Historiek vande SV-4 tweedekker.
De Stampe Vertongen SV-4B
Twee vliegers uit WO I, Jean Stampe en Maurice Vertongen besloten in 1922 een vliegschool voor militaire vliegers op te richten, maar ze vonden geen enkel bestaand lesvliegtuig geschikt.
Ze besloten dan maar er zelf een te laten bouwen bij de Brusselse gebroeders Renard.
In 1930 richtten ze hun eigen fabriek Stampe-Vertongen op in Deurne.
De tweedekkers die de firma ontwierp in 1933 en bouwde moesten concurreren met de De Havilland DH Tiger 82 Moth, 60 Moth en de DH maar waren veel wendbaarder, zoals voor een opleidingsvliegtuig hoorde.
De eerste ontwerpen werden getekend door Alfred Renard. Het waren de RSV vliegtuigen (Renard Stampe Vertongen) type 26, 26/100, 18/26 en 22. Renard verliet de firma om een eigen fabriek op te starten, en werd vervangen door de jonge ingenieur Georges Ivanow. Hij bracht verdere verbeteringen aan, en ontwierp de ST26, RSV323G11 en SV3. In 1932 werd hem gevraagd een studie te maken voor een nieuw ontwerp en de SV4 (met de initialen van de bouwers) was geboren. De SV4 maakte zijn eerste vlucht op 13/5/33 en werd geregistreerd als OO-ANI. Tussen 1933 en 1938 werden er 6 gebouwd (OO-ANK, OO-AAC, OO-ACB, OO-APR en OO-ASU). Toen Ivanow echter omkwam in een crash met een SV10, stopten Stampe en Vertongen de productie van vliegtuigen en legden zich enkel no toe op het onderhoud ervan. Onderd druk van Elza Leysen, een piloot studente van Stampe, werd de nieuwe ingenieur Demidoff aangeworven met de opdracht een Belgisch acro vliegtuig te bouwen. Een eerste exemplaar vloog op 19/10/37, onder de registratie letters OO-JAN (genoemd naar de Belgische luchtvaartpionier Jan Olieslagers).
In opdracht van de Belgische Luchtmacht, die hun AVRO 530 wilden vervangen, werd een vernieuwde versie gebouwd van de OO-JAN, de OO-ATC en OO-ATD. In 1939 ging Stampe dit toestel voorstellen aan de Franse Luchtmacht en kwam terug met een Belgische bestelling van 30 toestellen, die zouden worden gebouwd als SV-4B (B staat voor Bis, om deze toestellen te onderscheiden van de eerdere SV-4 versies). Bij het uitbreken van WOII overleefden 24 van deze 30 toestellen (zie hoofdstuk SV-4B gedurende WOII in Afrika). In 1939 had Frankrijk inmiddels al een bijkomend order geplaatst voor nog eens 300 toestellen.
De fabriek in Deurne zag zich niet in staat een dergelijk groot aantal toestellen te bouwen en de licentierechten werden verkocht aan Farmann in Frankrijk. Deurne zou er 50 bouwen. Uiteindelijk werden het er slechts 10 waarvan slechts 1 exemplaar ook vloog.
WO II kwam echter roet in het eten gooien en de fabriek werd stilgelegd.
Pas in 1947 werd de produktie van de SV4-B heropgestart, nadat Stampe en Vertongen opnieuw gingen samenwerken met hun oorspronkelijke partner Renard. Ze vernieuwden de SV-4B met een krachtiger motor en een gesloten cockpit.
Standaard uitgerust met een DH Gipsy Major 10 motor of uitzonderlijk met een Blackburn Cirrus Major III motor. De Belgische Luchtmacht wou intussen de Tiger Moth toestellen vervangen en bestelde 66 SV-4B toestellen.
Aan de Belgische Luchtmacht werden 65 (van de geplande 66) toestellen geleverd.
In Frankrijk en Algerije werden intussen ongeveer 850 Stampe SV-4A en SV-4C gebouwd, meestal uitgerust 140 hp motor Renault 4 Pei.
Maar het ging langzaam bergaf met de firma.
In 1970 stopte SV ermee. De fabriek was niet meer modern genoeg om nog te kunnen concurreren.
Eén van de oorspronkelijke 2 SV-4 toestellen, de OO-ATD, werd gekocht door baron Thierry d'Huart, en stond van bij het uitbreken van WOII verstopt in de tuin van zijn kasteel. Op 4/7/41 konden de piloten Michel Donnet en Leon Divoy ermee naar Engeland vluchten. In 1945 keerde dit toestel terug naar België. Het ging verloren in een crash in 1960.
De SV-4B behoort intussen tot een van de zeldzaamste old-timer vliegtuigen ter wereld.