For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
22-10-2010
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
De woorden van de Moeder tot de bruid waarin ze de voortreffelijkheid van haar Zoon beschrijft en hoe Christus nu wreder wordt gekruisigd door zijn vijanden, de slechte Christenen, dan dat hij door de Joden werd, en over hoe, als gevolg daarvan zulke mensen een wredere en bitterdere straf ontvangen.
BOEK 1 HOOFSTUK 37
De Moeder zei: Mijn zoon had drie goede dingen. Het eerste was dat niemand ooit zon verfijnd lichaam had als hij, aangezien hij twee perfecte naturen had, zijn goddelijke en zijn menselijke; en hij was zo eerlijk dat, net zoals er geen vlek gevonden kan worden in de helderste ogen, er zo geen enkele fout op zijn lichaam gevonden kon worden. Het tweede goede ding was dat hij nooit zondigde. Andere kinderen dragen soms zowel de zonden van hun ouders als die van henzelf. Dit kind zondigde nooit, maar droeg niettemin de zonden van iedereen. Het derde goede ding was dat, terwijl sommige mensen doodgaan omwille van God en hun grotere beloning, hij net zoveel doodging omwille van zijn vijanden als omwille van mij en zijn vrienden.
Toen zijn vijanden hem kruisigden, deden ze vier dingen met hem. Ten eerste hebben ze hem met doornen gekroond; ten tweede, nagelden ze zijn handen en voeten; ten derde gaven ze hem gal te drinken; ten vierde doorboorden ze zijn zij. Maar mijn verdriet is, dat zijn vijanden die nu in de wereld zijn, mijn Zoon wreder kruisigen dan de Joden hem hebben gekruisigd. Ook al mag je zeggen dat hij nu niet kan lijden en doodgaan, toch kruisigen ze hem door hun ondeugden. Een man kan het beeld van een vijand van hem beledigingen en verwonden en alhoewel het beeld niet de schade voelt die het wordt aangedaan, dient de dader niettemin te worden beschuldigd en vervolgd vanwege zijn kwaadaardige voornemens om het te verwonden. Ook zijn de ondeugden waarmee ze mijn Zoon kruisigen op een geestelijke manier afschuwelijker en serieuzer voor hem dan de ondeugden van degenen die hem in het lichaam hebben gekruisigd.
Maar misschien vraag je je af: Hoe kunnen ze hem kruisigen? Nou, ten eerste zetten ze hem aan het kruis dat ze voor hem hebben opgesteld. Dit is wanneer ze kennis nemen van de leefregels van hun Schepper en Heer. Dan onteren ze hem wanneer hij hen waarschuwt via hun dienaars die hem dienen en verachten ze dit en doen ze zoals ze zelf willen. Ze kruisigen zijn rechterhand door rechtvaardigheid met onrechtvaardigheid te verwarren, zeggend: Zonde is niet zo ernstig en verfoeilijk voor God als wordt gezegd, noch straft God iemand voor eeuwig, maar zijn dreigementen zijn slechts om ons bang te maken. Waarom zou hij ons verlossen als hij wil dat we omkomen? Ze overwegen niet dat de minstgeringe zonde waarin een persoon zich verheugd genoeg is om hem of haar voor eeuwig te straffen. Aangezien God de minstgeringe zonde niet onbestraft laat, noch het minste goede onbeloond laat, zullen zij altijd een straf krijgen voor zover als ze een voortdurend voornemen hebben om te zondigen, en mijn Zoon, die met zijn hart ziet, rekent dat aan als een daad. Want zij zouden hun voornemen uitvoeren, als mijn Zoon het toeliet.
Ze kruisigen zijn linkerhand door deugden om te zetten in ondeugden. Ze willen tot het einde blijven zondigen, zeggend: Als we op het eind gewoon zeggen God, ontferm u over mij! Gods genade is zo groot dat hij ons vergiffenis zal schenken. Het is geen deugd om te willen zondigen zonder verbeteringen te maken, de prijs te willen zonder er voor gewerkt te hebben, tenzij er enige wroeging in het hart is, tenzij een persoon zijn wegen echt wil herstellen, als hij het kon doen ware het niet vanwege ziekte of een andere belemmering. Ze kruisigen zijn voeten door genot te hebben in het zondigen zonder ook maar één keer aan mijn Zoons bittere straf te denken of zonder hem eenmaal te bedanken vanuit het diepste van hun hart zeggend: God, u heeft zo bitter geleden. Alle lof komt u toe vanwege uw dood. Zulke woorden komen nooit over hun lippen.
Ze kronen hem met een kroon van spot door zijn dienaars te bespotten en denken dat het zinloos is om Hem te dienen. Ze geven hem gal te drinken wanneer ze zich verheugen en juichen over zonde. De gedachte over hoe serieus en afschuwelijk zonde is komt nooit bij hen op. Ik vertel je de waarheid, mijn dochter, en je kunt dit aan mijn vrienden vertellen, dat in de ogen van mijn Zoon zulke mensen onrechtvaardiger zijn dan de mensen die hem veroordeelden, ergere vijanden dan zij die hem kruisigden, schaamtelozer dan zij die hem verkochten. Zij verdienen een grotere straf dan de anderen.
Pilatus wist inderdaad goed dat mijn Zoon niet gezondigd had en de dood niet verdiende. Omdat hij echter vreesde zijn tijdelijke macht te verliezen en de opstand van de Joden, veroordeelde hij mijn Zoon tot de dood. Wat zouden deze mensen te vrezen hebben als ze hem dienden? Of welke eer of voorrecht zouden ze verliezen als ze hem eerden? Ze zulllen derhalve een zwaardere straf ontvangen, in de ogen van mijn Zoon, erger dan Pilatus.
Pilatus veroordeelde hem vanwege angst, in overeenstemming met het verzoek en de intentie van anderen. Deze mensen veroordelen hem voor hun eigen voordeel en zonder enige angst, door hem te schande te maken door middel van zonde waar ze zich van konden onthouden als ze het wilden. Maar ze onthouden zich niet van zonde, ook schamen ze zich niet over hun reeds begane zonden, omdat ze niet nadenken over hun onwaardigheid over de vriendelijkheid van degene die ze niet dienen. Zij zijn erger dan Judas, omdat Judas, nadat hij de Heer had verraden, erkende dat hij God was en dat hij zelf zwaar gezondigd had tegen Hem. Hij was echter wanhopig en versnelde zijn dagen naar de hel, denkend dat hij het niet waard was om te leven.
Deze mensen herkennen hun zonde en toch volharden zij erin zonder enige wroeging erover in hun harten. Ze willen liever het rijk der hemelen nemen door een soort van geweld en kracht, denkend dat zij het niet door hun daden kunnen verkrijgen maar door ijdele hoop ijdel omdat het aan geen enkelen wordt gegeven, behalve degenen die ervoor werken en offers brengen voor God. Ze zijn slechter dan degene die hem kruisigden. Toen de laatstgenoemden de goede werken van mijn Zoon zagen, zoals het verrijzen van de doden en het genezen van lammen, dachten ze bij zichzelf: Deze man werkt ongehoord en verricht buitengewone wonderen, die iedereen overkomt door de wil met een woord, onze gedachten kennende, die alles doet waar hij maar zin in heeft. Als hij het op zijn manier kan doen, moeten we ons allemaal aan zijn macht onderwerpen en worden we zijn ondergeschikten. In plaats van zich aan hem te onderwerpen, kruisigden ze hem daarom uit afgunst.
Maar indien zij hadden geweten dat hij de Koning van glorie was, zouden zij hem nooit hebben gekruisigd. Deze mensen, aan de andere kant, zien elke dag zijn grote werken en wonderen, zij profiteren van zijn goedheid. Ze horen over hoe zij hem zouden moeten dienen en komen naar hem, maar ze denken bij zichzelf: Het zou zwaar en ondraaglijk zijn om al onze tijdelijke goederen op te geven, om zijn wil te volbrengen en niet de onze. Zodoende verachten ze Zijn wil en plaatsen ze hun eigen wil hoger, en kruisigen ze mijn Zoon door hun halsstarrigheid, zonde voor zonde opstapelend tegen hun geweten in. Ze zijn slechter dan degenen die Hem hebben gekruisigd, aangezien de Joden handelden uit jaloezie en omdat ze niet wisten dat hij God was. Deze weten echter dat hij God is en, uit eigen goddeloosheid, vermoeden en hebzucht, kruisigen ze hem op een geestelijke manier, harder dan de anderen op lichamelijke wijze deden, omdat deze mensen vrijgekocht zijn, terwijl die anderen nog niet zijn vrijgekocht. En zo, bruid, gehoorzaam en vrees mijn Zoon, want, zo genadevol als hij is, hij is ook rechtvaardig.
Wordt vervolgd.
HERINNERINGEN VAN ZUSTER LUCIA.
GESPREK MET ZUSTER MARIA LUCIA VAN JEZUS
EN VAN HET ONBEVLEKT HART
De ontmoeting van zuster Lucia, aartsbisschop Tarcisio Bertone,
secretaris van de Congregatie voor de Geloofsleer, in opdracht
van de H.Vader, en bisschop Serafim de Sousa Ferreira e Silva,
bisschop van Leiria/Fatima, vond plaats op donderdag 27 april j.l.
in de Karmel van de H.Theresia in Coïmbra.
Zuster Lucia was helder en rustig. Ze zei dat ze erg blij was
met de komst van de H.Vader naar Fatima voor de zaligverklaring
van Francisco en Jacinta, waar zij al zo lang naar uit had gezien.
De bisschop van Leiria/Fatima las de handgeschreven brief
van de H.Vader voor, waarin hij de redenen voor het bezoek uitlegde.
Zuster Lucia zei dat ze zich zeer vereerd voelde en las de brief zelf
nog eens door; zij vond het mooi om hem in haar handen te houden.
Ze zei dat zij bereid was openlijk alle vragen te beantwoorden.
Vervolgens reikte aartsbisschop Bertone haar twee enveloppen
aan: een buitenste enveloppe waarin een andere zat met
de brief waar het derde deel van het geheim van Fatima beschreven
wordt. Zodra Lucia deze tweede enveloppe met haar vingers
aanraakte, riep zij uit: Dat is mijn brief! en toen zij hem gelezen
had zei ze nog: Het is mijn handschrift.
Met de hulp van de bisschop van Leiria/Fatima werd de
originele tekst, die in het Portugees is, gelezen en geïnterpreteerd.
Zuster Lucia is het eens met de uitleg dat het derde deel van het
geheim een profetisch visioen bevat, vergelijkbaar met visioenen
uit de H.Schrift. Zij herhaalt haar overtuiging dat het visioen van
Fatima vooral betrekking heeft op de strijd van het atheïstische communisme
tegen de Kerk en de christenen en zij beschrijft het vreselijke
lijden van de slachtoffers van het geloof in de twintigste eeuw.
Op de vraag of de belangrijkste persoon van het visioen de
paus is, antwoordt Lucia onmiddellijk bevestigend en zij vertelt
hoeveel medelijden de drie herdertjes hadden met de paus en dat
Jacinta alsmaar riep: Arme H.Vader! Ik heb zon medelijden met
de zondaars!. Zuster Lucia ging verder: Wij wisten de naam van
de paus niet; Onze Lieve Vrouw heeft ons de naam van de paus
niet gezegd. Wij wisten niet of het Benedictus XV, Pius XII, Paulus
VI of Johannes Paulus II was, maar wel dat het de paus was die
leed en daardoor leden wij ook.
In het verloop van het visioen werd de herdertjes duidelijk
dat de in het wit geklede bisschop de paus was, die levensgevaarlijk
gewond is en op de grond neervalt. Zuster Lucia is het roerend met
de paus eens wanneer hij zegt: Een moederhand leidde de loop
van de kogel en de stervende paus zweefde op het randje van de
dood (Johannes Paulus II,
Meditatie met de Italiaanse bisschoppen
vanuit de polikliniek van het Gemelli-ziekenhuis
, 13 mei 1994).
Voordat zuster Lucia de verzegelde enveloppe met het derde
deel van het geheim overhandigde aan de toenmalige bisschop
van Leiria/Fatima, had zij op de buitenste enveloppe geschreven
dat deze pas na 1960 door de aartsbisschop van Lissabon of door
de bisschop van Leiria geopend mocht worden. Dom Bertone vroeg
haar nu: Waarom pas na 1960? Had Onze Lieve Vrouw die datum
genoemd? Lucia antwoordde: Nee, niet Onze Lieve Vrouw. Ik had
de datum 1960 erop geschreven, want intuïtief voelde ik aan dat
het vóór 1960 niet begrepen zou worden, maar pas daarna. Nu
kan het beter worden begrepen. Ik heb opgeschreven wat ik zag.
Het is niet aan mij om te interpreteren, maar aan de paus.
Tenslotte wordt even gesproken over het nog niet gepubliceerde
boek van Lucia, dat zij schreef om antwoord te geven
op de talloze brieven die zij gekregen had van Maria-devoten en
van bedevaartgangers. Het boek heet
Os Apelos da Mensagem de
Fátima
(Oproepen uit de Boodschap van Fatima) en het omvat
gedachten en overpeinzingen die, in de vorm van catechese en
aansporingen, de gevoelens en heldere en ongekunstelde spiritualiteit
van Lucia uitdrukken. Op de vraag of zij graag had dat het
werd uitgegeven zei ze: Als de H.Vader het daarmee eens is, ben
ik er blij mee; zo niet, dan gehoorzaam ik aan wat de H.Vader
besluit. Zuster Lucia wil de tekst graag voorleggen om kerkelijke
goedkeuring te krijgen en zij hoopt dat haar geschrift mannen en
vrouwen van goede wil kan leiden langs de weg die naar God voert,
het uiteindelijke doel van elk menselijk verlangen.
Het gesprek eindigt met een uitwisseling van rozenkransen:
zuster Lucia kreeg de rozenkrans die de H.Vader had aangeboden
en zij op haar beurt gaf enkele rozenkransen die zij zelf gemaakt
had.
De ontmoeting werd afgesloten met de zegen in naam van
de paus.
Wordt vervolgd.
Bevrijd mij, Jezus.
Bevrijd mij, Jezus
van het verlangen om bemind te worden
van het verlangen om bejubeld te worden
van het verlangen om geëerd te worden
van het verlangen om geprezen te worden
van het verlangen om verkozen te worden
van het verlangen om geraadpleegd te worden
van het verlangen naar goedkeuring
van het verlangen naar populariteit
van de vrees om vernederd te worden
van de vrees om veracht te worden
van de vrees om berispt te worden
van de vrees om belasterd te worden
van de vrees om vergeten te worden
van de vrees om onrecht aangedaan te worden
van de vrees om bespot te worden
van de vrees om verdacht te worden. Amen.
O God, wij geloven.
Laat ons allen een ware en vruchtbare tak
aan Uw wijnstok worden door Hem in ons leven
te verwelkomen zoals Hij dat graag wil:
Als de Waarheid om uit te spreken
als het Leven om te leven
als het Licht om aan te steken
als de Liefde om te beminnen
als de Weg om te volgen
als de vreugde om te schenken
als de Vrede om te verspreiden
als het Offer om op te dragen
in ons gezin en met onze omgeving.
O God, wij geloven dat U hier bij ons bent.
Wij aanbidden U en hebben U lief met hart en ziel
omdat U al onze liefde meer dan waard bent.
Wij verlangen ernaar U net zo lief te hebben
als de heiligen in de hemel.
Wij aanbidden alle tekenen van Uw goddelijke Voorzienigheid en schikken ons geheel
naar Uw wil.
Om Uwentwil hebben wij ook onze naaste lief als onszelf.
Wij vergeven oprecht iedereen die ons gekwetst heeft;
en vragen vergiffenis aan allen die wij gekwetst hebben.
Heer, help ons om Uw opdracht te verspreiden
waar wij ook gaan.
Beziel ons met Uw Geest en Uw Leven,
doordrenk en bezit ons hele wezen zo volkomen
dat ons leven een weerschijn van het Uwe mag zijn.
Doorschijn en vervul ons zodanig
dat ieder mens met wie wij in contact komen
Uw Aanwezigheid in onze ziel aanvoelt.
Laat hen dan naar boven kijken en niet langer ons zien
maar slechts U, o Heer!
Blijf bij ons, zodat wij net zo gaan stralen als U,
zozeer dat wij een licht voor anderen worden.
Dat licht, o Heer, zal alleen van U komen,
geen sprankje zal van ons zijn.
U zult het zijn, die voor ons op anderen schijnt.
Laat ons U prijzen op de wijze die U het liefst is,
door te schijnen op degenen om ons heen.
Laat ons van U spreken zonder te prediken, niet met woorden
maar door ons voorbeeld,
door de inspiratie en de liefdevolle invloed
van onze handelingen
en de zichtbare overvloed aan liefde
die ons hart U toedraagt.
Amen.
Heer Jezus Christus, Zoon van God.
Heer Jezus Christus, Zoon van God, U bent de vreugde van mijn hart.
Heer Jezus Christus, Zoon van God, schenk mij de rijkdom van Uw liefde.
Heer Jezus Christus, Zoon van God, laat Uw Geest doordringen tot de bodem van
mijn hart.
Heer Jezus Christus, Koning der Heerlijkheid, schenk mij Uw licht en vreugde.
Heer Jezus Christus, Zoon van God, ik geef U mijn hart. Leer mij mijn vertrouwen op
U te stellen en te geloven in de kracht van Uw naam.
Heer Jezus Christus, Zoon van God, heb medelijden met mij.
Een zegenspreuk, die zelf aangevuld kan worden:
Gezegend bent U Heer Jezus, Zoon van God, die ..
Gezegend zijt Gij Eeuwige, Koning van de wereld, die ..
Kol.1:12-20.
Breng dus met vreugde dank aan de Vader. Hij stelt u in staat om te delen in de
erfenis die alle heiligen wacht in het licht. Hij heeft ons gered uit de macht van de
duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, die ons de
verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden. Beeld van God, de
onzichtbare, is hij, eerstgeborene van heel de schepping: in hem is alles geschapen,
alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, vorsten en
heersers, machten en krachten, alles is door hem en voor hem geschapen.
Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem. Hij is het hoofd van het lichaam, de
kerk. Oorsprong is hij,
eerstgeborene van de doden, om in alles de eerste te zijn: in hem heeft heel de
volheid willen wonen en door hem en voor hem alles met zich willen verzoenen, alles
op aarde en alles in de hemel,
door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis.
1 Cor. 13.
Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelenhad ik de liefde niet, ik
zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. Al had ik de gave
om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik
het geloof dat bergen kan verplaatsenhad ik de liefde niet, ik zou niets zijn. Al
verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik
mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijnhad ik de liefde niet, het zou mij niet
baten. De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel
vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich
niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, ze verheugt zich niet over het
onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles
hoopt ze, in alles volhardt ze. De liefde zal nooit vergaan. Profetieën zullen
verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan want ons kennen schiet
tekort en ons profeteren is beperkt. Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is
verdwijnen. Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind,
redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me
gelaten. Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog.
Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf
gekend ben. Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan
is de liefde.
Mat. 5: 3 â 16.
Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.
Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden. Gelukkig de
zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten. Gelukkig wie hongeren en dorsten
naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Gelukkig de barmhartigen,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden. Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want
zij zullen God zien. Gelukkig de vredestichters, want zij zullen kinderen van God
genoemd worden. Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden, want
voor hen is het koninkrijk van de hemel. Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille
van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. Verheug je en juich,
want je zult rijkelijk worden beloond in de hemel; zo immers vervolgden ze vóór jullie
de profeten. Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest,
hoe kan het dan weer zout gemaakt worden? Het dient nergens meer voor, het
wordt weggegooid en vertrapt. Jullie zijn het licht in de wereld. Een stad die boven
op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Men steekt ook geen lamp aan om hem
vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een
standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. Zo moet jullie licht schijnen
voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in
de hemel.
Rom. 8:15 â 27.
U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de
Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met
Abba, Vader. De Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn.
En nu we zijn kinderen zijn, zijn we ook zijn erfgenamen, erfgenamen van God.
Samen met Christus zijn wij erfgenamen: wij moeten delen in zijn lijden om met hem
te kunnen delen in Gods luister. Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in
geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard.
De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn.
Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt. En dat
niet alleen, ook wijzelf, die als voorschot de Geest hebben ontvangen, ook wij
zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn, de
verlossing van ons sterfelijk bestaan. In deze hoop zijn we gered.
De Geest helpt ons in onze zwakheid; wij weten immers niet wat we in ons gebed
tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten.
God, die ons doorgrondt, weet wat de Geest wil zeggen. Hij weet dat de Geest
volgens zijn wil pleit voor allen die hem toebehoren.
Joh. 15: 1 â 17.
Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. Iedere rank aan mij die
geen vrucht draagt snijdt hij weg, en iedere rank die wel vrucht draagt snoeit hij bij,
opdat hij meer vruchten draagt. Jullie zijn al rein door alles wat ik tegen jullie gezegd
heb. Blijf in mij, dan blijf ik in jullie. Een rank die niet aan de wijnstok blijft, kan uit
zichzelf geen vrucht dragen. Zo kunnen jullie geen vrucht dragen als jullie niet in mij
blijven. Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Als iemand in mij blijft en ik in
hem, zal hij veel vrucht dragen. Maar zonder mij kun je niets doen. Wie niet in mij
blijft wordt weggegooid als een wijnrank en verdort; hij wordt met andere ranken
verzameld, in het vuur gegooid en verbrand. Als jullie in mij blijven en mijn woorden
in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren. De grootheid van mijn Vader
zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vrucht dragen en mijn leerlingen zijn. Ik heb
jullie liefgehad, zoals de Vader mij heeft liefgehad. Blijf in mijn liefde: je blijft in mijn
liefde als je je aan mijn geboden houdt, zoals ik me ook aan de geboden van mijn
Vader gehouden heb en in zijn liefde blijf. Dit zeg ik tegen jullie om je mijn vreugde
te geven, dan zal je vreugde volkomen zijn. Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben
zoals ik jullie heb liefgehad. Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je
vrienden. Jullie zijn mijn vrienden wanneer je doet wat ik zeg. Ik noem jullie geen
slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem ik jullie,
omdat ik alles wat ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb. Jullie
hebben niet mij uitgekozen, maar ik jullie, en ik heb jullie opgedragen om op weg te
gaan en vrucht te dragen, blijvende vrucht. Wat je de Vader in mijn naam vraagt, zal
hij je geven. Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief.
Joh. 1: 1 â 18.
In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was
in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat
bestaat. In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht
schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen. Er
kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. Hij kwam als
getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven. Hij was
niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht: het ware licht, dat
ieder mens verlicht en naar de wereld kwam. Het Woord was in de wereld, de wereld
is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet. Hij kwam naar wat van
hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen. Wie hem wel
ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van
God te worden. Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk
verlangen of uit de wil van een man, maar uit God. Het Woord is mens geworden en
heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid
gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. Van hem getuigde Johannes
toen hij uitriep: Hij is het over wie ik zei: Die na mij komt is meer dan ik, want hij
was er vóór mij! Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt. De wet is
door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen.
Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart
van de Vader rust, heeft hem doen kennen.
Ik bid voor hen.
Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor de mensen die u mij hebt
gegeven, omdat zij van u zijn alles wat van mij is, is van u, en alles wat van u is, is
van mijen omdat in hen mijn grootheid zichtbaar geworden is. Joh. 17: 9, 10
Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen die door hun verkondiging in mij
geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo
ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden. Joh. 17: 20, 21
In uw handen, Heer, bevelen wij onze geest.
In uw handen, Heer, bevelen wij onze geest. Want U, Heer, hebt ons in uw trouw
vrijgekocht.
Bewaak ons, Heer, als uw oogappel. En bescherm ons in de schaduw van uw
vleugels.
Bewaar ons, Heer, in deze nacht. Houd de zonde ver van ons.
Laat uw barmhartigheid op ons rusten. Want onze hoop is op U gevestigd.
voor de vrede van de wereld en voor al onze broeders en zusters bidden wij U, Heer.
Heer, ontferm U over hen.
Voor onze familieleden en voor allen die ons liefhebben bidden wij om uw
ontferming.
Zowel voor hen die ons haten als voor hen die ons zegenen, voor allen, die onze
voorbede gevraagd hebben, bidden wij om uw ontferming.
Voor de bevrijding van de gebondenen, voor allen, die in gevaar zijn te land, ter zee
en in de lucht, voor hen die verzwakt zijn door ziekte, Heer bidden wij om uw
ontferming.
Wij bidden voor hen die een ernstig verlies geleden hebben en hen die teleurgesteld
zijn in mensen. Heer betoon hen uw trouw en ontferming.
Berg hen in de beschutting van uw gelaat.
Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont en overnacht in de schaduw van de
Ontzagwekkende, zegt tegen de HEER: Mijn toevlucht, mijn vesting, mijn God, op u
vertrouw ik. Hij bevrijdt je uit het net van de vogelvanger en redt je van de dodelijke
pest, hij zal je beschermen met zijn vleugels, onder zijn wieken vind je een toevlucht,
zijn trouw is een veilig schild. De verschrikking van de nacht hoef je niet te vrezen,
ook de pijl niet die overdag op je af vliegt, noch de pest die rondwaart in het donker,
noch de plaag die toeslaat midden op de dag. Al vallen er duizend aan je linkerzijde
en tienduizend aan je rechterhand, jou zal niets overkomen. Open je ogen en zie hoe
wie kwaad doen worden gestraft. U bent mijn toevlucht, HEER. Als je mag wonen bij
de Allerhoogste, zal het kwaad je niet bereiken, geen plaag je tent ooit treffen. Hij
vertrouwt je toe aan zijn engelen, die over je waken waar je ook gaat. Hun handen
zullen je dragen, je voet zul je niet stoten aan een steen. Leeuw en adder zul je
vertrappen, roofdier en slang vermorzelen. Ik zal bevrijden wie mij liefheeft en
beschermen wie met mijn naam vertrouwd is. Roep je mij aan, ik geef antwoord, in
de nood zal ik bij je zijn, je bevrijden en met roem overladen, je overvloed geven van
dagen. Ik zal je redding zijn. Psalm 91.
Zegen de HEER, u allen die de dienst van de HEER verricht en in het huis van de
HEER staat, nacht aan nacht. Hef uw handen op naar het heiligdom en zegen de
HEER. Moge uit Sion de HEER u zegenen, die hemel en aarde gemaakt heeft. Psalm
134.
Here God,
Here God, wij stellen ons aan het eind van deze dag voor Uw aangezicht. De wijze
waarop wij U vandaag dienden en eerden. Onze traagheid, onze fouten en onze
tekortkomingen. Geef ons de kracht om die beslissingen te nemen die U van ons
vraagt. Wij danken U voor de ontvangen weldaden. Wij breng de dag van morgen
voor U. En wij bid voor hen, die ons lief zijn, en voor allen die ons zijn toevertrouwd.
Wij stel hen in Uw licht en brengen hen bij U. Opdat wij hen zien, zoals U hen ziet en
liefhebben zoals U hen liefheeft.
Psalm 4.
Antwoord mij als ik roep, God die mij recht doet. Geef mij ruimte als ik belaagd
word, wees genadig, hoor mijn gebed. Machtigen, hoe lang nog maakt u mij te
schande, is de schijn u lief, de leugen uw leidraad? De HEER schenkt zijn gunst aan
wie hem trouw is, de HEER luistert als ik tot hem roep. Beef voor hem en zondig
niet, bezin u in de nacht en zwijg. Breng de juiste offers, heb vertrouwen in de
HEER. Velen zeggen: Wie maakt ons gelukkig? HEER, laat het licht van uw gelaat
over ons schijnen. In u vindt mijn hart meer vreugde dan zij in hun koren en wijn. In
vrede leg ik mij neer en meteen slaap ik in, want u, HEER, laat mij wonen in een
vertrouwd en veilig huis.
Heer Jezus Christus.
Heer Jezus Christus, U hebt gezegd: alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft.
Ik geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp.
Maak U dan niet bezorgd tegen de dag van morgen. Uw hemelse vader weet dat gij
dit alles behoeft.
Ik geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp.
Meester, de hele nacht door hebben wij gewerkt en niets gevangen, maar op uw
woord zal ik de netten uitzetten. Ik geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp.
Jongeling, ik zeg U sta op.
Ik geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp.
Niemand die de hand aan de ploeg slaat en kijkt naar datgene dat achter hem ligt, is
geschikt voor het koninkrijk van God.
Ik geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp.
Uw vader uit de hemel zal de heilige Geest geven aan hen, die hem daarom vragen.
Ik geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp.
Jezus verscheen aan de elf discipelen en verweet hun hun ongeloof, omdat zij niet
geloofden dat hij was opgewekt.
Ik geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp.
Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven
Ik geloof, heer, kom mijn ongeloof te hulp.
Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede.
Psalm 16: 1, 5-9, 11.
Behoed mij, God, ik schuil bij u. Ik zeg tot de HEER: U bent mijn Heer, mijn geluk,
niemand gaat u te boven. HEER, mijn enig bezit, mijn levensbeker, u houdt mijn lot
in handen. Een lieflijk land is voor mij uitgemeten, ik ben verrukt van wat mij is
toebedeeld. Ik prijs de HEER die mij inzicht geeft, zelfs in de nacht spreekt mijn
geweten. Steeds houd ik de HEER voor ogen, met hem aan mijn zijde wankel ik niet.
Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, mijn lichaam voelt zich veilig en
beschut. U wijst mij de weg naar het leven: overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.
Heer,..
Wil, Heer, in de avond van deze dag ons in U bewaren. Gezegend bent U, Heer, God
van onze vaderen, U bent waardig te ontvangen de lof en de eer tot in eeuwigheid.
Heer, moge uw barmhartigheid op ons rusten. Want al onze hoop is op U gevestigd.
Gezegend bent u, Heer, leer ons uw geboden.
Heer, uw barmhartigheid is eeuwig. En laat niet los wat uw hand begonnen is te
doen.
Wij bidden voor de vrede van de wereld en voor de broederschap van alle volken. De
here geve dat wij instrumenten zijn van zijn vrede, van begrip en van ontferming,
bezield met een liefde die nooit moe wordt. Heer, hoor ons gebed.
Wij bidden voor de algemene Kerk, haar dienaren, leiders en voorgangers,
evangelisten en zendelingen. Heer, bewaar hen en laat hen wandelen in uw liefde en
zegen hun werk. Heer, hoor ons gebed.
Wij bidden voor de gehuwden en voor haar die moeder worden, en voor hen die
geen partner of ouders hebben. Behoed hen, Heer, en bedek hen met uw mantel van
barmhartigheid.
Wij bidden voor de kinderen en de jonge mensen van deze generatie. Zegen hen
met uw wijsheid en genade. Trek hen tot U. Heer, hoor ons gebed.
Wij bidden voor hen die veroordeeld zijn tot dwangarbeid, verbanning en
gevangenisstraf, voor hen die vervolgd worden en voor de slachtoffers van geweld
en oorlog. Heer, ontferm U over hen.
Wij bidden voor hen die kwaad doen, voor de oneerlijken en de dwalenden. Heer ga
hen tegemoet op hun slechte paden en spreek tot hen uw woorden van liefde.
Wij bidden voor elkaar: de Heer beware ons en bescherme ons tot aan het einde,
voor alle zonde en alle kwaad en leide ons Zijn Koninkrijk binnen.
Almachtige God, zegen uw volk en uw kudde. Verleen ons, uw dienaren, de schapen
van uw weide, uw vrede, uw hulp en uw liefde, opdat wij met banden van vrede en
liefde verbonden mogen zijn: één lichaam, één geest, één hoop van onze roeping, in
oneindige liefde; om de liefde van Jezus Christus, de grote herder van de schapen.
Amen.
Psalm 96.
Zing voor de HEER een nieuw lied, zing voor de HEER, heel de aarde. Zing voor de
HEER, prijs zijn naam, verkondig van dag tot dag dat hij ons redt. Maak aan alle
volken zijn majesteit bekend, aan alle naties zijn wonderdaden. Groot is de HEER,
hem komt alle lof toe, geducht is hij, meer dan alle goden. De goden van de volken
zijn minder dan niets, maar de HEER: hij heeft de hemel gemaakt. Glans en glorie
gaan voor hem uit, macht en luister vullen zijn heiligdom. Erken de HEER, stammen
en volken, erken de HEER, zijn majesteit en macht, erken de HEER, de majesteit van
zijn naam, draag geschenken zijn voorhoven binnen. Buig u voor de HEER in zijn
heilige glorie, huiver, heel de aarde, als hij verschijnt. Zeg aan de volken: De HEER
is koning. Vast staat de wereld, zij wankelt niet. Hij oordeelt de volken naar recht en
wet. Laat de hemel verheugd zijn, de aarde juichen, de zee bruisen en alles wat
daar leeft. Laat het veld verblijd zijn en alles wat daar groeit, laten alle bomen
jubelen voor de HEER, want hij is in aantocht, in aantocht is hij als rechter van de
aarde. Rechtvaardig zal hij de wereld berechten, de volken oordelen, trouw aan zijn
woord.
Psalm 23.
De HEER is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets. Hij laat mij rusten in groene
weiden en voert mij naar vredig water, hij geeft mij nieuwe kracht en leidt mij langs
veilige paden tot eer van zijn naam. Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees
geen gevaar, want u bent bij mij, uw stok en uw staf, zij geven mij moed. U nodigt
mij aan tafel voor het oog van de vijand, u zalft mijn hoofd met olie, mijn beker
vloeit over. Geluk en genade volgen mij alle dagen van mijn leven, ik keer terug in