For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
03-05-2009
AAN JEZUS.
BEZINNING BIJ DE APOCALYPS.
BEZINNING BIJ DE APOCALYPS.
E.H. P. Van de Kerckhove.
Ik heb vroeger voor SGAG een reeks bezinningen gehouden over de zaligsprekingen in de Evangeliën en in het bijzonder in de Bergrede volgens Matteüs. Welnu, aansluitend bij het onderwerp van vandaag, nl. de betekenis van de Apocalyps van Johannes en vooral de waarde ervan voor onze tijd, wil ik u een tweetal bezinningen geven over de zaligsprekingen in de Apocalyps.
1ste zaligspreking is Apok. 1,3:
Zalig hij die luistert naar deze profetie en die in acht neemt, wat daarin geschreven staat, want de tijd is nabij.
2de zaligspreking is Apok. 14,13:
Zalig de doden die in de Heer sterven, van nu af aan.
Dat zou ik graag op mijn doodsprentje willen schrijven. De Apocalyps rijst diegene zalig die sterft in de Heer, d.w.z. diegene die volhardt tot het einde en die tot de dood trouw is aan de geboden van God. De eindvolharding is noodzakelijk ter zaligheid. Ook het Evangelie leert ons dat. De zaligsprekingen van de Apocalyps sluiten goed aan bij die van de Bergrede.
3de zaligspreking is Apok. 16,15:
Zalig de mens die waakt en zijn kleren aanhoudt, dan hoeft hij niet naakt te gaan en ziet men zijn schaamte niet.
Deze zaligspreking wordt voorafgegaan door de waarschuwing: Pas op! Ik kom als een dief in de nacht. Uit het Evangelie is het ook duidelijk dat het over de Heer Jezus gaat die zal komen wanneer men hem niet verwacht.
4de zaligspreking is Apok. 19,9:
Zalig zij die zijn uitgenodigd voor het Bruiloftsmaal van het Lam.
5de zaligspreking is Apok. 20,6:
Zalig zij die delen in de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht.
Diegenen die eerst verrijzen en met Christus heersen duizend jaren lang, zijn de martelaren. Ze zijn onthoofd omwille het getuigenis van Jezus. Over hen heeft de tweede dood geen macht zegt de Apocalyps. Na de dood van het lichaam, is er de dood van de ziel die gestraft wordt met de eeuwige verdoemenis in de hel. Dat noemt de Apocalyps de tweede dood.
6de zaligspreking is Apok. 22,7:
Zalig die de profetische woorden van dit boek bewaart.
7de zaligspreking is Apok. 22,14:
Zalig zij die hun kleren zullen wassen. Ze zullen recht krijgen op de boom des levens en door de poorten de Stad mogen binnengaan.
We bezinnen ons over de eerste en de tweede zaligspreking.
Zalig hij die luistert naar deze profetie en die in acht neemt, wat daarin geschreven staat, want de tijd is nabij.
Men vindt al gelijkaardige aansporingen in de Evangeliën. Gelukkig diegene die het Woord van God hoort en het onderhoudt., zegt de Heer als antwoord op een vrouw die tot Hem zegt: Gelukkig de borst die U gezoogd heeft en de schoot die U gedragen heeft. De Heer prijst veeleer diegene zalig die naar het Woord van God luistert en er naar handelt, diegene die het Woord van God ook concreet toepast en er naar leeft. Zijn daden zullen hem vergezellen.
Het Woord van dit boek en van deze profetie beluisteren en het in acht nemen. Het is dezelfde zaligspreking die in 22,7 herhaald wordt. Dus ik maak er hier één enkele bezinning van. Het zijn dus twee passages in één bezinning. Luisteren en in acht nemen of trouw bewaren, het komt op hetzelfde neer. De Heer zegt in Zijn parabel van de zaaier: het deel dat op de goede aarde valt, zijn diegenen die vruchten voortbrengen door hun volharding. Dus trouw blijven en trouw blijven tot in de dood.
Sterven in de Heer, zegt een andere zaligspreking van de Apocalyps.
Wat betekent dat nu eigenlijk: horen en bewaren, in acht nemen.?
Het wil ten eerste zeggen er in geloven, begrijpen wat de inhoud is van dit boek. Het is een moeilijk boek, vol met symbolische beeldspraak.
Ten tweede wil het ook zeggen de daad bij het geloof voegen en vooral standvastig blijven in tijden van vervolging. Ik weet niet of wij wel zo standvastig zullen zijn als we vervolgd zouden worden. In Orissa in India worden christenen nu vreselijk vervolgd. Een man werd bijv. geleidelijk in stukken gekapt telkens als hij weigerde Ja! te antwoorden op de vraag: Wil je Hindoe worden? Telkens hij Neen! zegde werd er een stuk van zijn lichaam afgesneden. Hij is na uren doodgebloed en in stukken gesneden. Dat is een voorbeeld van echte trouw aan het geloof.
De hemelse zaligheid is niet iets wat we automatisch krijgen, maar het is wel een beloning voor onze werken op aarde. In de Bergrede zegt Jezus: Verheug u, want groot is uw loon in de hemel. Het gaat om een beloning voor onze goede werken hier op aarde, dit is o.a. het doorstaan van vervolgingen en elk ander goed werk van Godliefde en naastenliefde. In de Apocalyps gaat om een vermaning om te volharden tot het uiterste. Zoals de zaligsprekingen in de Evangeliën een programma zijn van christelijke heiligheid, zo zijn de zaligsprekingen in de Apocalyps een speciaal programma voor de heiligheid van de christengemeenten in Asia.
Want de tijd is nabij, zo zegt ook deze zaligspreking in de Apocalyps. De tijd, in het Grieks kairos, is hier in Apok. 1 een tijdstip in de geschiedenis, een kritisch ogenblik in de geschiedenis van de mensheid, heel in het bijzonder: de eindtijd (Apok. 22,10 Rom. 13,11 Hand. 1,7). Het beslissende moment waarover de ziener van Patmos het hier heeft, is uitsluitend de wederkomst van Christus in glorie op het einde van de wereld. Vandaar de herhaalde oproep tot bekering en berouw, een oproep tot geloof ook. Doet boete en bekeert u., zo riep de Heer Jezus Zijn volk op bij Zijn eerste optreden en Zijn eerste komst aan het begin van Zijn openbaar leven. Ook vlak voor Zijn glorievolle wederkomst herhaalt Hij de waarschuwingen en Hij zal wederkomen als Heerser en Rechter! Bekeert u dus en doet boete en gelooft in de visioenen van de ziener van Patmos, want die tijd zal een tijd zijn van geweeklaag, van geweldige vervolgingen en geloofsafval, maar ook van heroïsche geloofsbelijdenis en martelaarschap. Sta dus aan de goede kant, bij de schapen en niet bij de bokken.
Christus heeft toch overwonnen!
DE BETEKENIS VAN DE APOCALYPS VOOR ONZE TIJDEN.
E.H. P. Van de Kerckhove.
Apocalyps now is een film over de oorlog in Vietnam waarin een kapitein van het leger wordt uitgezonden om een overloper uit te schakelen die zich als een god bij een lokale stam heeft gevestigd. Het ongeveer gelijknamige boek Apocalyps van Jezus Christus aan Johannes., is het laatste boek van het Nieuwe Testament. Het heeft een hele tijd geduurd voordat de Kerk het boek toch in de canon van de Bijbel heeft opgenomen, precies omdat men maar moeilijk kon aannemen dat bepaalde doctrines die erin vervat liggen, overeenstemmen met het orthodoxe christelijke geloof. Ook de authenticiteit (is de apostel Johannes wel de auteur?) werd door de kerkvaders in twijfel getrokken om dezelfde reden.
Het Boek Apocalyps is eigenlijk een lange, profetische brief (22 hoofdstukken) aan de 7 kerken van Azië en het behoort tot een literair genre dat we apocalyptische literatuur genoemd hebben. Voor de inleiding over wat is apocalyptische literatuur verwijs ik naar het artikel in mijn tijdschrift Gij zijt Petrus van maart 2009. Daar geef ik de volgende definitie: Openbaringsliteratuur in een fictief chronologisch kader met een transcendente realiteit, zowel in tijd als in ruimte, waarbij aardse gebeurtenissen geïntegreerd worden in het licht van de toekomstige, bovennatuurlijke wereld.
De Apocalyps is geschreven in de 1ste eeuw, volgens mij ten tijde van keizer Nero 64-68, om de kerken, de christengemeenten van Johannes, te waarschuwen en ook aan te moedigen.
Een waarschuwing is tevens een aanmoediging.
Theologisch is Apocalyps een Openbaring van Gods Raadsbesluit met de wereld. Het woord Apocalyps betekent openbaring en niet catastrofe. Apocalyps is in de eerste plaats een openbaring van een hoopvolle boodschap. Daarnaast zijn er onheilspellende gedeelten, maar die zijn secundair. Om de Apocalyps te begrijpen, moet men hem plaatsen in de context van de literatuur van die tijd en zelfs in de tijd van de 3de eeuw voor Christus. Het boek Daniël uit het O.T. behoort ertoe en het is misschien het eerste in dat genre. Er zijn ook apocriefe Apocalypsteksten, apocriefe geschriften die tot dat genre behoren maar die niet zijn opgenomen in de officiële canon van de Bijbel: bijv. Apocalyps van Baruch, Apocalyps van Petrus enz. dus zowel in de Joodse als in de christelijke literatuur.
De schoonheid van onze Apocalyps (aan Johannes) zit hem in zijn beeldspraak die typisch is voor dat soort literatuur. De apocriefe Henoch en het boek Daniël (dit laatste behoort wel tot de Bijbelse boeken) behoren tot dat soort literatuur. Het zijn boeken die spreken over de gebeurtenissen uit de eindtijd. Dat soort literatuur ontstond vaak in tijden van verdrukking of vervolging en had tot doel de onderdrukten (bijv. ballingen in Babylonië, de christenen van Azië) troost te brengen. Wat er nu gebeurt, is reeds voorzien in Gods eeuwig Raadsbesluit en op het einde zal de overwinning zijn voor diegenen die onderdrukt worden. Dat einde wordt dan, in het eindtijdperspectief, het einde van de wereld genoemd, waarin God definitief zal zegevieren. We worden hier op aarde een tijdje vervolgd en met de dood bedreigd, of zelfs effectief ter dood gebracht. Maar God is met ons en God zal zijn uitverkorenen redden en wreken tegen Zijn vijanden. Op het einde heeft God toch de zege! God heeft het laatste woord tegen de onderdrukkers van de getrouwen.
Zo spreken de Joodse Apocalypsen over een restauratie van Israël o.l.v. de Messias na de verwoesting van de tempel. Typisch voor dit soort literatuur is het hemelse visioen: de auteur wordt in hemelse extase gevoerd en beschrijft in zeer sterk symbolisch geladen beelden wat Gods raadsbesluit is met de wereld. De inhoud betreft het einde der tijden, het eindoordeel: straf of beloning. Dat zijn allemaal themas van dat soort literatuur, o.a. het boek Henoch. Henoch was de 7de stamvader na Adam en hij maakte een reis door de hemel waar hij symbolische visioenen heeft van wat er gebeurd is en van wat er gebeuren zal. Het boek Daniël o.a. is in dezelfde trant.
De val van de slechte engelen en de schepping van de hel worden verhaald in het boek Henoch (uit de 3de eeuw voor Christus). De figuur van de Mensenzoon komt voor het eerst voor in het boek Daniël. De eindverrijzenis komt ook daarin ter sprake. In dat soort literatuur spreken cijfers een grote rol. Men heeft herhaaldelijk getracht het einde van de wereld te berekenen te vergeefs!
Ons boek Apocalyps is een boek dat ontstaan is in tijden van grote vervolging of grote crisis en het brengt de openbaring dat wat gebeurd is, in overeenstemming is met Gods Raadsbesluit. Dus: heb goede moed, want God komt tussenbeide en God is de Eindoverwinnaar. Andere Apocalypsen zijn nog geschreven in de 1ste eeuw: IV Esdras en II Baruch. Dat is dus ook onze Apocalyps aan Johannes. Qua literair genre zijn er gelijkenissen tussen die drie. Daar zijn studies over geschreven. In de literatuur van Qumran zit ook heel wat apocalyptische literatuur. Er is o.a. een manuscript over de ultieme strijd tussen de zonen van het licht o.l.v. Michaël en de zonen van de duisternis o.l.v. Belial. De Evangeliën stellen Jezus voor als de apocalyptische profeet die beelden gebruikte o.m. uit Daniël (De Mensenzoon zal komen op de wolken ). Hij sprak over het goddelijke oordeel en over de catastrofale gebeurtenissen uit de eindtijd.
De vraag die wij ons stellen, is: Voor wanneer is dat einde en voor wanneer is de wederkomst van Jezus Christus? Is het voor volgende maand of is het voor volgend jaar? Kunnen we, aan de hand van de gegevens van Apocalyps, bepalen voor wanneer het is? Ik zeg u meteen: Neen!, en misschien ontgoochel ik u. Daarvoor is de Apocalyps te vaag. We kunnen niets met meer historische zekerheid zeggen dan wat we leren uit de Evangeliën waar de Heer Jezus zegt: Gij kent dag noch uur. De getuigen van Jehova besluiten dan maar: Ge kent niet dag of uur, maar ge kent wel de maand of het jaar. Maar ze hebben zich al zo vaak vergist .
De Apocalyps beschrijft een reeks van catastrofes, rampen, verwoestingen, oorlogen die over een deel van de mensheid komen als deel van Gods plan voor het oordeel over de goddeloze mensheid. Maar men mag zich niet vastpinnen op die onheilstijdingen alsof er ons vreselijke dingen te wachten staan in de toekomst. De Apocalyps is geschreven door Johannes om zijn christen gemeenschap te waarschuwen en aan te moedigen om trouw te blijven of zich te bekeren en, waar nodig, terug te keren tot de geloofsijver. Maar dat is niet alleen voor de generaties van christenen in de laatste tijden van het einde van de wereld, maar is ook voor ons in 2009 bedoeld.
We beleven een crisistijd waarin de Kerk van Christus wordt beproefd en we zijn soms geneigd om ontmoedigd te worden in een heidens wordende wereld. Ook wanneer we zien hoevelen van onze vrienden en familie van het geloof vervreemd geraakt zijn. Gods oordeel of heilsplan is een Raadsbesluit en dat ontvouwt de ziener van Patmos en ik denk, ook al zijn er eschatologische passages, dat de rode draad van het boek Apocalyps er een is van aanmoediging voor zijn tijd, voor onze tijd, en ook voor de tijd na ons, hoe lang de wereld ook nog zal duren. Maar Johannes doet dat met beelden van Oud Testamentische profetieën en Joodse apocalyptiek.
Ik heb u uitgelegd wat voor literair genre dat is. De tijd waarin Johannes schreef, was er een van vervolgingen, maar ook nu worden christenen vreselijk vervolgd. In Islamitische landen zoals Turkije, Arabië, Soedan en door Hindoes in Orissa. Het woord Apocalyps betekent dus niet catastrofe maar openbaring van wat Gods oordeel is over de mensheid en de hoop op verlossing wordt er in uitgedrukt. Het is verkeerd overwegend het catastrofale aspect ervan te benadrukken en er een rampenscenario van te maken, een thriller voor het einde van de wereld.
Nu een woordje over de symbolen van de Apocalyps.
Zo is er het symbool van de vier levende wezens, symbool voor de gehele schepping en de gehele schepping die God verheerlijkt.
Zo is er ook het Lam voorgesteld als geslacht. Welnu, dat is uiteraard een beeld voor Jezus Christus Die gestorven is en men denkt daarbij aan het Paaslam en de uittocht van de Joden uit Egypte. Jezus, ons Paaslam van het einde der tijden, is het Lam Gods dat ons bevrijd heeft uit de slavernij van de zonde.
Zo is er het boek met zeven zegels dat alleen het Lam kan openen. Jezus heet de Oud Testamentische profetieën vervuld en de definitieve overwinning behaald op het kwaad dat wordt voorgesteld in een reeks van 3 X 7 plagen. De 7 trompetten is daar een reeks van. Maar men moet daar geen chronologische tijdsorde geven aan die opeenvolgende reeksen. Het is gewoon een multiforme manier om dezelfde realiteit te beschrijven van de heilsactiviteit van Christus tot aan het hemelse Jeruzalem (de Apotheose!).
De draak is nog zo een beeld: de Kerk van Rome kan ermee bedoeld zijn, als je er een historische interpretatie wilt aan geven. Maar de draak is ook het antieke serpent, Satan dus die Eva en Adam heeft verleid en die de strijd zal aanbinden met de christenen (het nageslacht van de Vrouw Gen. 3). Maar hij is definitief overwonnen door het kruisoffer van Christus. Dat weet de duivel ook! Maar toch tracht hij er zoveel mogelijk te doen afdwalen van het ware geloof!
Nog zo een beeld is het dier uit de zee (Apok. 13). Men kan daarin het Romeinse Rijk zien. Er is ook een dier van het land, een karikatuur van de Heilige Geest. Het getal van het beest is 666 en dit is een karikatuur van de Heilige Drieëenheid, een pervertering van de Drieëenheid. De duivel wil de Heilige Drieëenheid nabootsen (u weet, de duivel is de aap van God!).
Babylon is een ander beeld. In de Apocalyps bedoelt men daarmee het heidense Rome. Babylon had Jeruzalem verwoest en de inwoners in ballingschap gevoerd. Welnu, het heidense Rome zal hetzelfde doen. In Apok. 17,18 wordt dat heidense Rome de grote prostituee genoemd, gezeten op zeven heuvels. Het gaat hier dus om het heidense Rome. Luther zegde dat die grote prostituee het pauselijke Rome was en de Heilige Mis was voor hem de grootste afgoderij die er bestond. Typisch voorbeeld van hoe de Apocalyps misbruikt wordt, nu nog door de Evangelische christenen en allerlei sektarische stromingen. We moeten dus afstand nemen van al te enge historische toepassingen die de auteur er nooit heeft willen inleggen. Met Babylon bedoelde Johannes (en ook 1 Petrus) het heidense Rome. De Bijbel moet geïnterpreteerd worden in de Kerk.
Het hemelse Jeruzalem is het nieuwe Jeruzalem van hierboven. Dat is de Kerk, volgens Sint Paulus. Het oude Jeruzalem, met zijn tempel, heeft afgedaan en is trouwens vernietigd geworden. De Kerk zal haar definitieve dimensie ingaan in de hemel. Het hemelse Jeruzalem is een beeld voor de toekomstige Kerk in de eindfase! Het is de antithese van de prostituee in hoofdstuk 17. Het is de Bruid van het Lam. Het is een beschrijving ontleend aan Ezechiël 40.
Is het einde van de wereld nabij?
Er is al zo vaak over het einde van de wereld voorspeld geworden. Toen de Vandalen in Noord-Afrika binnenvielen, zegden de christenen dat dit het einde van de wereld was. Toen de Islam zich verspreide als een lopend vuurtje (in minder dan 100 jaar was geheel het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Spanje onder de voet gelopen) zegden de christenen ook dat dit het einde van de wereld was. In tijden van economische recessie en religieuze crisis, tijden van geloofsafval zoals we nu zien, is men ook rapper geneigd om er het einde van de wereld in te zien en men leest de Apocalyps met een vooroordeel, d.w.z. met een gekleurde bril op. Als je de Apocalyps leest, moeten de glazen van je bril gewoon transparant zijn en niet gekleurd.
De Antichrist kan een persoon zijn. Luther dacht dat het de paus was en hij was ervan overtuigd dat hij nog gelijk had ook! Ik heb de algemene overste van de Pius X broederschap in een conferentie voor seminaristen in Ecône horen zeggen dat de stoel van Petrus bezet is door de Antichrist.
De Antichrist (Paulus spreekt van de man van het verderf) zal komen vóór Christus glorievolle wederkomst. Maar de Antichrist is reeds aan het werk, er zijn vele Antichristen zegt Johannes in een van zijn Brieven. Oorlogen, vervolging, rampen zijn er altijd geweest. Maar er komt een eindstrijd op het einde van de wereld. Dan zal Christus overwinnen en er zal een Laatste Oordeel zijn en de verrijzenis van alle doden. Wat zijn de tekenen van de eindtijd en van het einde van de wereld en de glorievolle wederkomst? Welnu, dat vroegen de apostelen reeds aan O. L. Heer en de Heer antwoordde daarop: Let op dat niemand u misleidt want er zullen schijn christussen opstaan, die zelfs schijnwonderen zullen doen, charlatans. De Maitreya is zon figuur die wordt voorgesteld als een christus van de eindtijd.
De Antichrist kan ook een macht zijn en er kan Rome mee bedoeld zijn in de tijd van de apostelen Johannes en Paulus. Zijn nederlaag zal het begin zijn van de definitieve triomf. Het Romeinse Rijk is christelijk geworden. Na het Romeinse Rijk kwamen er allerlei barbaarse koninkrijken en men zag daarin de vederzetting van allerlei apocalyptische profetieën. Dan kwam de Islam en die werd dan weer beschouwd als de Antichrist die het Byzantijnse Rijk zal aanvallen. Gewoonlijk voegde men dan nog wat profetieën toe van eigen makelij: er zou een laatste Griekse keizer komen om de Islam te verslaan en om Jeruzalem te heroveren en de christelijke autoriteit er terug te vestigen (Dat schreef dus een Syrische profeet, de zogenaamde pseudo-Methodius in de 7de eeuw).
In de westerse versie wordt die laatste keizer een Franse koning en die zou komen bij de eerste kruistocht (1095) die een apocalyptische dimensie had. Het 6de hoofd van de draak, daar maakte men Saladin van, de tegenstrever van Richard Leeuwenhart. Het 7de hoofd is dan de Antichrist. In 1213 noemde men zelfs Mohamed de Antichrist aan wie men het cijfer 666 geeft.
Ook nu zien we weer in conflicten in onze tijd de apocalyptische dimensie opdoemen (o.a. de oorlog ik Irak). De dreiging van de Islam is er niet minder om geworden. Integendeel, het religieus en moreel verval is nog niet het einde van de wereld. Er is de dreiging van de atoomoorlog, die heel de wereld kan verwoesten en die dreiging is nog altijd reëel. Maar vooral is het nodig de Boodschap van de Heer te volgen: Wees voorbereid opdat wanneer de Heer komt Hij u niet slapend zou vinden, maar waakzaam in het vervullen van uw plichten.
Dan komt het einde. Opgelet! Op een moment dat je het niet verwacht, komt de Heer. Dat is veel belangrijker dan alle gespeculeer en geprofetiseer over apocalyptische, echte of valse openbaringen, over de eindtijd.
DE CHRISTUSREIS NAAR DE EEUWIGHEID. ( DEEL 6 ).
Een vreemd gedenkteken.
Aan de andere kant van de vlakte kwamen de pelgrims, zoals ik wel zag, aan een zekere plaats, waar een oud gedenkteken stond, zeer dicht aan de openbare weg, waarover zij beiden zeer verwonderd waren, vooral vanwege zijn vreemde vorm; want het scheen een vrouw, veranderd in de gedaante van een pilaar.
Hier stonden zij, keken en keken weer, maar wisten voor een tijdje niet, wat zij daar uit opmaken moesten.
Ten laatste ontdekte HOPENDE, boven aan het hoofd, een zeer ongewoon handschrift. Omdat hij niet geletterd was, riep hij CHRISTEN, die een geleerde was, om te zien, of men er de bedoeling niet uit kon vatten. Deze, na het samenvoegen van de letters, las er dit uit: Gedenkt aan de vrouw van Lot (Luc.17:32). Nadat hij dit zijn makker had voorgelezen, besloten zij beiden, dat dit de zoutpilaar (Gen.19:26) was, waarin Lots vrouw veranderde, toen zij met een gierig hart omzag naar Sodom, waaruit zij, om behouden te worden, was gevlucht. Dit onverwacht en verbazingwekkend gezicht gaf hun beiden aanleiding tot het volgende gesprek:
CHRISTEN. "Ach, mijn broeder! Dit is een gezicht dat op tijd en zeer van pas komt, juist nadat wij door DEMAS zo genodigd zijn, om de heuvel GEWIN te zien. Waren wij overgegaan, zoals hij ons verzocht en waartoe u wel genegen was, mijn waarde broeder, wij waren, denk ik, zelf al tot een voorbeeld gemaakt voor anderen, die na ons zullen komen, evenals deze vrouw."
HOPENDE. "Ik ben bedroefd, dat ik ooit zo dwaas ben geweest; en verwonder mij, dat ik niet ben geworden als deze vrouw; want wat verschilde toch haar zonde van de mijne? Zij zag alleen maar om en ik was begerig, heen te gaan en te zien. Ach, dat de genade hiervoor worde geloofd en dat ik beschaamd sta, dat ooit zoiets in mijn hart is opgeklommen!"
CHRISTEN. "Laat ons, wat wij hier gezien hebben, goed opmerken, om er ons van te bedienen in de toekomst. Deze vrouw ontkwam het ene oordeel; zij kwam niet om in het verderf van Sodom en toch werd zij verdorven door een ander, zoals wij daar zien; zij is in een zoutpilaar veranderd."
HOPENDE. "Zo is het en zij dient ons beiden tot een waarschuwing en tot een voorbeeld: tot een waarschuwing, opdat wij haar zonde mijden; en tot een voorbeeld, ons lerende, welk oordeel wij te wachten hebben, als wij ons niet laten waarschuwen. Zo werden Korach, Dathan en Abiram en de twee honderd vijftig mannen, die met hen omkwamen, tot een waarschuwend voorbeeld voor anderen (Num.16). Maar over één zaak ben ik zeer bekommerd en dat is, hoe DEMAS en zijn metgezellen zo ijverig naar deze schatten kunnen jagen, daar deze vrouw, die er slechts naar omzag - want wij lezen niet, dat zij ook maar één voetstap van de weg gegaan is - in een zoutpilaar is veranderd, vooral, daar dit oordeel haar tot een voorbeeld voor anderen gemaakt heeft en dat juist voor hun ogen, want zij kunnen niet opzien, of zij is in hun gezicht."
CHRISTEN. "Het is een verwonderenswaardige zaak, die bewijst, dat zij hierin geheel overgegeven zijn; ik weet niet, met wie ik hen beter moet vergelijken, dan met die dieven, die in tegenwoordigheid van de rechter, of wel onder de galg zelf, een beurs en een zak roven.
Van de mannen van Sodom wordt gezegd, dat zij zeer grote zondaars waren (Gen.13:13), omdat zij zondaars waren tegen de Heere; dat is onder het gezicht van de Heere en dat niettegenstaande de weldadigheid, die Hij hun bewezen had. Want het land van Sodom was de lusthof van Eden (Gen.13:10). Daarom verwekte dit de Heere tot jaloersheid en maakte hun plaag zo heet, als het vuur van de Heere buiten de hemel die maken kon. Men kan met bijna volkomen zekerheid besluiten, dat dezulken, ja juist degenen, die zó zondigen, in het gezicht, ja in verachting van alle zulke voorbeelden als hun steeds ter waarschuwing worden voorgesteld, eens de allerstrengste oordelen ondervinden zullen."
HOPENDE. "Zonder twijfel is dit alles de waarheid. Maar wat een genade is het, dat noch u en bijzonder ik zelf niet tot zo'n voorbeeld voor anderen gesteld zijn. Dit geeft ons stof om God te danken, Hem steeds te vrezen en gedurig te gedenken aan de vrouw van Lot."
De Rivier des Levens.
Ik zag dan ook, dat zij hun weg vervolgden tot aan een schone rivier, die koning David noemt de rivier Gods (Ps.65:10) en Johannes de rivier van het water des levens (Openb.22:1).
Hun weg lag nu juist langs de oever van de rivier; en hier wandelden zij daardoor met groot vermaak. Zij dronken ook van het water van deze rivier, dat zeer verkwikkend was en hun vermoeide geest als herleven deed. Aan de andere zijde van de rivier stonden langs de kant allerlei groene vruchtdragende bomen; de vruchten van de bomen vonden zij verrukkelijk en de bladeren waren ter genezing, wanneer hun bloed door het reizen zeer verhit was; zij waren zeer goed tot voorkoming van de overlading van de maag en andere ziekten, die daardoor plegen te ontstaan. Aan de rivier lag ook een zeer fraaie weide, beplant met lelies; zij was het hele jaar groen. Hier legden zij zich neer (Ps.23:2 en 22:27) en sliepen, want zij mochten dit hier gerust doen. Toen zij wakker werden, verzamelden zij weer enige vruchten van de bomen, die zij aten; dronken meteen van het water van de rivier en legden zich toen weer te slapen. Dit deden zij verscheidene dagen en nachten en zongen toen:
Ziet hier kristallijnen stromen
De lieve wei, de levensbomen,
Tot troost der pelgrims, dat hun ziel
Niet machteloos ter neder viel:
En door gebrek aan spijs of vocht,
Niet op de weg bezwijken mocht.
O plaats, zo lieflijk en zo heerlijk!
O plaats, zo troostrijk en begeerlijk!
Die maar uw vrucht, ja blaad'ren kent,
Is zo van d'aardse look ontwend,
Dat hij al, wat ooit d'aarde gaf,
Verkoopt als voor zijn ziel te laf.
(Wijze Ps.105)
Toen zij nu weer reisvaardig waren, want hun reize was nog niet ten einde, aten en dronken zij nog eens en vertrokken daarop weer.
De weide met het Bijpad.
Nu zag ik in mijn droom, dat zij niet ver gereisd waren, of de weg scheidde zich voor een moment van de rivier af, waardoor zij niet weinig ontsteld werden; evenwel durfden zij niet van de weg af te gaan. Hier was de weg zeer hobbelig en hard en hun voeten waren door het reizen buitengewoon teer; daarom werden hun zielen verdrietig vanwege de weg (Num.21:4), en wensten zij een betere.
Aan de linkerzijde van de weg lag een weide en een plank om daarover de weide in te gaan; de weide wordt gewoonlijk genoemd de WEIDE MET HET BIJPAD. Toen zei CHRISTEN tot zijn medereiziger: "Indien deze weide langs onze weg loopt, laat ons daarin overgaan." Meteen ging hij naar de plank om het te onderzoeken; en zie, er lag juist een voetpad, ter zijde langs de weg. "Ach!" riep hij, "dit is juist, zoals ik het wenste. Het is hier het gemakkelijkst te gaan. Komaan mijn goede HOPENDE, laat ons erover gaan."
"Maar", zei HOPENDE, "indien dit pad ons van de weg afleidt, wat dan?"
CHRISTEN antwoordde: "O, dat zie ik niet zo, kijk eens, ligt het niet vlak langs de weg?" En zo liet zich HOPENDE door zijn metgezel bewegen en volgde hem de plank over. Het BIJPAD vonden zij zeer gemakkelijk voor hun voeten en vooruitziende, merkten zij iemand op, die voor hen uitliep. Zijn naam was IJDEL VERTROUWEN. Deze riepen zij toe en vroegen hem, waar deze weg heenleidde.
Hij zei: "Naar de Poort des Hemels."
"Ziet u nu wel," zei CHRISTEN, "dat het is, zoals ik u zei en dat wij de juiste weg houden"; en zij volgden hem, terwijl hij ook voortging. Maar zie, het werd nacht en weldra was het erg donker; zodat zij, die achter gingen, niet meer zien konden degene, die voor hen was.
Hij echter, die hen voorging, IJDEL VERTROUWEN genaamd, de weg niet ziende die voor hem was, viel in een diepe kuil, daar door de Vorst van het land gemaakt, om ijdel roemende dwazen daarin te doen storten (Jes.28:13). Hij werd door deze val geheel verbrijzeld.
CHRISTEN en zijn reisgenoot hoorden hem vallen en riepen, maar daar was geen antwoord: alleen hoorden zij enig zuchten. Toen zei HOPENDE: "Waar zijn wij nu?"
Doch CHRISTEN zweeg stil, mismoedig, omdat hij hem van de weg getroond had. Het begon nu ook zwaar te regenen, te donderen en te weerlichten en dat op een zeer vervaarlijke wijze; ook rezen de wateren zeer hoog.
"Ach!" zei HOPENDE met een zucht, "Had ik toch mijn weg maar gehouden!"
CHRISTEN. "Wie zou gedacht hebben, dat dit pad ons zo van de weg leiden zou?"
HOPENDE. "Ik was er in het begin al bang voor, daarom gaf ik u zo'n welwillende waarschuwing. Ik zou wel duidelijker gesproken hebben, maar u bent ouder dan ik."
CHRISTEN. "Mijn goede broeder, wees niet boos. Ik ben bedroefd, dat ik u van de weg afgeleid en in zo'n bedenkelijk gevaar gebracht heb. Ik bid u, broeder, vergeef het mij, ik deed het niet met kwade bedoelingen."
HOPENDE. "Wees gerust, mijn broeder, ik vergeef het u, en geloof ook, dat het voor ons bestwil zal zijn."
CHRISTEN. "Ik ben blij, dat ik zo'n barmhartige broeder gevonden heb. Maar wij moesten hier niet blijven staan, laten we proberen terug te gaan."
HOPENDE. "Maar laat mij voorgaan, waarde broeder."
CHRISTEN. "Ach neen, als het u belieft, laat mij eerst gaan, opdat ik eerst in gevaar mag komen als het er is, daar wij beiden door mijn schuld van de weg geraakt zijn."
HOPENDE. "Neen, dat zult u niet; want daar uw gemoed nog in beroering is, zoudt u misschien het spoor andermaal bijster raken."
Toen hoorden zij tot hun bemoediging een stem, die zei: "Zet uw hart op de baan, op de weg die gij bewandeld hebt, keert weder" (Jer.31:21). Doch de wateren waren zo hoog gestegen, dat het inderdaad zorgelijk was om weer langs die weg terug te keren. Toen dacht ik: immers is het gemakkelijker van de weg af te gaan, als wij er op zijn, dan er weer op te komen, als wij er af zijn. Evenwel waagden zij de terugtocht. Doch het was zo duister en de vloed steeg zo hoog, dat zij op hun tocht wel negen of tien keer gevaar liepen te verdrinken.
Zij konden, wat zij ook deden, die hele nacht de plank, waarover zij gekomen waren, niet terugvinden, om welke reden zij eindelijk gingen zitten in een schuilplaatsje, waar zij wilden blijven, tot de dag aanbrak. Maar afgemat en vermoeid vielen zij in slaap, CHRISTEN en HOPENDE.
Kasteel Twijfeling en de reus Wanhoop.
Niet ver van daar lag een kasteel, genaamd het kasteel TWIJFELING (Ps.88:16); de eigenaar ervan was de reus WANHOOP; en zij lagen thans op zijn grond te slapen.
Toen hij nu des morgens vroeg opstond en het veld op en neer wandelde, vond hij de beide vrienden op zijn grond slapende. Hij riep met een gramstorig gemoed en zeer trotse stem, dat zij ontwaken moesten, terwijl hij hun meteen de vraag voorlegde, waar zij vandaan kwamen en wat zij daar op zijn grond deden. Zij zeiden, dat zij op reis en verdwaald waren. Hij zei, dat zij zich aan hem vergrepen hadden, met in zijn veld te slapen en zich daar neer te leggen en dat zij derhalve met hem mee moesten gaan. Aldus gedwongen met hem te gaan (want hij was veel sterker dan zij), hadden zij zeer weinig te zeggen, want zij wisten zichzelf schuldig.
De reus dreef hen intussen voor zich uit en sleepte hen in het kasteel, waar hij hen wierp in een zeer duister hol, stinkende en afschuwelijk voor deze twee mannen. Hier lagen zij van woensdagmorgen tot zaterdagnacht (Hosea 6:2) zonder een kruimel brood of een druppel drank, zonder licht en zonder dat iemand hun vroeg, hoe het hun ging. Zij waren derhalve in een slechte toestand en van hun vrienden en bekenden ver afgescheiden. In deze plaats nu had CHRISTEN dubbele droefheid, omdat zij door zijn onvoorzichtige raad in deze moeilijke toestand gekomen waren.
De reus WANHOOP, met zijn vrouw ONGELOOF te bed zijnde, vertelde haar, wat hij gedaan had, hoe hij een tweetal gevangenen in de kerker had geworpen, omdat hij hen op zijn grond had gevonden en vroeg haar ook, wat hij het best met hen doen kon. Zij vroeg, wat voor slag het was, waar zij vandaan kwamen en waar zij heen wilden; en dat alles zei hij haar. Toen gaf zij hem de raad, hen bij het opstaan eens flink af te rossen zonder enig medelijden met hen te hebben.
Opstaande, nam hij een vervaarlijke stok, een knuppel van een zure appelboom, ging daarmee in de kerker, viel op hen aan en sprong met hen om, alsof zij honden waren, ofschoon zij hem niet één ongepast woord toespraken. Hij sloeg hen zo vreselijk, dat zij niet in staat waren, zich van de grond op te heffen. Toen dit gedaan was, ging hij weg en liet hen liggen; zij mochten daar hun ongeval beklagen en hun druk betreuren. Zij brachten de hele dag daarmee door, niet anders doende dan zuchten en bitter kermen.
Toen ONGELOOF de volgende nacht met haar man over de gevangenen sprak en van hem begreep dat zij nog leefden, ried zij hem, hun aan te raden zich van kant te maken. Dus ging hij, zodra de morgen gekomen was, zeer trots tot hen, evenals hij tevoren gedaan had; en toen hij bemerkte, dat zij nog veel pijn leden door de slagen, die hij hun de vorige dag gegeven had, zei hij, dat er geen andere weg voor hun open was, dan een einde aan hun leven te maken, hetzij met een mes, met een strop, of door vergif, daar er toch geen kans was, ooit vrij te komen. "Want," zei hij, "waarom zou u het leven langer kiezen, daar u ziet, dat het met zoveel bitterheid vergezeld is." Doch zij baden hem, dat hij hen toch wilde laten gaan. Toen hij dit hoorde, zag hij hen zeer lelijk en vervaarlijk aan en viel op hen aan en zou hen ongetwijfeld hebben omgebracht, als hij niet een stuip had gekregen, die hij soms krijgt, als de zon schijnt, waardoor hij dan voor een tijd zijn handen niet kan gebruiken. Daarom ging hij weg en liet hen liggen zoals zij waren, aan henzelf de keus latende wat hun te doen stond. De gevangenen overlegden zulks nu met elkaar en spraken als volgt:
CHRISTEN. "Broeder, wat zullen wij doen? Dit is een ellendig leven voor ons. Wat mij betreft, ik weet niet, wat beter is: zo te leven of straks te sterven. Mijn ziel kiest de verworging meer dan het leven (Job 7:15). En het graf is mij liefelijker dan deze spelonk. Zullen wij ons hier laten overheersen door deze reus?"
HOPENDE. "Onze tegenwoordige toestand is in waarheid vreselijk en de dood zou mij veel welkomer zijn, dan altijd zo te leven. Laat ons echter wel bedenken, dat de Heere naar Wiens land wij heenreizen, gezegd heeft: Gij zult niet doden (Exod.20:13); neen, niet alleen een ander, veel minder moet het in ons hart opklimmen, ons zelf van het leven te beroven; wie een ander doodslaat, verderft slechts het lichaam, maar wie zichzelf doodt, doodt ziel en lichaam tegelijk. U spreekt van de rust in het graf, die u liefelijk toeschijnt; bent u dan de hel vergeten, mijn broeder, waarin de doodslagers zeker komen zullen? Want geen doodslager zal het rijk Gods beërven. Laat ons ook bedenken, dat de reus WANHOOP niet alle macht in handen heeft. Daar zijn er wel meer door hem gevangen genomen, naar ik verstaan heb, net zo als wij, die evenwel aan zijn handen ontkomen zijn. Wie weet of God, die de wereld geschapen heeft, de reus WANHOOP niet zal doen sterven. Het kon de een of andere keer ook nog wel eens gebeuren, dat hij vergat, het slot dicht te doen; ook kan hij binnenkort weer een stuip krijgen en daardoor het gebruik van zijn leden verliezen. Doch hoe het zij, ik voor mij ben besloten, manmoedig te zijn en het uiterste te wagen, om te beproeven, of wij ons aan zijn handen niet kunnen ontworstelen. Ik ben dwaas, dat ik het niet eerder gepoogd heb. Laten wij, mijn broeder, intussen lijdzaam zijn en voor een tijd verdragen; het kon nog wezen, dat wij een gelukkige verlossing verkregen; alleen laat ons geen zelfmoordenaars worden!"
Door deze woorden stemde HOPENDE het gemoed van zijn broeder wat tot tevredenheid. Zij zaten echter in het duister, in deze treurige toestand de hele dag door.
Omstreeks de avond ging de reus weer naar beneden in de spelonk om te vernemen of zijn gevangenen zijn raad hadden opgevolgd. Maar toen hij bij hen kwam vond hij ze levend, ja waarlijk levend: het was al leven, wat aan hen was. Want hoewel zij door gebrek aan brood en drank en door de wonden, die de slagen hun hadden toegebracht, weinig meer hadden kunnen doen dan snikken en adem halen, waren zij nu weer vaardig en levendig. Dus begon hij zeer te tieren en vreselijk te razen en zei, dat het nu, omdat zij zijn raad niet hadden opgevolgd, veel erger voor hen zijn zou en dat zij zouden wensen nooit geboren te zijn. Dit deed hen zeer beven en ik dacht, dat CHRISTEN flauw viel. Maar toen zij een weinig tot zichzelf gekomen waren, hervatten zij hun gesprek over de raad van reus WANHOOP en of het goed was, die op te volgen of niet. CHRISTEN scheen genegen te zijn, hem op te volgen, maar HOPENDE sprak daar weer tegen in als volgt:
"Mijn broeder, gedenkt u niet meer, hoe dapper u voor dezen waart? APOLLYON kon u niet verbazen, noch al wat u in de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS gehoord, gezien en gevoeld hebt. Welk leed, welke verschrikking en verbaasdheid hebt u reeds doorgeworsteld en bent u nu niets dan vrees? U ziet, dat ik, een man, veel zwakker van natuur dan u, met u in dezelfde kerker ben. De reus heeft zowel mij verwond als u, en niet alleen u, maar ook mij de spijs en drank onthouden; net zoals u lig ik hier in het duister te klagen. Maar laten wij meer lijdzaamheid oefenen!
Gedenk, hoe u zich een man betoonde op de IJDELHEIDSKERMIS, en dat u noch door ketenen, noch door gevangenis, ja ook niet door een gewelddadige dood was af te schrikken. Derhalve, laten wij, al was het alleen om die blaam, die het immers het Christendom niet past te dragen, af te wenden, alles met lijdzaamheid opnemen zoveel ons mogelijk is."
Toen de nacht gekomen en de reus weer bij zijn vrouw was, vroeg zij hem hoe het stond met de gevangenen en of zij zijn raad opgevolgd hadden. Hij antwoordde: "Dat zijn hardnekkige schelmen; zij willen liever alle wreedheid verduren dan zichzelf van kant maken." Zij zei daarop: "Breng hen morgen eens mee in de hof van het kasteel en toon hun de beenderen en schedels van hen, die reeds om zeep gebracht zijn. Zeg hun ook, dat zij gerust geloven kunnen, dat je hen, eer een week ten einde loopt, even goed in stukken zult scheuren als je hun makkers hebt gedaan."
Nauwelijks was de morgenstond verschenen, of de reus ging weer tot hen, sleepte hen in de hof en toonde hun de beenderen, die daar lagen, zoals zijn vrouw hem geboden had. "Deze," zei hij, "waren eertijds reizigers, zoals u nu bent, zij kwamen op mijn grond, zoals u hebt gedaan; toen het mij goed dacht heb ik hen in stukken gescheurd; en nu, eer tien dagen ten einde zijn, zal ik met u ook zo doen. En nu direkt weer naar uw hol toe."
En terwijl zij zich omkeerden, sloeg hij hen en dreef hen al slaande de hele weg langs. Daar lagen zij nu zeer erbarmelijk tot de zaterdag toe.
Weer kwam de nacht en bevond zich vrouw ONGELOOF met haar man, de reus WANHOOP, te bed; weer spraken zij over de gevangenen en de oude reus toonde zich zeer verwonderd, dat hij noch door zijn slagen, noch door zijn raad hen aan hun einde had kunnen brengen. Zijn vrouw zei: "Ik vrees, dat zij in hoop leven, dat er nog iemand zal komen, die hen zal verlossen, of dat zij ergens een sluiphol zullen vinden, om daardoor te ontkomen."
"Denk je dat, mijn waarde?" antwoordde de reus, "ik moet hen morgen dan eens opnieuw beproeven."
De gevangenen begonnen intussen midden in de nacht, dit was zaterdags, met elkaar te bidden, en volhardden daarin, tot de dag begon aan te breken.
Een weinig vóór het aanbreken van de dag brak de goede CHRISTEN in verbazing uit in deze zichzelf beschuldigende woorden: "Wat een dwaas ben ik toch, dat ik in dit stinkende hol blijf liggen, terwijl ik even goed in vrijheid kon wandelen; ik heb immers een sleutel op mijn hart, BELOFTE genaamd; deze kan zeker elk slot van dit kasteel TWIJFELING openen."
"Aha, dat is goed nieuws, mijn lieve broeder!" zei HOPENDE, "haal hem er eens uit en laten wij het eens proberen."
Dit deed CHRISTEN: hij trok de sleutel onder zijn kleren vandaan en probeerde hem toen eens op het slot van de kerkerdeur, en zodra hij hem omdraaide, schoot de grendel achterwaarts; de deur ging gemakkelijk open en CHRISTEN en HOPENDE gingen er beiden door. Toen traden zij ook naar de buitendeur, die naar de hof van het kasteel leidde en openden met de sleutel ook deze deur. Daarna gingen zij naar de ijzeren poort (want ook deze moest geopend worden), maar dit slot ging geweldig zwaar open; toch ontsloot de sleutel ook deze poort. Eindelijk waagden zij het de poort te openen om alzo spoedig hun weg te vervolgen. Maar de poort kraakte zo vreselijk, toen zij geopend werd, dat zij de reus WANHOOP wakker maakten, die zeer haastig opstond met het voornemen zijn gevangenen te achtervolgen. Maar hij gevoelde, dat hij zijn ledematen niet tot zijn beschikking had; want hij werd door zijn stuipen weer zo overvallen, dat het hem geheel onmogelijk was hen na te lopen. Zij liepen inmiddels vlug voort en kwamen weer op 's konings hoofdweg; en toen waren zij veilig, want zij waren nu buiten de invloedssfeer van de reus.
Toen zij de plank weer over waren, overlegden zij met elkaar, welk teken zij hier het best zetten zouden, om daardoor degenen, die na hen mochten komen, te waarschuwen en zo te verhoeden, dat zij in de handen van de reus WANHOOP zouden vallen. Eindelijk vonden zij het goed, daar een pilaar op te richten en daarop deze letters in te snijden: "Over deze plank heen is de weg naar het kasteel TWIJFELING, dat bewoond wordt door de reus WANHOOP, die de Koning van de hemel steeds veracht en de heilige reizigers zoekt te verderven."
Dit geschrift werd naderhand door velen gelezen, die daardoor het gevaar ontkomen zijn. Toen zij dit nu verricht hadden, hieven zij hun stemmen op en zongen als volgt:
Wij waren laas! van 't rechte pad getreên,
En gingen op verboden grond;
Foei zorgeloosheid! maar ach wat weên,
Wat ramp en kwelling prangde ons terstond!
Laat elk zorgvuldig wezen,
En wandelen in vrezen:
Opdat niet mee zijn voet
In 't loze net blijft hangen,
En hij zo raakt gevangen,
In 't slot van TWIJFELMOED.
(Wijze Ps.40).
De Liefelijke Bergen.
Daarna zetten zij hun reis voort en kwamen aan de LIEFELIJKE BERGEN, die aan de Heere van die heuvel, waarvan wij tevoren spraken, toebehoorden.
Hierop nu klommen zij, ten einde daar te zien de hoven, boomgaarden, wijnstokken en waterfonteinen; waar zij ook dronken, zich wasten en onbeschroomd aten van de vrucht van de wijnstok. Op de hoogte en de top van deze bergen waren herders, die hun kudden weidden en zij stonden langs de openbare weg. De pelgrims gingen daarom daarheen, om met hen te spreken en leunende op hun stokken (zoals reizigers die vermoeid zijn plegen te doen, wanneer zij met iemand op de weg staan te praten), vroegen zij: "Aan wie behoren deze LIEFELIJKE BERGEN en deze schapen, die u weidt?"
Herders. "Deze bergen zijn IMMANUELSLAND en liggen binnen het gezicht van Zijn stad: de schapen zijn ook de Zijne. Hij heeft voor hen Zijn leven afgelegd (Joh.10:11)."
CHRISTEN. "Is dit de weg tot de Stad des Hemels?"
Herders. "Ja, dit is de juiste weg."
CHRISTEN. "Hoe ver is hij nog wel?"
Herders. "Al te ver, alleen niet voor hen, die er waarlijk zullen ingaan."
CHRISTEN. "Is de weg veilig of gevaarlijk?"
Herders. "Hij is veilig, voor wie hij veilig gemaakt is, maar de overtreders zullen daarin vallen (Hos.14:10)."
CHRISTEN. "Maar is hier ter plaatse niet enige verkwikking te bekomen voor een vermoeid reiziger, die op de weg bezwijkt?"
Herders. "De Heere van deze bergen heeft ons gelast dat wij niet vergeten zouden, de vreemdelingen te onthalen (Hebr.13:1,2); en dus is al het goed van deze plaats voor u ten beste."
Ik zag ook in mijn droom, dat de herders, toen zij merkten dat zij met reizende lieden te doen hadden, hun ook verscheidene dingen vroegen, waar zij op antwoordden, zoals zij te voren al gedaan hadden, zoals: "Waar komt u vandaan?" "Hoe kwam u op deze weg?" "Door welke middelen bent u zo volhardend gebleven? Want weinigen zijn er van degenen, die beginnen hierheen te reizen, die deze bergen aanschouwen." Maar toen zij hun antwoorden hoorden, waren zij daarover voldaan en zij zagen hen vriendelijk aan en zeiden: "Welkom op de LIEFELIJKE BERGEN."
De namen van de herders waren KENNIS, ERVARENHEID, WAAKZAAM en OPRECHTE. Deze namen hen bij de hand, leidden hen tot hun tenten en deelden hun mee, wat zij gereed hadden en verzochten, of zij daar enige tijd vertoeven wilden, opdat zij met elkaar nader bekend mochten worden en zij zich te meer met het goede van die bergen mochten verkwikken: wat zij met graagte deden. En zo begaven zij zich voor die nacht ter ruste, want het was al zeer laat geworden.
Ik zag ook, dat de herders CHRISTEN en HOPENDE des morgens riepen, opdat zij wat met hen op de bergen zouden wandelen.
Zij gingen dan te zamen, wandelden geruime tijd en genoten een zeer vermakelijk uitzicht aan weerskanten.
Toen zei de ene herder tegen de andere: "Zullen wij onze reizigers eens wat bijzonderheden laten zien?"
Dit vonden zij te zamen goed en zij leidden hen eerst op de top van de heuvel DWALING; deze was aan de voorkant zeer steil en zij bevalen hen eens naar beneden te zien; dat deden CHRISTEN en HOPENDE en zij zagen daar onder op de grond verscheidene lieden, die daar verpletterd lagen, boven van de top af neergestort zijnde. "Wat wil dat zeggen?" vroeg CHRISTEN. De herders antwoordden: "Hebt u nooit gehoord van diegenen, die aan het dwalen zijn geraakt door te luisteren naar Hymeneüs en Filetus (2 Tim.2:17,18), betreffende het geloof in de opstanding der doden?" Zij zeiden: "Ja!" "Wel," voegden er de herders bij: "Dat zijn dezen, die hier aan de voet van de berg liggen; zij liggen daar, tot op deze dag toe onbegraven, zoals u ziet, en dat tot een voorbeeld voor anderen, opdat zij niet te hoog opklauteren, of te dicht naderen zouden aan de kant van deze berg."
Daara bemerkte ik, dat zij hen op de top van een andere berg brachten,genaamd WAARSCHUWING, en hun bevalen, dat zij ver om zich heen zien zouden; en terwijl zij dit deden, bemerkten zij daar, naar het hun toescheen, verscheidene mensen op en neer wandelend tussen de graven, die daar waren. En het scheen hun toe, dat ze blind moesten zijn: want zij stootten zich verscheidene malen aan de graven; te meer kwamen zij tot die konklusie, omdat zij niet tussen deze graven vandaan konden komen.
CHRISTEN zei: "Wat is dit toch?"
De herders antwoordden: "Zag u niet een weinig beneden deze bergen een plank, die in de weide leidt? Het is daar aan uw linkerhand." Zij antwoordden: "Ja!"
De herders zeiden: "Van die plank of die overgang gaat een pad, dat recht op het kasteel TWIJFELING aanloopt, waar een reus, WANHOOP genoemd, meester is: deze mensen (wijzende met zijn vinger op degenen, die daar tussen de graven wandelden) kwamen ook eenmaal reizen, zoals u nu doet, tot aan die overgang toe. En omdat de weg daar wat hard en ongemakkelijk was, besloten zij in de weide over te stappen, maar daar werden zij betrapt door de reus WANHOOP, die hen in de gevangenis wierp; nadat zij daar enige tijd gelegen hadden, stak hij hun de ogen uit en bracht hen op deze begraafplaatsen, waar hij ze heeft laten lopen tot op de huidige dag; opdat zo het woord van de wijze man vervuld werd: "Een mens, die van de weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten." (Spr.21:16).
Toen zij dit hoorden, zagen CHRISTEN en HOPENDE elkaar eens aan en de tranen schoten hun in de ogen; doch zij zeiden tot de herders niet één enkel woord.
Voortdromende, zag ik ook, dat deze herders hen brachten naar een andere plaats, laag op de grond, waar een deur was, terzijde van een heuvel; deze deur deden zij open en zeiden, dat zij daar eens zouden binnen kijken. Toen zij daar binnen keken, merkten zij, dat het daar binnen zeer donker en rokerig was; zij meenden ook, een geruis en gerommel te horen als van een brandend vuur; alsook een gekerm van enigen, die gepijnigd werden; ook roken zij daar een stank als van zwavel.
Dus vroeg CHRISTEN weer, wat dit was. De herders antwoordden: "Dit is een bijpad naar de hel, een weg, die de huichelaars inslaan, namelijk degenen, die met Ezau hun geboorterecht verkopen; die met Judas hun meester verraden; die met Alexander het Evangelie lasteren en met Ananias en Saffira, zijn vrouw, liegen en bedriegen."
"Ik bemerk," zei HOPENDE, "dat ieder van hen zich als reiziger voordeed, zoals wij nu; is het zo niet? Deden zij zich niet zo voor?" vroeg hij aan de herders.
"Ja," antwoordden zij, "en zij hielden het ook een lange tijd uit."
"Hoe ver," vervolgde hij, "zijn ze wel gegaan, eer zij zo ellendig zijn weggeworpen?"
De herders antwoordden: "Sommigen zo ver nog niet als deze bergen en anderen nog verder."
"O," zeiden de reizigers daarop tot elkaar, "hoe nodig is het dat wij tot de Sterke om sterkte roepen."
"Ja, wel degelijk," antwoordden de herders, "en het is ook wel nodig, dat u deze uw sterkte in beoefening brengt, wanneer u die verkregen hebt."
Toen hadden de pelgrims begeerte om voort te reizen en de herders bewilligden daarin; dus gingen zij te zamen wandelen tot het einde van de bergen. Toen zeiden de herders tot elkaar: "Wij zouden hier onze reizigers, indien zij er verstand van hebben om door een verrekijker te zien, de Poort van de Stad des Hemels wel eens kunnen laten zien."
Nauwelijks hoorden zij hiervan reppen, of zij stemden er graag mee in; derhalve leidden de herders hen op de top van een zeer hoog gebergte, OPGEHELDERD geheten, en daar gaven zij hun de verrekijker in handen om te zien. Zij probeerden of zij de Poort in het oog konden krijgen, maar de herinnering aan het laatst door de herders aangewezene deed hun handen zo beven, dat zij de kijker niet stil konden houden, waardoor zij verhinderd werden er nauwkeurig door te zien; evenwel meenden zij iets te zien, dat op een poort leek en ook iets van de heerlijkheid van die plaats. Hierna wendden zij zich af van daar, zingende aldus:
Een herder door Gods Geest verlicht,
En opgehelderd in 't gezicht,
In 's Hemels Hogeschool geleerd,
Die derwaarts steeds het oog nog keert,
Die ziet een groot geheimenis.
Die nu in 't duister dubbend' staat
Voeg' zich bij zo een man om raad,
en zoek' Gods mond, zo komt gewis,
Het licht hervoort in duisternis;
En 't geen hem gans verborgen was
Ziet hij nu in een helder glas.
(Wijze Onze Vader)
Toen zij nu opstonden om weg te gaan, gaf een van de herders hun inlichtingen over de weg. Een ander beval hun, zich te hoeden voor de pluimstrijkers. De derde gebood hun, niet te slapen op de BETOVERDE GROND.
En de vierde wenste hun een goede reis.
Toen ontwaakte ik uit mijn droom.
Onkunde uit het land Inbeelding.
Maar ik viel weer in slaap en zag in mijn droom die twee reizigers de bergen afwandelen, langs de hoofdweg die naar de stad leidt. Een beetje terzijde van deze bergen ligt een landschap, INBEELDING genaamd; vanwaar men, door een krom laantje kan komen op de weg, waarop deze pelgrims wandelen.
Hier ontmoetten zij een zeer schrandere jonge kerel, die uit die landstreek op deze weg kwam; zijn naam was ONKUNDE.
CHRISTEN sprak hem aan en vroeg waar hij vandaan kwam en waar hij heen wilde. Hij antwoordde: "Ik kom uit het landschap, mijnheer, dat u iets terzijde aan uw linkerhand ziet liggen; daar ben ik ook geboren; en nu wandel ik naar de Stad des Hemels."
"Maar," zo vroeg CHRISTEN verder, "hoe denkt u binnen de poort te komen? Want u zult daar veel zwarigheden ontmoeten."
"Net zo als andere goede mensen," zei hij tot CHRISTEN, die hem daarop verder vroeg: "Wat hebt u om aan de poort te tonen, opdat u binnen kunt komen?"
ONKUNDE antwoordde: "Ik weet de wil van mijn Heer; ik heb goed geleefd, ik geef een iegelijk het zijne; ik bid, ik vast, geef tienden en aalmoezen en heb mijn land verlaten om dit, waar ik heen ga, te verkrijgen."
"Maar," antwoordde CHRISTEN daarop, "u bent niet door de enge poort, die aan het begin van deze weg is, ingekomen; u bent op deze weg geraakt door die kromme laan en daarom vrees ik, wat u ook van u zelf mag denken, dat men u, als de dag van rekenschap zal komen, ten laste zal leggen, dat u een dief en een rover bent, in plaats dat men u in de stad zal laten."
"Mijne Heren," zei ONKUNDE, "ik ben u geheel vreemd; ik ken u ook niet, laat het u genoeg zijn, dat u de godsdienst van uw land volgt; ik zal de mijne volgen. Ik hoop dat het wel gaan zal. En wat die poort betreft, waarvan u gelieft te spreken, de hele wereld weet, dat ze zeer ver is van onze provincie. Ik weet niet of er in onze hele landstreek iemand is, die de weg daarheen enigszins bekend is; het is ook helemaal niet belangrijk, of zij het weten of niet, daar wij, zoals u ziet, een schone en vermakelijke groene laan hebben, die uit ons land recht op deze weg aanloopt."
Toen CHRISTEN merkte, dat deze man zich inbeeldde zo wijs te zijn, zei hij zacht tot HOPENDE: "Van een zot is meer verwachting dan van hem" (Spr.26:12), en daarna: "Als de dwaze op de weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem: en hij zegt tot een iegelijk dat hij dwaas is (Pred.10:3).
Wat zullen wij doen? Zullen wij nog verder met hem spreken of hem terstond verlaten en hem zo tijd geven om te overdenken, wat hij al gehoord heeft? Daarna kunnen wij dan wel verder met hem spreken en zien of wij zo, bij gedeelten, nog wat goeds aan hem kunnen doen."
En HOPENDE zong bij zichzelf:
Ach, dat nu ONKUND' maar
Eens stil bepeinzend waar,
De raad aan hem gegeven!
Ach, dat nu eens zijn hart,
Van vooroordeel ontward,
De waarheid aan wou kleven!
Dat hij in 't licht gebrocht,
Geen ONKUND' blijven mocht,
Maar kundig van de paden
Met ons naar d'eeuwigheid,
Mocht gaan vol vrolijkheid,
Vol zijnde van genade.
(Wijze Ps.3)
Daarna zei hij: "Mij dunkt, dat het niet raadzaam is, alles in één keer tot hem te zeggen. Kom broeder, laten wij hem, als het u belieft, voorbijgaan en terstond, wanneer hij weer bekwaam zal zijn om het te dragen, onze gesprekken hervatten."
Zo liepen zij dan wat harder door, zodat ONKUNDE achter raakte. Een weinig verder gegaan zijnde, kwamen zij in een donkere laan, waar hen een man ontmoette, die door zeven duivelen (Matth.12:45) met zeven sterke koorden was gebonden en werd weggesleept, achterwaarts naar de deur die zij aan de zijkant van de heuvel gezien hadden. Dit maakte de lieve CHRISTEN en zijn reisgenoot HOPENDE zeer ontsteld en bevende; evenwel, terwijl de duivelen deze man heenleidden, nam CHRISTEN de moed, eens te zien, of hij hem ook kende. Hij veronderstelde dat het AFWIJKER uit de stad AFVAL was. Maar hij kon zijn gezicht niet goed zien; want hij liet zijn hoofd hangen als een dief, die betrapt wordt. Toen zij hen voorbij gingen, bemerkte HOPENDE echter, dat hij een brief op zijn rug had met dit opschrift: "LOSSE BELIJDER EN DOEMWAARDIGE AFVALLIGE."
De geschiedenis van Kleingeloof.
Daar schiet mij te binnen", zei CHRISTEN tot HOPENDE, "wat ongeveer op deze plaats eens een zeer goed man overkomen is; het was KLEINGELOOF, een zeer goed mens uit de stad OPRECHT. U moet weten, dat aan het begin van deze weg nog een laan komt van de BREDEWEGSPOORT af, genaamd DOODMANSLAAN, vanwege de moorden, die daar gewoonlijk worden begaan. En deze KLEINGELOOF hierheen reizende, waagde het, daar te gaan zitten slapen. Toen gebeurde het, dat drie snode schelmen van de BREDEWEGSPOORT af deze laan inkwamen; hun namen waren FLAUWHART, WANTROUWEN en SCHULD, (het waren drie broers). Toen zij KLEINGELOOF in het oog kregen, liepen zij snel naar hem toe. En terwijl de goede man juist uit zijn slaap was ontwaakt en zich gereed maakte, om zijn reis voort te zetten, overvielen zij hem en bevalen hem met dreigende gebaren halt te houden. KLEINGELOOF bestierf het bijna, hij werd zo wit als de sneeuw en had geen kracht, noch om te vechten, noch om te vluchten. "Geef uw beurs!" riep FLAUWHART; maar KLEINGELOOF haastte zich niet bijzonder; want hij wilde niet graag zijn geld missen. Fluks liep WANTROUWEN op hem toe, stak zijn hand in zijn zak en greep daar zijn zilverbeurs uit. KLEINGELOOF riep: "Dieven! dieven!" maar SCHULD sloeg hem met de stok, die hij in de hand had, op het hoofd, zodat hij met één klap ter aarde stortte. Daar lag hij nu en bloedde zo vreselijk, dat het leek of hij eraan zou sterven.
De dieven stonden er enige tijd bij, maar toen zij in de verte iemand hoorden aankomen, lichtten zij de hielen, vrezende dat het misschien GROTE GENADE uit de stad GOED VERTROUWEN zou zijn; zij lieten de goede man liggen, en zorgden alleen voor zichzelf. KLEINGELOOF kwam na enige tijd weer wat bij, probeerde overeind te komen en deed zijn best om zachtjesaan zijn weg weer voort te zetten. Dit was zo de geschiedenis."
HOPENDE. "Maar namen zij hem alles af, wat hij had?"
CHRISTEN. "Neen, de plaats waar hij zijn juwelen verborgen had, vonden zij niet, hoe zij hem ook onderzochten, en zo behield hij die. Maar de goede man was zeer terneergeslagen over zijn verlies; want de dieven waren met het grootste gedeelte van zijn spaargeld er vandoor. Wat zij hem niet ontnomen hadden, waren, zoals ik zei, zijn juwelen; ook had hij nog wat klein geld behouden, maar nauwelijks genoeg, om hem aan het einde van zijn reis te brengen (1 Petr.4:18); ja als ik niet verkeerd ingelicht ben, werd hij gedwongen te gaan bedelen om in leven te blijven, want zijn juwelen mocht hij niet verkopen. Hij deed wat hij kon en bedelde soms wel eens wat; evenwel ging hij menigmaal op zijn reis met een hongerige buik op stap."
HOPENDE. "Maar was het geen wonder, dat zij hem zijn Getuigschrift, waarop hij moest ingelaten worden in de Poort des Hemels, niet ontnamen?"
CHRISTEN. "Dat was wel degelijk een wonder, maar zij vonden het niet, hoewel het niet aan zijn beleid en snedigheid lag. Want zeer verschrikt door hun komst, had hij macht noch verstand, om iets te verbergen. Het was meer door de goede voorzienigheid Gods, dan door zijn eigen inspanningen, dat zij dit kostbare pand niet vonden."
HOPENDE. "Dat moet hem toch een troost geweest zijn, dat zij dit juweel niet kregen."
CHRISTEN. "Het zou hem een grote troost hebben kunnen zijn, had hij er gebruik van gemaakt, zoals hij had moeten doen (2 Petr.1:9). Maar de man, die mij deze geschiedenis vertelde, wist mij ook te zeggen, dat hij daar weinig mee uitrichtte de hele weg lang, en dat vanwege de schrik en de verbaasdheid, die hem had bevangen, toen zij hem zijn geld afnamen. Ja, inderdaad, menigmaal dacht hij er niet eens aan; en als het hem al eens te binnen schoot en hij zich daar wat mee troosten wilde, dan kwam de gedachte aan zijn verlies hem weer zo vers te binnen, dat alle andere gedachten daardoor werden verzwolgen."
HOPENDE. "Helaas, arme man, dit moest wel een groot hartzeer voor hem zijn."
CHRISTEN. "Hartzeer, ja wel zeker een hartzeer; zou het ons ook niet droevig gestemd hebben als ons was overkomen wat hem overkwam? Zo geplunderd en dan nog zo verwond te worden en dat in een vreemde plaats, zoals die, waarin hij toen was? Een wonder was het, dat het arme hart niet van droefheid stierf. Mij is verteld, dat hij de hele weg lang nauwelijks iets anders deed dan zeer levendig kermen en klagen, hoe en waar hij zo beroofd was, wie het gedaan hadden en wat hij alzo kwijt was geraakt; hoe hij verwond was en er nauwelijks het leven had afgebracht."
HOPENDE. "Maar het is een wonder, dat deze moeilijke omstandigheden hem niet enige van zijn juwelen deden grijpen, om die te ruilen of te verkopen, zodat hij zich daarmee behelpen kon op zijn reis."
CHRISTEN. "U spreekt als iemand, die nog de schellen op de ogen heeft; want waarvoor zou hij ze verkopen en aan wie? In de hele landstreek, waar hij beroofd was, waren zijn juwelen niet geacht; ook was hij niet verlegen om de verkwikking, die hem ervan kon toekomen. Maar afgezien daarvan, hij zou, indien hij zijn juwelen niet had kunnen tonen aan de Poort van de Hemelse Stad, van de hemelse erfenis verstoken hebben moeten blijven, wat hij ook zeer goed wist en dit zou hem veel zwaarder zijn gevallen dan de overvallen en boosheden van tienduizend dieven."
HOPENDE. "Waarom bent u zo scherp, mijn broeder? Ezau verkocht het recht van zijn eerstgeboorte en dat om een schotel moes (Hebr.12:16); en zijn eerstgeboorte was zijn grootste juweel; mocht hij dat wel verkopen, waarom KLEINGELOOF dan niet?"
CHRISTEN. "Ezau, het is waar, verkocht zijn eerstgeboorterecht en zo doen velen met hem; daarmee sluiten zij zich echter ook uit van de grootste zegen, evenals die ellendige mens. Maar u moet onderscheid maken tussen hun beider staat. Ezau's eerstgeboorte was iets ceremoniëels; zo was het evenwel niet met de juwelen van KLEINGELOOF. Ezau's buik was zijn God; maar zo was het niet met KLEINGELOOF. Ezau's gebrek lag in zijn vleselijke eetlust; doch anders was het met KLEINGELOOF. Ezau beoogde niet meer, dan de vervulling van zijn lusten; want hij zei: 'Ik ga sterven, waartoe zal mij dan het recht mijner eerstgeboorte zijn?'(Gen.25:32). Maar KLEINGELOOF, ofschoon 't zijn lot was een klein geloof te hebben, werd echter door zijn geloof teruggehouden van zulke buitensporigheden. Zijn geloof deed hem zijn juwelen zien en meer waarderen, dan dat hij ze zo zou verkopen, als Ezau zijn eerstgeboorterecht deed. U leest nergens, dat Ezau geloof had, neen, ook geen klein geloof; en daarom, geen wonder, dat iemand in wie het vlees alleen heerschappij voert (zoals het doet in een mens, die geen geloof heeft, waardoor het anders weerstaan wordt), zijn eerstgeboorterecht, zijn ziel en alles verkoopt, al is het aan de Duivel, de vorst van de hel. Want met zo iemand is het, als met de woudezel, die in zijn ontmoeting niet afgekeerd kan worden (Jer.2:24). Als zij hun zin gezet hebben op de een of andere lust, willen zij die voldaan zien, het koste wat het kost. Maar KLEINGELOOF bezat een andere geaardheid; zijn hart was gezet op Goddelijke zaken, hij leefde bij wat geestelijk en van boven was, waarom zou zo iemand dan zijn juwelen verkopen (als er iemand geweest was, die er zin in gehad had) en dat om zijn ziel te vervullen met zulke nietige dingen? Zou een mens wel een penning willen uitgeven, om zijn lichaam met hooi te verzadigen? Of kan iemand een tortelduif op een aas doen rusten, zoals een raaf! Hoewel een ongelovige om zijn vleselijke lusten te bevredigen, verpanden, verwisselen en verkopen kan al wat hij heeft en zijn voordeel daarbij zoeken, zo zal nochtans iemand, die geloof heeft, zaligmakend geloof, al is het maar klein, zo niet doen en daarom ligt hier uw misvatting."
HOPENDE. "Ik beken het; maar uw scherpe toepassing had mij bijna boos gemaakt."
CHRISTEN. "Wel waarom? Ik vergeleek u maar bij dat grauwe slag van vogels, die nog met de dop om het hoofd al op en neer lopen, ofschoon zij de weg noch zien noch kennen. Maar stap daar overheen en let op de zaak zelf, waarover wij spraken en het zal tussen u en mij wel goed gaan."
HOPENDE. "Maar CHRISTEN, die drie gasten waren, geloof ik, een gezelschap van lafaards; denkt u, dat zij anders zo gelopen zouden hebben, zodra zij wat geluid hoorden en zich verbeeldden dat zij iemand aan hoorden komen? Waarom toonde zich KLEINGELOOF niet moediger? Mij dunkt, hij kon zich toch te weer gesteld hebben en eerst als hij geen kans gezien had, alles hebben opgegeven."
CHRISTEN. "Dat zij lafaards zijn, is door velen gezegd, maar door weinigen zo bevonden in een tijd van beproeving. En nu spreekt u van moed, maar KLEINGELOOF had die niet. Naar ik aan u hoor, mijn broeder, zoudt u, als u in de plaats van die man geweest was, u een weinig verweerd en dan gevangen gegeven hebben; dat is zeker uw grootste moed, nu zij ver vàn ons zijn. Maar wat zoudt u gedaan hebben, wanneer zij u eens tegemoet kwamen, zoals hem? Denk daarbij eens, dat deze lieden, ofschoon zij stropers van de reizigers zijn, dienen onder de Koning van de grondeloze poel; die hen, wanneer zij zijn hulp nodig hebben, zelf wel komt bijspringen om ze te helpen; en zijn stem is als het brullen van een Leeuw (1Petr.5:8). Ik ben er net zo aan toe geweest als KLEINGELOOF en ondervond wel welk een verschrikkelijke zaak het was. Deze drie schurken kwamen ook eens op mij af; ik stelde mij te weer zoals het een CHRISTEN betaamt; doch zij gaven maar één schreeuw en direkt kwam hun meester aanrennen. Ik gaf geen stuiver meer voor mijn leven, maar door Gods bestier werd ik juist beschermd door een beproefd pantser.
En toch ondervond ik, hoewel ik zo geharnast was, wat een harde zaak het was, mij van mijn taak te kwijten als een man. Geen mens is bij machte te zeggen, wat in deze strijd alzo omgaat, dan iemand die zelf zo gestreden heeft."
HOPENDE. "U ziet echter, dat ze wegliepen toen ze nog maar dàchten, dat GROTE GENADE eraan kwam."
CHRISTEN. "Het is waar, zowel zij als hun meester zijn dikwijls gevlucht, wanneer GROTE GENADE zich vertoonde; en is dat een wonder? Het is een van des Konings kampvechters. Maar ik vertrouw immers, dat u enig onderscheid maakt tussen KLEINGELOOF en een kampvechter van de Koning. Al des Konings onderdanen zijn geen kampvechters, noch kunnen, wanneer het er op aan komt, zulk een spoed en kracht tonen in de strijd als zij. Is het wel denkbaar, dat een klein kind een Goliath zou doden, zoals David deed, of dat de sterkte van een os zou wonen in een winterkoninkje? Sommigen zijn sterk en sommigen zwak; sommigen hebben een groot geloof, in anderen is het klein; deze man was een der zwakken, en daarom bood hij geen tegenstand."
HOPENDE. Ik wenste om hunnentwil wel, dat zij GROTE GENADE voor zich gehad hadden."
CHRISTEN. "Was hij het geweest, mogelijk had hij de handen ook vol gehad. Want ofschoon GROTE GENADE uitstekend met de wapenen weet om te gaan en hij hun, zo lang hij hen voor de punt van de degen kan houden, genoeg te doen zal geven en ook gegeven heeft; wanneer zij echter binnen kunnen komen, namelijk FLAUWHART en WANTROUWEN, of ook de andere, dan zal het er op aankomen, of zij hem de voet niet lichten. En als een mens onder de voet ligt, weet hij wel, dat hij niet veel doen kan.
Wie GROTE GENADE nauwkeurig in zijn gezicht ziet, zal daar verscheidene houwen en littekens in bespeuren, die duidelijk bewijzen, wat ik gezegd heb. Ja, ik heb horen vertellen, dat hij gezegd zou hebben, toen hij eenmaal met hen streed: Wij zijn buiten hoop van leven (2 Cor.1:8,9). Hoe deden deze boze schelmen David brullen, zuchten en klagen! Ja ook Heman en Hizkia moesten, ofschoon zij in hun dagen 's Konings kampvechters waren, zich terdege in postuur stellen, wanneer zij werden aangevallen; en dan nog moesten zij soms een veer laten. Petrus wilde eenmaal proberen, wat hij doen kon: maar hij, ofschoon sommigen zeggen, dat hij de vorst onder de Apostelen is, werd zo door hen behandeld, dat zij hem ten laatste, vervaard en verschrikt, voor een geringe dienstmaagd deden vrezen. Daarenboven is hun Koning zo dicht bij hen, dat zij Hem befluiten kunnen; hij is nooit zover, dat hij hen niet zou horen en wanneer zij het op een bepaalde tijd te kwaad mochten hebben, komt hij hun als het maar enigszins mogelijk is, te hulp. En van hem wordt gezegd: 'Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan: spies, schicht noch pantsier. Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout. De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd. De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans'(Job.41:17-20). Wat kan men in zo'n geval doen? Het is waar, wanneer een mens dan telkens een paard had, als waarvan Job spreekt en het verstand en de moed, om het te berijden, hij zou wel iets bijzonders kunnen uitrichten. 'Want zijn hals is bekleed met donder, hij is niet beroerd, gelijk de sprinkhaan: de kracht van zijn gesnuif is een verschrikking. Het graaft in de grond en is vrolijk in zijn kracht: en trekt uit de geharnaste tegemoet. Het belacht de vrees en wordt niet ontsteld, en het keert niet wederom vanwege het zwaard. Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer der spies en der lans. Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin. In het volle geklank der bazuin zegt het: Heah! en het ruikt de krijg van verre, de donder der vorsten en het gejuich (Job.39:22-28).' Maar wij, zulke voetknechten als u en ik zijn, laten wij nooit wensen vijanden te ontmoeten; noch ons beroemen alsof wij het beter zouden doen dan anderen, van wie wij horen, dat zij verontreinigd zijn geworden; noch laten wij ons zelf in onze gedachten strelen met onze manhaftigheid, omdat dezulken het gewoonlijk het allerslechtst doen in tijden van verzoekingen.
Getuige daarvan is Petrus, van wie ik tevoren vertelde. Hij wilde mede roemen, och ja, hij wilde, zoals zijn ijdel gemoed hem ingaf, beter doen en meer voor zijn Meester staan dan alle mensen; maar wie is ooit zo bevlekt en door aanvallen neergeworpen als hij?
Als wij dan ook horen van zodanige roverijen op des Konings weg, moeten wij twee dingen doen: eerst ons zelf goed wapenen en alzo heengaan, vooral goed voorzien van een schild; want het was uit gebrek daaraan, dat hij, die moedige, de Leviathan niet op de vlucht kon drijven. Want zeker, als wij dat niet hebben, zo vreest hij ons in der wereld niet. Daarom zei hij, die zich op die strijd goed voorbereidde: "Bovenal, doet aan het schild des geloofs, waarmede gij al de vurige pijlen des Satans kunt uitblussen (Ef.6:16).'
Het is goed, de koning om geleide te verzoeken; ja Hem te vragen, of Hij ons zelf geleidt. Dit deed David juichen, zelfs in de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS; en Mozes wilde liever sterven, waar hij stond, dan één stap verder gaan zonder zijn God (Exod.33:15). O, mijn broeder, als Hij met ons wil gaan, waarom zouden wij dan vrezen, zelfs voor tienduizenden, die zich tegen ons stellen? (Ps.3:5-8;Ps.27:1,3). Maar zonder Hem zullen zelfs de stoutmoedigste helpers neergeveld worden.
Wat mij betreft, ik ben voorheen ook eens in die slag geweest en hoewel ik door de goedheid van Hem, die de Beste is, nog in leven ben, zoals u ziet, toch kan ik over mijn dapperheid niet roemen. Ik zal blij zijn, als ik zo'n aanslag niet weer te verduren krijg. Maar ik vrees dat wij al de gevaren nog niet voorbij zijn. Hoe het ook zij, aangezien mij de Leeuw en de Beer nog niet hebben verslonden, zo zal God, hoop ik, mij ook verlossen van de haastig aankomende onbesneden Filistijn."
Toen zong CHRISTEN als volgt:
Arm KLEINGELOOF, wat moet het lijden,
Wanneer 't gedwongen wordt te strijden!
Het hart is zwak, de krachten teder,
't Verliest zijn rust, het valt daar neder,
Daar 't sterke blij kan henen gaan,
En duizend pijlen wederstaan.
Die dan met vreugde 't pad wil lopen,
Tot 't einde van het zalig hopen:
Die zende zucht op zucht naar boven:
"Vermeerder, Heer! mijn klein gelove!"
Het sterk gelove maakt een held,
En overwinnaar in het veld.
(Wijze Ps.109)
GEBED TOT EEN ONGEBOREN KIND VIA MARIA.
Lieve Moeder Maria, Koningin van de Hemelse Bloementuin,
In Uw heilige Tegenwoordigheid en onder Uw tedere moederogen roep ik de voorspraak in van mijn ongeboren kind, dat nu reeds bij U leeft in het Paradijs.
Mijn lief kind, als een madeliefje had God jou aan mij toevertrouwd. Als een vergeet-mij-nietje heeft Zijn Mysterie je teruggeroepen nog vóór de wereld je schoonheid kon zien.
Zovele zaadjes heeft je offer onzichtbaar gestort in de zielen die in dit tranendal zijn achtergebleven.
In het verborgene van de moederschoot straalde voor jou reeds het Eeuwig Licht, in het verborgene heeft God je tot bloei gebracht in de Tuin der Hemelse Vreugden.
O kleine offerbloem voor de vruchtbaarheid van de tuinen der zielen, uit liefde voor jou voeg ik het offer van mijn tranen bij het offer van jouw leven, want zoals jij wil ik mijzelf geven voor alles wat God lief is. O jij die nu put uit de bronnen der Hemelse Vrede, bekom mij toch de vurige liefde die jouw zieltje reeds als een diamant in zich droeg toen zij mijn ziel begroette.
Mijn lief kind, zieltje nooit aangetast door de onzuiverheden der wereld, bid voor mij en leid mij, leef onzichtbaar naast mij verder, opdat ook de bloem van mijn ziel de engelen in verrukking moge brengen.
Mijn lief kind dat nu voor Gods Aanschijn speelt als een engel van onschuld, nooit heb je de zonde gekend. Jij die bloeit aan de Hemelse bronnen der zuivering, smeek toch Maria, de Koningin der Hemelen, dat Zij mijn ziel zou besprenkelen met het water der Genade, opdat ik heilig moge zijn zoals jij.
Ik mocht je nooit leren bidden. God heeft het zo beschikt dat jij mij tot gids zou worden, want jouw gebed is nu een tedere zucht in de gezangen der engelen.
O mijn lief kind, dat je leven hebt prijsgegeven nog vóór het begon, help mij een beter mens te worden door mijn dagelijks kruis in overgave te aanvaarden en Jezus en Maria tot het uiterste lief te hebben. Dit verlangen sluit ik in mijn hart uit liefde tot jou, want ooit wil ik jou zien, en voor eeuwig bij jou zijn in het Goddelijk Licht. AMEN.
De ziel van een kind dat niet de kans heeft gekregen om het levenslicht te aanschouwen, wordt zonder meer bij God opgenomen, omdat de ongeborene geen enkele zonde heeft kunnen bedrijven. Een dergelijke ziel is een instrument van voorspraak bij God.
SMEEKGEBED TOT HET GEOPEND HART VAN JEZUS.
O liefhebbende Jezus, ik aanschouw U aan het Kruis, waar U Uzelf totaal ontledigt opdat ik de volheid van het Eeuwig Geluk zou ontvangen.
Voel toch hoezeer het leven mijn hart heeft beklemd.
In eenheid met de Smarten van mijn Hemelse Moeder Maria kom ik bedelen om een druppel Bloed uit Uw doorstoken Hart. Is het niet geopend om alle bitterheid van Uw aardse leven los te laten in stromen van oneindige Liefde ?
O breek toch mijn eigen hart open, mijn Jezus, opdat het Gods Liefde in zich kan sluiten om de slagen van het leven te vergeten. Leer mij, zoals U mijn armen te openen voor de stralen van de Vader en de winden van de Heilige Geest.
Leer mij, zoals U, begrijpen dat mijn kruis de sleutel is die mijn hart niet mag sluiten doch het voorgoed moet bevrijden van zijn lasten.
Leer mij, zoals U de lansstoot te aanvaarden als het geschenk van God dat zielen doopt in de bron der Genade, want ook mijn hart moet alle Liefde van God hebben gegeven alvorens naar Hem terug te keren. AMEN.
GEBED VAN VERLANGEN NAAR MARIA, ROOS VAN MIJN HART.
Lieve Moeder Maria,
Als een gordijn van het zuiverste Licht openbaart U zich in mijn hart om er de nevels van mijn blindheid te verdrijven, want de ogen van mijn ziel hebben in U de Moeder van de Eeuwige Liefde herkend.
O onweerstaanbare Vlam van Hemels Liefdevuur, wat heeft U toch zo lang verborgen voor mijn hart dat naar de Zon verlangde als de bloemknop naar de lente. In de overgave van de vurigste versmelting met U heeft de diepste kern van mijn hart zich voor U geopend als een bloesem die eeuwig zal bloeien, want hij zal voor altijd drinken aan de bronnen van Uw Liefde.
O hemelse streling van mijn ziel, geen geheime kamer in mijn hele wezen kan voor de stralen van Uw heerlijkheid gesloten blijven. Geen deur biedt nog weerstand aan het zoete kloppen van Uw minziek Hart dat naar mijn liefde heeft gezocht sedert de wereld het heeft vertrapt aan de voet van het Kruis.
U hebt mijn hart tot het Uwe gemaakt en de zegels verbroken die God het had omgelegd opdat het voor de wereld een gesloten boek zou blijven, want het moest worden tot een bloem in Uw Tuin. U hebt er alles ontsloten wat geen ziel ooit heeft doorgrond, want in de Tuin der ware Liefde bloeien geen geheimen. Alles hebt U mij gegeven, want in het vuur van de Hemelse Liefde zijn wij één geworden. Alles zal ik U geven, o Roos van mijn hart, want de kwelling van Uw eenzaamheid is mij een doorn. Zijn wij niet bestemd om voor eeuwig één te zijn in de Tuin der Hemelse Vreugden ?
Hoor de weemoedige brand in de woorden van liefde die mijn hart tot U richt. Voel toch het sterven van mijn hart in het laatste woord dat het tot U spreekt vóór de wereld mij van U wegrukt. Hoe kan mijn hart leven zonder de adem der Liefde uit de Bloem die het bezielt ? Slechts aan de Eeuwige Wijsheid is het verlangen bekend van mijn hart dat door U, en met U, en in U wil leven, en door U, en met U, en in U wil sterven.
Want in mijn verlangen zullen de doornen van de pijn en de blaadjes der vervoering voor eeuwig leven, opdat ik met U, Roos van mijn hart, één moge zijn over de grenzen van de dood heen, in de Tuin der Eeuwige Liefde. AMEN.
Het ideaal van de eeuwige gelukzaligheid lijkt soms zo veraf. De ziel die zich in Maria geborgen weet, put uit die wetenschap de hoop dat haar zwakheden in Gods ogen overschaduwd zullen worden door Marias schoonheid, wanneer Zij voorgoed in de ziel Haar intrek mag nemen.
02-05-2009
ALLE EER EN GLORIE.
Alle eer en alle glorie geldt de luisterrijke Naam! Viert de vrede die Hij heden uitroept over ons bestaan. Aangezicht vol van licht, zie ons met ontferming aan!
Alle eer en alle glorie geldt de Zoon, de erfgenaam! Als de genade die ons toekomt is Hij onze nieuwe naam. Licht uit licht, vergezicht, steek ons met uw stralen aan!
Alle eer en alle glorie geldt de Geest, die leven doet, die de eenheid in ons ademt, vlam die ons vertrouwen voedt! Levens zon, liefdesbron, maak de tongen los voorgoed!
HET GEBED.
Dat zal voor jullie kleine aantal uw bescherming zijn in deze gekwelde tijden. Laat kinderen uw inspanningen niet verslappen. Maar bid, bid, zonder ophouden. Om nog een beetje golf tegen Mijn gramschap in te dijken.
Vraag om vergiffenis en Barmhartigheid voor uw zonde. En niet voor uzelf maar voor die van de hele wereld. Blijf in Vrede en Ons allen vertrouwen. Want God bemint, en beschermt u.
Maar bid met heel uw hart. Door al die beproevingen geef het gebed dan nog niet op. Het is het enige doeltreffende wapen dat u zal beschermen tegen de krachten van het kwaad. Want ze verspreiden zich over de wereld in een duizelig wekkende vaart.
Niets kan deze plaag meer tegenhouden. Alleen door het gebed, de boete en het offer. O, Mijn welbeminde kinderen. Blijf moedig Gij die Mij bemint.
Blijf trouw aan Mijn geboden. Ik bemin u, ondersteun u. Daarom blijf in Vrede en de Vreugde. Want God is met u.
DE BODEMLOZE PUT.
Al heb je volgens jou niets meer. Heb je nog je armen en benen en je bent gezond, wat doet jou dan nog zeer. Moet je rijk zijn, om iets te kunnen zijn. Geestelijk dat is het belangrijkste, dan voel je niet de echte pijn.
Geestelijk liefde dat is waar men op kan bouwen. Op God, op de Ruimte daar moet je op blijven vertrouwen. Zodat je het leven op een positieve manier kan beleven. Je hart te openen, voor dat geen om verder voor een eenvoudig leven te streven.
Denk nooit, het hoeft niet meer, al ben je werkeloos, en je hebt geen dak meer boven je hoofd. En je moet alles van de hand doen, weet de Goddelijke wereld heeft betere tijden beloofd. Al ben je nu te diep in de bodemloze put beland. Weet de bodem vind je terug, al wandel je nu met God nog op het strand.
God blijft je dragen in de moeilijke tijden. Hij is in liefde bij je, zodat je geestelijk niet zo niet zwaar hoeft te lijden. Alleen gelooft men daar niet in, je hebt toch ook het leven gelezen van de Vredestichter. De Goddelijke wereld gaf groen licht, daar door mag hij nu doorgeven zijn gedichten.
Heb jezelf lief, niet het goud is rijkdom. Hij is er achter gekomen, stoffelijke gelde te beminnen is dom. Eenvoud, door de verdrukten door je innerlijke liefde te benaderen. Je krijgt rust, je geeft dan alleen om de Goddelijke rijkdom, je naaste de natuur, de wateren.
PESTEN.
Daar weet ik alles van Je voelt je niet goed als je vernederd word in de maatschappij. Wat gebeurt er dan met dat kind? Het word nerveus, zenuwachtig, word overal angstig door, bijt nagels, en verdwaald overal op deze aarde. Ik vervreemde, velen zagen mij niet meer staan. Tot plotseling als alles op een grote hoop ligt, de emmer over begint te lopen Je bent jezelf niet meer, en je wilt maar een ding, van deze verschrikkelijke aarde af. Je kunt niet meer slapen, je eet niet meer, en je blijft maar kniezen tussen de 4 muren. Het dringt helemaal door tot diep in je hart en ziel.
.....
Daarom heb ik over pesten een gedicht gemaakt
PESTEN.
Men krijgt hierdoor zoveel innerlijk verdriet. Het doet je hart breken maar er is niemand, die dit van de buitenkant ziet. Het verdriet dat kan een mensenkind helemaal breken. Het gaat als een dolksteek die in een kind diep in zijn hart doet steken.
Het kind raakt daaruit zijn balans. Want het innerlijke krijgt er daar door hevig van langs. Men kan in een hele diepe put belanden. Want die pijn en het verdriet, dat doet je ziel verbranden.
Maar ook als ouders, dat raakt jullie heel zwaar. Jullie voelt jullie ook gebroken en je voelt je erg naar. Maar gelukkig werd ik door het licht van Onze Lieve Vrouw weer opgelicht. Nu kan ik zelf ook weer verder, en krijgt mijn leven weer een nieuw gezicht.
De scherven van gisteren moet men voorbij laten gaan. Gisteren is verleden tijd, daar moet je niet meer met je innerlijke blijven stilstaan. Kijk weer naar vandaag en morgen. Laat het innerlijke verleden in je ziel verborgen. Dan kan men weer zingen en fluiten elke dag. En ik dank Onze Lieve Moeder dat ik weer verder gelukkig door het leven mag.
MAANDELIJKSE BOODSCHAP VAN MARIA. ( MEDJUGORJE ).
Maandelijkse boodschap van Maria aan Mirjana Dragicevic. ( MEDJUGORJE ).
Onze Lieve Vrouw was diep bedroefd.
Ze gaf enkel een boodschap en zegende iedereen.
"Lieve kinderen,
Reeds gedurende een lange tijd geef IK u Mijn Moederlijk Hart en bied IK
u Mijn Zoon aan.
U verwerpt Mij.
U laat toe dat de zonde u meer en meer overwint.
U staat toe dat deze van u meester wordt en van u
de macht van het inzicht wegneemt.
Mijn arme kinderen, kijk rondom u en kijk naar de
tekenen van de tijden.
Denkt u dat u het kan maken zonder Gods zegen ?
Sta niet toe dat de duisternis u insluit.
Schreeuw vanuit het diepste van uw hart om Mijn Zoon.
Zijn Naam verjaagt zelfs de grootste duisternis.
IK zal met u zijn.
Roep enkel tot Mij ; hier zijn we Moeder, leid ons.
Dank u".
AAN ALLE LEZERS EN VRIENDEN VAN DIT BLOG.
IK WENS JULLIE EEN ZEER PRETTIG
WEEKEND TOE, EN GODS ZEGEN
TOEGEWENST.
NELLY.
DE CHRISTUSREIS NAAR DE EEUWIGHEID. ( DEEL 5 ).
Evangelist bemoedigt Christen en Getrouwe.
Toen nu deze woestijn bijna ten einde was, keek GETROUWE juist achterom en zag iemand naderen, die hij van verre herkende.
"Ha!" zei hij tot zijn reisgenoot, "wie komt daar ginds?"
CHRISTEN keek om en zei: "Hé, dat is EVANGELIST, mijn goede vriend."
"Ja, en ook de mijne," antwoordde GETROUWE, "want hij was het die mij op de weg naar de poort hielp."
Intussen kwam EVANGELIST bij hen, en groette hen zo: "Vrede zij ulieden, zeer beminden en vrede zij hen die met u zijn."
CHRISTEN antwoordde: "Welkom, welkom, mijn goede EVANGELIST! Het zien van uw gezicht brengt mij in de gedachten uw oude vriendschap en onvermoeide arbeid voor mijn eeuwig welzijn."
"Duizendmaal welkom!" riep GETROUWE, "hoe aangenaam is uw gezelschap, o zoete EVANGELIST, voor ons arme pelgrims!"
Toen zei EVANGELIST: "Hoe is het zoal met u gegaan, vrienden, sedert ik afscheid van u nam? Wat hebt u zoal ontmoet en hoe hebt u zich daarin gedragen?
Toen CHRISTEN en GETROUWE hem alle dingen, die hun op de weg overkomen waren, alsmede met welke moeilijkheden zij daar gekomen waren, verteld hadden, ontvingen zij van EVANGELIST ten antwoord: "Ik ben oprecht blij, niet omdat u met zovele verzoekingen geworsteld hebt, maar omdat u overwinnaars geweest zijt en niettegenstaande vele zwakheden, volhard hebt in deze weg tot nu toe. Ik zeg, dat ik hier oprecht blij over ben en wel om mijnentwil en om uwentwil. Ik heb gezaaid en u hebt gemaaid; de dag komt, dat beiden, hij die zaait en zij die maaien, zich te zamen verheugen zullen (Joh.4:36), dat is, indien u volhardt; ter bekwamer tijd zult u maaien, als u niet verslapt (Gal.6:9).
De kroon is u voorgesteld en het is een onverderfelijke (1Cor.9:24-27). Loopt dan alzo, dat u haar mag verkrijgen. Daar zijn sommigen, die naar de kroon schijnen te lopen en nadat zij al ver gelopen hebben, komt er een ander en neemt hun kroon. Houdt daarom wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme (Openb.3:11). Gij zijt nog niet buiten bereik van de duivel. Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde (Hebr.12:4). Laat het koninkrijk u steeds voor ogen zijn en gelooft zekerlijk de dingen die voor u nog onzichtbaar zijn. Laat niets van wat aan deze zijde van de andere wereld is, plaats nemen in u; voornamelijk, let toch wel op uw eigen hart en op zijn uitgangen, want dat is bedrieglijk, meer dan enig ding en zeer goddeloos. Zet uw aangezicht gelijk een rotssteen. U hebt alle kracht in hemel en op aarde aan uw zijde."
CHRISTEN bedankte hem voor zijn vermaning, maar zei meteen, dat zij wel wilden, dat hij voortging met tot hen te spreken, opdat zij daardoor geholpen mochten worden in het overige van hun weg, te meer, daar zij wisten, dat hij een profeet was en hun kon voorzeggen, wat hun nog zou overkomen en hun leren, hoe zij het konden weerstaan en te boven komen. Met dit verzoek stemde GETROUWE in en EVANGELIST sprak als volgt: "Mijn zonen, u hebt de waarheden van het Evangelie u horen voorstellen, dat u namelijk door vele verdrukkingen moet ingaan in het Koninkrijk der Hemelen (Hand 22); en wederom dat u in iedere stad banden en verdrukkingen aanstaande zijn (Hand.20:23); en daarom kunt u niet verwachten, dat u deze uw pelgrimsreis lang zult voortgaan, zonder dit op de een of andere manier te ondervinden. Enige van deze getuigenissen hebt u al in u bewaarheid gezien en daar zullen er spoedig nog meer volgen. Want u bent nu bijna aan het eind van deze wildernis en dan zult u komen in een stad, die u dan ook terstond voor u zult zien; in die stad zult u omringd worden door vele vijanden, die hard op u aandringen zullen, ja u zullen willen doden; en weest daarvan verzekerd, één van u of u beiden moet het getuigenis, dat u draagt, met zijn bloed bezegelen. Maar wees getrouw tot de dood en de Koning zal u geven de kroon des levens (Openb.2:9,10). Wie daar sterft (ofschoon het een onnatuurlijke dood zal zijn en zijn pijnen zeer smartelijk) zal er beter aan toe zijn, dan zijn metgezel; niet alleen omdat hij het eerst aan de Stad des Hemels komen zal, maar ook omdat hij veel ellende ontkomen zal, die de andere in het verdere van zijn reis zal moeten doorstaan.
Maar als u in de stad zult gekomen zijn en daar vervuld vinden, wat ik u voorzegd heb, gedenk dan aan uw vriend, gedraag u als mannen en beveel de bewaring van uw ziel aan uw getrouwe Schepper met weldoen (1Petr.4:19)."
De IJdelheidskermis.
Toen zag ik in mijn droom, dat zij, zodra zij uit de woestijn kwamen, aanstonds een stad voor zich zagen. Het was de stad IJDELHEID. In deze werd een kermis gehouden, die genaamd werd de IJDELHEIDSKERMIS, en ging het hele jaar door. Want de stad, waarin zij gevierd wordt, is lichter dan ijdelheid (Jes.40:17) en alles wat daardoor komt en verkocht wordt, is niets dan ijdelheid (Pred.1:14); volgens het zeggen van de wijze man: alles is ijdelheid (Pred.2:11-17).
Deze kermis is niet onlangs opgericht, maar is al zeer oud. Ik zal u iets zeggen over haar oorsprong.
Ongeveer vijfduizend jaar geleden waren er pelgrims die wandelden naar de Stad des Hemels, zoals nu deze twee waarde mannen doen; en BEELZEBUB, APOLLYON en LEGIO met hun gezelschap, bemerkende aan de koers, die deze pelgrims hielden, dat hun weg tot die Stad door de stad IJDELHEID lag, vonden goed, daar een kermis of jaarmarkt op te richten, waarop allerlei ijdelheid te koop zou zijn en die het hele jaar zou duren. Daarom vindt men daar allerlei koopmanschap, als: huizen, hoven, bedrijven, plaatsen, eer, bevorderingen, titels, landschappen, koninkrijken, lusten en allerlei vermakelijkheden, onkuisheden, dartelheden, vrouwen, mannen, kinderen, meesters, dienaars, leven, bloed, lichamen, zielen, zilver, goud, paarlen, kostelijke gesteenten en wat niet al.
En er is nog meer: op deze kermis is altijd te zien huichelarij, bedrog, schouwspelen, dansen en springen, gekken, apen, boeven, schelmen van allerlei slag. Hier zijn te zien - en dat voor niets - dieven, moordenaars, overspelers, meinedigen, allen te zamen van een bloedrode kleur.
En zoals op kermissen van minder belang verscheidene wijken en straten zijn, elk met zijn eigen bijzondere naam, waarin zulke en zodanige waren te koop zijn en geveild worden, zo hebt u hier ook zekere wijken, straten en verscheidene plaatsen (namelijk landschappen en koninkrijken), waar de waren van deze kermis het gemakkelijkst en meest te verkrijgen zijn. Hier zijn de Engelse wijk, de Franse wijk, de Italiaanse wijk, de Spaanse wijk, de Duitse wijk, die elk hun bijzondere ijdelheden aanbieden. En zoals er op andere kleine kermissen iets is, dat het voornaamste en overvloedigste is van de hele kermis, zo wordt de waar en koopmanschap van Rome in deze kermis het meest gezocht en gevonden, alleen het Engelse en enige andere volken, hebben er niet veel belangstelling voor. De weg nu naar de Hemelstad ligt, zoals ik zei, door de stad, waar deze lustige kermis wordt gehouden; en zij, die naar dat Hemels Vaderland willen reizen, zonder deze stad te passeren, zouden noodzakelijk uit de wereld moeten gaan (1Cor.5:9,10). De Koning der Koningen zelf, toen Hij, hier beneden zijnde, naar zijn eigen land reisde, ging door deze stad daarheen en dat ook juist op een kermisdag. Ja, daar was er ook een - ik meen, dat het BEELZEBUB was, de grote heer van deze kermis - die Hem aanriep om van zijn ijdelheden te kopen; ja, om Hem wel Heer van deze kermis te maken, als Hij hem alleen maar eerbied wilde bewijzen, wanneer Hij door deze stad ging. Ja, omdat Hij zulk een eerbiedwaardig persoon was, leidde BEELZEBUB Hem van wijk tot wijk en toonde Hem in korte tijd al de koninkrijken van de wereld (Luc.4:5,6 en 7), opdat Hij, indien mogelijk, deze Gezegende verlokken mocht, om de een of andere ijdelheid te kopen. Maar Hij had geen zin in deze handel en daarom verliet Hij de stad zonder op de kermis ook maar één stuiver aan ijdelheid te besteden. Deze kermis dan is zeer oud, van een langdurige gewoonte en zeer groot.
De pelgrims, zoals ik tevoren zei, moesten door deze kermis; gelijk zij ook deden. Maar zie, zodra zij hun voeten erop gezet hadden, kwam er een grote opschudding onder al de kermisgasten; ook was de stad zelf rondom hen geheel beroerd; en wel om verscheidene redenen.
Allereerst: de pelgrims waren gekleed in een gewaad, geheel verschillend van het gewaad van de mensen, die hier kermis hielden; iedereen zag hen daarom aan, alle ogen richtten zich op hen: sommigen zeiden, dat het zotten en gekken waren, anderen beweerden: het zijn buitenlanders. (1Cor.2:7,8).
Ten tweede waren zij niet minder verwonderd over hun taal. Want daar waren er maar weinigen, die hen verstaan konden; zij spraken natuurlijk de tale Kanaäns en zij die hier kermis hielden, waren mensen van deze wereld, zodat zij elkaar van het ene einde van de kermis tot het andere niet konden verstaan.
Ten derde. Wat echter de kooplieden niet weinig verbaasde, was, dat deze pelgrims al de waren, die hier werden geveild, van zeer weinig belang achtten; ja van zo weinig belang, dat zij die niet eens wilden aanzien; want als men hen toeriep, dat zij wat zouden kopen, staken zij hun vingers in de oren en riepen: Wend mijn ogen af, opdat zij geen ijdelheid zien (Ps.119:37); en opwaarts ziende gaven zij te kennen, dat hun burgerschap en wandel in de hemel was (Fil.3:19,20).
Daar was er een, die hun gedrag opmerkte en zich spottende tot hen keerde, en zei: "Mannen, wat wilt u kopen?" Zei zeiden tot hem met een ernstig gezicht: "Wij kopen de waarheid" (Spr.23:23). Dit gaf gelegenheid, om deze mannen des te meer te verachten; sommigen staken er de gek mee, anderen beschimpten hen, weer anderen spraken zeer verachtelijk van hen beiden; daar waren er ook, die anderen aanhitsten om hen te slaan; kortom ten laatste geraakte alles in beweging en kwam er grote opschudding en wanorde op de kermis. Dit werd terstond aan de grote heer van de kermis geboodschapt, die er direkt op afkwam en enige van zijn getrouwste vrienden beval, de mannen te onderzoeken, om wie de kermis zo in wanorde was geraakt. Zij werden daarop gegrepen, om ondervraagd te worden; en zij, die hen vasthielden, vroegen hun, waar zij vandaan kwamen en waar zij heen wilden en ook wat zij daar in zo'n ongewone gestalte deden. Zij antwoordden, dat zij pelgrims en vreemdelingen waren in de wereld, dat zij naar hun eigen vaderland gingen, naar het Hemelse Jeruzalem en dat zij de lieden van deze stad, noch ook iemand van de handelaars, enige reden gegeven hadden, om hen te mishandelen en hen in hun reis op te houden; tenzij het hierom was, dat zij iemand, die hun gevraagd had, wat zij kopen wilden, geantwoord hadden: wij kopen de waarheid. Doch zij, die daar zaten om hen te ondervragen, geloofden niet anders, dan dat zij gek of dol waren, of lieden, die daar gekomen waren om de gehele kermis in verwarring te brengen.
Dus grepen zij hen beet en sloegen hen; zij zetten hen ook in boeien tot een schouwspel voor al de kermisgasten. Daar stonden zij geruime tijd en waren allemans spot, het voorwerp van ieders boosheid en wraak, terwijl ze bekogeld werden met slijk en drek. De grootvorst van de kermis lachte intussen om al wat hun overkwam. Doch zij waren zeer verdraagzaam en vergolden geen kwaad met kwaad of schelden met schelden; maar integendeel zegenden zij (1 Petr.3:9); zij gaven goede woorden voor kwade en bewezen vriendschap aan hen, die hun ongelijk deden. Waarop enigen van hen, die ook op de kermis waren, de zaken wat dieper inziende en niet zozeer met vooroordelen bezet als de anderen, het ergste slag wat begonnen tegen te spreken en te berispen, die daarover zeer nijdig werden en ook dezen aanvatten, hen even kwaad achtende als zij, die nu in de boeien stonden, terwijl ze riepen dat zij wel vrienden van hen schenen en ook deelgenoten zouden worden voor hun ongeval. De anderen zeiden daarop, dat zij, wat hun betrof, niet anders konden zien, of het waren bedaarde en bezadigde mannen, die niemand enig kwaad doen wilden en dat velen van hen, die ook ter kermis waren gekomen, veel eerder verdiend hadden in de boeien te zitten, ja op de kaak te slaan, dan zij, die daar nu zo mishandeld werden. Na verscheidene woorden, die over en weer gingen (deze twee mannen hielden zich intussen zeer voorzichtig en gematigd), raakten zij handgemeen onder elkaar, waarbij sommigen zelfs gekwetst werden.
Toen werden de arme pelgrims weer voor hun rechters getrokken en daar aangeklaagd, als schuldig aan het laatste oproer op de kermis. Dus sloegen zij hen zeer erbarmelijk, sloten hen in ijzers en lieten ze in de ketenen door de stad op en neer slepen, tot een voorbeeld voor anderen, om er zo de schrik in te brengen en te beletten, dat iemand zich voor hen uitsprak of zich bij hen voegde. Maar CHRISTEN en GETROUWE gedroegen zich ook voorzichtig en ontvingen deze oneer en schande met zoveel zachtmoedigheid en verdraagzaamheid, dat zij er verscheidene, hoewel weinig in vergelijking met de rest van dit kermisvolk, aan hun zijde kregen. Dit maakte de anderen des te vuriger en woedender zodat zij besloten deze twee mannen te doden, waarop zij hen dreigden, dat noch boeien noch kaakslag hen helpen zou, maar dat zij zouden sterven, omdat zij al dit kermisvolk zo bespotten. Hierna zetten zij de mannen tot nader order weer in de boeien. Men sleurde ze dan weg en zette ze met de voeten in de stok.
Toen zij daar zaten, herinnerden zij zich, wat zij van hun getrouwe vriend EVANGELIST gehoord hadden en werden door zijn voorzegging te meer bevestigd in hun weg en in het lijden dat hen daarin ontmoette. Zij troostten elkaar ook daarmee, dat hij, die weldra de dood sterven zou, juist daarom des te gelukkiger zou wezen. Dus wenste elk maar bij zich zelf, dat hij daartoe geroepen mocht worden. Maar zij gaven zich over aan de alwijze beschikking van Hem, die alle dingen regeert, en waren zeer stil en tevens vergenoegd, om te blijven inde weg, waarin zij zich nu bevonden tot de tijd, dat het Zijn welbehagen zou wezen, hun weg te veranderen. Toen de gelegene en bestemde tijd gekomen was, haalde men hen weer op voor onderzoek, teneinde hen te veroordelen. Hun vijanden en beschuldigers stonden met hen voor de rechter, die genaamd was heer DEUGDHATER; de beschuldigingen van de aanklagers waren meestal dezelfde, wat de hoofdbeschuldiging betreft; alleen verschilden zij iets in de omstandigheden. De voornaamste zaken waren deze:
Dat ze vijanden en afbrekers van hun handel waren; dat zij oproer en verdeeldheid hadden aangericht in de stad; dat zij zich al een partij gemaakt en enigen overgehaald hadden tot hun gevaarlijke inbeeldingen en verachting van de wet van hun vorst.
Hierop antwoordde nu GETROUWE, dat zij zich nergens tegen gekant hadden, dan tegen wat strijdig was met de wil van Hem, die hoger is dan de hoge. "En," zei hij, "wat die opschudding betreft, die heb ik niet verwekt, want ik ben een man van vrede. Zij, die voor ons spraken, waren bewogen door de waarheid en het gezicht van onze onschuld en zij hebben zich gewend van een ergere tot een betere weg. Wat betreft de koning en overste, waar u van spreekt, aangezien dit BEELZEBUB is, de vijand van onze Heere, zo verfoei ik hem met al zijn engelen."
Toen werd een proclamatie uitgevaardigd, die inhield, dat een ieder, die iets te spreken had vóór zijn koning tegen de gevange, die nu voor de rechtbank stond, daar zou verschijnen en zijn bewijzen tegen hem inbrengen. Zo kwamen er drie getuigen te voorschijn, namelijk NIJD, BIJGELOOF en MOOIPRATER. Men vroeg hun, of zij de gevangene, die voor de rechtbank stond, ook kenden en wat zij te zeggen hadden voor hun heer en koning tegen deze man.
NIJD had de voorrang en zei: "Mijnheer, ik heb deze man lang gekend en wil voor deze geachte vergadering onder ede getuigen, dat hij is. . . "
"Kalm aan," kwam de rechter tussenbeide, "leg eerst de eed af." Dat deed hij en ging toen aldus voort: "Deze mens, Mijnheer, hoewel hij een schone naam draagt, is een van de snoodste in ons land; hij geeft geen acht op vorst noch volk, op wet noch gewoonte, maar doet alles, wat hij maar kan om iedereen zijn trouweloze opvattingen, die hij gewoonlijk grondregels van geloof en heiligheid noemt, in te prenten. En in het bijzonder heb ik hem zelf eens horen volhouden, dat heiligheid en de gewoonten van onze stad IJDELHEID lijnrecht tegenover elkaar staan en onmogelijk verenigd kunnen worden. Hiermee, Mijnheer, veroordeelt hij niet alleen onze loffelijke handel, maar ook ons allen, die daaraan deelnemen."
De rechter vroeg, of er nog meer te zeggen was. Hij antwoordde: "Ja Mijnheer, doch ik wil het hof niet lastig vallen. Evenwel, als het nodig is, wil ik, als deze andere goede lieden hun bewijzen hebben ingebracht, liever dan, als er iets zou ontbreken om hem te kunnen doden, mijn getuigenis tegen hem verder uitbreiden."
Daarop werd hem bevolen buiten even te blijven wachten.
Toen riep men BIJGELOOF, aan wie de rechter beval de gevangene aan te kijken en daarop vroeg hij, wat hij had te zeggen voor de koning, tegen hem. Hij legde eerst zijn eed af en begon toen aldus:
"Mijnheer! Ik ben niet zo bekend met deze man en heb ook nooit begeerte gevoeld hem onder mijn kennissen te hebben; evenwel weet ik dit, dat hij een pest is onder het volk, door enige gesprekken, die ik dezer dagen met hem hield, hier in deze stad. Want toen ik met hem sprak, hoorde ik hem zeggen, dat onze godsdienst niet deugde en dat men God daarmee niet behagen kon. Uit welke woorden dan volgt, Mijnheer, zoals uw edelachtbare wel weet, dat wij onze godsdienst tevergeefs doen, dat wij nog in onze zonde zijn en eindelijk eens verdoemd zullen worden! Zie, dat is het, wat ik tegen hem te getuigen heb."
Toen werd MOOIPRATER binnen geroepen en nadat hij zijn eed had afgelegd werd hem bevolen te zeggen, wat hij wist ten dienste van hun heer en koning tegen de man, die daar voor de rechtbank stond.
"Mijnheer en alle gij edelen!" zei hij, "ik heb deze gast lang gekend en vele dingen horen zeggen, die niet gezegd behoren te worden. Hij heeft onze edele vorst BEELZEBUB veracht en zeer smadelijk gesproken over diens waarde vrienden, namelijk de heer OUDE MENS, de heer VLESELIJK VERMAAK, de heer ONKUIS, de heer BEGEERTE TOT IJDELE EER, mijn oude heer ALGOEDGENOEG en de heer GIERIG en voorts van de overige edelen; en wat meer is, hij heeft gezegd, dat niet één van deze edelen langer in de stad zou verblijven, als al onze inwoners gezind waren, zoals hij. Hij heeft ook niet geschroomd u, Mijnheer, die nu tot zijn rechter verkozen zijt, zeer te verachten, u een goddeloze booswicht te noemen en meer dergelijke hatelijke namen te bezigen, met welke hij de meesten van de adel van onze stad heeft zoeken te bekladden."
Nauwelijks had MOOIPRATER zijn rede beëindigd of de rechter wendde zich tot de gevangene, die voor de rechtbank stond en zei: "Gij vagebond, gij ketter en verrader, hebt u wel gehoord, wat deze oprechte mannen tegen u getuigen?"
"Mag ik mij met enige woorden verdedigen?" vroeg GETROUWE.
Maar de rechter riep: "Deugniet, u bent het niet waard langer te leven; u verdient terstond op de plaats, waar u staat, gedood te worden. Maar opdat aan een iegelijk blijke, hoe bescheiden en goedertieren wij met u handelen, laat ons horen, vuile deugniet die u bent, wat u nog te zeggen hebt."
"Tot mijn verantwoording," zei GETROUWE, "zal ik dit zeggen; eerst, wat mijnheer NIJD aangaat: ik heb nooit anders gezegd, dan dat iedere regel, wet, gewoonte of volk, strijdende tegen het Woord van God, regelrecht gekant is tegen het ware Christendom. Heb ik hier nu kwalijk in gesproken, overtuig mij van mijn dwaling en ik ben bereid te herroepen.
Wat mijnheer BIJGELOOF aangaat en zijn beschuldiging, zeg ik alleen, dat in de ware godsdienst vereist wordt een Goddelijk geloof. Maar dat kan er niet zijn zonder de Goddelijke openbaring van Zijn wil; derhalve houd ik staande, dat al wat in de godsdienst verricht wordt, maar niet overeenkomst met de Goddelijke openbaring, niet anders kan gedaan worden dan door een menselijk geloof, dat voor het eeuwige leven niets zal baten.
Op hetgeen mijnheer MOOIPRATER heeft ingebracht, zeg ik alleen - voorbijgaande aan de harde uitdrukking, dat ik veracht en laster - dat de overste van deze stad met geheel zijn stoet en aanhang, zoveel als hij er genoemd heeft, meer bekwaam zijn om in de hel te wonen, dan hier, in deze stad en plaats. En hierop zij mij God nu genadig!"
Daarna sprak de rechter tot de gezworenen, die er al die tijd bij hadden gestaan, om te horen en waar te nemen: "Gij edellieden en mannen van het gericht! Ziet hier de mens, om wiens wil zulk een groot oproer in onze stad geweest is; u hebt nu ook gehoord, wat deze waarde heren tegen hem getuigd hebben, alsmede, wat hij zelf daarop heeft geantwoord en beleden; nu hangt het van u af, of men hem ter dood brengen of in het leven houden zal. Maar het lijkt mij raadzaam, u onze wet eerst voor te houden.
Daar werd eens een wet gemaakt in de dagen van Faraö de Grote, een dienaar van onze vorst, dat men, om het vermenigvuldigen van hen, die van een andere godsdienst waren dan hij, te beletten, opdat zij hem niet te machtig werden, al hun jongetjes in het water zou verdrinken. Daar werd ook een wet gemaakt in de dagen van Nebukadnezar de Grote, een ander van zijn dienaren, dat ieder, die niet neer viel om zijn gouden beeld te aanbidden, in een gloeiende oven geworpen zou worden. Zo werd er ook een wet gemaakt in de dagen van Darius, dat ieder, die in enige tijd een andere God aanriep dan hem, in een leeuwenkuil geworpen zou worden. Het wezen nu van die wetten heeft deze rebel verbroken, niet alleen met zijn gedachten, wat ook niet te dulden is, maar ook met zijn woorden en daden, wat derhalve volstrekt onverdraaglijk is.
Want wat de wet van Faraö betreft, deze werd slechts gemaakt, om een hachelijk kwaad en gevreesd onheil te voorkomen, de misdaad zelf was er nog niet; maar hier is de misdaad reeds aanwezig.
Wat de tweede en derde betreft, u ziet, dat hij pleit tegen onze godsdienst en voor het verraad, dat nu door hem beleden is; dus verdient hij de dood te sterven."
Toen gingen de gezworenen, wier namen waren: heer BLINDEMAN, heer NIETGOED, heer LIEFHEBBER DER WELLUSTEN, heer BOOSHEID, heer LEVENDDOOD, heer HARDNEKKIG, heer HOOGMOED, heer VIJANDSCHAP, heer LEUGENAAR, heer WREEDHEID, heer LICHTHATER en heer ONVERZOENLIJK, die elk voor zich een vonnis tegen hem voortbrachten, onder elkaar, en besloten daarna eendrachtig, hem voor de rechter schuldig te verklaren.
Heer BLINDEMAN als Voorzitter, zei: "Ik zie duidelijk, dat deze man een ketter is". Heer NIETGOED oordeelde: "Weg met zo een van de aarde". "Zeker ja!" vonniste heer BOOSHEID, "want ik kan hem niet langer aanzien."
Heer LIEFHEBBER DER WELLUSTEN zei: "Ik heb hem nooit kunnen verdragen." "Noch ik," antwoordde heer LEVENSDOOD: "want hij veroordeelde altijd mijn wegen."
"Hang op! Hang op!" riep heer ONVERZOENLIJK. "O die boze schurk!" zei heer HOOGMOED. "Mijn hart keert zich om, als ik hem zie," sprak heer VIJANDSCHAP. Heer LEUGENAAR riep: "Weg met de boef." En heer WREEDHEID: "Hangen is goed voor hem." "Kom, laat ons hem uit de weg ruimen. Wacht niet langer," riep heer LICHTHATER. En heer ONVERZOENLIJK voegde er bij: "Al wilde iemand mij de gehele wereld geven, toch zou ik mij niet met hem verzoenen. Dus laat ons hem des doods schuldig verklaren."
Zo gezegd, zo gedaan. Men veroordeelde hem terstond, om vandaar gesleept te worden naar de plaats, vanwaar hij gekomen was, om hem daar de wreedste dood aan te doen, die men kon bedenken.
Toen brachten zij hem uit, om volgens hun wet met hem te doen. Zo sloegen zij hem dan eerst, geselden hem, sneden zijn vlees met messen, stenigden hem, staken hem met hun zwaarden en verbrandden hem ten laatste aan een paal tot as. Zo kwam GETROUWE aan zijn einde. Maar ik bemerkte, dat er achter de menigte van volk een wagen en paarden stonden, die op GETROUWE wachtten, die ook, zodra zijn tegenstanders met hem klaar waren, werd opgenomen en heengevoerd door de wolken, onder het geluid van bazuinen, langs de korste weg, tot in de Poort van de Hemel.
Christen ontkomt en ontmoet Bijbedoeling.
Maar CHRISTEN kreeg nog wat uitstel en werd teruggezonden naar de gevangenis, waar hij nog enige tijd moest verblijven. Maar Hij, die alle dingen regeert en de kracht van hun woede in Zijn eigen handen heeft, beschikte het zo, dat CHRISTEN ontkwam en zo zijns weegs ging. Heengaande zong hij bij zichzelf:
GETROUWE vriend! u bleef getrouwe
In nood en dood aan uwe Heer,
Trouw hebt u mannelijk gehouwen
En Hem beleên, met Wie u weer
Eeuwiglijk zult leven,
Als d'ontrouwen beven.
Schoon het wreed getier,
U heeft afgesneden,
Zingt en leeft u heden
Nog omhoog en hier.
(Wijze Ps.33).
Toen zag ik ook, dat CHRISWTEN een metgezel kreeg. Want daar was iemand, HOPENDE genoemd, daartoe gebracht door de woorden en het gedrag van CHRISTEN en GETROUWE, toen zij op de kermis zoveel uitstonden, die zich bij hem voegde en zich in een broederlijk verbond met hem inliet, en zei, dat hij zijn metgezel wilde zijn.
Zo stierf de een om de waarheid getuigenis te geven en een ander werd als uit zijn as opgewekt om CHRISTEN op zijn pelgrimsreis te vergezellen. Deze HOPENDE wist CHRISTEN ook te zeggen, dat er nog vele op de kermis waren, die hun tijd zouden waarnemen om hem ook te volgen.
Toen ze nog maar net van de kermis vertrokken waren, achterhaalden zij iemand, die men BIJBEDOELING noemde, tot wie zij zeiden: "Vriend, uit welk land komt u, en hoe ver denkt u deze weg te gaan?" Hij zei, dat hij van de stad HOFFELIJKHEID kwam en heenging tot de Stad des Hemels, doch verzweeg zijn naam.
"Zo, bent u van HOFFELIJKHEID?" vroeg CHRISTEN. "Zijn daar ook nog enige goede lieden?"
BIJBEDOELING. "Ik hoop van wel."
CHRISTEN. "Wel vriend, hoe zal ik u noemen?"
BIJBEDOELING. "U kent mij niet; en ik ken u niet; belieft het u, met mij deze weg te gaan, het zal mij lief zijn uw metgezel te wezen en zo niet, dan moet ik ook tevreden zijn."
CHRISTEN. "Van de stad HOFFELIJKHEID heb ik dikwijls horen spreken en naar mij voorstaat, ook horen zeggen, dat het een welvarende plaats is."
BIJBEDOELING. "Ja, dat verzeker ik u en ik heb er vele rijke vrienden."
CHRISTEN. "Lieve, wat voor vrienden hebt u daar zo al? Houd u mij ten goede, dat ik zo vermetel ben daarnaar te vragen."
BIJBEDOELING. "Bijna de hele stad; in het bijzonder Mijnheer DRAAIBORD, Mijnheer TIJD-DIENAAR, Mijnheer HOFFELIJKHEID, van wiens voorouders deze stad haar naam kreeg, ook Mijnheer MOOIPRATER, Mijnheer KIJK-TWEE-WEGEN en Mijnheer ALLEMANSVRIEND. En de opziener of leraar in onze wijk, Mijnheer TWEETONGIG, is mijn moeders eigen broer. En, om u de waarheid te zeggen, ofschoon ik nu edelman ben geworden, mijn overgrootvader was maar een schuitenvoerder, die altijd een andere weg heen zag, dan hij oproeide; ik heb het grootste deel van wat ik bezit met dat beroep gewonnen."
CHRISTEN. "Maar bent u getrouwd?"
BIJBEDOELING. "Ja, ik heb een zeer deugzame vrouw; het is de dochter van Mevrouw VEINZING, een deugzaam mens en aangezien zij van deftige afkomst is, weet zij om te gaan met alle mensen, met vorsten en met geringen. Wel is waar, dat wij in de godsdienst een weinig verschillen van hen, die het wat nauwer nemen; maar dat is maar in twee kleine zaken; ten eerste daarin, dat wij nooit tegen wind en stroom in willen, ten tweede hierin, dat wij altijd het allerijverigst zijn, wanneer de godsdienst op zilveren muilen wandelt; wij wandelen heel graag met hen langs de straat, als de zon schijnt en het volk ons toejuicht."
Toen ging CHRISTEN met zijn makker HOPENDE een weinig aan de kant, en zei: "Het schiet mij daar te binnen, dat dit BIJBEDOELING uit HOFFELIJKHEID zijn moet; en is hij het, zo hebben wij de grootste boef in ons gezelschap, die in de omtrek woont."
HOPENDE zei: "Vraag het hem eens, ik denk toch, dat hij zich voor zijn naam niet schamen zal."
Zo trad CHRISTEN weer op hem toe en zei: "Vriend, u spreekt, alsof u de wijsheid in pacht hebt, en als ik het niet mis heb, dunkt mij, dat ik u half ken, bent u niet Mijnheer BIJBEDOELING uit HOFFELIJKHEID?"
BIJBEDOELING. "Zo is mijn echte naam niet; dit is slechts een bijnaam, mij door enige lieden gegeven, die mij niet lijden mogen; en ik moet het mij getroosten, dit te dragen als een smaad; zoals andere vrome lieden vóór mij gedaan hebben."
CHRISTEN. "Maar hebt u de mensen nooit reden gegeven om u zo te noemen?"
BIJBEDOELING. "Nooit. Het ergste, dat ik ooit gedaan heb, en dat voor hen een reden zou kunnen zijn, is, dat ik overal het geluk had, mijn oordeel te voegen naar de tegenwoordige koers van de tijd, wat die ook inhield; en met die verandering kon ik veel voordeel doen; ik wil dat een zegen noemen; maar laat de boosaardige mij daarom niet verachten."
CHRISTEN. "Ik dacht zeker, dat u de man was, van wie ik wel heb horen spreken. En wanneer ik zal zeggen, hoe het bij mij ligt, ik vrees, dat deze naam u meer eigen is, dan u wel voor ons wilt bekennen."
BIJBEDOELING. "Wel, meent u dat, ik kan het niet helpen. U zult ondervinden dat ik een goed metgezel zal zijn, wanneer u mij in uw gezelschap wilt toelaten."
CHRISTEN. "Als u met ons wilt gaan, moet u tegen de wind en stroom op; en naar ik bemerk, stuit u dit tegen de borst. U moet de godsdienst zowel omhelzen in een verscheurd gewaad, als wanneer hij op zilveren muilen wandelt, en u bij hem voegen zowel wanneer hij in ketenen wordt geboeid, als wanneer hij langs de straat wandelt onder toejuiching."
BIJBEDOELING. "U moet u niet als heer stellen over mijn geloof; laat mij mijn vrijheid en laat ik zo met u gaan."
CHRISTEN. "Neen, niet één stap verder, tenzij u in wat ik daar voorgesteld heb, wilt doen zoals wij."
Toen zei BIJBEDOELING: "'k Zal mijn oude grondregels nooit verlaten, daar zij gemakkelijk en voordelig zijn. Mag ik niet met u gaan, zo moet ik doen, zoals ik deed voor u mij inhaalde en ga stil alleen, tot ik een ander vind, die wel blij zal zijn met mijn gezelschap."
Nu zag ik ook, dat CHRISTEN en HOPENDE hem verlieten, en voor hem uit en steeds verder van hem af liepen. Maar toen een van hen omkeek, zag hij, dat drie mannen Mijnheer BIJBEDOELING volgden. Toen zij bij hem kwamen, boog hij zich zeer eerbiedig en zij groetten evenzo. De namen van deze mannen waren Mijnheer VRIEND DER WERELD, Mijnheer GELDBEMINNAAR en Mijnheer ALBEHOUDER, lieden met wie Mijnheer BIJBEDOELING eertijds zeer goed bekend was; want zij waren in hun jeugdjaren schoolmakkers geweest en hadden school gegaan bij Meester GRIJP, een schoolmeester in WINSTLIEF, een marktplaats in het landschap GIERIGHEID. Deze meester leerde hun de kunst van inhalen, hetzij door geweld of door bedrog, met leugens of met vleierij, of ook wel door een schijn van godsdienst aan te nemen; en deze vier figuren waren zo gevorderd in de kunst, die hun door hun Meester was ingescherpt, dat zij elk even bekwaam waren, om een school te houden als hij zelf.
Toen zij nu, zoals ik zei, elkaar gegroet hadden, zei Mijnheer GELDBEMINNAAR: "Wat zijn dat voor lieden, die daar ginds voor ons gaan?" Want CHRISTEN en HOPENDE waren nog in het gezicht.
BIJBEDOELING. "Het zijn twee landslieden, van ver hier vandaan, die op hun eigen wijze zich op reis begeven hebben."
GELDBEMINNAAR. "O, waarom wachten zij niet op ons, opdat wij ook hun goed gezelschap genieten mogen? Want zij en wij, en ik denk ook Mijnheer zelf, willen, hoop ik, allen dezelfde reis maken."
BIJBEDOELING. "Dat willen wij waarlijk. Maar de mannen, die daar voor ons gaan, zijn zo scherp en streng, hebben zo'n liefde voor hun eigen gevoelens en achten andere inzichten zo licht, dat een mens, hoe godvruchtig hij ook is, indien hij nochtans niet in alles met hen overeenkomt, niet in hun nabijheid wordt geduld en zij straks alle gemeenschap met hem afsnijden."
ALBEHOUDER. "Dat is niet best. Maar wij lezen van sommigen, die al te rechtvaardig zijn (Pred.7:16). En hun gestrengheid doet hen alles veroordelen en verdoemen, zichzelf alleen uitgezonderd. Maar zeg mij, in hoeveel zaken verschilde u en welke waren die?"
BIJBEDOELING. "Weet u welke? Zij, naar hun gewone stijfhoofdigheid, oordelen dat het onze plicht is, onze reis voort te zetten, ongeacht het weer, en ik wacht op de wind en het getij. Zij wagen opeens alles, wat zij hebben, voor God en ik neem de gelegenheid waar om mijn leven en staat te verzekeren. Zij houden hun gevoelens vast, al zijn alle mensen tegen hen, maar ik volg de godsdienst slechts zover, als de tijd en mijn welvaart het toelaten. Zij houden het met de godsdienst, wanneer hij in smaad en verachting is; maar ik voeg er mij bij, als hij in gouden schoenen en in zonneschijn gaat en lofuitingen oogst."
VRIEND DER WERELD. "Ah, zo, houd u daar maar bij, mijn waarde Mijnheer BIJBEDOELING, want wat mij betreft, ik houd hem voor dwaas, die hoewel hij vrijheid heeft alles te behouden wat hij bezit, zo zot is te maken, dat hij alles verliest. Laat ons voorzichtig zijn als de slang.
Het is best, dat men inzamelt, wanneer de zon schijnt. U ziet, hoe de bij zich de hele winter door stil houdt, en zich alleen benaarstigt, wanneer zij met vreugde haar voordeel kan doen. God geeft soms regen en soms zonneschijn. Willen zij zo dwaas zijn, dat zij door de regen wandelen, laat het ons genoegen wezen, dat wij het mooiste weer weten waar te nemen. Wat mij betreft, die godsdienst staat mij het best aan, die gepaard kan gaan met het behoud van Gods goede zegeningen over ons. Wie kan het anders begrijpen, dan die wel bij zijn verstand is, dat God, die ons de goederen van dit leven mededeelt, ook wil, dat wij die bewaren om Zijnentwil?
Abraham en Salomo werden rijk door hun godsdienst. Job zegt, dat de vrome het goud oplegt als stof. Maar men moet niet zijn als de lieden, die daar voor ons uitgaan, indien zij zo zijn, zoals u ze ons beschreven hebt."
ALBEHOUDER. "Ik denk, dat wij het allen eens zijn over deze zaak en daarom is het onnodig, nog meer woorden daar aan te besteden."
GELDBEMINNAAR. "Neen, wij behoeven inderdaad geen woorden meer over deze zaak te wisselen. Want wie noch de Schrift, noch de rede gelooft (en gij ziet, dat wij beide aan onze zijde hebben), die kent zijn eigen vrijheid niet, noch zoekt zijn eigen behoudenis."
BIJBEDOELING. "Mijn broeders! U weet, dat wij allen op reis zijn; veroorlooft mij, dat ik u, om ons te beter voor kwaad te behoeden, deze vraag eens voorstel, namelijk:
Indien een mens, b.v. een leraar of een handelsman, kans ziet enig voordeel te doen door het verkrijgen van de zegeningen van dit leven; echter zo, dat hij die geenszins kan verkrijgen, dan alleen door een vertoon van godsdienst, tenminste door te ijveren in enige stukken daarvan, waarop hij tevoren zo geen acht sloeg; mag dan zo'n mens dit middel gebruiken om dit doel te bereiken? Of kan hij dan geen eerlijk man zijn?"
GELDBEMINNAAR. "Ik diep die vraag tot op de bodem uit, en, met verlof van de heren, zal ik trachten, haar goed te beantwoorden. Eerst zal ik er iets op zeggen, voor wat betreft een leraar. Stel eens: een leraar, een eerbiedwaardig man heeft een zeer gering inkomen en daar roept hem een veel grotere en rijkere plaats, de andere ver overtreffende; hij heeft gelegenheid deze te verkrijgen, als hij tenminste meer studeert, overvloediger en ijveriger predikt en, om het volk te voldoen, enige van zijn beginselen verandert.
Wat mij betreft, ik zie geen reden, waarom die man het niet mag doen; aangezien hij er toe geroepen wordt en nog meer behalve dit: hij kan toch een eerlijk man zijn. En waarom niet, want:
1e. Zijn liefde voor een groter inkomen is geoorloofd; dit kan niet tegengesproken worden; aangezien de Goddelijke Voorzienigheid het hem nu aanbiedt, zo mag hij het aannemen indien hij wil, niets ondervragende om des gewetens wil.
2e. Daarnaast maakt zijn liefde voor dit voordeel hem naarstiger in zijn studie en ijveriger in het preken, enz. En zo maakt die hem tot een beter man; ja, zij doet hem zijn gaven te beter besteden en oefenen, en dat is welbehaaglijk voor de Heere.
3e. Dat hij zich weet te voegen naar de smaak van zijn volk, hen te dienen in het afstaan van enige van zijn beginselen, dit bewijst:
1e. dat hij van een zelfverloochenende aard is;
2e. van een zachte en tedere inborst;
3e. bij gevolg des te bekwamer voor het ambt der bediening.
4e. Ik besluit dan hiermee, dat men een leraar, om zijn veranderen van een kleiner tot een groter inkomen, niet moet veroordelen als gierig, maar veeleer, daar hij zijn gaven en kennis daardoor komt te oefenen, hoogachten als een, die zijn roeping opvolgt en de gelegenheid ter hand neemt om goed te doen.
Wat nu het tweede deel van uw vraag betreft, aangaande een handelsman, stel eens: daar is er een, die een sober inkomen heeft in de wereld; maar door godsdienstigheid te tonen, kan hij zijn staat verbeteren, wellicht een rijke vrouw trouwen, of meer klanten in zijn winkel trekken. Ik voor mij zie geen reden, of dit mag op een wettige wijze gebeuren, want:
1e. Godsdienstig te worden is een deugd, door welke middelen de mens dat dan ook wordt.
2e. Het is ook niet ongeoorloofd, een rijke vrouw te trouwen, of meer klanten te zoeken.
3e. Daarenboven, de mens, die dergelijke zaken door zijn godsdienstigheid verkrijgt, verkrijgt het goede van hen, die goed zijn en dat door zelf goed te worden; in dit geval een goede vrouw, goede klanten en goede winst, dat alles door godsdienstig te worden, wat ook goed is. Het is dus een goede voordelige zaak."
Dit antwoord van Mijnheer GELDBEMINNAAR werd door allen zeer geprezen; zij oordeelden, dat het betamelijk en zeer voordelig was.
En daar zij dachten, dat niemand in staat zou zijn, het te weerleggen, en daar zij bermerkten, dat CHRISTEN en HOPENDE nog te beroepen waren, werden zij het eens, hen met deze vraag aan te vallen, zodra zij hen hadden ingehaald; te meer, omdat zij Mijnheer BIJBEDOELING zo hadden tegengesproken. Zo riepen zij hen dan na, waarop CHRISTEN en HOPENDE bleven staan om op hen te wachten. Intussen besloten zij, dat niet Mijnheer BIJBEDOELING, maar de oude WERELDVRIEND het vraagstuk zou voorleggen, opdat het antwoord die hevigheid mocht missen, die tussen hen en BIJBEDOELING al ontstaan was, toen zij tesamen in gesprek waren.
Bij elkaar gekomen, legde Mijnheer WERELDVRIEND, nadat zij elkaar kort gegroet hadden, aan CHRISTEN en zijn metgezel de vraag voor en verzocht hun, er op te antwoorden, als zij konden.
"Wel," zei CHRISTEN, "dat zou immers iemand, die maar een kind in de godsdienst is, wel beantwoorden kunnen en tienduizend zulke vragen meer. Want mag men Christus niet volgen om den brode (wat niet geoorloofd is, Joh.6:26), hoeveel gruwelijker is het, dat men Hem en de godsdienst tot een stijgbeugel maakt, om de wereld daardoor te beklimmen en te genieten. Wij bevinden niemand van zulk een gevoelen te zijn, dan heidenen, huichelaars, duivelen en tovenaars.
1e. Heidenen. Want toen Hemor en Sichem lust hadden in de dochter en het vee van Jacob, en zagen dat er geen andere weg was om daar aan te komen dan de besnijdenis, zeiden zij tot hun burgers: "Zo al wat mannelijk is onder ons, besneden wordt, gelijk zij besneden zijn, zal niet hun vee en beesten, en alles wat zij hebben, het onze wezen?"
Hun dochters en hun vee hadden zij op het oog en de godsdienst hielden zij voor een stijgbeugel, om daar aan te komen. Lees de gehele historie, Gen.34 : 20-23.
2e. Huichelaars. Ziet eens die huichelachtige Farizeën, die van dezelfde godsdienst waren. Lange gebeden waren hun voorwendsels, maar van de weduwen de huizen op te slokken was hun oogmerk en juist daarom was hun verdoemenis en oordeel van God te zwaarder, Luc.20:46,47.
3e. Duivelen. Judas, die een duivel was, hield het met deze godsdienst. Hij was godsdienstig om de portemonnee. Maar hij ging verloren, het was een verworpene en de zoon van de verderfenis.
4e. Simon, de tovenaar, was ook van deze soort, want hij wilde de Heilige Geest hebben, om er geld mee te winnen, en het vonnis, dat Petrus over hem velde, was: Uw geld zij met u ten verderve! enz. Hand.8:19-23.
5e. Ik zal altijd blijven geloven, dat zij, die godsdienstig worden om de wereld, ook de godsdienst verwerpen zullen om de wereld. Want zo zeker als Judas, met zich godsdienstig te vertonen, de wereld op het oog had, zo zeker verkocht hij ook om harentwil zijn godsdienst en zijn Meester tegelijk. Uw vraag met ja beantwoorden, zoals ik bemerk, dat u gedaan hebt, en dat antwoord als rechtsgeldig aan te nemen, is zowel heidens en schijnheilig als duivels, en uw loon zal zijn overeenkomstig uw werken."
Toen staarde de een de ander aan; maar ze konden CHRISTEN met niet één woord antwoorden, overreed zijnde door de waarheid van CHRISTENS zeggen; daarom was er een groot stilzwijgen.
BIJBEDOELING en zijn makkers stonden bijna stil; weldra bleven zij achter, zodat CHRISTEN en HOPENDE ver vooruit raakten. Dit deed CHRISTEN tot zijn metgezel zeggen: "Kunnen deze lieden het oordeel van een mens niet uitstaan, hoe zullen zij dan bestaan voor het oordeel van God? Staan zij al zo verstomd wanneer zij te doen hebben met vaten van leem, wat zal er dan van hen worden, als eens de vlammen van een verterend vuur hen aantasten zullen?"
Nu geraakten CHRISTEN en HOPENDE bijna uit hun gezicht en kwamen aan een zeer vermakelijke vlakte, genaamd GEMAKKELIJK, waarin zij met groot genoegen wandelden. Maar deze vlakte was slechts klein en spoedig waren zij daar voorbij.
Aan de andere kant ervan lag een klein heuveltje, dat men GEWIN noemde. In dit heuveltje was een zilvermijn, die sommigen, die vroeger deze weg bewandelden, door haar aantrekkelijkheid naar de kant heeft gelokt. Maar zij, die zich te dicht bij de kant van de put begaven, voelden de grond onder hun voeten afbreken, want hij is zeer bedrieglijk, en kwamen zo om. Er zijn er ook, die verminkt zijn geworden en zich niet konden redden, zolang zij leefden.
De vraag van Demas.
Nu zag ik ook, dat een beetje van de kant af, recht tegenover de zilvermijn, een zekere DEMAS stond, die zich voordeed als een groot edelman en de voorbijgaanden aanriep om over te komen en te zien. Deze riep tot CHRISTEN en HOPENDE: "Hei! Hei! Komt hier eens heen, ik zal u wat laten zien."
CHRISTEN. "Wat zijn dat voor dingen, die het waard zijn, dat wij onze weg verlaten?"
DEMAS. "Hier is een zilvermijn en daar zijn er bezig met graven naar schatten. Wilt u overkomen, u kunt u met weinig moeite rijkelijk voorzien."
HOPENDE. "Zeg vriend CHRISTEN! Laat ons eens gaan zien."
CHRISTEN. "Ik niet; ik heb vroeger al veel van deze plaats gehoord en weet dat er velen het leven verloren hebben; daarenboven is de rijkdom een strik voor degenen, die hem najagen; want het verhindert zeer de reis."
Toen riep CHRISTEN tot DEMAS: "Is deze plaats niet gevaarlijk? En heeft zij niet velen in hun pelgrimsreis gehinderd? (Hos.4:13).
DEMAS. "Neen, toch niet, alleen voor hen, die zorgeloos zijn." Maar terwijl hij dit zei, bloosde hij van schaamte.
CHRISTEN. "Broeder HOPENDE, laat ons niet één stap zijwaarts gaan, maar stil ons pad houden."
HOPENDE. "Ik verzeker u, dat als BIJBEDOELING hier komt en genodigd wordt zoals wij, dat hij er naar toe zal gaan om te zien."
CHRISTEN. "Geen twijfel aan, want zijn grondregels liggen op hetzelfde vlak, en honderd tegen één, dat hij er het leven bij inschiet."
DEMAS. "Maar nog eens gevraagd: wilt u niet hierheen komen?"
CHRISTEN. "U bent DEMAS, dat zeg ik ronduit, een vijand van de rechte wegen des Heeren; en door een van Zijner Majesteits rechters om uw eigen afwijking al veroordeeld (2 Tim.4:10); waarom tracht u ons onder datzelfde oordeel te brengen? En indien wij afweken, zou onze Koning het immers horen en ons daar te schande maken, waar wij anders met vrijmoedigheid staan zouden."
DEMAS. "Ik ben ook één van uw broederschap, wilt u hier slechts een ogenblik blijven, dan zal ik zelf ook met u reizen!"
CHRISTEN. "Hoe is toch uw naam? Heet u zo niet, zoals ik u daar straks noemde?"
DEMAS. "Ja, mijn naam is DEMAS, ik ben een zoon van Abraham."
CHRISTEN. "Ik ken u wel, GEHAZI was uw overgrootvader, uw vader heette JUDAS en u bent in hun voetstappen getreden. U vertoont een trek van de boze: uw vader is als een verrader opgehangen en u hebt niet beter verdiend. Wees er van verzekerd, dat wij de Koning kennis geven zullen van uw gedrag, wanneer wij voor Hem zullen komen." En zo gingen zij huns weegs.
Intussen kregen zij BIJBEDOELING en zijn gezelschap weer in het oog, die te zamen, zodra DEMAS hen maar eens toeknikte, tot hem overkwamen. Of zij in de put zijn gevallen, door wat over de kant heen te zien, of afdaalden om te delven, of versmoord zijn door de dampen, die daar gewoonlijk uit opstijgen, kan ik niet zeker zeggen; maar dit bemerkte ik, dat zij nooit weer gezien zijn de gehele weg langs.
Toen zong CHRISTEN dit lied:
BIJBEDOELING, niet recht in Godes wegen
Had DEMAS niet zodra in 't oog gekregen,
Zijn stem gehoord, of liefd' zijn dwaze staat,
En werd verlokt, ook even tot zijn kwaad.
Hij zocht gewin, maar dwaas! zijn winziek harte,
Werd dodelijk gekwetst met duizend smarten.
Die God om goud, niet om Hem zelven zoekt,
Verliest zijn eind, wordt in zijn weg vervloekt.
(Wijze Psalm 32)
MEIGEBED TOT MARIA.
Lieve Moeder Maria, verrukkelijke Bloesem van de eeuwige lente,
Tot U zingt mijn hart, dat naar U verlangt als een bloem naar de lentezon.
Straal toch de volheid van Uw Hemelse Liefde in mij, o wonderbare Schoonheid, opdat ik kan openbloeien en de bedwelmende geuren van Uw heiligheid om mij heen kan verspreiden.
Zie, in mijn hart is Uw Rijk gekomen. Waar Uw voeten rusten, wijkt de lente niet meer. Daarom leg ik mijzelf en al het mijne als een voetbank voor U neer, en de gelukzaligheid van de dienaren van Uw welbehagen zal mijn ziel veroveren nog vόόr de avondzon mijn levensweg kust.
Laat mijn hart zich verheugen onder de aanraking van Uw gezegende hand, zodat alles wat onrein is uit mij verdreven mag worden.
Moge mijn geest zich verheugen in de bekleding met Uw sluier van deugd, opdat hij voor altijd beschermd moge worden tegen bekoring en dwaling, en al mijn gedachten naar U mogen gaan.
Gekomen is Uw mei, o Koningin van al wat leeft en bloeit, en als de bloemen in het veld wil ik U begroeten in de nederigste zuiverheid, om zoals U het zaad van eeuwig Leven in mij te dragen en weiden van verrukking onder Uw voeten uit te spreiden in een eeuwigdurende verheerlijking, en tot lof en eer aan God, die U aan mij heeft gegeven als mijn Moeder, Meesteres en Gids op al mijn wegen, tot de zomer die nooit meer eindigen zal. AMEN.
O Maria, wanneer ik Gods Liefde en Uw schoonheid herken in de bloemen in het veld, verlangt alles in mij, voor U te zijn zoals zij : geurig van ziel, zonder zonde, mooi als de Hemelen, een bron van verrukking voor elk hart dat mij ontmoet. Zo zal ik God en U verheerlijken louter door mijn aanwezigheid, en zielen in mijn hart trekken, die in mij Uw honing vermoeden en daarna hun wegen zullen gaan, dronken van Uw Liefde
Geen enkel mens heeft het recht om zich minderwaardig te voelen. Er bestaan geen minderwaardige mensen, er bestaan alleen dwalende mensen. Wie zich minderwaardig voelt, is als een wagen die tracht te rijden met de handrem op : hij gaat niet meer vooruit op de weg van de Waarheid en de deugd. Zijn inspanningen brengen hem niet meer vooruit, doch keren zich zelfs eerder tegen hem, en ook al is hij wellicht met een flinke dosis goede wil bezield, toch brandt hij op zonder schijnbaar iets concreets te bereiken. Wie een gevoel van minderwaardigheid koestert, doet afbreuk aan de levenskern die God in hem heeft gelegd, en beledigt in zekere zin God, die hem met welbepaalde eigenschappen heeft gemaakt.
01-05-2009
DE LOURDES OP DE BERGEN.
Ave de Lourdes-Ave Maria de Lourdes
Abraham, het bijna offeren van zijn bloedeigen zoon.
Abraham, het bijna offeren van zijn bloedeigen zoon.
Mozes bij Sinaï
Mozes bij Sinaï
AAN ALLEN.
NOG ENIGE MOOIE FOTO'S VAN HET TABERNAKEL, IN ONZE KERK WAAR IK DAGELIJKS VELE UREN DOORBRENG. NELLY.
AAN ALLEN.
TUSSENDOOR ENKELE MOOIE FOTO'S VAN DE KAPEL IN HET PARK IN LIEDEKERKE, IK EN MIJN BESTE VRIENDIN SYLVIA HEBBEN ZE MOOI GEMAAKT OP 8 MEI ZAL ER EEN MOOIE MIS GEHOUDEN WORDEN. NELLY.
DE CHRISTUSREIS NAAR DE EEUWIGHEID. ( DEEL 4 ).
De vallei van de Schaduw des Doods.
Aan het einde van deze vallei was nog een andere, met name de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS en CHRISTEN moest persé door deze vallei, omdat de weg tot de stad des Hemels er midden door liep. Deze vallei nu is een zeer eenzame plaats. De profeet Jeremia beschrijft haar als: een woestijn, een land van wildernissen en kuilen, een land van dorheid en schaduw des doods, een land, waar niemand (een Christen uitgezonderd) doorgaat en waar geen mens in woont (Jer.2:6). Hier nu was CHRISTEN er nog erger aan toe, dan in de strijd met APOLLYON, zoals uit het vervolg blijken zal.
Toen CHRISTEN aan het begin van deze vallei gekomen was, ontmoetten hem twee mannen, kinderen van hen, die eens een kwaad gerucht brachten over het goede land (Num.13:32), en zij repten zich om terug te keren. Deze sprak hij aan en zei: "Waarheen gaan jullie, mannen?"
Zij antwoordden: "Terug, terug; en wij wensten, dat u met ons ging, want als u dit niet doet, hebt u uw leven en uw welstand niet lief."
CHRISTEN vroeg daarop: "Hoe, waarom, wat is er gaande?" En zij antwoordden: Vraagt u, wat er is? Wij gingen ook de weg, die u gaan wilt en liepen zo ver, als wij ons durfden wagen en inderdaad, wij hadden het terugkeren wel bijna kunnen vergeten, want waren wij nog verder gegaan, wij hadden het niet naverteld."
"Wat is u dan overkomen?" vervolgde CHRISTEN.
Zij antwoordden: "Wij waren bijna in de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS (Ps. 44:20,en 107:10); maar wij zagen gelukkig nog vóór ons en merkten het gevaar eer wij er in kwamen."
"Maar wat hebt u daar gezien?" vroeg CHRISTEN.
"Gezien?" zeiden zij, "Wel, de vallei zelf; is dat niet genoeg? Zij was donker als pek, en daar waren veldduivels en draken van de afgrond. Wij hoorden ook een gedurig huilen en kermen, als van een volk in onuitsprekelijke ellende, dat gebonden is in de verdrukking en in ijzer, dat daar zit in een land van duisternis en schaduw des doods, dat de dood met zijn vleugels overdekt heeft; kortom alleszins vreselijk." (Job 3:5 en 10:22).
"Ik kan het nog niet anders zien," zei CHRISTEN, "of de weg, waarvan u spreekt, is de weg, die ik heb te wandelen, om tot de begeerde haven te komen." (Jer.2:6).
"Is dit uw weg," zeiden zij, "dan willen wij niet met u gaan," en zo scheidden zij van CHRISTEN, die hierop zijn weg voortzette, zijn zwaard in de hand houdende, uit vrees aangevallen te zullen worden.
Ik zag ook, dat er ter rechterzijde van de vallei een diepe gracht of sloot lag, namelijk die, waarin door alle eeuwen de ene blinde de andere heeft doen vallen; zodat zij te zamen jammerlijk zijn omgekomen. Ter linkerzijde was een gevaarlijke slijkpoel en moeras. Indien een mens daarin viel, kon hij geen grond voor zijn voet vinden. Dit was dezelfde, waar koning David eens in neerzonk (Ps.69:3), die er ongetwijfeld ook in versmoord zou zijn, als niet Hij, Die machtig is, hem eruit had gerukt.
Het voetpad was hier buitengewoon smal en daardoor had de goede CHRISTEN het des te moeilijker. Want wanneer hij, in het donker gaande, de gracht aan de ene zijde dacht te mijden, was hij in gevaar, uit te glijden in het moeras aan de andere kant en als hij zeer zorgvuldig het slijk wilde schuwen, liep hij gevaar in de gracht te vallen. Zo sukkelde hij voort en ik hoorde hem bitter zuchten; want behalve de gemelde gevaren was het op het pad zo duister, dat hij af en toe niet kon zien, hoe de ene voet voorbij de andere te zetten.
Ongeveer in het midden van deze vallei, niet ver van de weg af, zag ik de mond van de hel. Daar stond CHRISTEN en dacht: "Wat zal ik nu doen?" En terstond kwamen er zo'n vuur en rookdamp, zovele vonken en zulk een naar geluid (dingen die voor CHRISTENS zwaard geen ontzag hadden, gelijk APOLLYON) uit voort, dat hij genoodzaakt werd zijn zwaard in de schede te steken en een ander wapen ter hand te nemen, genaamd GEDURIG GEBED (Ef.6:18,Ps.116:3); ik hoorde hem roepen: "o Heere, verlos mijn ziel." Zo voortgaande, naderde hij het vuur al vrij dicht. Hij hoorde ook treurende stemmen en een toe- en afnemend vleugelgeruis, en dat deed hem meermalen vrezen, nog in stukken gescheurd of vertrapt en vertreden te zullen worden, zoals het slijk der straten. Dit naar geluid en vervaarlijk gezicht hoorde en zag hij al vele uren en zich inbeeldende, dat er een troep boze geesten op hem aankwam, stond hij een ogenblik stil en overlegde, wat hem te doen stond. Soms was hij half van plan terug te keren, dan weer dacht hij, dat hij nu wellicht al halverwege de vallei was en hoe hij al zovele gevaren had doorstaan; meteen herinnerde hij zich, dat het gevaar van terug te gaan wellicht groter was dan de gevaren, die hem in het voortzetten van zijn reis nog ontmoeten konden; daarom besloot hij zijn weg te vervolgen.
De boze geesten schenen intussen al nader en nader te komen. Maar toen ze bijna bij hem waren, riep hij met een geweldige stem: "Ik zal heen gaan in de mogendheid des Heeren Heeren!" (Ps.71:16) waarop zij achteruit gingen en niet verder kwamen.
Eén ding is er nog, dat ik hier niet vergeten moet: ik bemerkte, dat de arme CHRISTEN in deze tijd zo ontsteld was, dat hij zijn eigen stem niet meer kende. Want ik zag, dat juist, toen hij tegenover de mond van de brandende poel was, een van de duivelen hem zeer zachtjes achterna kwam en hem zeer stil en behendig vele droevige lasteringen in het oor fluisterde, waarvan hij inderdaad niet beter wist, of zij kwamen voort uit zijn eigen gemoed. Dit trof CHRISTEN harder dan al wat hem tevoren was overkomen. Het viel hem zeer hard te denken, dat hij nu Hem zou lasteren, die hij te voren zo uitnemend lief had; evenwel kon hij het niet voorkomen, anders zou het niet geschied zijn. Hij had echter hier nog geen bekwame onderscheiding om te weten, vanwaar deze lasteringen haar oorsprong hadden, noch de macht om zijn oren te stoppen, opdat zij er niet inkwamen.
Nadat hij geruime tijd in deze troosteloze toestand voortgewandeld had, meende hij de stem te horen van een man, die voor hem uit wandelde, zeggende: "Al ging ik in het dal van de schaduw des doods, zo vrees ik niet; want Gij zijt bij mij." (Ps.23:4). Dit verblijdde hem zeer en wel om deze redenen:
1.Omdat hij hieruit kon besluiten, dat er ook van degenen, die de Heere vrezen, in de vallei waren, evenals hij.
2.Omdat hij nu begreep, dat God bij hem was, ofschoon hij in zulk een duistere en troosteloze staat verkeerde. En, dacht hij, waarom zou Hij nu niet bij mij zijn, ofschoon ik het door de moeilijkheden, die mij hier overkomen, niet kan waarnemen? (Job.9:10,11).
3.Omdat hij nu hoop had, om, indien hij wat snel voortging en hem inhaalde, weldra goed gezelschap op de weg te hebben.
Hij liep dan ook vlug door en riep tot degene, die hem vooruit was. Doch hij wist niet, wat hij zeggen zou, als hem gevraagd werd, waarom hij dacht, zo alleen te zijn. Maar zie, even later brak de dag aan; toen zei CHRISTEN: "Hij verandert de doodsschaduw in de morgenstond." (Amos 5:8).
Nu het daglicht aangebroken was, zag hij eens achter zich, niet uit begeerte om terug te keren, maar om bij het daglicht te zien, met welke gevaren hij in het duister te doen had gehad. En toen zag hij zeer duidelijk de gracht, die ter ene en het moeras, dat ter andere zijde lag en tevens hoe smal het voetpad was, dat hij daartussen was doorgegaan; hij zag ook de veldduivels en de draken van de afgrond, doch alle van ver; want na het aanbreken van de morgenstond kwamen zij hem niet nader; evenwel kon hij ze nog zien, volgens wat er geschreven staat: Hij openbaart de diepten uit de duisternis en de doodsschaduw brengt Hij voort in het licht (Job.12:22).
Toen was CHRISTEN zeer bewogen vanwege de verlossing uit al de gevaren, waaraan hij nu bemerkte op die eenzame weg onderworpen te zijn geweest en die hij, ofschoon hij ze tevoren meer vreesde, nu veel duidelijker zag, omdat het licht van de dag ze nu aan hem vertoonde, want de zon ging al over hem op; en dit was een grote weldaad voor CHRISTEN. Want hoewel het eerste gedeelte van de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS zeer gevaarlijk was, zo moet u nochtans weten, dat het andere deel, dat hij thans te gaan had, nog veel gevaarlijker was. Want van de plaats, waar hij nu stond, tot aan het eind van de vallei, was de weg doorgaans zo vol strikken en vallen, zo vol netten, putten, kuilen, holen en knippen, dat hij, als het nu zo duister was geweest als toen hij het voorste gedeelte van deze weg betrad, al had hij duizend zielen gehad, ze zeker alle was kwijtgeraakt. Maar zoals ik zeg, de zon ging nu over hem op, waarom hij ook zei: "Zijn lamp schijnt over mijn hoofd en bij Zijn licht doorwandel ik de duisternis." (Job.29:3).
In dit licht kwam hij aan het einde van de vallei. Hier lagen veel bloed, beenderen en as, alsmede vele lichamen van pelgrims die tevoren deze weg bewandeld hadden. Terwijl ik overdacht wat dit zeggen wilde, ontwaarde ik een eindje voor hem uit een hol en een spelonk, waar twee reuzen, PAUS en HEIDEN van ouds hadden huis gehouden, die door hun geweld en tirannie de mensen, van wie het bloed, de beenderen en de as daar lagen, op een zeer wrede wijze ter dood gebracht hadden. Maar CHRISTEN ging er zonder veel gevaar door, waarover ik in het begin tamelijk verwonderd stond; maar ik heb naderhand gehoord, dat HEIDEN al vele dagen dood is en dat de ander, ofschoon nog in leven, door ouderdom, alsmede door de snode streken van zijn jonkheid, zo ziekelijk en stijf in al zijn leden was, dat hij nu weinig meer kon uitrichten, dan in de ingang van zijn spelonk zitten, van waar hij de reizigers, die voorbij gaan, lelijk aangrijnst, van spijt op zijn nagels bijt, omdat hij niet bij hen kan komen.
CHRISTEN bleef op de weg, maar wist niet, wat hij moest denken van de oude man, die daar in het hol zat, te meer, omdat hij, ofschoon hij niet op kon staan, hem toeriep: "Het zal met u niet beteren, voor er nog meer verbrand worden." Maar hij hield zich stil, zette een vrolijk gezicht en ging zo voorbij, zonder enig ongemak te lijden. Daarop zong hij als volgt:
Wond're God! wat wond're dingen,
Doet Gij mij op heden zien,
'k Kan mijn lippen niet bedwingen,
Want Gij hebt mij doen ontvliên,
Menig valstrik, groev' en net
Die daar lagen voor mijn gangen;
Had Uw gunst het niet belet,
Ik was er in gevangen.
Zonde, duivel, dood en helle,
En al wat vervaarlijk is.
Kwam mijn droeve ziel ontstellen,
In die nare duisternis.
Dank, o Jezus! die mij leidt
Bij de hand, en dus komt schragen;
Gij moet voor deez' trouwigheid,
Eeuwiglijk de krone dragen.
Wijze Ps.25
Christen haalt Getrouwe in.
Toen kwam hij aan een hoogte, die daar opgeworpen was, opdat de reizigers, die daar kwamen, eens vooruit zouden kunnen zien; daar liep hij bovenop en uitziende zag hij GETROUWE vooruit, die ook op reis was. Daarom riep hij luidkeels: "Ho, ho, wacht wat, wacht wat, ik ga mee!" GETROUWE zag wel om, maar wist niet wie CHRISTEN hebben wilde en daarom riep CHRISTEN nogmaals: "Wacht, wacht, ik kom straks bij u."
"Nee," antwoordde hij, "ik vrees de bloedwreker, mijn leven hangt er van af." Dit raakte CHRISTEN nogal, en al zijn krachten inspannende, haalde hij GETROUWE haastig in; ja liep hem voorbij; en zo werd de laatste de eerste. Dit deed CHRISTEN in een ijdele glorie glimlachen, omdat hij het dus van zijn broeder gewonnen had. Maar hij lette niet goed op zijn voeten, struikelde en viel; en hij kon niet weer opstaan, voordat GETROUWE hem te hulp kwam.
Toen zag ik ook in mijn droom, dat zij zeer vriendelijk tezamen wandelden, zoete gesprekken voerend met elkaar over wat hun op reis overkomen was.
"Wel, mijn geëerde en welbeminde broeder GETROUWE", begon CHRISTEN, "ik ben blij, dat ik u ingehaald heb en dat onze God onze harten zo geschikt heeft, dat wij als zoete metgezellen tezamen kunnen wandelen in zo'n vermakelijke weg als deze."
GETROUWE. Ik dacht, dierbare vriend, dat ik het geluk van uw gezelschap al gehad zou hebben van onze stad af; maar u was mij ver vooruit; daarom was ik genoodzaakt zo'n lange weg alleen te wandelen."
CHRISTEN. "Hoe lang bleef u nog wel in de stad VERDERF, nadat ik mij op reis had begeven?"
GETROUWE. "Zo lang ik durfde. Want terstond na uw vertrek was er sprake van, dat onze stad in korte tijd door vuur en zwavel van de hemel tot de grond toe verbrand zou worden."
CHRISTEN. "Ai, zei men dat onder uw buren?"
GETROUWE. "Ja, al de monden waren er een geruime tijd vol van."
CHRISTEN. "En waren er niet meer dan u alleen, die dit gevaar zochten te ontkomen?"
GETROUWE. "Ofschoon er, zoals ik zeg, veel over gesproken werd, meen ik, dat zij het niet vast geloofden. Want in hun ernstigste gesprekken zelfs hoorde ik hen spottend spreken, zowel over u, als over uw wanhoopsreis, want zo noemden zij deze pelgrimstocht; maar ik geloofde het en ik geloof nog, dat het einde van onze stad vuur en sulfer zal zijn en daarom heb ik mij uit de voeten gemaakt."
CHRISTEN. "Hebt u nooit horen spreken over onze buurman GEZEGLIJK?"
GETROUWE. "Ja CHRISTEN, ik hoorde, dat hij u vergezeld had tot aan de poel MISTROUWEN, waar hij, zoals sommigen zeiden, was ingevallen, maar hij wilde dat niet bekennen, doch ik weet het zeker, omdat hij met de modder nog zeer beslijkt was."
CHRISTEN. "En wat zeiden zijn buren toch?"
GETROUWE. "Hij werd zeer veracht door allerlei slag mensen. Sommigen bespotten en verachtten hem, anderen wilden hem nauwelijks meer te werk stellen. Hij is nu ook zevenmaal erger, dan eer hij de stad verliet."
CHRISTEN. "Maar waarom keerden zij zich toch zo tegen hem, hoewel zij allen de weg, die hij verlaten had, even zeer verwierpen als hij?"
GETROUWE. "O, zeiden zij, dat is een draaibord; hang op zulke lui, die niet getrouwer in hun belijdenis zijn. Ik meen, dat God zijn vijanden tegen hem verwekt had (Jer.29:18,19), om hem zo lastig te vallen en tot een spreekwoord te maken, omdat hij des Heeren weg verlaten had."
CHRISTEN. "Hebt u nooit met hem zelf gesproken, eer u op reis ging?"
GETROUWE. "Ik heb hem eens op straat ontmoet, doch hij sloop stil aan de overzijde voorbij, als iemand, die beschaamd is over wat hij gedaan heeft en zo kreeg ik hem niet te spreken."
CHRISTEN. "Toen ik mij pas op reis begaf, had ik grote hoop voor die man, maar nu vrees ik, dat hij zal omkomen in de ondergang van de stad; want het is hem gegaan naar het waarachtige spreekwoord: de hond is weergekeerd tot zijn uitbraaksel en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk."
GETROUWE. "Dat vrees ik ook, maar wie kan het keren, als men toch zo wil?"
CHRISTEN. "Wel, buurman GETROUWE, laat ons hem laten varen en eens spreken van de dingen, die ons zelf aangaan. Zeg mij toch eens, wat u op de weg, waarlangs u kwam, overkomen is, want ik weet, dat u veel ondervonden hebt; anders mocht men dat wel als iets wonderbaarlijks aantekenen."
GETROUWE. "Ik ben de poel MISTROUWEN, waarin u gevallen bent, ontkomen, zodat ik zonder gevaren behouden aan het poortje kwam; alleen ontmoette ik een vrouw, wier naam WELLUST was, die mij veel kwaads scheen te zullen toebrengen."
CHRISTEN. "Het was goed, dat u haar net ontkwam. Jozef werd ook eens zeer hard door haar aangevallen en hij ontkwam haar nog, zoals u ook gedaan hebt; maar het scheen hem het leven te zullen kosten (Gen.39:11,12,13). Maar vriend, wat deed zij u?"
GETROUWE. "Dat kunt u wel denken; als u eens wist, welk een vleiende tong zij heeft. Zij drong zeer sterk aan, dat ik met haar ter zijde van de weg af zou treden en beloofde mij allerlei genoegen."
CHRISTEN. "Ja, maar niet het genoegen van een goed geweten."
GETROUWE. "U weet wel, dat ik allerlei zondig en vleselijk vermaak bedoel."
CHRISTEN. "Dank zij de Heere, dat u haar ontkomen bent: op wie de Heere vergramd is, die zal daarin vallen." (Spr.22:14).
GETROUWE. "Ja wel, ik weet niet, of ik haar al geheel ontworsteld ben."
CHRISTEN. "Waarom niet? Ik vertrouw immers, dat u haar begeerte niet volbracht."
GETROUWE. "Neen, niet om mij zelf te bevlekken; want ik dacht aan zeker oud geschrift, dat ik eens gezien heb, dat zei: haar treden houden de hel vast. (Spr.5:5). Dus maakte ik een verbond met mijn ogen (Job.31:1), opdat ik door haar lonken niet betoverd werd; toen lachte zij mij uit en ik ging mijns weegs."
CHRISTEN. "En waren er geen andere aanvallen op uw weg?"
GETROUWE. "Toen ik aan de heuvel MOEILIJKHEID kwam, ontmoette ik een zeer bejaard man, die mij vroeg, wie ik was en waar ik heen wilde. Ik zei, dat ik een reiziger was naar de Stad des Hemels. Toen zei de oude man: 'U schijnt mij van goede inborst te wezen; bent u genegen bij mij te blijven wonen, mits ik u een zeker loon geef?' Nu vroeg ik zijn naam en woonplaats, waarop hij zei, dat hij Adam de Eerste was en woonde in de stad VERLEIDING. Ik vroeg hem ook, wat zijn werk was en welk loon hij mij wilde geven. Daarop antwoordde hij, dat zijn werk zeer vermakelijk was en dat hij mij ter beloning ten laatste zijn erfgenaam zou doen zijn.
Verder vroeg ik, welk huis hij had en of hij nog andere diensbaren had. Daarop gaf hij te kennen, dat er in zijn huis volop was van allerlei werelds vermaak en dat zijn dienstknechten zijn eigen nakomelingen waren, alsook dat hij drie dochters had: BEGEERLIJKHEID VAN HET VLEES, BEGEERLIJKHEID VAN DE OGEN en GROOTSHEID VAN HET LEVEN en dat ik wel met een van die zou kunnen trouwen, indien ik dit wenste. Ik wilde ook weten, hoe lang hij mij in zijn dienst wilde houden en het antwoord was: zo lang ik leven zal."
CHRISTEN. "Wel, hoe verging het u ten slotte met die Oude Mens?"
GETROUWE. "In het eerst was ik wel een ogenblik genegen, met hem mee te gaan; hij kon zo mooi praten; maar terwijl ik met hem sprak, viel mijn oog juist op zijn voorhoofd en daar stond geschreven: leg af de oude mens met zijn begeer lijkheden." (Ef.4:22).
CHRISTEN. "Wel en toen?"
GETROUWE. "Toen werd ik heet in mijn binnenste en werd overtuigd, dat hij, wat hij ook zei en hoe hij mij vleide, van plan was, mij als hij mij in zijn huis kreeg, als slaaf te verkopen. Daarom zei ik, dat hij zijn mond maar moest houden, want dat ik de deur van zijn huis niet wilde naderen. Toen verachtte hij mij en zei, dat hij mij wel iemand na zenden zou, die deze weg bitter zou maken voor mijn ziel; terstond daarop, toen ik mij omdraaide om hem te verlaten, voelde ik, dat hij mijn vlees vast had; hij gaf mij een neep en klauw, zo dodelijk, dat ik meende een stuk van mijn lichaam te verliezen. Daarom schreeuwde ik luidkeels: Ach, ik ellendig mens! (Rom.7:24) en zo ging ik de hoogte van de heuvel op.
Toen ik nu ongeveer de helft van de weg had afgelegd, zag ik achter mij iemand aankomen, die mij vervolgde: hij was zo licht als de wind en achterhaalde mij juist daar, waar de rustplaats was."
CHRISTEN. "Ai, dat was dezelfde plaats, waar ik door slaap overvallen werd en mijn rol uit mijn mantel verloor."
GETROUWE. "Maar broeder, laat mij toch uitspreken. Zodra had deze mij ingehaald, of terstond, eer ik omzag, sloeg hij mij met één slag tegen de aarde aan. Daar lag ik toen als dood. Doch een weinig tot mijzelf komende, vroeg ik hem, waarom hij zo met mij te werk ging. Hij antwoordde: 'Omdat ik een innige genegenheid koester voor Adam de Eerste', en terwijl hij dit zei, gaf hij mij zo'n hevige slag op mijn borst, dat ik achterover viel. Daar lag ik opnieuw als dood voor zijn voeten. Maar mijn krachten een weinig bijeen zamelende, riep ik: 'Heb toch barmhartigheid.' Maar hij zei: 'Ik weet van geen barmhartigheid'; en sloeg mij weer tegen de grond; hij zou ongetwijfeld een einde aan mijn leven hebben gemaakt, was er niet iemand gekomen, die hem geboden had van mij af te blijven.
CHRISTEN. "Wie was dat toch?"
GETROUWE. "Ik kende hem in het eerst niet; maar terwijl Hij mij voorbijging, zag ik gaten in Zijn handen en Zijn zijde, waaruit ik opmaakte, dat het onze Heere was. En zo klom ik de heuvel op."
CHRISTEN. "De man, die u overviel, was Mozes: hij spaart niemand, ook weet hij niet van barmhartigheid jegens hen, die de wet overtreden."
GETROUWE. "Ik weet dat heel goed, want het was niet de eerste maal, dat hij mij ontmoette. Hij was het ook, die tot mij kwam, toen ik nog gerust thuis was en mij bedreigde, mijn huis boven mijn hoofd af te branden, indien ik daar nog langer blijven zou."
CHRISTEN. "Maar hebt u het huis niet gezien, dat op de top van die heuvel stond aan de kant, waar Mozes u ontmoette?"
GETROUWE. "Ja, en eer ik zover kwam, ook de leeuwen. Maar ik meen, dat zij toen in slaap waren; want het was omstreeks de middag; en aangezien ik nog een flink gedeelte van de dag vóór mij had, ging ik de Portier slechts voorbij en kwam van de heuvel af."
CHRISTEN. "Dat heeft hij mij inderdaad ook verteld, dat hij u zag voorbij- gaan. Maar ik wens wel, dat u bij het huis geroepen had, want u zou daar vele zeldzaamheden gezien hebben, waarvan de herinnering u levenslang bijgebleven zou zijn. Maar ik bid u, zeg mij eens, hebt u in de VALLEI VEROOTMOEDIGING niemand ontmoet?"
GETROUWE. "Ja, ik kwam iemand tegen, die MISNOEGEN heette en het er op toe- legde, dat ik weer met hem zou teruggaan. Omdat, zoals hij zei, in de hele vallei geen eer te behalen viel en een wandeling erdoor al mijn vrienden, te weten HOOGMOED, TROSTSHEID, ZELFBEDROG, WERELDSE EER en nog meer anderen, die hij zei te kennen, zeer zou beledigen; zeker zouden ze, indien ik zo dwaas wilde zijn deze vallei te doorkruisen, zeer ontevreden over mij zijn.
CHRISTEN. "Wel, hoe antwoordde u hem?"
GETROUWE. "Ik zei dat, ofschoon hij allen, die hij daar noemde, tot mijn familiekring rekende en dat ook naar waarheid en met recht, want zij waren inderdaad mijn familie naar het vlees, zij mij, sedert ik een pelgrim was geworden, hun vriendschap hadden opgezegd, zoals ik ook aan hen en dat zij nu waren, alsof ze nooit van mijn geslacht waren geweest. Ik zei hem bovendien, dat hij de vallei onrecht aandeed, want ootmoed komt voor de eer en hoogmoed des geestes voor de val (Spr.16:18); en dat ik derhalve liever door deze vallei wilde gaan tot de eer, die door de wijste lieden voor eer gehouden werd, dan te verkiezen wat hij het meest beminnenswaardig achtte."
CHRISTEN. "Bent u daar niemand meer tegengekomen?"
GETROUWE. "Ja, een zekere SCHAAMTE. Maar van allen, die ik op mijn pelgrimsreis ontmoet heb, dunkt mij niemand zijn naam zo onrechtmatig te dragen als hij; de anderen lieten mij na een weinig tegenspartelen of iets dergelijks nog begaan, maar deze vermetele SCHAAMTE was daar niet toe te krijgen."
CHRISTEN. "Hoe dat? Wat zei hij dan tegen u?"
GETROUWE. "Hij had veel tegen de godsdienst zelf te zeggen; het was, beweerde hij, een ellendige, lage en verachtelijke bezigheid, dat een mens zich zo godsdienstig toonde; hij zei, dat het een deftig man niet paste, een teder geweten te hebben; dat wacht te houden over zijn woorden en wegen en zichzelf verre te houden van die snoevende vrijheid, die de heldhaftige geesten van onze tijd gewoon waren te oefenen, hem geheel tot een spot van de wereld maken zou. Hij wierp mij ook voor de voeten, dat er maar weinig machtigen, rijken en wijzen waren (1 Cor.1:26 en 3:18), die met mij instemden en dat geen van hen het met mij hield, voor hij ook zo zot was geworden en van zo'n gewillige dwaasheid, dat hij alles wil laten varen, om iets, waarvan men niet weet, wat het is. Hij had het ook gemunt op de verachte en geringe staat van hen, die de voornaamste pelgrims van hun tijd waren; alsmede op hun onkunde in alle natuurlijke wetenschappen. Ja, hij hield mij zeer veel dingen voor, die ik nu niet alle ophaal; ondermeer zei hij ook, dat het schande was, onder een preek te zuchten en te schreien; dat het schande was, thuis te klagen en te wenen; dat het schande was, zijn bekenden om vergiffenis te bidden voor een kleine fout en hun vergoeding te geven, wanneer men hun iets heeft ontvreemd. Hij beweerde ook, dat de godsdienst de mens afkerig maakt van de groten om enige weinige gebreken, waaraan hij veel zachter namen gaf en hem zijn eigen eer en achting doet verliezen om die godsdienstige broederschap; en, zo vroeg hij, is dat geen schande?"
CHRISTEN. "En wat antwoordde u daarop?"
GETROUWE. "Ja, ik wist in het eerst bijna niets te zeggen. Ook drong hij er zo op aan, dat mij het bloed, (en dat was juist deze SCHAAMTE) in het aangezicht kwam en het niet veel scheelde, of hij had mij overwonnen. Maar eindelijk bedacht ik, dat alles wat hoog is bij de mensen, een gruwel is voor God (Luc.16:15). En, dacht ik ook, deze SCHAAMTE spreekt mij voortdurend van de mensen, maar hij zegt mij niets van God en Zijn Woord. Ik bedacht ook, dat wij ten laatsten dage geoordeeld zullen worden, ten leven of ten dood, niet naar de verkeerde opvattingen van de wereld, maar naar de wijsheid en de wet van de Allerhoogste. Derhalve dacht ik, wat God zegt is inderdaad het beste, al waren ook alle mensen in de wereld daartegen. Omdat dan God Zijn dienst verheft boven alles, omdat Hij een teder geweten waardeert, omdat zij, die dwaas worden om wille van het Koninkrijk der Hemelen, de wijsten zijn, en een arme, die Christus liefheeft, rijker is dan de grootste in de wereld, die Hem haat; zo zei ik: 'Wijk van hier, jij SCHAAMTE, jij vijand van mijn zaligheid: zal ik u omhelzen en aanbidden tegen de wil van mijn souvereine Heer? Hoe zou ik Hem durven aanschouwen in Zijn toekomst? Zal ik mij nu schamen voor Zijn wegen en dienaren (Marc.8:38); hoe kan ik dan de gelukzaligheid tegemoet zien?' Maar deze SCHAAMTE was in waarheid een vermetele boef en ik kon hem zeer moeilijk van mij wegkrijgen. Ja, hij wilde verkering met mij maken en fluisterde mij gedurig nu dit, dan dat in het oor; ook wist hij mij nu deze en dan die gebreken, die bij de godsdienst zijn, voor te leggen. Maar op het laatst zei ik, dat het toch tevergeefs voor hem was, mij verder te kwellen; want in de dingen, die hij zo verachtte, zag ik mijn grootste heerlijkheid en zo raakte ik deze onbeleefde gast kwijt. Toen ik op deze wijze van hem ontslagen was, ging ik dus zitten zingen:
Wat heeft een hemels hart
Verzoekingen te lijden!
Wat staat hij staag benard,
Wat heeft hij veel te strijden!
Het vlees spant daarmee neder,
Maar was 't met eens gedaan,
Helaas! 't is telkens weder,
Al weder, al weder, al weder.
Die nu als pelgrim dan
In zijnen weg wil spoeden,
Die kwijt' zich als een man
En sta steeds op zijn hoede;
Opdat hij niet en werd
Gegrepen noch gevangen;
En zo in 't net verwerd
Dat hij er in blijft hangen,
Blijft hangen, blijft hangen, blijft hangen.
(Wijze De liefde voortgebracht)
CHRISTEN. "Ik ben blij, mijn broeder, dat u die deugniet zo kloekmoedig hebt wederstaan, want zoals u zegt, hij draagt zijn naam ten onrechte: hij heet SCHAAMTE, maar hij is zo vermetel, dat hij ons naloopt op de straat en ons zoekt te beschamen voor de gehele wereld, dat wil zeggen: hij wil ons beschaamd maken over wat waarlijk goed is. Kende hij zelf enige schaamte, hij zou niet doen, wat hij nu uitvoert. Maar laat ons hem blijven weerstaan, want niettegenstaande al zijn vermetelheid helpt hij niemand dan de dwazen. De wijzen, zegt Salomo (Spr.3:35), zullen eer beërven, maar elk der zotten neemt schande op zich."
GETROUWE. "Ik denk, dat wij Hem te hulp moeten roepen tegen deze SCHAAMTE, die wil, dat wij kloekmoedig zullen zijn en op de aarde in waarheid triomferen."
CHRISTEN. "U spreekt de waarheid. Maar ontmoette u niemand anders in deze vallei?"
GETROUWE. "Neen, want ik had toen aanstonds zonneschijn, de hele weg langs en ook in de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS."
CHRISTEN. "Dat was fijn voor u; ik verzeker u, dat het mij daar anders ging; ik had een lange tijd, ja bijna van het begin van de vallei af, een vervaarlijke strijd met die vuile vijand APOLLYON. Ja, ik dacht zeker, dat hij mij gedood zou hebben; vooral toen hij mij onderkreeg en mij zo neerdrukte, dat ik vreesde vermorzeld te worden. Want juist toen hij mij neerwierp, schoot mij mijn zwaard uit de hand; ja, hij zei, dat hij mij al had overmocht, maar ik riep tot de Heere en Hij hoorde mij en verloste mijn ziel uit alle zwarigheden.
Daarna kwam ik in de VALLEI VAN DE SCHADUW DES DOODS en had geen licht, bijna de eerste helft van de weg. Ik dacht een- en ander-maal: nu zal ik omkomen; maar eindelijk brak de dag aan en rees de zon op; toen ging ik het overige met veel meer gemak en rust."
Ontmoeting met Mond-christen.
Ik zag ook in mijn droom, dat GETROUWE terzijde ziende, een man opmerkte, wiens naam was MOND-CHRISTEN, want hier was ruimte genoeg voor hen allen, om te wandelen. Het was een lang, groot mens, en mooier, als men hem van ver, dan wanneer men hem van nabij bezag. GETROUWE sprak hem ongeveer als volgt aan: "Wel vriend, waarheen is de weg? Gaat u mee naar de Hemelstad?"
MOND-CHRISTEN. "Ja, daarheen ben ik ook van plan te gaan."
GETROUWE. "Komaan dan, laat ons te zamen gaan en onze tijd doorbrengen met stichtelijke gesprekken."
MOND-CHRISTEN. "Van nuttige dingen te spreken, met u of met een ander, is zeer vermakelijk; en ik ben blij, dat ik bij iemand gekomen ben, die tot zulk een goed werk genegen is. Want de tijd doorbrengen met spreken over de waarheid doen maar weinigen op reis; de meesten spreken liever van dingen, die geen nut hebben en dat heeft mij dikwijls zeer gesmart."
GETROUWE. "Dat is inderdaad zeer te beklagen; want welke dingen zijn er zo waardig voor het gebruik van de menselijke tong, hier op aarde, als de dingen van de God des hemels?"
MOND-CHRISTEN. "U staat mij bijzonder aan; want uw woorden zijn vol van overtuiging; en welke dingen zijn er toch vermakelijker en wat kan men nuttiger bespreken dan de dingen van God? Ik zeg: welke dingen zijn zo aangenaam en vermakelijk? Heeft iemand lust in dingen, die wonderlijk zijn; bijvoorbeeld, heeft hij vermaak om te spreken van historiën, of van de verborgen kracht der dingen; heeft hij lust om te spreken van mirakelen, tekenen en wonderen, waar zal hij iets zo net aangetekend, zo zoet en vermakelijk beschreven vinden als in de Heilige Schrift?"
GETROUWE. "Dat is waar; maar het oogmerk van onze gesprekken moest zijn, om er door gesticht en geleerd te worden."
MOND-CHRISTEN. "Dat is wat ik zeg; want over zulke zaken te spreken is het allernuttigst; een mens kan daardoor kennis krijgen van vele dingen; zoals van de ijdelheid van de aardse dingen en het heil van de dingen, die daarboven zijn: dit zo in het algemeen, maar wat meer in het bijzonder: hierdoor leert hij verstaan de noodzaak van de wedergeboorte, de ongenoegzaamheid van onze werken, de noodzakelijkheid van Christus' gerechtigheid, enz. Daarenboven kan hij er uit leren, wat het is zich te bekeren, te geloven, te bidden, te lijden en wat dies meer zij; hier kan hij leren, wat de beloften en vertroostingen van het Evangelie zijn, om daarmee te sterven.
Verder, hierdoor kan hij wetenschap verkrijgen, om valse leringen te weerleggen, de waarheid te verdedigen en alzo de onwetenden te onderwijzen."
GETROUWE. "Dit zijn allemaal waarheden en ik ben blij deze dingen van u te horen."
MOND-CHRISTEN. "Helaas, de oorzaak van het gebrek in dezen is, dat zo weinigen verstaan de noodzakelijkheid van het geloof en van het werk der genade in de ziel, om tot het bezit van het eeuwige leven te komen, maar onwetend daarheen leven, in de werken van de wet, door welke toch geen mens het eeuwige leven ooit verkrijgen zal."
GETROUWE. "Met uw verlof, de hemelse wetenschap van deze dingen is een gave Gods en geen mens kan ze verkrijgen door menselijke ijver, of door er alleen van te spreken."
MOND-CHRISTEN. "Dat weet ik alles zeer wel, want niemand kan iets aannemen, tenzij het hem van de hemel gegeven wordt: het is alles uit genade en niet uit de werken. Ik zou u wel een honderd schriftplaatsen kunnen opnoemen om dat te bewijzen."
GETROUWE. "Wel, waarover zullen wij nu met elkaar spreken?"
MOND-CHRISTEN. "Waarover u maar wilt: ik zal u spreken van hemelse en van aardse dingen; van wettische en Evangelische, van heilige en onheilige, van verleden en toekomende zaken, van dingen die meer tot het wezenlijke behoren en van andere die bijkomstig zijn: al te zamen zaken, die ons zeer nuttig en voordelig kunnen zijn."
Nu stond GETROUWE verwonderd en tot CHRISTEN tredende (want die was al deze tijd stil alleen gaan wandelen), zei hij, doch zeer zachtjes: "Welk een goede metgezel hebben wij daar gekregen! Zeker, deze man zal een voortreffelijk pelgrim worden." Maar CHRISTEN begon zachtjes te lachen en zei: "Deze mens, met wie u zo bent ingenomen, zal er met zijn tong nog wel twintig bedriegen die hem niet kennen."
"Kent u hem dan wel?" vroeg hij.
"Hem kennen? Ja veel beter dan hij zichzelf kent."
"Mijn beste," vervolgde de ander, "ik bid u, zeg mij toch, wat voor iemand hij is."
"Hij heet MOND-CHRISTEN en hij woont in onze stad. Ik ben verbaasd dat u hem niet kent. Daaruit blijkt weer, hoe groot onze stad wel is."
GETROUWE. "Wiens zoon is hij dan? En waar woonde hij dan ongeveer?"
CHRISTEN. "Het is de zoon van een zekere SCHOONSPREKER, hij woont in de PRAATSTEEG en is bij ieder bekend onder de naam MOND-CHRISTEN in de PRAATSTEEG. Ofschoon hij een gladde tong heeft, is hij toch een snode kwant."
GETROUWE. "Wel, hij schijnt toch een voorbeeldig mens te zijn."
CHRISTEN. "Ja, voor hen, die hem niet goed kennen; hij is buitenshuis het best, maar van nabij is hij zo slim als wat. Dat hij in uw ogen een voorbeeldig mens schijnt, brengt mij in gedachten, wat ik wel heb opgemerkt in het werk van schilders, wier stukken van verre het best tonen, maar van nabij zeer lelijk zijn."
GETROUWE. "Ik zou bijna geloven, dat u er de spot mee drijft, omdat u, naar het mij toeschijnt, er om lacht."
CHRISTEN. "Dat zij verre, dat ik spotten zou met een zaak van dien aard, hoewel ik mijn mond wat vertrek, of dat ik hem valselijk iets zou aanwrijven: ik zal u liever nadere inlichtingen omtrent hem geven. Deze man dient voor alle gezelschappen en praat altijd op dezelfde manier. Zoals hij met u spreekt, zo zal hij ook praten in het café; en hoe voller hij is, hoe meer deze dingen in zijn mond zijn. De godsdienst heeft geen plaats in zijn hart, ook niet in zijn huis, noch in zijn omgang. Al wat hij heeft, zit hem op de tong; en daarmee wat gerucht te maken is al de godsdienst, die hij heeft."
GETROUWE. "Als het zo is, dan ben ik in deze man grotelijks bedrogen."
CHRISTEN. "Ja, bedrogen bent u, wees daarvan verzekerd. Herinner u die spreuk eens: Zij zeggen het wel, maar zij doen het niet (Matth.23:3) en: Het koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht (1Cor.4:20). Hij spreekt van gebeden, geloof, bekering en wedergeboorte, maar hij kan er slechts over praten. Ik ben in zijn gezin geweest en heb op hem gelet en ik weet dat wat ik van hem zeg, de waarheid is. Zijn huis is ontbloot van godsdienst, gelijk het wit van een ei zonder smaak is. Daar zijn noch gebeden, noch tekenen van boetvaardigheid over de zonden, ja een beest dient God op zijn wijze beter dan hij. Hij is werkelijk een smaad en schandvlek in de godsdienst voor allen die hem kennen. De godsdienst kan bezwaarlijk één woord van lof krijgen in het hele gedeelte van de stad, waar hij woont, en dat alleen door hem en om zijnentwil (Rom.2:24,25). Het gewone volk, dat hem kent, heeft een spreekwoord van hem gemaakt en noemt hem een duivel in huis en een heilige daar buiten. Zijn arm gezin ondervond het ook wel. Hij is zulk een vlerk, zulk een uitvaarder in scheldwoorden en zo onverstandig tegen zijn knechts, dat zij niet weten, wat zij doen en hoe zij spreken zullen. Lieden, die met hem te doen gehad hebben, zeggen, dat het beter is, met een Turk te doen te hebben dan met hem; want zij hebben daarvan meer goeds te verwachten dan van hem. Deze MOND-CHRISTEN zal, indien hij maar kan, zijn naaste trachten te vertreden, te bedriegen en te kort te doen. En wat nog erger is, hij voedt zijn kinderen ook op, om zijn voetstappen te volgen en als hij in enige van hen die malle lafhartigheid (zo noemt hij de minste vertoning van een goed geweten) vindt, noemt hij ze gekken en domkoppen en zal ze niet voor een belangrijk werk gebruiken, of met lof van hen spreken bij anderen. Ik voor mij ben van gedachten, dat hij er door zijn goddeloos leven velen heeft doen struikelen, en vrees, zo God het niet verhoedt, dat hij nog het verderf zal zijn van een grote menigte."
GETROUWE. "Wel, mijn broeder! Ik ben verplicht u te geloven, niet alleen om- dat u hem kent, maar ook omdat u zich over deze mens uitlaat, zoals een Christen moet spreken. Want ik kan niet denken, dat u zo over hem oordeelt, omdat u hem een kwaad hart toedraagt, maar omdat het zo is, zoals u zegt."
CHRISTEN. "Had ik hem niet beter gekend dan u, ik had mogelijk ook zo over hem gesproken als u in het begin deed; ja, had ik dit getuigenis over hem alleen ontvangen uit de hand van vijanden van de godsdienst, ik zou het maar voor een lastering gehouden hebben (een smet, die dikwijls uit de mond van de goddeloze valt op de naam en de belijdenis van de vromen). Maar aan al deze dingen en vele andere meer, even kwaad als deze, kan ik hem bewijzen schuldig te zijn, want zij zijn mij bekend. Bovendien zijn de vromen met hem verlegen en schamen zich over hem. Zij kunnen hem noch broeder noch vijand noemen. Wanneer zij hem slechts horen noemen, kunt u zien, dat zij beschaamd worden."
GETROUWE. "Wel, ik zie dat zeggen en doen twee zijn en wil voortaan beter op dat onderscheid letten."
CHRISTEN. "Inderdaad twee dingen zijn het en van elkaar zo onderscheiden als ziel en lichaam; want zoals het lichaam zonder de ziel een dode romp is, zo is ook het spreken, als er niet meer bij is, maar een dode romp. De ziel van de godsdienst is gelegen in de beoefening ervan. De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukkingen en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld (Jac.1:27). Hier heeft MOND-CHRISTEN geen weet van; hij meent, dat horen en spreken een goed Christen maken en bedriegt aldus zijn eigen ziel. Het horen is maar als het zaaien van het zaad; en het spreken is geenszins genoeg om te bewijzen, dat er waarlijk vruchten zijn in hart en leven. In het eind van de dagen zal men niet vragen: Wat geloofde of waarover sprak u, maar wat hebt gij gedaan? En daar zal naar geoordeeld worden. Het einde van de wereld wordt bij een oogst vergeleken en u weet, dat men in de oogst niets anders verwacht dan vruchten. Niet dat iets God behagen kan zonder geloof; maar ik wil alleen aanwijzen, van hoe weinig belang MONDCHRISTEN's belijdenis zal zijn in die dag."
GETROUWE. "Dit brengt mij in gedachten, dat wij in de Schrift lezen van de reine dieren (Levit.11 en Deut.14) waarvan geschreven wordt, dat zij niet alleen de klauwen verdelen, maar ook herkauwen; wat alleen de klauwen verdeelt of alleen herkauwt, is niet rein; de haas herkauwt en is evenwel onrein, omdat hij de klauwen niet verdeelt. En inderdaad dit beeld ons een MOND-CHRISTEN uit; hij herkauwt, hij staat naar kennis, hij kauwt het woord, maar hij verdeelt de klauwen niet; hij scheidt zich niet af van de weg der zondaren, maar hij houdt met de haas de voet van een hond of beer en zo is hij onrein."
CHRISTEN. "U noemt daar naar mijn gevoelen de juiste Evangelische zin van die tekst. Ik moet daar nog iets aan toevoegen. Paulus noemt sommige mensen, ook deze grote prater, een klinkend metaal en een luidende schel (1Cor.13:1-3), dat is, gelijk hij het op een andere plaats verklaart, gevende een geluid zonder leven (1Cor.14:7), dat is zonder het ware geloof en de genade van het Evangelie en bijgevolg zijn het dezulken, die nooit geplaatst zullen worden in het koninkrijk der hemelen onder hen, die kinderen van het leven zijn; ofschoon hun geluid door hun schoon spreken als de tong en het geluid van een engel was."
GETROUWE. "Wel, ik was in het begin niet zo afkerig van zijn gezelschap, maar ik ben er nu ziek van; hoe raken wij hem het beste kwijt?"
CHRISTEN. "Volg mijn raad op en u zult ondervinden dat hij eveneens van uw gezelschap ziek worden zal, als God zijn hart niet aanroert en omwendt."
GETROUWE. "Wat wilt u dan, dat ik doen zal?"
CHRISTEN. "Ga weer naar hem toe en begin eens een ernstig gesprek met hem over de kracht van de godzaligheid; vraag hem eens duidelijk, wanneer hij er in bewilligd zal hebben - en dat zal hij gemakkelijk doen - of deze dingen in zijn hart, huis en omgang gevonden worden."
Toen liep GETROUWE wat harder tot naast MOND-CHRISTEN en zei tot hem: "Wel komaan, hoe gaat het u nu?"
MOND-CHRISTEN. "Ik dank u, zeer goed; ik dacht, dat wij nu veel met elkaar zouden kunnen spreken."
GETROUWE. "Wel, als het u belieft; daar willen wij nu mee beginnen; en omdat u aan mij hebt overgelaten, waarover wij spreken zouden, laten wij dan deze vraag eens behandelen: hoe ontdekt zich het werk van de zaligmakende genade Gods in het hart van de mensen?"
MOND-CHRISTEN. "Ik bemerk, dat onze gesprekken nu over de kracht der zaken zullen gaan. Wel, het is een goede vraag en ik ben gewillig, om er iets op te zeggen; dus zal ik ze in het kort beantwoorden. Ten eerste: Waar de genade Gods in het hart is, daar veroorzaakt zij een groot geroep tegen de zonde. Ten tweede. . . "
GETROUWE. "Stil, laat ons dat eerste eens wat overwegen. Ik denk, dat u beter kon zeggen: zij openbaart zich door de ziel te buigen tot een verfoeiing van de zonde."
MOND-CHRISTEN. "Nu, welk onderscheid is er tussen tegen de zonde te roepen en haar te verfoeien en te verwerpen?"
GETROUWE. "Och zeer veel; iemand kan veel tegen de zonde spreken uit enkel welgemanierdheid; maar hij kan ze niet verfoeien, dan door er een goddelijke afkeer van te voelen. Ik heb er velen tegen horen schreeuwen, wanneer zij op de preekstoel stonden, die haar zeer wel verdragen konden in hun hart, huis en omgang. Jozefs meesteres riep met een grote stem, als was zij zeer heilig geweest; maar zij zou niettemin heel graag overspel met hem gepleegd hebben (Gen.39:15). Velen roepen tegen de zonden, zoals een moeder tegen het kind, dat zij op haar schoot heeft; dat noemt zij dikwijls een vuilak, een ondeugende meid en een stoute jongen en dan drukt zij het in haar armen en kust het."
MOND-CHRISTEN. "Ik bemerk dat u het er op toelegt, mij ergens in te vangen."
GETROUWE. Neen toch niet, ik wil alleen enkele zaken recht zetten. Maar wat is het tweede kenmerk, waardoor u het werk der genade in het hart ontdekken wilde?"
MOND-CHRISTEN. "Grote kennis van de verborgenheden van het Evangelie."
GETROUWE. "Dit kenmerk had u als eerste moeten noemen; doch eerst of laatst, het is toch vals. Want kennis, ja grote kennis van de verborgenheden van het Evangelie kan iemand hebben en toch ontbloot zijn van het werk der genade in de ziel. Ja, ofschoon een mens alle kennis heeft, kan het toch gebeuren, dat hij niets is (1Cor.13:8) en bijgevolg geen kind van God is. Toen Christus Zijn discipelen vroeg: Weet gij al deze dingen? en zij antwoordden: ja! liet Hij er op volgen: Zalig zijt gij, zo gij dezelve doet (Joh.13:17). Hij hecht de zaligheid niet aan het weten, maar aan het doen. Want daar is een kennis, die niet van betrachten vergezeld gaat; er zijn mensen, die de wil van hun Meester weten, maar die niet doen. Een mens kan kennis hebben als een engel en toch geen Christen zijn: derhalve is uw kenteken niet goed. Zeker, het kennen is iets, dat praters en roemers behaagt, maar het doen behaagt God. Niet dat het hart goed kan zijn zonder wetenschap, want een ziel zonder die is niet goed (Spr.19:2). Daar is derhalve tweeërlei kennis; daar is een kennis, die alleen uit pure beschouwing bestaat en een kennis, die vergezeld gaat van genade, geloof en liefde, die een mens leert de wil van God van harte te doen; de eerste soort is de MOND-CHRISTEN genoeg; maar de ware Christen is niet tevreden zonder de laatste.
Zijn bede is: Geef mij verstand en ik zal Uw Wet houden, ja ik zal ze onderhouden met mijn gehele hart (Ps.119:34)."
MOND-CHRISTEN. "Ik zeg nog eens, u zoekt mij maar te verstrikken; en dit dient immers niet tot stichting."
GETROUWE. "Als het u belieft, geef eens een ander merkteken, waardoor zic het werk der genade in het hart van de mens ontdekt."
MOND-CHRISTEN. "Ik niet, want ik zie wel, dat wij het niet eens zullen worden."
GETROUWE. "Als u niet wilt, staat u mij dan toe, het te doen."
MOND-CHRISTEN. "U mag doen, zoals u wilt."
GETROUWE. "Het werk der genade in de ziel ontdekt zich èn aan hem, die het heeft, èn aan degenen, die met hem omgaan.
Aan de mens zelf ontdekt het zich aldus. Het geeft hem overtuiging van zonden (Joh.16:8), in het bijzonder van de besmetting van zijn natuur (Rom.7:24) en van de zonde van ongeloof (Joh.16:9), om welke hij zeker weet verdoemd te zullen worden (Marc.16:16), indien hij geen genade verkrijgt door het geloof in Jezus Christus. Dit gezicht en gevoel (Ps.38:18) werken in hem droefheid en schaamte (Jer.31:19) over de zonden; hem wordt daarenboven de Zaligmaker der wereld geopenbaard (Gal.1:16) en hij ziet de volstrekte noodzakelijkheid (Hand.4:12), om met Hem verenigd te worden voor het leven, waarna een honger en dorst (Matth.5:6) in hem ontstaan; aan welke honger en dorst de beloften (Openb.21:6) zijn vastgemaakt. Naar de sterkte of zwakheid van zijn geloof in de Verlosser nu, zijn ook zijn vreugde en vrede; daarom ook begeert hij Hem meer te kennen en te dienen in deze wereld.
Maar ofschoon ik zeg, dat het zich zo openbaart aan hem, zo is hij echter zelden bekwaam om te besluiten, dat het een werk der genade is; omdat zijn verdorvenheden en zijn misleid oordeel hem doen mistasten in deze zaak. Daarom wordt in hem, die dit werk in zich heeft, een zeer gezond oordeel vereist, eer hij met bedaardheid kan besluiten, dat dit een werk der genade is.
Aan anderen wordt het aldus ontdekt: ten eerste door een bevindelijke belijdenis van zijn geloof in Christus (Rom.10:9 en Fil.1:27). Ten tweede door een leven overeenkomende met die belijdenis (Joh.4:15 en Ps.50:23), te weten een leven van heiligheid in de wereld: heiligheid van het hart, heiligheid in zijn gezin, als hij een gezin heeft, en door een heiligheid in zijn wandel in de wereld; wat hem in het algemeen leert, inwendig alle zonden te verfoeien, en zichzelf om die zonden; op heiligheid aan te dringen in zijn gezin en die te bevorderen in de wereld; niet om er alleen over te praten, zoals een huichelaar en MOND-CHRISTEN doet, maar door een praktikale onderwerping in geloof en liefde aan de kracht van het Woord. Nu dan, mijn vriend, dit was zo een korte beschrijving van het werk der genade en hoe het zich ontdekt; hebt u daar nu iets tegen, zo spreek; zo niet, veroorloof mij, u een tweede vraag te stellen."
MOND-CHRISTEN. "Neen, ik zal u niets tegenwerpen, maar alleen aanhoren. Stel daarom gerust uw tweede vraag."
GETROUWE. "Dat zou dan deze zijn: Hebt u ook bevinding van het eerste gedeelte van de beschrijving, en getuigen uw leven en wandel dat? Of bestaat uw godsdienst maar uit woorden en uit de tong, en niet uit daad en waarheid? Ik bid u, als u genegen bent tot antwoorden, zeg toch niet meer, dan waar God in de hemel Amen op zal zeggen; en ook niets, waarin uw geweten u niet kan vrijspreken. Want niet die zichzelf prijst, maar die God prijst, is beproefd. Terwijl het een grote goddeloosheid is te zeggen: ik ben zus of zo, wanneer mijn handelingen en bekenden mij zeggen dat ik lieg."
Toen MOND-CHRISTEN dit zo hoorde, begon hij eerst beschaamd te worden; maar nadat hij zich vermande, antwoordde hij: "U komt daar nu met de bevinding aan, met het geweten en God zelf en u beroept u op Hem, dat Hij vonnist, wat gesproken wordt. Zo'n manier van samenspraak verwachtte ik niet. Ik ben ook niet gezind, zulke vragen te beantwoorden en acht mij daar geenszins toe verplicht; tenzij u uzelf als een catechiseermeester beschouwt; en al zou u dat doen, ik erken u echter niet als mijn rechter. Maar ik bid u, waarom stelt u mij deze vraag?"
GETROUWE. "Omdat ik zag, dat u graag praat en ik niet wist of u niets anders hebt dan woorden. En om u de waarheid te zeggen, ik heb van u horen zeggen, dat u een man bent, wiens godsdienst slechts uit woorden bestaat en dat uw manier van leven uw mond tot een leugenaar maakt. Zij zeggen, dat u een vlek van de Christenen bent en dat de godsdienst om uwentwil lijden moet; dat sommigen al gestruikeld zijn door uw goddeloze wegen en er nog meer zijn, die gevaar lopen door uw boze wandel verdorven te worden. U paart uw religie met een drinkhuis, gierigheid, onreinheid, zweren, liegen en het aanhouden van ijdel gezelschap. Het spreekwoord dat een hoer een schandvlek is van alle vrouwen, is waar in u: u bent een vlek van alle belijders."
Toen MOND-CHRISTEN dit hoorde, zei hij: "Omdat u zo bereid bent om allerlei aantijgingen te geloven en zo ras iemand te oordelen, kan ik niet anders van u denken, dan dat u een eigenzinnig en droefgeestig mens bent, met wie men niet kan spreken, en daarom: vaarwel!"
Toen trad CHRISTEN nader tot zijn broeder, en zei: "Ik zei het u wel, dat het zo gaan zou: uw woorden en zijn begeerten konden niet overeenstemmen: hij wilde liever uw gezelschap verlaten, dan zijn leven te verbeteren. Hij is nu afgedropen; laat hem gaan; zijn verderf heeft hij niemand te wijten dan zichzelf. Hij heeft ons de moeite bespaard ons van hem af te scheiden. Want als hij blijft zoals hij nu is, gelijk ik geloof dat hij doen zal, zou hij toch maar een smet in ons gezelschap geweest zijn. En de Apostel zegt: Scheidt u af van dezelven (2Cor.6:17)."
"Hoe blij ben ik," zei GETROUWE, "dat wij dit weinige nog met hem gesproken hebben. Mogelijk, dat hij er later nog eens aan denkt. Hoe het zij, ik heb eerlijk met hem gehandeld; en gaat hij verloren, ik ben altijd rein van zijn bloed."
CHRISTEN antwoordde: "U deed er goed aan, dat u zo duidelijk met hem sprak. Waarlijk men handelt in deze dagen te zelden zo trouw jegens elkaar en daar komt het vandaan, dat de godsdienst zo stinkt in de neusgaten van velen. Want deze dwaze MOND-CHRISTENEN, wier godsdienst alleen uit woorden bestaat en die zo verdraaid en ijdel zijn in hun omgang, hoewel veeltijds toegelaten in de gemeenschap van de godzaligen, deze zijn het, die de wereld beroeren, het Christendom zo bevlekken en de oprechten zo bedroeven. Ik wenste, dat iedereen met hen zo trouw handelde, als u gedaan hebt, dan zouden zij de ware godsdienst nader zoeken te komen, of het gezelschap der heiligen zou hun zo heet worden, dat zij daar niet zouden kunnen vertoeven."
Toen zongen zij als volgt:
MOND-CHRISTEN die de letter van de waarheid
Slechts kende, maar nooit zag hemelse klaarheid,
Vertoonde zich in wonder veel bravade. (Opgeblazenheid.)
Doch als men van het hartwerk der genade
En 't innig Christendom begon te spreken,
Toen droop hij af, zijn glans ging ras verbleken.
De huichelaar, ervaren slechts in woorden,
Die hij omlaag, maar nooit van boven hoorde,
Verliest men hier, juist even als het lichten
Der bleke maan moet voor de zonne zwichten.
Hun nachtwerk kan het keurig oog niet dragen
Van die het licht ooit in zijn klaarheid zagen.
(Wijze Ps.23).
Nadat zij dit gezongen hadden, gingen zij weer verder, sprekende met elkaar van hetgeen hun op hun weg was overkomen; wat hun reis, die hun anders ongetwijfeld zeer vervelend zou gevallen zijn, zeer verlichtte; want zij gingen nu door een wildernis.