|
 
De R O O D S T A A R T
Phoenie Urus phoenicurus
Deze slanke, mooie vogel is met zijn 14 cm even groot als de roodborst en heeft een staart van 5,6 cm. In de natuur is hij niet te miskennen. Kopzijde en zijn keel zijn zwart, voorhoofd en oogstrepen wit en de kruin en de rug zijn grijs getint. De vleugels zijn dan weer donker bruin met vaal roestrode zoom. De staart is roestbruin met de middelste veren bruin. Een gemeenschappelijk kenmerk van het mannetje en het wijfje is de steeds trillende staart. De snavel is zwartbruin met bevederde basis. Ogen donkerbruin, poten zwartbruin. Na de eerste rui hebben de veren lichtere grijze zomen, waardoor het gevederte matter lijkt. Het zwart aan de kop en de borst is slechts weinig zichtbaar, doordat het door de hellere borstranden bedekt wordt.
Het wijfje is bovenaan grijsbruin, onderaan hel roodbruin. De onderhals en de borst zijn vuilwit met rode schijn.
Bij de jongere mannetjes is de witte voorhoofdsband niet zo breed en zijn de bovenborst en de staartveren bleek roestbruin. Het zwart aan de keel heeft een witte kantige rand en de vleugelveren zijn breder met lichtbruine randen.
De lokroep is een "foe-iet", waarop meestal meerdere "tek" geluiden volgen, vooral wanneer de vogel opgewonden is. De zang is zeer klankrijk, zacht en fluitend, bij enkele mannetjes ook zeer gevarieerd. ook vaak vermengd met geluiden van andere vogelsoorten. Gewoonlijk begint de zang met een lange toon, gevolgd door twee kortere.
De gekraagde Roodstaart komt voor in Europa, in Azië tot aan het Balkanmeer, in VoorÂzië en in Noord West Afrika. In onze streken verblijft hij enkel in het warme seizoen (aankomst in april en vertrek in augustus). Er wordt overwinterd in Zuid Arabië en Tropisch Afrika. Vooral parken,kerkhoven en grotere tuinen vallen in hun smaak als vertoefgebieden. Verder ook de loof- en de gemengde bossen zijn in trek. Het voedsel bestaat vooral uit vliegen,kleine vlinders en verschillende kleine kevertjes. Een groot deel van deze insecten wordt in de vlucht gevangen.
Het nest, dat er klompvormig uit ziet, wordt in allerhande soorten holen, ook inhuisgevels gebouwd. Droge halmen, fijne worteltjes, bladeren, veren en mos komen in aanmerking voor de bouw van hun nest. Het legsel omvat tot zelfs 7 blauwgroene eieren (18,7 X 13,8 mm). Gedurende de middaguren (rustpauze voor het wijfje) lost het mannetje de pop af voor wat het broeden betreft. De jongen komen na 13 à 14 dagen uit het ei en worden door beide ouders verzorgd, ook nog langere tijd na het uitvliegen.
|