For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
26-06-2009
GEBED OM NAVOLGING VAN MARIA IN DE VOORKOMENDHEID EN HULPVAARDIGHEID.
Hemelse Moeder Maria, Meesteres van mijn ziel,
Voor U was naastenliefde ware zelfofferande tot het uiterste toe.
Elk noodlijdend wezen, zonder uitzondering, raakte de kern van Uw Hart. Uw Hart liet U geen rust tot de nood van een naaste gelenigd was.
Geen mens kon U met noden benaderen en niet ten minste verlicht van U heengaan. Hoezeer verlang ik, vanuit Uw Hart naar mijn medemens toe te kunnen gaan. Daarom smeek ik U :
Stort in mij het onblusbaar verlangen om mijn medemens bij te staan in al zijn noden, en daarbij mijn eigen behoeften achterop te stellen.
Wek in mij de zelfverloochening die mij ertoe zal aansporen om het kruis van mijn naaste te helpen dragen, opdat hij zijn levensopdracht kan blijven vervullen. Moge ik hierdoor Gods Plan van Heil dichter bij zijn verwezenlijking brengen.
Verdrijf uit mij alle ongevoeligheid en onverschilligheid voor het lot van mijn medemens.
Laat mij, zoals U, oog hebben voor de nood van mijn medemens nog vóór deze mij om hulp kan vragen of de nood hem werkelijk bedreigt.
Wek in mij de oprechte vreugde in de belangeloze dienstbaarheid jegens mijn naaste.
Mijn Hemelse Meesteres, U bent voor alle eeuwen als een bos van beschutting en toevlucht. Wil mij in Uw navolging maken tot een oord van toevlucht, troost, bemoediging en geborgenheid, en tot een teken van Gods Voorzienigheid en Liefde. AMEN.
KORT GEBED (geschreven in 2004, tijdens een ochtendmeditatie)
Oneindige Oceaan van de Goddelijke Wil, ontsluit toch Uw golven voor mij, opdat ik ondergedompeld moge worden in de eeuwige Mysteries.
O God van Licht, leid mij toch naar de zielen, opdat ik op Uw genade in hen Uw scheppende, verlossende en heiligende kracht tot ontplooiïng moge brengen.
Laat mij zien, want in Uw golven liggen de onuitputtelijke bronnen van de Eeuwige Wijsheid.
AANROEPING
Ik prijs U, Maria, hoogverheven Meesteres, voor alle zielen die U nooit geprezen hebben
GEBED BIJ DE GRAFLEGGING VAN JEZUS.
O Jezus, ik breng U hulde en eerherstel voor het verlossende Lijden dat U voor de hele mensheid hebt volbracht.
Nu Uw allerheiligste Lichaam aan het graf is toevertrouwd, smeek ik U, dat ook ik met U mag sterven aan de wereld, en dat alles wat mij tot gevangene van de wereld heeft gemaakt, alle gewoonten die mij van God verwijderen, alle zonden die ik ooit heb bedreven, alle fouten die ik heb gemaakt, en alle herinneringen die mijn geest en hart bezwaren, met U begraven mogen worden, opdat ik met U moge verrijzen voor een nieuw en heilig leven dat mijn ziel zal klaarmaken voor het Paradijs.
In Uw Wonden leg ik alles wat in mij onzuiver is. De opening van Uw Hart wil ik vullen met het berouw over al mijn daden, woorden en gedachten die mij van de Liefde hebben verwijderd.
Sluit nu het graf, o Jezus, en blijf bij mij tot de dageraad van het Eeuwig Licht, opdat ik het waardig moge worden, met U op te staan in het Rijk van de eeuwige lente. AMEN.
AANROEPING OM EEN VERBOND VAN HEILIGHEID.
Lieve Jezus, Messias van het Rijk Gods,
Laat mij U innig liefhebben, opdat ik de Goddelijke Genade waardig worde, want de Liefde ontsluit alle Hemelse Bronnen.
Was mijn ziel in Uw Bloed, de Vrucht van de Goddelijke Wijngaard, opdat haar zuiverheid mij moge maken tot een bloembed van Uw welbehagen in de woestijn der wereld die U miskent.
Stort de geur der heiligheid in mijn ziel, opdat mijn woorden de Hemelse Vrede in de harten mogen brengen, mijn gedachten de duisternis uit de zielen mogen bannen en mijn handen zegen brengen aan alles wat zij aanraken.
Mijn Jezus, aan U die de grootste wonderen aan de zielen voltrekt, vraag ik in ruil voor de gave van mijzelf aan het Kruis van het Heil, de totale vereniging van mijn hele wezen met Maria, de Bloem van de grootste heiligheid en Parel aan Gods Kroon, opdat ik in Uw Liefde moge stralen tot het einde der tijden. AMEN.
25-06-2009
Maandelijkse boodschap van Onze Lieve Vrouw aan Marija Pavlovic voor de hele wereld.
Boodschap van 25 Juni 2009
Liefste kinderen,
Verheug u met mij, bekeer u in de vreugde en dank God voor het geschenk van mijn aanwezigheid bij u. Bid dat in uw hart, God in het middelpunt van uw leven mag zijn en u door uw leven getuigenis aflegt, kleine kinderen, zodat ieder schepsel Gods liefde mag voelen. Wees voor ieder schepsel mijn uitgestoken handen, zodat het dichter bij de God van liefde komt. Ik zegen u met mijn moederlijke zegen.
Dank u, dat u aan mijn oproep gevolg hebt gegeven.
Vandaag vieren wij de 28ste verjaardag van de verschijningen van Onze Lieve Vrouw te Medjugorje. Dank U, gezegende Moeder, voor uw boodschappen doorheen al deze jaren, voor uw geduld, voor uw liefde, en voor uw hulp om ons dichter bij uw Zoon Jezus te brengen.
Dank U Jezus om ons uw Moeder te zenden en voor al de genaden die U ons hebt gegeven door Medjugorje.
AFFLIGEM - De kapel van Kindje Jezus van Praag viert 100-jarig bestaan
Kapel van Kindje Jezus van Praag viert 100-jarig bestaan.
Teralfense kapel Kindje Jezus van Praag is een eeuw oud. Foto: Steven Walravens
Op zaterdag 27 juni willen de nakomelingen van Paulinus en Joanna het 100-jarige bestaanvan de kapel gedenken in een dankmis in de parochiekerk van Teralfene om 18.30 uur. Iedereen is er van harte welkom. Na de mis zal de kapel uitzonderlijk toegankelijk zijn voor het publiek. De familie wil met dit initiatief de hele plaatselijke gemeenschap betrekken bij dit eeuwfeest en hoopt dat dit voorbeeld van liefde en vertrouwen zal blijven voortleven.
Het ontstaan van de kapel.
De kapel van het Kindje Jezus van Praag in de Okaaistraat in Teralfene is dit jaar precies 100 jaar oud, en is opgericht in 1909 door Paulinus DHaeseleer (1867-1940). Hij bouwde die kapel op zijn grond in de Okaaistraat als dank voor de wonderbaarlijke genezing van zijn echtgenote, Joanna Van Vaerenbergh (1869-1945) en zette er een beeldje in van het Kindje Jezus van Praag om zijn geloof uit te drukken in dit genadebeeld. Joanna was in 1909 pas 40 jaar en was door de artsen van het Brusselse Sint-Janshospitaal naar huis gestuurd omdat zij alle hoop op verbetering hadden uitgesloten. Kort na haar thuiskomst stelde Dr. De Clippele, haar huisdokter, vast dat zij volledig genezen was en bovendien dat zij in verwachting was. In 1910 werd dochter Isabella geboren die als kloosterzuster heel haar leven MS-patiënten zou verzorgen in Melsbroek. In totaal kregen Joanna en Paulinus 9 kinderen, 5 zonen en 4 dochters.
Het oorspronkelijk beeldje in Praag staat daar in de Maria Victoriakerk waar het sinds de 16de eeuw veel bedevaarders op bezoek krijgt. Ook in Teralfene wordt de kapel regelmatig bezocht door wandelaars die er troost, raad of rust komen zoeken. De kapel werd door de familie grondig gerestaureerd in 1982 en 2006, inclusief het beeld van het Kindje dat door graficus Piet Ghysens, vriend van de familie, werd gerenoveerd; zij wordt door de familie ook onderhouden zodat de kapel een pareltje blijft van ons plaatselijk erfgoed.
DE GESCHIEDENIS VAN HET CHRISTENDOM.
Of het nu lag aan het herstel van de lijn van Salomo of niet ; het ging beter met Ethiopië. Met Makurië in het noordwesten ging het slechter. Amda Siyon, die keizer was tussen 1314 en 1344, gaf Ethiopië nieuwe kracht. Hij reoganiseerde het sociale stelsel en de landbouw en creëerde iets wat leek op het Europese feodale stelsel, waarbij de keizer het hele land bezat maar dit verpachte aan de plaatselijke edelen. Die moesten ervoor zorgen dat het land werd bewerkt, maar ook manschappen leveren wanneer dat nodig was. Amda Siyon voerde een aantal oorlogen tegen de sultanen Ifat en Adal, die uiteindelijk het edict van Mohammed hadden gebroken en de heilige oorlog hadden verklaard aan Ethiopië. De keizer voerde een briljante strijd, waarbij hij grote stukken grond in bezit nam en deze in zijn feodale stelsel onderbracht. Ondertussen begon de Ethiopische kerk deze gebieden, die slechts enkele jaren eerder een Jihad tegen hen hadden gevoerd, zeer agressief te evangeliseren. Aboena Jakob, die in 1337 hoofd werd van de Ethiopische kerk, stuurde grote aantallen monniken naar deze streken om tot de mensen te prediken. Hoewel velen werden aangevallen of vermoord, slaagde hun missie toch en raakte het christendom stevig verankerd in geheel Ethiopië.
DE DISCUSSIE RONDOM DE SABBAT.
Deze groei van de Ethiopische kerk viel samen met een interne verdeeldheid. Een abt genaamd Ewostatewos begon zich uit te spreken tegen wat hij beschouwde als morele en spirituele laksheid binnen de kerk. Doordat kerk en staat in toenemende mate afhankelijk van elkaar werden, geloofde hij dat de kerk onvermijdelijk zou worden blootgesteld aan wereldlijke invloeden en hierdoor zou verzwakken. Als bewijs hiervoor wees hij op de slavenhandel met Egypte en Arabië. Ewostatewos beweerde zelf dat de kerk moest terugkeren naar zijn joodse wortels en onderwees dat de Wet van het Oude Testament ook bindend was voor christenen. Hij en zijn volgelingen hielden de sabbat in ere en weigeren respect te tonen voor de regring. De autoriteiten van kerk en overheid keurden de leer van Ewostatewos af. Hij werd verbannen naar het Heilige Land en vervolgens naar Armenië, waar hij in 1352 overleed. Zijn volgrlingen, de sabbatisten, ook bekend als de 'Ayhud' , een geringschattende term voor christenen die het joodse leer volgen, werden in eigen land vervolgd. Ze werden uitgesloten van geestelijke ambten, verjaagd uit kloosters en zelfs uit steden verdreven. Enkelen stichtten nieuwe nederzettingen in het noordoosten van het land, waar ze een joodse vorm van christendom praktiseerden die zo strikt was dat men leek te zijn teruggekeerd tot het eigenlijke jodendom. Meer gematigde sabbatisten hielden stand elders in het land en wonnen met hun enthousiaste preken veel volgelingen. Ze weigerden zich weer aan te sluiten bij de kerk en stichtten een eigen kerkelijke organisatie. In 1436 bedacht keizer Zara Jakob een ingenieus plan om het schisma in zijn land te beëindigen toen de oude aboena overleed. Hij verzocht Alexandrië om niet één maar twee opvolgers te sturen, die hij vroeg om op te treden als kerkelijke hervormers. Hij hoopte dat als deze aboena's de situatie in Ethiopië bestudeerden en terugrapporteerden aan Alexandrië, de patriarch misschien zou beslissen dat de sabbat mocht worden geëerbiedigd. Dan hadden de sabbatisten geen reden meer voor afscheiding van de orthodoxe kerk en kon de eenheid worden hersteld. Hij ontving nooit een uitspraak uit Alexandrië, maar de twee aboena's concludeerden wel dat eerbieding van de sabbat was toegestaan. In 1450 accepteerden de sabbatisten deze bepaling en gingen ermee akkoord om geestelijke ambten te aanvaarden binnen de Ethiopische Kerk ; het schisma was ten einde. Dit was een belangrijke gebeurtenis, niet alleen vanwege het einde van het schisma, maar ook door de rol van de keizer. Hij had bemiddeld en hierdoor werd de keizer steeds meer gezien als de protector van de kerk, net als ooit de koning van Makurië in het noordwesten. Ethiopië had deze interne problemen nog niet overwonnen, of nieuwe bedreigingen dienden zich aan. Aan het begin van de zestiende eeuw waren de kustsultanaten weer in opkomst onder de groeiende macht van Adal, met als machtige militaire leider, ; Ahmad ibn Ibrahim al - Ghazi, bij zijn vijanden en nageslacht bekend als Grafi, 'de linkshandige'. Onder zijn leidershap wist het sultanaat Adal Ethiopië rond 1520 te bedwingen. Zoals we zullen zien in hoofdstuk 10, zou de christelijke beschaving in Afrika deze crisis slechts door geluk overleven.
Lezing uit het boek Genesis 16,1-12.15-16. Psalmen 106(105),1-2.3-4.5. Heilig Evangelie van Jezus Christus volgens Mattheus 7,21-29.
Lezing uit het boek Genesis 16,1-12.15-16.
Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen geschonken. Maar zij had een egyptische slavin, Hagar genaamd. En Sarai zeide tot Abram: Zie, Jahweh heeft mijn schoot gesloten; ga dus tot mijn slavin: misschien krijg ik kinderen van haar. Abram stemde met Sarai in. En Sarai, Abrams vrouw, nam Hagar, haar egyptische slavin, en gaf ze tot vrouw aan Abram, haar man; Abram woonde toen al tien jaar in het land Kanaän. Hij hield gemeenschap met Hagar, en zij werd zwanger. Toen zij bemerkte, dat zij zwanger was, zag zij minachtend op haar meesteres neer. Daarom sprak Sarai tot Abram: Gij zijt de schuld van mijn smaad. Ik zelf heb mijn slavin in uw schoot gelegd, en nu zij ziet, dat ze zwanger is, veracht ze mij. Moge Jahweh richten tussen mij en u. Abram gaf Sarai ten antwoord: Welnu, uw slavin is in uw macht; doe met haar wat ge wilt. Toen begon Sarai haar te kwellen, zodat zij de vlucht voor haar nam. De engel van Jahweh trof haar bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sjoer. Hij sprak: Hagar, dienstmaagd van Sarai, waar komt ge vandaan, en waar gaat ge heen? Zij zeide: Ik ben op de vlucht voor Sarai, mijn meesteres. De engel van Jahweh sprak toen tot haar: Keer terug naar uw meesteres, en verneder u voor haar. En de engel van Jahweh ging voort: Uw kroost zal Ik zó talrijk maken, dat men het om zijn menigte niet meer kan tellen. Nog sprak de engel van Jahweh tot haar: Zie, ge zijt zwanger; een zoon zult ge baren, En hem de naam van Jisjmaël geven; Want Jahweh heeft naar uw schreien gehoord. Hij zal een menselijke woudezel zijn, Zijn hand zal tegen allen wezen, En de hand van allen tegen hem; Verwijderd van al zijn broers zal hij wonen. Zo schonk Hagar aan Abram een zoon, en Abram noemde den zoon, dien Hagar hem baarde, Jisjmaël. Abram was zes en tachtig jaar oud, toen Hagar hem Jisjmaël baarde.
Psalmen 106(105),1-2.3-4.5.
Halleluja! Looft Jahweh, want Hij is goed En zijn genade duurt eeuwig! Wie kan Jahwehs machtige daden vermelden, En heel zijn glorie verkonden? Gelukkig hij, die de wet onderhoudt, En altijd het goede blijft doen! Wees ons indachtig, o Jahweh, Om uw liefde voor uw volk; Zoek ons op met uw heil, Opdat wij het geluk uwer vrienden aanschouwen, Met uw blijde volk ons verblijden, Met uw erfdeel mogen roemen!
Heilig Evangelie van Jezus Christus volgens Mattheus 7,21-29.
Niet iedereen, die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het rijk der hemelen; maar wel wie de wil van mijn Vader volbrengt, die in de hemelen is. Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben we niet in uw Naam voorzeggingen gedaan, in uw Naam duivels uitgedreven, in uw Naam veel wonderen verricht? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Nooit heb Ik u gekend; gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet. Een ieder dus, die deze woorden van Mij hoort, en ze in beoefening brengt, zal gelijk zijn aan een wijzen man, die zijn huis bouwde op een rots. En de regen viel neer, en de waterstromen kwamen af, en de winden gierden en stortten zich op dat huis; doch het zakte niet in, want het was gegrond op de rots. Maar wie deze woorden van Mij hoort, doch ze niet in beoefening brengt, zal gelijk zijn aan een dwazen man, die zijn huis bouwde op het zand. En de regen viel neer, en de waterstromen kwamen af, en de winden gierden en stortten zich op dat huis; het zakte in, en zijn val was geweldig. Toen Jesus deze toespraak geëindigd had, stonden de scharen verbaasd over zijn leer. Want Hij leerde hen als een die gezag heeft, en niet zoals hun schriftgeleerden.
Bron : Petrus Canisius bijbelvertaling
GEBED TOT DE ONSCHULDIGE KINDEREN VOOR DE VERVOLGERS DER CHRISTENEN.
Het onderstaande gebed is door Maria ingegeven voor de bekering van zielen die de christenen vervolgen door laster, bespotting, tegenkanting in hun dagelijks leven en verhindering van hun beleving van het christen-zijn. De onschuldige kinderen van Bethlehem, slachtoffers van de kindermoord door Herodes ten tijde van de geboorte van Jezus Christus, zijn de ideale voorsprekers om de christenvervolgers in onze tijd tot bekering te brengen.
Heilige onschuldige kinderen van Bethlehem, bloeiende rozen van hoop in de winter der zielen,
Tot U roept mijn hart, gekweld door de nacht die de Ster van Gods Licht wil doven.
Kleine getuigen van de haat tegen de nieuwgeboren Christus, nog steeds woeden de stormen van de koning der duisternis tegen de Eeuwige Liefde. Nog steeds wordt het Jezuskind in de harten geweigerd.
Nog steeds wordt de kleine Verlosser in de geesten vermoord.
Nog steeds wordt de nieuwgeboren Liefde verdreven uit het land van de zielen.
Zie, tot U kom ik met de harten van de vervolgers der christenen. Wil ze onderdompelen in Uw tranen en Uw bloed, vermengd met de tranen van het Jezuskind en Maria, op de vlucht voor Herodes.
Spreid toch Uw tranen uit over de akkers die verdorren onder het vuur van bekoring, dwaling en verblinding, want zij aanvaarden het zaad van Christus niet in zich. Drenk hun grond met Uw bloed, opdat hij de tekenen van Gods Eeuwige Lente moge herkennen.
O eerste martelaren voor het Rijk van Christus, wil ons door Uw verdiensten beschermen tegen hen die ons vervolgen op onze dagelijkse weg van Christus.
Wil voor ons aankloppen aan de poort van het Smartvol Hart van Maria, opdat wij mogen bloeien in de kracht van het onverwoestbaar geloof en de Liefde die volhardt in de vergeving.
Wil onze vervolgers raken door de aanblik van het vluchtende Kind op de wegen der ontbering, want Hij die het Leven bracht, wordt nog steeds met de dood bedreigd.
Wil mijn smart in vereniging met de Uwe aanbieden aan de God van Eeuwig Leven, opdat Zijn vervolgers mogen ontwaken uit de bedwelming van de haat.
Heilige onschuldige kinderen van Bethlehem, in U werd de kleine Jezus gedood. Bekom toch in Zijn vervolgers Zijn ware geboorte voor het Leven. AMEN.
NACHTAANROEPING TOT MARIA.
Lieve Moeder Maria,
In dit nachtelijk uur geef ik mijzelf over aan Uw eeuwig stralend Licht dat geen nacht kent, opdat alle duisternis uit mij verdreven moge worden.
Ik leg mijn hart in het vuur van Uw Hart, opdat het gelouterd en gezuiverd moge worden.
In volkomen overgave werp ik mij voor U neer, o Koningin van de nacht, opdat de zon van de Hemelse Dageraad in mijn ziel moge opgaan, want in U schittert de overwinning van het Licht op de duisternis vanaf Uw Onbevlekte Ontvangenis.
Kom en heers nu in mij, o Maan aan Gods Hemel, opdat het Licht van Uw heiligheid mij moge vervullen tot verblinding van elke kracht die tot vernedering onder Uw voeten is voorbestemd. AMEN.
24-06-2009
MALTA.......
DE GESCHIEDENIS VAN HET CHRISTENDOM.
Ondanks incidentele schermutselingen met Ifat en Adal, waren de contacten met deze twee nieuwe sultanaten goed. Volgens een islamitische overlevering had de profeet Ethiopië gezegend, omdat volgelingen van hem er onderdak hadden gekregen, en was het de moslims verboden om dit land ooit de heilige oorlog te verklaren. De sultanaten aan de kust waren hierdoor genegen om respect te tonen voor het machtigere Ethiopische rijk. De handelsroutes naar zee waren dan wel in islamitische handen, maar bleven toch open. De Ethiopiërs kregen nog meer problemen. Aan het einde van de tiende eeuw werd het land aangevallen door een primitief volk, dat kerken in brand stak en religieuze voorwerpen vernielde. De geleerden zijn het niet eens over de indentiteit van dit volk en hun krijgshaftige koningen, maar een Ethiopische legende spreekt van Yodit (of Judith ), een joodse aanvoerster die het christendom haatte en probeerde het voorouderlijk geloof terug te brengen. Naar verluidt werd Aksoem onder haar leiding geplunderd, de christelijke dynastie omvergeworpen en regeerde Yodit vervolgens veertig jaar. Wat er waar is van dit verhaal, of Yodit één persoon was of een dynastie en of ze überhaupt wel heeft bestaan, is onbekend. Zij en haar volk kunnen net zo goed heidenen als joden zijn geweest. Misschien is Yodit net zo legendarisch als de koningin van Seba, een 'boosaardige' koningin als tegenwicht tegen die 'goede' koningin ; een demonisering van het joodse en het vrouwelijke door latere reactionaire christelijke mythemakers.
NIEUWE DYNASTIEÊN,
NEUWE OORLOGEN.
Door aanhoudende oorlogen met stammen binnen en buiten de grenzen van het christelijke koininkrijk viel de oude Salomonidendynastie. Er ontstond een nieuwe dynastie uit de Agau, van wie het grondgebied door de Ethiopiërs was overwonnen maar die nooit geheel cultureel waren geïntegreerd. Hoewel ze het christendom snel accepteerden, spraken ze hun eigen taal. Uit hen kwam de Zagouédynastie voort, met de bekende koning Lalibela, die regeerde aan het begin van de dertiende eeuw. Lalibela wist heel goed dat hij niet afstamde van koning Salomo, zoals de oude vorsten van Ethiopië, en dus probeerde hij een nieuwe mythe te creëren : de Zagouékoningen zouden afstammen van Mozes. Ondertussen probeerde Lalibela zijn aanspraak op het christelijke koningschap te versterken door een nieuwe hoofdstad te stichten, Roha, in de bergen aan een rivier die hij tot Jordaan herdoopte. Hier gaf de koning opdracht voor een opmerkelijk monument ; een reeks van elf uit steen uitgehouwen kerken. Sommige werden uit rotswanden gehouwen, terwijl andere werden gemaakt door het plateau af te graven en de kerk letterlijk van bovenaf uit te houwen, zodat deze op een groot verdiept plein stond met het dak op gelijke hoogte als de omringende grond. De kerken waren via een ondergrondse doolhof van tunnels en grotten met elkaar verbonden. Deze opmerkelijke kerken bestaan nog steeds en worden vaak het achtste wereldwonder genoemd. Roha zelf heet nu Lalibela, naar de koning die probeerde een nieuw Jeruzalem te stichten in de Afrikaanse hooglanden. Maar de Zagoué kregen onderling ruzie en konden het rijk niet bijeen houden. De koning van de privincie Shewa, Yekoenno Amlak, verklaarde dit gebied onafhankelijk en in 1270 vermoordde hij de Zagouékeizer Yitbarek voor een kerkaltaar en nam zijn kroon over. Gelukkig ontdekte deze nieuwe Shewadynastie dat zij ook afstamden van Salomo en iedereen was tevreden. Er werd een nieuwe en gedetailleerdere versie van de oude legende van Salomo samengesteld, genaamd de Kebra Negast, waarin de geboorte van de legendarische Menelik, zoon van Salomo, wordt beschreven en die zorgde voor versteviging van de macht van de Shewadynastie. Ook wordt hierin beschreven hoe God de ark van het verbond in bewaring gaf aan Menelik, waarmee wordt gesymboliseerd hoe zijn genegenheid voor de Hebreeën overging op de Ethiopiërs. Een belangrijke figuur in het herstel van de lijn van Salomo was Takla Haymanot, de 'boom van het geloof'. Deze gerespecteerde man was vermoedelijk een afstammeling van Sadok, de hogepriester in Jeruzalem die Salomo zelf tot koning had gezalfd. Takla Haymanot was al op vijftienjarige leeftijd tot diadeken benoemd en werd later in feite het hoofd van de Ethiopische kerk. Hij was het die Yekoenno Amlak overhaalde om de macht te grijpen ; zo had de afstammeling van Sadok de afstammeling van Salomo gezalfd.
Lezing uit het boek Isaïas 49,1-6. Psalmen 139(138),1-3.13-14.15. Lezing uit de Handelingen der apostelen 13,22-26. Heilig Evangelie van Jezus Christus volgens Lucas 1,57-66.80.
Lezing uit het boek Isaïas 49,1-6.
Eilanden, luistert naar Mij; Hoort aandachtig, verre volken: Jahweh heeft van mijn geboorte af Mij geroepen, Van de moederschoot af mijn naam genoemd. Hij maakte mijn mond een vlijmend zwaard, Hield Mij in de schaduw van zijn hand verborgen; Hij wette Mij tot een scherpe pijl, En stak Mij weg in zijn koker. Hij sprak tot Mij: Gij zijt mijn Dienaar, Door wien Ik Mij glorie bereid. Zo werd Ik geëerd in de ogen van Jahweh, En mijn God was mijn kracht. Ik zeide: Ik zwoeg tevergeefs, Voor niets en vruchteloos verspil Ik mijn kracht; Mijn aanspraak is echter bij Jahweh, Mijn loon bij mijn God! Maar nu spreekt Jahweh, Die tot zijn Dienaar Mij vormde van de moederschoot af, Om Jakob tot Hem terug te brengen, En Israël voor Hem te verzamelen: Hij spreekt: Het is te gering, mijn Dienaar te zijn, Om Jakobs stammen op te richten en Israëls resten terug te brengen: Ik stel U tot Licht voor de heidenen, Om mijn heil te doen reiken tot de grenzen der aarde!
Psalmen 139(138),1-3.13-14.15.
Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Jahweh, Gij doorschouwt mij volmaakt, Gij zijt het, die mij doorgrondt; Gij kent mijn zitten en staan, En verstaat mijn gedachten van verre. Gij meet mijn lopen en liggen, Zijt met al mijn wegen vertrouwd; Want Gij hebt mijn nieren geschapen, Mij in de schoot van mijn moeder gevormd: Ik dank U voor het ontzaglijk wonder van mijn ontstaan, En voor uw heerlijke werken. Gij hebt ook mijn ziel zorgvuldig gekend, En mijn gebeente bleef voor U niet verborgen, Toen ik in dat geheimvolle oord werd geschapen, Kunstig bewerkt in de diepten der aarde.
Lezing uit de Handelingen der apostelen 13,22-26.
Nadat Hij hem had verworpen, verwekte Hij hun David tot koning, van wien Hij heeft getuigd en gezegd "Ik heb David, den zoon van Jesse, gevonden, een man naar mijn hart, die volbrengen zal al wat Ik wil." Uit zijn zaad heeft God, naar zijn belofte, voor Israël Jesus als Verlosser doen opstaan. Reeds vóór Hij optrad, had Johannes aan het ganse volk van Israël een doopsel van boete gepreekt; en toen zijn levenstaak ten einde liep, heeft Johannes gezegd "Hij, voor wien gij mij houdt, ben ik niet; maar zie, na mij komt er Een, wiens schoeisel ik niet waardig ben te ontbinden". Mannen broeders, zonen uit Abrahams geslacht en de godvrezenden onder u: tot ons is dit woord van verlossing gezonden.
Heilig Evangelie van Jezus Christus volgens Lucas 1,57-66.80.
Zo kwam voor Elisabet de tijd van haar moederschap, en ze baarde een zoon. Haar buren en familie hoorden, dat de Heer haar grote barmhartigheid had betoond, en ze deelden in haar vreugde. Op de achtste dag kwam men het kind besnijden, en men wilde het Zakarias noemen, naar de naam van zijn vader. Maar zijn moeder nam het woord en sprak: Neen, Johannes zal hij heten. Ze zeiden haar: Er is niemand in uw familie, die deze naam heeft. Nu gaven ze zijn vader een teken, hoe hij hem wilde noemen. Hij vroeg een schrijfbordje, en schreef: Zijn naam is Johannes. Allen waren er over verwonderd. Maar op hetzelfde ogenblik ging zijn mond en tong los; hij sprak, en zegende God. Al hun buren werden met ontzag vervuld, en in heel het bergland van Judea werden al deze dingen besproken. Allen, die het hoorden, dachten er over na, en zeiden: Wat zal er toch worden van dat kind? Waarachtig, de hand des Heren was met hem! En de knaap groeide op, en kreeg een krachtige geest. Hij bleef in de woestijn tot de dag, dat hij voor Israël zou optreden.
Bron : Petrus Canisius bijbelvertaling
GEBED OM NAVOLGING VAN MARIA IN DE HOOP.
Hemelse Moeder Maria, Meesteres van mijn ziel,
De lasten op Uw levensweg waren voor U geen hinderpalen doch bemoedigingen. Ook in alle duistere uren van Uw leven op aarde hebben de ogen van Uw ziel niets dan het Licht gevolgd, en hebt U oneindige krachten geput uit de wetenschap dat Gods Liefde op de zielen wacht.
Het vooruitzicht van de eeuwigdurende vrede na het aardse leven spoorde U er onophoudelijk toe aan om steeds nieuwe krachten aan te boren.
Uw verwachting van de overwinning van het goede verhinderde dat Uw strijdkracht ooit zou verminderen.
Opdat het licht van Uw hoop mij moge dragen op elke meter van mijn wegen, smeek ik U :
Stort in mij de kracht van de vertroosting door de volmaakte Liefde van God, die op Zijn tijd voor mij het goede zal bereiden.
Schenk mij het vermogen tot een verbeten en volhardende inzet door de verwachting van Gods schatten in het Rijk der Hemelen.
Versterk mijn geloof in Gods Voorzienigheid, opdat alle twijfel en onzekerheden uit mij verbannen mogen worden.
Sta niet toe dat mijn hart verduisterd wordt door de ontmoediging, die mij ten prooi geeft aan alle bekoringen, de drempel naar alle zonde verlaagt, en mij ertoe aanzet om de strijd voor het goede op te geven.
Beheers mijn hart zo diep en zo totaal, dat de beproevingen van het leven mij er nooit toe aanzetten om mij helemaal uit mijn door God voorziene levensopdracht terug te trekken en te weigeren, mijn dagelijks kruis verder te dragen.
Wil mij genezen van de verwachting dat Gods schatten zich reeds tijdens mijn leven op aarde aan mij zouden openbaren. Leer mij, vreugde en kracht te putten uit de verwachting van de eeuwige gelukzaligheid in het Rijk van de Hemelse Vrede.
Hemelse Meesteres, In U was de grenzeloze hoop als een zon voor Uw Hart in moeilijke uren. Ik smeek U, schenk mij Uw hoop als bron van verwarming wanneer mijn zondigheid mijn ziel en mijn gemoed doet verkillen. AMEN.
GEBED TOT CHRISTUS KONING.
O Jezus, Zoon van God, in de wereld gezonden om de vorst van de duisternis te onttronen, hoe zwak zijn toch de grenzen van Uw Rijk geworden in vele harten.
Tegen welke prijs hebt U Uw Kerk gevestigd als fundament voor Gods Rijk.
Ten koste van hoeveel Bloed hebt U de zielen veroverd, die schildwachten zouden worden tegen de vijand die de poorten van Uw Rijk blijft bestormen.
O Koning van de Liefde, hoe vruchtbaar is toch de bodem van Uw land voor hen die het zaad van Uw eeuwige Wet besproeien met hun verlangen naar het Rijk zonder einde.
Bekleed mij met het purper van Uw koninklijk gewaad, opdat ik een burcht kan optrekken rond Uw onoverwinnelijk Kruis in mijn hart.
Rust mij uit met het zwaard van Uw heiligmakende deugden, opdat ik de horizonten van Uw Rijk kan verleggen.
Maak mij tot een ridder van het Eeuwig Licht, opdat ik het Paleis van Uw Hart kan bewonen.
O Jezus, Koning van het Rijk dat door de poorten der hel niet overweldigd zal worden, kom nu, zegevier en heers voor eeuwig. AMEN.
Lichaam en Bloed van Christus Koning, red mij, laat mij toch deelhebben aan Uw Rijk
( Na Communie, H. Mis 23 november 2003, feest van Christus Koning)
Smeekgebed tot Maria voor de Wereldvrede.
Lieve Moeder Maria, Koningin van de Vrede,
vol vertrouwen in Uw macht smeek ik om Uw Tussenkomst voor de vrijwaring en het herstel van de wereldvrede.
Roep het Kostbaar Bloed van Jezus af over alle zielen, tot uitbanning van elke geest van onvrede en tot verbreking van elke macht die ingaat tegen Gods Heilsplan en die het Eeuwig Licht wil doven.
Stort Uw heilige Tranen uit over alle harten, opdat zij reingewassen worden van elke geest van misleiding, bekoring en onrust en van elke invloed die het Kruis van Christus uit de zielen wil bannen.
Roep de uitstorting van de Heilige Geest af over alle zielen, opdat de geest van ware liefde en eenheid in alle harten moge heersen en alle zielen de Weg van de Waarheid en de Vrede van Christus mogen vinden.
Zend Gods engelen over de wereld tot uitroeiïng van elke geest van haat, jaloersheid en materialisme, en tot bescherming tegen elke handeling die duistere krachten richten tegen zielen, geesten, harten en lichamen.
O Allerheiligste Maagd Maria, Medeverlosseres en Schrik der duivelen, ik draag U alle gebeden, lijden en offers van de hele wereld op, voor de definitieve overwinning van het Kruis van Christus in ALLE harten en de Triomf van Uw Onbevlekt Hart, opdat Gods Rijk van Hemelse Vrede NU over de hele wereld gevestigd moge worden.
3 x "O Maria, Koningin van de Vrede, genees alle zielen van haat en verblinding. Bevrijd onze wereld van alle oorlog".
Dit gebed is op 19 september 2001 (enkele dagen na de ramp aan de WTC-toren te New York) door de Heilige Maagd Maria ingegeven met een dringende oproep tot gebed voor de vrede in de wereld.
Verspreid en bid dit gebed zo veel mogelijk !
Alle onvrede, alle oorlog, alle onenigheid op grote zowel als op kleinere schaal geeft uiting aan de werkzaamheden van het kwaad. God is vrede en liefde. Alles wat daarvan afwijkt, moet met en door liefde bestreden worden. Het is van het grootste belang dat elk mensenhart zich opent voor de ware vrede. Elke mens die onvrede of haat in het hart draagt en vasthoudt aan waarden die hem aan het wereldse vastkluisteren, hindert en vertraagt de vestiging van Gods Rijk op aarde.
23-06-2009
AAN AL MIJN BESTE VRIENDEN.
Voortaan doe ik alles op mijn gemak de Dokter wil het zo voor mijn gezondheid die mij parten speelt, maar ik doe mijn uiterste best voor jullie, en ook voor Onze Heer en Onze Lieve Vrouw, dat is beloofd.
Nelly.
HET ONZE VADER GEZONGEN DOOR P. J. P.
INGESTUURD DOOR EEN GOEDE VRIEND VAN MIJ.
LITURGICAL BRUSSELS.
Mass in Brussels Church of Our Lady of Perpetual Succour.
Een krachtig gebed.
Meditatie
Een krachtig gebed
Een krachtig gebed van de rechtvaardige vermag veel.
(Jacobus 5:16b)
De algemene zendbrief van de apostel Jacobus staat bekend als een brief die vooral ook
de praktijk van het christen-zijn op het oog heeft. Heel sterk legt de schrijver in het
geheel van zijn brief er de nadruk op dat het geloof zonder de werken dood is. Als er
geen vruchten van het nieuwe leven dat door God is gewerkt in ons gezien worden, dan
is het maar de vraag of er dan wel leven in ons te vinden is. Aan de vruchten kennen we
immers de boom? Vandaar dat de schrijver ook wel genoemd wordt Jacobus, de practicus.
En gekomen aan het einde van deze brief, die hij geschreven heeft aan verstrooide Joden
die het Evangelie en de leer van de zaligheid in Christus alleen hebben aangenomen, komt
de apostel nog tot een aantal laatste raadgevingen en vermaningen.
In de verzen die staan voor de tekst die onze aandacht vraagt, heeft de apostel geschreven
over het nut van het met lijdzaamheid betrachten van de ( moeilijke ) dingen in het leven,
door een christen. En dan volgen er in de verzen 13-18 nog een paar laatste
raadgevingen, die allemaal te maken hebben met het gebed. Heel indringend spoort de
apostel de verstrooide Joden, maar ook ons aan om te bidden. Vers 13 begint er al mee: Is
iemand onder u in lijden, dat hij bidde! Is er iemand ziek, dat hij de ouderlingen van de
gemeente laat roepen, en dat zij over hem bidden, hem daarbij zalvend met olie in de
Naam des HEEREN. Het zijn allemaal oproepen van de apostel die de noodzaak van het
gebed willen benadrukken.
Ze lopen uit op de hoofdgedachte van de apostel in dit gedeelte en die te vinden is in
Jacobus 4:16b.
Een krachtig gebed van de rechtvaardige vermag veel. En in het kader
van dit gedeelte moeten we bij een krachtig gebed vooral denken aan de voorbede. De
voorbede die geschiedt in het midden van de gemeente, of bij de zieken en de bedroefden
en beproefden thuis, maar ook de persoonlijke voorbede. We worden immers opgeroepen
om voor elkaar te bidden!
Deze oproep geldt de ambtsdragers. Zij dienen mannen van het gebed te zijn. In de
voorbede voor Gods aangezicht bezig met de zielen die aan hun zorgen zijn
toevertrouwd. Het is echter niet alleen een oproep voor de ambtsdragers, maar de
oproep geldt een ieder die bidden heeft geleerd. Ieder die mag staan in het ambt aller
gelovigen. Wij denken vaak zo gering van de kracht van het gebed. We kunnen daarin ook
zo verflauwen. En is het goed dat we elkaar de vraag stellen: Bidden wij nog? Worstelen
wij nog in de gebeden om de doorwerking van Gods Geest in ons midden. Zijn wij vurig
van Geest? Is het ons gebed dat de Heere vrucht op de prediking zal geven? Bidden wij
voor die broeder of die zuster van wie wij weten dat hij of zij zich in lichamelijke of
geestelijke nood bevindt?
Want de apostel wijst ons op de grote noodzaak, maar bovenal op de grote kracht van het
gebed. Hij schrijft ons dit om ons de energie van het gebed voor ogen te stellen. Want zo
staat het in de grondtekst. Een krachtig gebed kan worden weergegeven als
een gebed,
dat met energie geladen wordt; dat krachtig gemaakt wordt.
Zo'n gebed vermag veel. En die woorden moeten we niet opvatten in de zin van: zo'n gebed
kan veel bereiken, maar niet alles. Nee, zo niet. Dat wil de apostel niet zeggen. Maar in de
tekst ligt op dat vele juist de volle nadruk. Een krachtig gebed vermag
veel. Juist daar waar
gebeden wordt, ontwikkelt zich de grootste kracht in het leven van een mens en daar
gebeuren ook ongedachte en wonderlijke dingen. Een kracht niet in de bidder zelf, maar
die in het gebed door Gods Geest geschonken en ervaren wordt.
En dan haalt Jacobus in de volgende verzen het voorbeeld van Elia aan, die alleen al
door het gebed maandenlang het weer beheerste. Wind en wolken, zon en regen ze
luisterden middellijk gezien, maandenlang naar het bidden van Elia. Zowel in het ontstaan
van de droogte, alsook in het roepen van de regen. Hij bad een gebed, dat het niet zou
regenen, en het regende niet. En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde
bracht haar vrucht voort. Zoveel vermag dus de voorbede van één mens. Van een mens die
van gelijke beweging is als wij.
Grootse dingen zijn er al geschied door het wapen van het gebed. Iemand heeft eens
gezegd: God regeert deze wereld door het gebed van Zijn kinderen. Daar legt de apostel
hier ook de nadruk op: de grote, nooit gedachte daden, die alleen op het gebed geschieden.
Het
gebed van de rechtvaardige.
Deze laatste woorden zeggen, dat een beslissende factor in ons bidden is,
hoe er gebeden
wordt. Want het gebed moet krachtig zijn en dat kan pas bij de 'rechtvaardige'. We
moeten dan niet denken aan een bijzondere klasse van mensen. Een soort categorie van
heiligen of extra vrome mensen, die meer invloed zouden hebben in hun bidden op de
Heere dan gewone mensen. Nee, want van Elia staat, dat hij een mens was van gelijke
bewegingen als wij. Wat bij Elia kon, dat kan dus ook bij ons. Hij was niet perse
bijzonderder dan dat wij zijn. De verhoring van het gebed hangt immers niet aan de
voortreffelijkheid of de vroomheid of heiligheid van de bidder. En daarom is er ook bij
ons een net zo'n krachtig gebed mogelijk, zoals bij Elia, dat gebed dat zorgde voor droogte
en voor regen.
Alleen, de bidder moet wel een rechtvaardige zijn. Dat is: iemand die in de rechte
verhouding tot God staat. Of zoals de Kanttekening zegt: het moet een vroom, gelovig mens
zijn. In ons bidden moet er dus de voorwaarde zijn van geloof. Want als wij tot God gaan,
dan moeten wij geloven dat Hij is, en dat Hij is een Beloner van degenen die Hem
zoeken! Een van de redenen waarom onze gebeden vaak zo krachteloos zijn, is hierin
gelegen dat het zo ontbreekt aan het besef dat God een levende werkelijkheid is en dat
Hij het gebed hoort. En dat het gebed veel vermag. Want het krachtige, het vurige en
aanhoudende, het van energie geladen gebed van een rechtvaardige vermag dus veel.
Dat is dus het gebed van iemand die weet, dat hij door het geloof in Christus, in de
rechte verhouding tot God staat. Van iemand die weet wat het is om aan Gods
genadetroon te verkeren, die in het bidden iets van de kracht van dit bidden voor
zichzelf en anderen ervaren heeft. En zo'n krachtig gebed, aanhoudend en pleitend, dat
moet dus gevonden worden in het leven van alle gelovigen.
Daarom een vraag: Bidt u nog? Hebben wij nog tijden van Godsontmoeting waarin we
persoonlijk tot de HEERE gaan, maar ook met alle noden en zorgen van kerk en wereld,
huwelijk en gezin, van land en volk? Bidden wij aanhoudend om het werk van Gods Geest
onder ons? Want een krachtig gebed van de rechtvaardige vermag veel. En bij hen zal, als
het recht ligt, dit gebed ook gevonden worden. Een gebed, zoals er staat, met kracht, met
energie geladen!
En die kracht die er is in het gebed, die ligt nu niet in de gelovige zelf. Maar in zijn bidden
grijpt de gelovige steeds naar het levende en krachtige Woord van God en naar Zijn
beloften. Het grijpt ten diepste God Zelf en Zijn Kracht aan. De kracht, de energie die er is
in het gebed is dan ook kracht van God. Daarnaar grijpen we, daarop pleiten we. Het is
het gebed waarin de Heere gehouden wordt aan Zijn eigen woord en beloften, waaraan Hij
Zich voor eeuwig heeft verbonden. En zo grijpt de gelovige in zijn bidden, de kracht van
God aan en die kracht van God maakt ons gebed weer krachtig en het stelt het alzo tot de
grootste kracht in de wereld. En in die worsteling wordt ervaren dat zo'n gebed veel
vermag. Want er is geen groter kracht, dan het krachtige gebed van een rechtvaardige.
Nergens elders op deze wereld komt er meer kracht openbaar, dan daar waar een
rechtvaardige zijn knieën buigt en tot zijn God bidt. Zoals ook het aanhoudende bidden van
moeder Monica voor haar zoon Augustinus middellijk de weg tot zijn bekering was.
Daarom laten wij ons allen verootmoedigen voor de HEERE en Hem om Zijn zegen over ons
persoonlijk leven, ons gezin, over kerk en wereld afbidden. Want een krachtig gebed van
een rechtvaardige
vermag veel. En de Heere, Hij doet nog altijd op het gebed grote
wonderen. Ook in onze tijd! Gelooft u dat?
DE GESCHIEDENIS VAN HET CHRISTENDOM.
In ieder geval waren er twee in Dongola en één in Qars el - Wizz. Deze kloosters waren niet groot in vergelijking met de kloosters in Byzantium en Europa in die tijd. Twintig tot vijftig monniken woonden in een aantal gebouwen met daaromheen een muur. Mogelijk boden de kloosters onderdak aan anderen, volgens de Byzantijnse traditie van het gastenverblijf voor reizigers en zieken. Kleine slaapkamers en kapellen voor dit doel zijn in enkele Nubische kloosters ontdekt. De culturele en militaire invloed van Nubië overschreed de grenzen. De patriarch van Alexandrië werd nog steeds beschouwd als de geestelijke leider van alle Nubische christenen en werd beschermd door de Nubische koning. Georgios I, die regeerde van 860 tot 920, was dus niet alleen de koning van Makurië, maar ook de geestelijk protector van alle christenen in Nubië en Egypte. In het zuiden floreerde het Nubische koninkrijk Alwah en diens vorsten hadden nauwe familiebanden met de vorsten van Makurië, hoewel er naast de hoofdstad Soba geen andere steden van enige omvang bekend zijn. Makurië was veel groter, met de hoofdstad Dongola en de op één na grootste stad Faras. Naar het schijnt was het leven helemaal niet slecht in het middeleeuwse Nubië. De mensen waren redelijk gezond en werden behoorlijk oud volgens de normen van die tijd ; we weten dat Petros, bisschop van Faras, zelfs 93 werd. Misschien veroorzaakten ze het grootste gezondheidsprobleem wel zelf. Net als de Ethiopiërs behielden de Nubiërs veel eigenschappen van het jodendom in hun christendom, waaronder besnijdenis, ook voor vrouwen. Maar ook de wijn vloeide rijkelijk in Dongola, waar veel tavernes waren die qua bouw vaak beter waren dan de huizen en waar de mensen naar hartelust zongen. De geheelonthoudende moslims zijn de bron van deze informatie, dus wellicht hebben ze de uitbundigheid van hun drinkende buren wat overdreven. Het bleef echter niet goed gaan. in de late middeleeuwen kregen de Egyptenaren de overhand en Makurië verloor terrein. De soennitische Ajjoebidendynastie die in de twaalfde eeuw de macht greep in Egypte, toonde weinig belangstelling voor de historische baqt. Scheepsladingen graan kwamen niet meer aan. In 1272 voerde David, koning van Makurië, een ongelooflijk onverstandige aanval uit op de stad Aidhab aan de Rode Zee. Een Egyptische tegenaanval was onvermijdelijk en veroorzaakte een economische en politieke vrije val. Makurië overleefde ternauwernood als een politieke entiteit, maar vanaf 1316 was het officieel islamitisch. In de loop van die eeuw werd Egypte getroffen door plagen, waarbij enorme aantallen mensen omkwamen. Ook Nubië werd niet gespaard. De doodstrijd van het koninkrijk duurde twee eeuwen, waarin het politieke gezag over het platteland bezweek en de kerkelijke organisatie instortte. De infrastructuur van het land raakte in verval en de mensen veranderden hun stedelijke, op landbouw gebaseerde manier van leven in een nomadenbestaan op het platteland. Hoewel de kerk mahtig was geweest en nauw verbonden met de staat, lijkt het erop dat deze onvodoende was geworteld in de mensen. Het was een stedelijke, hoofse religie gebleven die niet was doorgedrongen tot het platteland. De genadeklap voor het Nubische christendom kwam in de zestiende eeuw, toen de Funj, die in het zuiden leefden, zich tot de islam bekeerden en binnenvielen. Alwah viel, gevolgd door wat nog restte van Makurië. Tegelijkertijd veroverden de Osmanen Egypte en rukten zij op naar het zuiden. Gevangenen tussen deze islamitische legermachten, verdwenen de laatste restanten van het Nubische christendom en de Nubische politieke onafhankelijkheid.
ETHIOPIË IN HET ISLAMITISCHE TIJDPERK.
De Ethiopiërs vochten vele jaren tegen de moslims, vooral op de Rode Zee. In eerste instantie wonnen ze. Ethiopische zeerovers plunderden de Arabische kustlijn en sommige moslims vreesden zelfs dat de christenen Mekka zouden innemen. Maar aan het begin van de achtste eeuw hadden de moslims de macht weer in handen. Ze verdreven de christelijke schepen uit de Rode Zee en Ethiopische kustplaatsen werden ingenomen of verwoest. De volken ten oosten en ten zuiden van Ethiopië werden allemaal bekeerd tot de islam, maar gelukkig voor de Ethiopiërs waren zij onderling zeer verdeeld. De belangrijkste hiervan waren Ifat, in de heuvels tussen Ethiopië en de Rode Zee, en het meer oostelijke Adal. De Ethiopiërs verlieten hun oude hoofdstad Aksoem met de haven Adulis, en trokken naar het uitgestrekte bergachtige plateau. hun kloosters dienden als fort en toevluchtsoord en daar werden de kostbaarste voorwerpen van de Ethiopische beschaving verborgen.