). Het is duidelijk dat bij de visioenen van
Lourdes, Fatima en andere plaatsen geen sprake is van normale
externe waarneming van de zintuigen: de beelden en personen
die gezien worden bevinden zich niet ruimtelijk in de omgeving,
zoals bijvoorbeeld een boom of een huis. Dat is bijvoorbeeld heel
duidelijk bij het visioen van de hel (beschreven in het eerste deel
van het geheim van Fatima) of ook bij het visioen dat wordt
beschreven in het derde deel van het geheim. Maar hetzelfde
kan ook van andere visioenen worden gezegd, vooral omdat niet
ieder die daar aanwezig was het zag, maar alleen de zieners.
Het is eveneens duidelijk dat het hier niet gaat om een intellectueel
visoen zonder beelden, zoals plaats vindt bij hoge graden van
mystiek. Het betreft dus de middelste wijze van waarneming, de
inwendige, die voor de ziener zon kracht van aanwezigheid heeft
dat zij voor die persoon gelijk staat aan uitwendige zintuiglijke
waarneming.
Dit inwendig zien betekent niet dat er sprake is van fantasie,
van iets subjectiefs. Het betekent eerder dat de persoon wordt
geraakt door iets dat echt is, hoewel van buiten de zintuigen, wat
de ziel in staat stelt het niet zintuiglijk waarneembare, het niet
zintuiglijk zichtbare te zien; te zien door middel van inwendige
zintuigen. Het betreft echte objecten die de ziel raken, hoewel
ze niet behoren tot de voor ons gebruikelijke wereld van de
zintuigen. Daar is een innerlijke waakzaamheid van het hart voor
nodig die wij meestal niet bezitten door de sterke druk van de
uitwendige realiteit en de beelden en gedachten die zich aan de
ziel opdringen. De persoon wordt buiten het puur uitwendige
geplaatst en door diepere dimensies van de werkelijkheid geraakt,
die zichtbaar voor hem worden. Hierdoor is het misschien te
begrijpen waarom het meestal juist kinderen zijn die deze soort
visioenen krijgen: hun ziel is nog weinig omgewoeld en hun
innerlijk vermogen om waar te nemen praktisch nog intact. Uit de
mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt ge u een lofzang
bereid was het antwoord van Jezus (hij gebruikte een zin uit psalm
8, vs 3) op de kritiek van de hogepriesters en ouderlingen die het
ongepast vonden dat de kinderen Hosanna! riepen (Mt 21, 16).
Zoals gezegd, is het inwendige visioen geen fantasie maar
een reële, heel eigen wijze van waarnemen. Maar dat heeft ook
zijn beperkingen. Ook bij uitwendige waarnemingen zien wij de
objecten door het filter van onze zintuigen die hen voor ons
omzetten. Bij het inwendig zien is dit proces nog sterker aanwezig,
vooral wanneer het gaat om werkelijkheden die in zichzelf onze
horizon niet overschrijden. Het subject, de ziener, oefent een nog
sterkere invloed uit. Hij ziet met de capaciteiten die hij bezit, met
zijn eigen manier van uitdrukken en de kennis waarover hij
beschikt. In het geval van inwendige visie is het proces van het
omzetten van de waarnemingen nog duidelijker, omdat de ziener
een essentiële rol speelt bij de beeldvorming van wat verschijnt.
Het beeld kan alleen gevat worden binnen de grenzen van zijn
capaciteiten en mogelijkheden. Zulke visioenen zijn dus beslist
geen fotos van de andere wereld, maar ze zijn onderworpen aan
de mogelijkheden en beperkingen van degene die ze ontvangt.
Dit geldt voor alle grote visioenen van de heiligen en
natuurlijk ook voor de visioenen van de herdertjes van Fatima.
De beelden die zij beschrijven zijn beslist niet zomaar gefantaseerd,
maar zij zijn het resultaat van reële waarneming van
hogere inwendige oorsprong. Maar wij moeten ze ook niet
voorstellen alsof voor een moment de sluier van de andere wereld
wordt weggetrokken en de hemel in haar zuivere essentie
verschijnt, zoals wij haar eens hopen te zien bij de definitieve
vereniging met God. Je zou kunnen zeggen dat de beelden een
synthese vormen tussen een impuls van Boven en de mogelijkheden
van de ziener, de kinderen dus, om de impuls te
ontvangen. Dat is de reden waarom de taal van visioenen
symbolisch is. Hierover zegt kardinaal Sodano: Zij beschrijven
niet de details van toekomstige gebeurtenissen, maar zij vatten
tegen één enkele achtergrond feiten samen die zich over een niet
nader omschreven opeenvolging en duur uitstrekken. Dit samenvoegen
van tijd en ruimte in één enkel beeld is typerend voor
zulke visioenen, die meestal pas ontcijferd kunnen worden