For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
22-10-2010
AAN ALLEN EEN GEZEGENDE VRIJDAG TOEGEWENST.
N. ( M ).
Maria Valtorta meditation.
The Miracle of Damascus: Part 9.
The Miracle of Damascus: Part 9.
Zandgrond.
Zandgrond.
BijU , mijnGod ,ikbenaltijdbijU.
GijhoudtmijnhandvastUwhandin
mijnhand.
Watmijntoekomstzalbrengenblijftvoor
mijeengrootgeheim.
Ikweetdateenmensnietsvastinzijn
handenhoudt ;watvandaagstevigezekerheid
is ,zalmorgenmisschienzandgrondzijn.
Alleskanikmorgenverliezen ;begripvan
mijnman , nabijheidvangoedemensengeborgenheid
vanmijnkinderentrouwvanmijnvrienden.
IkvraagU , dezeavond , God ,verlaatmijniet
alskwadedagenkomenenhetinmijngeest
verwardenduisterwordt.
Laatniettoe , Heer , datiktwijfelengaaan
dezinvaneengegevenbestaanenaande
grenzelozeBarmhartigheid.
Amen.
GodsZegen.
Nieuwsbrief ( Brieven "heiligelevens" ) Vanwege Pater Ambrosius Maria.
AVE MARIA
Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,Maand van Sint-Jozef
«In totale ontbering, maar met een groot vertrouwen in God»: zo vatte Paus Johannes Paulus II het geestelijk portret samen van broeder Andreas Bessette bij gelegenheid van diens zaligverklaring op 23 mei 1982. De Heilige Vader voegde daar nog aan toe: «Het heeft God behaagd deze eenvoudige mens, die zelf het ellendige lot van wees had gekend temidden van tien broers en zusters, zonder geld of onderricht en met een middelmatige gezondheid, te begiftigen met een wonderbaarlijke aantrekkingskracht en gezag... Het is niet verbazingwekkend dat hij zich verwant heeft gevoeld met de heilige Jozef, de arme, verbannen werkman die onze Heiland zo goed kende... Door tot de H. Jozef zijn toevlucht te nemen, ook voor het Allerheiligste, bracht hij zelf geruime tijd en met vurige ijver, in naam van de zieken, het gebed in praktijk dat hij hun leerde».
Alfred Bessette is geboren op 8 augustus 1845 te Saint-Grégoire d'Iberville, bij Montréal (Canada). Hoewel zwak van gestel bleef het kind in leven dankzij de goede zorgen van zijn moeder. Zijn ouders zijn zeer eenvoudige lieden, zonder aardse goederen, maar rijk aan deugden. Vader Bessette, timmerman, is een harde werker. Hij sterft helaas al vroeg, verpletterd door een boom die hij afhakte, en laat een weduwe en tien kinderen achter die moeten leven in een houten hut van ongeveer zeven bij vijf meter. Hoewel even ingestort van verdriet, verliest mevrouw Bessette de moed niet; gesteund door haar broers en zusters zet ze zich in voor de opvoeding van haar kinderen. De ziel van Alfred komt tot bloei in het contact met deze liefhebbende en toegewijde moeder die spreekt over Jezus en Maria en Jozef, met veel liefde en in diep geloof. Maar het kind is pas twaalf als zijn moeder, uitgeput van het slaapgebrek en de zware arbeid, wordt geveld door tuberculose en op haar beurt komt te overlijden. Alfred wordt opgenomen in het huis van zijn oom en zijn tante Nadeau die hem weldra als hun eigen zoon beschouwen. Hij geeft blijk van zijn erkentelijkheid door zich steeds gehoorzaam en dienstwillig te gedragen. De pastoor van zijn woonplaats, de eerwaarde Provençal, is de zuiverheid van gevoelen en de ongewoon grote naastenliefde van de jongen opgevallen. Hij vat een bijzondere genegenheid voor hem op en bereidt hem zorgvuldig voor op de eerste communie en leert hem hoe hij de H. Jozef, patroon van Canada, moet aanroepen.
Maar het gezin Nadeau is arm en om aan de kost te komen gaat Alfred in dienst bij een schoenmaker. Omdat hij daar een maagziekte heeft opgelopen die hij zijn hele leven zal houden, treedt hij in dienst bij een boer, meneer Ouimet. Daar legt hij zich voor het eerst bepaalde regels van geestelijk leven op. Hij staat zeer vroeg op om de kruisweg te doen en langdurig te bidden, bidt ook meerdere rozenhoedjes per dag en onderhoudt zich vaak met de H. Jozef aan wie hij zijn werkzaamheden, zijn verdriet en vreugde toevertrouwt. Hij doet tevens penitentie. Na het overlijden van meneer Ouimet wordt Alfred ontvangen als leerling bij een smid. Ondanks zijn zwakke gezondheid wordt hij heel behendig in dit vak. Op twintigjarige leeftijd gaat de jongeman naar de Verenigde Staten en vindt een baan in een spinnerij. Daar gaat hij geheel op in zijn werk en is iedereen graag van dienst. Hij is van onberispelijk moreel gedrag ondanks de verderfelijke sfeer op de werkplaats. Maar de werktijden in de nijverheid schaden zijn gezondheid en hij verlaat derhalve de spinnerij voor een boerderij waar hij weer in de open lucht komt te werken. Nadat hij weer op krachten is gekomen, gaat hij echter opnieuw in dienst bij een spinnerij.
«Mijn besluit is genomen!»
Tijdens deze onbestendige jaren in de Verenigde Staten, blijft Alfred verlangen naar zijn geboorteland en blijft in contact met de eerwaarde Provençal. In de maand juli 1869 ontvangt hij van hem een brief waardoor hij diep wordt bewogen: de eerwaarde stelt hem voor in het klooster te gaan, als eenvoudige broeder. Het religieuze leven trekt hem zonder meer. Maar zal zijn gezondheid geen belemmering zijn om te worden toegelaten en zal hij ook volhouden? Hij heeft zich nergens bestendig weten te vestigen! Zes maanden lang bidt hij de H. Jozef om inzicht. Tenslotte gaat de jongeman op een zondag in december naar Saint-Césaire, regelrecht naar de pastorie waar zijn oude pastoor hem met open armen ontvangt: «Heb je goed nagedacht, Alfred? Meneer pastoor, mijn besluit is genomen, ik word religieus». Beiden richten een vurig gebed van dankbaarheid tot de heilige Jozef.
In de herfst van 1870 gaat Alfred naar het noviciaat van de Congregatie van het Heilig Kruis in Montréal. Dit destijds gloednieuw instituut dankt zijn bestaan aan een priester van het diocees van Le Mans (Frankrijk), de eerwaarde Moreau; onder zijn leden telt het priesters en broeders, missionarissen en onderwijzers. Alfred wordt allervriendelijkst verwelkomd door de superieur aan wie de eerwaarde Provençal had geschreven: «Ik stuur u een heilige voor uw gemeenschap». Daar hij vertrouwd is met allerlei soorten werk voert de jongeman met blijdschap van hart de verscheidene taken uit die hem worden toevertrouwd, in eenheid met Jezus in Nazareth, onder het toeziend oog van de heilige Jozef. Op 27 december wordt hij ingekleed en neemt, ter herinnering aan de eerwaarde André Provençal, de naam broeder Andreas aan. De nieuwe broeder wordt benoemd tot portier van de school naast het noviciaat.
Maar zijn gezondheid blijkt weldra zo precair te zijn dat zijn superieuren overwegen hem niet tot de professie toe te laten. Op een dag waarop Mgr. Bourget, bisschop van Montréal, op bezoek komt in de school, werpt broeder Andreas zich aan diens voeten en smeekt hem tussenbeide te komen opdat hij zijn geloften zou mogen afleggen. In alle eenvoud maakt hij hem deelgenoot van zijn verlangen God en zijn broeders te dienen met het uitvoeren van onaanzienlijke taken en vertelt hem tevens van zijn bijzondere devotie voor de heilige Jozef, ter ere van wie hij ervan droomt een bidplaats te laten bouwen op de top van de nabijgelegen heuvel. De prelaat die zelf het heimelijk verlangen koestert een monumentale kerk voor de heilige Jozef te laten bouwen, antwoordt vriendelijk: «Weest u niet bevreesd, u zult tot de professie worden toegelaten». Zodoende doet hij tot verbazing van zijn medebroeders die hem beschouwen als een simpele ziel, op 28 december 1871 professie.
Aan de deur gezet
Eenmaal officieel tot de congregatie toegelaten, zet broeder Andreas zijn werk als portier op de Onze-Lieve-Vrouweschool dicht bij de Mont-Royal voort. 's Avonds, wanneer het heen en weer geloop ophoudt, zet hij zich aan het altijd terugkomende zware werk: het schoonmaken van de vloeren van de spreekkamers en gangen. Tot laat in de avond ligt hij op de knieën en wast, schrobt en boent bij het licht van een enkele kaars. Wanneer het werk is gedaan, snelt hij naar de kapel en knielt daar neer voor het beeld van de heilige Jozef en geeft zich gezeten tegenover het altaar over aan langdurig stil gebed.
Broeder Andreas voert ook de taken van linnenbroeder, ziekenbroeder en kapper uit; hij onderhoudt zich op vriendschappelijke toon met de leerlingen, helpt hen in hun geestelijk leven. Wanneer het mogelijk is een medebroeder te vinden die hem in het portierskamertje wil vervangen, bestaat zijn grootste vreugde erin door het onkruid naar de top van de nabijgelegen Mont-Royal te klimmen. Daar geeft hij zich, diep in gebed verzonken, met heel zijn hart over aan een geheime dialoog met de heilige Jozef. Wanneer hij de heuvel weer is afgedaald, hervat hij zijn werk met grote trouw aan de verplichtingen die zijn staat van religieus met zich meebrengen zonder dat er iets bijzonders aan hem valt op te merken. Zijn nederigheid bestaat uit het aanvaarden dat hij zit waar God hem heeft neergezet en het zich belasten met de doodgewone besognes welke de zijnen zijn, in navolging van de heilige Jozef.
«De H. Jozef, zei Paus Paulus VI, neemt soms de meest onverwachte verschijningsvormen aan. We hadden in hem een machtig man of een profeet kunnen veronderstellen... In tegendeel, gewoner, bescheidener en nederiger dan hij bestaat er niet... We staan op de drempel van een zeer armzalige werkmanswinkel in Nazareth. Daar staat Jozef, die weliswaar behoort tot het nageslacht van David, maar daar geen enkele aanspraak aan verbindt of reden inziet om zich op te beroemen... We constateren niettemin in zijn nederige, bescheiden persoon een verbazingwekkende onderdanigheid, een uitzonderlijke bereidheid om aan bevelen gehoor te geven en deze prompt uit te voeren. Hij gaat niet in discussie, aarzelt niet, laat rechten of eigen verlangens geen rol spelen... Zijn rol is het opvoeden van de Messias door middel van werken en levenservaring opdoen. Hij zal over Hem waken en krijgt het niets minder dan verheven voorrecht de Verlosser van de wereld de weg te moeten wijzen, te geleiden en te helpen...
«Aldus kunnen de grootse bedoelingen van God, de werken van de Voorzienigheid die Onze-Lieve-Heer op het oog heeft ter volvoering van onze lotsbestemmingen heel goed samengaan met de allereenvoudigste levensomstandigheden en daar zelfs op gebaseerd zijn. Het kan iedereen zonder uitzondering overkomen tot in de perfectie gevolg te mogen geven aan Gods welgevallen... Geen enkel leven is banaal, armzalig, niet noemenswaard of ongedenkwaardig. Alleen al door het feit dat we ademhalen en dat we in de wereld in beweging zijn, zijn we wezens die zijn voorbestemd tot iets groots: het koninkrijk van God, uitgenodigd worden door Hem, spreken met Hem, leven met Hem en sublimeren, tot aan «deelname aan de goddelijke natuur» toe (vgl. 2 Pe 1, 4)... Hij die de plichten van staat goed vervult, verleent aan heel zijn activiteit een onvergelijkelijke grootsheid» (19 maart 1968).
Een gewoon leven maar een buitengewone gunst
Op aarde heeft de heilige Jozef een heel gewoon leven gehad. Voortaan in de hemel, verkrijgt hij overvloedige genaden ten gunste van hen die op hem vertrouwen. Na ongeveer vijftien jaar van onopvallend en werkzaam religieus leven, ontvangt broeder Andreas van de voedstervader van Jezus de genade om wonderen te doen. Zo behaagt het de goddelijke Wijsheid soms een deel van haar kracht door te geven aan een nederig en onderdanig werktuig, voor het grootste welzijn van de mensen. Bewust van zijn zwakheid en allesbehalve geneigd zich op zijn gave te beroemen, herhaalt broeder Andreas voortdurend dat hij slechts de tussenpersoon van de heilige Jozef is en niets meer. «Wat ik aan wonderbaarlijks kan doen, zegt hij, is een eenvoudige gunst die God toestaat om de wereld de ogen te openen. Helaas blijft de wereld nog altijd blind!»
Op een nacht, wanneer hij aan het bed van een difteriepatiënt zit, krijgt broeder Andreas een ingeving: geruisloos daalt hij de trap af naar de kapel, pakt een medaille van de H. Jozef en gaat weer naar boven. «Broeder, waarom heeft u mij verlaten? Ik lijd veel pijn. Je zult niet meer hoeven te lijden», antwoordt de religieus die met de medaille over de keel van het kind begint te wrijven, daarbij biddend tot de heilige Jozef. De zieke dommelt in. In de vroege ochtend ontwaakt hij en roept uit: «Broeder, ik ben genezen!» In de loop van de ochtend stelt men inderdaad vast dat er van de ziekte geen spoor meer is te bekennen. Enige tijd later brengt broeder Andreas een bezoek aan de procurator van de school, die tegen hem zegt: «Al een maand lang heb ik aan mijn been een wond die niet wil genezen. De wond ziet er slecht uit en ik maak me ongerust over het vele werk dat me wacht op kantoor. Doet u een novene voor de pleegvader van de Goddelijke Meester; het is over negen dagen juist zijn feestdag. U verwacht dus eigenlijk van de heilige Jozef een wonder? Ja, natuurlijk!» En precies op de dag dat het de feestdag van de heilige Jozef is, is de wond geheel verdwenen; tot ieders stomme verbazing daalt de procurator de trap af naar de kapel.
«Laat hem begaan!»
Het gerucht van de eerste wonderen van broeder Andreas heeft snel de ronde gedaan in de stad en de eerste zieken melden zich reeds in de hoop op genezing. Weldra is de toestroom van dien aard dat de superieur zich ongerust begint te maken en broeder Andreas een verlaten, miserabel lokaal toewijst om er die zieken te ontvangen. Maar daar hij graag heeft dat die ziekenopvang ophoudt, gaat hij naar de bisschop van Montréal. Deze vraagt hem: «Als u tegen broeder Andreas zou zeggen dat hij de zieken niet meer mag ontvangen, zou hij dat dan doen? Zeer zeker! Laat hem dan maar begaan. Als het werk dat hij volbrengt van God komt, zal het zich verder ontwikkelen; in het tegenovergestelde geval, zal het vanzelf ineenstorten». Het komen en gaan van zieken gaat dan ook gewoon door. Hoewel hij hun lichamen geneest, bekommert de broeder zich vooral om het heil van hun zielen. Tegen een zieke die hem komt opzoeken zegt hij: «Als u wil dat de H. Jozef u geneest, gaat u dan weg bij de vrouw met wie u in ontucht samenleeft en kom daarna maar weer terug». Tegen een ander zegt hij: «Gaat u maar biechten en begint u aan een novene ter ere van de H. Jozef. Ik biechten! Dat doe ik al vijfentwintig jaar niet meer ! En toch zult u het doen!» En terstond is hij genezen.
Ondanks zijn uitzonderlijke gaven en zijn gewoonlijk opgewekte stemming, lijdt broeder Andreas onder een nerveus en prikkelbaar temperament. Soms windt hij zich erg op en scheept bezoekers af met zuurzoete woorden of maakt grievende opmerkingen, vooral wanneer ze hem behandelen als een heilige. Zo reageert hij ook op ongodsdienstige zieken of zieken van slechte zeden. Op een avond zegt er iemand tegen hem: «De H. Jozef blijft doof voor onze gebeden! Van u ontvangen wij tenminste nog allerlei gunsten! Hoe kunt u dergelijke beledigende woorden ten aanzien van de H. Jozef uitspreken?» geeft hij hun verbolgen ten antwoord.Mateloos verontwaardigd loopt hij weg en gaat onmiddellijk naar bed! Hij is zich bewust van zijn onvolkomenheden en heeft dan ook de gewoonte om aan zijn vrienden te vragen: «Bidden jullie voor mijn bekering!». Heiligen moeten inderdaad onophoudelijk strijd voeren tegen de gebreken van hun eigen aard en juist deze nimmer aflatende strijd is kenmerkend voor heiligheid.
Donderdags sleept broeder Andreas enkele leerlingen en zelfs leraren mee naar de Mont-Royal. Langzaamaan krijgt het plan vorm een bidplaats tegen de helling van de heuvel te bouwen. In juli 1896 wordt het terrein aangekocht en wordt er een beeld van de H. Jozef geplaatst in de holte van een rots. Broeder Andreas ontvangt er voortaan bij mooi weer de zieken. Weldra verrijst er een kapel, de «Bidplaats». In de vakantieperiodes is broeder Andreas er bijna altijd aanwezig.Hij komt heel vroeg aan en gaat pas 's avonds laat weer weg, aangezien zijn superieuren hem voortaan een grote mate van vrijheid van handelen toestaan.
Een onbeduidend werktuig
Vanaf 1908 is broeder Andreas voortdurend aanwezig in de Bidplaats, nu hij zich onder het dak van de kapel heeft gevestigd waar men een kamer en een kantoor voor hem heeft ingericht die met een kachel worden verwarmd. Daar ontvangt hij allerlei soorten mensen, zelfs kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders die hem komen vragen om gebeden. «Ik bezit geen enkele macht, zegt de nederige broeder tegen hen. Niets van wat ik doe bij de genezingen komt van mij. Alles is van de heilige Jozef afkomstig die van God die buitengewone genaden verkrijgt. Ik ben maar een onbeduidend werktuig waarvan de Patroon van de Kerk zich bedient om wonderen te doen, om te zorgen dat mensen zich bekeren en zich verheffen in de christelijke volmaaktheid». De geestelijke weerklank van de wonderen in de zielen is voor hem belangrijker dan de genezingen. Iedere dag zit hij op de loer om zondaren aan de duivel te onttrekken. Deze laat hem overigens graag voelen hoe aanwezig hij is. Meer dan eens brengt hij de broeder in verwarring met zijn gekletter van gebroken vaatwerk; het komt eveneens voor dat men broeder Andreas, wanneer hij alleen in zijn kamer is, met kracht hoort praten tegen een geheimzinnig personage.
Doordat sommige pelgrimstochten reeds meer dan tienduizend deelnemers tellen besluit men in 1912 de kapel uit te breiden; weldra vat de aartsbisschop van Montréal het plan op een basiliek ter ere van de H. Jozef te laten bouwen. Broeder Andreas is vervuld van vreugde. Allereerst bouwt men een ruime crypte waar dichtbij een klooster wordt ingericht voor de religieuzen van het «Heilig Kruis» die de diensten in het heiligdom verzorgen. Ruime terrassen en tuinen maken het mogelijk de grote menigten te ontvangen. Broeder Andreas voorziet dat men op grote schaal God zal komen aanbidden en dat de zondaren zich en masse zullen bekeren. Maar de aanzienlijke sommen geld die nodig zijn voor de bouw van de basiliek moeten nog gevonden worden. Voor dit doel wordt een tijdschrift opgericht, «De Annalen van de H. Jozef» en vervolgens een «Broederschap van de H. Jozef» dat al snel meer dan dertigduizend leden telt. Tenslotte zetten ijverige lieden zich in voor het verzamelen van fondsen in de Verenigde Staten.
In 1924 ziet men de eerste zware pilaren van een neoklassieke basiliek zich verheffen. De werken gaan onafgebroken door tot in 1930. Maar door het overlijden van de architect en het gebrek aan middelen komt de bouw enkele jaren stil te liggen, tot groot verdriet van broeder Andreas. Het ontbreekt de nederige broeder echter niet aan vertrouwen. Hij gaat ieder jaar zelf op bedelaarstocht naar de Verenigde Staten. Die reizen waarop hij in het openbaar moet verschijnen voor geestdriftige menigten en hij wordt belaagd door journalisten en fotografen, vallen hem buitengewoon zwaar. Maar hij maakt ze ter verheerlijking van God en voor het heil van de zielen.Hij is diep ontroerd door de goedgeefsheid van de Amerikanen. Er komen steeds meer genezingen. Broeder Andreas eist van hen die zich tot hem wenden slechts een groot vertrouwen in God en een volledige onderwerping aan Zijn wil.
Iedereen staat verbaasd over de jeugdigheid van hart van de bijzondere grijsaard van bijna negentig jaar. «We hebben een beeld van het christelijk geloof als van iets heel ouds, zegt hij. Dat is een misvatting, het is namelijk heel jong!». Voor God en dus voor Onze-Lieve-Heer is alles tegenwoordige tijd. Deze waarheid beïnvloedt diepgaand het stille gebed en de contemplatie van broeder Andreas. Volgens de aanbeveling van de H. Ignatius in de contemplaties van de Geestelijke Oefeningen, stelt hij zich de taferelen van het leven van Jezus voor alsof hij er echt bij was. Wanneer hij zijn kruisweg doet en dat gebeurt herhaaldelijk, volgt hij Christus alsof hij persoonlijk aanwezig was bij het Lijden, in de diepe overtuiging dat zijn opwellingen van liefde echt het leed van de Verlosser verlichten. Wanneer hij met de heilige Jozef spreekt ziet hij zichzelf ook aan diens zijde werken in de werkplaats van Nazareth of dicht bij de Heilige Maagd. Deze levendige contemplaties vergroten zijn liefde voor God en zijn liefde jegens de naaste.
Maar het grote verdriet van broeder Andreas blijft dat hij moet aanzien dat de werkzaamheden aan de basiliek niet worden hervat. Begin november 1936, tijdens de vergadering van de Raad van de kapel van de Mont-Royal, roept hij uit: «Laten we onmiddellijk het beeld van de H. Jozef in de apsis neerzetten en onze Patroonheilige zal er wel voor zorgen dat er een koepel op komt te staan». Zo gezegd, zo gedaan. Enige tijd later wordt er een lening uitgeschreven die snel wordt gedekt door de giften. De werkzaamheden worden hervat. «De voortzetting van de werkzaamheden is verzekerd. Ik ben nu van geen nut meer, het is tijd dat ik opstap». De eerbiedwaardige negentiger, versleten van het harde werken, voelt dat zijn krachten hem in de steek laten en ontvangt nog maar twee keer per week de zieken.
Als de mensen van de Goede God hielden!
Op kerstavond zegt hij tegen een vriend: «Voor mij is het waarschijnlijk de laatste Kerstmis. Maar de Bidplaats heeft u nog nodig! Wensen te sterven is toegestaan als het gebeurt uit verlangen naar de Hemel... Wanneer iemand goed doet op aarde, is dat niets in vergelijking tot wat hij zal kunnen doen wanneer hij eenmaal in de Hemel is». Korte tijd later krijgt hij een acute maagvliesontsteking en wordt in het ziekenhuis opgenomen. Hij denkt voornamelijk aan de basiliek die moet worden afgebouwd want hij is zich bewust van alle goeds dat de H. Jozef volbrengt op de Mont-Royal: «U weet niet wat de Goede God allemaal doet in de Bidplaats, zegt hij tegen zijn superieur. Wat een narigheid is er op de wereld! ... In mijn positie heb ik daar enig idee van kunnen krijgen... Als de mensen van de Goede God hielden, zouden ze nooit zondigen: alles zou perfect verlopen als ze van de Goede God hielden zoals Hij van hen». Op woensdag 6 januari 1937 geeft hij de geest en treedt het ware leven binnen. Het nieuws wordt in Canada en in de Verenigde Staten bekendgemaakt. Van heinde en ver komen er sympathiebetuigingen binnen. De nederige broeder Andreas wordt het voorwerp van een ware zegetocht, een bleke afspiegeling echter van zijn heerlijkheid in de Hemel waar hij, samen met de H. Jozef, de krachtdadige voorspreker is van de Kerk en al haar gelovigen. De H. Jozef is inderdaad de «Beschermheer van de Heilige Kerk». «Is het niet logisch en noodzakelijk, zei Johannes Paulus II, op 19 maart 1993, dat hij aan wie de eeuwige Vader zijn Zoon heeft toevertrouwd, zijn bescherming ook uitbreidt tot het Lichaam van Christus, dat, volgens de lering van de apostel Paulus, de Kerk zelve is. Vandaag vertrouwt de gemeenschap van gelovigen die over de hele wereld verspreid is, zichzelf toe aan de heilige Jozef en vertrouwt ook haar noden op dit moeilijke moment in de geschiedenis aan diens machtige beschermheerschap toe».
Laten we van de Heilige Jozef en de Gelukzalige broeder Andreas liefde voor het gebed leren. «Is het vertrouwen van broeder Andreas in de deugdzaamheid van het gebed niet een van de waardevolste vingerwijzingen voor de mannen en vrouwen van onze tijd die geneigd zijn hun problemen op te lossen zonder God?» vroeg de Paus tijdens de zaligverklaring van de broeder. Moge deze voor ons de genade verkrijgen alle dagen van ons leven met liefde en vertrouwen te mogen bidden!
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
De woorden van de Moeder tot de bruid waarin ze de voortreffelijkheid van haar Zoon beschrijft en hoe Christus nu wreder wordt gekruisigd door zijn vijanden, de slechte Christenen, dan dat hij door de Joden werd, en over hoe, als gevolg daarvan zulke mensen een wredere en bitterdere straf ontvangen.
BOEK 1 HOOFSTUK 37
De Moeder zei: Mijn zoon had drie goede dingen. Het eerste was dat niemand ooit zon verfijnd lichaam had als hij, aangezien hij twee perfecte naturen had, zijn goddelijke en zijn menselijke; en hij was zo eerlijk dat, net zoals er geen vlek gevonden kan worden in de helderste ogen, er zo geen enkele fout op zijn lichaam gevonden kon worden. Het tweede goede ding was dat hij nooit zondigde. Andere kinderen dragen soms zowel de zonden van hun ouders als die van henzelf. Dit kind zondigde nooit, maar droeg niettemin de zonden van iedereen. Het derde goede ding was dat, terwijl sommige mensen doodgaan omwille van God en hun grotere beloning, hij net zoveel doodging omwille van zijn vijanden als omwille van mij en zijn vrienden.
Toen zijn vijanden hem kruisigden, deden ze vier dingen met hem. Ten eerste hebben ze hem met doornen gekroond; ten tweede, nagelden ze zijn handen en voeten; ten derde gaven ze hem gal te drinken; ten vierde doorboorden ze zijn zij. Maar mijn verdriet is, dat zijn vijanden die nu in de wereld zijn, mijn Zoon wreder kruisigen dan de Joden hem hebben gekruisigd. Ook al mag je zeggen dat hij nu niet kan lijden en doodgaan, toch kruisigen ze hem door hun ondeugden. Een man kan het beeld van een vijand van hem beledigingen en verwonden en alhoewel het beeld niet de schade voelt die het wordt aangedaan, dient de dader niettemin te worden beschuldigd en vervolgd vanwege zijn kwaadaardige voornemens om het te verwonden. Ook zijn de ondeugden waarmee ze mijn Zoon kruisigen op een geestelijke manier afschuwelijker en serieuzer voor hem dan de ondeugden van degenen die hem in het lichaam hebben gekruisigd.
Maar misschien vraag je je af: Hoe kunnen ze hem kruisigen? Nou, ten eerste zetten ze hem aan het kruis dat ze voor hem hebben opgesteld. Dit is wanneer ze kennis nemen van de leefregels van hun Schepper en Heer. Dan onteren ze hem wanneer hij hen waarschuwt via hun dienaars die hem dienen en verachten ze dit en doen ze zoals ze zelf willen. Ze kruisigen zijn rechterhand door rechtvaardigheid met onrechtvaardigheid te verwarren, zeggend: Zonde is niet zo ernstig en verfoeilijk voor God als wordt gezegd, noch straft God iemand voor eeuwig, maar zijn dreigementen zijn slechts om ons bang te maken. Waarom zou hij ons verlossen als hij wil dat we omkomen? Ze overwegen niet dat de minstgeringe zonde waarin een persoon zich verheugd genoeg is om hem of haar voor eeuwig te straffen. Aangezien God de minstgeringe zonde niet onbestraft laat, noch het minste goede onbeloond laat, zullen zij altijd een straf krijgen voor zover als ze een voortdurend voornemen hebben om te zondigen, en mijn Zoon, die met zijn hart ziet, rekent dat aan als een daad. Want zij zouden hun voornemen uitvoeren, als mijn Zoon het toeliet.
Ze kruisigen zijn linkerhand door deugden om te zetten in ondeugden. Ze willen tot het einde blijven zondigen, zeggend: Als we op het eind gewoon zeggen God, ontferm u over mij! Gods genade is zo groot dat hij ons vergiffenis zal schenken. Het is geen deugd om te willen zondigen zonder verbeteringen te maken, de prijs te willen zonder er voor gewerkt te hebben, tenzij er enige wroeging in het hart is, tenzij een persoon zijn wegen echt wil herstellen, als hij het kon doen ware het niet vanwege ziekte of een andere belemmering. Ze kruisigen zijn voeten door genot te hebben in het zondigen zonder ook maar één keer aan mijn Zoons bittere straf te denken of zonder hem eenmaal te bedanken vanuit het diepste van hun hart zeggend: God, u heeft zo bitter geleden. Alle lof komt u toe vanwege uw dood. Zulke woorden komen nooit over hun lippen.
Ze kronen hem met een kroon van spot door zijn dienaars te bespotten en denken dat het zinloos is om Hem te dienen. Ze geven hem gal te drinken wanneer ze zich verheugen en juichen over zonde. De gedachte over hoe serieus en afschuwelijk zonde is komt nooit bij hen op. Ik vertel je de waarheid, mijn dochter, en je kunt dit aan mijn vrienden vertellen, dat in de ogen van mijn Zoon zulke mensen onrechtvaardiger zijn dan de mensen die hem veroordeelden, ergere vijanden dan zij die hem kruisigden, schaamtelozer dan zij die hem verkochten. Zij verdienen een grotere straf dan de anderen.
Pilatus wist inderdaad goed dat mijn Zoon niet gezondigd had en de dood niet verdiende. Omdat hij echter vreesde zijn tijdelijke macht te verliezen en de opstand van de Joden, veroordeelde hij mijn Zoon tot de dood. Wat zouden deze mensen te vrezen hebben als ze hem dienden? Of welke eer of voorrecht zouden ze verliezen als ze hem eerden? Ze zulllen derhalve een zwaardere straf ontvangen, in de ogen van mijn Zoon, erger dan Pilatus.
Pilatus veroordeelde hem vanwege angst, in overeenstemming met het verzoek en de intentie van anderen. Deze mensen veroordelen hem voor hun eigen voordeel en zonder enige angst, door hem te schande te maken door middel van zonde waar ze zich van konden onthouden als ze het wilden. Maar ze onthouden zich niet van zonde, ook schamen ze zich niet over hun reeds begane zonden, omdat ze niet nadenken over hun onwaardigheid over de vriendelijkheid van degene die ze niet dienen. Zij zijn erger dan Judas, omdat Judas, nadat hij de Heer had verraden, erkende dat hij God was en dat hij zelf zwaar gezondigd had tegen Hem. Hij was echter wanhopig en versnelde zijn dagen naar de hel, denkend dat hij het niet waard was om te leven.
Deze mensen herkennen hun zonde en toch volharden zij erin zonder enige wroeging erover in hun harten. Ze willen liever het rijk der hemelen nemen door een soort van geweld en kracht, denkend dat zij het niet door hun daden kunnen verkrijgen maar door ijdele hoop ijdel omdat het aan geen enkelen wordt gegeven, behalve degenen die ervoor werken en offers brengen voor God. Ze zijn slechter dan degene die hem kruisigden. Toen de laatstgenoemden de goede werken van mijn Zoon zagen, zoals het verrijzen van de doden en het genezen van lammen, dachten ze bij zichzelf: Deze man werkt ongehoord en verricht buitengewone wonderen, die iedereen overkomt door de wil met een woord, onze gedachten kennende, die alles doet waar hij maar zin in heeft. Als hij het op zijn manier kan doen, moeten we ons allemaal aan zijn macht onderwerpen en worden we zijn ondergeschikten. In plaats van zich aan hem te onderwerpen, kruisigden ze hem daarom uit afgunst.
Maar indien zij hadden geweten dat hij de Koning van glorie was, zouden zij hem nooit hebben gekruisigd. Deze mensen, aan de andere kant, zien elke dag zijn grote werken en wonderen, zij profiteren van zijn goedheid. Ze horen over hoe zij hem zouden moeten dienen en komen naar hem, maar ze denken bij zichzelf: Het zou zwaar en ondraaglijk zijn om al onze tijdelijke goederen op te geven, om zijn wil te volbrengen en niet de onze. Zodoende verachten ze Zijn wil en plaatsen ze hun eigen wil hoger, en kruisigen ze mijn Zoon door hun halsstarrigheid, zonde voor zonde opstapelend tegen hun geweten in. Ze zijn slechter dan degenen die Hem hebben gekruisigd, aangezien de Joden handelden uit jaloezie en omdat ze niet wisten dat hij God was. Deze weten echter dat hij God is en, uit eigen goddeloosheid, vermoeden en hebzucht, kruisigen ze hem op een geestelijke manier, harder dan de anderen op lichamelijke wijze deden, omdat deze mensen vrijgekocht zijn, terwijl die anderen nog niet zijn vrijgekocht. En zo, bruid, gehoorzaam en vrees mijn Zoon, want, zo genadevol als hij is, hij is ook rechtvaardig.
Wordt vervolgd.
HERINNERINGEN VAN ZUSTER LUCIA.
GESPREK MET ZUSTER MARIA LUCIA VAN JEZUS
EN VAN HET ONBEVLEKT HART
De ontmoeting van zuster Lucia, aartsbisschop Tarcisio Bertone,
secretaris van de Congregatie voor de Geloofsleer, in opdracht
van de H.Vader, en bisschop Serafim de Sousa Ferreira e Silva,
bisschop van Leiria/Fatima, vond plaats op donderdag 27 april j.l.
in de Karmel van de H.Theresia in Coïmbra.
Zuster Lucia was helder en rustig. Ze zei dat ze erg blij was
met de komst van de H.Vader naar Fatima voor de zaligverklaring
van Francisco en Jacinta, waar zij al zo lang naar uit had gezien.
De bisschop van Leiria/Fatima las de handgeschreven brief
van de H.Vader voor, waarin hij de redenen voor het bezoek uitlegde.
Zuster Lucia zei dat ze zich zeer vereerd voelde en las de brief zelf
nog eens door; zij vond het mooi om hem in haar handen te houden.
Ze zei dat zij bereid was openlijk alle vragen te beantwoorden.
Vervolgens reikte aartsbisschop Bertone haar twee enveloppen
aan: een buitenste enveloppe waarin een andere zat met
de brief waar het derde deel van het geheim van Fatima beschreven
wordt. Zodra Lucia deze tweede enveloppe met haar vingers
aanraakte, riep zij uit: Dat is mijn brief! en toen zij hem gelezen
had zei ze nog: Het is mijn handschrift.
Met de hulp van de bisschop van Leiria/Fatima werd de
originele tekst, die in het Portugees is, gelezen en geïnterpreteerd.
Zuster Lucia is het eens met de uitleg dat het derde deel van het
geheim een profetisch visioen bevat, vergelijkbaar met visioenen
uit de H.Schrift. Zij herhaalt haar overtuiging dat het visioen van
Fatima vooral betrekking heeft op de strijd van het atheïstische communisme
tegen de Kerk en de christenen en zij beschrijft het vreselijke
lijden van de slachtoffers van het geloof in de twintigste eeuw.
Op de vraag of de belangrijkste persoon van het visioen de
paus is, antwoordt Lucia onmiddellijk bevestigend en zij vertelt
hoeveel medelijden de drie herdertjes hadden met de paus en dat
Jacinta alsmaar riep: Arme H.Vader! Ik heb zon medelijden met
de zondaars!. Zuster Lucia ging verder: Wij wisten de naam van
de paus niet; Onze Lieve Vrouw heeft ons de naam van de paus
niet gezegd. Wij wisten niet of het Benedictus XV, Pius XII, Paulus
VI of Johannes Paulus II was, maar wel dat het de paus was die
leed en daardoor leden wij ook.
In het verloop van het visioen werd de herdertjes duidelijk
dat de in het wit geklede bisschop de paus was, die levensgevaarlijk
gewond is en op de grond neervalt. Zuster Lucia is het roerend met
de paus eens wanneer hij zegt: Een moederhand leidde de loop
van de kogel en de stervende paus zweefde op het randje van de
dood (Johannes Paulus II,
Meditatie met de Italiaanse bisschoppen
vanuit de polikliniek van het Gemelli-ziekenhuis
, 13 mei 1994).
Voordat zuster Lucia de verzegelde enveloppe met het derde
deel van het geheim overhandigde aan de toenmalige bisschop
van Leiria/Fatima, had zij op de buitenste enveloppe geschreven
dat deze pas na 1960 door de aartsbisschop van Lissabon of door
de bisschop van Leiria geopend mocht worden. Dom Bertone vroeg
haar nu: Waarom pas na 1960? Had Onze Lieve Vrouw die datum
genoemd? Lucia antwoordde: Nee, niet Onze Lieve Vrouw. Ik had
de datum 1960 erop geschreven, want intuïtief voelde ik aan dat
het vóór 1960 niet begrepen zou worden, maar pas daarna. Nu
kan het beter worden begrepen. Ik heb opgeschreven wat ik zag.
Het is niet aan mij om te interpreteren, maar aan de paus.
Tenslotte wordt even gesproken over het nog niet gepubliceerde
boek van Lucia, dat zij schreef om antwoord te geven
op de talloze brieven die zij gekregen had van Maria-devoten en
van bedevaartgangers. Het boek heet
Os Apelos da Mensagem de
Fátima
(Oproepen uit de Boodschap van Fatima) en het omvat
gedachten en overpeinzingen die, in de vorm van catechese en
aansporingen, de gevoelens en heldere en ongekunstelde spiritualiteit
van Lucia uitdrukken. Op de vraag of zij graag had dat het
werd uitgegeven zei ze: Als de H.Vader het daarmee eens is, ben
ik er blij mee; zo niet, dan gehoorzaam ik aan wat de H.Vader
besluit. Zuster Lucia wil de tekst graag voorleggen om kerkelijke
goedkeuring te krijgen en zij hoopt dat haar geschrift mannen en
vrouwen van goede wil kan leiden langs de weg die naar God voert,
het uiteindelijke doel van elk menselijk verlangen.
Het gesprek eindigt met een uitwisseling van rozenkransen:
zuster Lucia kreeg de rozenkrans die de H.Vader had aangeboden
en zij op haar beurt gaf enkele rozenkransen die zij zelf gemaakt
had.
De ontmoeting werd afgesloten met de zegen in naam van
de paus.
Wordt vervolgd.
Bevrijd mij, Jezus.
Bevrijd mij, Jezus
van het verlangen om bemind te worden
van het verlangen om bejubeld te worden
van het verlangen om geëerd te worden
van het verlangen om geprezen te worden
van het verlangen om verkozen te worden
van het verlangen om geraadpleegd te worden
van het verlangen naar goedkeuring
van het verlangen naar populariteit
van de vrees om vernederd te worden
van de vrees om veracht te worden
van de vrees om berispt te worden
van de vrees om belasterd te worden
van de vrees om vergeten te worden
van de vrees om onrecht aangedaan te worden
van de vrees om bespot te worden
van de vrees om verdacht te worden. Amen.
O God, wij geloven.
Laat ons allen een ware en vruchtbare tak
aan Uw wijnstok worden door Hem in ons leven
te verwelkomen zoals Hij dat graag wil:
Als de Waarheid om uit te spreken
als het Leven om te leven
als het Licht om aan te steken
als de Liefde om te beminnen
als de Weg om te volgen
als de vreugde om te schenken
als de Vrede om te verspreiden
als het Offer om op te dragen
in ons gezin en met onze omgeving.
O God, wij geloven dat U hier bij ons bent.
Wij aanbidden U en hebben U lief met hart en ziel
omdat U al onze liefde meer dan waard bent.
Wij verlangen ernaar U net zo lief te hebben
als de heiligen in de hemel.
Wij aanbidden alle tekenen van Uw goddelijke Voorzienigheid en schikken ons geheel
naar Uw wil.
Om Uwentwil hebben wij ook onze naaste lief als onszelf.
Wij vergeven oprecht iedereen die ons gekwetst heeft;
en vragen vergiffenis aan allen die wij gekwetst hebben.
Heer, help ons om Uw opdracht te verspreiden
waar wij ook gaan.
Beziel ons met Uw Geest en Uw Leven,
doordrenk en bezit ons hele wezen zo volkomen
dat ons leven een weerschijn van het Uwe mag zijn.
Doorschijn en vervul ons zodanig
dat ieder mens met wie wij in contact komen
Uw Aanwezigheid in onze ziel aanvoelt.
Laat hen dan naar boven kijken en niet langer ons zien
maar slechts U, o Heer!
Blijf bij ons, zodat wij net zo gaan stralen als U,
zozeer dat wij een licht voor anderen worden.
Dat licht, o Heer, zal alleen van U komen,
geen sprankje zal van ons zijn.
U zult het zijn, die voor ons op anderen schijnt.
Laat ons U prijzen op de wijze die U het liefst is,
door te schijnen op degenen om ons heen.
Laat ons van U spreken zonder te prediken, niet met woorden
maar door ons voorbeeld,
door de inspiratie en de liefdevolle invloed
van onze handelingen
en de zichtbare overvloed aan liefde
die ons hart U toedraagt.
Amen.
Heer Jezus Christus, Zoon van God.
Heer Jezus Christus, Zoon van God, U bent de vreugde van mijn hart.
Heer Jezus Christus, Zoon van God, schenk mij de rijkdom van Uw liefde.
Heer Jezus Christus, Zoon van God, laat Uw Geest doordringen tot de bodem van
mijn hart.
Heer Jezus Christus, Koning der Heerlijkheid, schenk mij Uw licht en vreugde.
Heer Jezus Christus, Zoon van God, ik geef U mijn hart. Leer mij mijn vertrouwen op
U te stellen en te geloven in de kracht van Uw naam.
Heer Jezus Christus, Zoon van God, heb medelijden met mij.
Een zegenspreuk, die zelf aangevuld kan worden:
Gezegend bent U Heer Jezus, Zoon van God, die ..
Gezegend zijt Gij Eeuwige, Koning van de wereld, die ..
Kol.1:12-20.
Breng dus met vreugde dank aan de Vader. Hij stelt u in staat om te delen in de
erfenis die alle heiligen wacht in het licht. Hij heeft ons gered uit de macht van de
duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, die ons de
verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden. Beeld van God, de
onzichtbare, is hij, eerstgeborene van heel de schepping: in hem is alles geschapen,
alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, vorsten en
heersers, machten en krachten, alles is door hem en voor hem geschapen.
Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem. Hij is het hoofd van het lichaam, de
kerk. Oorsprong is hij,
eerstgeborene van de doden, om in alles de eerste te zijn: in hem heeft heel de
volheid willen wonen en door hem en voor hem alles met zich willen verzoenen, alles
op aarde en alles in de hemel,
door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis.
1 Cor. 13.
Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelenhad ik de liefde niet, ik
zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. Al had ik de gave
om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik
het geloof dat bergen kan verplaatsenhad ik de liefde niet, ik zou niets zijn. Al
verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik
mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijnhad ik de liefde niet, het zou mij niet
baten. De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel
vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich
niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, ze verheugt zich niet over het
onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles
hoopt ze, in alles volhardt ze. De liefde zal nooit vergaan. Profetieën zullen
verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan want ons kennen schiet
tekort en ons profeteren is beperkt. Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is
verdwijnen. Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind,
redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me
gelaten. Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog.
Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf
gekend ben. Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan
is de liefde.
Mat. 5: 3 â 16.
Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.
Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden. Gelukkig de
zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten. Gelukkig wie hongeren en dorsten
naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Gelukkig de barmhartigen,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden. Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want
zij zullen God zien. Gelukkig de vredestichters, want zij zullen kinderen van God
genoemd worden. Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden, want
voor hen is het koninkrijk van de hemel. Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille
van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. Verheug je en juich,
want je zult rijkelijk worden beloond in de hemel; zo immers vervolgden ze vóór jullie
de profeten. Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest,
hoe kan het dan weer zout gemaakt worden? Het dient nergens meer voor, het
wordt weggegooid en vertrapt. Jullie zijn het licht in de wereld. Een stad die boven
op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Men steekt ook geen lamp aan om hem
vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een
standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. Zo moet jullie licht schijnen
voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in
de hemel.
Rom. 8:15 â 27.
U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de
Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met
Abba, Vader. De Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn.
En nu we zijn kinderen zijn, zijn we ook zijn erfgenamen, erfgenamen van God.
Samen met Christus zijn wij erfgenamen: wij moeten delen in zijn lijden om met hem
te kunnen delen in Gods luister. Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in
geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard.
De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn.
Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt. En dat
niet alleen, ook wijzelf, die als voorschot de Geest hebben ontvangen, ook wij
zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn, de
verlossing van ons sterfelijk bestaan. In deze hoop zijn we gered.
De Geest helpt ons in onze zwakheid; wij weten immers niet wat we in ons gebed
tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten.
God, die ons doorgrondt, weet wat de Geest wil zeggen. Hij weet dat de Geest
volgens zijn wil pleit voor allen die hem toebehoren.
Joh. 15: 1 â 17.
Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. Iedere rank aan mij die
geen vrucht draagt snijdt hij weg, en iedere rank die wel vrucht draagt snoeit hij bij,
opdat hij meer vruchten draagt. Jullie zijn al rein door alles wat ik tegen jullie gezegd
heb. Blijf in mij, dan blijf ik in jullie. Een rank die niet aan de wijnstok blijft, kan uit
zichzelf geen vrucht dragen. Zo kunnen jullie geen vrucht dragen als jullie niet in mij
blijven. Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Als iemand in mij blijft en ik in
hem, zal hij veel vrucht dragen. Maar zonder mij kun je niets doen. Wie niet in mij
blijft wordt weggegooid als een wijnrank en verdort; hij wordt met andere ranken
verzameld, in het vuur gegooid en verbrand. Als jullie in mij blijven en mijn woorden
in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren. De grootheid van mijn Vader
zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vrucht dragen en mijn leerlingen zijn. Ik heb
jullie liefgehad, zoals de Vader mij heeft liefgehad. Blijf in mijn liefde: je blijft in mijn
liefde als je je aan mijn geboden houdt, zoals ik me ook aan de geboden van mijn
Vader gehouden heb en in zijn liefde blijf. Dit zeg ik tegen jullie om je mijn vreugde
te geven, dan zal je vreugde volkomen zijn. Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben
zoals ik jullie heb liefgehad. Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je
vrienden. Jullie zijn mijn vrienden wanneer je doet wat ik zeg. Ik noem jullie geen
slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem ik jullie,
omdat ik alles wat ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb. Jullie
hebben niet mij uitgekozen, maar ik jullie, en ik heb jullie opgedragen om op weg te
gaan en vrucht te dragen, blijvende vrucht. Wat je de Vader in mijn naam vraagt, zal
hij je geven. Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief.
Joh. 1: 1 â 18.
In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was
in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat
bestaat. In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht
schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen. Er
kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. Hij kwam als
getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven. Hij was
niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht: het ware licht, dat
ieder mens verlicht en naar de wereld kwam. Het Woord was in de wereld, de wereld
is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet. Hij kwam naar wat van
hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen. Wie hem wel
ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van
God te worden. Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk
verlangen of uit de wil van een man, maar uit God. Het Woord is mens geworden en
heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid
gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. Van hem getuigde Johannes
toen hij uitriep: Hij is het over wie ik zei: Die na mij komt is meer dan ik, want hij
was er vóór mij! Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt. De wet is
door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen.
Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart
van de Vader rust, heeft hem doen kennen.
Ik bid voor hen.
Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor de mensen die u mij hebt
gegeven, omdat zij van u zijn alles wat van mij is, is van u, en alles wat van u is, is
van mijen omdat in hen mijn grootheid zichtbaar geworden is. Joh. 17: 9, 10
Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen die door hun verkondiging in mij
geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo
ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden. Joh. 17: 20, 21
In uw handen, Heer, bevelen wij onze geest.
In uw handen, Heer, bevelen wij onze geest. Want U, Heer, hebt ons in uw trouw
vrijgekocht.
Bewaak ons, Heer, als uw oogappel. En bescherm ons in de schaduw van uw
vleugels.
Bewaar ons, Heer, in deze nacht. Houd de zonde ver van ons.
Laat uw barmhartigheid op ons rusten. Want onze hoop is op U gevestigd.
voor de vrede van de wereld en voor al onze broeders en zusters bidden wij U, Heer.
Heer, ontferm U over hen.
Voor onze familieleden en voor allen die ons liefhebben bidden wij om uw
ontferming.
Zowel voor hen die ons haten als voor hen die ons zegenen, voor allen, die onze
voorbede gevraagd hebben, bidden wij om uw ontferming.
Voor de bevrijding van de gebondenen, voor allen, die in gevaar zijn te land, ter zee
en in de lucht, voor hen die verzwakt zijn door ziekte, Heer bidden wij om uw
ontferming.
Wij bidden voor hen die een ernstig verlies geleden hebben en hen die teleurgesteld
zijn in mensen. Heer betoon hen uw trouw en ontferming.
Berg hen in de beschutting van uw gelaat.
Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont en overnacht in de schaduw van de
Ontzagwekkende, zegt tegen de HEER: Mijn toevlucht, mijn vesting, mijn God, op u
vertrouw ik. Hij bevrijdt je uit het net van de vogelvanger en redt je van de dodelijke
pest, hij zal je beschermen met zijn vleugels, onder zijn wieken vind je een toevlucht,
zijn trouw is een veilig schild. De verschrikking van de nacht hoef je niet te vrezen,
ook de pijl niet die overdag op je af vliegt, noch de pest die rondwaart in het donker,
noch de plaag die toeslaat midden op de dag. Al vallen er duizend aan je linkerzijde
en tienduizend aan je rechterhand, jou zal niets overkomen. Open je ogen en zie hoe
wie kwaad doen worden gestraft. U bent mijn toevlucht, HEER. Als je mag wonen bij
de Allerhoogste, zal het kwaad je niet bereiken, geen plaag je tent ooit treffen. Hij
vertrouwt je toe aan zijn engelen, die over je waken waar je ook gaat. Hun handen
zullen je dragen, je voet zul je niet stoten aan een steen. Leeuw en adder zul je
vertrappen, roofdier en slang vermorzelen. Ik zal bevrijden wie mij liefheeft en
beschermen wie met mijn naam vertrouwd is. Roep je mij aan, ik geef antwoord, in
de nood zal ik bij je zijn, je bevrijden en met roem overladen, je overvloed geven van
dagen. Ik zal je redding zijn. Psalm 91.
Zegen de HEER, u allen die de dienst van de HEER verricht en in het huis van de
HEER staat, nacht aan nacht. Hef uw handen op naar het heiligdom en zegen de
HEER. Moge uit Sion de HEER u zegenen, die hemel en aarde gemaakt heeft. Psalm
134.
Here God,
Here God, wij stellen ons aan het eind van deze dag voor Uw aangezicht. De wijze
waarop wij U vandaag dienden en eerden. Onze traagheid, onze fouten en onze
tekortkomingen. Geef ons de kracht om die beslissingen te nemen die U van ons
vraagt. Wij danken U voor de ontvangen weldaden. Wij breng de dag van morgen
voor U. En wij bid voor hen, die ons lief zijn, en voor allen die ons zijn toevertrouwd.
Wij stel hen in Uw licht en brengen hen bij U. Opdat wij hen zien, zoals U hen ziet en
liefhebben zoals U hen liefheeft.
Psalm 4.
Antwoord mij als ik roep, God die mij recht doet. Geef mij ruimte als ik belaagd
word, wees genadig, hoor mijn gebed. Machtigen, hoe lang nog maakt u mij te
schande, is de schijn u lief, de leugen uw leidraad? De HEER schenkt zijn gunst aan
wie hem trouw is, de HEER luistert als ik tot hem roep. Beef voor hem en zondig
niet, bezin u in de nacht en zwijg. Breng de juiste offers, heb vertrouwen in de
HEER. Velen zeggen: Wie maakt ons gelukkig? HEER, laat het licht van uw gelaat
over ons schijnen. In u vindt mijn hart meer vreugde dan zij in hun koren en wijn. In
vrede leg ik mij neer en meteen slaap ik in, want u, HEER, laat mij wonen in een