving en onder het hart draagt.
Enige dienaars van Maria hebben ook gesproken van haar bijzóndere tegenwoordigheid in de ziel. In Marias genadegeheim spreekt de heilige De Montfort hierover. "Zorg er voor, u niet te verontrusten, als gij niet zo spoedig de zoete tegenwoordigheid van de heilige Maagd in uw binnenste geniet. Deze genade is niet voor allen, en als God uit grote barmhartigheid er een ziel mee begunstigt, kan zij ze gemakkelijk verliezen, als zij er niet op uit is, dikwijls in zichzelf te keren." De heilige noemt op een andere plaats deze tegenwoordigheid met een nog duidelijker woord: "de woning in het mooie innerlijk van Maria". De heilige Philippus Nerius, de heilige Ignatius, Olier en anderen hebben blijvend die tegenwoordigheid genoten.
Als de ziel de gewoonte aanneemt, met Maria te leven, volgens haar bedoelingen te handelen, met haar liefde tot God te gaan en zelf door het geloof bij Maria te zijn, dan zal ongetwijfeld Marias tegenwoordigheid in haar leven een zoete werkelijkheid worden, en het uitgangspunt voor een nieuwe geestelijke opgang. Marias tegenwoordigheid toch, die, over het geheel genomen, een tegenwoordigheid is van invloed en van liefde, is wél een kostbare genade, maar, naar het schijnt, geen buitengewoon verschijnsel in het christelijke leven. Deze geestelijke tegenwoordigheid van Maria in de zielen en in het mystieke Lichaam is wél een van de grootste en zoetste werkelijkheden van het leven van de Kerk.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
BIJ DEN DOOD VAN NICOLAUS ACCIAJUOLI.
VIERDE BOEK, KAP. 7.
Iemand, in gebeden wakend en niet slapend, meende in een geestelijk visioen, een paleis te zien, onmetelijk groot met ontelbare lieden, gekleed in witte en schitterende kleederen en ieder had zijn eigen afzonderlijken zeten. En in het paleis stond een vorstelijke en majestueuze rechterstoel, waarin de zon scheen neergezeten. En het licht en de glans die van de zon uitging, was onmetelijk in lengte, diepte en breedte. Een jonkvrouw stond bij den zetel en had een kostbare kroon op het hoofd. En allen vereerden de zon, die in den zetel zat, en prezen God met lofgezang.
Daarop verscheen een neger, afzichtelijk van uiterlijk en met wonderlijke gebaren. Hij was blijkbaar zeer onrustig en in groote woede ontstoken. Hij riep en zeide: O, rechter, laat de ziel aan mij over en hoor haar daden, want weinig blijft er over vans mans leven; en laat mij het lichaam pijnigen, totdat, de ziel het lichaam verlaat. Daarop zag ik iemand voor den zetel staan, een gewapenden ridder gelijk. Hij was hoffelijk en zeer wijs in zijn spreken, zichzelf volkomen meester en zedig in zijn gebaren, en hij sprak en zeide: O, rechter, zie hier zijn de daden die hij deed tot aan dit oogenblik! En dadelijk werd de stem van de zon gehoord, die in den zetelt zat, zeggende: Hier is de ondeugd grooter dan de deugd, maar het is niet rechtvaardig, dat de ondeugd vereenigd zal worden met de hoogste deugd.
De neger antwoordde: Het is rechtvaardig, dat deze ziel mij toegewezen wordt, want indien zij enkele ondeugden heeft, in mij is al het kwaad. De ridder antwoordde: Gods barmhartigheid volgt ieder mensch tot in den dood en tot het laatste oogenblik, en dan komt het oordeel. En bij dezen man, over wien wij nu spreken, zijn ziel en lichaam nog te zamen, en bewustzijn heeft hij nog. De neger antwoordde: De Schrift, die niet kan liegen, zegt: Gij zult God boven alles liefhebben en uw naaste gelijk u zelf.
Zie nu, dat al zijn handelingen gedaan zijn uit vrees en niet uit liefde, waaruit hij ze gedaan moest hebben; en gij zult vinden, dat hij zijn groote zonden gebiecht heeft met onoprecht berouw, en daarvoor verdiende hij de hel, daar hij het hemelrijk niet verdiende. En dad is de aanleiding waarom zijn zonden hier geopenbaard worden voor de goddelijke gerechtigheid, omdat hij nog nooit uit godvruchtige liefde berouw gevoelde over de groote zonden, die hij begaan heeft. De ridder antwoordde, dat hij nog geloofde en hoopte op waar berouw voor den dood.
De neger antwoordde: Gij hebt al de goede werken, die hij gedaan heeft, verzameld en gij kent die. En gij kent alle woorden en gedachten, die hij in zijn ziel had (en kunt toonen, hoe die gewoonlijk waren) Zij kunnen niet vergeleken worden bij de genadegave, het goddelijk berouw, door goddelijke liefde, met vast geloof en trouwe hoop, en nog minder al zijn zonden uitwisschen. Want God is zoo rechtvaardig, dat een zondaar, die geen oprecht berouw heeft, het hemelrijk niet binnen treedt. En daar het onmogelijk is dat God oordeelt in strijd met de orde voor eeuwig door Hem zelf vastgesteld, moet deze ziel tot de hel veroordeeld worden. Toen zweeg de ridder.
Daarop verschenen ontelbare duivels als vonken, die uit een brandenden oven spatten, en riepen tot hem, die als zon in den zetel zat: Wij weten, dat gij zijt en waart en zonder einde blijft één God in drie personen en geen andere God bestaat er buiten u. Gij zijt voorwaar de liefde zelf, waarmee de barmhartigheid en de rechtvaardigheid vereenigd zijn. Gij waart in u zelf van het begin, zonder iets in u dat verminderd of veranderd kon worden, gelijk voor God noodzakelijk en betamelijk is. Zonder u is er niets, en niets verblijdt zich zonder u; zoo schiep uw liefde de engelen door niets anders dan door de macht van uw godheid, en gij deedt zooals de barmhartigheid voorschreef.
En toen ons hart van hoogmoed, afgunst en begeerte werd ontstoken, werden wij door uw liefde, die de rechtvaardigheid beminde, uit den hemel geworpen met het vuur van ons venijn en in een onmetelijke en donkere diepte, die nu de hel genoemd wordt. Zoo deed uw liefde toen, en die zal ook nu niet afwezig zijn bij uw rechtvaardig oordeel, hetzij het oordeel geschiedt volgens barmhartigheid of volgens rechtvaardigheid. Wij zeggen bovendien, dat indien zij, die gij boven alles liefhadt, de maagd, die u baarde, en die nooit zondigde, indien zij doodzonde begaan had en gestorven was zonder bovennatuurlijk berouw, gij de rechtvaardigheid zoozeer bemint, dat haar ziel het hemelrijk niet beërfd zou hebben, maar met ons in de hel zou zijn. Daarom, o rechter, waarom laat gij die ziel niet over aan ons, opdat wij haar volgens haar daden straffen kunnen?
Daarop werd een geluid gehoord als van een lier, en allen die het hoorden, zwegen en toen sprak een stem en zeide: O, gij, alle engelen en zielen en geesten des afgronds, hoort en luistert naar wat Gods moeder spreekt! En nu verscheen een maagd voor den rechterstoel en hield iets groots als verborgen onder haar mantel, en zeide: O, gij vijanden, gijlieden haat de barmhartigheid, en hebt de rechtvaardigheid niet lief. En hoewel hier gebrek schijnt aan goede werken, zoodat deze ziel het hemelrijk niet beërven moest, ziet dan toch en overtuigt u van wat ik onder mijn mantel heb! Toen de maagd de beide slippen van den mantel had opgelicht, zag men onder de eene iets dat een kleine kerk geleek, waarin eenige grijze monniken waren. Onder de andere slip zag men vrouwen en mannen, Gods vrienden, religieuzen en anderen. En allen riepen eenstemmig: Erbarm u, barmhartige God!
Daarop heerschte stilte, en de maagd sprak en zeide: Die ten volle geloof heeft, kan bergen verzetten. Wat kunnen en moeten dan niet de stemmen van u allen, die geloof hadden en God dienden met gloeiende liefde? Wat moeten ook niet die vrienden Gods doen, wien hij verzocht, voor hem te bidden, dat hij van de hel bevrijd mocht blijven en het hemelrijk beërven? Hoe moeten al hun tranen en gebeden hem niet helpen en verlichten, opdat hij voor zijn dood innig berouw krijgt uit liefde? En daartoe zal ik mijn gebeden vereenigen met de gebeden van alle heiligen, die in den hemel zijn, en die hij bizonder vereerde.
Verder zeide de maagd: O, geesten des afgronds, ik beveel u in naam des rechters acht te geven op wat gij nu ziet in de gerechtigheid. Zij antwoordden allen als uit één mond en zeiden: Wij zien dat weinig water in de wereld en veel wind Gods gramschap bedaren. Zoo wordt door uw gebed ook God verzacht tot liefderijke erbarming. Daarop klonk de stem van de zon, zeggende: Door mijn gebeden zal deze bovennatuurlijk berouw hebben voor zijn dood, zooveel dat hij niet in de hel zal komen, maar gereinigd zal worden met hen, die een harde straf in het vagevuur moeten doorstaan. En als de ziel gezuiverd is, zal zij loon in den hemel krijgen met hen, die op aarde geloof en hoop hadden, zijt ook slechts met geringe liefde.
Daarop scheen het Gods bruid, alsof een afzichtelijke, donkere plaats zich opende, waarin het inwendige van een gloeienden oven zichtbaar was, en dat vuur had geen andere brandstof dan geesten des afgronds en levende zielen. En boven dezen oven was de ziel te zien, wier oordeel nu vernomen werd. De voeten van de ziel waren aan den oven bevestigd, en de ziel stond recht op als een mensch. Zij stond niet op de hoogste en niet op de laagste plaats, maar als op den kant van den oven. Zij zag er vreeselijk en zeer vreemd uit.
Toen klonk de stem van de ziel, die vijfmaal onder tranen en uit alle macht riep: Wee, wee! Eerst zeide zij: Wee mij, dat ik God zoo weinig lief had, voor Zijn groote goedheid en de genade, die mij gegeven was. De tweede maal: Wee mij, dat ik Gods rechtvaardigheid niet zoozeer vreesde als ik moest. De derde maal: Wee mij, want ik beminde de lusten van mijn zondig vleesch en van mijn lichaam! de vierde maal: Wee mij, van weges werelds rijkdommen en mijn hoodmoed! De vijfde maal: Wee mij, dat ik ooit Lodewijk en Johanna gezien heb!
En toen zeide de engel tot mij: Ik zal u dit visionen uitleggen. Het paleis dat gij zaagt is het beeld van het hemelrijk. En de menigte, die op zetels zat, gekleed in witte, glinsterende kleederen, zijn de engelen en de zielen der heiligen. De zon beteekent Christus in Zijn godheid, de vrouw de maagd, die God baarde, de neger den duivel, die de ziel verried. De ridder beteekent den engel, die de goede daden van de ziel vermeldt, de oven beteekent de hel, die inwendig zoo gloeiend is, dat indien geheel de wereld brandde met alles wat er in is, het niet te vergelijken zou zijn met de vlammen en de hitte van dezen oven. In dezen oven zijn verschillende stemmen, alle hun woorden beginnend en eindigend met wee.
En de zielen verschijnen als menschen, wier ledematen als op de pijnbank uitgerekt worden en nooit rust krijgen. Gij zult ook weten, dat het vuur dat in den oven te zien is, in eeuwige duisternis brandt. En de zielen, die er in branden, hebben niet allen dezelfde kwellingen. En het duister, dat om den oven zichtbaar is, wordt Limbus genoemd en onstaat door de duisternis, die in den oven is, en zij vormen beide één gebied en één hel.
En wie er in komt zal nooit naderen tod God. Boven dit duister is de hardeste en zwaarste kewlling van het vagevuur, die de zielen verdragen kunnen. En boven deze is een andere, waar de kwelling minder is, eigenlijk niets anders dan een verzwakking der krachten, wat ik door de volgende gelijkenis duidelijk zou kunnen maken: alsof iemand ziek was en door de ziekte en pijn kracht noch macht in de ledematen had, maar die eerste langzamerhand terug kreeg. Verder is er een derde plaats waar geen andere kwelling is, dan het verlangen naar God.
En opdat gij het nog beter zoudt begrijpen, zal ik het door een gelijkenis duidelijk maken. Het is of een metaal met goud vermengd moet branden in het heetste vuur en zoo lang gezuiverd moet worden tot het metaal verteerd is en alleen het zuiver goud overblijft. En hoe krachtiger het metaal is en hoe grooter de hoeveelheid, des te heeter moet het vuur zijn, vóór het goud vloeiend wordt als water en gloeiend. Daarop brengt de meester het goud naar een andere plaats, waar het een bepaalden worm kan krijgen, die gezien en behouden kan worden. Daarna zendt hij het naar een derde plaats, waar het bewaard kan worden en aan den eigenaar overhelaten. Geestelijk is het ook zoo. Op de eerste plaats, boven de diepe duisternis, is de zwaarste pijn van het vagevuur, waar gij zaagt hoe de ziel gereinigd werd. Daar worden de zielen door de booze geesten aangeraakt, daar verschijnen giftige wormen en afzichtelijke dieren, daar is hitte en koude en duisternis.
Daar hebben enkele zielen grootere en andere mindere pijnen, al naarmate de zonden uitgeboet waren of niet, toen de ziel nog in het lichaam was. Daarop brengt de meester, dat is Gods rechtvaardigheid, het goud, dat zijn de zielen, naar andere plaatsen, waar niets anders is dan het onvermogen harer krachten en waar de zielen moeten verblijven tot zij hulp krijgen van hun bizondere vrienden, of van de nimmer onderbroken werken der heilige Kerk. En hoe meer hulp de ziel krijgt, des te sneller herleeft zij en wordt zij gered. Daarna wordt de ziel gevoerd naar de derde plaats, waar geen pijn is, maar alleen de begeerte om in Gods nabijheid te komen en voor Zijn zalig aanschijn. Hier verblijven velen en zeer lang, uitgezonderd zij die vurig verlangen hadden, terwijl zij in de wereld leefden, om in Gods nabijheid en voor Zijn aanschijn te komen.
Gij zult ook weten, dat velen in de wereld sterven zoo rechtvaardig en onschuldig, dat zij dadelijk in Gods tegenwoordigheid en voor Gods aanschijn komen. En sommigen hebben hun zonden zoo afgeboet door goede werken, dat hun zielen geen pijnen zullen kennen. Maar de meesten bevinden zich daar, waar alleen de begeerte is om bij God te komen. En alle zielen, die in deze drie plaatsen vertoeven, hebben deel aan de gebeden der heilige Kerk en aan de goede werken, die in de wereld verricht worden, en vooral de goede werken, die zij deden, terwijl zij leefden, en die, welke hun vrienden voor hen doen na hun dood.
Gij zult ook weten dat evenals de zonden veelvuldig zijn en verschillend, ook de straffen veelvuldig en ongelijk zijn. Want evenals iemand die honger heeft zich verheugt over eten, dat naar zijn mond komt, en iemand die dorst heeft over drinken, die verdriet heeft over blijdschap en die naakt is over kleederen, en een zieke zich verheugt op rust, zoo verheugen de zielen er zich op deel te hebben aan de goede werken, die voor hen op aarde gedaan worden.
Daarop zeide de engel: Gezegend hij, die in de wereld de zielen helpt met gebeden en goede werken en met lichamelijke werken van barmhartigheid, want Gods rechtvaardigheid kan niet bedriegen, die zegt, dat de zielen na den dood door de pijnen van het vagevuur gereinigd moeten worden, of snel verlost door de goede werken harer vrienden.
Toen klonken er vele stemmen uit het vagevuur, zeggende: O! Heere Jezus Christus, rechtvaardige rechter, zend uw liefde naar hen, die geestelijke macht bezitten op aarde; dan kunnen wij nog meer dan nu deel hebben an de verdiensten van hun gezang, hun bidden en hun offers. Boven de ruimten, waaruit dat geroep klonk, was iets te onderscheiden, wat op een huis geleek, waarin vele stemmen klonken, die zeiden: Mogen zij loon van God ontvangen, die ons hulp zonden in onze pijnen en nood! En in dat huis scheen morgenrood op te stijgen, en onder het morgenrood was een wolk, die niets van het licht van het morgenrood had. En uit het morgenrood klonk een krachtige stem, die zeide: O, Heere God, geef met Uw onmetelijke macht honderdvoudig loon aan een ieder op aarde, die ons verhief met goede werken tot het licht van Uw godheid en het aanschouwen van Uw gelaat.
Wordt vervolgd.
DE DAG VAN DE HEER.
Hoofdstuk 2 De dag van de HEER [1] Dit zijn de woorden van Jesaja, de zoon van Amos; het visioen dat hij zag over Juda en Jeruzalem.
Eens zal de dag komen dat de berg met de tempel van de HEER rotsvast zal staan, verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen. Alle volken zullen daar samenstromen,
machtige naties zullen zeggen: Laten we optrekken naar de berg van de HEER, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen. Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht, vanuit Jeruzalem spreekt de HEER.
Hij zal rechtspreken tussen de volken, over machtige naties een oordeel vellen. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is.
U hebt uw volk, Jakobs nakomelingen, verstoten. Zij waren ontvankelijk voor invloeden uit het Oosten, net als de Filistijnen lieten zij zich in met waarzeggerij, ze zijn met vreemde gebruiken vertrouwd geraakt.
Op die dag zal de HEER van de hemelse machten zich keren tegen ieder die hoogmoedig is en trots, tegen ieder die zich verheven acht ze worden vernederd! ,
Men schuilt weg in rotsspelonken, in holen in de grond, op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER, voor zijn geduchte majesteit, wanneer zijn komst de aarde schokt.
Ze zullen wegschuilen in rotsholen, in kloven en bergspleten, op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER, voor zijn geduchte majesteit, wanneer zijn komst de aarde schokt.
Schenk de mens niet langer aandacht. Wat is hij zonder adem in zijn neus? Wat heeft hij te betekenen?
DE KOMST VAN DE MENSENZOON.
Hoofdstuk 24 De komst van de Mensenzoon [1] Nadat Jezus de tempel had verlaten, wendden zijn leerlingen zich onderweg tot hem en vestigden zijn aandacht op de tempelgebouwen. [2] Hij zei tegen hen: Hebben jullie dat alles goed gezien? Ik verzeker jullie: geen enkele steen zal op de andere blijven, alles zal worden afgebroken! [3] Op de Olijfberg ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen, en nu ze onder elkaar waren vroegen ze: Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we uw komst en de voltooiing van deze wereld herkennen? [4] Jezus antwoordde hun: Pas op dat niemand jullie misleidt. [5] Want er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zeggen: Ik ben de messias, en ze zullen veel mensen misleiden. [6] Jullie zullen berichten horen over oorlogen en oorlogsdreiging. Laat dat je dan niet verontrusten, die dingen moeten namelijk gebeuren, al is daarmee het einde nog niet gekomen. [7] Het ene volk zal tegen het andere ten strijde trekken en het ene koninkrijk tegen het andere, en overal zullen er hongersnoden uitbreken en zal de aarde beven: [8] dat alles is het begin van de weeën. [9] Dan zal men jullie onderdrukken en doden, en jullie zullen door alle volken worden gehaat omwille van mijn naam. [10] Velen zullen dan ten val komen, ze zullen elkaar verraden en elkaar haten. [11] Er zullen talrijke valse profeten komen die velen zullen misleiden. [12] En doordat de wetteloosheid toeneemt, zal bij velen de liefde bekoelen. [13] Maar wie standhoudt tot het einde, zal worden gered. [14] Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen. [15] Wanneer jullie dus de verwoestende gruwel waarover gesproken is door de profeet Daniël, zien staan op de heilige plaats (lezer, begrijp dit goed), [16] dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten; [17] wie op het dak van zijn huis is moet niet naar beneden gaan om nog spullen te halen, [18] en wie op het land is moet niet terugkeren om zijn mantel te halen. [19] Wat zal het rampzalig zijn voor de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben! [20] Bid dat jullie niet in de winter zullen moeten vluchten en ook niet op sabbat. [21] Want het zal een tijd zijn van enorme verschrikkingen, zoals er sinds het ontstaan van de wereld tot nu nooit geweest zijn en er ook niet meer zullen komen. [22] En als die tijd niet verkort zou worden, dan zou geen enkel mens worden gered; maar omwille van de uitverkorenen zal die tijd worden verkort. [23] Als iemand dan tegen jullie zegt: Kijk, dit is de messias, of: Daar is hij, geloof dat dan niet. [24] Want er zullen valse messiassen en valse profeten komen, die indrukwekkende tekenen en wonderen zullen verrichten om ook Gods uitverkorenen zo mogelijk te misleiden. [25] Let op, ik heb jullie dit van tevoren gezegd. [26] Wanneer ze dus tegen jullie zeggen: Kom mee, hij is in de woestijn, ga er dan niet heen, of als ze zeggen: Kijk, hij is daarbinnen, geloof dat dan niet. [27] Want zoals een bliksemschicht vanuit het oosten weerlicht tot in het westen, zo zal ook de Mensenzoon komen. [28] Waar een lijk is, daar zullen de gieren zich verzamelen. [29] Meteen na de verschrikkingen van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan geen licht meer geven, de sterren zullen uit de hemel vallen en de hemelse machten zullen wankelen. [30] Dan zal aan de hemel het teken zichtbaar worden dat de komst van de Mensenzoon aankondigt, en alle stammen op aarde zullen zich van ontzetting op de borst slaan als ze de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel, bekleed met macht en grote luister. [31] Dan zal hij zijn engelen uitzenden, en onder luid bazuingeschal zullen zij zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeenbrengen, van het ene uiteinde van de hemelkoepel tot het andere. [32] Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is. [33] Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat het einde nabij is. [34] Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren. [35] Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen. [36] Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het. [37] Zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het zijn wanneer de Mensenzoon komt. [38] Want zoals men in de dagen voor de vloed alleen maar bezig was met eten en drinken, met trouwen en uithuwelijken, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging, [39] en zoals men niet wist dat de vloed zou komen, totdat die kwam en iedereen wegnam, zo zal het ook zijn wanneer de Mensenzoon komt. [40] Dan zullen er twee op het land aan het werk zijn, van wie de een zal worden meegenomen en de ander achtergelaten. [41] Van twee vrouwen die samen aan de molen draaien, zal de ene worden meegenomen en de andere achtergelaten. [42] Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag jullie Heer komt. [43] Besef wel: als de heer des huizes had geweten in welk deel van de nacht de dief zou komen, dan zou hij wakker gebleven zijn en niet in zijn huis hebben laten inbreken. [44] Daarom moeten ook jullie klaarstaan, want de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht.
[45] Wie is die betrouwbare en verstandige dienaar die de heer heeft aangesteld over zijn huispersoneel om hun op tijd te eten te geven? [46] Gelukkig de dienaar die daarmee bezig is wanneer zijn heer komt. [47] Ik verzeker jullie: hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit. [48] Slecht is echter de dienaar die bij zichzelf zegt: Mijn heer blijft voorlopig nog weg, [49] en die zijn mededienaren begint te slaan en het met dronkaards op een slempen zet. [50] Dan zal de heer van die dienaar komen op een dag waarop hij het niet verwacht en op een tijdstip dat hij niet kent, [51] en hij zal hem straffen met zijn zwaard en hem het lot van de huichelaars laten ondergaan; daar zal hij met hen jammeren en knarsetanden.
"Aan de voet van het kruis stond Jezusâ Moeder".
"Aan de voet van het kruis stond Jezus Moeder".
"Staande" als een offeraar, droeg zij gewillig en vrij het slachtoffer op. Geen schepsel vormt zich een denkbeeld van haar smart in deze vreselijke uren, een smart, opgevoerd tot de uiterste hoogte vanwege de onuitsprekelijke tederheid van haar hart, de volmaakte fijnheid van haar lichamelijk gestel, haar verlichte kennis, bovenal dat zij moeder is en door een enig voorrecht van volmaaktheid en heiligheid met haar Zoon verbonden. Toch moeten wij ons haar niet voorstellen als terneergeslagen, bezwijmend en ondersteund door de heilige vrouwen. Neen, zij stond, als de priester voor het altaar, volkomen meesteres van haar gedachten, haar gevoelens, haar wil. Zij onderwierp zich niet alleen aan de eisen van de goddelijke gerechtigheid, zij trad ook zonder voorbehoud in de bedoelingen van de hemelse Vader, die zijn enige Zoon voor het heil van de wereld slachtofferde. Zij voltooide toen de toestemming, bij de Boodschap gegeven, bij de opdracht bevestigd en gedurende heel haar leven vernieuwd: voor ons gaf zij haar Zoon.
Had zij Jezus kunnen losmaken van het kruis en van de foltering bevrijden, zij zou het niet gedaan hebben, evenmin als Jezus zelf Zich aan zijn beulen wilde onttrekken. Ook zij sprak in haar hart de zelfde woorden als Jezus: "Zal ik de kelk die de Vader mij gegeven heeft, niet drinken?" Heel haar leven was zij met haar Zoon innig verenigd; alles wat Hij wilde, wilde ook zij, maar nooit was die vereniging volkomener dan in het uur, waarop de Christus zijn zending volbracht. "De wil van Christus en die van Maria maakten slechts één wil uit, hun beider brandoffers vormden slechts één offer. Op overeenkomstige wijze boden Jezus en Maria God hun offer aan: Jezus in het bloed van zijn vlees, Maria in het bloed van haar hart." Daarom stond Maria aan de voet van het kruis, in priesterlijke houding, en slachtofferde haar Zoon, om ons daardoor te doen leven. Maar tevens bood zij zichzelf aan, met haar gebroken hart, haar diep bedroefde ziel, haar smart "onmetelijk als de zee".
Maria heeft dus tweemaal gebaard: de eerste maal, toen te Bethlehem het vleesgeworden Woord de wereld binnentrad, in de onuitsprekelijke zoetheid van een allerhoogste vreugde; de tweede maal, toen op Calvarië een overgrote menigte voor het goddelijke leven werd geboren, te midden van een nameloze angst. Zij die ons het leven schenkt, is onze moeder.
Door Maria nu zijn wij geboren voor de genade. Zij is dus waarlijk onze moeder Deze benaming is niet in figuurlijke zin op te vatten, maar in heel eigenlijke, heel werkelijke zin. Onze aardse moeder heeft ons het lichamelijke leven gegeven; Maria gaf ons het bovennatuurlijke leven, het leven dat de ziel met God verenigt. Zij beminde ons, zij leed voor ons. Haar hart stort nog steeds zijn overvloed in ons uit, dat hart vol opborrelend leven, vrouwenhart, moederhart.
Volmáákte moeder is zij. Het goddelijke leven waarvan wij moeten leven, bezit zij in volheid en kan zij ook ons mededelen. Haar moederschap is de afbeelding van Gods vaderschap. Alles geeft zij ons en met welk een toewijding, welk een tederheid! Omdat God haar belast met het uitdelen van al zijn gaven, legt Hij haar ook op, dit te doen met zijn liefde. Haar táák is het. Niet om te leraren is zij gemaakt, noch om recht te spreken: zij bemint, want zij is moeder. Zózeer is zij moeder, dat overal waar zij, ten opzichte van Jezus het góddelijke moederschap uitoefent, zij ook, ten opzichte van ons, het genademoederschap doet gelden. Zij waakt over Jezus bij de kribbe en biedt Hem de herders en de Wijzen aan; zij draagt Hem op in de Tempel, maar voor óns; zij staat haar Zoon bij op Calvarië en voor ónze zaligheid slachtoffert zij Hem. Op het ogenblik dat zij ten opzichte van Jezus haar laatste moederplicht vervult, openbaart Hij haar moederschap over de zielen.
Haar moederlijke macht strekt zich uit over de gehele Kerk. Toen zij aan Christus zijn stoffelijke lichaam gaf, begon eerst haar taak; nu geeft zij Hem zijn geestelijke lichaam. Uit haar bloed en haar melk vormde zij Christus persoonlijke lichaam; uit haar hart, haar sterke liefde zijn mystieke lichaam. Jezus is slechts de eerste van haar zonen. Als Eva is zij "de moeder van de levenden". Zij zoekt de voorbeschikten, om ze in te lijven bij Christus. Allen die voorbestemd zijn voor de genade, zijn ook voorbestemd om haar kinderen te zijn.
In het mystieke Lichaam bewerkt zij de eenheid van de zielen; dit is het werk van het moederschap; de moeder immers vormt in haar schoot de ledematen en verenigt ze in een enkel lichaam. Evenzo vormt Maria ook Jezus mystieke ledematen en verenigt ze organisch met het Hoofd.
Na de Hemelvaart van haar Zoon blijft zij voor de Kerk nog op deze aarde en doet voor haar, wat zij voor Jezus had gedaan: zij waakt over haar wieg. De heilige Schrift bewaarde voor ons het eerste beeld van de Kerk: één in geest en in gebed hebben Jezus broeders zich rond de Moeder geschaard. Zij hadden haar nodig, om de geest van Jezus te behouden en in de komende vervolging niet te wankelen. De gevaren die Bethlehems Pasgeborene hadden omringd, bedreigden nu zijn mystieke Lichaam. De Moeder die het Christuskind redde, bewaakt dus nu ook de opkomende Kerk! Is het niet treffend, dat het Christusmysterie, bij de Menswording slechts begónnen door Maria, op Pinksterdag zijn volheid bereikt door bemiddeling weer van Maria?
Elke dag roepen wij haar aan als "Ark van het Verbond". De verbondsark van het Oude Testament bewaarde in de stilte van het Heilige van het heiligen heel de schat van het gelovige volk, was zijn bescherming, zijn hoop. Maria nu, in haar werking altijd verborgen, is aan de levensbron van de Kerk gezeten. Zoals een ware moeder is zij weggedoken in de verborgenheid van het huis; maar de uitdeelster is zij van het leven. Ark van het Verbond van de Kerk, is zij haar geheime kracht, het hart van haar heiligheid.
Bij Christus zijn wij ingelijfd, in Christus opgenomen, met Christus bekleed. Christus is als een soort atmosfeer, die de ledematen van zijn mystieke Lichaam omgeeft en waarin zij leven. Zo kunnen wij ook zeggen, dat wij leven in Maria. Is ook Marias moederlijke macht niet als een soort atmosfeer, waarin de christenheid ademt? Alle uitverkorenen toch zijn in háár schoot gevormd. Het genadeleven is geen krachtig werkend leven van het eerste begin af; het kent zijn groei, het heeft zijn kindsheid; het is een leven dat wordt. Voor zijn zwakke tijd heeft het een moeder nodig, en heel ons aardse leven duurt die periode van kindsheid. Zolang wij in het genadeleven zijn, bevinden wij ons in de vormingsperiode. Is de genade niet de kiem van de glorie? De heiligen zelfs zijn kinderen voor haar. En besef nu, welke een intimiteit met de Lieve Vrouw de vorming in haar schoot bewerkt. Zolang het kind leeft in moeders schoot, maakt het slechts één met haar uit; al wat het heeft aan leven komt van haar. Tot de dag waarop wij voor het eeuwige leven worden geboren, draagt Maria ons in haar liefdegloed. Met de genade, waarvan zij de volheid bezit, voedt zij ons. Uit het Bloed van Jezus toch vormt zij de genademelk, die zij voor onze kinderleeftijd geschikt maakt. Welke Christen gevoelt niet, dat hij leeft en groeit in een atmosfeer van moederlijke liefde?
Om óns heeft Zij geleden.
Om óns heeft Zij geleden.
Door profetisch licht bestraald, erkende Joannes de Doper in Jezus de Verlosser, Hem die ging sterven tot uitboeting van de zonden van de mensen: "Ziet het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt". Hoe feller vonkte deze waarheid voor Marias ogen! Haar volmaakt begrip van Gods woord in de Schrift kon volstaan om haar het schrikwekkende lijden te openbaren dat haar Zoon tegemoet ging. Las zij bij Isaias niet deze duidelijke voorzegging: "Velen stonden bij zijn aanblik verslagen, zó was Hij misvormd, zijn gestalte was niet meer die van een mens, noch zijn gelaat als dat van de kinderen van de mensen.... Hij is veracht en verstoten, man van smarten, die het lijden kent, voor wie wij ons het gelaat bedekken". Deze profetieën en andere las Maria; zij overwóóg ze en wist, dat ze vervuld gingen worden in haar Zoon.
Beseft echter wel, wat de gedachte aan dit verschrikkelijke lijden voor Maria was, wát het voorgevoel van dit voor haar geestesoog opgeheven kruis betekende. Denk aan de doodsstrijd van een moeder die te voren weet, aan welke folteringen haar kind zal worden overgeleverd, en u zult enigszins het inwendige martelaarschap van Maria begrijpen, als zij in de heilige Schrift verzen leest als deze: "Om ónze zonden wordt Hij doorboord, om ónze misdaden wordt Hij gebroken.... Hij wordt mishandeld en Hij opent de mond niet, als een lam naar de slachtbank geleid... Het had Jahweh behaagd Hem door het lijden te breken... Hij is onder de boosdoeners geteld".
Maria stemde met Gods plannen in, en vooraf al bewilligde zij in het offer dat de bronnen van het leven zou openen. Ofschoon het haar hart moest doorsteken, verlangde zij, evenals Jezus, naar het uur dat aan God zijn verloren kinderen zou terugschenken, terwijl het haar Zoon en ook haar een "nageslacht" zou verzekeren. Toen dit schrikwekkende uur voor Maria aanbraak, was zij gereed en zag men haar staan naast haar Zoon
Onze Moeder.
Onze Moeder.
Aan de bronnen der genade is Maria gezeten. Gods gave aan de mensen, Christus Jezus, onze levensbron is ook Marias gave. Keer op keer leren de feiten van het Evangelie ons de liefdevolle wet van het geestelijke leven, dat Jezus Zich geeft door Maria. Nauwelijks heeft zij Hem ontvangen, of zij haast zich, Hem naar Elisabeth en de Doper te dragen; zij stelt Hem voor aan de Wijzen; zij openbaart Hem te Cana. Overal laat zij Jezus zien. Het is een onveranderlijke genadewet. "Zij vonden het Kind met zijn Moeder." Jezus, te geven is Marias táák. Zij doet dit altijd. "Jezus Christus is de vrucht van de Maria-devotie".
"Zeker is het, dat Jezus Christus voor iedere met Hem vereende ziel in het bijzonder, even waarachtig als voor geheel de mensheid in het algemeen, de vrucht is van Marias werk. Wanneer dus een vrome christen Jezus Christus in zijn hart heeft gevormd, kan hij vrijmoedig zeggen: Mijn innige dank aan Maria; wat ik bezit is haar werk en haar vrucht, en zonder haar bezat ik Hem niet".
In Gods gedachte echter zijn Jezus en Maria onafscheidelijk. Gelijken op de een, zonder gelijkenis te vertonen met de ander, is niet mogelijk. Dezelfde eeuwige wilsdaad die Jezus voorbestemt tot onze Verlosser en ons voorbeeld, bestemt ook Maria voor tot een innige vereniging met Hem in geheel het verlossingsmysterie, en dus ook mét Hem tot het voorbeeld voor ons leven. Vormt de Heer zijn uitverkorenen, dan ziet Hij ze niet alleen in zijn vleesgeworden Woord, maar ook in haar die men kan noemen: "spiegel van gerechtigheid", zuivere weerglans van zijn heiligheid; ook aan háár beeld wil Hij, dat wij gelijkvormig worden. Zij zelf, trouwens, zorgt er voor, dat dit beeld in onze ziel wordt gedrukt. Zij is "de hoogstbegenadigde van onze verlossing". Maria schrijft in het "levensboek" de voorbestemden van de eeuwige Liefde en merkt ze met het goddelijk zegel. "Méér nog, zij zelf is het "levensboek", waarin de Heer de naam van de uitverkorenen grifte; in haar toch vormde de Heilige Geest de Christus en zijn ledematen."
Door de heiligmakende genade maakt het doopsel ons deelgenoot van Gods innerlijk leven, doet het in ons het goddelijke leven werkelijk geboren worden. In zeker opzicht nu mogen wij zeggen, dat Maria voor ons die genade heeft verdiend. Wel moeten wij hier de volle nadruk er op leggen, dat het leven ons toevloeit van de enige Verlosser, Jezus Christus. Het kruisoffer is de enige, algehele, noodzakelijke en voldoende oorzaak van ons heil. Het heiligste der schepselen zelfs kon ons niet vrijkopen, terwijl één enkele druppel van Jezus bloed meer dan genoeg zou zijn voor de overvloedigste voldoening van onze schulden. Het heeft God echter behaagd, de enige Verlosser toch een medeverlosseres toe te voegen. Met de eerste man, Adam, had Eva door verlokking meegewerkt tot ons verderf; met Christus werkt Maria, door haar toestemming, mee tot ons heil. Bewonderenswaardige eenheid van het goddelijke plan!
Door een vrije beschikking van zijn wijsheid had God van eeuwigheid besloten, dat het Christusmysterie slechts zou verwezenlijkt worden met de toestemming van haar die "de hulp van de nieuwe Adam" moest zijn. Doordat Maria die vrije toestemming gaf, nam zij als medewerkster aan dit mysterie deel en verdiende zo voor ons waarlijk de genade. Haar antwoord aan Gods afgezant: "Zie de dienstmaagd van de Heer, mij geschiede naar uw woord", is zeer zeker een woord van gehoorzaamheid, maar ook een beslissings- en gezagswoord. Zolang zij niet heeft toegestemd, blijft alles in afwachting.
Dit fiat van Maria is haar hoogste daad; daardoor neemt zij deel aan de voltrekking van de goddelijke mysteriën. Het geheim van de Menswording zal zich van nu af niet kunnen ontvouwen zonder haar. Aan zijn groot mysterie gaat God door háár uitvoering geven, het mysterie, "dat de heerlijkheid van de genade doet uitstralen", het mysterie van de Christus, d.w.z. De Christus in ons. Wil God Zich meedelen aan de schepselen, dan zal Hij het doen door Jezus Moeder, de bemiddelares van het goddelijke leven. Het werk van de vereniging, het werk van de liefde, de uitstorting van de genade, dit alles zal God doen door Maria.
Maria wist het. Een profetisch licht toont haar heel het mysterie van haar Zoon, en zonder voorbehoud geeft zij er zich aan over. "Zij weet, zij voelt, zij ziet, waartoe God haar lokt, haar roept, haar verheft, en die verheven staat treedt zij in vol van genade, om in die hoge waardigheid de dienstmaagd van de Heer te zijn." Zij weet, naar Gabriëls woord, niet slechts, dat Hij "de Zoon van de Allerhoogste is," en dat haar de eer beurt valt Moeder van God te zijn, maar ook, dat zij Hem "Jezus" moet noemen, Jezus, dat is Verlosser, en Hem dus geven moet voor het heil van de mensen. Het grote Godsplan: de uitstorting van het goddelijk leven door haar Zoon, wordt voor haar duidelijk.
Het mysterie van de Menswording zou ook niet op één ogenblik slechts in haar schoot voltrokken worden, maar door de vorming van Christus ledematen zou het voortduren tot het einde van de tijden. Zij begreep, dat zij, de geroepene tot Moeder van het Vleesgeworden Woord, Hem in zijn gehéél moest ontvangen, en dat eerst door de voortbrenging van de gehele, de volledige Christus haar moederschap de volle volmaaktheid zou bereiken. Voor geheel dit mysterie vroeg de aartsengel Gabriël van Godswege de toestemming, en ook Geheel dit mysterie wilde Maria. Zij aanvaardde tegelijk én Jezus Moeder én de Moeder van zijn ledematen te zijn; van die dag af was zij dus ook ónze Moeder. In de schoot van zijn allerzuiverste Moeder nam Jezus Christus niet slechts een sterfelijk lichaam aan, maar ook een geestelijk lichaam, gevormd uit allen die in Hem zouden geloven.
"Mijn liefste Jezus is geen enige Zoon," zeide Maria tot de heilige Gertrudis, "maar wel mijn eerstgeborene, omdat ik Hem het eerst heb ontvangen in mijn schoot; maar ná Hem, of liever dóór Hem, heb ik u allen ontvangen, want in de schoot van mijn moederlijke liefde heb ik u aangenomen tot zijn broeders en mijn kinderen."
Door een inwendig licht doet de Heer haar duidelijk inzien, dat zij die schat moet afstaan, en dat Jezus, de vrucht van haar schoot en het hoogste Goed van haar leven, het Goed van allen moet worden, een gemeenschappelijk Goed, voor het heil van de wereld bestemd. Gods Moeder wil dan ook deze afstand, als zij haar Zoon Jezus opdraagt in de Tempel. Zich vernederen in onderwerping aan de wet, zichzélf geven, bestond daarin niet steeds haar dagelijks leven? Nú wordt echter veel méér aan haar gevraagd: het offer namelijk van haar Zoon. Simeon riep haar het grote Verlossingsmysterie in het geheugen: haar Zoon was Redder en Verlosser, Hij moest dus voor zijn broeders sterven. Voor dít offer, voor de dood moest Maria Hem aanbieden, zonder aarzelen, zonder voorbehoud, onherroepelijk doet zij het; voor de zaligheid van de mensen geeft zij haar Zoon prijs aan het absolute recht van de goddelijke gerechtigheid, zij wijdt Hem tot slachtoffer. En zichzelf biedt zij aan, om Hem te vergezellen, overal waar het Hem behagen zal haar te roepen.
"Men komt bij het altaar, de Maagd knielt neer, van feller vuur ontgloeid dan de serafijnen in de hemel. In haar handen houdt zij haar Kind, en terwijl zij het als een slachtoffer van alleraangenaamste geur opdraagt aan God, vloeit van haar lippen het volgende gebed: "O, almachtige Vader, aanvaard de offergave die ik, uw dienares, U voor de gehele wereld aanbied. Ontvang deze Zoon, die ons beiden toebehoort, de mijne is Hij in de tijd, de uwe van alle eeuwigheid. Ik breng U eindeloze dank, omdat Gij mij tot Moeder hebt verheven van Hem, van wie Gij de Vader bent. Ontvang dit allerheiligste Slachtoffer uit de handen van uw dienares. Het is het morgenoffer; later zal het tussen de kruisarmen het avondoffer worden. Allerbeste Vader, werp een gunstige blik op mijn offerande en wees indachtig voor wie ik Hem U opdraag"."
Maria neemt haar Zoon weer mee naar Nazareth, en leeft zij met Hem in de zoetheid van het familieleven. De herinnering aan Simeons profetie gaat echter niet uit haar geest, zij leeft in de offergedachte, in het gezicht van Calvarië. De heilige grijsaard had voor haar moederoog het kruis omhoog geheven, aanhoudend vestigt zij nu haar blik daar op. Als de tederste moeder zorgt zij voor het goddelijk Kind en de goddelijke Jongeling, maar zoals een priester het doen zou die voor de slachting het offer in gereedheid brengt. Evenals Abraham de berg beklom, waar hij zijn zoon moest offeren, zo zette ook Maria dagelijks een stap in de richting van Calvarië.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
DE DOKTER EN DE TWEE GEVANGENEN.
DERDE BOEK, KAP. 31.
Gods Zoon sprak tot Zijn bruid en zeide: Een dokter kwam van zeer ver naar een onbekend rijk, waar de koning zelf niet regeerde en niet de raadsman was, maar door anderen geregeerd werd. En hij was laf. Daarom scheen hij als een gekroonde ezel op zijn koninklijken zetel te zitten, en zijn volk ging zich te buiten aan eten en drinken en verloor al het gevoel van eerbaarheid en rechtvaardigheid en haatte allen, die het den heilzamen raad gaven zich op de verwerving der toekomstige goederen des hemels toe te leggen.
Toen de dokter verscheen en zich aan den koning voorstelde en zeide dat hij uit een schoon en rijk land kwam en naar het onbekende koninkrijk gekomen was ondat hij de ziekte kende, waaraan het volk leed, was de koning zeer verbaasd en antwoordde: Ik heb twee mannen in de gevangenis, die morgen onthoofd zullen worden; de eene kan nauwelijks meer ademen, maar de andere is nu sterker en gezetter, dan toen hij de gevangenis binnentrad. Ga daarom naar hen toe en zie wie van hen de sterkste is.
De doktor ging in de gevangenis, bezag de gevangenen en zeide tegen den koning: De man, die volgens u de sterkste heet te zijn, is gelijk aan een doode en kan niet in t leven blijven, maar voor den anderen bestaat goede hopp. De Koning zeide: Hoe weet ge dat? De dokter zeide: Het lichaam van den een is vol kwade sappen en hij kan niet herstellen, maar de ander, die er ondermijnd en uitgeteerd uitziet, zal spoedig gezond worden, indien hij in zachte en goede lucht komt. Toen zeide de koning: Ik zal mijn groote en wijze mannen te zamen roepen, opdat gij in hun oog door uw wijsheid moogt uitblinken.
De dokter antwoordde: Doe dat niet, want gij weet, dat uw volk de waardigheid en een van anderen haat en dat het anderen belastert indien het hun niet op andere wijze kwaad kan doen. Maar wacht en ik zal u alleen mijn wijsheid in het geheim toonen. Want ik heb geleerd het meeste van mijn wijsheid geheim te houden en niet te openbaren, en ik verlang noch zoek eer noch lof in uw duisternis, terwijl ik in het licht van mijn vaderland geëer word.
En de tijd van genezing is niet gekomen, voor er zuidenwind is en de zon op het middagpunt gekomen is. De koning antwoordde: Hoe zal dat kunnen gebeuren in mijn land, want de zon is hier zelden zichtbaar, en wij wonen het noordelijkst van heel de wereld, waar altijd een sterke koude noordenwind woedt. En wat helpt mij uw kennis, en waarom stelt gij de beterschap zoo lang uit? Dat gij welbespraakt zijt, zie en hoor ik genoeg. De dokter antwoordde: Een verstandig man behoeft niet ongeduldig te zijn. En opdat ik u niet overmoedig en ondankbaar zal schijnen, stel deze twee mannen ter mijner beschikking en ik zal hen voeren naar landen, waar het zachter is en minder waait, en dan zult gij zien, hoeveel mijn woorden en daden waard zijn.
De koning antwoordde: Wij worden in beslag genomen door gewichtige zaken. Waarom maakt gij misbruik van onze belangstelling, of wat doet ons uw bekwaamheid, als wij blijdschap en vreugde hebben van onze goede dingen, daar die ons verblijden en wij genieten van het goede? En wij verlangen of begeeren niets wat in de toekomst onzeker is. Neem echter die mannen mede, waar gij om vraagt. En indien gij iets groots en wonderbaars tot stand brengt of vertoont, dan zullen wij u roemen en eeren en uwen lof verkondigen.
De dokter nam de mannen mede en bracht hen naar een land waar de lucht gezond was. Daar stierf de een, maar de ander sterkte aan door de krachtige en gezonde lucht, en bleef in het leven. Ik ben die dokter. Ik zond de wereld mijn woorden en verlang door u de zielen der menschen te genezen. En hoewel ik de ziekte van vele menschen zag, vertoonde ik er u twee, in wie gij mijn rechtvaardigheid en barmhartigheid kunt bewonderen. De eene werd in het geheim door den duivel bezeten en die zou tot in eeuwigheid gepijnigd worden, hoewel zijn daden toch geroemd werden en den menschen rechtvaardig schenen. Maar den ander, dien ik u toonde, had de duivel openlijk in zijn macht. En hij, zeide ik, zou boeten en gered worden op zijn tijd, hoewel het den menschen niet geopenbaard werd zooals gij geloofdet. Want volgens de goddelijke rechtvaardigheid moest de booze geest, die langzamerhand macht over hem gekregen had, hem door Gods barmhartigheid ook weer verlaten, totdat de ziel van het lichaam gescheiden werd.
En de duivel kwam met de ziel voor het gerecht, en de rechter zeide: Gij hebt haar gezuiverd en gezift als tarwe. En nu is het aan mij haar te kronen met een dubbele kroon voor haar belijdenis en biecht. Ga daarom weg van haar, die gij zoo langen tijd beproefd hebt. Daarop zeide de rechter tot de ziel: O gij zalige en gezegende ziel, kom en zie met uw geestelijk oog mijn heerlijkheid en mijn vreugde! Maar tot de andere ziel zeide hij: Omdat geen waar geloof bij u gevonden wordt en gij toch geroemd en geëerd werd als een geloovig christen, doch de daden die rechtvaardige menschen doen niet bij u te vinden zijn, daarom zult gij geen loon krijgen met de trouwe christenen. Gij vraagdet vaak in uw leven, waarom ik voor u sterven wilde en mij zoozeer voor u verootmoedigen. Ik antwoord u, dat dit geloof van de heilige kerk waar is en dat het trekt en leidt naar de hoogte van het hemelrijk, en mijn lijden en mijn bloed leidt hen het hemelrijk in.
Daarom zal uw ongeloof en uw ijdele liefde u als in t niet deon verzinken, en gij zult met betrekking tot de eeuwige geestelijke dingen tot niets worden. Maar dat de duivel den man niet verliet in het oog der menschen, daarop antwoord ik, dat deze wereld is als een herdershut en een zwijnenstal vergelekten bij het paleis of de burcht, waar God woont, en waarin het volk God eert. En daarom, op dezelfde wijze als hij er zoo langzamerhand in kwam, ging hij er ook uit.
Wordt vervolgd.
ADVENTS - EN KERSTTIJD 2010 .
Advent 2010Deel 1
Gebedsgroep
HETCENAKEL
Waregem
ADVENTS - EN KERSTTIJD2010
In de Leer bij de Heiligen
Auteur : Abbé Max Huot de Longchamp, Centre St. Jean de la Croix,F-36230Mers-sur-Indre
Oorspronkelijke Titel :LAvent et le temps de Noël 2010, à lécole des saints.
Vertaling : Hilaire Mestdag,Waregem
Mens, word wakker : God is voor u mens geworden.Word wakker, gij, die slaapt, sta op uit de doden en Christus zal u verlichten (Ef. 5.4).Ik zeg het nogmaals : God is voor u mens geworden !Ge zoudt dood zijn voor alle eeuwigheid, moest Hij niet geboren zijn in de tijd !Nooit zoudt ge verlost geweest zijn van het vlees van de zonde.Ge zoudt de prooi zijn van een eindeloze ellende, zonder deze barmhartigheid. Ge zoudt het leven niet terug gevonden hebben, als hij uw dood niet zou beleefd hebben. Ge zoudt bezweken zijn, als Hij u niet ter hulp gekomen was.Ge zoudt ten onder gegaan zijn, als Hij niet gekomen was !
SintAugustinus, Sermoen voor Kerstmis.
2
Gebruiksaanwijzing
Van de eerste zondag van de Advent aftot aan het feest van de Doop van de Heer, nodigt de kerstliturgie ons uit de fundamentele spirituele houdingenterug te vinden de ons zullen toelaten om met een vernieuwd geloof het vervolg van het Christelijk jaar te beleven : Eerst om binnen te gaan in de hoop op de Verlosser, vervolgens om ons te bekeren om deze Verlosser te verwelkomen en tenslotte om deze Verlosser te ontvangen, te groeien in het leven, dat Hij ons komt brengen en dit leven op onze beurt door te geven.
We hebben daar, stap voor stap, gans een parcours van Christelijk leven.Dit zal beantwoorden aan zes themas, die we zullen toewijzen aan de zes weken van de Advent-en de Kersttijd :
1ste week :De verwachting van een Verlosser.
2deweek :Laten we ons bekeren !
3deweek :De Verlosser verwelkomen.
4deweek :In de stilte van Maria.
5deweek :Groeien in God.
6deweek :Het Evangelie aankondigen.
Elke dag van deze weg zullen we vinden :
-Een tekst, die het thema van de week zal illustreren in de school van de heiligen.
-Enkele aanwijzingen om deze tekstte mediteren, zodat hij ons zou brengen tot inwendig gebed.
-Een voorstel om het mysterie er van te beleven.
3
Voor hen die Inwendig gebed niet gewoon zijn
Aan het begin van het inwendig gebed is er de liefde tot God, het verlangen Hem te kennen en te leven in gemeenschap met Hem. Ik kies dan ook een moment, een plaats of een houding, die mijn geest toelaten vrij te zijn,beschut tegen elke andere bekommernis. Ik begin met enkele minuten stilte, terwijl ik me enkel aan dit heel eenvoudig idee vastklamp : God is er, ik ben er voor Hem, ik zou enkel naar Hem willen luisteren en Zijn wil volbrengen.
Ik begin enkel aan de meditatie zelf (= nadenken over de inhoud van de tekst) wanneer ik me goed bewust geworden ben van Gods aanwezigheid.Dan lees ik rustig de tekst en onderbreek de lezing van zodra de tekstme iets zegt of van zodra hij me de het verlangen geeft te beleven wat hij zegt..
Om de duur van mijn dagelijks inwendig gebed te bepalen, tracht ik te achterhalen hoeveel tijd ik nodig heb om me in Gods aanwezigheid te plaatsen, gevolgd door een rustige meditatie die me leidt naar het verlangenom te beleven wat ik mediteer en die uitmondt in een praktisch besluit. In het begin is tien minuten een minimum.
Als het u niet mogelijk is om te mediteren omdat ge reeds het verlangen hebt om te beleven wat de tekst u zegt en als het u teveel zou bedroeven dit niet te kunnen beleven, als deze tijd, die ge besteedt aan het inwendig gebed, gevuld is met de duidelijke aanwezigheid van God, wel, dring dan niet aan, blijf in stilte rustig bij Hem, zo lang ge wilt of kunt !
Moet ik steeds mijn inwendig gebed afsluiten met het uitvoeren van hetgeen er gesuggereerd wordt in Het mysterie beleven ?Vermits het de liefde tot God is (die dikwijls ervaren wordt alseen eenvoudig verlangen om Hem te beminnen) die u heeft geleid naar inwendig gebed, vermits het diezelfde liefde is, die uw meditatie ondersteunt, is het ook normaal dat dit gebed uitmondt in een concreet gebaar van liefde, een besluit.Het heeft echter weinig belang of het dit besluit is, dat hier wordt gesuggereerd.Het essentiële is dat men tot een beslissing komt, en niet bij een vaag voornemen blijft.
Als we dan een beslissing genomen hebben, blijft er ons deze in praktijk te brengen. Van ik zal mijn vijanden vergiffenis schenkenovergaan naar ik zal deze of gene, met wie ik in de knoop lig, aan tafel vragen .Het is tot deze prijs dat het inwendig gebed ons leven zal veranderenen dat de liefde tot God niet enkel een idee zal blijven.
En als ik kan en verlang meer tijd aan het inwendig gebed te besteden ?Een half uur, een uur ?Wel, aarzel niet, dat is de genade,die wij u toewensen !Maar waarschijnlijk zult ge specifieke vragen zien opkomen, die gebonden zijn aan een Christelijk leven dat duidelijk meer dan gemiddeld contemplatief wordt.Dan is het moment gekomen om er meer van te willen weten. Dan kan u zich wenden tot meer uitgebreide publicaties.
4
Thema van de 1ste week :De verwachting van een verlosser
Zondag,28november 2010Eerste zondag van de Advent
"Binnengaan in de Gewijde Geschiedenis !"
Van het begin van de wereld af, leeft Christus in ons en werkt in ons gans de tijd van ons leven. Hij die tot het einde van de wereld leeft, is één dag.Jezus heeft geleefd en leeft nog, Hij is begonnen in zichzelf en leeft in zijn heiligen een leven, dat nooit zal eindigen. O, leven van Jezus, dat alle eeuwen bevat en overstijgt !Leven, dat op elk ogenblik nieuwe werken verricht !
Gans het Oude Testament is enkel een kleine weg van ontelbare en ondoorgrondelijke paden van dit Goddelijk werk.Er is alleen dat, wat nodig is om tot bij Jezus te komen.De Geest Gods heeft al de rest verborgen gehouden in de schatten van zijn Wijsheid.En uit gans deze zee van Goddelijk handelen laat hij enkel en klein straaltje water te voorschijn komen, dat, aangekomen bij Jezus, zich verder verspreid bij de apostelen entenslotte eindigt in de Apocalyps. Op die manier is de restvan de geschiedenis van dit goddelijk handelen, dat bestaat in alle mystieke leven dat Jezus, tot aan het einde der tijden, leidt in heilige zielen, het voorwerp van ons geloof.Al wat er over geschreven is, isevident : We zijn in de eeuwen van het geloof, de Heilige Geest schrijft enkel nog Evangelies in de harten.Alle handelingen, alle momenten van de heiligen, zijn het Evangelie van de Heilige Geest. De heilige zielen zijn het papier, hun lijden en hun daden zijn de inkt.
Door de pen van zijn werking schrijft de Heilige Geest een levend Evangelie en men zal het slechts kunnen lezen op de dag van de glorie, waar men het zal kunnen lezen nadat het verschenen is uit de persen van dit leven.
Jean-Pierre de Caussade,De overgave aan de Goddelijke voorzienigheid. Hfdst XI.
OVERWEGEN.
Een nieuw liturgisch jaar openen is een nieuw hoofdstuk beginnen van de Gewijde Geschiedenis. Het is binnen treden in het mysterie van God, die onze menselijke conditie komt beleven. Het is bewerker zijn van de groei van Christus in zijn lichaam, dat de Kerk is.
De H. Schrift en de traditie van de Kerk geven ons de sleutel van die geschiedenis. Het voorrecht van de Christen is dat hij weet van waar hij komt en waar hij heen gaat, dat zijn leven zin heeft en dat alles een verklaring vindt in Gods Liefde voor hem.
De heiligheid is : Christus beleven, dat is : Christus in ons laten leven. Ons doopsel heeft ons binnen geleidt in dat leven, waarvan elk ogenblik vraagt om begrepen te worden in het licht van de christelijke verwachting : de volle verschijning van Christus in ons vleesop de laatste dag van de geschiedenis.
5
HET MYSTERIE BELEVEN.
Ik overzie de verlopen week in het licht van de christelijke verwachting, in de besluiten, die ik genomen heb, de daden, die ik gesteld heb, de keuzen, die ik gemaakt heb. Wat zal er eeuwig blijven en wat is reeds gestorven of zal over enkele dagen, over weinige uren, verzwinden ?
Dan trek ik van mijn dag een klein pleziertje af dat, tenslotte, nauwelijks verkregen, toch zou gestorven zijn.
Maandag,29 november2010Van de feria.
Zich sommige dingen ontzeggen.
Elke mens moet zich op de komst van de Heer voorbereiden, zo dat dezehem niet overgegeven vindt aan gulzigheid of aan de zorgen van de wereld. De dagelijkse ondervinding leert ons, geliefde broeders, dat de verzadiging van het vlees de scherpte van de geest aantast en dat overmatig voedsel de kracht van het hart aantast.
Het komt de ziel toe om sommige dingen af te wijzen, die ons worden aangeboden en om, door een inwendige beslissing, de uitwendige verzoeken te beperken, om er de nadelen van de vermijden. Zo staat zij vrijer tegenover lichamelijke begeerten en kan ze zich wijden aan de goddelijke wijsheid in de teruggetrokkenheid van de geest, ver van het lawaai van de aardse zorgen, en haar genot vinden in de heilige overwegingen en de eeuwige genoegens.
Zeker, in dit aardse leven is heel moeilijk om voortdurend op die manier te leven. Men kan er zich echter dikwijls terug toe wenden, zo dat men vaker en langer bezig is met de geestelijke werkelijkheden dan met de vleselijke. Als men dan meer tijd besteedt aan de betere dingen, veranderen zelfs de tijdelijke zaken in onbederfelijke rijkdommen.Datis de bijzonderste bestaansreden van praktijken als het vasten, zoals de Kerk deze, onder de leiding van de Heilige Geest, in de loop van het jaar heeft vastgesteld.
H. Leo, Sermoen 89,1.
OVERWEGEN.
Men moet weten wat men wil, weten waar men zijn hoop op stelt : Leven we voor lichamelijke begeerten, zelfs de schijnbaar onschuldige, of voor de eeuwige genoegens ?
Het jaarlijks terug keren van perioden als de Advent en de Vasten laten ons toe om de logica terug te vinden en te verstevigen van een echt christelijk leven en de keuze terug te vinden van ons Doopsel.
Aan ons om te beslissen en de beslissing te nemen om ten volle bewust te worden van de broosheid vande lichamelijkerealiteiten en de degelijkheid van de geestelijke realiteiten.
Nieuwsbrief van Zuster Emmanuel van 15 mei 2007.
Nieuwsbrief van Zuster Emmanuel van 15 mei 2007
4) - Mexico: Antwoord van de heilige Maagd op de abortuswetgeving?
We weten dat de regering van Mexico helaas 24 april jongstleden, abortus heeft gelegaliseerd. Mexico was een van die zeldzame landen waar abortus illegaal is gebleven. Welnu, er heeft zich een wonderlijke gebeurtenis voorgedaan, waarvan het de moeite waard is om er op grote schaal bekendheid aan te geven.
In de basiliek Notre Dame de Guadalupe in Mexico, wordt de Tilma van Juan Diego tentoongesteld op een voor iedereen zichtbare wijze. Laten we ons in herinnering brengen hoe in de 16de eeuw de heilige Maagd duizenden Azteken indianen heeft bekeerd, door op wonderbaarlijke wijze een afdruk van haar afbeelding op de Tilma van Juan Diego, de ziener, achter te laten. Het lijkt erop dat de Moeder van God vandaag de dag door middel van deze zelfde Tilma nog tot ons wil spreken, en op stille wijze via deze Tilma haar reactie op de abortuswetgeving wil geven, om niemand te kwetsen.
De dag zelf waarop deze wet is aangenomen, werd na de mis die werd opgedragen voor de ongeboren kinderen, op de Tilma plotseling op onverklaarbare wijze een sterk licht zichtbaar, ter hoogte van de buikstreek, op de plaats waar een moeder haar kind draagt. Het licht vormde een soort heldere bol in de vorm van een embryo. Experts hebben bevestigd dat het noch ging om een lichtweerkaatsing, noch om een kunstmatig aangebracht voorwerp. Getuigen hebben het fenomeen dat een uur duurde kunnen filmen en fotograferen.
Pater Luis Matos (Gemeenschap van de zaligsprekingen) deed het volgende verslag: "De ingenieur Luis Girault die een van de fotos van dit licht heeft bestudeerd, bevestigde dat het negatief een authentieke weergave is. Hij verklaarde dat het negatief noch is bewerkt, noch is vervalst door er bijvoorbeeld een andere afbeelding overheen te leggen. Hij stelde vast dat de lichtende afbeelding van het embryo niet veroorzaakt werd door weerkaatsing, maar letterlijk uit de afbeelding van de heilige Maagd zelf kwam. Het licht was heel wit, heel zuiver en intens en verschilde van het lichtschijnsel dat zich op een foto kan bevinden door de weerkaatsing van een flits. Dit licht werd omgeven door een soort lichtkring en leek te zweven in de buikstreek van de heilige Maagd. Deze lichtkring had de vorm en afmetingen van een embryo. Als je de afbeelding nog nauwkeuriger bestudeerde, door deze rond te laten draaien op een sagittaal vlak, kon je aan de binnenkant van de lichtkring enkele schaduw plekken gewaarworden, die de karakterestieken hadden van een menselijk embryo in de moederschoot".
Het is mooi om te zien op welke fijngevoelige wijze onze hemelse Moeder zich uit: ten aanzien van deze nieuwe wet die duizenden van haar kinderen schaadt en die voor Mexico zeker geen bron van zegeningen zal zijn, zwijgt ze in haar lijden en windt ze zich niet op met zinloze discussies. Nee, ze helpt ons om onze blik te richten op Diegene die ze draagt, het Licht van de wereld, de Redder, die net als alle ongeboren kindren ook klein en kwetsbaar was en zich niet kon verdedigen. Door ons het Kindje Jezus levend in haar schoot te tonen, als een nog klein ongeboren wezentje, geeft ze ons zonder woorden een antwoord dat het evangelie weergeeft: "Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan". (Mt 25, 40)
Lieve Gospa, trek de heilige Geest aan in ons hart en geef ons de smaak van van het leven.
Zr. Emmanuel
LITANIE VAN ONZE LIEVE VROUW (Loreto).
LITANIE VAN ONZE LIEVE VROUW (Loreto)
(10 december)
- Heer, ontferm U over ons,Christus ontferm U over ons.
- Heer, ontferm U over ons,Christus aanhoor ons. Christus verhoor ons.
- God, Hemelse Vader, ontferm U over ons.
- God Zoon, Verlosser van de wereld, ontferm U over ons.
- God, Heilige Geest, ontferm U over ons.
- Heilige Drievuldigheid, één God, ontferm U over ons.
- Heilige Maria, bid voor ons. - Heilige Moeder van God, bid voor ons. - Heilige Maagd der maagden, bid voor ons. - Moeder van Christus, bid voor ons. - Moeder van de Kerk, bid voor ons. - Moeder van de goddelijke Genade, bid voor ons. - Allerreinste Moeder, bid voor ons. - Zeer kuise Moeder, bid voor ons. - Maagdelijke Moeder, bid voor ons. - Onbevlekte Moeder, bid voor ons. - Beminnelijke Moeder, bid voor ons. - Bewonderenswaardige Moeder, bid voor ons. - Moeder van goede raad, bid voor ons. - Moeder van de Schepper, bid voor ons. - Moeder van de Zaligmaker, bid voor ons. - Allervoorzichtigste Maagd, bid voor ons. - Eerwaardige Maagd, bid voor ons. - Lofwaardige Maagd, bid voor ons. - Machtige Maagd, bid voor ons. - Goedertieren Maagd, bid voor ons. - Getrouwe Maagd, bid voor ons. - Spiegel van gerechtigheid, bid voor ons. - Zetel van Wijsheid, bid voor ons. - Oorzaak van onze blijdschap, bid voor ons. - Geestelijk vat, bid voor ons. - Eerwaardig vat, bid voor ons. - Heerlijk vat van godsvrucht, bid voor ons. - Mystieke roos, bid voor ons. - Toren van David, bid voor ons. - Ivoren toren, bid voor ons. - Gouden huis, bid voor ons. - Ark van het verbond, bid voor ons. - Deur van de hemel, bid voor ons. - Morgenster, bid voor ons. - Heil van de zieken, bid voor ons. - Toevlucht van de zondaren, bid voor ons. - Troosteres van de bedroefden, bid voor ons. - Hulp van de christenen, bid voor ons. - Koningin van de engelen, bid voor ons. - Koningin van de aartsvaders, bid voor ons. - Koningin van de profeten, bid voor ons. - Koningin van de apostelen, bid voor ons. - Koningin van de martelaren, bid voor ons. - Koningin van de belijders, bid voor ons. - Koningin van de maagden, bid voor ons. - Koningin van alle heiligen, bid voor ons. - Koningin zonder erfsmet ontvangen, bid voor ons. - Koningin in de hemel opgenomen, bid voor ons. - Koningin van de heilige rozenkrans, bid voor ons. - Koningin van de vrede, bid voor ons.
Lam Gods, dat wegneemt de zonder der wereld, spaar ons Heer. Lam Gods, dat wegneemt de zonder der wereld, verhoor ons Heer. Lam Gods, dat wegneemt de zonder der wereld,ontferm U over ons Heer.
Bid voor ons, heilige Moeder van God,opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Laat ons bidden
Heer God, wij smeken U, geef ons uw dienaren, dat wij ons mogen verheugen in een voortdurende gezondheid van ziel en lichaam en mogen wij door de glorievolle voorspraak van de heilige Maria die altijd maagd is gebleven, van de tegenwoordige droefheid verlost worden, en de eeuwige vreugden genieten. Door Christus onze Heer. Amen. In deAdvent De engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt, en zij heeft ontvangen van de Heilige Geest.
Laat ons bidden
God, die gewild hebt dat uw Woord door de boodschap des engels het vlees uit de schoot der zalige Maagd Maria aannam,geef, smeken wij U, dat wij die geloven dat zij waarlijk Moeder van God is, door haar voorspraak bij U mogen geholpen worden. Door dezelfde Christus, onze Heer. Amen. Van Kerstmis tot Lichtmis (2 februari) Na het baren, O Maagd, zijt gij maagd gebleven,Moeder Gods, wees onze voorspraak.
Laat ons bidden
God, die door de vruchtbare maagdelijkheid der gelukzalige Maria aan het menselijk geslacht de prijs van het eeuwige heil hebt gegeven, verleen ons, bidden wij U, te mogen gevoelen, dat zij voor ons ten beste spreekt, door wie wij de Gever van het leven mochten ontvangen, onze Heer Jezus Christus, uw Zoon. Amen.
In de Paastijd Verheug en verblijd u, Maagd Maria, Alleluia, want de Heer is waarlijk verrezen, Alleluia.
Laat ons bidden
God, die U gewaardigd hebt, de wereld door de verrijzenis van uw Zoon onze Heer Jezus Christus te verblijden, verleen ons op onze bede, dat wij, door de hulp van zijn Moeder, de Maagd Maria, de vreugden van het eeuwige leven mogen verlangen. Door dezelfde Christus, onze Heer. Amen.