Laat ons op Goede Vrijdag een rozenkrans bidden om vrede in de wereld en de terugkeer van morele waarden in onze gemeenschappen.
Indien mogelijk, bid dan uw rozenkrans tussen de middag en 15 u.
Verenigen we ons door voor deze intenties te bidden met één van de machtigste gebeden die bestaan, ter gelegenheid van één van de heiligste dagen in het liturgische jaar van de Katholieke Kerk.
Terwijl we tot Maria bidden en Haar met onze rozenkrans vereren, denken we aan wat Zij op deze dag van Goede Vrijdag beleefd heeft.
Denk u in wat zou kunnen gebeuren indien alle katholieken ter wereld hun rozenkrans baden op dezelfde dag! In oktober 1573, werd Europa gered van de invasie van de machtige Turkse vloot, omdat de christenen de rozenkrans baden!
Er is veel te winnen en niets te verliezen! U zou deze mail ook kunnen sturen naar alle katholieken uit uw adresboekje en hun vragen hetzelfde te doen.
Wanneer u uw rozenkrans bij u draagt, heeft satan hoofdpijn. Wanneer u hem aanraakt, verliest hij zijn evenwicht. Wanneer u uw rozenkrans bidt, verliest hij het bewustzijn. Laten we onze rozenkrans dikwijls bidden, zodat hij onophoudelijk het bewustzijn verliest
Wanneer u op het punt staat deze boodschap te versturen, zal satan proberen u te demotiveren, doch, stuur hem maar en draag bij tot het bespoedigen van de triomf van Maria!
Dat God u zegene en Maria u bescherme.
Kruistocht van gebed (43) Red zielen tijdens de Waarschuwing
Kruistocht van gebed (43) Red zielen tijdens de Waarschuwing
Dinsdag 3 april 2012 20.00u
O, God de Almachtige Vader,
namens Uw geliefde Zoon, Jezus Christus,
en ter herdenking van Zijn kruisdood om ons van onze zonden te verlossen,
smeek ik U om de zielen te redden die zichzelf niet kunnen redden
en die tijdens de Waarschuwing misschien in doodzonde zullen sterven.
Als genoegdoening voor het lijden van uw geliefde Zoon,
verzoek ik U dringend om diegenen te vergeven die niet in staat zijn
om te streven naar verlossing
aangezien zij niet lang genoeg zullen leven om Jezus, Uw Zoon, te vragen
om de barmhartigheid hen te bevrijden van de zonde.
Amen.
BOODSCHAP. Enkel door de voorspraakgebeden kunnen de zielen in duisternis gered worden.
Enkel door de voorspraakgebeden kunnen de zielen in duisternis gered worden.
Dinsdag 3 april 2012 20.00u
Mijn zeer geliefde dochter, er is een periode tussen nu en de Waarschuwing waarvan Ik wil dat Mijn volgelingen deze doorgronden.
Jullie intense gebeden zijn nodig om de zielen te redden die zichzelf niet meer kunnen redden. Veel van deze zielen zullen de Waarschuwing niet overleven dus is het belangrijk dat zij, en alle anderen die geheel in staat van doodzonde verkeren, door goddelijke tussenkomst gered worden.
Jullie gebeden, het smeken om de redding van hun ziel, zijn nu noodzakelijk. Dat moet nu, tijdens de Goede Week, jullie prioriteit zijn want als jullie Mijn geliefde Vader, in Mijn Heilige Naam, vragen om dergelijke zondaars te redden, zullen jullie gebeden verhoord worden.
Kruistochtgebed (43) Red zielen tijdens de Waarschuwing
O, God de Almachtige Vader,
namens Uw geliefde Zoon, Jezus Christus,
en ter herdenking van Zijn kruisdood om ons van onze zonden te verlossen,
smeek ik U om de zielen te redden die zichzelf niet kunnen redden
en die tijdens de Waarschuwing misschien in doodzonde zullen sterven.
Als genoegdoening voor het lijden van uw geliefde Zoon,
verzoek ik U dringend om diegenen te vergeven die niet in staat zijn
om te streven naar verlossing
aangezien zij niet lang genoeg zullen leven om Jezus, Uw Zoon, te vragen
om de barmhartigheid hen te bevrijden van de zonde.
Amen.
Bid voor alle zondaars ! Het is Mijn grootste wens om heel de mensheid te redden. Enkel door de voorspraakgebeden kunnen deze zielen in duisternis gered worden.
Jullie geliefde Jezus Christus.
05-04-2012
BOODSCHAP. Mijn nieuwe wonderwerken zullen aan de wereld gepresenteerd worden.
Mijn nieuwe wonderwerken zullen aan de wereld gepresenteerd worden.
Zaterdag 31 maart 2012 11.00u
Mijn liefste beminde dochter, je moet moedig blijven doorheen jouw lijden en niet toelaten dat angst je hart binnendringt.
Werkelijk in vereniging met Mij, valt jouw lijden samen met de week waarin Mijn kruisdood herdacht wordt.
Dit is geen toeval. Want het lijden, dat jij en andere dergelijke uitverkoren zielen doorstaan tijdens deze week, zal miljoenen zielen behoeden voor het vuur van de hel.
Net zoals Ik pijn, kwelling en de dood onderging om de mensheid te redden van de eeuwige verdoemenis, zo redden ook de slachtofferzielen andere zielen waardoor deze het geschenk van eeuwig leven gegeven kan worden.
Hoe moeilijk en beangstigend dit lijden ook is, denk altijd aan het geschenk voor de mensheid dat het vertegenwoordigt.
Kinderen, aangezien de Goede Week begint, overdenk a.u.b. Mijn Passie aan het kruis.
Overdenk niet enkel het lijden maar ook het geschenk van de vrijheid dat dit biedt aan heel de mensheid.
Niet één ziel, met inbegrip van de hardvochtige en verharde zondaar door Satan beïnvloed, zal uitgesloten worden van Mijn Barmhartigheid.
De barmhartigheid, die mogelijk gemaakt werd door het geschenk dat Mijn geliefde Vader aan de wereld gaf.
Toen Hij Mijn stuurde, Zijn Eerstgeborene en Enige Zoon, bracht Hij het grootste offer van allen.
Dit offer, het bewijs van Zijn brandende liefde voor al Zijn kinderen, heeft ertoe geleid dat het mogelijk is om Satan voor eens en altijd te vernietigen.
Ten gevolge van de vrije wil, door Mijn Vader aan de mensheid gegeven, zal ieder mens de keuze krijgen.
Je zult ofwel voor Mijn Vader of tegen Hem zijn.
Je zult ofwel kiezen voor het Paradijs van het Eeuwig Leven of voor de verschrikking van de hel.
Satan zal, aangezien zijn dagen bijna op zijn einde lopen, zich niet afzijdig houden terwijl Mijn nieuwe wonderwerken in deze tijd aan de wereld gepresenteerd worden.
Hij zal niet enkel de duistere zielen aanvallen, om hen nog verder in de duisternis en dichter naar zijn domein te lokken, maar hij zal zich ook op vrome Christenen richten.
De wonderwerken waarover Ik spreek, zijn ten eerste Mijn mededelingen door jou, Mijn dochter. Mijn stem wordt gehoord en de bekering vermenigvuldigt zich.
Miljoenen zielen worden nu door middel van deze boodschappen door Mij opgeëist.
De andere wonderwerken omvatten het grootse geschenk van Mijn Barmhartigheid dat ik binnenkort naar de wereld breng wanneer de Waarschuwing plaatsvindt.
Voor het eerst zal elke afzonderlijke man, vrouw en kind het bewijs krijgen dat niet alleen God de Vader bestaat maar dat Ik, Jezus Christus, Zijn Enige Zoon, ook besta.
Dit betekent dat alle religies, waaronder het Joodse volk, Mijn uitverkoren volk waaruit Ik voortkwam, de waarheid zullen inzien.
Het wonder van wereldwijde bekering zal Satan razend maken, die zelfs in dat stadium niet zal opgeven. Die arme zielen, die reeds in verschrikkelijke zonde verkeren, zullen het zeer moeilijk vinden om zich van hem weg te trekken.
Andere wonderwerken zullen wereldwijde gebeurtenissen omvatten, die ecologische wonderen met zich zullen meebrengen, die door Mijn Vader gegeven zullen worden uit Zijn liefde voor Zijn twee getuigen, de Christenen en de Joden.
Er zal aan deze twee religies kracht gegeven worden terwijl ze vervolgd worden.
Hun vijanden zullen lijden omdat zij hen verschrikkelijke straffen opleggen.
En daarna zal er Mijn Tweede Komst zijn, het grootste wonder sinds Mijn Verrijzenis.
Dat zal de dag zijn waarop Ik kom om te oordelen over de levenden en de doden.
Dat is de dag dat Ik kom om Mijn familie te verzamelen zodat wij één worden.
Dat zal het begin zijn van Mijn heerschappij, wanneer de Hemel en de aarde samensmelten om voor 1000 jaar één te worden.
In die tijd zullen allen leven volgens de Goddelijke Wil van Mijn Vader
Jullie geliefde Jezus.
BOODSCHAP. H. Maagd Maria : Ik ben de Middelares. Ik zal jullie gebeden door Mijn bemiddeling voorleggen aan Mijn dierbare Zoon.
H. Maagd Maria : Ik ben de Middelares. Ik zal jullie gebeden door Mijn bemiddeling voorleggen aan Mijn dierbare Zoon.
Vrijdag 30 maart 2012 23.45u
Mijn kind, je moet weten dat naarmate de boodschappen, van Mijn Zoon aan jou, veranderen en zowel gebeurtenissen uit het verleden als toekomstige gebeurtenissen onthullen, jij meer zult aangevallen worden.
Het heilig woord van Mijn Zoon zal altijd verworpen worden door diegenen die weigeren om naar Hem te luisteren.
De menselijke mening is niet belangrijk.
De mededelingen van Mijn Zoon aan de wereld, op dit moment, zijn té belangrijk om toe te laten dat diegenen, die deze boodschappen bestrijden, je afhouden en afleiden van dit werk.
Nu is het de tijd voor nederige bezinning over het lijden van Mijn Zoon aan het kruis.
Mijn kinderen moeten eer betonen aan het offer dat Hij bracht voor de hele mensheid, door tijdens de Goede Week een eigen persoonlijk offer voor Hem te brengen.
Kinderen, bid, bid, bid om de vrede in de wereld !
Bid eveneens om de bescherming van de Paus in deze tijd van heftig verzet tegen de Katholieke Kerk.
Gebed, nederigheid en eenvoudige trouw aan Mijn Zoon, zijn noodzakelijk voor jullie om verbonden te worden met het Hart van Mijn Zoon.
Ik ben de Middelares. Ik zal jullie gebeden door Mijn bemiddeling voorleggen aan Mijn dierbare Zoon.
Ik zal jullie door Mijn bemiddeling helpen om meer van Hem te houden en Hem de troost te schenken die Hij op dit moment, terwijl de wereld Zijn kruisdood herdenkt, nodig heeft.
Jullie geliefde Moeder
Moeder van de Verlossing.
BOODSCHAP. Ik smeek jullie. Kruisig Mij niet opnieuw !
Ik smeek jullie. Kruisig Mij niet opnieuw !
Vrijdag 30 maart 2012 15.00u
Mijn zeer geliefde dochter, het is belangrijk dat al Gods kinderen begrijpen waarom Ik stierf om de wereld te redden van de eeuwige verdoemenis.
Satan, die sinds de val van Adam en Eva heerste in het hart van de mensen, was van mening dat hij met succes de zielen gestolen had.
Het grootste deel van de mensheid wilde het woord van God, vooral de Geboden die hen door Mozes gegeven werden, niet aanvaarden.
Toen werd Ik gestuurd om ervoor te zorgen dat de mensheid de waarheid kreeg, in de hoop dat de wereld deze zou aanvaarden en naar de Vader zou terugkeren.
Hoewel velen Mijn allerheiligste woord aanvaardden, weigerde de meerderheid Mij als de Messias aan te nemen.
De waarheid is dat zij niemand, met inbegrip van de profeten, aanvaard zouden hebben omdat zij er genoegen mee namen te leven in de zonde die hun ziel gevangen hield.
Als zij Mij aanvaard hadden, zou Ik op aarde geheerst hebben en had de hele mensheid kunnen genieten van de eeuwige redding.
In plaats daarvan werd Ik afgewezen.
De Joden, Mijn eigen volk, verachtten Mij.
De farizeeën keken op Mij neer maar wanneer ze mijn heilig woord hoorden, konden ze Mij niet zomaar negeren.
Dat kwam omdat Mijn woorden in hun ziel een licht deden ontvlammen dat zij moeilijk van zich af konden zetten.
Dus bleven zij keer op keer naar Mij terugkomen om Mij te ondervragen.
Hetzelfde geldt ook vandaag. Diegenen onder jullie die beweren Mijn woord gesproken door Mijn profeet te ontkennen, kunnen niet zomaar weglopen.
Ondanks jullie beweringen van afwijzing, blijven jullie keer op keer terugkomen.
Na verloop van tijd zullen jullie Mijn woord, dat vandaag tot jullie gesproken wordt, aanvaarden.
Jullie mogen niet dezelfde fout maken als deze die gemaakt werd door diegenen die Mijn niet enkel afwezen maar die Mij ook kruisigden.
Ik smeek jullie. Kruisig Mij niet opnieuw !
Sta Mij toe om jullie naar de redding te leiden door nu naar Mij te luisteren als Ik jullie vanuit de Hemel oproep om jullie voor te bereiden op de redding en op Mijn Nieuw Paradijs.
Jullie geliefde Jezus.
BOODSCHAP. Jezus onthult details over Zijn kruisiging.
Jezus onthult details over Zijn kruisiging.
Donderdag 29 maart 2012 13.15u
Mijn zeer geliefde dochter, Mijn moment van meer lijden zal tot stand komen wanneer Mijn lijden op het kruis herdacht zal worden.
Geen mens bevat de omvang van Mijn lijden tijdens Mijn kruisiging of de manier waarop Ik gegeseld werd.
Mijn geseling was het ergst. Ik werd op beestachtige wijze geslagen door tien mannen en elke centimeter van Mijn lichaam werd afgeranseld.
Het vlees op Mijn rug werd opengereten en Mijn schouderbladen waren zichtbaar.
Ik kon nauwelijks staan en één oog was gekneusd en verbrijzeld.
Ik kon enkel door Mijn linkeroog zien.
Tegen de tijd dat ze Mij voor Pontius Pilatus brachten en de doornenkroon op Mijn hoofd zetten, kon Ik nog nauwelijks rechtstaan.
Daarna kleedden ze Mij helemaal uit voordat ze een kort, rood gewaad over Mijn hoofd trokken en vervolgens legden ze een palmtak in Mijn rechterhand.
Iedere doorn was als een naald, zo scherp waren deze. Eén van die doornen doorboorde bovendien Mijn rechteroog waardoor ik nauwelijks in staat was om te zien.
Ik verloor zoveel bloed dat Ik braakte en Ik was zo duizelig dat Ik, toen Ik aan Mijn klim naar Calvarië begon, het kruis niet kon houden.
Ik viel zo dikwijls dat het uren duurde voordat Ik de top van de heuvel bereikte.
Ik werd gegeseld en geslagen bij elke stap.
Heel Mijn lichaam was bebloed en overdekt met troebel zweet dat door een verzengende zon voortgebracht werd.
Ik viel een paar keer flauw.
Hoe pijnlijk en afgrijselijk dit ook was, was het verschrikkelijkste van alles de haat die Mij betoond werd, niet alleen door de volwassenen langs de weg, maar ook door de jonge kinderen die Mij schopten omdat zij het voorbeeld van hun ouders volgden.
De kreten die uit hun mond stroomden en de haat was niets vergeleken met de angst die ze voor Mij hadden.
Want achter dit alles stak dat zij nog altijd niet zeker waren of Ik, al dan niet, inderdaad de Messias was die zij al zo lang verwachtten.
Het was daarom gemakkelijker om Mij te haten, Mij aan te klagen dan Mij te aanvaarden want dat zou betekend hebben dat zij hun gewoonten hadden moeten veranderen.
Mijn pijnlijkste moment was toen Ik, na opnieuw in de rug geschopt te zijn, op Mijn zij op de grond lag en Mijn geliefde Moeder naar Mij zag kijken.
Haar Hart was gebroken en Zij moest door twee van Mijn leerlingen ondersteund worden.
Ik kon Haar slechts door het ene overblijvende oog zien en Ik kon het niet verdragen naar Haar kwelling te kijken.
Het hoongelach, het gekrijs en het gebrul van de honderden uit de menigte kon aan de grond, waarop Ik lag, gevoeld worden en er waren zeshonderd soldaten nodig om de kruisiging van Mij te organiseren en er toezicht op te houden.
Ik was het centrum van hun aandacht en de anderen leden niet zoals Ik dat deed.
Toen Mijn polsen, bij de onderkant van Mijn duimen, aan het kruis genageld werden, had Ik geen gevoel meer.
Mijn lichaam was zo gehavend en toegetakeld dat Ik in shock geraakte.
Mijn schouderbladen werden ontwricht en Mijn armen werden uit hun kom gerukt.
De ergste lichamelijke schade werd toegebracht aan Mijn lichaam voordat Ik aan het kruis genageld werd.
Ik slaakte geen kreet.
Geen protest.
Slechts een fluistering.
Dit maakte Mijn beulen, die een reactie verlangden om hun lusten te bevredigen, razend .
Ik heb Mij nooit met hen ingelaten want dat doen zou betekend hebben dat Ik Mij had moeten inlaten met Satan en zijn demonen, die hun ziel teisterden.
Daarom was hun wreedheid naar Mij toe zo intens.
Ik hing vijf uren aan het kruis.
De zon was verschroeiend, zonder wolken om het branden van Mijn huid te helpen verminderen.
Zodra ik Mijn laatste adem uitblies, stuurde Mijn Vader donkere wolken met donder en bliksem.
De storm die plaatsvond was van zon angstaanjagende omvang en zo plotseling dat er bij Mijn toeschouwers op dat moment geen twijfel meer bestond dat Ik werkelijk de Redder was die door God de Vader gestuurd was.
Ik openbaar jou dit, Mijn dochter, als een geschenk aan jou in ruil voor de enorme lijdensdaad die je Mij aangeboden hebt.
Zeg Mijn kinderen dat Ik geen spijt heb van Mijn lijden aan het kruis.
Wat Ik wel betreur, is dat Mijn offer vergeten werd en dat zovelen ontkennen dat Mijn kruisiging plaatsvond.
Velen hebben geen idee van wat Ik moest ondergaan omdat veel van Mijn apostelen geen getuige waren van Mijn klim naar Calvarië.
Wat Mij tegenwoordig kwetst, is dat zovelen Mij nog altijd loochenen.
Mijn oproep aan jullie, Mijn volgelingen, is : Laat Mijn kruisiging niet tevergeefs geweest zijn !
Ik stierf voor ALLE zonden, met inbegrip van deze die vandaag de dag bedreven worden.
Ik wil en moet zelfs diegenen redden die Mij ook vandaag nog loochenen.
Jullie geliefde Redder
Jezus Christus.
Kruistocht van gebed (42) Vastengebed om de ene-wereldmunt tegen te houden.
Kruistocht van gebed (42) Vastengebed om de ene-wereldmunt tegen te houden.
Dinsdag 27 maart 2012 18.00u
O Allerhoogste God,
ik bied U mijn geschenk van vasten aan
opdat u de greep van het kwaad in de wereld,
gepland om mijn land te beroven van voedsel met inbegrip van het brood des levens,
een halt zal toeroepen.
Aanvaard mijn offer
en luister naar mijn smeekbeden voor de andere naties
om hen het leed te besparen dat door de Antichrist gepland wordt.
Behoed ons, Lieve Heer,
voor de verdorvenheid en bescherm ons geloof
zodat wij U kunnen vereren met de vrijheid die wij nodig hebben
om u, voor eeuwig en altijd, te beminnen en aanbidden.
Amen.
Mijn kind, één vastendag op Goede Vrijdag zal de naties grote bevrijding van de Boze bezorgen en van diegenen die zijn verdorven verlangen, om de financiën van alle naties te beheersen, opvolgen.
Jullie geliefde Moeder
Moeder van de Verlossing
Moeder van God
BOODSCHAP. H. Maagd Maria : Vraag Mijn kinderen om op Goede Vrijdag een dag te vasten om de ene-wereldmunt te voorkomen.
H. Maagd Maria : Vraag Mijn kinderen om op Goede Vrijdag een dag te vasten om de ene-wereldmunt te voorkomen.
Dinsdag 27 maart 2012 18.00u
Mijn kind, jouw lijden, samen met dat van andere uitverkoren zielen, zal intenser worden tijdens de Goede Week.
Dit is de week waarin de Bedrieger zoveel mogelijk van Gods kinderen als hij kan, zal schaden door oorlogen, vervolging en geweld.
Het is in deze tijd dat hij veel leed, zoals datgene dat Mijn dierbare Zoon onderging tijdens Zijn lijden op het kruis, toebrengt.
Mijn kind, jij moet aan al diegenen, die overal de zielen hebben aangemoedigd om elke vrijdag tot aan Pasen Mijn Heilige Rozenkrans te bidden, zeggen dat dit Mij zeer aangenaam is.
De zielen die zij redden, alsook het leed van hun eigen volk, worden allemaal ondersteund door deze godsvrucht.
De liefde van Mijn Zoon wordt nu, in een tijd van veel leed, door meer mensen overal ter wereld gevoeld.
Hij verzacht hun pijn met Zijn bijzondere genaden en brengt hun ziel tot rust door de kracht van de Heilige Geest.
Kinderen, jullie gebeden, die door jullie zo liefdevol aan de Hemel aangeboden worden, worden gehoord.
Jullie moeten te allen tijde de hulp van Mijn Zoon, en van Mijn Eeuwige Vader, inroepen. Elk afzonderlijk gebed, hoe klein ook, wordt gehoord en beantwoord overeenkomstig de Wil van de Allerhoogste God.
Mijn kind, vraag Mijn kinderen om op Goede Vrijdag een dag te vasten om te verhinderen dat de ene-wereldmunt geïntroduceerd wordt.
Jullie gebeden en vasten kunnen dit bewerkstelligen.
Zodra dit gebed tijdens jullie vasten gebeden wordt, zal Mijn Eeuwige vader beletten dat deze mensen de strenge ingrepen, die zij plannen opdat zij jullie kunnen controleren, opleggen.
Diezelfde mensen willen het Christendom afschaffen dus het is belangrijk dat jullie door speciale offers verhinderen dat dit gebeurt.
Kruistochtgebed (42) Vastengebed om de ene-wereldmunt tegen te houden
O Allerhoogste God,
ik bied U mijn geschenk van vasten aan
opdat u de greep van het kwaad in de wereld,
gepland om mijn land te beroven van voedsel met inbegrip van het brood des levens,
een halt zal toeroepen.
Aanvaard mijn offer
en luister naar mijn smeekbeden voor de andere naties
om hen het leed te besparen dat door de Antichrist gepland wordt.
Behoed ons, Lieve Heer,
voor de verdorvenheid en bescherm ons geloof
zodat wij U kunnen vereren met de vrijheid die wij nodig hebben
om u, voor eeuwig en altijd, te beminnen en aanbidden.
Amen.
Mijn kind, één vastendag op Goede Vrijdag zal de naties grote bevrijding van de Boze bezorgen en van diegenen die zijn verdorven verlangen, om de financiën van alle naties te beheersen, opvolgen.
Jullie geliefde Moeder
Moeder van de Verlossing
Moeder van God
Het doek van Manoppello.
Foto en tekst over het doek van het gelaat van Jezus Christus!
U toegezonden bij het naderen van de Goede Week.
Vriendelijke groeten in Christus.
Arnold Moors.
Mijn Bloed werd in stromen vergoten voor jou ...
HET WARE LEVEN IN GOD
Mijn Bloed werd in stromen vergoten voor jou Deel Mijn Beker met Mij
7 april 1988
Jezus ?
Ik Ben.
Ontvang Mijn Vrede, Vassula. Besef dat Ik je niet helemaal tot hier heb gebracht, en je heb gevormd, om je nu te verlaten. Ik bemin jullie allen. Ik ben het, de Heer, die de zielen wil genezen en verlossen. O ziel ! 1
Beminde ziel, Ik ben het, de Heer, die op je deur kwam kloppen. O, zo beminde ziel ! Ik heb je bij Mij gebracht - Ik voed je nu. Ja, Ik ben het, je Verlosser, die bij je kwam om je te genezen. 2
Beminde ziel, Ik ben het, de Heer, die op je deur kwam kloppn. O, zo beminde ziel ! Ik heb je bij Mij gebracht - Ik voed je nu. Kom !
Nader tot Mij. Ik zal je mooi maken en je zuiveren. Ik zal al je wonden genezen. Ik zal je hernieuwen, Mijn kind. Ik ben het die naar je toekwam. Ik heb je gezocht, ziel. Kom en Ik zal je troosten; kom en rust in Mij, Mijn ziel. Kom tot Mij en eet Mij; kom en drink Mij. Hoor de roep van je Verlosser, en je ziel zal leven. Ik bemin je, beminde ziel. Mijn Bloed werd in stromen vergoten voor jou, voor jouw redding.
Ziel ? Kom en deel Mijn mantel met Mij. Ik zal je beschutten. Ik zal je Toevlucht zijn. Ik ben Jezus, en Jezus betekent Redder.
(Jezus heeft deze Boodschap gegeven, sprekend tot ieder die haar leest. Het is geen toeval, dat u (lezer) Zijn Boodschap van Vrede en Liefde leest. Hij is het, Jezus, die naar u heeft uitgekeken, naar u is toegekomen en u deze Boodschap te lezen heeft gegeven.)
Vergroot Mijn Koninkrijk door Mijn Boodschap te verspreiden, zoals je dat doet. Ik ben het, die Mijn Werken zal vestigen, om Mijn Koninkrijk uit te breiden. Denk eraan, Ik bereik altijd Mijn doel. Glimlach naar je Verlosser. Zegen Mij.
(Ik keerde mij om en zegende Jezus.)
Ik zegen U, Jezus Christus. Ik zegen U.
Ook Ik zegen jou. Verbind je vanavond met Mij. Ik werd door Mijn broeders verlaten en door een van hen verraden. Deel Mijn angsten van Gethsemane met Mij - verlaat Mij niet.
Dat zal ik niet doen, Heer.
Houd Mij altijd in gedachten, troost Mij op deze wijze. Laat Mij zien dat je Mij niet zult verlaten, Vassula. Deel met Mij Mijn doodsstrijd, deel Mijn Beker met Mij. Blijf tot het eind bij Mij, doorleef Mijn Passie. Verheerlijk Mij! Blijf bij Mij.
Jezus. Ja, dat zal ik doen.
(Jezus leek Zijn beproevingen weer helemaal opnieuw te beleven.)
O Vassula ! Treed binnen in Mijn Heilig Hart. Treed binnen in de diepten ervan. Daarbinnen zul je Vrede vinden. Ik, de Heer, heb een plaats voor je bewaard. Jij behoort Mij toe, en Ik jou. De Liefde zal je leiden.
Heer, ik heb U mijn hart gegeven, U kunt met mij doen wat U behaagt.
Vertrouw dan op Mij. Neem Mijn Hand. Ik zal je nooit verlaten!
Leid mij, Heer, want U bent mijn Leidsman en mijn God.
Woensdag ben ik naar de kerk geweest en de priester heeft iedereen gezegend met mirre vermengd met olie. We mochten een stukje katoen in dat mengsel dopen, dat gezegend was door de Kerk, en mee naar huis nemen.
Beatrice kwam naar mijn woonplaats om samen met mij naar de kerk te gaan. Jezus vroeg mij haar te zegenen. Dus zegende ik haar met het mengsel van olie en mirre, dat ik bewaard had. Men zegent als volgt: terwijl men zegent maakt men met de mirre en de olie een kruisteken op het voorhoofd, op de linkerwang en op de rechterwang, de kin, de handpalmen en op de bovenkant van de handen. De priester had enkele woorden gesproken over genezing van lichaam en ziel. Jezus deed mij uitdrukkelijk begrijpen dat Hij deze woorden zou uitspreken.
Later dan, in de kerk, dwaalden mijn gedachten soms af vanwege het taalprobleem. Het Grieks dat er gesproken wordt is klassiek Grieks, en ik begrijp er vrijwel niets van. Te voorkomen dat mijn gedachten afdwaalden gedurende deze drie uren was moeilijk, maar Jezus verzekerde mij dat dit niet zou gebeuren. Telkens wanneer mijn geest begon af te dwalen zou Jezus zeggen :
"Wees bij Mij" of "Blijf bij Mij". Ik geloof dat Hij dat ongeveer tienmaal tegen mij heeft moeten zeggen.
1 Dit is een uitroep voor degene die Hem nu leest. 2 Hier spreekt Jezus tot degene die Zijn Boodschap leest.
Gekregen van onze Gerda.
( Dan. 10: 12 - 14 )
BID, ondanks de poging van de vijand het antwoord te verhinderen. WAAK, voor alles wat de zegen zou kunnen wegnemen. VERTROUW, in de overtuiging dat we nooit verzocht of beproefd worden boven wat we kunnen verdragen.
Steven's fiets.
27 mrt 12 Karina van Tongeren sms't: Bid je mee voor Steven en mij? Vorige week donderdag ben ik met hem een nieuwe fiets gaan kopen voor zijn 21ste verjaardag en omdat z'n vorige van toen hij 10jaar was te klein was, ook omdat hij voor school geen bus had met die spring uren en ik dan werken ben . . Hele mooie dure fiets . . . 2 keer mee maar school en gisteren al gestolen aan 't station in Bilzen en hij was met ketting op slot . . . De Here weet en ziet de fiets . . . We willen de fiets graag terug . . . We zijn bij de politie aangifte gaan doen. . . Pff God zei dank is Steven ok . . . Bedankt alvast om mee te bidden mvgr xxxk en Gods zegen Geantwoord: Breng God lof en eer. Prijs Zijn grote Naam. Voor wat Hij doet. De dief zijn handen zullen branden. Hij kan de fiets niet houden. De fiets komt terug. Om 14.30h sms'te Karina: Steven heeft "dezelfde" nieuwe fiets gekregen vandaag , hij ging vandaag zijn papa helpen en vertelde het dat hij zo een mooie fiets voor z'n 21ste verjaardag had gekregen van mama en dat ze hem gisteren al gestolen hadden . . . Hij was er zo van aangedaan dat hij na het helpen snoeien zei , kom nu krijg je een nieuwe "dezelfde" fiets van mij . . . Voor je 21ste verjaardag ze hebben hem al gehaald . . . Waaw chiek hé God is zo rechtvaardig en goed onvoorstelbaar geweldig goed bedankt voor je steun en gebed van harte mvgr xxxk en Gods rijke zegen
( Ps. 5: 3 )
Kijk naar boven, zegt de Heer. Nogmaals, zeg Ik je, kijk naar Mij !. Je hebt teveel naar je eigen problemen en zorgen gekeken, zodat je niet kon zien wat Ik doe. Je moet zowel zien en weten wat Ik doe als welke de plannen en listen van de vijand tegen je zijn. Dit is een tijd waarin Ik je naar nieuwe geestelijke hoogten breng zodat je zult zien met meer duidelijkheid en onderscheiding. Ik zal ook een nieuwe zalving vrijzetten van vindingrijkheid, en je creatieve verbeelding verhogen. Trek dit alles naar je toe.
( Ps. 131:2 )
Het is belangrijk dat je rustig en kalm blijft temidden van alle onrust om je heen. Als je je richt op de vrede, zal elke chaos die je wil schudden worden afgewend. Neem alles zoals het komt en weet dat Ik je wijsheid, rust, kracht en inzicht geef om elke tegenslag met succes te overwinnen. Zijt sterk en kalm, zegt de Heer.
( Jes. 59: 1 )
Dit is een tijd waarin je moet volhouden. Dit is een kans om te volharden en sterker te worden in je geloof. Het lijkt misschien alsof er geen doorbraak komt, maar Ik zeg je dat ze spoedig komt. Geef niet op. Blijf Mij vertrouwen voor het antwoord op je gebeden. Ik weet en zie waar je door gaat, en Ik hoor je, zegt de Heer. Wees sterk en moedig.
AKTA PILATUS.
EEN KOSTBARE VONDST in de VATICAANSE ARCHIEVEN 1939-1945
Protocol van Pontius Pilatus aan de Romeinse keizer Tiberius
AKTA PILATUS
Edele Keizer, gegroet!
De gebeurtenissen van de laatste dagen in mijn provincie waren van die aard dat ik dacht om over de details te rapporteren zoals de feiten zich voor gedaan hebben. Ik zou niet verbaasd zijn wanneer de gebeurtenissen in de loop der tijden het lot van onze natie zou veranderen. Het lijkt alsof de goden kortelings opgehouden hebben ons genadig te zijn! Bijna ben ik verplicht te zeggen: "Vervloekt zij de dag waarop ik, Valerius Flaus, inspraak gaf in de regering".
Na mijn aankomst te Jeruzalem nam ik mijn intrek in het pretorium en liet een koninklijk maal bereiden, waar ik de hooggeplaatsten van Judea, de hogepriester en zijn gevolg uitnodigde. Op het vastgestelde uur verscheen niet één van de genodigden. Dit was een aanslag op mijn waardigheid. Na enkele dagen verwaardigde zich de hogepriester om mij een bezoek te brengen. Zijn houding was vrij ernstig, maar zeer honend. Hij legde uit dat het hem en zijn mensen niet was toegestaan uit religieuze redenen te zitten aan de tafel van een Romein. Ik hield het voor verstandig om zijn verontschuldigingen te aanvaarden, toch was ik vanaf dit ogenblik overtuigd dat de overwonnenen zich als vijanden van de veroveraars opstelden.
Het leek mij dat van alle veroverde steden Jeruzalem het lastigste was om te regeren. Het volk was zo onrustig dat ik ieder moment vreesde voor een opstand. Om dit eventueel te onderdrukken beschikte ik slechts over een gentorium, een handvol oude soldaten. Ik verzocht de prefect van Syrië om versterking, maar hij deelde mij mede dat hij zelf amper voldoende troepen had om zijn eigen provincie te verdedigen. Een onlesbare dorst naar veroveringen en uitbreiding van ons keizerrijk, het onvermogen om de veroverde gebieden te behouden en te verdedigen, zal betekenen, wat ik vrees, de val van onze edele regering.
Onder de meest verschillende geruchten die mij ter ore kwamen, trok namelijk dit mijn aandacht: een jonge man - werd mij verteld - verscheen in Galilea en predikte op een voorname wijze een nieuwe leer, waarin Hij verkondigde dat God Hem gezonden had. Eerst en vooral was ik in het begin ten zeerste verontrust dat Zijn predikingen het volk zouden opruien tegen Rome, maar weldra verloor ik die vrees want Jezus van Nazareth sprak eerder als een vriend van de Romeinen dan van de Joden.
Toen ik op een dag wandelde op het plein van Sila zag ik een grote menigte. Ik ontwaarde midden in een groep een jonge man, leunend tegen een boom, die rustig en zacht tot de menigte sprak. Er werd mij verteld dat dit nu Jezus van Nazareth was. Dat kon ik nu gemakkelijk raden, zo groot was het verschil tussen Hem en Zijn toehoorders. Een gouden tint van het haar gaf Zijn wezen een hemelse uitstraling. Hij leek ongeveer 30 jaar te zijn en nooit of nooit zag ik zo'n zoete, rustige, heldere gelaatstrekken. Welk een groot verschil tussen Hem en Zijn toehoorders met zwarte baard en bruine huid. Niet van plan om Hem door mijn aanwezigheid te storen, ging ik verder, maar gaf opdracht aan Maultius, mijn secretaris, zich aan te sluiten bij de groep en te luisteren. Deze was een kleinzoon van één van de belangrijkste samenzweerders die in Etruria kampeerden en wachtten op Cataline. Maultius was een inwoner van Judea, woonde er reeds lang en sprak goed Hebreeuws. Hij was mij erg toegewijd en mijn vertrouwen waardig. Ik ontmoette Maultius in het pretorium waar hij mij de prediking herhaalde die Jezus had gegeven te Sila. Ik had iets gelezen bij de filosofen wat qua basisbegrippen vergelijkbaar is. Een van de meest opstandige Joden van Jeruzalem vroeg Hem, of het wettelijk juist was, de keizer belasting te betalen. Jezus antwoordde: "Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt!" Het was door Zijn wijsheid, die de predikingen zo typeerden, dat Ik de Nazarener zoveel vrijheid toestond.
Het lag in mijn macht om Hem gevangen te nemen en te verbannen naar Pontius, maar dit zou een inbreuk hebben geweest tegen de gerechtigheid welke de Romeinen altijd hebben gerespecteerd. Deze man is noch een opstandige of een verleider. Ik bood Hem bescherming aan en schonk Hem mijn gunsten, misschien zonder Zijn weten. Hij was vrij om te handelen, te spreken, samenkomsten te beleggen, leerlingen te kiezen uit het volk, zonder beperkt te zijn door een bepaalde verwijzing. Zou het ooit gebeuren, dat de religie van onze voorvaderen zou verdrongen worden door de religie van deze Jezus, mogen de goden het verhoeden, zo zal het op basis van deze tolerantie zijn dat Rome deze prille ontwikkeling stimuleerde, terwijl ik, ellendeling, het werktuig was van hetgeen de Hebreeën "Voorzienigheid" noemen en wij "noodlot".
Deze onbeperkte vrijheid prikkelde de Joden, niet de armen, maar de rijken en machtigen waartegen ook Jezus streng optrad. Volgens mijn mening gebeurde het uit politieke redenen dat ik de vrijheid van Jezus niet beperkte. "Schriftgeleerden en Farizeeërs", zou Hij zeggen, "jullie zijn een nest van adders, jullie gelijken op mooie graven". Een andere keer heeft Hij honend gesproken over de aalmoezen van de hooggeplaatsten en gezegd dat de bescheiden gift van de arme weduwe veel kostbaarder is in de ogen van God. Dagelijks werden er nieuwe klachten van beschimpingen over Jezus in het pretorium binnengebracht. Eveneens werd ik verwittigd van het feit dat Jezus wel eens een ongeluk kon overkomen. Het was niet de eerste keer dat Jeruzalem diegenen stenigden die zich profeten noemden.
Indien het pretorium gerechtigheid zou weigeren, zou er klacht ingediend worden bij de keizer. Toch werd mijn houding door de senaat goedgekeurd en werd mij troepenversterking beloofd na het beëindigen van de Perzische oorlog. Te zwak om een opstand neer te slaan, besloot ik maatregelen te treffen om de rust in de stad te herstellen zonder het pretorium bloot te stellen aan een vernederende onbekwaamheid of toegevendheid.
Ik verzocht Jezus schriftelijk om een ontmoeting in het pretorium. Hij kwam. In mijn aders vloeit Spaans bloed, gemengd met Romeins en daardoor ervaar ik geen kinderachtige emoties of vrees. Maar toen de Nazarener kwam, terwijl ik aan het wandelen was in de grote hal, leken mijn voeten met een ijzeren hand vast te plakken op de marmervloer en ik beefde aan al mijn ledematen zoals een schuldige misdadiger, terwijl Hij rustig en zacht was, de onschuld zelf. Jezus naderde tot mij en met een gebaar leek Hij te zeggen: "Hier ben Ik!". Een tijd lang bewonderde ik eerbiedig die mooie gestalte, onbekend aan onze talrijke kunstenaars die onze goden vorm en gestalte geven. "Jezus", zei ik eindelijk en mijn tong stotterde, "ik heb u de laatste 3 jaar onbeperkte vrijheid tot prediken geschonken en heb er geen spijt van. Uw woorden zijn als van een wijze en ik weet niet of u Plato of Socrates gelezen hebt. Maar zoveel weet ik dat in uw praten majestatische eenvoud ligt die u ver verheft boven de filosofen. De keizer is hierover geïnformeerd en ik, zijn nederige dienaar in dit land, ben gelukkig u deze vrijheid gegeven te hebben, die u waardig bent. Toch mag ik u niet verzwijgen dat u door uw onderrichtingen machtige, onverzoenlijke vijanden hebt gekregen, wat te begrijpen is. Socrates had zijn vijanden en viel als slachtoffer van hun haat. De uwen zijn dubbel verbitterd op u omwille van uw optreden tegen hen, tegen mij zijn ze kwaad wegens de enorme onbeperkte vrijheid gegeven aan u. Zij klagen mij aan omdat zij denken dat ik met u in een geheime verbinding zou staan met als doel de Hebreeën te beroven van hun kleine rechten, die Rome hun nog gelaten had. Mijn bede - ik zeg niet bevel - is, dat u in het vervolg voorzichtiger bent en milder, rekening houdend met de trots van uw vijanden. Tenslotte hitsen ze de domme bevolking tegen u op en dwingen mij om een werktuig te zijn van het recht".
De Nazarener antwoordde rustig: "Vorst van de aarde, uw woorden zijn niet van een waarachtige wijsheid. Zeg tegen de stortbeek, hou op te stromen aan je bron opdat je niet eerdaags de bomen ontwortelt van je vallei. De stortbeek zal je antwoorden dat hij de wetten van de Schepper moet opvolgen. God alleen weet waarheen de stortbeek vloeit. Waarlijk, Ik zeg u dat vooraleer de Roos van Saron bloeit, het Bloed vergoten zal zijn!". - "Uw bloed zal niet vergoten worden," antwoordde ik met veel gevoel, "U bent kostbaarder in mijn hoogachting omwille van uw wijsheid, dan alle rebellerende en fiere farizeeërs, die de vrijheid misbruiken die de Romeinen hun gelaten hebben en die samenzweren tegen de keizer én onze goedheid interpreteren als vrees. Deze boze schoften hebben het niet in de gaten dat de wolf van Tiberia zich soms verkleedt in schapenvacht. Ik zal U tegen hen beschermen. Mijn pretorium staat voor U klaar als toevluchtsoord. Het is een geheiligde plaats".
Jezus schudde zorgeloos Zijn hoofd en zei met bevalligheid, gratie en een goddelijk lachen: "Wanneer deze dag zal komen, dan zal er geen plaats zijn voor de Mensenzoon, noch boven de aarde of onder de aarde. De toevlucht van de rechtvaardigen is daarboven", zei Hij terwijl Hij wees naar de hemel, "en dat wat in de boeken der profeten staat moet vervuld worden." - "Jonge man," zei ik mild, "U dwingt mij om mijn verzoek te veranderen in een bevel, de veiligheid van de provincie die mij is toevertrouwd vereist dat. U moet meer matigheid aan de dag leggen in uw predikingen. Overtreedt mijn orders niet die U kent! Moge het geluk U behoeden! Het ga U goed!"
"Vorst van de aarde," antwoordde Jezus, "Ik ben niet gekomen om oorlog op aarde te brengen, maar vrede, liefde en welzijn. Ik ben op dezelfde dag geboren toen Caesar Augustus de wereld de Romeinse vrede gaf. Vervolging komt niet van u, Ik verwacht die van anderen en zal ze gehoorzaam tegemoet treden volgens de wil van Mijn Vader die Mij de weg getoond heeft. Onthoudt u daarom van uw wereldse wijsheid. Het is niet in uw macht het Offer op de drempel van de tempel tot verzoening in hechtenis te nemen." Terwijl Hij dit vertelde, verdween Hij zoals een oplichtende schaduw achter de voorhangen van de grote hal.
De vijanden van Jezus gingen weldra met een aanklacht naar Herodes, die toen in Galilea regeerde, om zich te wreken op de Nazarener. Was Herodes zijn eigen mening gevolgd, dan had hij Jezus onmiddellijk laten doden, maar fier op zijn koninklijke waardigheid, vreesde hij een daad te begaan die zijn aanzien bij de senaat kon doen verminderen. Op een dag kwam Herodes naar mij in het pretorium. Na een tamelijk onbeduidende conversatie, vroeg hij mijn visie over Jezus. Ik antwoordde hem dat Jezus mij één van de grootste profeten leek die vele grote naties zou kunnen overtuigen, dat Zijn leringen geenszins godslasterlijk waren en Rome van plan was Hem volledige vrijheid van spreken te geven, wat Zijn manier van handelen ook rechtvaardigde. Het grote feest van de Joden was nabij en het was gebruikelijk om bij deze gelegenheid voordeel te halen uit de algemene feestvreugde die altijd aanwezig was bij de feestelijkheid van het paasfeest.
De stad was vol van mensen die de dood van de Nazarener verlangden. Mijn boodschappers adviseerden mij om het volk voor ons te winnen. Het gevaar werd drukkend. Ik schreef aan de prefect van Syrië om mij honderd soldaten te voet en evenveel troepen te paard te sturen, maar dat wees hij af. Ik wist dat ik met een handjevol veteranen te zwak was om de opstand te onderdrukken en ik had geen andere keuze meer dan om hen te laten begaan. Ze brachten Jezus gevangen en het oproerige gepeupel, niets vrezend van het pretorium, geloofde met hun leiders dat ik hun eisen inwilligde terwijl ze maar riepen aldoor: "Kruisig, kruisig Hem!" Drie machtige partijen hadden zich verzworen tegen Jezus, ten eerste de Herodianen, dan de Sadduceeërs waar de opstandige houding voortkwam uit een dubbele achtergrond. Zij haatten de Nazarener en waren het juk van Rome beu. Zij konden mij niet vergeven dat ik in de heilige stad mijn intrede deed met banieren die het Romeinse blazoen droegen en ofschoon ik in deze zaak een fatale fout beging leek hen deze godslastering minder afschuwelijk. Een ander grief ontwikkelde zich in hun hart.
Ik stelde namelijk voor een deel van de tempelschat voor het algemene welzijn, oprichting van gebouwen te gebruiken. Met duistere gezichten werd mijn voorstel ontvangen. De derde partij, de Farizeeërs waren de ergste vijanden van Jezus. Zij verdroegen maar bitter de strenge aanklachten die Jezus reeds sedert drie jaren tegen hen uitte waar en wanneer Hij de gelegenheid had. Te zwak en te laf om zelf te handelen, namen ze afstand van de ruzies tussen de Herodianen en de Sadduceeërs. Naast deze drie partijen moest ik het opnemen tegen het gewetenloze, lage volk dat altijd bereid is om voordeel te halen uit de verwarring en wanorde van een opstand. Jezus werd voor de hogepriester gesleept en tot de dood veroordeeld. Toen gebeurde het dat de hogepriester Kaifas zijn onderdanigheid spottend ten toon stelde. Hij stuurde zijn gevangene naar mij om de veroordeling te bevestigen en de executie te bekomen. Ik antwoordde hem gezien Jezus een Galileer was, de zaak voor het gerecht van Herodes moest komen. Deze sluwe onderkruiper huichelde onderdanigheid voor en wenste bij voorkeur deze zaak over te laten aan de stadhouder van de keizer. Hij legde het lot van deze arme mens in mijn hand.
Weldra leek het paleis op een versterkte burcht. Ieder moment nam het aantal van opstandigen toe. Jeruzalem liep over van volk uit de bergen en van Nazareth. Gans Judea scheen in de stad te zijn. Ik had een vrouw geraadpleegd die beweerde dat ze in de toekomst kon zien. Wenend viel ze aan mijn voeten en riep: "Hoed u, zie toe dat ze deze Mens niet overleveren want deze is heilig!" Vorige nacht zag ik Hem in een droomvisioen. Hij wandelde op het water, Hij vloog op de vleugels van de wind, Hij sprak tot de onweders en de schuimende zee. Alles was Hem onderdanig en gehoorzaamde Hem. De bergstroom Gideon vloeide met bloed, de standbeelden van de keizer waren in duisternis gehuld zoals een Vestaalse maagd in de groeve. O, Pilatus, onheil zal over u komen indien u niet luistert naar de smeekbeden van uw vrouw. Dreig met de vloek van de Romeinse senaat en met het leger van de keizer. Terwijl de vrouw sprak, kraakte de marmeren trap onder het gewicht van de mensenmassa. De Nazarener werd naar mij teruggebracht. Ik ging, gevolgd door mijn garde naar de gerechtshal en vroeg met strenge toon aan het volk: "Wat verlangen jullie?" Antwoord: "De dood van de Nazarener!" "Voor welke misdaad?" "Hij heeft God gelasterd, Hij heeft de ondergang van de tempel geprofeteerd en noemt Zichzelf de Zoon van God, de Messias, de Koning der Joden!" Daarop antwoordde ik "Op deze beschuldiging straft het Romeinse recht niet met de doodstraf." Toch bleef het onverzoenlijke gepeupel maar roepen: "Kruisig Hem, kruisig Hem!" Het geschreeuw van deze van zinnen beroofde mensen deed het paleis schudden tot op zijn grondvesten. Er was daar slechts één die rustig bleef in de grote massa, en dat was de Nazarener.
Na verscheidene vruchteloze pogingen om Hem tegen de woede van de onbarmhartige vervolgers te beschermen, nam ik op dat ogenblik een maatregel die mij het enigste middel leek om Zijn leven te redden. Ik gaf het bevel om Hem te geselen, dan verlangde ik een waskom en waste mijn handen in de aanwezigheid van de massa. Daarmee heb ik mijn afkeuring getoond over deze daad. Helaas, tevergeefs! Het was naar Zijn leven dat deze ellendelingen dorstten. In onze burgerlijke zaken heb ik dikwijls de emotie van een menigte gezien, maar niets, ook totaal niets, kan met deze huidige beroering vergeleken worden. Er mag werkelijk gezegd worden dat bij deze gebeurtenis alle spoken uit de Hades in Jeruzalem verzameld waren. De massa leek niet te gaan, maar te zweven, te cirkelen zoals in een draaikolk, rollende, levende golven, vanaf het portaal van het pretorium tot de berg Sion roepend, schreeuwend, brullend, zoals nooit eerder gehoord, zelfs niet tijdens de opstanden in Panonia of Porum.
Rond het zesde uur werd het donkerder net zoals in de winter en bij de dood van de grote Julius Caesar. Het was eigenlijk zoals in de maand maart. Ik, de stadhouder van een opstandige provincie, leunde tegen een zuil in de grote hal angstig naar deze vreselijke duisternis kijkend. Deze duivelse barbaren hadden de onschuldige Nazarener naar de plaats van de terechtstelling gesleept. Alles rondom mij leek uitgestorven. Jeruzalem had zijn bewoners uitgespuwd door de poort die leidde naar Golgotha. Een sfeer van verlatenheid en verdriet omhulde mij. Mijn lijfwachten hadden zich aangesloten bij de troepen te paard en de andere soldaten met als doel een beetje macht te vertonen om de orde te bewaren. Ik was alleen en mijn gebroken hart vertelde mij dat wat op dit ogenblik gebeurde eerder behoorde tot de geschiedenis der goden dan die der mensen. Een luid geschreeuw werd vanop Golgotha gehoord, dat een doodstrijd aankondigde, gedragen door de wind en dat nooit eerder door sterfelijke oren was gehoord. Donkere wolken daalden neer over de hele stad en hulden alles in een zwarte sluier. Zo vreselijk waren de tekenen aan de hemel en op aarde dat de zienster (aropagitin) geroepen heeft: "Ofwel lijdt de Schepper van de natuur, ofwel valt het dal uit elkaar!" Tegen het elfde uur trok ik mijn mantel aan en ging de stad uit naar Golgotha. De menigte kwam naar huis, nog steeds opgewonden, bedrukt, zwijgzaam en vertwijfeld. Datgene waarvan ze getuigen zijn geweest heeft hen met angst en gewetenswroeging vervuld.
Ik zag ook mijn kleine groep Romeinse soldaten bedroefd voorbijtrekken. De standaarddrager had de adelaar bedekt als teken van rouw en ik hoorde enkele soldaten praten waaruit ik niet veel wijzer werd. Sommigen vertelden over wonderen. Groepen van mannen en vrouwen hielden halt en keken achterom naar Golgotha verwachtingsvol om nieuwe wonderen te zien. Ik keerde terug naar het pretorium, bedroefd en in mezelf gekeerd. Toen ik de trap opging, die nog bevlekt was van het bloed van de Nazarener, vond ik een oude man in gebukte houding en achter hem enkele wenende vrouwen. Hij wierp zich aan mijn voeten en weende bitter. Het doet mij pijn om een wenende, oude man te zien. "Vader," vroeg ik mild, "wie bent u, wat verlangt u?" "Ik ben Jozef van Arimathea," zei hij, "en ik ben gekomen om u op mijn knieën de toelating te vragen Jezus te begraven." "Uw smeekbede wordt ingewilligd," zei ik hem en ik gaf Maultius het bevel om enkele soldaten mee te nemen als hulp en ook om een ontwijding van het lichaam te vermijden.
Enkele dagen later werd de groeve leeg gevonden en Zijn leerlingen verkondigden in het hele land dat Jezus uit de doden was opgestaan zoals Hij het voorspeld had. Tenslotte was het mijn plicht om u in te lichten over deze beklagenswaardige gebeurtenissen. Ik schreef tijdens de nacht die volgde na de gebeurtenissen en beëindigde net het verslag tegen de ochtendschemering. Toen had ik de indruk alsof ik muziek van de godin der nacht hoorde (de Dianamars). Ik keek naar de Caesarpoort en zag een afdeling soldaten en hoorde in de verte de mars van Caesar. Het was de verlangde versterking, 2000 uitgelezen troepen, die, om hun aankomst te versnellen, heel de nacht onderweg geweest waren. Het was beslist door de goden, riep ik, in mijn handen wringend, dat deze grote ongerechtigheid moest gebeuren: dat de troepen die tot doel hadden die daad van gisteren te voorkomen eerst vandaag arriveren.
Gruwelijk noodlot, hoe speelt u soms met de dingen der sterfelijken! Het was ook waar, wat de Nazarener uitriep stervend op het kruis:
"HET IS VOLBRACHT!"
Pontius Pilatus.
HET ROZENHOEDJE VAN DE GODDELIJKE BARMHARTIGHEID, Uit het dagboek van de Heilige Faustina Kowalska S.M.D.M.
Uit het dagboek van de Heilige Faustina Kowalska S.M.D.M.
HET ROZENHOEDJE VAN DE GODDELIJKE BARMHARTIGHEID
Op elk van de 5 grote kralen bid U:
"EEUWIGE VADER , IK OFFER U OP HET LICHAAM EN HET BLOED, DE ZIEL EN DE GODDELIJKHEID VAN UW WELBEMINDE ZOON ONZE HEER JEZUS CHRISTUS, TOT VERGEVING VAN ONZE ZONDEN EN DE ZONDEN VAN GEHEEL DE WERELD."
Op de 50 kleine kralen bidt men:
"DOOR HET SMARTELIJK LIJDEN VAN UW ZOON, HEB MEDELIJDEN MET ONS EN MET GEHEEL DE WERELD."
Om te eindigen bidt men drie maal:
"HEILIGE GOD, ALMACHTIGE GOD, EEUWIGE GOD, HEB MEDELIJDEN MET ONS EN MET GEHEEL DE WERELD."
EERSTE DAG
Woorden van Onze Lieve Heer.
"Breng vandaag de GANSE MENSHEID bij Mij, IN HET BIJZONDER DE ZONDAARS en dompel hen in de oceaan van Mijn Barmhartigheid. Op deze wijze zult ge Mij troosten in het bittere verdriet dat veroorzaakt werd door het verlies van de zielen."
Laten wij bidden voor de zondaars.
Allerbarmachtigste Jezus, steeds geneigd tot erbarmen en vergiffenis, zie niet naar onze zonden maar naar het vertrouwen, dat wij stellen in Uw oneindige goedheid. Ontvang ons in de schuilplaats van Uw allerbarmhartigste hart en laat ons er nooit uit ontsnappen. Wij smeken dit van U, door Uw liefde voor de Vader en de Heilige Geest.
Onze Vader Wees Gegroet Glorie zij
O, Almacht van de goddelijke Barmhartigheid en
Zaligheid van zondige mensen.
U bent een zee van barmhartigheid en medelijden
U staat hen bij die nederig smeken.
Eeuwige Vader, keer Uw medelijdende blik naar het ganse mensdom en in het bijzonder naar de arme zondaars, die hun enige hoop stellen op het Allerbarmachtigste Hart van Uw Zoon Jezus Christus. Toon ons Uw Barmhartigheid omwille van Zijn bitter lijden, opdat we allen Uw Almacht mogen prijzen, in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Bid nu het Rozenhoedje op pagina 2.
TWEEDE DAG
Woorden van Onze Lieve Heer.
"Breng vandaag de zielen van DE PRIESTERS EN DE KLOOSTERLINGEN bij Mij. Dompel hen onder in Mijn ondoorgrondelijke Barmhartigheid. Zij schonken Mij de kracht om Mijn smartelijk lijden te dragen. Zij zijn de kanalen waardoor Mijn Barmhartigheid over het mensdom wordt uitstort."
Laten wij bidden voor de priesters en de kloosterlingen.
Zeer Barmachtige Jezus, bron van alle goed, schenk de priesters en kloosterlingen steeds talrijker genaden, opdat zij waardig en met vuur uw Barmhartigheid zouden uitdragen naar de mensen en opdat zij hen door
- woord en voorbeeld - zouden er toe brengen, de eer te bewijzen aan de Barmachtige Vader in de Hemel, die zij Hem verschuldigd zijn.
Onze Vader Wees Gegroet Glorie zij
De fontein van Gods liefde
Woont in zuivere harten,
Die gereinigd zijn in de zee van barmhartigheid,
Stralend als sterren en helder als de dageraad
Eeuwige Vader, zie met erbarmen neder op de uitverkorenen in Uw wijngaard: de priesters en de kloosterlingen, en schenk hen de volheid van uw Zegen. Laat U leiden door de gevoelens die het Hart van Uw Zoon bezielen. Geef hen licht en sterkte opdat zij hun broeders over de weg van de waarheid zouden leiden en samen met hen onophoudelijk uw grenzeloze Barmhartigheid zouden verheerlijken. Amen
Bid nu het Rozenhoedje op pagina 2.
DERDE DAG
Woorden van Onze Lieve Heer.
"Breng vandaag alle VROME EN TROUWE ZIELEN bij Mij en dompel hen onder in de oceaan van Mijn Barmhartigheid. Deze zielen hebben Mij moed ingesproken op de weg naar Calvarie. Zij waren de druppel troost in een oceaan van smart."
Laten wij bidden voor alle trouwe Christenen.
Zeer Barmachtige Jezus, die overvloedig de genaden uit de schatkamer van Uw barmhartigheid uitdeelt. Verleen aan alle trouwe Christenen toegang tot Uw Barmachtig hart en stoot hen nooit af. Zo smeken wij U, bij de wondervolle liefde die U de hemelse Vader toedraagt.
Onze Vader Wees Gegroet Glorie zij
De wonderen van barmhartigheid zijn ondoorgrondelijk.
Noch de zondaar noch de rechtvaardige zal ze peilen,
Wanneer U een medelijdend oog op ons slaat,
trekt U ons dichter tot Uw liefde.
Eeuwige Vader, zie met erbarmen neder op Uw getrouwen, de volgelingen van Uw Zoon. Door de verdiensten van Jezus' smartelijk lijden, schenk hun Uw Zegen en neem hen onophoudelijk onder Uw hoede, opdat zij de schat van de liefde en van het geloof nooit zouden verliezen. Mogen zij met de koren der Engelen en der Heiligen, eeuwigdurend Uw grenzeloze Barmhartigheid in de eindeloze eeuwigheid prijzen. Amen.
Bid nu het Rozenhoedje op pagina 2.
VIERDE DAG
Woorden van Onze Lieve Heer.
"Breng Mij vandaag hen die nog NIET IN MIJ GELOVEN EN DIE MIJ NOG NIET KENNEN. Tijdens Mijn bitter lijden was ik ook met hen begaan. Mijn Hart werd getroost door de liefde die zij in de toekomst voor Mij zouden opvatten. Dompel hen onder in de oceaan van Mijn Barmhartigheid."
Laten wij bidden voor de (heidenen en de) ongelovigen.
Zeer Barmachtige Jezus, U zijt het licht van de wereld. Verleen aan hen die nog niet in U geloven en U nog niet kennen, toegang tot Uw Barmachtig Hart. Laat de stralen van Uw genade hen verlichten, zodat zij samen met ons eeuwigdurend de wonderen van Uw Barmhartigheid bezingen.
Onze Vader Wees Gegroet Glorie zij
Moge het licht van Uw liefde,
de zielen die in duisternis zijn, verlichten.
Geef dat deze zielen U zullen kennen
en samen met ons Uw barmhartigheid zullen verhogen
Eeuwige Vader, zie met erbarmen neder op de zielen (der heidenen) en van al diegenen die U nog niet kennen. Ook om hen is het Allerbarmachtigste Hart van Uw Zoon Jezus Christus bekommerd. Mogen zij geraakt worden door het licht van het Evangelie, opdat zij zouden beseffen welk groot geluk het is om U te beminnen. Mogen ook zij door de eeuwen heen de heerlijkheid van Uw Barmhartigheid prijzen. Amen.
Bid nu het Rozenhoedje op pagina 2.
VIJFDE DAG
Woorden van Onze Lieve Heer.
"Breng Mij vandaag de zielen van de AFGESCHEIDEN BROEDERS EN ZUSTERS en dompel hen in de oceaan van Mijn Barmhartigheid. Tijdens Mijn bitter lijden hebben zij Mijn lichaam en Mijn Hart verscheurd. Dat is Mijn Kerk. Maar zodra zij zich met Mijn Kerk verzoenen, genezen Mijn wonden en verlichten zij Mijn lijden.
Laten wij bidden voor allen die dolen in het geloof.
Zeer barmachtige Jezus, U zijt de goedheid zelf, nooit weigert U het licht aan wie er om vraagt. Verleen toegang tot Uw barmachtig Hart aan de zielen van ketters en afvalligen , van allen die dolen in het geloof. Dat Uw licht hen terug tot de ene, ware Kerk brengt. Verstoot hen niet. Maar behoed hen en laat ook hen de edelmoedigheid van Uw Barmhartigheid ervaren.
Onze Vader Wees Gegroet Glorie zij
Eeuwige Vader, zie met erbarmen neer op de zielen van ketters en afvalligen, die volhardend in hun dwaling, uw gaven verspild en Uw genaden versmaad hebben. Wend Uw blikken af van hun boosheid en gedenk enkel het bitter lijden van Uw Zoon, die met zoveel aandrang tot U bad "opdat zij allen één mogen zijn, zoals Gij Vader, in Mij en Ik in U." (Johannes 17,21). Mogen zij zonder dralen tot die eenheid terugkeren en samen met ons Uw barmhartigheid prijzen door alle eeuwen heen. Amen.
Bid nu het Rozenhoedje op pagina 2.
ZESDE DAG
Woorden van Onze Lieve Heer.
"Breng Mij vandaag de NEDERIGE EN DE ZACHTZINNIGE ZIELEN EN OOK DE KINDERZIELEN. Dompel hen onder in de oceaan van Mijn Barmhartigheid. Zij gelijken het meest op Mijn Hart, zij sterken Mij in Mijn bittere doodstrijd. Ik zag hen toen, als aardse engelen over Mijn altaren waken. Daarom stort Ik over hen overvloedig genaden uit, want alleen de nederige zielen, in wie Ik Mijn betrouwen stel, kunnen ten volle Mijn gaven ontvangen."
Laten we bidden voor de kinderen en de nederigen van hart.
Zeer Barmachtige Jezus, U hebt gezegd: "leert van Mij dat ik zacht en nederig van hart ben" (Matth. 11,29). Verleen toegang tot Uw Barmachtig Hart aan de nederige en zachtzinnige zielen en ook aan de kinderzielen. Zij zullen met geweld de hemel inpalmen. De Hemelse Vader heeft hen op een heel bijzondere wijze lief. Zij zijn als een geurige bloementuil voor Gods troon, en de zoete geur van hun deugden is aangenaam aan God. Mogen zij steeds even dicht bij Uw Hart verblijven en onophoudelijk het hooglied van Gods liefde en Barmhartigheid zingen.
Onze Vader Wees Gegroet Glorie zij
Eeuwige Vader, zie met erbarmen neer op de nederige en zachtzinnige zielen en ook op de kinderzielen, die bijzonder dierbaar zijn aan het Hart van Uw Zoon. Door hun aard zelf zijn zij zo gelijkend aan Jezus dat hun voorspraak bij God, "de Vader van alle troost", onzeglijk machtig is. Dus smeken wij U, goede en barmachtige Vader, uit liefde tot deze zielen in wie U al Uw welbehagen stelt, dat U heel de wereld zou zegenen, opdat allen eeuwig Uw barmhartigheid zouden prijzen. Amen.
Bid nu het Rozenhoedje op pagina 2.
ZEVENDE DAG
Woorden van Onze Lieve Heer.
"Breng Mij vandaag de zielen die MIJN BARMHARTIGHEID BIJZONDER VEREREN EN VERHEERLIJKEN. Deze zielen waren het meest bedroefd over Mijn lijden en zijn het diepst doorgedrongen in Mijn geest. Zij zijn de afstraling van Mijn Barmachtig Hart. In het hiernamaals zullen deze zielen schitteren van glans en geen enkele zal verloren gaan. Ik zal hen beschermen in het uur van de dood."
Laten wij bidden voor diegenen die de Goddelijke Barmhartigheid loven en de godsvrucht ervan verspreiden. Zeer Barmachtige Jezus, Uw Hart is Liefde. Verleen toegang tot Uw Barmachtig Hart aan allen die Uw grenzeloze Barmhartigheid op bijzonder wijze loven en verkondigen. Gesterkt door de kracht van God zelf, steeds vertrouwend op Uw oneindige Barmhartigheid en in alles onderworpen aan Gods Heilige Wil, dragen zij op hun schouders de last van heel het mensdom en smeken onophoudelijk de Hemelse Vader dat Hij de mensen vergiffenis en genaden zou schenken. Laat toe dat deze zielen in hun ijver mogen volharden en wanneer het uur van de dood zal slaan, sta niet voor hen als Rechter, maar als hun Barmachtige Redder.
Onze Vader Wees Gegroet Glorie zij
Eeuwige Vader, zie met erbarmen neer op de zielen die vooral Uw bijzonderste eigenschap eren en loven, namelijk Uw grenzeloze Barmhartigheid. Deze staan het dichtst bij het Hart van Uw Zoon. Zij zijn de levende getuigenis van het Evangelie. Hun handen zijn gevuld met werken van Barmhartigheid. Hun ziel stralen van geluk, zingt het hooglied van Uw glorie. Wij bidden U, goedertierende God, betuig hen barmhartigheid in de mate dat zij op U betrouwen en hopen. Zo zal de belofte van de Zaligmaker worden vervuld, dat al diegene die het mysterie van Uw Barmhartigheid huldigen en verkondigen, door Hem zullen beschermd worden gedurende het leven en in het uur van de dood. Amen.
Bid nu het Rozenhoedje op pagina 2.
ACHTSTE DAG
Woorden van Onze Lieve Heer.
"Breng vandaag de zielen die IN HET VAGEVUUR OPGEHOUDEN WORDEN bij mij en dompel hen onder in de afgrond van Mijn Barmhartigheid, opdat hun lijden zou gelenigd worden door de stroom van Mijn Bloed. Ook deze zielen, die aan de Goddelijke Gerechtigheid voldoen, heb Ik bovenmatig lief. Het ligt in Mijn macht hun lijden te verzachten, de Kerk biedt u daartoe een schat van aflaten en boetedoeningen. O, indien u wist welke kwellingen zij ondergaan, dan zoudt ge voortdurend geestelijke aalmoezen voor hen willen opdragen en hun schuld aan Mijn rechtvaardigheid willen afbetalen.
Laten wij bidden voor de zielen in het vagevuur.
Zeer Barmachtige Jezus, U hebt gezegd: "Weest barmhartig zoals uw Vader barmhartig is." (Lukas 6,36) Wij smeken U, verleen toegang tot Uw Barmachtig hart, aan de zielen uit het vagevuur, die U dierbaar zijn en die thans aan Gods Gerechtigheid voldoen. Moge het Water en het Bloed die uit Uw zijde vloeiden de vlammen van het vagevuur doven, opdat ook daar de volheid van Uw Barmhartigheid wordt geopenbaard.
Onze Vader Wees Gegroet Glorie zij
Eeuwige Vader, zie met erbarmen neder op de zielen die lijden in het vagevuur. Door de verdiensten van Jezus' bitter lijden en omwille van de droefheid die Zijn Goddelijk Hart toen vervulde, heb medelijden met hen die thans de straffen van Uw Gerechtigheid ondergaan.
Wij weten dat Uw Goedheid en Uw Barmhartigheid grenzeloos zijn, daarom smeken wij U: "wees de wonden van Uw welbeminde Zoon indachtig wanneer U Uw blikken naar deze zielen keert." Amen.
Bid nu het Rozenhoedje op pagina 2.
NEGENDE DAG
Woorden van Onze Lieve Heer.
"Breng Mij vandaag de zielen die lauw zijn geworden en dompel ze onder in de peilloze diepte van Mijn Barmhartigheid. Deze zielen brachten Mijn Hart de pijnlijkste wonden toe. Zij waren het, die Mij in de Hof van Olijven de grootste afkeer inboezemden en Mij deden uitroepen: "Vader neem deze kelk van Mij weg!" Dat betekent echter dat er uiteindelijk slechts redding is voor hen, indien Uw wil geschiedt en niet de Mijne. (Lukas 22,42) Voor hen is hun laatste hoop dat zij zich op Mijn Barmhartigheid beroepen."
Laten wij bidden voor de lauwe zielen.
Zeer barmachtige Jezus, U zijt de goedheid zelf, verleen toegang tot Uw Hart aan de lauwe zielen, maar verwarm hen aan het vuur van Uw zuivere Liefde. Goedertierende Jezus, wend Uw Almachtige Barmhartigheid aan om ook deze zielen tot U te trekken. En mogen zij aan de haard zelf van Uw liefde, in nieuwe ijver ontsteken en U steeds ten dienste staan.
Onze Vader Wees Gegroet Glorie zij
Eeuwige vader, zie met erbarmen neder op de lauwe zielen, want ook zij zijn dierbaar aan het Hart van Jezus Uw Zoon. God van Barmhartigheid en vertroosting (2 Korinthiers 1,3), wij smeken U door de verdienste van Jezus' bitter lijden en van Zijn urenlange doodsstrijd op het kruis, dat ook de lauwe zielen in liefde ontsteken en steeds Uw Barmhartigheid prijzen in alle eeuwen. Amen
GEBED TOT DE BARMHARTIGE JEZUS
O Jezus, vriend van mijn hart, U bent mijn haven, mijn vrede, mijn redding, mijn kalmte in ogenblik¬ken van strijd en temidden van een oceaan van twij¬fels, U bent de heldere straal die mijn levenspad verlicht, U bent alles voor een eenzame ziel. U be¬grijpt de ziel ook als ze stil blijft. U kent onze zwak¬heid en, als een goede geneesheer, troost en geneest U ons en bespaart ons pijn omdat U ons zo goed kent. Amen.
TOEWIJDING AAN DE BARMHARTIGE JEZUS
Allerbarmhartigste Verlosser, ik wijd mij volledig en voor altijd aan U toe. Maak van mij een gewillig instrument van uw Barmhartigheid. O Bloed en Water, die uit het Hart van Jezus stroomden als Bron van Barmhartigheid voor ons, ik vertrouw op U.
Op 28 januari 1938 zegt Jezus tot de heilige Faustina:
«Meisje, spoor de zielen aan het rozenhoedje (pagina 2) te bidden zoals Ik het heb aangegeven. Het behaagt Mij hen alles te geven wat ze Mij zullen vragen door dit gebed. Als de verstokte zondaars het rozenhoedje bidden, zullen ze de vrede voor de ziel vinden en het uur van hun dood zal zacht wezen. Schrijf dat, wanneer men dit rozenhoedje bidt bij een stervende, Ik mij, zoals de Barmhartige Verlosser, zal stellen tussen de Vader en de ziel van de stervende ».
DE DROEFHEID VAN CHRISTUS TOT AAN ZIJN GEVANGENNEMING.
DE DROEFHEID VAN CHRISTUS TOT AAN ZIJN GEVANGENNEMING.
Conferentie door Dr. Luc Kiebooms.
GEBED OM TROOST
O, Heer, schenk mij de genade om in al mijn angst en doodsnood,
mijn toevlucht te nemen tot die angst en doodsnood die Gij, mijn goede Verlosser,
in de Hof van Olijven hebt gehad voordat Uw zo bittere lijden begon; en om, uit het overwegen daarvan, geestelijke kracht te putten en troost die heilzaam is voor mijn ziel.
Thomas More:
OVER DE DROEFHEID, DE MOEHEID, DE ANGST EN HET GEBED VAN CHRISTUS, VOORDAT HIJ GEVANGEN GENOMEN WERD.
De laatste geschriften van Thomas More, eenzaam in de Tower van Londen opgesloten in afwachting van zijn schertsproces, ter dood veroordeling en onthoofding. Hij had geen Bijbel meer en citeert dus uit het hoofd de teksten die hij bespreekt, vandaar dat er onnauwkeurigheden zijn in de aanhalingen.
Deze teksten zijn geschreven in het aanschijn van de dood, vandaar dat hij meevoelt hoe Jezus in de Olijfhof, Getsemani, Zich gevoeld heeft.
Gebed en onthechting. De gewoonte om te bidden.
Toen Jezus dit gezegd had en de lofzang was gezongen, gingen zij naar de Olijfberg. [Mat. 26,30; Marc. 14,26; Luc. 22,39; Joh. 28,1]
Toen Christus wilde heengaan, sloot Hij de talrijke vrome gesprekken die Hij, onder de maaltijd, met Zijn apostelen gevoerd had, met een lofzang af. Wat een verschil tussen ons en Christus, wiens Naam wij dragen! Wij zeggen aan tafel niet alleen nutteloze en overtollige woorden (waarover wij, naar Christus' vermaning, eens ook rekenschap moeten geven) maar wij voeren er dikwijls zelfs verderfelijke gesprekken. En tenslotte gaan we dan onverschillig en ondankbaar weg, "van spijs en drank vervuld", zonder God, de milde Gever van onze maaltijden, te bedanken.
Zes psalmen:
Burgensis, een wijs en vroom man (bisschop Paulus van Burgos ) en uitstekend theoloog, veronderstelt op goede gronden dat de hymne die Christus toen met zijn apostelen zong, uit de zes psalmen bestond die tezamen door de Hebreeën het 'Grote Alleluja' worden genoemd, namelijk: psalm 112 met de vijf daaropvolgende psalmen.
Halleluja. Psalm 113
Jullie, dienaren van de HEER, prijs de naam* van de HEER. Geprezen is de naam van de HEER van nu tot in eeuwigheid,
vanaf het rijzen* van de zon tot aan haar dalen* moet de naam van de HEER geprezen zijn.
De HEER staat hoog boven alle volken zelfs boven de hemel staat zijn glorie.
Wie is als de Heer, onze God? Hij troont in de hemel daar boven,
Hij zorgt voor de aarde beneden. Wie is als Hij in hemel en op aarde?
Hij tilt de arme uit het stof, Hij trekt hem omhoog uit het vuil
en geeft hem een troon bij mensen van aanzien, mensen van aanzien uit zijn volk.
Zelfs wie gehuwd en onvruchtbaar is zet Hij hoog op een troon
als een gelukkige moeder van kinderen.
Psalm 115: Maar Israël vertrouwt op de HEER, Hij is hun helper en schild;
wees gezegend door de HEER, Hij heeft hemel en aarde gemaakt.
De hemel is de hemel van de HEER; aan de mensen schonk Hij de aarde.
Niet de doden prijzen de HEER, niet zij die afgedaald zijn tot de stilte*, maar wij, wij zingen de lof van de HEER van nu tot in eeuwigheid.
[1]
De HEER heb ik lief, hij hoort mijn stem, mijn smeken,
[2]
hij luistert naar mij, ik roep hem aan, mijn leven lang.
[3]
Banden van de dood omknelden mij, angsten van het dodenrijk grepen mij aan, ik voelde angst en pijn.
[4]
Toen riep ik de naam van de HEER: HEER, red toch mijn leven!
[5]
De HEER is genadig en rechtvaardig, onze God is een God van ontferming,
[6]
de HEER beschermt de eenvoudigen, machteloos was ik en hij heeft mij bevrijd.
7]
Kom weer tot rust, mijn ziel, de HEER ben je te hulp gekomen.
[8]
Ja, U hebt mijn leven ontrukt aan de dood, mijn ogen gedroogd van tranen, mijn voeten voor struikelen behoed.
[16]
Ach, HEER, ik ben uw dienaar,
uw dienaar ben ik, de zoon van uw dienares:
U hebt mijn boeien verbroken.
De Hebreeën hadden immers van oudsher de gewoonte om deze zes psalmen, onder de naam van 'Groot Alleluja' op Pasen en op enkele andere bijzondere feestdagen als dankgebeden te bidden. Diezelfde hymne bidden zij zelfs nu nog op die feesten. Maar bij ons is dat allemaal in onbruik geraakt. Vroeger kozen wij altijd, zowel bij de dankzegging als bij de zegening van de spijzen, naar gelang van de tijd, telkens andere hymnen, ieder naar eigen voorkeur. Maar tegenwoordig gaan wij met drie slordig en binnensmonds gemompelde woorden van tafel.
Zij gingen naar de Olijfberg. [Mat. 26,30]
Niet naar bed. De profeet zegt: "Te middernacht stond ik op om U te loven. (Ps. 119) (118,62.) Midden in de nacht sta ik op om U [voor uw rechtvaardige voorschriften] te danken. Maar Christus ging zelfs niet eens naar bed. Konden wij maar oprecht zeggen: "Ik dacht aan U op mijn legerstede:" (Ps. 63 (62)7. Nog op mijn legerstede moet ik aan U denken. (En in mijn nachtwaken over U peinzen.) Het was nog geen zomer toen Jezus, na het avondmaal, naar de berg ging. Trouwens, de lente was nog maar net begonnen en dat het koud was, blijkt wel uit het feit dat de gerechtsdienaars zich warmden aan een open vuur in de voorhof van de hogepriester. [Joh. 18,18]. Dat Christus dit toen niet voor de eerste keer deed, getuigt de evangelist duidelijk door te zeggen: "Naar gewoonte [Luc. 22,39] besteeg Hij de berg om er te bidden." Hierdoor geeft Hij te kennen dat wij onze geest uit het menselijk gedoe naar de beschouwing van het hemelse moeten verheffen, wanneer wij willen gaan bidden.
De Olijfberg, beplant met olijfbomen, is niet zonder mysterie. Liturgisch immers was de olijftak het symbool van de vrede, die Christus was komen stichten tussen God en de van Hem reeds lang gescheiden mens. Bovendien betekent de olie, de vrucht van de olijf, de zalving van de Heilige Geest die Christus over Zijn leerlingen zou doen neerdalen zodra Hij tot Zijn Vader was teruggekeerd. Zo zou die zalving hen korte tijd later datgene leren, wat zij nog niet hadden kunnen dragen, als het hun vroeger was geopenbaard [Joh 16,12-24].
Over de Cedronbeek naar een landgoed genaamd Getsemani. [Joh 18, 1; Mc 14, 32]
De stortbeek Cedron ligt tussen de stad Jeruzalem en de Olijfberg. Het woord 'Cedron' betekent 'droefheid'. De naam 'Getsemani' betekent in het Hebreeuws 'het zeer vette dal' of 'het dal der olijven'.
Het is dus niet toevallig dat de evangelisten de namen van die plaatsen zo zorgvuldig noemden. Ze zouden het zeker voldoende hebben gevonden eenvoudig te vertellen dat Hij naar de Olijfberg ging, als God niet sommige mysteries onder die plaatsnamen verborgen had.
Want, als Cedron 'droefheid' betekent én bovendien 'donkerheid', dan is dat woord niet alleen de naam van de stortbeek die de evangelisten vermelden, maar dan duidt het ook het dal aan waardoor de stortbeek stroomt en dat gelegen is tussen de stad en het landgoed Getsemani [1Kor. 14,13 en 2Kor. 23,4]. Deze namen herinneren ons eraan (tenzij de slaap ons het nadenken belet) dat wij, zolang wij in dit lichaam wonen, zoals de apostel Paulus zegt, van God gescheiden ronddolen [2Kor. 5,6]. Wij moeten eerst dwars door het dal en door de stortbeek van de Cedron heen, een dal van tranen en een stortbeek van droefheid die, ons omspoelend, de donkerte en de vlekken van onze zonden kan afwissen. Slechts langs die weg kunnen wij de vruchtbare berg en het aangename landgoed Getsemani bereiken, een landgoed dat er goed onderhouden en mooi uitziet en dat rijkelijk is voorzien van allerlei genoegens.
Maar als wij het lijden en het verdriet beu worden en ten onrechte proberen de wereld, deze plaats van zorgen en lasten, voor ons tot rustoord, tot pretpark en tot hemel om te scheppen en ons daardoor voor eeuwig van het ware geluk dreigen uit te sluiten, dan worden we, als het te laat is, in vruchteloze schaamte en ondraaglijke, oneindige ellende gedompeld. Zo bevatten die toepasselijke plaatsnamen voor ons dus een heilzame les.
Maar de woorden van de Heilige Boeken zijn niet tot één betekenis beperkt, want er liggen meer mysteries in verborgen. Deze plaatsnamen stemmen ook zo prachtig overeen met het verhaal van Christus' lijden. Het is alsof de eeuwige Voorzienigheid van God er destijds voor heeft gezorgd dat bepaalde plaatsen met dié namen genoemd werden, die enkele eeuwen later, tijdens Christus' leven, zouden blijken voorbeschikte getuigen te zijn van zijn aller-bitterste lijden. Want, als Cedron 'verdonkerd' betekent, roept deze benaming dan niet het profetenwoord op dat gesproken werd over Christus, die naar Zijn verheerlijking opgaat na een onterende doodstraf te hebben ondergaan, misvormd door kneuzingen, spuwsel en vuil? Hij heeft noch voorkomen noch schoonheid."(Jesaja 52,3 ev.). En dat de stortvloed die Hij doorwaadde, niet zonder zin 'droevig' betekent, getuigde Hijzelf, toen Hij sprak:
"Mijn ziel is dodelijk bedroefd." [Mat. 26,38].
"En zijn leerlingen volgden Hem." [Luc 22,39].
De elf namelijk, die gebleven waren, volgden Hem. Maar de twaalfde at zich, bij het eten van het stuk brood, de Satan en werd door hem naar buiten gevoerd. En hij die zijn Meester niet volgde als leerling, vervolgde Hem als verrader. Het woord van Christus werd op hem wel zéér toepasselijk: "Wie niet vóór Mij is, is tegen Mij." [Mat. 12,30]. Hij was immers tegen Christus, Die hij het ergst belaagde op het ogenblik, dat de overige leerlingen hun Meester volgden om samen met Hem te bidden.
Laten wij Christus volgen en tot de Vader bidden, samen met Hem. Laten wij niet Judas navolgen door van Christus weg te gaan - overstelpt met Zijn weldaden en nadat wij samen met Hem een overvloedige maaltijd hebben genuttigd - opdat niet aan ons het profetenwoord vervuld wordt: "Als gij de dief ziet, loopt gij hem na en gij heult met de hoeren." [Ps. 50,18].
Ook Judas, die Hem verraadde, kende de plaats, omdat Jezus daar dikwijls met Zijn leerlingen was samengekomen. [Joh 18,2-4]
Bij het noemen van de verrader, prenten de evangelisten ons nogmaals in en bevelen ons ook aan: de heilzame gewoonte van Christus om samen met zijn leerlingen naar die bepaalde plaats te gaan om er te bidden. Want als Hij alleen maar 'soms' en niet 'dikwijls' daar 's nachts met hen samenkwam, dan zou de verrader er niet zo stellig van overtuigd zijn geweest, dat hij de Heer daar vond, zodat hij de knechten van de hogepriester en het Romeinse cohort erheen durfde te leiden als naar een voorbereide zaak. Als zij namelijk de indruk hadden gekregen dat de overval niet was voorbereid, zouden zij gedacht hebben dat hij hen voor de gek hield en ze zouden hem niet straffeloos hebben laten weggaan.
Onze Redder, Christus, had tot gewoonte hele nachten wakend in gebed door te brengen! ... Onze luiheid laat niet toe dat wij het schitterende voorbeeld van onze Redder volgen. Maar wij zouden ons tenminste Christus' nachtwaken voor de geest kunnen roepen, wanneer we ons in ons bed op onze andere zij draaien om meteen weer in te slapen. Al wilden wij Hem maar even, tot de slaap terugkomt, bedanken, onze luiheid overwinnen en om méér genade bidden. Echt, als we ons alleen al déze gewoonte eigen wilden maken, zou God ons, naar mijn vaste overtuiging, spoedig een grote vermeerdering van deugd schenken [Mat. 13,23].
Ook Christus kende angst.
En Hij sprak: "Blijft hier zitten terwijl Ik ginds ga bidden, maar Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee. Hij begon bedroefd en angstig te worden. Toen sprak Hij tot hen: 'Mijn ziel is dodelijk bedroefd. Blijft hier en waakt met Mij.'" [Mat. 26,36-38].
De acht overigen gaf Hij opdracht wat achter te blijven. Maar Petrus, Johannes en diens broer Jakobus nam Hij verder met zich mee, zoals Hij hen al vaker boven de andere apostelen had gesteld. Bovendien had Hij deze drie vroeger al tot de kennis en de aanschouwing van Zijn verheerlijkte Lichaam toegelaten [Mat. 17,1-9]. Het was redelijk dat Hij hen, die Hij naar zo'n groots schouwspel had meegenomen en die Hij door de tijdelijke afstraling van de eeuwige klaarheid had versterkt, dat Hij vooral hen, die dus sterker behoorden te zijn dan de anderen, als naaste wachters bij zich opstelde in de strijd die Zijn lijden vooraf zou gaan. En een eind verder gegaan, voelde Hij plotseling de droefheid en de angst zó scherp en zó bitter in zich opwellen dat Hij die angstkreet, teken van zijn bedrukt gemoed, slaakte: "Mijn ziel is tot stervens toe bedroefd [Mat. 26,38].
Want een onmetelijke smartenlast drukt op het tengere, tedere lichaam van onze Allerheiligste Verlosser. Hij voelt hoe ze ieder uur dreigend dichterbij komen, al zijn ze er nu nog niet: de laaghartige verrader, de boze vijanden, de boeien, de beledigingen, de godslasteringen, de geselslagen, de doornen, de nagels, het kruis en de wrede, urenlang gerekte doodstraf. Bovendien benauwde Hem de angst van Zijn apostelen, het ten onder gaan van de Joden, ja, ook de ondergang van de trouweloze verrader zelf, en tenslotte de onuitsprekelijke smart van Zijn geliefde moeder. Deze orkaan van alle onheil stortte zich op Zijn Allerheiligst Hart en overstroomde het, als een oceaan die zijn dijken doorbrak.
Misschien vraagt men zich verwonderd af, hoe het mogelijk was dat Christus, onze Verlosser, aangezien Hij toch werkelijk God was, de gelijke van de Almachtige Vader, bedroefd kón worden, kón treuren en neerslachtig kón zijn. Dat zou Hij beslist niet gekund hebben, als Hij alleen de goddelijke natuur had en niet tevens de menselijke natuur. Daar Hij echter even waarachtig mens als God was, was het, denk ik, evenmin verwonderlijk dat Hij als mens de algemeen bekende gemoedstoestanden van de mensen bezat, althans die welke onschuldig zijn, als dat Hij grootse wonderen verrichtte omdat Hij God was.
Wanneer het ons immers zou verwonderen dat Christus, hoewel Hij God was, bang werd en dat Hij moe en bedroefd was, dan zouden wij ook verbaasd moeten staan als Hij honger of dorst had of sliep. Want toen Hij dat alles deed, was Hij niettemin: God. Maar u zult misschien opwerpen: ik wil me er niet langer over verwonderen dat Hij het kón doen, maar ik kan niet nalaten verwonderd te zijn dat Hij het wilde doen. Want hoe valt het te rijmen dat Hij, die aan Zijn apostelen leerde niet bang te zijn voor wie alleen maar het lichaam kunnen doden [Mat. 10,28], nu juist die mensen begint te vrezen? En dat, terwijl ze bovendien tegen Zijn lichaam niets kunnen doen, tenzij Hij het zou toelaten?
Aangezien het bovendien vaststaat dat Zijn martelaren zich met blijdschap naar de dood haastten, lijkt het dan niet merkwaardig dat Christus zelf, Die toch de voorman en de leider van alle martelaren is, bij de dreigende marteling bang werd en zo bedroefd en geschokt? Moest Hij, die alles al dééd voor Hij het leerde [Hand. 1,2], vooral in deze kwestie, hen niet door Zijn voorbeeld voorgaan, zodat de anderen van Hem zouden leren omwille van de waarheid, opgewekt de dood in gaan? Zouden anders niet zij die later aarzelend en bevend de dood voor het geloof zouden sterven, denken dat hun kleinmoedigheid gerechtvaardigd is, omdat ze immers Christus, hun stichter, navolgden?
Wie dergelijke bezwaren opperen, houden niet alle aspecten van deze kwestie in het oog en ook schenken zij niet voldoende aandacht aan de raadgeving, waarmee Christus de zijnen aanspoorde de dood niet te vrezen. Hij verlangde immers niet dat zij helemaal geen angst voor de dood zouden hebben, maar wel: dat ze niet zó zouden schrikken en vluchten voor de tijdelijke dood dat ze door hun geloof te verliezen, de eeuwige dood op zich zouden laden. Want Hij wilde wél dat zijn strijders dapper en voorzichtig zouden zijn, maar niet dom en roekeloos. De dappere doorstaat de smart, de domme ondergaat ze, onbewust. De roekeloze kent geen vrees voor verwondingen, de wijze echter is door geen foltering van zijn heilig doel af te schrikken; hij weet dat hij, door de zachtere foltering van de hand te wijzen, zichzelf in veel bitterder smarten zou storten Onze Redder Christus spoort ons aan, liever de dood te verdragen, als die toch niet vermeden kan worden, dan uit angst van Hem afvallig te worden [Mat. 10,22] (we worden van Hem afvallig wanneer wij, door onze blik te richten op de wereld, onze trouw aan Hem verloochenen). Maar toch is er geen sprake van dat Hij ons opdraagt de natuur zodanig te verwringen, dat wij helemaal geen angst voor de dood meer hebben. Hij laat ons namelijk vrij om de marteling te ontvluchten, als dit kan zonder de goede zaak schade te berokkenen. "Als ze u in de ene stad vervolgen," zegt Hij, "vlucht dan naar een andere." [Mat. 10,23]. Als gevolg van deze milde raad van de voorzichtige Meester, heeft menig apostel en, in latere eeuwen, menig roemrijk martelaar zich vaak het leven gered. Pas op het ogenblik dat Gods ondoorgrondelijke Voorzienigheid het het beste achtte, offerden zij Hem hun leven, samen met de talrijke vruchten die zijzelf en anderen hadden geoogst.
Vertrouwen op Gods Wijsheid.
Wanneer degenen die God voor het martelaarschap roept, er zonder aarzelen heengaan en blijven gaan: zij zullen heersen. Hij houdt tijden, invloeden en oorzaken van de dingen goed verborgen en als het zover is, haalt Hij alles te voorschijn uit de geheime kast van Zijn Wijsheid, Die alles krachtig doordringt en alles heerlijk schikt [Wijsh. 8,1]. Wie dus voor de keuze geplaatst wordt: de doodstraf te doorstaan ofwel God te verloochenen, moet er niet aan twijfelen dat hij door de wil van God in deze moeilijkheden werd gebracht. Hij heeft dus redenen te over om goede hoop te koesteren. Want, óf God zal hem weer uit die toestand bevrijden, óf Hij zal hem in zijn strijd bijstaan en hem doen zegevieren om hem als overwinnaar te kunnen bekransen.
God is immers trouw. Hij zal niet dulden (zegt de apostel Paulus) dat gij boven uw krachten bekoord wordt [1 Kor. 10,13] maar met de bekoring zal Hij ook de kracht geven om ze te kunnen doorstaan. Als er dus gestreden wordt, als er tegen de duivel, de meester van deze wereld, en zijn wrede handlangers in een gevecht van man tegen man gestreden moet worden en als dan, zonder "Zijn zaak" te onteren, wijken niet meer mogelijk is, dan zou ik denken dat de angst moet worden afgeschud en ik zou die persoon aansporen volledig, in hoop en vertrouwen, te berusten. "Want" zegt de Heilige Schrift "hij die niet vaststaat in trouw, hem zal kracht ontbreken op de dag van nood." [Spr. 24,10].
Angst vóór het treffen is niet verkeerd, als men er maar tegen blijft vechten. Deze strijd is geen misdaad en ook geen vergrijp, maar wel een zeer rijke bron van verdiensten. Denkt u soms dat die heilige martelaren, omdat zij hun bloed voor het geloof vergoten, nooit bang geweest zijn voor dood en terechtstelling? Ik zal hier al hun namen niet opsommen. Voor mij is Paulus er één geweest, die er duizend waard was. Meer nog, want als David voor tienduizend telde in de strijd tegen de Filistijnen, dan mag Paulus zonder twijfel voor tienduizend gerekend worden in de strijd voor het geloof tegen de ongelovige vervolgers. Paulus dus, de sterkste van de strijders, die door de hoop op en de liefde tot Christus zó in vervoering gebracht was, dat hij niet twijfelde aan de hemelse beloning, die zei: "De goede strijd heb ik gestreden, de wedloop heb ik volbracht, het geloof heb ik bewaard, voor het overige is voor mij de krans der gerechtigheid weggelegd." [2 Tim 4,7-8]. Door het verlangen hiernaar werd hij zodanig ontvlamd dat hij zei: "Leven is voor mij Christus, en sterven is winst." [Fil 1,21] en "Ik verlang ernaar ontbonden te worden en met Christus te zijn." [Fil 1,23]. Diezelfde Paulus zorgde ervoor, op kundige wijze trouwens, dat hij door tussenkomst van de hoofdman "uit de hinderlagen van de Joden werd bevrijd, en hij redde zichzelf uit de kerker door te zeggen, dat hij een Romeins burger" was. En nogmaals ontsnapte hij aan "de wreedheid van de Joden, door een beroep te doen op Caesar", en hij ontvluchtte de heiligschennende handen van koning Aretas "in een mand die langs de muur naar beneden werd gelaten." Hijzelf verklaarde immers dat zijn heldhaftig apostelhart angst kende, toen hij hierover aan de Korintiërs schreef: "Toen we in Macedonië aankwamen, had ons vlees rust noch duur, maar allerlei ellendes hebben wij geleden: strijd van buiten, vrees van binnen." [2 Kor. 7,5]. En op een andere plaats schrijft hij nog: "Ik was in uw midden in zwakheid, vrees en grote angst." [l Kor. 2,3]. En ook: "Want, broeders, wij willen u niet onkundig laten omtrent de wederwaardigheden, die ons in Azië overkwamen; hoe zwaar wij het te verduren hadden boven onze krachten, zodat we als het ware moe werden te leven." [2 Kor. 1,8].
Christus leed voor ons.
De angst voor dood en folteringen is dus niet verkeerd, maar eerder een leed, en Christus is gekomen om ook dit leed te dragen, niet om het te ontvluchten. De angst voor, ja de afschuw van folteringen, is dan ook niet zomaar als laf te beoordelen, dus ook niet waar het toegestaan is voorzichtig de gevaren te vermijden. Van de andere kant is vluchten uit angst voor pijn en dood, op het ogenblik dat er gestreden moet worden of zich, na alle hoop op zege te hebben laten varen, aan de vijand overgeven, een zeer groot kwaad tegen de krijgstucht. Daarentegen hoeft de soldaat, hoezeer hij ook door angst wordt gekweld, als hij niettemin, omdat de aanvoerder het beveelt, vooruittrekt, oprukt, vecht en de vijand verslaat, niet bang te zijn dat zijn angst zijn beloning ook maar enigszins zal verminderen. Integendeel, hij moet dan nog zoveel te meer geprezen worden, omdat hij tezelfdertijd de vijand overwon en tegelijkertijd zijn eigen angst, die soms moeilijker te overwinnen is dan de vijand zelf.
Kort daarna is uit de feiten gebleken hoe droefheid, angst en afkeer onze Redder, Christus, niet weerhouden hebben het bevel van Zijn Vader te gehoorzamen en dapper alles te doorstaan wat Hij, terecht en wijselijk, vroeger had ontweken. Maar intussen was er meer dan één reden waarom Hij vreesachtig, bedroefd, afkerig en neerslachtig wilde zijn [Jes. 53,12]. Wilde, zeg ik, en niet: "Hij zou gedwongen geweest zijn." [Joh 10,18], want wie zou God kunnen dwingen? Ja, dank zij Zijn eigen wonderbaar beleid is het gebeurd, dat Zijn goddelijkheid gaandeweg zodanig haar invloed op Zijn mensheid verminderde dat Hij die aandoeningen van menselijke broosheid in zulke hevige mate kon toelaten en ondergaan (verwijzing naar Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?). De bewonderenswaardige goedheid van Christus heeft dit, zoals ik al zei, om verschillende redenen gewild.
Allereerst om de taak te volbrengen waarvoor Hij op aarde was gekomen: Hij kwam immers om voor de Waarheid getuigenis af te leggen. (TM citeert uit Joh 19, maar daar staat die het gezien heeft getuigt en zijn getuigenis is waar, opdat gij zoudt geloven: "Ze zullen opzien naar Hem die ze hebben doorstoken!")
Hij was werkelijk mens én werkelijk God. En toch waren er mensen die, toen zij de werkelijkheid van Zijn menselijke natuur: honger, dorst, slaap, vermoeidheid en andere dergelijke dingen zagen, ervan overtuigd waren dat Hij niet werkelijk God was. Deze mensen behoorden niet tot de Joden en de heidenen die Hem bestreden, maar héél wat later, tot degenen die Zijn Naam en Zijn geloof beleden, zoals Arius (256-336) en de ketters die tot zijn sekte behoorden, zij die, door te ontkennen dat Christus van dezelfde substantie was als de Vader, jarenlang de Kerk in verwarring brachten. Maar tegenover dergelijke plagen heeft Hij een tegengif geplaatst: een onnoemelijk aantal grote wonderen. Overigens is het gevaar vanuit een andere hoek opnieuw opgedoken
Want er waren ook velen die zo onder de indruk waren van Zijn wonderen en van Zijn macht dat zij, verblind en begoocheld door deze grote schittering, ontkenden dat Hij werkelijk mens was. En ook dezen waren voortdurend bezig de heilige eenheid (toespeling op Hendrik VIII) van de Katholieke Kerk oproerig en ergernisgevend te verbrokkelen door zich van de Stichter af te scheuren. (Luther met de "sola fides" leer). Met hun verkeerde overtuiging, die verderfelijk en gemeen is, trachten ze het hele mysterie van de verlossing te ontzenuwen en teniet te doen (voor zover dat in hun macht ligt). Zo probeert men de dood en het lijden van de Redder (waaruit als uit een bron, de stroom van ons heil gevloeid is) helemaal af te zonderen en uit te hollen. Om deze dodelijke ziekte te genezen heeft de beste en liefderijkste Geneesheer zich met de meest waarachtige kentekenen van de menselijke zwakheid willen tooien, namelijk droefheid, afkeer en angst.
Ook is Hij op aarde gekomen om ons, door Zijn lijden, vreugde te verschaffen. En omdat die vreugde voor ons lichaam en ook voor onze ziel was bestemd, heeft Hij niet alleen in Zijn lichaam de pijn van de marteling gevoeld, maar ook in Zijn ziel de bitterste droefheid, vrees en afkeer willen ervaren. Hij deed dat omdat Hij ons meer aan zich hechtte, naarmate Hij meer voor ons geleden had.
Hij deed dat ook om ons te vermanen dat wij - naar Hem verwijzend die zo talrijke onnoemelijke smarten spontaan voor ons verdroeg - van onze kant het lijden niet mogen weigeren of met tegenzin de straf dragen die wij voor onze zonden verschuldigd zijn. Vooral niet wanneer wij zien dat onze heilige Redder, nu eens naar het lichaam dan weer naar de ziel, zoveel en zulke bittere folteringen helemaal uit eigen beweging heeft doorstaan. Folteringen, door geen misdaad verdiend en die toch verdragen werden, alleen om onze zonden uit te wissen [2 Kor. 5,15: "Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die ter wille van hen is gestorven en verrezen!"].
Tenslotte heeft Hij voorzien, omdat er niets aan Zijn eeuwige voorkennis ontging, dat er in de Kerk, Zijn Mystiek Lichaam, verschillende lotsbestemmingen voor zijn ledematen weggelegd zouden zijn [Ef. 4,7-16]. En hoewel de natuur, zonder genade, de marteling niet kan doorstaan [Joh. 14,6], aangezien niemand - zoals de apostel Paulus zegt - kan zeggen: "Heer Jezus" dan door de Heilige Geest [1 Kor. 12,31), schenkt God toch op zo'n wijze genade aan de mensen dat Hij noch de functies van de natuur noch de persoonlijke taken wegneemt, maar beide voor de ingestorte genade dienstig laat zijn. Zo kan de goede daad gemakkelijker tot stand komen. Zelfs wanneer de natuur zodanig ontredderd zou zijn dat ze zich zou verzetten (TM denkt aan zijn persoonlijke problemen en hoe daarmee om te gaan): nadat ze door de genade overwonnen en onderworpen werd, beloont God haar toch vanwege de inspanning waarmee ze de daad heeft gesteld. Hij voorzag dat er velen zouden zijn, die tengevolge van hun zwakkere lichaam héél wat angst zouden doorstaan voor elk gevaar van foltering. En opdat zij niet, door zich met de moed van de sterkste martelaren te vergelijken, ineen zouden storten en zich niet, uit vrees door het geweld overwonnen te worden, zouden overgeven, wilde Christus hun ziel troosten door het voorbeeld van Zijn leed, Zijn droefheid, Zijn afkeer en Zijn onvergelijkelijke angst.
Ook wilde Hij hem, die in een dergelijke toestand zou raken, als het ware met de levendige stem van Zijn daad zeggen: "Wees sterk, gij die zwak zijt, en wanhoop niet. Gij vreest, gij zijt bedroefd, gij wordt geschokt door de afkeer en de wreedheid van de dreigend naderende foltering. Heb vertrouwen: Ik heb de wereld overwonnen [Joh 16,33], Ik die méér dan bovenmate de wereld heb gevreesd, bedroefd ben geweest, met afkeer werd vervuld en de aanblik van het, zo wrede, naderende lijden heb verafschuwd."
Laat de Sterke door Zijn duizend dappere martelaren vreugdevol navolgen, maar gij, schuchter onnozel schaapje, wees tevreden met Mij alléén als herder en volg Mij als Ik u leid. Wantrouw uzelf en hoop op Mij. Zie, Ik ga u voor op deze zo huiveringwekkende weg. Neem de zoom van Mijn kleed, ge zult voelen hoe een kracht van Mij uitgaat [vgl. Mc. 5,25-34], die op heilzame wijze dat bloed van uw gemoed zal stelpen, dat in nutteloze angsten vervloeit. Die kracht zal uw ziel verkwikken, vooral als gij bedenkt dat gij in het voetspoor treedt van Mij, die getrouw ben en niet zal dulden dat gij boven uw krachten wordt beproefd. Bij de beproeving zal Ik het middel geven om ze te kunnen doorstaan [vgl. 1 Kor 10,13] en deze tijdelijke lichte verdrukking baart u tevens een onmetelijke roem [vgl. 2 Kor. 4,17]. Want het leed van deze tijd heeft niets te betekenen in vergelijking met de toekomstige glorie, die in u geopenbaard zal worden. Wees dan getroost, als ge dit bij u zelf overdenkt en verjaag, door het teken van mijn Kruis, die zinloze schaduwbeelden van droefheid, angst en afkeer.
Ga op heilzame wijze vooruit, en ruk op tegen alles in, vol vertrouwen gelovend dat gij zult overwinnen, omdat Ik uw Voorvechter ben, en dat gij door Mij, als Beloner, omkranst zult worden met de lauweren der zegepraal. Dit was dus één van de redenen en een niet onbelangrijke, waarom onze Redder Zich gewaardigd heeft Zich met deze gevoelens van menselijke zwakheid te bekleden. Hij zou voor de zieken ziek worden, om door Zijn ziekte andere zieken te genezen. Speciaal voor hen zorgde Hij ervoor, dat het verloop van Zijn strijd duidelijk zou dienen als strijdmethode voor de angstige soldaat die spoedig naar de pijnbank gesleept zal worden. Zo zou deze leren hoe hij zich in het gevecht moet gedragen. Hij wilde dat zij, wie de vrees voor een dreigend gevaar bekruipen, de voortdurende gebeden van anderen moeten vragen en zich toch alleen aan God moeten toevertrouwen. Tenslotte ging Hij alléén, zonder metgezel, de bittere wijnpers, de kruisweg [Jes. 63,2-5]. Daarom beval Hij die drie zelfde apostelen die Hij bijna tot aan de voet van de berg met zich had meegenomen, daar te blijven en met Hem te blijven waken, en zonderde Hij zich, een steenworp ver, van hen af.
Concentratie bij het bidden.
En even verder viel Hij met het gelaat ter aarde en bad dat, indien het mogelijk was, het uur Hem voorbij zou gaan. Hij sprak: "Abba, Vader, alles is mogelijk voor U. Laat deze kelk voorbijgaan. Maar niet Mijn, maar Uw Wil geschiede. Mijn Vader, dat, indien mogelijk, deze kelk van Mij wegga, nochtans niet zoals ik, maar zoals Gij het wilt.": [Mat. 26,39]
De Aanvoerder, Christus, leert door Zijn voorbeeld vooral hoe Zijn soldaat moet beginnen met de nederigheid, die als het ware een basis is waarvandaan men veilig naar hogere sferen opstijgt. Hoewel Hij gelijk is aan God de Vader en evenals de Vader God is, werpt Hij zich plat ter aarde vóór God de Vader neer, smekend als mens, omdat Hij tevens mens is [Fil 2].
Laat ons hier een ogenblik stilstaan en onze Aanvoerder, Die als smekeling ter aarde ligt, eerbiedig beschouwen. Zo eerbiedig is ons bidden trouwens niet, het is eerder zo, dat we Hem lui en slaperig toespreken. En daarom vrees ik dat wij Hem in plaats van ons met Hem te verzoenen en Hem gunstig te stemmen, eerder verdrietig en boos maken.
Wij moesten er een gewoonte van maken om dadelijk na het gebed, het hele verloop van de tijd die wij biddend doorbrachten, in gedachte nogmaals na te gaan. Hoeveel flauwekul en onzin zouden we erin zien! .. Terwijl onze mond de getijden en door het gebruik afgesleten gebeden zorgeloos afbrabbelt.
Moeten wij ons niet schamen dat wij op een zó beslissend ogenblik met zulk een dwaze geestesgesteldheid en met zo'n lichaamshouding God smeken, Hem vergiffenis vragen voor onze vele grote zonden en de eeuwige folteringen door gebeden proberen af te wenden? Als we tevoren nooit hadden gezondigd, zou het feit van zo onachtzaam tot Gods Majesteit te naderen wel tienmaal de eeuwige pijniging verdienen. Stelt u zich eens voor dat u tegenover één van die sterfelijke vorsten in wiens hand uw leven ligt, een misdaad van majesteitsschennis hebt bedreven, maar dat hij zó meedogend is dat hij, omdat u berouw hebt en zijn verontwaardiging door gebeden wilt afwenden, bereid is uw doodstraf in een geldboete om te zetten of deze vanwege uw uiting van diepe schaamte en leed, volledig kwijt te schelden. Spreek die vorst, wanneer u voor hem bent gebracht, onbezonnen en achteloos toe en wandel intussen op en neer, nu hier, dan daar uw smeekbeden opzeggend, terwijl hij blijft zitten luisteren. Als u dan genoeg rondgedrenteld hebt, ga dan in een stoel zitten, of wanneer u uit beleefdheid blijkbaar op uw knieën moet vallen, wees dan zo vrij eerst iemand erbij te halen om een kussen onder uw knieën te leggen en laat hem een bank brengen, ook met een kussen, om er uw ellebogen in te planten. Gaap dan, rek u uit, nies, spuw achteloos en risp de walmen van uw overdaad op. Gedraag u tenslotte op zulke wijze door uw mimiek, uw stem, uw gebaren en door de hele houding van uw lichaam, dat hij duidelijk merkt dat u, terwijl u hem aanspreekt, in de geest met andere dingen bezig bent. Nu, welk gunstig gevolg verwacht u van een dergelijke smeekbede?
Wij zouden onszelf voor dwazen houden, als we een doodvonnis op die manier zouden behandelen bij een sterfelijke vorst. Niettemin zou deze, na het lichaam gedood te hebben, niets meer kunnen doden.
Tot besluit:
Ook Paus Benedictus heeft in zijn boek Jezus van Nazareth deze passages over Jezus in doodsangst uitvoerig toegelicht: ik citeer 1 passage die sterk overeenkomt met wat Thomas More in het aanschijn van de dood heeft neergeschreven: (pg. 144): Juist omdat Hij de Zoon (van God) is, ziet Hij zeer helder die smerige stroom van het kwaad, al die macht van de leugen en de hoogmoed, al die geraffineerdheid en de verschrikkelijkheid van het kwaad, dat zich met het masker van het leven tooit en telkens weer leidt tot de vernietiging van het bestaan, de schending en de vernietiging van het leven. Juist omdat Hij de Zoon is, ervaart Hij ten diepste de gruwel, alle vuil en het gemene dat Hij moet drinken uit de "kelk" die voor Hem bestemd is: de hele nacht van de zonde en de dood. Dat alles moet Hij in zich opnemen zodat het in Hem zijn macht verliest en overwonnen kan worden. De twee delen van het gebed verschijnen als en antithese, een spanning tussen twee soorten wil: er is de natuurlijke wil van Jezus, die zich tegen het gruwelijke, vernietigende van het gebeuren verzet en zou willen vragen dat de kelk voorbijgaat, en er is de Wil van de Zoon, Die zich helemaal aan de Wil van de Vader overgeeft. In Johannes, hst. 12, staat dat Hij net omwille van dat uur gekomen is, doet Hem naast de smeekbede: "Vader, red Mij uit dit uur." de tweede smeekbede uitspreken; het verzoek dat God Zijn Naam verheerlijkt. Juist het kruis, de aanvaarding van het verschrikkelijke, het op zich nemen van de smaad van de vernietiging van de eigen waardigheid, de smaad van de schandelijke dood, wordt de verheerlijking van Gods Naam. Want net zo wordt God zichtbaar als Wie Hij is: de God Die in de afgrond van Zijn Liefde, in de gave van Zichzelf, de ware macht van het goede tegenover alle machten van het kwade stelt. Zo heeft de tegenstrijdigheid in het hart van het menselijk bestaan Jezus tot een eenheid gebracht
Zo is het gebed: "Laat niet Mijn Wil maar Die van U gebeuren.", werkelijk het gebed van de Zoon aan de Vader, bij Wie de menselijke natuurlijke wil helemaal is opgenomen in het Ik van de Zoon, Wiens Wezen net het niet Ik, maar U van God de Vader uitvoert. Dat Ik heeft het verzet van het mens-zijn in Zich opgenomen en omgevormd, zodat wij allen aanwezig zijn in de gehoorzaamheid van de Zoon, zodat we dus allen in het zoonschap betrokken worden.