Foto
TOESPRAAK VAN PATER PETAR
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7
  • Deel 8
  • Deel 9
  • Foto
    Foto
    Het  logo  van  het  Bisdom  Gent  van  MG.  Van  Looy
     
    Origen
    Quantcast
    Met hulp en medewerking van John Pont is dit blog gemaakt
    HOUD UW LAMPEN BRANDEND.
         Image and video hosting by TinyPic
    For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
     2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt
    Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois
    Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Gastenboek

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Wonder

    05-05-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gebed tot Maria om Genezing van Gevoelens van Minderwaardigheid
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Lieve Moeder Maria, Troosteres van de Bedroefden,

    God heeft mijn ziel gemaakt opdat zij Hem en Zijn Liefde zou vertegenwoordigen naar haar hele leefwereld toe.

    Met Zijn zaad heeft hij mijn ziel voorzien, opdat zij door haar werken een tuin van lofprijzing zou worden, die vreugde om zich heen zou verspreiden door het parfum van haar bloemen van deugd.

    O leer mij toch geloven in de waarde van de Hemelse schatten, die ook ik in mij draag.

    Is Jezus niet voor mij gestorven omdat de schoonheid van mijn diepste wezen Hem in verrukking bracht?

    O Moeder, wil mij genezen van alle herinneringen die mijn zelfvertrouwen hebben verwond. Wil mij bevrijden uit de wurggreep van de trauma’s uit mijn verleden.

    Moge het vuur van Uw brandende Liefde de klank van alle woorden en het beeld van alle daden uit mij wegwissen, waarmee mijn medemens mij ooit heeft ontwaardigd of het vertrouwen in mijn eigen vermogens heeft verwoest of verlamd.

    O Hemelse Moeder, wil mij er diep in mijn hart aan herinneren dat ik een kind van God ben, bloeiend uit Zijn zaad als een bloem die bestemd is, op Zijn tijd te worden geplukt voor de Hemelse Tuinen.

    Zuiver mijn geest en mijn hart, opdat ik opnieuw in de bloeikracht van de kiemen van het Goddelijk Leven kan geloven, die mijn Schepper ook in mij heeft gezaaid.

    Hebt U niet aanvaard, mijn Moeder te zijn, omdat U in mij het beeld van Uw Goddelijke Zoon terugvond?

    O Toevlucht in al mijn nood, besproei nu mijn zieletuin met de onuitputtelijke kracht van het vertrouwen in mijn Goddelijke oorsprong, opdat ik al mijn remmingen moge afwerpen, en ik kracht moge vinden in de zekerheid van Uw vertrouwen in mij.

    Korte belijdenis jegens Maria (tot stimulering van vertrouwen in zichzelf)

    “Ik ben een kind van de Allerheiligste Moeder van Jezus. Zij leeft en heerst in mij. Ik word totaal veranderd in Hemels Licht. Uit liefde tot Maria wil ik dit Licht vruchtbaar maken, zowel in mij als om mij heen.

    Ik ben een uniek zaadje in een unieke grond. Ik geloof in mijn innerlijke bloeikracht, want ik wil voor God een zo mooi mogelijke bloem worden”
    AMEN.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gebed tot Maria, de Hemelse Tuinierster
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Lieve Moeder Maria, Koningin van het Hemels Paradijs,

    God heeft mijn ziel geschapen als een grondstuk in Zijn Rijk.

    Hoezeer toch poogt het gif van de wereld mijn bodem te verzieken.

    Tot U smeek ik om de dauw van de Heilige Geest, die mijn vruchtbaarheid kan herstellen.

    Hoezeer toch dorst het zaad in mijn ziel naar de zon van de Wijsheid. Hoezeer dorst het naar de malse regen der genade.

    U die de macht hebt gekregen om mijn grond te bewerken en zijn zaad tot rijping te brengen, wil mijn grond bevrijden van de stenen van onverwerkte herinneringen, opdat ik kan worden tot de tuin waarmee ik mijn Schepper wil verheugen en vrucht kan brengen voor Zijn Werken.

    Breng toch in mij alles tot bloei wat God aan gaven in mij heeft gezaaid.

    Bevrucht mij met Uw heiligheid, opdat in mij geen onkruid meer zou bloeien, doch bloemen van deugd en innerlijke vrede.

    Begeleid en stuur alle innerlijke processen van mijn ziel, opdat ik zoals een bloem parfum van Hemelse weldaden om mij heen moge verspreiden, en ik Hemels zaad moge uitstrooien op al mijn wegen.
    AMEN.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1108. Toewijding van een verkeerde Beslissing in het Verleden
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Maria, mijn Hemelse Moeder en Meesteres van alle zielen,

    Doordat ik de tekenen van Gods Licht niet meer zag, heb ik op één van de kruispunten op mijn levensweg een fout gemaakt (vermeld hier eventueel welke fout U wil toewijden).

    Ik geef U nu nog het uur waarin ik deze beslissing heb genomen, die zowel mij als U zoveel leed heeft berokkend.

    Wil dat uur bestralen met het Licht van Gods Barmhartigheid, opdat elk spoor van duistere invloeden uit dat uur verwijderd moge worden.

    Wil met mij nogmaals in de geest de weg gaan van de tijd die sedertdien is verstreken, opdat U alle stenen op deze weg door bloemen kunt vervangen.

    Wil mijn geest zuiveren van alle sporen van deze pijnlijke herinnering, en mijn hart zuiveren van alle negatieve gevoelens die deze ervaring in mij heeft nagelaten en nog steeds opwekt.

    Wil ook de gevolgen van deze fout opnemen in de omvormende macht van Uw Liefde, opdat zij mij niet langer van het heil mogen verwijderen.

    Wees voortaan de ware Meesteres van mijn geest, hart, wil en lichaam, opdat ik slechts zou doen wat U van mij verlangt, tot mijn zuivering en genezing.
    AMEN.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.. Smeekgebed tot Maria om Bevruchting van Beproevingen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Lieve Moeder Maria, Moeder der Hemelse Vruchtbaarheid,

    Door U dank ik Gods Voorzienigheid voor het geschenk van de beproevingen, die ik in mijn leven heb gedragen en nog draag.

    Laat mijn hart volkomen één worden met het Uwe, opdat ik het leven door Uw ogen kan leren beschouwen, en ik daarin de vrede moge vinden die ik nodig heb om deze genaden waardig te zijn en hen volkomen vruchtbaar te maken.

    Maria, mijn Hemelse Moeder en Meesteres, voortaan leef ik voor U. Wil in mij leven, opdat ik mijn kracht moge putten uit de bron van Uw Hart.

    Wil de Bron der volmaakte Liefde, die God voor eeuwig in Uw Hart heeft ontsloten, voortaan ook in mijn hart laten ontspringen, opdat al mijn ervaringen en mijn innerlijke gesteldheden bevloeid worden door het water van Goddelijk Leven.

    Door Uw kracht in mij, zal ik elke dag begroeten met de vrede die alle duisternis overwint. Wees in mij de Morgenster van de Hemelse hoop, want in het licht uit Uw Hart zullen de nevelen van mijn gemoed worden tot dauw die mijn verwonde ziel tot nieuw leven wekt.
    AMEN.


    04-05-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN ALLE LEZERS.
    ma 04 mei 2009, 11:30 | 55 reacties

    'Bezeten vrouw' sterft aan exorcisme

    Wellington -  Een ritueel van exorcisme kostte een jonge moeder het leven. Familieleden van de vrouw waren betrokken bij de duivelbezwering. Ze voerden het slachtoffer tientallen liters water...

    Terwijl veertig verwanten toekeken, verdronk Janet Moses (22). Zes vrouwen en drie mannen deden de vrouw stikken, vermoedde het Openbaar Ministerie (OM). Ze startten een zaak tegen de Nieuw-Zeelandse familie. Allen pleitten onschuldig voor de rechtbank in de hoofdstad Wellington.

    Boze geesten

    Maandagmiddag ging de zaak tegen de negen verdachten van start. Volgens het OM stierf Moses in het huis van haar grootouders. Famieleden geloofden dat boze geesten beslag legden op haar ziel. Het laatste redmiddel was een levensgevaarlijke vorm van duivelbezwering: waterzuivering.

    Hand tot hand

    Het ritueel duurde drie dagen. De betrokkenen gaven water van 'hand tot hand' en goten dat steeds in de keel van Janet. Haar lichaam kon de tientallen liters vocht niet aan. Ze stierf.

    Het proces tegen de familie neemt waarschijnlijk zes weken in beslag. FILMPJE!


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.JOAN OF ARC. DEEL 1 ).
     

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MOZES OVER DE TIEN PLAGEN.
     

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE CHRISTUSREIS NAAR DE EEUWIGHEID. ( LAATSTE DEEL ).
     

    Gevangen in het net.

    Zo gingen zij voort en ONKUNDE volgde hen. Eindelijk kwamen zij aan een plaats, waar een pad naast hun weg lag, het scheen even recht te wezen als de weg, die zij gaan zouden. Hier wisten zij niet, welke te kiezen, want beiden schenen hun zeer recht toe; daarom stonden zij even stil om te overleggen wat zij doen zouden; en terwijl zij dergelijke overleggingen hadden over de weg, kwam daar een mens met een morenhuid, doch hij had zich bedekt met een zeer licht gewaad en vroeg hun, waarom zij daar zo stonden. Zij antwoordden, dat zij naar de Hemelse Stad gingen en niet wisten, welke weg zij daartoe hadden in te slaan.

    "Volgt mij," antwoordde hij, "het is de weg, die ik nu insla."

    Zij volgden hem dan op de weg, die naast de rechte lag en raakten langzamerhand steeds verder van de stad af, waar zij heen wilden, zodat zij die binnen korte tijd uit het gezicht verloren; toch bleven zij hem volgen. Maar weldra, eer zij het gewaar waren geworden, bevonden zij zich in een net, waarin zij beiden zo verstrikt waren, dat zij niet wisten, wat te doen; juist toen viel het witte kleed van de rug van de zwarte man af en zagen zij, waar zij waren. Daar lagen zij geruime tijd te jammeren; want zij konden er zichzelf niet uit redden.

    "Ach!" zei CHRISTEN tot zijn metgezel, "nu zie ik, hoe ik verdwaald ben. Hebben de herders ons niet bevolen, ons te hoeden voor de verleiders? Nu ondervinden wij wat de wijze man heeft gezegd: Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net voor zijn gangen" (Spr.29:5).

    "Zij gaven ons ook inlichtingen over de weg," voegde HOPENDE daarbij, "opdat wij die des te beter zouden vinden; maar wij hebben vergeten die te lezen en hebben ons niet gehoed voor de paden van de Verderver. Hierin was David veel wijzer dan wij, want hij zegt: 'Aangaande de handelingen der mensen, ik heb mij, naar het woord uwer lippen, gewacht voor de paden der inbrekers' (Ps.17: 4). Aldus lagen zij zichzelf te bewenen in het net. Ten laatste bemerkten zij, dat hun een Blinkende verscheen, die naar hen toetrad met een gesel van kleine snoertjes in de hand. Op de plaats gekomen waar zij lagen, vroeg hij, waar zij vandaan kwamen en wat zij daar deden. Zij antwoordden, dat zij arme reizigers waren die naar de berg Sion gingen; maar dat zij van de weg gevoerd waren door een zwart mens, die zich in het wit gekleed en tot hen gezegd had: "Volgt mij maar, want daar ga ik heen". Toen zei hij, die de gesel in zijn hand had: "Dat was een verleider (Dan.11:32), een valse Apostel, die zich veranderd heeft in een Engel des Lichts" (2 Cor.11:13,14). En meteen scheurde hij het net en liet hen er uit en zei: "Volg mij nu, opdat ik u weer op de rechte weg help." Zo leidde hij ze weer op de weg, die zij verlaten hadden om de bedrieger te volgen. Hij vroeg hun waar ze de laatste nacht geslapen hadden. Zij antwoordden: "Bij de herders op de LIEFLIJKE BERGEN." Hij vroeg verder, of zij van de herders geen inlichtingen en onderwijs ontvangen hadden aangaande de weg, en toen zij daarop met "ja" antwoordden, vroeg hij hun, of zij niet, toen zij stil stonden, eens onder hun mantel getast hadden om het bericht, dat zij ontvangen hadden, eens over te lezen. Zij antwoordden: "Neen." En toen hun gevraagd werd: "Waarom niet?" zeiden zij, dat zij dit vergeten hadden. Voorts vroeg hij, of de herders hun niet geboden hadden zich voor de Verleiders te wachten. "Ja," antwoordden zij, "maar wij konden niet denken, dat deze vleiende en schoon sprekende mens er een was."

    Toen beval hij hun, dat zij zich zouden laten tuchtigen (Deut.21:2); en kastijdde hen scherp, om hun alzo de rechte weg te leren (2 Kron.6:26), opdat zij daar zouden wandelen. En terwijl hij hen tuchtigde, zei hij: "Degene die ik liefheb, bestraf en kastijd ik, weest dan ijverig en bekeert u (Openb.3:19)." Daarna beval hij hun huns weegs te gaan en goede zorg te dragen omtrent de andere raadgevingen, die zij van de herders ontvangen hadden. Zij bedankten hem voor zijn weldadigheden en liepen rustig voort op de goede weg, intussen aldus zingende:

    Ziet hier gij, die langs SIONS wegen

    Wilt wand'len, hoe 't de reiziger gaat,

    Die 't klaar bericht en goede raad,

    Van 's Heeren lippen, niet ter degen,

    Te volgen plegen.

    Ziet hoe hun voet in 't net blijft hangen,

    En zij verschrikt, verstrikt, verward,

    Gevoelen wat al strijd en smart,

    Van binnen en van buiten prangen,

    's Afwijkers gangen.

    't Is waar, zij zullen niet verdwalen,

    Zij komen weêr op 't rechte pad,

    Maar moeten echter voelen, dat

    Van 't zwerven niet en is te halen,

    Dan druk en kwalen.

    (Wijze Ps.5)

    Atheïst lacht hen uit.

    Een ogenblik daarna zagen zij van verre iemand langzaam aankomen, die geheel alleen de hoofdweg langs, recht op hen aan wandelde. Toen CHRISTEN hem zag, zei hij tot zijn metgezel: "Ginds zie ik iemand met zijn rug naar SION gekeerd; hij komt op ons toe!"

    HOPENDE voegde er bij: "Laten wij er nu maar voor zorgen, dat ons deze ook niet verleidt." Intussen kwam hij al nader en nader; ten laatste waren zij bij elkaar; het was ATHEIST. Hij vroeg hun, waar zij heen wilden. CHRISTEN zei: "Wij gaan naar de berg SION." Toen begon ATHEIST luid te lachen.

    "Waarom lacht u?" vroeg CHRISTEN.

    "Ik lach," antwoordde hij, "omdat u zulke onnozele mensen bent, en omdat u zo'n verdrietige reis aanvaardt, waarop u niets anders hebben zult dan moeite."

    CHRISTEN vroeg verder: "Hoe, waarom man? Meent u, dat wij niet ontvangen zullen worden?"

    ATHEïST zei: "Wat ontvangen! Zo'n plaats bestaat niet, als waarvan u droomt, neen, in de hele wereld niet."

    "Dat is juist," voegde CHRISTEN hierbij, "maar zij is in de toekomende wereld."

    ATHEïST ging voort: "Toen ik thuis en in mijn eigen land was, hoorde ik ook praten over wat u nu zegt: en op dat zeggen begaf ik mij op reis, om het eens te zien; ik heb naar deze stad gezocht (Pred.10:15), wel twintig jaren lang, maar heb er nog niet meer van gezien, dan toen ik mij pas op reis begaf."

    Maar CHRISTEN antwoordde: "Wij hebben het beiden gehoord en geloofd, dat er zo'n plaats te vinden is."

    ATHEïST. "Had ik het ook niet geloofd, toen ik nog thuis was, ik was er niet naar gaan zoeken. Maar omdat ik een dergelijke stad niet vind (zeker had ik ze gevonden, indien zij er was, want ik ben al verder geweest dan u), ga ik terug en zal mij trachten te verlustigen in de dingen, die ik verworpen heb door de hoop op wat, naar ik nu zie, niet bestaat."

    CHRISTEN keerde zich hierop tot zijn reisgenoot HOPENDE en zei: "Is het ook waar, wat die man daar zegt?" Maar deze zei: "Zie toe, dat dit niet mede een van de verleiders is. Denk eens, wat het ons al gekost heeft, dat wij naar zo'n gast luisterden. Wat? Geen berg SION? Hebben wij niet vanaf de LIEFELIJKE BERGEN de Poort des Hemels gezien? Moeten wij dan nu niet meer door geloof wandelen? (2 Cor.5:7). Laten we maar voortgaan, opdat de man met de gesel niet weer bij ons komt. U moest mij liever de les voorgehouden hebben, die ik nu in uw oren zal knopen: Laat af mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap (Spr.19:27). Ik zeg: laat ons daarnaar niet horen, maar laat ons geloven tot behoudenis van onze ziel (Hebr.10:39)."

    "Wel broeder!" zei CHRISTEN, "ik stelde u deze vraag niet, omdat ik voor mij zelf twijfelde aangaande de waarheden van ons geloof; maar wilde u eens beproeven en de vruchten van de oprechtheid van uw hart te voorschijn brengen. Wat deze man betreft, ik weet, dat hij verblind is door de god van deze wereld (1 Joh.2:11)."

    "Laten wij maar voortgaan, wetende dat wij de waarheid geloofd hebben en daarin is geen leugen. Nu verblijd ik mij in de hoop op de heerlijkheid Gods," zei HOPENDE.

    En zo keerden zij zich van die man af, die hen lachend nakeek en ook zijns weegs ging.

    De Betoverde Grond.

    Ik zag ook in mijn droom, dat zij eindelijk kwamen aan een zekere plaats, waar het de lucht van nature eigen is, degene die er als vreemdeling komt, vadsig en slaperig te maken. Hier werd HOPENDE zeer loom; zijn ogen werden zwaar van de slaap en daarom zei hij tot CHRISTEN: "Ik begin zo slaperig te worden, dat ik mijn ogen nauwelijks meer open kan houden. Laten wij hier wat gaan liggen en een ogenblik sluimeren."

    CHRISTEN. Geenszins, opdat wij niet zo slapen, dat wij nooit weer opstaan."

    HOPENDE. "Waarom, mijn broeder? De slaap is de arbeider zoet: wij mochten er door verkwikt worden, indien wij een ogenblik sluimerden."

    CHRISTEN. "Bedenkt u dan niet, hoe een van de herders ons beval, ons te wachten voor de BETOVERDE GROND? Hij bedoelde daarmee dat we zouden oppassen om niet in te slapen. Daarom: Laat ons niet slapen gelijk de anderen; maar laat ons waken en nuchteren zijn (1 Thess.5:6)."

    HOPENDE. "Ik verklaar mij schuldig; was ik hier alleen geweest, ik was door de slaap in gevaar des doods gekomen. Ik zie dat het waar is, wat de wijze man zegt: Twee zijn beter dan één (Pred.4:9), tot hiertoe is uw gezelschap mij een weldaad geweest en u zult loon hebben voor uw arbeid."

    CHRISTEN. "Kom dan, opdat wij hier de slaperigheid voorkomen; laat ons een stichtelijk gesprek beginnen."

    HOPENDE. "Dat wil ik van ganser harte."

    CHRISTEN. "Waar zullen wij mee beginnen?"

    HOPENDE. "Waarmee God met ons begon. Maar begint u eerst, als het u belieft."

    CHRISTEN. "Ik zal u eerst dit lied eens voorzingen."

    Wanneer der Heil'gen ogen

    Met slaapzucht zijn betogen,

    Best is 't in zo een staat,

    Te komen bij de ander,

    Opdat men met elkander

    Dan pleeg' een vriendenraad.

    De broederschap der Heil'gen

    Kan grotelijks beveil'gen

    Voor doffe dodigheid.

    't Opwekken, 't sticht'lijk spreken,

    Kan slaap en sluimer breken,

    En werken wakkerheid.

    Ach! konden Sions zonen

    Zich hier getrouw in tonen,

    Hoe haast vernam men niet,

    De kerk opnieuw in leven,

    De helse macht in beven,

    Van spijt en van verdriet."

    (Wijze Ps.6)

    De geschiedenis van Hopende.

    CHRISTEN. "Nu moet ik u eens deze vraag voorstellen: Hoe kwam u eerst op de gedachte, zo te doen, als u nu doet?"

    HOPENDE. "Bedoelt u, hoe ik er toe kwam, het goede voor mijn ziel te zoeken?"

    CHRISTEN. "Ja, dat bedoelde ik."

    HOPENDE. "Ik hield mij een lange tijd op met het vermaak in de dingen, die men ziet en die op onze kermis te koop waren, dingen, die mij, naar ik geloof, indien ik er in was voortgegaan, zouden gedompeld hebben in een eeuwig verderf en ondergang."

    CHRISTEN. "Wat waren dit toch voor dingen?"

    HOPENDE. "Al de schatten en rijkdommen van de wereld. Ik had ook veel vermaak in overdaad en gulzigheid, dronkenschap, zweren, liegen, onreinheid, sabbatsschending en wat niet al, dat maar diende om de ziel te verderven. Maar ten laatste bemerkte ik, door het horen en overleggen van die goddelijke zaken, zowel van u, als van die lieve broeder GETROUWE (die om zijn geloof en heilige wandel gedood is op de IJDELHEIDSKERMIS), dat het einde van deze dingen de dood is (Rom.6:21,22,23), en dat om deze dingen de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid (Ef.5:6)."

    CHRISTEN. "En kwam u spoedig onder de kracht van deze overtuiging?"

    HOPENDE. Neen, ik was in het begin zo vlug niet, om het kwaad, dat er in de zonde steekt en de vloek, die er op volgt, te kennen; maar trachtte, toen mijn gemoed begon te bewegen en in beroering begon te komen voor het Woord, mijn ogen voor het licht daarvan te sluiten."

    CHRISTEN. "Om welke redenen gedroeg u zich zo omtrent de eerste werkingen van Gods goede Geest in u?"

    HOPENDE. "De oorzaken waren deze:

    1e. Ik wist niet, dat dit het werk Gods was over mij. Ik had nooit gedacht, dat God, door overtuiging van zonden, het werk van de bekering in een zondaar begint.

    2e. De zonde was nog zo zoet voor mijn vlees, ik was ongenegen om ze te verlaten.

    3e. Ik wist niet, hoe ik mijn oud gezelschap zou kunnen missen, de tegenwoordigheid en het bedrijf van mijn vrienden waren mij zo beminnelijk.

    4e. De ogenblikken, waarin deze overtuigingen in mij waren, waren mij zo lastig; het waren mij zulke hartontstellende uren, dat ik zelfs de herinnering daaraan in mijn gemoed niet kon verdragen."

    CHRISTEN. "Het schijnt mij toe, dat er soms enige tussenpozen waren in de roerselen van uw ziel."

    HOPENDE. "Ja zeker; maar het werkte mij dan andermaal op het gemoed; en dan was het al even erg als tevoren, ja nog veel erger."

    CHRISTEN. "Maar wat bracht u dan uw zonden weer te binnen?"

    HOPENDE. "Verscheidene dingen, zoals:

    1e. wanneer ik ook maar een vroom mens op straat ontmoette;

    2e. als ik iemand in de Bijbel hoorde lezen;

    3e als ik maar even hoofdpijn had;

    4e. als mij gezegd werd, dat er enigen van mijn buren ziek waren geworden;

    5e. als ik de klok hoorde luiden over enigen, die gestorven waren;

    6e. als ik dacht aan mijn eigen dood;

    7e. wanneer ik hoorde van het plotseling sterven van anderen; en

    8e. bijzonder als ik van mij zelf dacht, dat ik weldra voor het oordeel moest komen."

    CHRISTEN. "Wel, kon u dan soms met gemak de schuld en het gewicht van de zonden van u afschuiven, wanneer die zo door enige van deze wegen op u afkwamen?

    HOPENDE. "Neen; want zij hechtten zich te vaster op mijn geweten. En wanneer ik er dan maar aan dacht, tot mijn zonden terug te keren (hoewel mijn gemoed er nu tegen gekant was), was het mij een dubbele kwelling."

    CHRISTEN. "Wat probeerde u er tegen te doen?"

    HOPENDE. "Ik dacht, dat ik moest trachten mijn leven te verbeteren, of ik zou zeker verdoemd worden."

    CHRISTEN. "Maar deed u uw best, om dat te weeg te brengen?"

    HOPENDE. "Ja, en ik schuwde niet alleen mijn zonden, maar ook mijn zondig gezelschap; en begaf mij tot godsdienstige plichten als bidden, lezen, schreien over de zonden, over de waarheid te spreken tot mijn naaste en zodanige dingen meer, te veel om op te noemen."

    CHRISTEN. "En meende u toen, dat het al wel met u was?"

    HOPENDE. "Ja, dat was voor een tijd; maar eindelijk kwamen al mijn ontroeringen weer op mij aanvallen, en dat ondanks al mijn hervormingen."

    CHRISTEN. "Hoe kwam dat zo; u was nu toch gereformeerd?"

    HOPENDE. "Daar waren verscheidene zaken, die dit in mij teweeg brachten, in het bijzonder de volgende uitdrukkingen: Al onze ongerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed (Jes.64:6); door de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden (Gal.2:16); wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen (Luc.17:10), en zulke plaatsen meer. Waarover ik dan zei tot mij zelf: Indien al mijn gerechtigheden een wegwerpelijk kleed zijn, indien door de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd wordt en indien wij nog onnutte dienstknechten zijn wanneer wij alles gedaan hebben, wat wij schuldig zijn, dan is het immers dwaasheid, dat ik mij van de Hemel iets inbeeld door de wet. Verder dacht ik ook: als iemand in een winkel honderd gulden schuld maakt en daarna alles wat hij koopt, gaat betalen, zo mag nochtans de winkelier hem vervolgen en in de gevangenis werpen om de oude schuld, waarvoor hij nog in het boek staat, totdat hij die ook betaald heeft."

    …CHRISTEN. "Hoe paste u dit nu op u zelf toe?"

    HOPENDE. "Hoe? Kijk, ik dacht zo bij mij zelf: Ik heb door mijn zonden grote schuld in Gods boek gemaakt en wat ik nu reformeer, kan niets afdoen aan die kerfstok; daarom moet ik onder al deze verbetering altijd denken: hoe zal ik nu verlost worden van de verdoemenis, waarin ik mij zelf gebracht heb door mijn vorige overtredingen?"

    CHRISTEN. "Een goede toepassing. Ik bid u, ga verder."

    HOPENDE. "Daar was nog iets anders, dat mij verontrustte, zelfs na mijn verbetering; namelijk dit, wanneer ik nauwkeurig toezag, vond ik zelfs in de allerbeste werken, die ik betrachtte, zonden, nieuwe zonden die zich vermengden met het allerbeste van mijn doen; zodat ik nu genoodzaakt was te besluiten, dat, niettegenstaande mijn voorgaande bedrieglijke mening, zowel omtrent mijzelf als omtrent mijn plichten, ik in één plicht zonden genoeg bedreven had om mij weg te zenden naar de hel, al was mijn voorgaand leven onbevlekt geweest."

    CHRISTEN. "Wat deed u toen?"

    HOPENDE. "Ik wist zelf niet, wat ik doen zou, tot ik ten laatste mijn gemoed opende voor GETROUWE; want hij en ik kenden elkaar van nabij. En deze zei mij dat, tenzij ik voor mij verkreeg de gerechtigheid van zulk een Mens, die nooit gezondigd had (1 Tim.2:5), dat dan noch mijn gerechtigheid, noch de gerechtigheid van de hele wereld mij zou kunnen behouden."

    CHRISTEN. "Dacht u wel, dat hij de waarheid sprak?"

    HOPENDE. "Had hij mij dat gezegd, toen ik zo vrolijk en vergenoegd was met mijn eigen reformatie, ik had hem voor al zijn moeite een dwaas genoemd. Maar nadat ik mijn eigen zwakheden en zonden, die mijn beste verplichtingen aankleven, heb leren zien, ben ik genoodzaakt te denken als hij."

    CHRISTEN. "Maar kon u wel denken, toen hij u dit eerst zei, dat er iemand gevonden kon worden, van wie men met recht zeggen kon, dat hij nooit zonden gedaan had?"

    HOPENDE. "Ik moet zeggen, het klonk mij eerst zeer vreemd in de oren; maar nadat ik wat meer met hem verkeerd en gesproken had, was ik daarvan volkomen overtuigd."

    CHRISTEN. "Vroeg u hem niet, wie die persoon was en hoe u door hem gerechtvaardigd moest worden?"

    HOPENDE. "Ja, en hij zei mij, dat het de Heere Jezus was, die daar aan de rechterhand van de Allerhoogste is (1 Tim.2:5). 'En aldus,' zei hij, 'moet u door Hem gerechtvaardigd worden: namelijk door te vertrouwen op Hem; in hetgeen Hij zelf gedaan en geleden heeft (Hebr.10:22,23), in de dagen van Zijn vlees, wanneer Hij aan het kruis hing (Rom.4:24,25).' Ik vroeg hem verder, hoe de gerechtigheid van die Man van kracht kon zijn, om een ander voor God te rechtvaardigen; en hij zei mij, dat Hij de almachtige God (Col.1:14,15; 1 Petr.1:19) was; en dat hetgeen Hij gedaan heeft en de dood, die Hij stierf, niet voor Hem zelf, maar voor mij was, aan wie alles, ook Zijn waardigheid, toegerekend zou worden, als ik in Hem geloofde."

    CHRISTEN. "En wat deed u toen?"

    HOPENDE. "Ik maakte mijzelf tegenwerpingen tegen mijn geloof, in de mening, dat Hij niet gewillig was, mij zalig te maken."

    CHRISTEN. "Wat zei GETROUWE daarvan?"

    HOPENDE. "Hij beval mij, naar Hem te gaan om het eens te proberen; maar ik zei, dat dit vermetelheid was. Hij antwoordde: 'Neen, want u bent genodigd om te komen (Matth.11:28).' En hij gaf mij een boek van Jezus' nodiging, om mij daardoor aan te moedigen te vrijmoediger tot Hem te komen; van welk boek hij mij ook verzekerde, dat iedere tittel en jota vaster was dan de hemel en aarde (Matth.24:35). Toen vroeg ik hem, wat ik doen moest als ik kwam; en hij zei mij, dat ik met geheel mijn hart en ziel (Jer.29:12,13) de Vader op mijn knieën moest bidden (Ps.95:6; Dan.6:11), dat Hij Zijn Zoon aan mij wilde openbaren. Ik vroeg verder, hoe ik Hem mijn verzoek moest voordragen; en hij zei: 'Ga heen, en u zult Hem op Zijn Genadetroon (Exod.25:22;Hebr.4:16) vinden zitten, waar Hij het hele jaar door wacht, om vergeving en kwijtschelding te geven aan allen, die tot Hem komen.' Ik zei bovendien nog, dat ik niet wist, wat ik moest zeggen, wanneer ik al kwam. Maar hij beval mij te spreken als volgt: 'O God, wees mij zondaar genadig en doe mij kennen en geloven in Jezus Christus; want ik zie, dat ik buiten Zijn gerechtigheid ten enenmale verloren ben. Heere, ik heb gehoord, dat U een barmhartig God bent, en dat U Uw Zoon Jezus Christus verordineerd hebt tot een Zaligmaker van de wereld en daarenboven gewillig bent, Hem te geven aan zulke arme zondaren, als ik ben (en ik ben waarlijk een groot zondaar). Heere, neem deze gelegenheid waar en verheerlijk Uw genade in het zalig maken van mijn ziel, door Jezus Christus Uw Zoon, Amen."

    CHRISTEN. "Deed u wel, zoals u geboden was?"

    HOPENDE. "Ja toch, vele malen, ja gedurig."

    CHRISTEN. "Maar openbaarde de Vader ook Zijn Zoon aan u?"

    HOPENDE. "Niet terstond, ook niet ten tweede, noch ten derde, vierde, vijfde,

    ja ook niet ten zesde male."

    CHRISTEN. "Wel, wat deed u toen?"

    HOPENDE. "Ik wist zelf niet te zeggen, wat mij te doen stond."

    CHRISTEN. "Koesterde u geen gedachten om het bidden na te laten?"

    HOPENDE. "Ja wel honderdmaal en nog wel eens zoveel."

    CHRISTEN. "Hoe kwam het, dat u het niet deed?"

    HOPENDE. "Ik geloofde, dat hetgeen mij gezegd was, waarachtig was, te weten, dat zonder de gerechtigheid van deze Christus, de hele wereld mij niet zou kunnen behouden; en daarom dacht ik bij mij zelf: laat ik het bidden na, zo sterf ik toch. Ik kan immers niet erger dan sterven voor de troon der genade. Boven dit alles kwam mij te binnen: Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven (Hab.2:3). Zo volhardde ik in mijn gebeden, tot de Vader mij Zijn Zoon openbaarde."

    CHRISTEN. "Hoe werd Hij u geopenbaard?"

    HOPENDE. "Ik zag Hem, niet met mijn lichamelijke ogen, maar met de ogen van mijn verstand (Ef.1:18,19) en dit ging aldus: Op zekere dag was ik eens zeer bedroefd, ik denk: bedroefder dan ik ooit was in mijn gehele leven; deze droefheid ontstond in mij door een hernieuwd gezicht van de grootheid en snoodheid van mijn zonden: en niets anders tegemoet ziende dan de hel en de eeuwige verdoemenis van mijn ziel, dacht ik, dat ik zeer schielijk de Heere Jezus zag, als tot mij nederkomende van de Hemel en zeggende: 'Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.' Maar ik zei: 'Heere, ik ben een groot, een zeer groot zondaar,' en Hij antwoordde: 'Mijn genade is u genoeg.' En toen ik vroeg: "Maar Heere, wat is geloven?' Zo zag ik uit het gezegde: 'Die tot Mij komt, zal niet hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten' (Joh.6:35), dat geloven en komen hetzelfde is en dat hij, die komt - dat is, met zijn hart en genegenheid uitgaat naar Christus, om door Hem gezaligd te worden - ook waarlijk in Christus gelooft. Toen liepen mijn ogen vol tranen; en ik vroeg verder:

    'Maar Heere, kan zulk een groot zondaar als ik ben, wel door U aangenomen en zalig gemaakt worden?' en ik hoorde Hem zeggen: 'Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen' (Joh.6:37). Toen vroeg ik verder: 'Maar Heere, hoe moet ik U beschouwen in het komen tot U, opdat mijn geloof recht op U gevestigd wordt?' en Hij zei: 'Jezus Christus is in de wereld gekomen, om zondaren zalig te maken (1 Tim.1:15). Hij is het einde der Wet, tot rechtvaardigheid een ieder die gelooft (Rom.10:4). Hij is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking (Rom.4:25). Hij heeft ons lief gehad en ons gewassen met Zijn eigen bloed (Openb.1:5). Hij is een Middelaar tussen God en ons (1 Tim.2:5), Welke altijd leeft, om voor ons te bidden (Hebr.7:24,25).' Naar aanleiding van dit alles nu nam ik het besluit, dat ik dan moest uitzien mijn gerechtigheid in Zijn persoon en de genoegdoening voor mijn zonden in Zijn bloed te vinden; dat alles, wat Hij gedaan had in de gehoorzaamheid aan Zijns Vaders wet en in de onderwerping aan haar straf, niet was voor Hem zelf, maar voor degene, die het aanneemt tot zijn zaligheid en daarvoor dankbaar wil zijn. Hierover nu was mijn hart vol vreugde, mijn ogen vol tranen en mijn genegenheden liepen over van enkel liefde tot de naam, tot het volk en tot de wegen van Jezus Christus."

    CHRISTEN. "Dat was waarlijk een openbaring van Jezus aan uw ziel. Maar zeg mij toch eens in het bijzonder, welke uitwerking dit op uw gemoed had."

    HOPENDE. "Dit deed mij zien, dat de gehele wereld, niettegenstaande al haar gerechtigheden, in een staat van verdoemenis is. Het deed mij zien, dat God de Vader, rechtvaardig zijnde, op een betamelijke wijze de komende zondaar rechtvaardigen kan. Het maakte mij zeer beschaamd over de snoodheid van mijn voorgaand leven en het besef van mijn eigen onkunde verbaasde mij; want nooit te voren was mijn hart getroffen door het gezicht van de schoonheid en beminnelijkheid van Jezus Christus, zoals ik die nu zag. Het deed mij een heilig leven beminnen en maakte mij zeer begerig, iets tot Zijn eer en heerlijkheid te mogen doen. Ja, ik dacht: had ik nu duizend zielen, ik wilde ze wel alle overgeven voor de zaak van de Heere Jezus."

    Onkunde verschijnt opnieuw.

    Ik zag dan, dat HOPENDE, omziende, ONKUNDE weer opmerkte, die zij hadden achtergelaten. Hij zei daarom tot CHRISTEN: "Ziet u wel hoe langzaam deze jongeman achteraan komt?"

    "Ja, ja, ik zie hem wel; hij zoekt ons gezelschap niet."

    "Ik vertrouw, dat het hem geen kwaad gedaan zou hebben, wanneer hij zich tot hiertoe bij ons gehouden had," zei HOPENDE.

    "Dat is waar," antwoordde CHRISTEN, "hoewel ik u verzeker, dat hij wel anders denkt."

    HOPENDE hervatte: "Dat geloof ik ook. Maar laat het zo wezen, wij zullen hem toch opwachten."

    Dit deden zij ook.

    Toen ONKUNDE bij hen kwam, zei CHRISTEN tot hen: "Kom hier man, waarom blijft u zo achter?"

    ONKUNDE antwoordde: "Ik heb er meer behagen in, alleen te wandelen dan met een groot gezelschap te gaan, tenzij het mij bijzonder aanstaat."

    Toen zei CHRISTEN tot HOPENDE, doch zacht: "Zei ik het u niet, dat hij niet om ons gezelschap gaf? Maar laat ons niettemin deze eenzame weg overbruggen met tegen hem te spreken."

    Hij richtte dan het woord tot ONKUNDE en zei: "Wel, hoe is het zo met u? Hoe staat het tussen God en uw ziel?"

    ONKUNDE. "Al goed, hoop ik; want ik ben vol van goede bewegingen, die mij gedurig, terwijl ik wandel, tot mijn vertroosting te binnen komen."

    CHRISTEN. "Welke goede bewegingen? Ik bid u, vertel ons daar wat van."

    ONKUNDE. "Ik denk aan God en de hemel."

    CHRISTEN. "Dat doen de duivelen en de verdoemde zielen ook."

    ONKUNDE. "Maar ik denk aan Hem en ik heb begeerte naar Hem."

    CHRISTEN. "Zo doen ook velen, die daar nimmer zullen komen; de ziel van de luiaard begeert veel en hij heeft niet met al."

    ONKUNDE. "Maar ik denk aan Hem en verlaat alles om Zijnentwil."

    CHRISTEN. "Daar twijfel ik aan; want alles te verlaten is een harde zaak; ja moeilijker dan velen weten. Maar hoe en waardoor bent u bewogen, om alles te verlaten voor God en de hemel?"

    ONKUNDE. "Mijn hart zegt het mij."

    CHRISTEN. "De wijze man zegt: 'Wie op zijn eigen hart vertrouwt, is een zot' (Spr.28:26)

    ONKUNDE. "Dat wordt gezegd van een slecht hart; maar het mijne is een goed hart."

    CHRISTEN. "Hoe zou u dat kunnen tonen?"

    ONKUNDE. "Het vertroost mij in de hoop op de hemel."

    CHRISTEN. "Dat kan geschieden door de bedrieglijkheid van iemands hart. Want het hart kan de mens troost toedienen, door een hoop op die goederen, die hij niet met goede grond verwachten kan."

    ONKUNDE. "Maar mijn hart en leven stemmen overeen, en derhalve is mijn hoop gegrond."

    CHRISTEN. "Wie zegt u, dat uw hart en wandel zo overeenstemmen?"

    ONKUNDE. "Dat zegt mijn hart."

    CHRISTEN. "Ja, uw hart zegt u dat; dat is evenveel als: vraag mijn makker of ik een dief ben. Tenzij het Woord van God hier zijn getuigenis aan geeft, zijn andere getuigenissen waardeloos."

    ONKUNDE. "Maar is het niet een goed hart, dat goede gedachten heeft? En is dat niet een goed leven, dat overeenkomt met de wet van God?"

    CHRISTEN. "Ja, dat is een goed hart, dat vol van goede gedachten is en dat is ook een goed leven, dat gericht is naar de wet van God. Maar het is waarlijk wat anders, iets te hebben, en wat anders te denken, dat men het heeft."

    ONKUNDE. "Ik bid u, wat houdt u dan voor goede gedachten en voor een leven, dat met Gods wet overeenkomt?"

    CHRISTEN. "Er zijn goede gedachten van verschillende soort; sommige zien op ons zelf, sommige op God, sommige op Christus,sommige weer op andere dingen."

    ONKUNDE. "Wat zijn goede gedachten ten opzichte van ons zelf?"

    CHRISTEN. "Zulke, die overeenkomen met Gods Woord."

    ONKUNDE. "Wanneer komen de gedachten, die op ons zelf zien, overeen met het Woord van God?"

    CHRISTEN. "Als wij hetzelfde oordeel over ons zelf vellen, als het Woord Gods. Om mij wat duidelijker uit te drukken: het Woord Gods zegt van mensen, die in hun natuurlijke staat zijn: 'Daar is niemand rechtvaardig, niemand die goed doet' (Rom.3).

    Het zegt ook: 'Het gedichtsel van 's mensen hart is te allen dage alleenlijk boos' (Gen.6:5); en wederom: 'Het gedichtsel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan' (Gen.8:21). Nu dan, als wij zo over ons zelf denken en daar gevoel van hebben, dan zijn onze gedachten goede gedachten, omdat zij dan volgens Gods Woord zijn."

    ONKUNDE. "Ik zal nooit geloven, dat mijn hart zo slecht is."

    CHRISTEN. "En dus hebt u van uw leven geen goede gedachten over u zelf gehad. Maar laat mij voortgaan. Zoals het Woord een oordeel velt over ons hart, zo velt het ook een oordeel over onze wegen. Als nu de gedachten van ons hart en onze wegen overeenkomen met het oordeel, dat God in Zijn Woord van beide geeft, dan zijn ze beide goed, omdat zij daarmee overeenstemmen.

    ONKUNDE. "Verklaar u eens nader."

    CHRISTEN. "Wel, Gods Woord zegt, dat des mensen wegen kromme wegen zijn (Ps. 125:5), verkeerd en verdraaid (Spr.2:15). Het zegt, dat de mens van nature is afgeweken van de weg der gerechtigheid en die niet gekend heeft (Rom.3). Wanneer nu een mens zo van zijn wegen denkt, als hij zo denkt met gevoel en ootmoed des harten, dan heeft hij goede gedachten van zijn eigen wegen, omdat zijn gedachten nu overeenkomen met het oordeel van Gods Woord."

    ONKUNDE. "Wat zijn goede gedachten over God?"

    CHRISTEN. "Die hebt u dan, zoals ik gezegd heb van de gedachten over ons zelf, als de gedachten, die wij van God hebben, overeenstemmen met datgene, wat het Woord van Hem zegt; dat wil zeggen, als wij denken van Zijn wezen en volmaaktheden, zoals Zijn Woord getuigt, waarop ik nu niet te breedvoerig kan ingaan. Maar om er van te spreken met betrekking tot ons, dàn hebben wij rechte gedachten van God, wanneer wij denken, dat Hij ons beter kent, dan wij ons zelf, en zonden in ons zien kan, waar en wanneer wij geen zonden bespeuren kunnen; als wij denken, dat Hij onze allerinnigste gedachten weet en dat ons hart met al zijn diepten steeds voor Zijn ogen open ligt. Dan ook, als wij denken, dat al onze gerechtigheid in Zijn neus stinkt en Hij daarom niet kan verdragen, dat wij ons voor Hem stellen, vertrouwende op onze daden, zij het ook op onze allerbeste."

    ONKUNDE. "Denkt u, dat ik dwaas genoeg ben, te denken dat God niet verder kan zien, dan ik zelf? Of dat ik voor God zou willen komen met de beste van mijn daden?"

    CHRISTEN. "Wel, hoe zijn dan uw gedachten hierover?"

    ONKUNDE. "Om kort te zijn, ik denk, dat ik moet geloven in Christus, om door Hem gerechtvaardigd te worden."

    CHRISTEN. "Wel, hoe denkt u, dat u moet geloven in Christus, daar u niet ziet, dat u Hem nodig hebt? U zag nooit uw aangeboren noch dadelijke ongerechtigheden; u hebt zo'n gevoelen van u zelf en van wat u doet, dat u duidelijk toont, nooit ingezien te hebben de noodzakelijkheid van Christus' personele gerechtigheid, om daardoor voor God gerechtvaardigd te worden. Hoe kunt u dan zeggen, in Christus te geloven?"

    ONKUNDE. "Ik geloof dit alles zeer wel."

    CHRISTEN. "Hoe gelooft u dit dan?"

    ONKUNDE. "Ik geloof, dat Christus stierf voor de zondaren en dat ik voor God gerechtvaardigd zal worden van de vloek, door een genadig aannemen van mijn gehoorzaamheid aan Zijn wet; of aldus: Christus maakt mijn godsdienstige plichten, door de kracht van Zijn verdiensten, aangenaam bij Zijn Vader en zo wordt ik dan rechtvaardig verklaard."

    CHRISTEN. "Laat ik u eens antwoorden op deze belijdenis van uw geloof:

    1e. U gelooft met een ingebeeld geloof; want zo'n geloof staat nergens in Gods Woord beschreven.

    2e. U gelooft met een vals geloof, omdat u de rechtvaardiging losmaakt van de personele gerechtigheid van Christus, en die toepast op uw gerechtigheid.

    3e. Dit geloof maakt Christus niet de gerechtigheid van uw persoon, maar van uw daden; en van uw persoon om uwer daden wil, en dat is vals.

    4e. Derhalve is dit geloof bedrieglijk; zulk een geloof, dat u onder de toorn zal laten in de dag van God Almachtig; want het waar rechtvaardigmakend geloof doet de ziel (nu door de wet, van haar verloren staat zich bewust) tot de gerechtigheid van Christus vlieden, die niet is een daad van genade, waardoor Hij maakt, dat uw gehóórzaamheid als uw rechtvaardigheid door God wordt aangenomen, maar dat het is Zijn persoonlijke gehoorzaamheid onder de wet, in doen en lijden, waardoor Hij voor ons heeft gedaan en geleden, wat van ons vereist werd. Deze gerechtigheid, zeg ik, neemt het waar geloof aan; en de ziel die zich onder deze mantel verbergt en daarin God als onbevlekt voorgesteld wordt, wordt aangenomen en vrijgesproken van de verdoemenis.

    ONKUNDE. "Hoe? Wilt u ons dan doen vertrouwen op wat Christus in Zijn eigen persoon gedaan heeft zonder ons? Dit bedrog zal de banden van onze begeerlijkheden de vrije teugel geven en ons toelaten te leven, zoals het ons lust.

    Want wat geeft het, hoe wij leven, als wij van alles gerechtvaardigd kunnen worden door Christus' persoonlijke gerechtigheid, wanneer wij het maar geloven?"

    CHRISTEN. "ONKUNDE is uw naam en dat bent u ook; dit antwoord van u bewijst wat ik zeg. Onkundig bent u over waar de rechtvaardigende gerechtigheid uit bestaat, en alzo onkundig, hoe uw ziel te behouden van de zware toorn Gods door het geloof. Ja, u bent onkundig van de ware werkingen van het zaligmakend geloof in de gerechtigheid van Christus, die het hart overbuigen en winnen tot God in Christus, om Zijn naam, Zijn Woord, Zijn wegen en Zijn volk lief te hebben; en niet zoals u, onkundige, u zelf wel inbeeldt."

    HOPENDE. "Vraag hem eens, of Christus wel ooit van de Hemel aan hem geopenbaard is."

    ONKUNDE. "Wat nu? Bent u lieden van openbaring? Ik geloof, dat alles, wat u en de rest van uw volk omtrent deze zaak zegt, niets is dan de vrucht van zieke hersenen."

    HOPENDE. "Wel, wat nu man! Christus is immers zo verborgen voor het natuurlijk begrip des vleses, dat Hij onmogelijk door iemand op een zaligmakende wijze gekend kan worden, tenzij de Vader Hem aan ons openbaart!"

    ONKUNDE. "Dat is uw geloof, maar het mijne niet; nochtans twijfel ik niet, of het mijne is even goed als het uwe, al heb ik ook zoveel femelarijen niet in het hoofd."

    CHRISTEN. "Geef mij verlof om nog een woord tussendoor te zeggen. U behoorde over deze zaak niet zo verachtelijk te spreken. Want dit durf ik blijmoedig te getuigen (zoals mijn goede reisgenoot ook gedaan heeft), dat niemand Jezus Christus kan kennen dan door openbaring van de Vader (Matth.11:27); ook het geloof, waardoor de ziel Christus aangrijpt, zal het goed zijn, moet gewerkt worden door de uitnemende grootheid van Zijn almachtige kracht (Ef.1:19,20). Van de werking van het geloof bemerk ik, dat u, arme ONKUNDE, geheel onkundig bent. Wordt eens wakker, zie eens uw eigen snoodheid en vlucht tot de Heere Jezus; daar zult u door Zijn gerechtigheid, welke is de gerechtigheid Gods (want Hij Zelf is God), van de verdoemenis bevrijd worden."

    ONKUNDE. "U loopt zo hard, ik kan u niet bijhouden; het is het beste, dat u maar vooruitgaat, ik zal wat achteraan komen."

    "Wel ONKUNDE!" zeiden zij, "wilt u zo dwaas zijn en een goede raad, u wel tienmaal gegeven, zo in de wind slaan? Weldra zult u weten, wat voor kwaad u zo doende begaat; bedenk u nog, terwijl het nog tijd is; ga niet verder, laat u door goede raad behouden. Maar wilt u, ONKUNDE, voortgaan in het verwerpen, u zult, ik verzeker het u, zelf het verlies daarvan dragen."

    Christen en Hopende spreken met elkaar.

    "Kom mijn goede HOPENDE!" zei CHRISTEN, zich tot zijn metgezel kerende, "ik zie wel, dat u en ik weer samen moeten gaan."

    Ik zag dan in mijn droom, dat zij een goed eind weegs vooruit raakten en ONKUNDE achteraan kwam springen.

    "Het smart mij van die man," zei CHRISTEN tot zijn vriend; "want het zal ten laatste toch zeer ellendig met hem aflopen."

    HOPENDE. "Helaas, velen in onze stad verkeren in dezelfde staat, hele gezinnen, ja straten vol, die ook reizigers zijn. En als het er bij ons al zoveel zijn, hoeveel moeten er dan wel zijn in de plaats, waar hij geboren is!"

    CHRISTEN. "Het is inderdaad, zoals het Woord zegt: 'Hij heeft hun ogen verblind, dat zij niet zouden zien.' Maar wij zijn hier nu alleen, wat denkt u toch van zulke mensen? Denkt u, dat zij nooit enige overtuiging van zonden hebben en bijgevolg nooit vrezen, dat hun staat gevaarlijk is?"

    HOPENDE. "Neen, beantwoord u nu eens deze vraag, u bent de oudste."

    CHRISTEN. "Nu dan, ik zeg, het kan zijn, dat zij soms enige twijfel over hun staat hebben, maar van nature onwetend, verstaan zij niet, dat zulke overtuigingen tot hun best zijn, en daarom zoeken zij ze op een wanhopige wijze te verdoven en volharden zeer stoutmoedig met zich te vleien in de wegen van hun eigen hart."

    HOPENDE. "Ik geloof ook, zoals u daar zegt, dat de vrees de mens soms zeer nuttig is en er hem toe brengt, de reis naar de Stad des Hemels te aanvaarden."

    CHRISTEN. "Buiten alle twijfel doet zij dit, indien zij maar de juiste is; want zo lezen wij: 'De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid.' (Ps. 111:10).

    HOPENDE. "Hoe zou u de juiste vreze omschrijven?"

    CHRISTEN. "De ware vreze vertoont zich in drie dingen, t.w.:

    1e. Door haar oorsprong; zij ontstaat door een zalige overtuiging van zonden.

    2e. Zij drijft de ziel aan, om Christus ter zaligheid aan te grijpen.

    3e. Zij verwekt en onderhoudt in de ziel een grote eerbied voor God, Zijn Woord en Zijn wegen; zij houdt de ziel zeer teder en maakt haar bekommerd om nergens elders, hetzij ter rechter-, hetzij ter linkerhand af te wijken tot iets, dat God zou onteren, haar vrede verstoren, de Geest bedroeven of de vijanden doen lasteren."

    HOPENDE. "Juist gezegd, ik geloof, dat u de waarheid spreekt. Zijn wij de BETOVERDE GROND nu haast over, denkt u?"

    CHRISTEN. "Hoe zo, bent u dit gesprek al moe?"

    HOPENDE. "Neen, zeker niet; maar ik wil weten, waar wij al zijn."

    CHRISTEN. "Wij hebben nu maar een half uur meer te lopen. Maar laat ons tot onze verhandeling terugkeren. De onwetenden verstaan niet, dat overtuigingen, die hen in vreze brengen, tot hun best strekken en daarom zoeken zij die te verdoven."

    HOPENDE. "Hoe doen zij dat toch?"

    CHRISTEN. "1e. Zij menen, dat de duivel deze vreze werkt, hoewel zij inderdaad door God wordt gewerkt en daarom weerstaan zij ze als iets dat regelrecht dient om hen te verderven.

    2e. Zij menen ook, dat deze vreze hun geloof wil verzwakken en vernietigen (terwijl zij, arme mensen, helaas in het geheel geen geloof hebben), en daarom verharden zij hun hart daartegen.

    3e. Zij menen ten onrechte, dat zij niet behoren te vrezen en daarom worden zij in de verachting van deze vreze des te vermeteler.

    4e. Zij bemerken, dat deze vreze hun ellendige, oude eigengerechtigheid wil wegnemen en daarom kanten zij zich daartegen met alle macht."

    HOPENDE. "Ik ken daar iets van bij mij zelf; want voordat ik mijzelf kende, was het met mij ook zo."

    CHRISTEN. "Wel, wij zullen nu onze buurman ONKUNDE laten varen en eens enige andere nuttige vragen voorstellen."

    HOPENDE. "Met genoegen. Maar u moet beginnen."

    CHRISTEN. "Komaan. Hebt u ook, tien jaren geleden, een zekere TIJDVOLGER in ons land gekend? Hij was toen een zeer ijverig man in de godsdienst."

    HOPENDE. "Gekend? Ja toch, hij woonde in GENADELOOS, een stad ongeveer twee mijlen van AANZIEN, precies naast de deur van een zekere OMKEERDER."

    CHRISTEN. "Precies, zij woonden onder één dak. Wel, deze man was eens zeer aangedaan; ik geloof, dat hij een gezicht had van zijn zonden en van het loon, dat zij verdienen."

    HOPENDE. "Ik ben van dezelfde gedachte: want daar mijn huis niet ver van het zijne stond, kwam hij menigmaal tot mij en wel met vele tranen. Ik had medelijden met zijn toestand en achtte het met hem niet geheel buiten hoop. Maar daaraan kan men zien, dat het niet een ieder is, die roept: Heere! Heere! (Matth.7:21)"

    CHRISTEN. "Hij vertelde mij eens, dat hij zich mede op reis wilde begeven, maar hij kreeg al gauw kennis aan een BEHOUD-U-ZELF en wendde zich toen geheel van mij af."

    HOPENDE. "Nu wij zo over hem spreken, laat ons eens zien, wat de reden is van zo'n schielijke afwijking als hij had, en velen met hem."

    CHRISTEN. "Dat kan ons zeer van nut zijn. Maar nu moet u eens beginnen."

    HOPENDE. "Heel goed, daar zijn naar mijn oordeel vier oorzaken aan te wijzen.

    1e. Ofschoon hun geweten wakker is gemaakt, is echter hun gemoed niet veranderd. Dus wanneer de kracht van de schuld een weinig vermindert, verdwijnt spoedig dat, wat hen zo godsdienstig deed worden; waarom zij dan ook maar tot hun natuurlijke weg terugkeren, even als een hond, die ziek is geworden door iets, dat hij gegeten heeft; zo lang zijn ziekte de overhand heeft, braakt hij en geeft alles over; niet dat hij daar zin in heeft (indien wij een hond een zin kunnen toeschrijven) maar omdat het hem benauwt. Maar zo gauw zijn ziekte over en zijn maag weer gezond is, wendt hij, niet vervreemd van zijn uitbraaksel, zich daar heen en slikt alles op. Zo is waarachtig wat geschreven staat: 'De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel' (2 Petr.2:22) Alzo zijn ze heet geworden voor de hemel, maar alleen door de vrees voor de helse vlammen; en wanneer hun vrees voor de verdoemenis wat verkoelt en verflauwt, dan verkoudt ook hun begeerte naar de hemel en de zaligheid. Als het gevoel van schuld en vrees weggaat, is ook de begeerte tot de hemel en tot de zaligheid dood: en zij keren zich tot hun vorige loop.

    2e. Dit kan ook een reden zijn, dat zij een slaafse vrees in zich hebben, die hen overmeestert. Ik spreek nu van de vrees voor de mensen, want de siddering van mensen brengt een strik (Spr.29:25). Zo dan, ofschoon zij schijnen warm te zijn voor de hemel, zo lang de vlammen van de hel hen om de oren slaan, beginnen zij nochtans zich te bedenken, wanneer die schrik een beetje over is; namelijk, dat het het beste is voorzichtig te zijn en geen gevaar te lopen alles te verliezen; of ten minste zich niet te werpen in zulke onvermijdelijke en onnodige ongemakken. En zo vallen zij weer de wereld toe.

    3e. De smaad, die de godsdienst dikwijls vergezelt, ligt hun ook meestal als een blok op de weg. Zij zijn trots en hoogmoedig en de godsdienst is laag en veracht in hun ogen; daarom, zodra het gevoel van de hel en van de toekomende toorn weer wat overgaat, keren zij terug tot hun voorgaande wandel.

    4e. Schuld en het denken aan verschrikkingen vinden zij maar een bittere zaak. Het behaagt hun niet, te denken aan hun ellende, voor zij er in komen; ofschoon misschien dat eerste gezicht, als zij er lust toe gehad hadden, hen daarheen zou hebben doen vlieden, waar de rechtvaardigen heen vlieden en behouden worden. Maar omdat zij de gedachte aan schuld en schrik schuwen, verharden zij zeer blijmoedig hun harten, wanneer zij zich van die verontrustende gedachten aan de toorn Gods ontdaan hebben, en verkiezen zulke wegen die hen hoe langer hoe harder maken zullen."

    CHRISTEN. "U bent de kern van de zaak zeer nabij gekomen, want de grond van alles is, dat hun gemoed en wil niet veranderd zijn. En daarom zijn zij slechts de booswicht gelijk, die voor de rechter staat te beven en zeer boetvaardig schijnt; maar de grond daarvan is de vrees voor de beul en niet enige afkeer van zijn misdaad; dit blijkt doordat hij, nadat hij zijn vrijheid heeft herkregen, weer een dief en deugniet blijkt; terwijl hij, indien zijn gemoed veranderd was, zich ook anders zou gedragen."

    HOPENDE. "Nu heb ik u de redenen van hun terugkeer voorgesteld: toont u nu eens aan de manier waarop zij weerkeren."

    CHRISTEN. "Dat wil ik graag doen:

    1e. Zij trekken hun gedachten af, zoveel zij maar kunnen, van God, van de dood en van het toekomend oordeel.

    2e. Daarna verlaten zij, geleidelijk, de heimelijke plichten, als de gebeden in de binnenkamer, het bedwingen van hun lusten, het waken, de droefheid over de zonden en dergelijke.

    3e. Dan schuwen zij ook het gezelschap van levende en warme Christenen.

    4e. Daarna worden zij koel omtrent de openbare plichten als het horen, het lezen, de goddelijke samenspraken en wat dies meer zij.

    5e. Zij werpen een of andere vlek op de godzaligen en dat op duivelse wijze; opdat zij zo een schijn van reden mogen geven, waarom zij de godsdienst verlaten, namelijk vanwege gebreken, die zij bij hen hebben waargenomen.

    6e. Dan beginnen zij zich te verbinden aan vleselijke, losse en overdadige mensen.

    7e. Daarna geven zij zich vrijheid tot vleselijke en dartele redenen in het verborgen, en zijn blij, wanneer zij in iemand, die eerlijk en in achting is, deze dingen ook vinden, omdat zij door zo'n voorbeeld gesterkt worden, om des te stoutmoediger voort te gaan.

    8e. Daarop beginnen zij openlijk te spelen met mindere zonden.

    9e. Eindelijk, verhard zijnde, tonen zij zich zoals zij zijn. En zo weer in een zee van ellende gerakende, komen zij ten laatste door hun zelfbedrog eeuwig om, tenzij het door een wonder van genade wordt voorkomen."

    Het land Getrouwde.

    Nu bemerkte ik ook, dat deze reizigers, de BETOVERDE GROND over zijnde, kwamen in het land, genaamd het GETROUWDE (Jes.62:4). Hier was de lucht zeer aangenaam en omdat hun weg daar recht door liep, verkwikten zij zich voor een tijd. Hier hoorden zij gedurig het zingen van de vogels (Hoogl.2:10-13) en iedere dag zagen zij bloemen in het land en hoorden zij de stem van de tortelduif. In dit land schijnt de zon dag en nacht: want het is aan de overzijde van het DAL VAN DE SCHADUW DES DOODS en dan ook buiten het bereik van de reus WANHOOP. Ja, zij konden het kasteel TWIJFELING niet meer zien. Hier waren zij nu in het gezicht van de Stad, waar zij heen reisden en ontmoetten enige van haar inwoners. (Engelen). Want in deze landstreek wandelden deze blinkenden zeer ongedwongen, omdat het nabij de grenzen van de hemel is. Hier werd het kontrakt tussen de Bruidegom en de Bruid vernieuwd; ja, hier verheugde zich God over hen, zoals de bruidegom zich verheugt over zijn bruid (Jes.62:5). Hier hadden zij ook geen gebrek aan koren en wijn (Jes.62:8), want wat zij op hun hele reis gezocht hadden, vonden zij hier in overvloed.

    Hier hoorden zij ook stemmen uit de stad, luide stemmen, die zeiden: "Zeg de dochter Sions, zie uw heil komt; zie, zijn loon is met Hem" (Jes.62:11). Hier noemden al de inwoners van dit land hen het heilige volk, de verlosten des Heeren, de gezochten (Jes.62:12).

    Toen zij in dit land wandelden, hadden zij meer verheuging, dan zij ooit genoten hadden in de plaatsen die verder van het koninkrijk af lagen, en dichterbij de stad komende, hadden zij een nauwkeuriger gezicht daarop. Zij was gebouwd van paarlen en kostelijke stenen, de straten waren ook geplaveid met goud, zodat CHRISTEN door de natuurlijke heerlijkheid van de stad, die door de stralen van de zon te helderder uitkwam, ziek werd van enkel begeerte tot haar. HOPENDE had ook al een vlaag of twee van deze ziekte; waarom zij hier een tijdje gingen liggen, roepende vanwege hun smarten: "Als gij mijn Liefste ziet, zeg Hem, dat ik krank ben van liefde."

    Maar wat versterkt zijnde en bekwaamd om deze ziekte te dragen, gingen zij huns weegs en kwamen al nader en nader, waar ook boomgaarden, wijngaarden en tuinen waren, waarvan de poorten langs de hoofdweg open stonden. Toen zij hier gekomen waren, zie, op de weg stond de hovenier, aan wie de pelgrims vroegen: "Van wie zijn toch deze wijngaarden en tuinen?"

    "Zij zijn van de Koning," antwoordde hij, "zij zijn hier geplant voor Zijn eigen vermaak en tot verkwikking van de reizigers."

    Zo bracht hij hen in de wijngaarden en beval hun, zich te verfrissen met de lekkernijen; hij toonde hun ook des Konings galerijen en priëlen, waarin Hij Zijn vermaak neemt en daar vertoefden zij en legden zich te slapen. Nu zag ik ook, dat zij in hun slaap meer spraken, dan zij op reis ooit gedaan hadden en omdat ik hierover verwonderd stond, zei de hovenier tot mij: "Waarom peinst u over deze zaak? Het is de aard van de vrucht van deze wijnstok, dat zij zo zoet naar binnen gaat dat zij de lippen van de slapende sprekende maakt."

    Bij het ontwaken, zo zag ik, wendden zij zich naar de stad. Maar zoals ik zei, de weerkaatsing van de zon op de stad - de stad was enkel goud (Openb.21 :18) - was zo buitengewoon heerlijk, dat zij nog niet bekwaam waren haar met ongedekt gezicht te aanschouwen; zij konden dat alleen doen als in een spiegel (2 Cor.3:18). Bij het voortgaan ontmoetten hen twee mannen in een gewaad, blinkende als goud; en hun gezichten blonken als het licht.

    Deze mannen vroegen de reizigers, van waar zij kwamen en vernamen het van hen.

    Zij vroegen ook, waar zij gelogeerd hadden, welke moeilijkheden en gevaren hun overkomen waren, alsook welke troost en verkwikking zij op reis genoten hadden en zij vertelden alles. Toen zeiden de mannen: "U staan nog slechts twee zwarigheden te wachten en dan bent u in de stad."

    CHRISTEN en zijn metgezel vroegen, of zij hen vergezellen wilden. Zij zeiden "ja", maar herinnerden er hen tevens aan, dat zij door hun eigen geloof moesten ingaan. Zij wandelden dan samen, tot zij in de buurt van de poort kwamen.

    Christen en Hopende gaan de rivier over.

    Tussen hen en de poort nu zag ik een rivier. Maar daar was geen brug over de rivier en zij was zeer diep. Door het gezicht van deze rivier waren de reizigers zeer ontsteld; doch de mannen, die met hen gekomen waren, zeiden: "U moet hier over, anders kunt u niet bij de poort komen." Zij vroegen daarop, of er geen andere weg was, maar ontvingen ten antwoord, dat niemand ooit op andere wijze was binnengekomen (twee uitgezonderd, te weten Henoch en Elia, aan wie toegelaten werd een ander pad te gaan). De mannen zeiden ook: "Het zal niemand meer vergund worden, voor de laatste bazuin (1 Cor.15:51,52) gehoord zal worden." De pelgrims, en met name CHRISTEN, begonnen zeer kleinmoedig te worden en zagen herwaarts en derwaarts; maar wat zij deden, zij konden geen weg vinden om de rivier te ontkomen. Toen vroegen zij de mannen, of het water overal even diep was. Deze antwoordden: "Neen." Maar verder konden ze hen niet helpen. "Want," zeiden ze, "u zult het dieper of ondieper vinden, naarmate u gelooft in de Koning van de plaats."

    Zij begaven zich daarop te water; maar spoedig begon CHRISTEN te zinken en riep tot zijn vriend HOPENDE: "Ik zink in de diepe wateren, de golven gaan over mijn hoofd, al zijn baren bedekken mij."

    De ander zei: "Wees goedsmoeds, mijn broeder, ik voel al grond en hij is zeer goed."

    CHRISTEN antwoordde: "Ach, mijn vriend, de angsten des doods hebben mij omgeven, ik zal het land, dat van melk en honing vloeit, niet zien."

    Terstond daarop viel er een grote schrik en duisternis op hem, in zulk een mate, dat hij niet meer voor zich zien kon. Hier verloor hij ook voor een groot deel zijn bezinning zodat hij zich noch herinneren, noch ordelijk spreken kon van de zoete verkwikkingen, die hij op de weg genoten had. Maar al wat hij zei, gaf de schrik te kennen, die zijn gemoed bevangen had en hoe hij vreesde, in de rivier te sterven en nooit de Hemelpoort in te gaan. Hier stond hij (zo ik bemerken kon) met vele ontstellende gedachten van en over de zonden, die hij bedreven had voor hij zich op reis begaf en daarna; ook kon men merken, dat hij verschrikt was door draken en boze geesten. Want gedurig gaven zijn woorden dat te kennen. HOPENDE kon daarom zijns broeders hoofd nauwelijks boven water houden; ja soms scheen hij te zinken en te gronde te gaan en dan kwam hij weer halfdood boven. HOPENDE trachtte hem intussen te troosten en zei: "Mijn broeder, daar zie ik de poort al, en ik zie er ook staan, die wachten om ons te ontvangen!" Maar CHRISTEN antwoordde: "Ach zij wachten op u, u bent hopende geweest, zo lang ik u gekend heb."

    "En u ook," zei HOPENDE tot CHRISTEN. Doch deze antwoordde: "Ach broeder, zo ik oprecht voor Hem was, Hij zou nu zeker opstaan tot mijn hulp; maar Hij heeft mij om mijn zonden in de strik gelegd en mij daar gelaten."

    "Mijn broeder," zei HOPENDE, "u bent de tekst vergeten, die van de goddeloze sprekende, zegt: 'Daar zijn geen banden tot hun dood, hun kracht is fris, zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere lieden niet geplaagd' (Ps.73:4,5). Deze angsten en benauwdheden zijn geen tekenen, dat God u verlaat, maar worden u alleen toegezonden om u te beproeven, of u nu ook gedenkt aan wat u weleer en tot dusver van Zijn goedheid genoot en ook op Hem vertrouwt in uw benauwdheden."

    Ik merkte ook, dat CHRISTEN enige tijd als in gepeins stond en dat HOPENDE tot hem zei: "Zijt goedsmoeds, Jezus Christus maakt u gezond."

    Kort daarop brak CHRISTEN uit en riep met een luide stem: "Ach, ik zie Hem weer en Hij zegt mij: 'Als gij door het water gaat, zal Ik bij u zijn; en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen' (Jes.43:2)." Toen grepen beiden moed, ook was de vijand daarna zo stom als een steen, tot zij over waren. CHRISTEN vond nu ook terstond grond om te staan en dat voelde hij doorlopend, zodat hem de rivier verder meer ondiep was.

    Twee engelen verwelkomen hen.

    Zo kwamen zij aan de overkant, en zagen weer die twee mannen in blinkende klederen, die hen opwachtten en hen, toen zij uit de rivier opgeklommen waren, verwelkomden met de woorden: "Wij zijn gedienstige geesten, uitgezonden tot de dienst van degenen, die de zaligheid beërven zullen (Hebr.1:14). En zo gingen zij te zamen naar de poort. U moet wel in aanmerking nemen, dat de stad op een hoge berg ligt; echter gingen onze reizigers die met gemak op, daar deze twee mannen hen bij de arm hielden. Ook hadden zij hun sterfelijk gewaad in de rivier achtergelaten. Want ofschoon zij er mee omhangen de rivier in traden, kwamen zij zonder er weer uit. Dus traden zij de berg met grote vaardigheid op, ofschoon de fundamenten, waarop de stad gebouwd was, hoger waren dan de wolken; zij gingen als door de lucht, aangenaam sprekende terwijl zij onderweg waren, en zeer getroost, zowel omdat zij behouden over de rivier waren geraakt, alsook, omdat zij zulke heerlijke leidslieden hadden.

    De gesprekken, die zij met deze blinkenden hadden, betroffen de heerlijkheid van de plaats; en zij zeiden, dat de schoonheid van deze ten enenmale onuitsprekelijk was.

    "Daar," zeiden zij, "is de berg SION, het hemelse JERUZALEM (Hebr.12:22-24), het ontelbare gezelschap der engelen; en de geesten van de volmaakt rechtvaardigen."

    "Nu," zeiden zij, "gaat u tot het Paradijs Gods (Openb.2:7), waar u de Boom des Levens zult vinden en eten van die onverderfelijke vruchten. En wanneer u daar komt, zult u witte klederen ontvangen (Openb.3:4) en gedurig spreken met de Koning, al de dagen van de eeuwigheid. Daar zult u niet weer zien die dingen, die u zag, toen u nog in de lagere gebieden op de aarde was, te weten droefheden, ziekten, verdrukkingen en dood; want die vorige dingen zijn voorbij gegaan. Nu gaat u naar Abraham, Izak en Jacob en tot de Profeten; mensen, die God heeft weggeraapt vóór het toekomende kwaad, die nu rusten op hun legersteden, een ieder van hen, die in zijn oprechtheid gewandeld heeft" (Jes. 57:1,2).

    Zij vroegen: "Wat moeten wij in die heilige plaats doen?" en hun werd geantwoord: "U moet daar ontvangen de troost van al uw arbeid, en blijdschap voor al uw droefheid; u zult er maaien, wat u gezaaid hebt (Gal.6:7), namelijk de vrucht van uw gebeden en tranen en van het lijden, dat u op de weg hebt uitgestaan voor de Koning. Daar zult u kronen van goud dragen en het altijddurend gezicht van de Heilige genieten; want u zult Hem daar zien, zoals Hij is (1 Joh.3:2). Daar zult u ook gedurig met lof, met gejuich en met dankzegging Hem dienen, Die u zo graag wenste te dienen in de wereld, ofschoon het geschiedde met veel moeilijkheid vanwege de zwakheden van uw vlees. Daar zullen uw ogen verlustigd worden met zien en uw oren met het horen van de heuglijke stem van de Almachtige. Daar zult u uw vrienden, die vóór u daarheen gegaan zijn, weervinden; en daar zult u met vreugde ontvangen elke ziel, die na u komt en u volgt in de heilige plaats. Daar zult u gekleed worden met majesteit en heerlijkheid en bekwaam gemaakt, om uit te rijden met de Koning der ere (1 Thess.4:13-16);Jud.vs.14;Dan.7:9,10;1 Cor.6:2,3), wanneer Hij zal komen op de wolken, met het geluid van de bazuinen, rijdende als op de vleugelen van de wind. En wanneer Hij zitten zal op de troon van het gericht, zult u bij Hem zitten; ja, wanneer Hij het vonnis zal vellen over de werkers der ongerechtigheid, engelen of mensen, zult u ook een stem in dat oordeel hebben, omdat zij Zijn en uw vijanden waren. En wanneer Hij weer tot de stad zal terugkeren, zult u meegaan onder het geschal van de bazuinen en eeuwig bij Hem zijn."

    Als zij de poort naderden, zie een gezelschap van het hemelse leger kwam hen tegemoet, tot wie de twee engelen zeiden: "Deze zijn de mannen, die onze Heere liefhadden, toen zij in de wereld waren en alles om Zijn heiligen Naam verlieten. Hij heeft ons uitgezonden, om hen op te halen en wij hebben ze ook tot hiertoe gebracht in hun begeerde reis, opdat zij mogen ingaan en het gezicht van hun Verlosser met blijdschap aanschouwen."

    Toen juichte het hemelse leger met groot gejuich, zeggende: "Zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams" (Openb.19:9).

    Toen kwamen hen ook verscheidene van des Konings trompetters tegemoet, allen bekleed met een wit en blinkend gewaad; zij deden met muzikale en luide stemmen de hemel weergalmen. Deze allen groetten CHRISTEN en HOPENDE met gejuich en met het geluid van de bazuinen, zeggende: "Welkom van de wereld, wel tot tienduizend malen."

    Nadat dit gedaan was, omringden zij hen van alle kanten; sommigen gingen voor, anderen achter, sommigen rechts, anderen links als waren zij hun lijfwacht, door de bovenste streken van de lucht, gedurig juichende met een muzikaal geluid en op zeer hoge toon, zodat enkel het gezicht hiervan voor degenen, die het zien konden, was, alsof de hemel zelf was neergedaald en hen tegemoet kwam. Zo wandelden zij te zamen heen; en terwijl zij wandelden, vermengden de bazuiners telkens hun muziek met zulke gebaren, die CHRISTEN en zijn broeder te kennen gaven, hoe welkom zij in hun gezelschap waren en met welke blijdschap zij hen inhaalden. Nu waren deze twee mannen als het ware al in de hemel eer zij er nog waren, als verrukt en opgetogen door het gezicht van de engelen en het horen van hun muzikale stemmen. Hier hadden zij nu de stad zelf in het oog en zij dachten, dat zij de klokken al hoorden luiden om hen te verwelkomen, maar allermeest door de heuglijke en zielsverwarmende gedachte, dat zij ook wonen zouden onder zo'n gezelschap en dat voor eeuwig en altijd. Och, wat tong is bekwaam de vreugde uit te drukken, die zij nu smaakten? Zo kwamen zij aan de poort.

    Boven de poort waren in gouden letters deze woorden geschreven: "Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan de boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad" (Openb.22:14). De blinkenden geboden hun te roepen aan de poort, wat zij ook deden; waarop enigen van boven over de poort naar beneden keken, te weten Henoch, Mozes en Elia, aan wie gezegd werd, dat deze reizigers van de stad VERDERF kwamen en wel uit zuivere liefde tot de Koning van deze plaats. Daarop gaven zij hun bewijs over, dat tot de Koning gebracht werd. Nadat Deze het gelezen had, vroeg Hij waar die mensen waren.

    Men antwoordde: "Zij staan buiten aan de poort," waarop de Koning beval de poort te openen, "opdat," zei Hij, "het rechtvaardige volk, dat de getrouwigheden bewaart, daardoor inga" (Jes.26:2).

    De Hemelstad.

    De mannen (zoals ik in mijn droom opmerkte) gingen de poort door, en zie, met dat zij intraden, werden zij geheel veranderd; zij kregen een gewaad aan, dat blonk als goud. Daar waren er ook met harpen en kronen, die zij hun ook gaven; de harpen om er mee te loven en de kronen tot een teken van eer. Toen hoorde ik in mijn droom, dat alle klokken in de stad van blijdschap wederom luidden en er gezegd werd: "Gaat in in de vreugde uws Heeren!" Ik hoorde daarna ook deze mannen zelf met een luide stem zingen: "Dankzegging, eer, heerlijkheid en kracht zij Hem Die op de troon zit en het Lam tot in eeuwigheid!" (Openb.5:13).

    Toen nu de poorten opengingen om deze mannen in te laten, blonk de stad als de zon; de straten waren van goud en daarop wandelden er velen met kronen op de hoofden en palmtakken in de handen en gouden harpen, om daarmee lof te zingen.

    Daar waren er ook, die vleugels hadden en zij antwoordden de een de ander, zonder enig ophouden, zeggende: "Heilig, heilig, heilig is de Heere!" En daarna werden de poorten gesloten.

    Toen ik dit gezien had, wenste ik mij onder hen.

    Terwijl ik zo staarde op al deze dingen, keerde ik mijn hoofd om en zag ONKUNDE, komende naar de kant van de rivier. Maar hij kwam al gauw aan de overkant en had niet half zoveel moeite als de twee anderen. Want er was juist een veerman, zekere IJDELE HOOP, die hem met zijn boot over hielp; en zo kwam hij, zoals de anderen gedaan hadden, de heuvel op om de poort binnen te komen. Doch hij kwam alleen en er was niemand, die hem ontmoette om hem aan te moedigen. Tot de poort gekomen, zag hij omhoog naar het opschrift boven de poort en begon te kloppen, menende dat hem spoedig een vrije ingang gegeven zou worden. Maar er waren er enigen, die over de top van de poort neerzagen en hem vroegen, van waar hij kwam en wat hij wilde. Hij antwoordde: "Ik heb in de tegenwoordigheid van de Koning gegeten en Hij heeft op onze straten geleerd."

    Toen vroegen zij hem naar zijn bewijs, opdat zij het de Koning konden tonen. Daarop grabbelde hij in zijn zakken, om er een te zoeken: maar hij vond er geen.

    "Wat!" zeiden zij, "hebt u er geen?" Doch hij verstomde. Dit werd de Koning gezegd. Maar die wilde niet eens naar beneden komen om hem te zien; Hij beval de twee blinkenden, die CHRISTEN en HOPENDE tot de stad geleid hadden, uit te gaan, ONKUNDE de handen en voeten te binden en hem uit te werpen. Zo deden zij ook; zij namen hem op, droegen hem door de lucht tot aan de deur, die ter zijde van de heuvel was en wierpen hem daar in. En zo zag ik, dat er een weg naar de hel was zowel van de hemelpoort af, als vanaf de stad VERDERF.

    Toen werd ik wakker, en zie, het was een droom.

    EINDE.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.TOEWIJDING VAN LEED DOOR EEN MEDEMENS AANGEDAAN.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    O Maria, Hemelse Meesteres van mijn levensweg,

    Doordat God U macht heeft geschonken over alle zielen, en ik mij volkomen onder Uw hoede heb gesteld, zijn U alle innerlijke pijnen bekend, die mijn hart kwellen, want mijn medemens heeft mij leed aangedaan.

    Ik geef U al mijn pijnlijke ervaringen en alles wat daardoor in mijn hart omgaat.

    Opdat dit leed niet voor het heil der zielen verloren zou gaan, smeek ik U in verlangen naar eenheid met de lijdende Jezus en met Uw Smartvol Hart:

    Wil mij de kracht bekomen, deze beproeving met volharding te aanvaarden en haar uit liefde tot U en tot God te dragen, opdat zij mij moge heiligen, tot verheerlijking van God en tot bekering van de ziel die mij dit leed heeft berokkend.

    Ik vergeef ........ (naam van de ziel die de beproeving heeft veroorzaakt) van harte, want hij/zij weet nu nog niet, wat hij/zij doet.

    Wil mijn en zijn/haar ziel in U opnemen, opdat dit leed doorstraald moge worden van het Licht der Hemelse Liefde, en wij allebei opnieuw geboren mogen worden in een relatie van oprechte vrede en verzoening, voor een heilig leven onder Uw leiding.
    AMEN.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GEBED VAN VERLANGEN NAAR HET DOOPSEL.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    O Allerheiligste Maagd Maria, Moeder van de Kerk van Christus,

    Ik kom tot U om aan Uw voeten mijn verlangen neer te leggen, een kind van de Heilige Geest en bouwsteen in de Kerk van Christus te worden.

    Omdat U tijdens Uw leven op aarde de vorst der zonde onder Uw voeten hebt getemd, en U de macht hebt ontvangen over de strijd tegen alle duisternis, wil ik U mijn hele leven lang volkomen toebehoren.

    Daarom wijd ik mij totaal aan U toe, en belijd ik voor U mijn verlangen om te verzaken aan de werken der duisternis.

    Mijn Hemelse Moeder en Meesteres, ik smeek U, door Uw bemiddeling op een door God vastgesteld tijdstip in de toekomst het Heilig Sacrament van het Doopsel te mogen ontvangen.

    Wil mij door Uw macht en Uw Liefde bekomen dat de Drieëne God, Vader, Zoon en Heilige Geest, mij nu reeds de effecten van een geestelijk doopsel zou instorten, opdat mijn ziel vanaf vandaag reeds de bescherming van het ware Doopsel moge genieten.

    Indien de dood mij zou treffen vóór ik dit Sacrament heb mogen ontvangen, smeek ik U, mijn Voorspreekster te willen zijn, opdat mijn ziel door de genadewerking van dit geestelijk doopsel voor Gods Troon moge worden beschouwd als gezuiverd en als ontsloten voor de Verlossing.
    AMEN.


    03-05-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AVE MARIA VAN JANTJE SMIT OM UREN NAAR TE ZIEN EN TE LUISTEREN.
     

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vader, U bent goed , de onbekende weg kan ik gaan in vertrouwen.
     
    OPWEKKING  630.

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A MESSAGE FROM MEDJUGORJE.
     

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Preek, door een Priester, geesttelijke begeleider van de MIR Bedevaart ( Staf Tours ) naar Praag en Polen.

    Dierbare broeders en zusters,

    Vandaag, op roepingenzondag, wordt onze aandacht speciaal gevestigd op de priesters en religieuzen. We weten inmiddels allemaal  dat er een groot tekort is aan roepingen. Vandaar dat ons bisdom het initiatief heeft genomen om ’s zondags, na de communie, dus wanneer we de Heer zelf ontvangen hebben, speciaal met Hem te bidden voor roepingen. De roepingenkaars verwijst eveneens naar de noodzaak om daarvoor te bidden.

    Bidden voor roepingen is geen uitvinding van de Kerk, maar het is Jezus zelf die zijn volk daartoe aanmaant. Zo zegt Hij in het evangelie tot zijn leerlingen: “De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer arbeiders te sturen om te oogsten.”1 En verder in hetzelfde evangelie zegt Hij: “Vraagt en ge zult verkrijgen!”2

    “Vraag!” Deze dringende oproep van de Heer benadrukt dat bidden om roepingen blijvend en vol vertrouwen moet zijn! We moeten blijven geloven op Gods voorzienigheid en in het feit dat Christus steeds mét zijn Kerk is tot op het einde der tijden!3

    Wat ook opvalt in het evangelie is, dat Christus zelf de priesters uitkiest, zoals Hij nu nog steeds doet door Zijn Kerk. Niemand kan zich het recht toe-eigenen om priester te worden, want het is en blijft een roeping door God ingesteld. We weten dat Jezus zelf zijn apostelen heeft uitgekozen, en dat Hij bij Johannes nog eens extra benadrukt: “Niet jullie hebben Mij uitgekozen, nee: Ik heb jullie uitgekozen!”4 Als God zelf zijn priesters uitkiest dan zal Hij hen ook de kracht geven om die roeping waar te maken.

    Wie zou zich waardig achten voor het priesterambt? Wie kan het godgewijde leven omarmen door alleen maar te vertrouwen op zijn eigen menselijke kracht?

    We kunnen ons afvragen: “Waarom hebben we priesters nodig?” Ook dit antwoord vinden we in de Bijbel, waar Jezus de opdracht aan de apostelen gaf: “Gaat en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest”.5 Dus vooreerst de verkondiging van het geloof en… de doop.

    Verder zei Hij aan de apostelen, en niet aan iemand anders, dat ze het volk te eten moesten geven.6 Zoals we weten is, volgens Christus, niet het gewone voedsel het belangrijkste, maar het voedsel dat niet vergaat en ééuwig leven geeft.7

    Dát voedsel is uiteraard het Woord van God en Zijn Lichaam dat we ontvangen tijdens de communie. Zo hebben we priesters nódig om eucharistie te vieren. Tevens zijn priesters noodzakelijk om de biecht af te nemen, want deze volmacht om zonden te vergeven heeft Jezus alleen aan zijn apostelen gegeven tegen wie Hij zegt: “Ontvang de heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zo zijn ze niet vergeven.”8 Ze kregen dus de bijzondere kracht van de H Geest om in Gods naam de zonden te kúnnen vergeven. U ziet dus, dat priesters wel noodzakelijk zijn.

    Vanuit Christus’ liefde moeten de priesters deze sacramenten bij het volk brengen. Zo vraagt Jezus dat de herder zijn leven geeft voor zijn schapen. Hoe kan de priester dit beter doen, dan door het celibaat? Gans zijn leven is dan afgesteld op de Heer! Tevens kan hij zich dan volledig geven aan de mensen die de Heer op zijn weg heeft gezet.

    Het celibaat…, dat in deze geseksualiseerde wereld zo in vraag wordt gesteld en zelfs belachelijk gemaakt!

    Nochtans, sinds het begin van het christendom, hebben talloze mannen en vrouwen zich totaal overgegeven aan Christus. Denk maar aan al die religieuzen die toentertijd scholen, bejaardentehuizen en ziekenhuizen hebben opgericht. Zelfs ten koste van hun eigen leven. Dit jaar wordt pater Damiaan heilig verklaard: als religieus heeft hij de melaatsen verzorgd tot hij zelf aan die ziekte stierf.

    Ook de religieuzen van contemplatieve ordes zijn onmisbaar: die leiden een leven van gebed en opoffering opdat de Kerk zich verder zou kunnen uitbreiden op aarde. Zo ondersteunde de heilige Teresia van Lisieux missionarissen door haar lijden en bidden. En zo ging de zalige moeder Teresa van Calcuta aan elke zuster in de slotkloosters vragen om te bidden voor één van haar in de wereld werkende zusters.

    Beste mensen, bidden we niet alleen dat de Heer blijft roepen, maar ook opdat de geroepenen in alle vrijheid ‘ja’ durven zeggen en daarbij Gods plan willen aanvaarden die Hij met hen heeft.

    Nemen we onze verantwoordelijkheidszin als Christen op, en spreken we terug met onze kinderen en kleinkinderen over het geloof, opdat er opnieuw roepingen uit de gezinnen kunnen opbloeien, opdat Gods koninkrijk hier in Vlaanderen niet ten gronde zou gaan. Amen. 
     
     


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.LAAT ME LEVEN. ( ABORTUS ).
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    O God laat me leven.
    Moeder Maria, Fatima, bid voor mij dat ze WEL om mij geven.

    Ik ben nu verborgen, en ik ben nog zo klein.
    Nu ben ik nog gelukkig, en voel ik me in deze moederschoot nog zo fijn.
    Maar krijg ik nog wel het recht om het leven in te gaan.
    Ik voel me angstig ik wil leven, ik wil in het aardse levenslicht komen staan.

    Ik ben nu al helemaal volgroeid, ook mijn zenuwen werken,
    nu zal ik dan ook de pijn gaan merken
    Ik voel het al aankomen,
    Ik kreeg al vreselijke dromen.

    Want mijn moeder wil mij verstoten,
    De Staat, doktoren, en ook mijn moeder die wil me doden.
    Mijn Vaders wil geschied, maar de grote mens moord, daarom zal ik het levenslicht nooit aanschouwen,
    Was ik maar in een ander moederschoot terecht gekomen, die staat te huilen om een kind te mogen behouwen.

    Dat de Staat, toch eens in zal zien, dat zij zelf de grootste moordenaars zijn.
    Zij denken dat zij het recht hebben over leven en dood , maar daarvoor zijn zij toch te klein
    Maar als het koordje breekt van het aardse leven, en zij naar de gene zijde gaan.
    Komen ze als moordenaars voor Gods troon te staan.

    Nu hebben ze nog geen benul, en lachen ze je uit.
    Maar owee de laatste uren, minuten, van het leven dan brullen ze het uit.
    Dan komt naar voren het leven hoe je op aarde leefde.
    Daar zul je gaan boeten in de duisternis omdat je niks om mensen geefde.

    Iedereen is toch geboren zonder hemd zonder broek.
    Jullie hebben ze toch ook het leven geschonken, en niet weggeduwd in een of andere hoek.
    Maria Fatima U geeft aan bid de Rozenkrans dat zal de zielen liefde geven en kracht.
    Want heeft Zij ook niet aangegeven, als men Mijn waarschuwen, niet aanneemt
    zal men zweren en bloedingen krijgen en dan is men een moeder die niet meer lacht.

    Dat we door Fatima's liefde en kracht.
    Dit moorden mogen overwinnen van de macht.
    Want de mens heeft geen recht, om te oordelen over leven en dood.
    Alleen God Onze Vader die beslist, die neemt ons leven, of Hij geeft ons dagelijks brood.



    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN JEZUS.





    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BEZINNING BIJ DE APOCALYPS.

    BEZINNING BIJ DE APOCALYPS.

    E.H. P. Van de Kerckhove. 

          Ik heb vroeger voor SGAG een reeks bezinningen gehouden over de zaligsprekingen in de Evangeliën en in het bijzonder in de Bergrede volgens Matteüs. Welnu, aansluitend bij het onderwerp van vandaag, nl. de betekenis van de Apocalyps van Johannes en vooral de waarde ervan voor onze tijd, wil ik u een tweetal bezinningen geven over de zaligsprekingen in de Apocalyps.  

    1ste zaligspreking is Apok. 1,3:

    “Zalig hij die luistert naar deze profetie en die in acht neemt, wat daarin geschreven staat, want de tijd is nabij.”

    2de zaligspreking is Apok. 14,13:

    “Zalig de doden die in de Heer sterven, van nu af aan.”

    Dat zou ik graag op mijn doodsprentje willen schrijven. De Apocalyps rijst diegene zalig die sterft in de Heer, d.w.z. diegene die volhardt tot het einde en die tot de dood trouw is aan de geboden van God. De eindvolharding is noodzakelijk ter zaligheid. Ook het Evangelie leert ons dat. De zaligsprekingen van de Apocalyps sluiten goed aan bij die van de Bergrede.

    3de zaligspreking is Apok. 16,15:

    “Zalig de mens die waakt en zijn kleren aanhoudt, dan hoeft hij niet naakt te gaan en ziet men zijn schaamte niet.”

    Deze zaligspreking wordt voorafgegaan door de waarschuwing: “Pas op! Ik kom als een dief in de nacht.” Uit het Evangelie is het ook duidelijk dat het over de Heer Jezus gaat die zal komen wanneer men hem niet verwacht.

    4de zaligspreking is Apok. 19,9:

    “Zalig zij die zijn uitgenodigd voor het Bruiloftsmaal van het Lam.”

    5de zaligspreking is Apok. 20,6:

    “Zalig zij die delen in de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht.”

    Diegenen die eerst verrijzen en met Christus heersen “duizend” jaren lang, zijn de martelaren. Ze zijn onthoofd omwille het getuigenis van Jezus. Over hen heeft de tweede dood geen macht zegt de Apocalyps. Na de dood van het lichaam, is er de dood van de ziel die gestraft wordt met de eeuwige verdoemenis in de hel. Dat noemt de Apocalyps de tweede dood.

    6de zaligspreking is Apok. 22,7:

    “Zalig die de profetische woorden van dit boek bewaart.”

    7de zaligspreking is Apok. 22,14:

    “Zalig zij die hun kleren zullen wassen. Ze zullen recht krijgen op de boom des levens en door de poorten de Stad mogen binnengaan.” 

    We bezinnen ons over de eerste en de tweede zaligspreking.  

    “Zalig hij die luistert naar deze profetie en die in acht neemt, wat daarin geschreven staat, want de tijd is nabij.”

          Men vindt al gelijkaardige aansporingen in de Evangeliën. “Gelukkig diegene die het Woord van God hoort en het onderhoudt.”, zegt de Heer als antwoord op een vrouw die tot Hem zegt: “Gelukkig de borst die U gezoogd heeft en de schoot die U gedragen heeft.” De Heer prijst veeleer diegene zalig die naar het Woord van God luistert en er naar handelt, diegene die het Woord van God ook concreet toepast en er naar leeft. Zijn daden zullen hem vergezellen.

          Het Woord van dit boek en van deze profetie beluisteren en het in acht nemen. Het is dezelfde zaligspreking die in 22,7 herhaald wordt. Dus ik maak er hier één enkele bezinning van. Het zijn dus twee passages in één bezinning. Luisteren en in acht nemen of trouw bewaren, het komt op hetzelfde neer. De Heer zegt in Zijn parabel van de zaaier: het deel dat op de goede aarde valt, zijn diegenen die vruchten voortbrengen door hun volharding. Dus trouw blijven en trouw blijven tot in de dood.

    “Sterven in de Heer”, zegt een andere zaligspreking van de Apocalyps.

    Wat betekent dat nu eigenlijk: “horen en bewaren, in acht nemen.”?

          Het wil ten eerste zeggen “er in geloven”, begrijpen wat de inhoud is van dit boek. Het is een moeilijk boek, vol met symbolische beeldspraak.

          Ten tweede wil het ook zeggen “de daad bij het geloof voegen” en vooral standvastig blijven in tijden van vervolging. Ik weet niet of wij wel zo standvastig zullen zijn als we vervolgd zouden worden. In Orissa in India worden christenen nu vreselijk vervolgd. Een man werd bijv. geleidelijk in stukken gekapt telkens als hij weigerde “Ja!” te antwoorden op de vraag: “Wil je Hindoe worden?” Telkens hij “Neen!” zegde werd er een stuk van zijn lichaam afgesneden. Hij is na uren doodgebloed en in stukken gesneden. Dat is een voorbeeld van echte trouw aan het geloof.

          De hemelse zaligheid is niet iets wat we automatisch krijgen, maar het is wel een beloning voor onze werken op aarde. In de Bergrede zegt Jezus: “Verheug u, want groot is uw loon in de hemel.” Het gaat om een beloning voor onze goede werken hier op aarde, dit is o.a. het doorstaan van vervolgingen en elk ander goed werk van Godliefde en naastenliefde. In de Apocalyps gaat om een vermaning om te volharden tot het uiterste. Zoals de zaligsprekingen in de Evangeliën een programma zijn van christelijke heiligheid, zo zijn de zaligsprekingen in de Apocalyps een speciaal programma voor de heiligheid van de christengemeenten in Asia.

          “Want de tijd is nabij”, zo zegt ook deze zaligspreking in de Apocalyps. De tijd, in het Grieks “kairos”, is hier in Apok. 1 een tijdstip in de geschiedenis, een kritisch ogenblik in de geschiedenis van de mensheid, heel in het bijzonder: “de eindtijd” (Apok. 22,10 – Rom. 13,11 – Hand. 1,7). Het beslissende moment waarover de ziener van Patmos het hier heeft, is uitsluitend de wederkomst van Christus in glorie op het einde van de wereld. Vandaar de herhaalde oproep tot bekering en berouw, een oproep tot geloof ook. “Doet boete en bekeert u.”, zo riep de Heer Jezus Zijn volk op bij Zijn eerste optreden en Zijn eerste komst aan het begin van Zijn openbaar leven. Ook vlak voor Zijn glorievolle wederkomst herhaalt Hij de waarschuwingen en Hij zal wederkomen als Heerser en Rechter! Bekeert u dus en doet boete en gelooft in de visioenen van de ziener van Patmos, want die tijd zal een tijd zijn van geweeklaag, van geweldige vervolgingen en geloofsafval, maar ook van heroïsche geloofsbelijdenis en martelaarschap. Sta dus aan de goede kant, bij de schapen en niet bij de bokken.

    Christus heeft toch overwonnen! 

    DE BETEKENIS VAN DE APOCALYPS VOOR ONZE TIJDEN.

    E.H. P. Van de Kerckhove. 

    “Apocalyps now” is een film over de oorlog in Vietnam waarin een kapitein van het leger wordt uitgezonden om een overloper uit te schakelen die zich als een god bij een lokale stam heeft gevestigd. Het ongeveer gelijknamige boek “Apocalyps van Jezus Christus aan Johannes.”, is het laatste boek van het Nieuwe Testament. Het heeft een hele tijd geduurd voordat de Kerk het boek toch in de canon van de Bijbel heeft opgenomen, precies omdat men maar moeilijk kon aannemen dat bepaalde doctrines die erin vervat liggen, overeenstemmen met het orthodoxe christelijke geloof. Ook de authenticiteit (is de apostel Johannes wel de auteur?) werd door de kerkvaders in twijfel getrokken om dezelfde reden.    

          Het Boek Apocalyps is eigenlijk een lange, profetische brief (22 hoofdstukken) aan de 7 kerken van Azië en het behoort tot een literair genre dat we apocalyptische literatuur genoemd hebben. Voor de inleiding over “wat is apocalyptische literatuur” verwijs ik naar het artikel in mijn tijdschrift “Gij zijt Petrus” van maart 2009. Daar geef ik de volgende definitie: “Openbaringsliteratuur in een fictief chronologisch kader met een transcendente realiteit, zowel in tijd als in ruimte, waarbij aardse gebeurtenissen geïntegreerd worden in het licht van de toekomstige, bovennatuurlijke wereld.”

          De Apocalyps is geschreven in de 1ste eeuw, volgens mij ten tijde van keizer Nero 64-68, om de kerken, de christengemeenten van Johannes, te waarschuwen en ook aan te moedigen.

    Een waarschuwing is tevens een aanmoediging.

          Theologisch is Apocalyps een Openbaring van Gods Raadsbesluit met de wereld. Het woord Apocalyps betekent “openbaring” en niet “catastrofe”. Apocalyps is in de eerste plaats een openbaring van een hoopvolle boodschap. Daarnaast zijn er onheilspellende gedeelten, maar die zijn secundair. Om de Apocalyps te begrijpen, moet men hem plaatsen in de context van de literatuur van die tijd en zelfs in de tijd van de 3de eeuw voor Christus. Het boek Daniël uit het O.T. behoort ertoe en het is misschien het eerste in dat genre. Er zijn ook apocriefe Apocalypsteksten, apocriefe geschriften die tot dat genre behoren maar die niet zijn opgenomen in de officiële canon van de Bijbel: bijv. Apocalyps van Baruch, Apocalyps van Petrus … enz. dus zowel in de Joodse als in de christelijke literatuur.

          De schoonheid van onze Apocalyps (aan Johannes) zit hem in zijn beeldspraak die typisch is voor dat soort literatuur. De apocriefe Henoch en het boek Daniël (dit laatste behoort wel tot de Bijbelse boeken) behoren tot dat soort literatuur. Het zijn boeken die spreken over de gebeurtenissen uit de eindtijd. Dat soort literatuur ontstond vaak in tijden van verdrukking of vervolging en had tot doel de onderdrukten (bijv. ballingen in Babylonië, de christenen van Azië) troost te brengen. Wat er nu gebeurt, is reeds voorzien in Gods eeuwig Raadsbesluit en op het einde zal de overwinning zijn voor diegenen die onderdrukt worden. Dat einde wordt dan, in het eindtijdperspectief, het ‘einde van de wereld’ genoemd, waarin God definitief zal zegevieren. We worden hier op aarde een tijdje vervolgd en met de dood bedreigd, of zelfs effectief ter dood gebracht. Maar God is met ons en God zal zijn uitverkorenen redden en wreken tegen Zijn vijanden. Op het einde heeft God toch de zege! God heeft het laatste woord tegen de onderdrukkers van de getrouwen.

          Zo spreken de Joodse Apocalypsen over een restauratie van Israël o.l.v. de Messias na de verwoesting van de tempel. Typisch voor dit soort literatuur is het hemelse visioen: de auteur wordt in hemelse extase gevoerd en beschrijft in zeer sterk symbolisch geladen beelden wat Gods raadsbesluit is met de wereld. De inhoud betreft het einde der tijden, het eindoordeel: straf of beloning. Dat zijn allemaal thema’s van dat soort literatuur, o.a. het boek Henoch. Henoch was de 7de stamvader na Adam en hij maakte een reis door de hemel waar hij symbolische visioenen heeft van wat er gebeurd is en van wat er gebeuren zal. Het boek Daniël o.a. is in dezelfde trant.  

          De val van de slechte engelen en de schepping van de hel worden verhaald in het boek Henoch (uit de 3de eeuw voor Christus). De figuur van de Mensenzoon komt voor het eerst voor in het boek Daniël. De eindverrijzenis komt ook daarin ter sprake. In dat soort literatuur spreken cijfers een grote rol. Men heeft herhaaldelijk getracht het einde van de wereld te berekenen … te vergeefs!

          Ons boek Apocalyps is een boek dat ontstaan is in tijden van grote vervolging of grote crisis en het brengt de openbaring dat wat gebeurd is, in overeenstemming is met Gods Raadsbesluit. Dus: heb goede moed, want God komt tussenbeide en God is de Eindoverwinnaar. Andere Apocalypsen zijn nog  geschreven in de 1ste eeuw: IV Esdras en II Baruch. Dat is dus ook onze Apocalyps aan Johannes. Qua literair genre zijn er gelijkenissen tussen die drie. Daar zijn studies over geschreven. In de literatuur van Qumran zit ook heel wat apocalyptische literatuur. Er is o.a. een manuscript over de ultieme strijd tussen de zonen van het licht o.l.v. Michaël en de zonen van de duisternis o.l.v. Belial. De Evangeliën stellen Jezus voor als de apocalyptische profeet die beelden gebruikte o.m. uit Daniël (De Mensenzoon zal komen op de wolken …). Hij sprak over het goddelijke oordeel en over de catastrofale gebeurtenissen uit de eindtijd.

          De vraag die wij ons stellen, is: “Voor wanneer is dat einde en voor wanneer is de wederkomst van Jezus Christus? Is het voor volgende maand of is het voor volgend jaar? Kunnen we, aan de hand van de gegevens van Apocalyps, bepalen voor wanneer het is?” Ik zeg u meteen: “Neen!”, en misschien ontgoochel ik u. Daarvoor is de Apocalyps te vaag. We kunnen niets met meer historische zekerheid zeggen dan wat we leren uit de Evangeliën waar de Heer Jezus zegt: “Gij kent dag noch uur.” De getuigen van Jehova besluiten dan maar: “Ge kent niet dag of uur, maar ge kent wel de maand of het jaar.” Maar ze hebben zich al zo vaak vergist . …

          De Apocalyps beschrijft een reeks van catastrofes, rampen, verwoestingen, oorlogen die over een deel van de mensheid komen als deel van Gods plan voor het oordeel over de goddeloze mensheid. Maar men mag zich niet vastpinnen op die onheilstijdingen alsof er ons vreselijke dingen te wachten staan in de toekomst. De Apocalyps is geschreven door Johannes om zijn christen gemeenschap te waarschuwen en aan te moedigen om trouw te blijven of zich te bekeren en, waar nodig, terug te keren tot de geloofsijver. Maar dat is niet alleen voor de generaties van christenen in de laatste tijden van het einde van de wereld, maar is ook voor ons in 2009 bedoeld.  

          We beleven een crisistijd waarin de Kerk van Christus wordt beproefd en we zijn soms geneigd om ontmoedigd te worden in een heidens wordende wereld. Ook wanneer we zien hoevelen van onze vrienden en familie van het geloof vervreemd geraakt zijn. Gods oordeel of heilsplan is een Raadsbesluit en dat ontvouwt de ziener van Patmos en ik denk, ook al zijn er eschatologische passages, dat de ‘rode draad’ van het boek Apocalyps er een is van aanmoediging voor zijn tijd, voor onze tijd, en ook voor de tijd na ons, hoe lang de wereld ook nog zal duren. Maar Johannes doet dat met beelden van Oud Testamentische profetieën en Joodse apocalyptiek. 

          Ik heb u uitgelegd wat voor literair genre dat is. De tijd waarin Johannes schreef, was er een van vervolgingen, maar ook nu worden christenen vreselijk vervolgd. In Islamitische landen zoals Turkije, Arabië, Soedan en door Hindoes in Orissa. … Het woord Apocalyps betekent dus niet “catastrofe” maar “openbaring” van wat Gods oordeel is over de mensheid en de hoop op verlossing wordt er in uitgedrukt. Het is verkeerd overwegend het catastrofale aspect ervan te benadrukken en er een rampenscenario van te maken, een “thriller” voor het einde van de wereld. 

    Nu een woordje over de symbolen van de Apocalyps.  

          Zo is er het symbool van de vier levende wezens, symbool voor de gehele schepping en de gehele schepping die God verheerlijkt.

          Zo is er ook het Lam voorgesteld als geslacht. Welnu, dat is uiteraard een beeld voor Jezus Christus Die gestorven is en men denkt daarbij aan het Paaslam en de uittocht van de Joden uit Egypte. Jezus, ons Paaslam van het einde der tijden, is het Lam Gods dat ons bevrijd heeft uit de slavernij van de  zonde.

          Zo is er het boek met “zeven zegels” dat alleen het Lam kan openen. Jezus heet de Oud Testamentische profetieën vervuld en de definitieve overwinning behaald op het kwaad dat wordt voorgesteld in een reeks van 3 X 7 plagen. De 7 trompetten is daar een reeks van. Maar men moet daar geen chronologische tijdsorde geven aan die opeenvolgende reeksen. Het is gewoon een multiforme manier om dezelfde realiteit te beschrijven van de heilsactiviteit van Christus tot aan het hemelse Jeruzalem (de Apotheose!).

          De draak is nog zo een beeld: de Kerk van Rome kan ermee bedoeld zijn, als je er een historische interpretatie wilt aan geven. Maar de draak is ook het antieke serpent, Satan dus die Eva en Adam heeft verleid en die de strijd zal aanbinden met de christenen (het nageslacht van de Vrouw Gen. 3). Maar hij is definitief overwonnen door het kruisoffer van Christus. Dat weet de duivel ook! Maar toch tracht hij er zoveel mogelijk te doen afdwalen van het ware geloof!

          Nog zo een beeld is het dier uit de zee (Apok. 13). Men kan daarin het Romeinse Rijk zien. Er is ook een dier van het land, een karikatuur van de Heilige Geest. Het getal van het beest is 666 en dit is een karikatuur van de Heilige Drieëenheid, een pervertering van de Drieëenheid. De duivel wil de Heilige Drieëenheid nabootsen (u weet, de duivel is de aap van God!).

          Babylon is een ander beeld. In de Apocalyps bedoelt men daarmee het heidense Rome. Babylon had Jeruzalem verwoest en de inwoners in ballingschap gevoerd. Welnu, het heidense Rome zal hetzelfde doen. In Apok. 17,18 wordt dat heidense Rome de grote prostituee genoemd, gezeten op zeven heuvels. Het gaat hier dus om het heidense Rome. Luther zegde dat die grote prostituee het pauselijke Rome was en de Heilige Mis was voor hem de grootste afgoderij die er bestond. Typisch voorbeeld van hoe de Apocalyps misbruikt wordt, nu nog door de Evangelische christenen en allerlei sektarische stromingen. We moeten dus afstand nemen van al te enge historische toepassingen die de auteur er nooit heeft willen inleggen. Met Babylon bedoelde Johannes  (en ook 1 Petrus) het heidense Rome. De Bijbel moet geïnterpreteerd worden in de Kerk.

          Het hemelse Jeruzalem is het nieuwe Jeruzalem van hierboven. Dat is de Kerk, volgens Sint Paulus. Het oude Jeruzalem, met zijn tempel, heeft afgedaan en is trouwens vernietigd geworden. De Kerk zal haar definitieve dimensie ingaan in de hemel. Het hemelse Jeruzalem is een beeld voor de toekomstige Kerk in de eindfase! Het is de antithese van de prostituee in hoofdstuk 17. Het is de Bruid van het Lam. Het is een beschrijving ontleend aan Ezechiël 40. 

    Is het einde van de wereld nabij?  

          Er is al zo vaak over het einde van de wereld voorspeld geworden. Toen de Vandalen in Noord-Afrika binnenvielen, zegden de christenen dat dit het einde van de wereld was. Toen de Islam zich verspreide als een lopend vuurtje (in minder dan 100 jaar was geheel het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Spanje onder de voet gelopen) zegden de christenen ook dat dit het einde van de wereld was. In tijden van economische recessie en religieuze crisis, tijden van geloofsafval zoals we nu zien, is men ook rapper geneigd om er het einde van de wereld in te zien en men leest de Apocalyps met een vooroordeel, d.w.z. met een gekleurde bril op. Als je de Apocalyps leest, moeten de glazen van je bril gewoon transparant zijn en niet gekleurd.

          De Antichrist kan een persoon zijn. Luther dacht dat het de paus was en hij was ervan overtuigd dat hij nog gelijk had ook! Ik heb de algemene overste van de Pius X broederschap in een conferentie  voor seminaristen in Ecône horen zeggen dat de stoel van Petrus bezet is door de Antichrist.  

          De Antichrist (Paulus spreekt van de man van het verderf) zal komen vóór Christus’ glorievolle wederkomst. Maar de Antichrist is reeds aan het werk, er zijn vele Antichristen zegt Johannes in een van zijn Brieven. Oorlogen, vervolging, rampen zijn er altijd geweest. Maar er komt een eindstrijd op het einde van de wereld. Dan zal Christus overwinnen en er zal een Laatste Oordeel zijn en de verrijzenis van alle doden. Wat zijn de tekenen van de eindtijd en van het einde van de wereld en de glorievolle wederkomst? Welnu, dat vroegen de apostelen reeds aan O. L. Heer en de Heer antwoordde daarop: “Let op dat niemand u misleidt want er zullen schijn christussen opstaan, die zelfs schijnwonderen zullen doen, charlatans. … De Maitreya is zo’n figuur die wordt voorgesteld als een christus van de eindtijd.  

          De Antichrist kan ook een macht zijn en er kan Rome mee bedoeld zijn in de tijd van de apostelen Johannes en Paulus. Zijn nederlaag zal het begin zijn van de definitieve triomf. Het Romeinse Rijk is christelijk geworden. Na het Romeinse Rijk kwamen er allerlei barbaarse koninkrijken en men zag daarin de vederzetting van allerlei apocalyptische profetieën. Dan kwam de Islam en die werd dan weer beschouwd als de Antichrist die het Byzantijnse Rijk zal aanvallen. Gewoonlijk voegde men dan nog wat profetieën toe van eigen makelij: er zou een laatste Griekse keizer komen om de Islam te verslaan en om Jeruzalem te heroveren en de christelijke autoriteit er terug te vestigen (Dat schreef dus een Syrische “profeet”, de zogenaamde pseudo-Methodius in de 7de eeuw).

          In de westerse versie wordt die laatste keizer een “Franse koning” en die zou komen bij de eerste kruistocht (1095) die een apocalyptische dimensie had. Het 6de hoofd van de draak, daar maakte men Saladin van, de tegenstrever van Richard Leeuwenhart. Het 7de hoofd is dan de Antichrist. In 1213 noemde men zelfs Mohamed de Antichrist aan wie men het cijfer 666 geeft.  

          Ook nu zien we weer in conflicten in onze tijd de apocalyptische dimensie opdoemen (o.a. de oorlog ik Irak). De dreiging van de Islam is er niet minder om geworden. Integendeel, het religieus en moreel verval is nog niet het einde van de wereld. Er is de dreiging van de atoomoorlog, die heel de wereld kan verwoesten en die dreiging is nog altijd reëel. Maar vooral is het nodig de Boodschap van de Heer te volgen: “Wees voorbereid opdat wanneer de Heer komt Hij u niet slapend zou vinden, maar waakzaam in het vervullen van uw plichten. …”  

          Dan komt het einde. Opgelet! Op een moment dat je het niet verwacht, komt de Heer. Dat is veel belangrijker dan alle gespeculeer en geprofetiseer over apocalyptische, echte of valse openbaringen, over de eindtijd.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE CHRISTUSREIS NAAR DE EEUWIGHEID. ( DEEL 6 ).
     

    Een vreemd gedenkteken.

    Aan de andere kant van de vlakte kwamen de pelgrims, zoals ik wel zag, aan een zekere plaats, waar een oud gedenkteken stond, zeer dicht aan de openbare weg, waarover zij beiden zeer verwonderd waren, vooral vanwege zijn vreemde vorm; want het scheen een vrouw, veranderd in de gedaante van een pilaar.

    Hier stonden zij, keken en keken weer, maar wisten voor een tijdje niet, wat zij daar uit opmaken moesten.

    Ten laatste ontdekte HOPENDE, boven aan het hoofd, een zeer ongewoon handschrift. Omdat hij niet geletterd was, riep hij CHRISTEN, die een geleerde was, om te zien, of men er de bedoeling niet uit kon vatten. Deze, na het samenvoegen van de letters, las er dit uit: Gedenkt aan de vrouw van Lot (Luc.17:32). Nadat hij dit zijn makker had voorgelezen, besloten zij beiden, dat dit de zoutpilaar (Gen.19:26) was, waarin Lots vrouw veranderde, toen zij met een gierig hart omzag naar Sodom, waaruit zij, om behouden te worden, was gevlucht. Dit onverwacht en verbazingwekkend gezicht gaf hun beiden aanleiding tot het volgende gesprek:

    CHRISTEN. "Ach, mijn broeder! Dit is een gezicht dat op tijd en zeer van pas komt, juist nadat wij door DEMAS zo genodigd zijn, om de heuvel GEWIN te zien. Waren wij overgegaan, zoals hij ons verzocht en waartoe u wel genegen was, mijn waarde broeder, wij waren, denk ik, zelf al tot een voorbeeld gemaakt voor anderen, die na ons zullen komen, evenals deze vrouw."

    HOPENDE. "Ik ben bedroefd, dat ik ooit zo dwaas ben geweest; en verwonder mij, dat ik niet ben geworden als deze vrouw; want wat verschilde toch haar zonde van de mijne? Zij zag alleen maar om en ik was begerig, heen te gaan en te zien. Ach, dat de genade hiervoor worde geloofd en dat ik beschaamd sta, dat ooit zoiets in mijn hart is opgeklommen!"

    CHRISTEN. "Laat ons, wat wij hier gezien hebben, goed opmerken, om er ons van te bedienen in de toekomst. Deze vrouw ontkwam het ene oordeel; zij kwam niet om in het verderf van Sodom en toch werd zij verdorven door een ander, zoals wij daar zien; zij is in een zoutpilaar veranderd."

    HOPENDE. "Zo is het en zij dient ons beiden tot een waarschuwing en tot een voorbeeld: tot een waarschuwing, opdat wij haar zonde mijden; en tot een voorbeeld, ons lerende, welk oordeel wij te wachten hebben, als wij ons niet laten waarschuwen. Zo werden Korach, Dathan en Abiram en de twee honderd vijftig mannen, die met hen omkwamen, tot een waarschuwend voorbeeld voor anderen (Num.16). Maar over één zaak ben ik zeer bekommerd en dat is, hoe DEMAS en zijn metgezellen zo ijverig naar deze schatten kunnen jagen, daar deze vrouw, die er slechts naar omzag - want wij lezen niet, dat zij ook maar één voetstap van de weg gegaan is - in een zoutpilaar is veranderd, vooral, daar dit oordeel haar tot een voorbeeld voor anderen gemaakt heeft en dat juist voor hun ogen, want zij kunnen niet opzien, of zij is in hun gezicht."

    CHRISTEN. "Het is een verwonderenswaardige zaak, die bewijst, dat zij hierin geheel overgegeven zijn; ik weet niet, met wie ik hen beter moet vergelijken, dan met die dieven, die in tegenwoordigheid van de rechter, of wel onder de galg zelf, een beurs en een zak roven.

    Van de mannen van Sodom wordt gezegd, dat zij zeer grote zondaars waren (Gen.13:13), omdat zij zondaars waren tegen de Heere; dat is onder het gezicht van de Heere en dat niettegenstaande de weldadigheid, die Hij hun bewezen had. Want het land van Sodom was de lusthof van Eden (Gen.13:10). Daarom verwekte dit de Heere tot jaloersheid en maakte hun plaag zo heet, als het vuur van de Heere buiten de hemel die maken kon. Men kan met bijna volkomen zekerheid besluiten, dat dezulken, ja juist degenen, die zó zondigen, in het gezicht, ja in verachting van alle zulke voorbeelden als hun steeds ter waarschuwing worden voorgesteld, eens de allerstrengste oordelen ondervinden zullen."

    HOPENDE. "Zonder twijfel is dit alles de waarheid. Maar wat een genade is het, dat noch u en bijzonder ik zelf niet tot zo'n voorbeeld voor anderen gesteld zijn. Dit geeft ons stof om God te danken, Hem steeds te vrezen en gedurig te gedenken aan de vrouw van Lot."

    De Rivier des Levens.

    Ik zag dan ook, dat zij hun weg vervolgden tot aan een schone rivier, die koning David noemt de rivier Gods (Ps.65:10) en Johannes de rivier van het water des levens (Openb.22:1).

    Hun weg lag nu juist langs de oever van de rivier; en hier wandelden zij daardoor met groot vermaak. Zij dronken ook van het water van deze rivier, dat zeer verkwikkend was en hun vermoeide geest als herleven deed. Aan de andere zijde van de rivier stonden langs de kant allerlei groene vruchtdragende bomen; de vruchten van de bomen vonden zij verrukkelijk en de bladeren waren ter genezing, wanneer hun bloed door het reizen zeer verhit was; zij waren zeer goed tot voorkoming van de overlading van de maag en andere ziekten, die daardoor plegen te ontstaan. Aan de rivier lag ook een zeer fraaie weide, beplant met lelies; zij was het hele jaar groen. Hier legden zij zich neer (Ps.23:2 en 22:27) en sliepen, want zij mochten dit hier gerust doen. Toen zij wakker werden, verzamelden zij weer enige vruchten van de bomen, die zij aten; dronken meteen van het water van de rivier en legden zich toen weer te slapen. Dit deden zij verscheidene dagen en nachten en zongen toen:

    Ziet hier kristallijnen stromen

    De lieve wei, de levensbomen,

    Tot troost der pelgrims, dat hun ziel

    Niet machteloos ter neder viel:

    En door gebrek aan spijs of vocht,

    Niet op de weg bezwijken mocht.

    O plaats, zo lieflijk en zo heerlijk!

    O plaats, zo troostrijk en begeerlijk!

    Die maar uw vrucht, ja blaad'ren kent,

    Is zo van d'aardse look ontwend,

    Dat hij al, wat ooit d'aarde gaf,

    Verkoopt als voor zijn ziel te laf.

    (Wijze Ps.105)

    Toen zij nu weer reisvaardig waren, want hun reize was nog niet ten einde, aten en dronken zij nog eens en vertrokken daarop weer.

    De weide met het Bijpad.

    Nu zag ik in mijn droom, dat zij niet ver gereisd waren, of de weg scheidde zich voor een moment van de rivier af, waardoor zij niet weinig ontsteld werden; evenwel durfden zij niet van de weg af te gaan. Hier was de weg zeer hobbelig en hard en hun voeten waren door het reizen buitengewoon teer; daarom werden hun zielen verdrietig vanwege de weg (Num.21:4), en wensten zij een betere.

    Aan de linkerzijde van de weg lag een weide en een plank om daarover de weide in te gaan; de weide wordt gewoonlijk genoemd de WEIDE MET HET BIJPAD. Toen zei CHRISTEN tot zijn medereiziger: "Indien deze weide langs onze weg loopt, laat ons daarin overgaan." Meteen ging hij naar de plank om het te onderzoeken; en zie, er lag juist een voetpad, ter zijde langs de weg. "Ach!" riep hij, "dit is juist, zoals ik het wenste. Het is hier het gemakkelijkst te gaan. Komaan mijn goede HOPENDE, laat ons erover gaan."

    "Maar", zei HOPENDE, "indien dit pad ons van de weg afleidt, wat dan?"

    CHRISTEN antwoordde: "O, dat zie ik niet zo, kijk eens, ligt het niet vlak langs de weg?" En zo liet zich HOPENDE door zijn metgezel bewegen en volgde hem de plank over. Het BIJPAD vonden zij zeer gemakkelijk voor hun voeten en vooruitziende, merkten zij iemand op, die voor hen uitliep. Zijn naam was IJDEL VERTROUWEN. Deze riepen zij toe en vroegen hem, waar deze weg heenleidde.

    Hij zei: "Naar de Poort des Hemels."

    "Ziet u nu wel," zei CHRISTEN, "dat het is, zoals ik u zei en dat wij de juiste weg houden"; en zij volgden hem, terwijl hij ook voortging. Maar zie, het werd nacht en weldra was het erg donker; zodat zij, die achter gingen, niet meer zien konden degene, die voor hen was.

    Hij echter, die hen voorging, IJDEL VERTROUWEN genaamd, de weg niet ziende die voor hem was, viel in een diepe kuil, daar door de Vorst van het land gemaakt, om ijdel roemende dwazen daarin te doen storten (Jes.28:13). Hij werd door deze val geheel verbrijzeld.

    CHRISTEN en zijn reisgenoot hoorden hem vallen en riepen, maar daar was geen antwoord: alleen hoorden zij enig zuchten. Toen zei HOPENDE: "Waar zijn wij nu?"

    Doch CHRISTEN zweeg stil, mismoedig, omdat hij hem van de weg getroond had. Het begon nu ook zwaar te regenen, te donderen en te weerlichten en dat op een zeer vervaarlijke wijze; ook rezen de wateren zeer hoog.

    "Ach!" zei HOPENDE met een zucht, "Had ik toch mijn weg maar gehouden!"

    CHRISTEN. "Wie zou gedacht hebben, dat dit pad ons zo van de weg leiden zou?"

    HOPENDE. "Ik was er in het begin al bang voor, daarom gaf ik u zo'n welwillende waarschuwing. Ik zou wel duidelijker gesproken hebben, maar u bent ouder dan ik."

    CHRISTEN. "Mijn goede broeder, wees niet boos. Ik ben bedroefd, dat ik u van de weg afgeleid en in zo'n bedenkelijk gevaar gebracht heb. Ik bid u, broeder, vergeef het mij, ik deed het niet met kwade bedoelingen."

    HOPENDE. "Wees gerust, mijn broeder, ik vergeef het u, en geloof ook, dat het voor ons bestwil zal zijn."

    CHRISTEN. "Ik ben blij, dat ik zo'n barmhartige broeder gevonden heb. Maar wij moesten hier niet blijven staan, laten we proberen terug te gaan."

    HOPENDE. "Maar laat mij voorgaan, waarde broeder."

    CHRISTEN. "Ach neen, als het u belieft, laat mij eerst gaan, opdat ik eerst in gevaar mag komen als het er is, daar wij beiden door mijn schuld van de weg geraakt zijn."

    HOPENDE. "Neen, dat zult u niet; want daar uw gemoed nog in beroering is, zoudt u misschien het spoor andermaal bijster raken."

    Toen hoorden zij tot hun bemoediging een stem, die zei: "Zet uw hart op de baan, op de weg die gij bewandeld hebt, keert weder" (Jer.31:21). Doch de wateren waren zo hoog gestegen, dat het inderdaad zorgelijk was om weer langs die weg terug te keren. Toen dacht ik: immers is het gemakkelijker van de weg af te gaan, als wij er op zijn, dan er weer op te komen, als wij er af zijn. Evenwel waagden zij de terugtocht. Doch het was zo duister en de vloed steeg zo hoog, dat zij op hun tocht wel negen of tien keer gevaar liepen te verdrinken.

    Zij konden, wat zij ook deden, die hele nacht de plank, waarover zij gekomen waren, niet terugvinden, om welke reden zij eindelijk gingen zitten in een schuilplaatsje, waar zij wilden blijven, tot de dag aanbrak. Maar afgemat en vermoeid vielen zij in slaap, CHRISTEN en HOPENDE.

    Kasteel Twijfeling en de reus Wanhoop.

    Niet ver van daar lag een kasteel, genaamd het kasteel TWIJFELING (Ps.88:16); de eigenaar ervan was de reus WANHOOP; en zij lagen thans op zijn grond te slapen.

    Toen hij nu des morgens vroeg opstond en het veld op en neer wandelde, vond hij de beide vrienden op zijn grond slapende. Hij riep met een gramstorig gemoed en zeer trotse stem, dat zij ontwaken moesten, terwijl hij hun meteen de vraag voorlegde, waar zij vandaan kwamen en wat zij daar op zijn grond deden. Zij zeiden, dat zij op reis en verdwaald waren. Hij zei, dat zij zich aan hem vergrepen hadden, met in zijn veld te slapen en zich daar neer te leggen en dat zij derhalve met hem mee moesten gaan. Aldus gedwongen met hem te gaan (want hij was veel sterker dan zij), hadden zij zeer weinig te zeggen, want zij wisten zichzelf schuldig.

    De reus dreef hen intussen voor zich uit en sleepte hen in het kasteel, waar hij hen wierp in een zeer duister hol, stinkende en afschuwelijk voor deze twee mannen. Hier lagen zij van woensdagmorgen tot zaterdagnacht (Hosea 6:2) zonder een kruimel brood of een druppel drank, zonder licht en zonder dat iemand hun vroeg, hoe het hun ging. Zij waren derhalve in een slechte toestand en van hun vrienden en bekenden ver afgescheiden. In deze plaats nu had CHRISTEN dubbele droefheid, omdat zij door zijn onvoorzichtige raad in deze moeilijke toestand gekomen waren.

    De reus WANHOOP, met zijn vrouw ONGELOOF te bed zijnde, vertelde haar, wat hij gedaan had, hoe hij een tweetal gevangenen in de kerker had geworpen, omdat hij hen op zijn grond had gevonden en vroeg haar ook, wat hij het best met hen doen kon. Zij vroeg, wat voor slag het was, waar zij vandaan kwamen en waar zij heen wilden; en dat alles zei hij haar. Toen gaf zij hem de raad, hen bij het opstaan eens flink af te rossen zonder enig medelijden met hen te hebben.

    Opstaande, nam hij een vervaarlijke stok, een knuppel van een zure appelboom, ging daarmee in de kerker, viel op hen aan en sprong met hen om, alsof zij honden waren, ofschoon zij hem niet één ongepast woord toespraken. Hij sloeg hen zo vreselijk, dat zij niet in staat waren, zich van de grond op te heffen. Toen dit gedaan was, ging hij weg en liet hen liggen; zij mochten daar hun ongeval beklagen en hun druk betreuren. Zij brachten de hele dag daarmee door, niet anders doende dan zuchten en bitter kermen.

    Toen ONGELOOF de volgende nacht met haar man over de gevangenen sprak en van hem begreep dat zij nog leefden, ried zij hem, hun aan te raden zich van kant te maken. Dus ging hij, zodra de morgen gekomen was, zeer trots tot hen, evenals hij tevoren gedaan had; en toen hij bemerkte, dat zij nog veel pijn leden door de slagen, die hij hun de vorige dag gegeven had, zei hij, dat er geen andere weg voor hun open was, dan een einde aan hun leven te maken, hetzij met een mes, met een strop, of door vergif, daar er toch geen kans was, ooit vrij te komen. "Want," zei hij, "waarom zou u het leven langer kiezen, daar u ziet, dat het met zoveel bitterheid vergezeld is." Doch zij baden hem, dat hij hen toch wilde laten gaan. Toen hij dit hoorde, zag hij hen zeer lelijk en vervaarlijk aan en viel op hen aan en zou hen ongetwijfeld hebben omgebracht, als hij niet een stuip had gekregen, die hij soms krijgt, als de zon schijnt, waardoor hij dan voor een tijd zijn handen niet kan gebruiken. Daarom ging hij weg en liet hen liggen zoals zij waren, aan henzelf de keus latende wat hun te doen stond. De gevangenen overlegden zulks nu met elkaar en spraken als volgt:

    CHRISTEN. "Broeder, wat zullen wij doen? Dit is een ellendig leven voor ons. Wat mij betreft, ik weet niet, wat beter is: zo te leven of straks te sterven. Mijn ziel kiest de verworging meer dan het leven (Job 7:15). En het graf is mij liefelijker dan deze spelonk. Zullen wij ons hier laten overheersen door deze reus?"

    HOPENDE. "Onze tegenwoordige toestand is in waarheid vreselijk en de dood zou mij veel welkomer zijn, dan altijd zo te leven. Laat ons echter wel bedenken, dat de Heere naar Wiens land wij heenreizen, gezegd heeft: Gij zult niet doden (Exod.20:13); neen, niet alleen een ander, veel minder moet het in ons hart opklimmen, ons zelf van het leven te beroven; wie een ander doodslaat, verderft slechts het lichaam, maar wie zichzelf doodt, doodt ziel en lichaam tegelijk. U spreekt van de rust in het graf, die u liefelijk toeschijnt; bent u dan de hel vergeten, mijn broeder, waarin de doodslagers zeker komen zullen? Want geen doodslager zal het rijk Gods beërven. Laat ons ook bedenken, dat de reus WANHOOP niet alle macht in handen heeft. Daar zijn er wel meer door hem gevangen genomen, naar ik verstaan heb, net zo als wij, die evenwel aan zijn handen ontkomen zijn. Wie weet of God, die de wereld geschapen heeft, de reus WANHOOP niet zal doen sterven. Het kon de een of andere keer ook nog wel eens gebeuren, dat hij vergat, het slot dicht te doen; ook kan hij binnenkort weer een stuip krijgen en daardoor het gebruik van zijn leden verliezen. Doch hoe het zij, ik voor mij ben besloten, manmoedig te zijn en het uiterste te wagen, om te beproeven, of wij ons aan zijn handen niet kunnen ontworstelen. Ik ben dwaas, dat ik het niet eerder gepoogd heb. Laten wij, mijn broeder, intussen lijdzaam zijn en voor een tijd verdragen; het kon nog wezen, dat wij een gelukkige verlossing verkregen; alleen laat ons geen zelfmoordenaars worden!"

    Door deze woorden stemde HOPENDE het gemoed van zijn broeder wat tot tevredenheid. Zij zaten echter in het duister, in deze treurige toestand de hele dag door.

    Omstreeks de avond ging de reus weer naar beneden in de spelonk om te vernemen of zijn gevangenen zijn raad hadden opgevolgd. Maar toen hij bij hen kwam vond hij ze levend, ja waarlijk levend: het was al leven, wat aan hen was. Want hoewel zij door gebrek aan brood en drank en door de wonden, die de slagen hun hadden toegebracht, weinig meer hadden kunnen doen dan snikken en adem halen, waren zij nu weer vaardig en levendig. Dus begon hij zeer te tieren en vreselijk te razen en zei, dat het nu, omdat zij zijn raad niet hadden opgevolgd, veel erger voor hen zijn zou en dat zij zouden wensen nooit geboren te zijn. Dit deed hen zeer beven en ik dacht, dat CHRISTEN flauw viel. Maar toen zij een weinig tot zichzelf gekomen waren, hervatten zij hun gesprek over de raad van reus WANHOOP en of het goed was, die op te volgen of niet. CHRISTEN scheen genegen te zijn, hem op te volgen, maar HOPENDE sprak daar weer tegen in als volgt:

    "Mijn broeder, gedenkt u niet meer, hoe dapper u voor dezen waart? APOLLYON kon u niet verbazen, noch al wat u in de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS gehoord, gezien en gevoeld hebt. Welk leed, welke verschrikking en verbaasdheid hebt u reeds doorgeworsteld en bent u nu niets dan vrees? U ziet, dat ik, een man, veel zwakker van natuur dan u, met u in dezelfde kerker ben. De reus heeft zowel mij verwond als u, en niet alleen u, maar ook mij de spijs en drank onthouden; net zoals u lig ik hier in het duister te klagen. Maar laten wij meer lijdzaamheid oefenen!

    Gedenk, hoe u zich een man betoonde op de IJDELHEIDSKERMIS, en dat u noch door ketenen, noch door gevangenis, ja ook niet door een gewelddadige dood was af te schrikken. Derhalve, laten wij, al was het alleen om die blaam, die het immers het Christendom niet past te dragen, af te wenden, alles met lijdzaamheid opnemen zoveel ons mogelijk is."

    Toen de nacht gekomen en de reus weer bij zijn vrouw was, vroeg zij hem hoe het stond met de gevangenen en of zij zijn raad opgevolgd hadden. Hij antwoordde: "Dat zijn hardnekkige schelmen; zij willen liever alle wreedheid verduren dan zichzelf van kant maken." Zij zei daarop: "Breng hen morgen eens mee in de hof van het kasteel en toon hun de beenderen en schedels van hen, die reeds om zeep gebracht zijn. Zeg hun ook, dat zij gerust geloven kunnen, dat je hen, eer een week ten einde loopt, even goed in stukken zult scheuren als je hun makkers hebt gedaan."

    Nauwelijks was de morgenstond verschenen, of de reus ging weer tot hen, sleepte hen in de hof en toonde hun de beenderen, die daar lagen, zoals zijn vrouw hem geboden had. "Deze," zei hij, "waren eertijds reizigers, zoals u nu bent, zij kwamen op mijn grond, zoals u hebt gedaan; toen het mij goed dacht heb ik hen in stukken gescheurd; en nu, eer tien dagen ten einde zijn, zal ik met u ook zo doen. En nu direkt weer naar uw hol toe."

    En terwijl zij zich omkeerden, sloeg hij hen en dreef hen al slaande de hele weg langs. Daar lagen zij nu zeer erbarmelijk tot de zaterdag toe.

    Weer kwam de nacht en bevond zich vrouw ONGELOOF met haar man, de reus WANHOOP, te bed; weer spraken zij over de gevangenen en de oude reus toonde zich zeer verwonderd, dat hij noch door zijn slagen, noch door zijn raad hen aan hun einde had kunnen brengen. Zijn vrouw zei: "Ik vrees, dat zij in hoop leven, dat er nog iemand zal komen, die hen zal verlossen, of dat zij ergens een sluiphol zullen vinden, om daardoor te ontkomen."

    "Denk je dat, mijn waarde?" antwoordde de reus, "ik moet hen morgen dan eens opnieuw beproeven."

    De gevangenen begonnen intussen midden in de nacht, dit was zaterdags, met elkaar te bidden, en volhardden daarin, tot de dag begon aan te breken.

    Een weinig vóór het aanbreken van de dag brak de goede CHRISTEN in verbazing uit in deze zichzelf beschuldigende woorden: "Wat een dwaas ben ik toch, dat ik in dit stinkende hol blijf liggen, terwijl ik even goed in vrijheid kon wandelen; ik heb immers een sleutel op mijn hart, BELOFTE genaamd; deze kan zeker elk slot van dit kasteel TWIJFELING openen."

    "Aha, dat is goed nieuws, mijn lieve broeder!" zei HOPENDE, "haal hem er eens uit en laten wij het eens proberen."

    Dit deed CHRISTEN: hij trok de sleutel onder zijn kleren vandaan en probeerde hem toen eens op het slot van de kerkerdeur, en zodra hij hem omdraaide, schoot de grendel achterwaarts; de deur ging gemakkelijk open en CHRISTEN en HOPENDE gingen er beiden door. Toen traden zij ook naar de buitendeur, die naar de hof van het kasteel leidde en openden met de sleutel ook deze deur. Daarna gingen zij naar de ijzeren poort (want ook deze moest geopend worden), maar dit slot ging geweldig zwaar open; toch ontsloot de sleutel ook deze poort. Eindelijk waagden zij het de poort te openen om alzo spoedig hun weg te vervolgen. Maar de poort kraakte zo vreselijk, toen zij geopend werd, dat zij de reus WANHOOP wakker maakten, die zeer haastig opstond met het voornemen zijn gevangenen te achtervolgen. Maar hij gevoelde, dat hij zijn ledematen niet tot zijn beschikking had; want hij werd door zijn stuipen weer zo overvallen, dat het hem geheel onmogelijk was hen na te lopen. Zij liepen inmiddels vlug voort en kwamen weer op 's konings hoofdweg; en toen waren zij veilig, want zij waren nu buiten de invloedssfeer van de reus.

    Toen zij de plank weer over waren, overlegden zij met elkaar, welk teken zij hier het best zetten zouden, om daardoor degenen, die na hen mochten komen, te waarschuwen en zo te verhoeden, dat zij in de handen van de reus WANHOOP zouden vallen. Eindelijk vonden zij het goed, daar een pilaar op te richten en daarop deze letters in te snijden: "Over deze plank heen is de weg naar het kasteel TWIJFELING, dat bewoond wordt door de reus WANHOOP, die de Koning van de hemel steeds veracht en de heilige reizigers zoekt te verderven."

    Dit geschrift werd naderhand door velen gelezen, die daardoor het gevaar ontkomen zijn. Toen zij dit nu verricht hadden, hieven zij hun stemmen op en zongen als volgt:

    Wij waren laas! van 't rechte pad getreên,

    En gingen op verboden grond;

    Foei zorgeloosheid! maar ach wat weên,

    Wat ramp en kwelling prangde ons terstond!

    Laat elk zorgvuldig wezen,

    En wandelen in vrezen:

    Opdat niet mee zijn voet

    In 't loze net blijft hangen,

    En hij zo raakt gevangen,

    In 't slot van TWIJFELMOED.

    (Wijze Ps.40).

    De Liefelijke Bergen.

    Daarna zetten zij hun reis voort en kwamen aan de LIEFELIJKE BERGEN, die aan de Heere van die heuvel, waarvan wij tevoren spraken, toebehoorden.

    Hierop nu klommen zij, ten einde daar te zien de hoven, boomgaarden, wijnstokken en waterfonteinen; waar zij ook dronken, zich wasten en onbeschroomd aten van de vrucht van de wijnstok. Op de hoogte en de top van deze bergen waren herders, die hun kudden weidden en zij stonden langs de openbare weg. De pelgrims gingen daarom daarheen, om met hen te spreken en leunende op hun stokken (zoals reizigers die vermoeid zijn plegen te doen, wanneer zij met iemand op de weg staan te praten), vroegen zij: "Aan wie behoren deze LIEFELIJKE BERGEN en deze schapen, die u weidt?"

    Herders. "Deze bergen zijn IMMANUELSLAND en liggen binnen het gezicht van Zijn stad: de schapen zijn ook de Zijne. Hij heeft voor hen Zijn leven afgelegd (Joh.10:11)."

    CHRISTEN. "Is dit de weg tot de Stad des Hemels?"

    Herders. "Ja, dit is de juiste weg."

    CHRISTEN. "Hoe ver is hij nog wel?"

    Herders. "Al te ver, alleen niet voor hen, die er waarlijk zullen ingaan."

    CHRISTEN. "Is de weg veilig of gevaarlijk?"

    Herders. "Hij is veilig, voor wie hij veilig gemaakt is, maar de overtreders zullen daarin vallen (Hos.14:10)."

    CHRISTEN. "Maar is hier ter plaatse niet enige verkwikking te bekomen voor een vermoeid reiziger, die op de weg bezwijkt?"

    Herders. "De Heere van deze bergen heeft ons gelast dat wij niet vergeten zouden, de vreemdelingen te onthalen (Hebr.13:1,2); en dus is al het goed van deze plaats voor u ten beste."

    Ik zag ook in mijn droom, dat de herders, toen zij merkten dat zij met reizende lieden te doen hadden, hun ook verscheidene dingen vroegen, waar zij op antwoordden, zoals zij te voren al gedaan hadden, zoals: "Waar komt u vandaan?" "Hoe kwam u op deze weg?" "Door welke middelen bent u zo volhardend gebleven? Want weinigen zijn er van degenen, die beginnen hierheen te reizen, die deze bergen aanschouwen." Maar toen zij hun antwoorden hoorden, waren zij daarover voldaan en zij zagen hen vriendelijk aan en zeiden: "Welkom op de LIEFELIJKE BERGEN."

    De namen van de herders waren KENNIS, ERVARENHEID, WAAKZAAM en OPRECHTE. Deze namen hen bij de hand, leidden hen tot hun tenten en deelden hun mee, wat zij gereed hadden en verzochten, of zij daar enige tijd vertoeven wilden, opdat zij met elkaar nader bekend mochten worden en zij zich te meer met het goede van die bergen mochten verkwikken: wat zij met graagte deden. En zo begaven zij zich voor die nacht ter ruste, want het was al zeer laat geworden.

    Ik zag ook, dat de herders CHRISTEN en HOPENDE des morgens riepen, opdat zij wat met hen op de bergen zouden wandelen.

    Zij gingen dan te zamen, wandelden geruime tijd en genoten een zeer vermakelijk uitzicht aan weerskanten.

    Toen zei de ene herder tegen de andere: "Zullen wij onze reizigers eens wat bijzonderheden laten zien?"

    Dit vonden zij te zamen goed en zij leidden hen eerst op de top van de heuvel DWALING; deze was aan de voorkant zeer steil en zij bevalen hen eens naar beneden te zien; dat deden CHRISTEN en HOPENDE en zij zagen daar onder op de grond verscheidene lieden, die daar verpletterd lagen, boven van de top af neergestort zijnde. "Wat wil dat zeggen?" vroeg CHRISTEN. De herders antwoordden: "Hebt u nooit gehoord van diegenen, die aan het dwalen zijn geraakt door te luisteren naar Hymeneüs en Filetus (2 Tim.2:17,18), betreffende het geloof in de opstanding der doden?" Zij zeiden: "Ja!" "Wel," voegden er de herders bij: "Dat zijn dezen, die hier aan de voet van de berg liggen; zij liggen daar, tot op deze dag toe onbegraven, zoals u ziet, en dat tot een voorbeeld voor anderen, opdat zij niet te hoog opklauteren, of te dicht naderen zouden aan de kant van deze berg."

    Daara bemerkte ik, dat zij hen op de top van een andere berg brachten,genaamd WAARSCHUWING, en hun bevalen, dat zij ver om zich heen zien zouden; en terwijl zij dit deden, bemerkten zij daar, naar het hun toescheen, verscheidene mensen op en neer wandelend tussen de graven, die daar waren. En het scheen hun toe, dat ze blind moesten zijn: want zij stootten zich verscheidene malen aan de graven; te meer kwamen zij tot die konklusie, omdat zij niet tussen deze graven vandaan konden komen.

    CHRISTEN zei: "Wat is dit toch?"

    De herders antwoordden: "Zag u niet een weinig beneden deze bergen een plank, die in de weide leidt? Het is daar aan uw linkerhand." Zij antwoordden: "Ja!"

    De herders zeiden: "Van die plank of die overgang gaat een pad, dat recht op het kasteel TWIJFELING aanloopt, waar een reus, WANHOOP genoemd, meester is: deze mensen (wijzende met zijn vinger op degenen, die daar tussen de graven wandelden) kwamen ook eenmaal reizen, zoals u nu doet, tot aan die overgang toe. En omdat de weg daar wat hard en ongemakkelijk was, besloten zij in de weide over te stappen, maar daar werden zij betrapt door de reus WANHOOP, die hen in de gevangenis wierp; nadat zij daar enige tijd gelegen hadden, stak hij hun de ogen uit en bracht hen op deze begraafplaatsen, waar hij ze heeft laten lopen tot op de huidige dag; opdat zo het woord van de wijze man vervuld werd: "Een mens, die van de weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten." (Spr.21:16).

    Toen zij dit hoorden, zagen CHRISTEN en HOPENDE elkaar eens aan en de tranen schoten hun in de ogen; doch zij zeiden tot de herders niet één enkel woord.

    Voortdromende, zag ik ook, dat deze herders hen brachten naar een andere plaats, laag op de grond, waar een deur was, terzijde van een heuvel; deze deur deden zij open en zeiden, dat zij daar eens zouden binnen kijken. Toen zij daar binnen keken, merkten zij, dat het daar binnen zeer donker en rokerig was; zij meenden ook, een geruis en gerommel te horen als van een brandend vuur; alsook een gekerm van enigen, die gepijnigd werden; ook roken zij daar een stank als van zwavel.

    Dus vroeg CHRISTEN weer, wat dit was. De herders antwoordden: "Dit is een bijpad naar de hel, een weg, die de huichelaars inslaan, namelijk degenen, die met Ezau hun geboorterecht verkopen; die met Judas hun meester verraden; die met Alexander het Evangelie lasteren en met Ananias en Saffira, zijn vrouw, liegen en bedriegen."

    "Ik bemerk," zei HOPENDE, "dat ieder van hen zich als reiziger voordeed, zoals wij nu; is het zo niet? Deden zij zich niet zo voor?" vroeg hij aan de herders.

    "Ja," antwoordden zij, "en zij hielden het ook een lange tijd uit."

    "Hoe ver," vervolgde hij, "zijn ze wel gegaan, eer zij zo ellendig zijn weggeworpen?"

    De herders antwoordden: "Sommigen zo ver nog niet als deze bergen en anderen nog verder."

    "O," zeiden de reizigers daarop tot elkaar, "hoe nodig is het dat wij tot de Sterke om sterkte roepen."

    "Ja, wel degelijk," antwoordden de herders, "en het is ook wel nodig, dat u deze uw sterkte in beoefening brengt, wanneer u die verkregen hebt."

    Toen hadden de pelgrims begeerte om voort te reizen en de herders bewilligden daarin; dus gingen zij te zamen wandelen tot het einde van de bergen. Toen zeiden de herders tot elkaar: "Wij zouden hier onze reizigers, indien zij er verstand van hebben om door een verrekijker te zien, de Poort van de Stad des Hemels wel eens kunnen laten zien."

    Nauwelijks hoorden zij hiervan reppen, of zij stemden er graag mee in; derhalve leidden de herders hen op de top van een zeer hoog gebergte, OPGEHELDERD geheten, en daar gaven zij hun de verrekijker in handen om te zien. Zij probeerden of zij de Poort in het oog konden krijgen, maar de herinnering aan het laatst door de herders aangewezene deed hun handen zo beven, dat zij de kijker niet stil konden houden, waardoor zij verhinderd werden er nauwkeurig door te zien; evenwel meenden zij iets te zien, dat op een poort leek en ook iets van de heerlijkheid van die plaats. Hierna wendden zij zich af van daar, zingende aldus:

    Een herder door Gods Geest verlicht,

    En opgehelderd in 't gezicht,

    In 's Hemels Hogeschool geleerd,

    Die derwaarts steeds het oog nog keert,

    Die ziet een groot geheimenis.

    Die nu in 't duister dubbend' staat

    Voeg' zich bij zo een man om raad,

    en zoek' Gods mond, zo komt gewis,

    Het licht hervoort in duisternis;

    En 't geen hem gans verborgen was

    Ziet hij nu in een helder glas.

    (Wijze Onze Vader)

    Toen zij nu opstonden om weg te gaan, gaf een van de herders hun inlichtingen over de weg. Een ander beval hun, zich te hoeden voor de pluimstrijkers. De derde gebood hun, niet te slapen op de BETOVERDE GROND.

    En de vierde wenste hun een goede reis.

    Toen ontwaakte ik uit mijn droom.

    Onkunde uit het land Inbeelding.

    Maar ik viel weer in slaap en zag in mijn droom die twee reizigers de bergen afwandelen, langs de hoofdweg die naar de stad leidt. Een beetje terzijde van deze bergen ligt een landschap, INBEELDING genaamd; vanwaar men, door een krom laantje kan komen op de weg, waarop deze pelgrims wandelen.

    Hier ontmoetten zij een zeer schrandere jonge kerel, die uit die landstreek op deze weg kwam; zijn naam was ONKUNDE.

    CHRISTEN sprak hem aan en vroeg waar hij vandaan kwam en waar hij heen wilde. Hij antwoordde: "Ik kom uit het landschap, mijnheer, dat u iets terzijde aan uw linkerhand ziet liggen; daar ben ik ook geboren; en nu wandel ik naar de Stad des Hemels."

    "Maar," zo vroeg CHRISTEN verder, "hoe denkt u binnen de poort te komen? Want u zult daar veel zwarigheden ontmoeten."

    "Net zo als andere goede mensen," zei hij tot CHRISTEN, die hem daarop verder vroeg: "Wat hebt u om aan de poort te tonen, opdat u binnen kunt komen?"

    ONKUNDE antwoordde: "Ik weet de wil van mijn Heer; ik heb goed geleefd, ik geef een iegelijk het zijne; ik bid, ik vast, geef tienden en aalmoezen en heb mijn land verlaten om dit, waar ik heen ga, te verkrijgen."

    "Maar," antwoordde CHRISTEN daarop, "u bent niet door de enge poort, die aan het begin van deze weg is, ingekomen; u bent op deze weg geraakt door die kromme laan en daarom vrees ik, wat u ook van u zelf mag denken, dat men u, als de dag van rekenschap zal komen, ten laste zal leggen, dat u een dief en een rover bent, in plaats dat men u in de stad zal laten."

    "Mijne Heren," zei ONKUNDE, "ik ben u geheel vreemd; ik ken u ook niet, laat het u genoeg zijn, dat u de godsdienst van uw land volgt; ik zal de mijne volgen. Ik hoop dat het wel gaan zal. En wat die poort betreft, waarvan u gelieft te spreken, de hele wereld weet, dat ze zeer ver is van onze provincie. Ik weet niet of er in onze hele landstreek iemand is, die de weg daarheen enigszins bekend is; het is ook helemaal niet belangrijk, of zij het weten of niet, daar wij, zoals u ziet, een schone en vermakelijke groene laan hebben, die uit ons land recht op deze weg aanloopt."

    Toen CHRISTEN merkte, dat deze man zich inbeeldde zo wijs te zijn, zei hij zacht tot HOPENDE: "Van een zot is meer verwachting dan van hem" (Spr.26:12), en daarna: "Als de dwaze op de weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem: en hij zegt tot een iegelijk dat hij dwaas is (Pred.10:3).

    Wat zullen wij doen? Zullen wij nog verder met hem spreken of hem terstond verlaten en hem zo tijd geven om te overdenken, wat hij al gehoord heeft? Daarna kunnen wij dan wel verder met hem spreken en zien of wij zo, bij gedeelten, nog wat goeds aan hem kunnen doen."

    En HOPENDE zong bij zichzelf:

    Ach, dat nu ONKUND' maar

    Eens stil bepeinzend waar,

    De raad aan hem gegeven!

    Ach, dat nu eens zijn hart,

    Van vooroordeel ontward,

    De waarheid aan wou kleven!

    Dat hij in 't licht gebrocht,

    Geen ONKUND' blijven mocht,

    Maar kundig van de paden

    Met ons naar d'eeuwigheid,

    Mocht gaan vol vrolijkheid,

    Vol zijnde van genade.

    (Wijze Ps.3)

    Daarna zei hij: "Mij dunkt, dat het niet raadzaam is, alles in één keer tot hem te zeggen. Kom broeder, laten wij hem, als het u belieft, voorbijgaan en terstond, wanneer hij weer bekwaam zal zijn om het te dragen, onze gesprekken hervatten."

    Zo liepen zij dan wat harder door, zodat ONKUNDE achter raakte. Een weinig verder gegaan zijnde, kwamen zij in een donkere laan, waar hen een man ontmoette, die door zeven duivelen (Matth.12:45) met zeven sterke koorden was gebonden en werd weggesleept, achterwaarts naar de deur die zij aan de zijkant van de heuvel gezien hadden. Dit maakte de lieve CHRISTEN en zijn reisgenoot HOPENDE zeer ontsteld en bevende; evenwel, terwijl de duivelen deze man heenleidden, nam CHRISTEN de moed, eens te zien, of hij hem ook kende. Hij veronderstelde dat het AFWIJKER uit de stad AFVAL was. Maar hij kon zijn gezicht niet goed zien; want hij liet zijn hoofd hangen als een dief, die betrapt wordt. Toen zij hen voorbij gingen, bemerkte HOPENDE echter, dat hij een brief op zijn rug had met dit opschrift: "LOSSE BELIJDER EN DOEMWAARDIGE AFVALLIGE."

    De geschiedenis van Kleingeloof.

    Daar schiet mij te binnen", zei CHRISTEN tot HOPENDE, "wat ongeveer op deze plaats eens een zeer goed man overkomen is; het was KLEINGELOOF, een zeer goed mens uit de stad OPRECHT. U moet weten, dat aan het begin van deze weg nog een laan komt van de BREDEWEGSPOORT af, genaamd DOODMANSLAAN, vanwege de moorden, die daar gewoonlijk worden begaan. En deze KLEINGELOOF hierheen reizende, waagde het, daar te gaan zitten slapen. Toen gebeurde het, dat drie snode schelmen van de BREDEWEGSPOORT af deze laan inkwamen; hun namen waren FLAUWHART, WANTROUWEN en SCHULD, (het waren drie broers). Toen zij KLEINGELOOF in het oog kregen, liepen zij snel naar hem toe. En terwijl de goede man juist uit zijn slaap was ontwaakt en zich gereed maakte, om zijn reis voort te zetten, overvielen zij hem en bevalen hem met dreigende gebaren halt te houden. KLEINGELOOF bestierf het bijna, hij werd zo wit als de sneeuw en had geen kracht, noch om te vechten, noch om te vluchten. "Geef uw beurs!" riep FLAUWHART; maar KLEINGELOOF haastte zich niet bijzonder; want hij wilde niet graag zijn geld missen. Fluks liep WANTROUWEN op hem toe, stak zijn hand in zijn zak en greep daar zijn zilverbeurs uit. KLEINGELOOF riep: "Dieven! dieven!" maar SCHULD sloeg hem met de stok, die hij in de hand had, op het hoofd, zodat hij met één klap ter aarde stortte. Daar lag hij nu en bloedde zo vreselijk, dat het leek of hij eraan zou sterven.

    De dieven stonden er enige tijd bij, maar toen zij in de verte iemand hoorden aankomen, lichtten zij de hielen, vrezende dat het misschien GROTE GENADE uit de stad GOED VERTROUWEN zou zijn; zij lieten de goede man liggen, en zorgden alleen voor zichzelf. KLEINGELOOF kwam na enige tijd weer wat bij, probeerde overeind te komen en deed zijn best om zachtjesaan zijn weg weer voort te zetten. Dit was zo de geschiedenis."

    HOPENDE. "Maar namen zij hem alles af, wat hij had?"

    CHRISTEN. "Neen, de plaats waar hij zijn juwelen verborgen had, vonden zij niet, hoe zij hem ook onderzochten, en zo behield hij die. Maar de goede man was zeer terneergeslagen over zijn verlies; want de dieven waren met het grootste gedeelte van zijn spaargeld er vandoor. Wat zij hem niet ontnomen hadden, waren, zoals ik zei, zijn juwelen; ook had hij nog wat klein geld behouden, maar nauwelijks genoeg, om hem aan het einde van zijn reis te brengen (1 Petr.4:18); ja als ik niet verkeerd ingelicht ben, werd hij gedwongen te gaan bedelen om in leven te blijven, want zijn juwelen mocht hij niet verkopen. Hij deed wat hij kon en bedelde soms wel eens wat; evenwel ging hij menigmaal op zijn reis met een hongerige buik op stap."

    HOPENDE. "Maar was het geen wonder, dat zij hem zijn Getuigschrift, waarop hij moest ingelaten worden in de Poort des Hemels, niet ontnamen?"

    CHRISTEN. "Dat was wel degelijk een wonder, maar zij vonden het niet, hoewel het niet aan zijn beleid en snedigheid lag. Want zeer verschrikt door hun komst, had hij macht noch verstand, om iets te verbergen. Het was meer door de goede voorzienigheid Gods, dan door zijn eigen inspanningen, dat zij dit kostbare pand niet vonden."

    HOPENDE. "Dat moet hem toch een troost geweest zijn, dat zij dit juweel niet kregen."

    CHRISTEN. "Het zou hem een grote troost hebben kunnen zijn, had hij er gebruik van gemaakt, zoals hij had moeten doen (2 Petr.1:9). Maar de man, die mij deze geschiedenis vertelde, wist mij ook te zeggen, dat hij daar weinig mee uitrichtte de hele weg lang, en dat vanwege de schrik en de verbaasdheid, die hem had bevangen, toen zij hem zijn geld afnamen. Ja, inderdaad, menigmaal dacht hij er niet eens aan; en als het hem al eens te binnen schoot en hij zich daar wat mee troosten wilde, dan kwam de gedachte aan zijn verlies hem weer zo vers te binnen, dat alle andere gedachten daardoor werden verzwolgen."

    HOPENDE. "Helaas, arme man, dit moest wel een groot hartzeer voor hem zijn."

    CHRISTEN. "Hartzeer, ja wel zeker een hartzeer; zou het ons ook niet droevig gestemd hebben als ons was overkomen wat hem overkwam? Zo geplunderd en dan nog zo verwond te worden en dat in een vreemde plaats, zoals die, waarin hij toen was? Een wonder was het, dat het arme hart niet van droefheid stierf. Mij is verteld, dat hij de hele weg lang nauwelijks iets anders deed dan zeer levendig kermen en klagen, hoe en waar hij zo beroofd was, wie het gedaan hadden en wat hij alzo kwijt was geraakt; hoe hij verwond was en er nauwelijks het leven had afgebracht."

    HOPENDE. "Maar het is een wonder, dat deze moeilijke omstandigheden hem niet enige van zijn juwelen deden grijpen, om die te ruilen of te verkopen, zodat hij zich daarmee behelpen kon op zijn reis."

    CHRISTEN. "U spreekt als iemand, die nog de schellen op de ogen heeft; want waarvoor zou hij ze verkopen en aan wie? In de hele landstreek, waar hij beroofd was, waren zijn juwelen niet geacht; ook was hij niet verlegen om de verkwikking, die hem ervan kon toekomen. Maar afgezien daarvan, hij zou, indien hij zijn juwelen niet had kunnen tonen aan de Poort van de Hemelse Stad, van de hemelse erfenis verstoken hebben moeten blijven, wat hij ook zeer goed wist en dit zou hem veel zwaarder zijn gevallen dan de overvallen en boosheden van tienduizend dieven."

    HOPENDE. "Waarom bent u zo scherp, mijn broeder? Ezau verkocht het recht van zijn eerstgeboorte en dat om een schotel moes (Hebr.12:16); en zijn eerstgeboorte was zijn grootste juweel; mocht hij dat wel verkopen, waarom KLEINGELOOF dan niet?"

    CHRISTEN. "Ezau, het is waar, verkocht zijn eerstgeboorterecht en zo doen velen met hem; daarmee sluiten zij zich echter ook uit van de grootste zegen, evenals die ellendige mens. Maar u moet onderscheid maken tussen hun beider staat. Ezau's eerstgeboorte was iets ceremoniëels; zo was het evenwel niet met de juwelen van KLEINGELOOF. Ezau's buik was zijn God; maar zo was het niet met KLEINGELOOF. Ezau's gebrek lag in zijn vleselijke eetlust; doch anders was het met KLEINGELOOF. Ezau beoogde niet meer, dan de vervulling van zijn lusten; want hij zei: 'Ik ga sterven, waartoe zal mij dan het recht mijner eerstgeboorte zijn?'(Gen.25:32). Maar KLEINGELOOF, ofschoon 't zijn lot was een klein geloof te hebben, werd echter door zijn geloof teruggehouden van zulke buitensporigheden. Zijn geloof deed hem zijn juwelen zien en meer waarderen, dan dat hij ze zo zou verkopen, als Ezau zijn eerstgeboorterecht deed. U leest nergens, dat Ezau geloof had, neen, ook geen klein geloof; en daarom, geen wonder, dat iemand in wie het vlees alleen heerschappij voert (zoals het doet in een mens, die geen geloof heeft, waardoor het anders weerstaan wordt), zijn eerstgeboorterecht, zijn ziel en alles verkoopt, al is het aan de Duivel, de vorst van de hel. Want met zo iemand is het, als met de woudezel, die in zijn ontmoeting niet afgekeerd kan worden (Jer.2:24). Als zij hun zin gezet hebben op de een of andere lust, willen zij die voldaan zien, het koste wat het kost. Maar KLEINGELOOF bezat een andere geaardheid; zijn hart was gezet op Goddelijke zaken, hij leefde bij wat geestelijk en van boven was, waarom zou zo iemand dan zijn juwelen verkopen (als er iemand geweest was, die er zin in gehad had) en dat om zijn ziel te vervullen met zulke nietige dingen? Zou een mens wel een penning willen uitgeven, om zijn lichaam met hooi te verzadigen? Of kan iemand een tortelduif op een aas doen rusten, zoals een raaf! Hoewel een ongelovige om zijn vleselijke lusten te bevredigen, verpanden, verwisselen en verkopen kan al wat hij heeft en zijn voordeel daarbij zoeken, zo zal nochtans iemand, die geloof heeft, zaligmakend geloof, al is het maar klein, zo niet doen en daarom ligt hier uw misvatting."

    HOPENDE. "Ik beken het; maar uw scherpe toepassing had mij bijna boos gemaakt."

    CHRISTEN. "Wel waarom? Ik vergeleek u maar bij dat grauwe slag van vogels, die nog met de dop om het hoofd al op en neer lopen, ofschoon zij de weg noch zien noch kennen. Maar stap daar overheen en let op de zaak zelf, waarover wij spraken en het zal tussen u en mij wel goed gaan."

    HOPENDE. "Maar CHRISTEN, die drie gasten waren, geloof ik, een gezelschap van lafaards; denkt u, dat zij anders zo gelopen zouden hebben, zodra zij wat geluid hoorden en zich verbeeldden dat zij iemand aan hoorden komen? Waarom toonde zich KLEINGELOOF niet moediger? Mij dunkt, hij kon zich toch te weer gesteld hebben en eerst als hij geen kans gezien had, alles hebben opgegeven."

    CHRISTEN. "Dat zij lafaards zijn, is door velen gezegd, maar door weinigen zo bevonden in een tijd van beproeving. En nu spreekt u van moed, maar KLEINGELOOF had die niet. Naar ik aan u hoor, mijn broeder, zoudt u, als u in de plaats van die man geweest was, u een weinig verweerd en dan gevangen gegeven hebben; dat is zeker uw grootste moed, nu zij ver vàn ons zijn. Maar wat zoudt u gedaan hebben, wanneer zij u eens tegemoet kwamen, zoals hem? Denk daarbij eens, dat deze lieden, ofschoon zij stropers van de reizigers zijn, dienen onder de Koning van de grondeloze poel; die hen, wanneer zij zijn hulp nodig hebben, zelf wel komt bijspringen om ze te helpen; en zijn stem is als het brullen van een Leeuw (1Petr.5:8). Ik ben er net zo aan toe geweest als KLEINGELOOF en ondervond wel welk een verschrikkelijke zaak het was. Deze drie schurken kwamen ook eens op mij af; ik stelde mij te weer zoals het een CHRISTEN betaamt; doch zij gaven maar één schreeuw en direkt kwam hun meester aanrennen. Ik gaf geen stuiver meer voor mijn leven, maar door Gods bestier werd ik juist beschermd door een beproefd pantser.

    En toch ondervond ik, hoewel ik zo geharnast was, wat een harde zaak het was, mij van mijn taak te kwijten als een man. Geen mens is bij machte te zeggen, wat in deze strijd alzo omgaat, dan iemand die zelf zo gestreden heeft."

    HOPENDE. "U ziet echter, dat ze wegliepen toen ze nog maar dàchten, dat GROTE GENADE eraan kwam."

    CHRISTEN. "Het is waar, zowel zij als hun meester zijn dikwijls gevlucht, wanneer GROTE GENADE zich vertoonde; en is dat een wonder? Het is een van des Konings kampvechters. Maar ik vertrouw immers, dat u enig onderscheid maakt tussen KLEINGELOOF en een kampvechter van de Koning. Al des Konings onderdanen zijn geen kampvechters, noch kunnen, wanneer het er op aan komt, zulk een spoed en kracht tonen in de strijd als zij. Is het wel denkbaar, dat een klein kind een Goliath zou doden, zoals David deed, of dat de sterkte van een os zou wonen in een winterkoninkje? Sommigen zijn sterk en sommigen zwak; sommigen hebben een groot geloof, in anderen is het klein; deze man was een der zwakken, en daarom bood hij geen tegenstand."

    HOPENDE. Ik wenste om hunnentwil wel, dat zij GROTE GENADE voor zich gehad hadden."

    CHRISTEN. "Was hij het geweest, mogelijk had hij de handen ook vol gehad. Want ofschoon GROTE GENADE uitstekend met de wapenen weet om te gaan en hij hun, zo lang hij hen voor de punt van de degen kan houden, genoeg te doen zal geven en ook gegeven heeft; wanneer zij echter binnen kunnen komen, namelijk FLAUWHART en WANTROUWEN, of ook de andere, dan zal het er op aankomen, of zij hem de voet niet lichten. En als een mens onder de voet ligt, weet hij wel, dat hij niet veel doen kan.

    Wie GROTE GENADE nauwkeurig in zijn gezicht ziet, zal daar verscheidene houwen en littekens in bespeuren, die duidelijk bewijzen, wat ik gezegd heb. Ja, ik heb horen vertellen, dat hij gezegd zou hebben, toen hij eenmaal met hen streed: Wij zijn buiten hoop van leven (2 Cor.1:8,9). Hoe deden deze boze schelmen David brullen, zuchten en klagen! Ja ook Heman en Hizkia moesten, ofschoon zij in hun dagen 's Konings kampvechters waren, zich terdege in postuur stellen, wanneer zij werden aangevallen; en dan nog moesten zij soms een veer laten. Petrus wilde eenmaal proberen, wat hij doen kon: maar hij, ofschoon sommigen zeggen, dat hij de vorst onder de Apostelen is, werd zo door hen behandeld, dat zij hem ten laatste, vervaard en verschrikt, voor een geringe dienstmaagd deden vrezen. Daarenboven is hun Koning zo dicht bij hen, dat zij Hem befluiten kunnen; hij is nooit zover, dat hij hen niet zou horen en wanneer zij het op een bepaalde tijd te kwaad mochten hebben, komt hij hun als het maar enigszins mogelijk is, te hulp. En van hem wordt gezegd: 'Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan: spies, schicht noch pantsier. Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout. De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd. De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans'(Job.41:17-20). Wat kan men in zo'n geval doen? Het is waar, wanneer een mens dan telkens een paard had, als waarvan Job spreekt en het verstand en de moed, om het te berijden, hij zou wel iets bijzonders kunnen uitrichten. 'Want zijn hals is bekleed met donder, hij is niet beroerd, gelijk de sprinkhaan: de kracht van zijn gesnuif is een verschrikking. Het graaft in de grond en is vrolijk in zijn kracht: en trekt uit de geharnaste tegemoet. Het belacht de vrees en wordt niet ontsteld, en het keert niet wederom vanwege het zwaard. Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer der spies en der lans. Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin. In het volle geklank der bazuin zegt het: Heah! en het ruikt de krijg van verre, de donder der vorsten en het gejuich (Job.39:22-28).' Maar wij, zulke voetknechten als u en ik zijn, laten wij nooit wensen vijanden te ontmoeten; noch ons beroemen alsof wij het beter zouden doen dan anderen, van wie wij horen, dat zij verontreinigd zijn geworden; noch laten wij ons zelf in onze gedachten strelen met onze manhaftigheid, omdat dezulken het gewoonlijk het allerslechtst doen in tijden van verzoekingen.

    Getuige daarvan is Petrus, van wie ik tevoren vertelde. Hij wilde mede roemen, och ja, hij wilde, zoals zijn ijdel gemoed hem ingaf, beter doen en meer voor zijn Meester staan dan alle mensen; maar wie is ooit zo bevlekt en door aanvallen neergeworpen als hij?

    Als wij dan ook horen van zodanige roverijen op des Konings weg, moeten wij twee dingen doen: eerst ons zelf goed wapenen en alzo heengaan, vooral goed voorzien van een schild; want het was uit gebrek daaraan, dat hij, die moedige, de Leviathan niet op de vlucht kon drijven. Want zeker, als wij dat niet hebben, zo vreest hij ons in der wereld niet. Daarom zei hij, die zich op die strijd goed voorbereidde: "Bovenal, doet aan het schild des geloofs, waarmede gij al de vurige pijlen des Satans kunt uitblussen (Ef.6:16).'

    Het is goed, de koning om geleide te verzoeken; ja Hem te vragen, of Hij ons zelf geleidt. Dit deed David juichen, zelfs in de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS; en Mozes wilde liever sterven, waar hij stond, dan één stap verder gaan zonder zijn God (Exod.33:15). O, mijn broeder, als Hij met ons wil gaan, waarom zouden wij dan vrezen, zelfs voor tienduizenden, die zich tegen ons stellen? (Ps.3:5-8;Ps.27:1,3). Maar zonder Hem zullen zelfs de stoutmoedigste helpers neergeveld worden.

    Wat mij betreft, ik ben voorheen ook eens in die slag geweest en hoewel ik door de goedheid van Hem, die de Beste is, nog in leven ben, zoals u ziet, toch kan ik over mijn dapperheid niet roemen. Ik zal blij zijn, als ik zo'n aanslag niet weer te verduren krijg. Maar ik vrees dat wij al de gevaren nog niet voorbij zijn. Hoe het ook zij, aangezien mij de Leeuw en de Beer nog niet hebben verslonden, zo zal God, hoop ik, mij ook verlossen van de haastig aankomende onbesneden Filistijn."

    Toen zong CHRISTEN als volgt:

    Arm KLEINGELOOF, wat moet het lijden,

    Wanneer 't gedwongen wordt te strijden!

    Het hart is zwak, de krachten teder,

    't Verliest zijn rust, het valt daar neder,

    Daar 't sterke blij kan henen gaan,

    En duizend pijlen wederstaan.

    Die dan met vreugde 't pad wil lopen,

    Tot 't einde van het zalig hopen:

    Die zende zucht op zucht naar boven:

    "Vermeerder, Heer! mijn klein gelove!"

    Het sterk gelove maakt een held,

    En overwinnaar in het veld.

    (Wijze Ps.109)


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GEBED TOT EEN ONGEBOREN KIND VIA MARIA.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

     

     

    Lieve Moeder Maria, Koningin van de Hemelse Bloementuin,

    In Uw heilige Tegenwoordigheid en onder Uw tedere moederogen roep ik de voorspraak in van mijn ongeboren kind, dat nu reeds bij U leeft in het Paradijs.

    Mijn lief kind, als een madeliefje had God jou aan mij toevertrouwd. Als een vergeet-mij-nietje heeft Zijn Mysterie je teruggeroepen nog vóór de wereld je schoonheid kon zien.

    Zovele zaadjes heeft je offer onzichtbaar gestort in de zielen die in dit tranendal zijn achtergebleven.

    In het verborgene van de moederschoot straalde voor jou reeds het Eeuwig Licht, in het verborgene heeft God je tot bloei gebracht in de Tuin der Hemelse Vreugden.

    O kleine offerbloem voor de vruchtbaarheid van de tuinen der zielen, uit liefde voor jou voeg ik het offer van mijn tranen bij het offer van jouw leven, want zoals jij wil ik mijzelf geven voor alles wat God lief is. O jij die nu put uit de bronnen der Hemelse Vrede, bekom mij toch de vurige liefde die jouw zieltje reeds als een diamant in zich droeg toen zij mijn ziel begroette.

    Mijn lief kind, zieltje nooit aangetast door de onzuiverheden der wereld, bid voor mij en leid mij, leef onzichtbaar naast mij verder, opdat ook de bloem van mijn ziel de engelen in verrukking moge brengen.

    Mijn lief kind dat nu voor Gods Aanschijn speelt als een engel van onschuld, nooit heb je de zonde gekend. Jij die bloeit aan de Hemelse bronnen der zuivering, smeek toch Maria, de Koningin der Hemelen, dat Zij mijn ziel zou besprenkelen met het water der Genade, opdat ik heilig moge zijn zoals jij.

    Ik mocht je nooit leren bidden. God heeft het zo beschikt dat jij mij tot gids zou worden, want jouw gebed is nu een tedere zucht in de gezangen der engelen.

    O mijn lief kind, dat je leven hebt prijsgegeven nog vóór het begon, help mij een beter mens te worden door mijn dagelijks kruis in overgave te aanvaarden en Jezus en Maria tot het uiterste lief te hebben. Dit verlangen sluit ik in mijn hart uit liefde tot jou, want ooit wil ik jou zien, en voor eeuwig bij jou zijn in het Goddelijk Licht.
    AMEN.

     

     

     

    De ziel van een kind dat niet de kans heeft gekregen om het levenslicht te aanschouwen, wordt zonder meer bij God opgenomen, omdat de ongeborene geen enkele zonde heeft kunnen bedrijven. Een dergelijke ziel is een instrument van voorspraak bij God.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.SMEEKGEBED TOT HET GEOPEND HART VAN JEZUS.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    O liefhebbende Jezus, ik aanschouw U aan het Kruis, waar U Uzelf totaal ontledigt opdat ik de volheid van het Eeuwig Geluk zou ontvangen.

    Voel toch hoezeer het leven mijn hart heeft beklemd.

    In eenheid met de Smarten van mijn Hemelse Moeder Maria kom ik bedelen om een druppel Bloed uit Uw doorstoken Hart. Is het niet geopend om alle bitterheid van Uw aardse leven los te laten in stromen van oneindige Liefde ?

    O breek toch mijn eigen hart open, mijn Jezus, opdat het Gods Liefde in zich kan sluiten om de slagen van het leven te vergeten. Leer mij, zoals U mijn armen te openen voor de stralen van de Vader en de winden van de Heilige Geest.

    Leer mij, zoals U, begrijpen dat mijn kruis de sleutel is die mijn hart niet mag sluiten doch het voorgoed moet bevrijden van zijn lasten.

    Leer mij, zoals U de lansstoot te aanvaarden als het geschenk van God dat zielen doopt in de bron der Genade, want ook mijn hart moet alle Liefde van God hebben gegeven alvorens naar Hem terug te keren.
    AMEN.




    Foto

    Getuigenissen van de jongeren van Cenacolo
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7

  • Foto

    Foto

    Foto

    Godelieve heeft voor mij
    deze prachtige pps gemaakt
    waarvoor mijn dank





    Foto

    Schrijft u wat in mijn gastenboek
    klik dan op het boek boven




    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Klik op het plaatje en krijg een prachtige rondleiding door het Vaticaan
    Ieder nummertje is weer iets moois
    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Foto

    Een interessant adres?


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Meer blogs