Copyright: Deze teksten zijn auteursrechterlijk beschermd. Schending van het auteursrecht, waaronder wordt verstaan een verveelvoudiging en verspreiding zonder de vereiste voorafgaande toestemming van de auteur is een misdrijf!
de wereld van Luctor
Homo Sapiens non urinat in ventum Een bescheiden column over hoe een oud kind de wereld rondom zich ervaart...
06-08-2010
Linda
Mijn vrouw zit al een tijdje in een rolstoel. Anderhalf jaar om precies te zijn. Maar omdat we blijven weigeren om ons bij dat lot neer te leggen, hebben we in de voorbije achttien maanden zowat elke kliniek van binnen en van buiten gezien. Het merendeel van de tijd was dat wachtend. We lijken wel duiven die gelost moeten worden... Arras, zwaarbewolkt, wachten!
Gisteren was het weer van dattum. Bij de baliebediende aan de infodesk van een Gents ziekenhuis. Of althans, bij de lege stoel waar de baliebediende hoorde te zitten. Met de precisie van een zwitsers uurwerk manoeuvreer ik tussen banken en bloembakken, die de weg naar de infobalie quasi ontoegankelijk maken voor rolstoelers, maar ik slaag er feilloos in om mijn dame ongeschonden te parkeren voor het enige loket waar geen bordje "gesloten" staat. Een lege stoel is ons deel. Vijf meter verderop, in de administratieve zone, staan twee dames gezellig te kletsen. De een hangt tegen een gesloten deur, de ander leunt op de kopieermachine. Ze lachen ingehouden. Omdat we recht in het gezichtsveld van het deurbloempje staan, fezelt die iets tegen de kopieerhangster en wijst bijna ongemerkt in onze richting. Een kleine vingerbeweging, meer was het niet. De ander richt zich twintig centimeter op, draait even het hoofd in onze richting, duikt dan weer voorover op de kopieermachine en maakt haar verhaal rustig af. Eén minuut, twee minuten, drie minuten en dan volgt een schaterlach bij allebei. Het deurbloempje verdwijnt door de deur die haar recht hield, de ander richt zich op en sloft naar het loket waar wij staan te wachten. Ik schat haar eind de veertig, vermoedelijk gekleed in de favoriete rok en bloes van haar onlangs overleden grootmoeder. Het kan ook haar overgrootje zijn geweest. Hoedanook, de vorige eigenares van de bloes moet aanzienlijk slanker geweest zijn, want het ouderwetse prul knelt in tientallen plooien rond armen, schouders en borsten van de huidige draagster.
Met een zucht ploft ze haar gigantische kont op lege loketstoel, die piept en kreunt onder zoveel lompigheid. Net als ze ons aankijkt en lijkt te gaan vragen van welke planeet wij twee afkomstig zijn, rinkelt een telefoon. Met een nieuwe zucht waarmee je bomen omlegt, mompelt ze "Wa goa't nui were zijn?". De oproep blijkt niet uit haar desktoestel te komen, want met de snelheid van een slowmotion-film, duikt ze in haar handtas, tovert een blits oplichtend mobieltje te voorschijn, kijkt op het schermpje wie haar belt, drukt op een toets en antwoordt met "Ja...?" Ze luistert zwijgend. Wij wachten zwijgend. Nog een paar keer zegt ze "ja", maar na een paar minuten blijkt ze tot mijn grote verwondering zowaar ook in staat tot volzinnen. "'k Stoa ier wel mee kweenie hoeveel volk aan mijn loket hé". Ik kijk naar mijn geparkeerde dame, zijn kijkt naar mij, we kijken rond... en zien niemand in een hall zo groot als een half voetbalveld.
Onze nieuwe vriendin heeft zich ondertussen weer van haar loket recht gewurmd en is opnieuw richting kopieermachine gesloft. Ze buigt voorover en leunt weer op het toestel, haar gigantische gat naar ons gericht. Ze spreekt gedempt, maar ik hoor haar iets zeggen over boontjes, over stoven en over Zwitserse schijven. Na nóg een paar minuten gewouwel, waar ik met de beste wil van de wereld niets meer kan uit opmaken, schuifelt ze weer in onze richting, martelt opnieuw haar trouwe stoel, kijkt ons aan en vraagt: "Is't veur een opname of een consultatie?" Een verwelkoming is ofwel niet in het beleefdheidsprotocol van het ziekenhuis opgenomen ofwel gewoon niet in dat van onze nieuwe vriendin zelf, maar aangezien we daar nu toch al een kwartier staan te wachten is dat ook niet meer echt nodig. "Ik heb een afspraak voor een KST", leest mijn vrouw van haar verwijsbriefje. "Wiene?" "Een KST. Een kernspintomografie" "Geef mij ne keer da briefken!" Met de gezwindheid van een dode gazelle steekt ze haar arm uit om het briefje aan te nemen en ik merk een knoert van een donkergroene okselvijver op de spannende, lichtgroene stof van het bloesje. Het valt mij bovendien nu pas op dat ze dikke tetten heeft en dat het linker exemplaar voorzien is van een naambordje. Linda, heet onze nieuwe vriendin. Het schept een band.
Linda met de dikke tetten en de grote kont, is intussen druk aan het telefoneren met ons briefje in haar hand. Drie keer poogt ze "kernspintomografie" foutloos uit te spreken tegen andere kant van de lijn, maar ze slaagt niet in haar opzet. Ze lacht met haar eigen dwaasheid, haakt in en zegt in één ruk en zonder haperen: "Ge zult nog een beetse moete wachte, madam. Zet ui doar moar... In da wachtzoalke, hier zjust achter 't hoekske. Ze zull'n ui straks wel komm'n hoal'n."
Na twintig minuten in het wachtzaaltje hebben we nog niemand gezien, niemand gehoord en is niemand ons komen halen. Ik begin mij af te vragen of het nog voor vandaag is. Je weet maar nooit met die ziekenhuizen. Ik besluit terug te gaan naar de infobalie om tekst en uitleg te vragen, maar alles is daar donker en leeg. Niemand te bespeuren. Ook niet in de administratieve zone achter de loketten. De kopieermachine staat er een beetje verweesd bij. Linda zit vermoedelijk al thuis aan de gestoofde boontjes met Zwitsere schijven, ver weg van alle wachtende patiënten die haar dagen tot een hel maken... Fucking kernspintomografie!