Foto
TOESPRAAK VAN PATER PETAR
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7
  • Deel 8
  • Deel 9
  • Foto
    Foto
    Het  logo  van  het  Bisdom  Gent  van  MG.  Van  Looy
     
    Origen
    Quantcast
    Met hulp en medewerking van John Pont is dit blog gemaakt
    HOUD UW LAMPEN BRANDEND.
         Image and video hosting by TinyPic
    For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
     2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt
    Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois
    Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Gastenboek

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Wonder

    28-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HET KROONTJE VAN DE LIEFDE.

     

    Dit gebed wordt op een gewone Rozenkrans gebeden.

    Jezus zegt: Voor deze laatste tijden verlang Ik, naast de godsvrucht tot Mijn heilige Moeder, dat je Mij je liefde zult uitdrukken met het bidden van een "Kroontje" (Rozenkransje), zoals Ik je dit zal tonen."

    God, kom mij te hulp!Heer, haast U mij te helpen.

    Bid vanaf het Kruisje tot de medaille:

    De Geloofsbelijdenis.

    Bid 3x : Jezus, ik bemin Uw Kerk, red haar!

    Bid 3x : Voor de triomf van het Onbevlekt Hart van Maria:
    Wees gegroet

    Bid : Opdat Jezus spoedig in Zijn heerlijkheid komt:
    Onze Vader

    VOORBEDE.: Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest,

    ANTWOORD.: zoals het was in het begin en nu, en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

    Bid op de kraal tussen elk tientje:
    Jezus, mijn Liefde, ik vertrouw op U.

    Bid op de kralen van het 1e tientje:
    Jezus, ik bemin U, vergeef ons.

    Bid op de kralen van het 2e tientje:
    Jezus, ik bemin U, red ons.

    Bid op de kralen van het 3e tientje: Jezus, ik bemin U, genees ons.

    Bid op de kralen van het 4e tientje:
    Jezus, ik bemin U, verlos ons.

    Bid op de kralen van het 5e tientje:
    Jezus, ik bemin U, heilig ons.

    VOORBEDE.: Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest,

    ANTWOORD.: zoals het was in het begin en nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.


    26-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kerken-een-wonder.pps.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Toewijding--van--kwaad--aan--Maria.pps.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Toewijding--van--een--onweer--aan--Maria.pps.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BOODSCHAP_25_OKTOBER_2011.

    Lieve kinderen,

    Ik kijk u aan en ik zie geen vreugde in uw harten. Vandaag wens ik u de vreugde van de Verrezene te geven, opdat Hij u zou leiden en  u met Zijn liefde en tederheid zou omarmen. Ik hou van u en ik bid zonder ophouden tot mijn Zoon Jezus voor uw bekering.   Dank dat ge aan mijn oproep gevolg hebt gegeven.

     


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Christus volgen is door zijn deur binnen gaan.
    Heb je er wel eens bij stil gestaan hoeveel deuren je tegenkomt?
    Draaideuren, zijdeuren, voordeuren, achterpoortjes, schuifdeuren, klapdeuren, automatische deuren..
    Deuren : je moet ze durven openen,
    Maar ook dicht durven doen.
    Een deur die altijd openstaat, is geen deur maar gewoon een gat in de muur.
    Een deur doe nooit open is, is eveneens géén deur, maar is gewoon een muur.
    Welke deuren maak je open en welke heb je tot nog toe dichtgelaten?
    Maar ook: welke deuren doe je dicht en welke heb je tot nog toe open gelaten.

    Geloven is open gaan voor het Mysterie
    En dicht doen wat voorbij is.
    Is open gaan voor het nieuwe
    Christus volgen is door zijn deur binnen gaan,
    En de deur achter de dood en de zonde dichtslaan.

    Geloven: niet de eerste zijn
    Die alles en iedereen verslaat,
    Maar de laatste
    Die niet verdergaat
    Voordat recht is gedaan.
    Voordat die deur is open gegaan.

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Predikaties over het lijden van onze Heere Jezus Christus.

    Predikaties over het lijden van onze Heere Jezus Christus.

     

    OVER HET AFSLAAN VAN DE HOGENPRIESTERS

    DIENSTKNECHTS  DOOR PETRUS, EN JEZUS'

    ERNSTIGE VERMANING DAAR OVER.

     

    Mattheus 26: 51-54.

     

    En ziet! een van degenen, die met Jezus waren, die hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande de dienstknecht des Hogenpriesters, hieuw zijn oor af. Toen zei Jezus tot hem: keer uw zwaard weer in zijn plaats! want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Of meent gij, dat ik mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal mij meer dan twaalf legioenen Engelen bijzetten? Hoe zouden dan de sehriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo geschieden moet?

     

    Onder de veelvuldige wederwaardigheden, die oudtijds de beroemde Koning David bejegenden, in die tijd, als hij genoodzaakt was te moeten vluchten voor het aangezicht van zijn rebellige en weerspannige zoon Absalom, blinkt zonderling uit, die smadelijke bejegening, die hij ontving van de goddeloze Simei, de zoon van Gera, uit het huis en het geslacht van de Koning Saul, Davids voorzaat in de regering; hetgeen wij beschreven vinden, 2 Sam. 16: 5. De Koning David was, voor zijn rebe!lige zoon Absalom, die zijn vader naar de kroon stak, gevlucht uit de Rijksstad Jeruzalem; en nu met zijn bij zich hebbend gevolg, gekomen zijnde te Bahurim, in het Land van Benjamin, ontmoette hem Simei, die, omdat hij uit Sauls huis en geslacht was, daarom een bittere en dodelijke haat tegen David had, die hij nu aan hem, omdat hij in zo grote wederwaardigheid was, vrij meende te kunnen koelen. Wat deed deze boosaardige? De Koning David ziende, ving hij aan, op een schandelijke wijze Hem te mishandelen; Hem gans bitter vloekende en scheldende voor een Belialsman, een snode bloedvergieter enz. smijtende zelfs de Koning met zijn gevolg van ver met stenen. Over deze mishandeling van de snode Simei, werd een van Davids helden, namelijk Abisai, de zoon van Davids zuster Zeruja, dermate vergramd, dat hij die booswicht met kracht te lijf wilde, en van de Koning verlof verzocht, om hem te mogen ombrengen, zeggende met grote hevigheid en verbolgenheid: waarom zou deze dode hond mijn heer, de Koning vloeken? Laat mij toch overgaan, en zijn kop wegnemen! Doch David dit horende, wilde zulks geenszins toelaten, maar verbood Abisai, zijn hand, en aan de boosaardige Simei te slaan, hem over zijn haastigheid en wraakzucht dus nadrukkelijk bestraffende: wat heb ik met u te doen, gij zoon van Zeruja? Ja, laat hem vloeken, want de Heere toch tot hem gezegd heeft, vloek David. In dit geval blinkt, op een zonderlinge wijze uit, des Konings Davids groot geduld, lankmoedigheid, en Godvruchtigheid, in het midden van zijn wederwaardigheden en de smadelijke bejegening, die hem alhier, van de razende Simei werd aangedaan. Het schijnt ons toe Aandachtigen! dat wij hier, de Koning David, niet onaardig kunnen aanmerken, als een zoet zinnebeeld of of beeldsel van de ware en tegenbeeldige David, de Heere JEZUS CHRISTUS, met betrekking tot hetgeen Hem, in Zijn grote wederwaardigheden, kort voor Zijn sterven gebeurde. Want, werd David in zijn zware verdrukkingen zo smadelijk bejegend en mishandeld, van de vuile, bittere en boosaardige Simei; iets dergelijks ontmoette immers de Heere JEZUS ook, in Zijn zware verdrukkingen, angsten en ellenden, in de laatste nacht van Zijn bedroefde leven? Toen werd Hij ook zeer smadelijk bejegend en mishandeld; niet van een, maar van veel razende Simei's; ik meen de woedende menigte van gewapende krijgsknechten en uitgezonden gerechtsdienaars van der Joden Overpriesters, met de allerboosaardigste en bitterste verrader Judas aan hun hoofd. Van deze hoop bittere en boosaardige vloekverwanten, werd hij ook zeer smadelijk bejegend, en even als een schelm of misdadiger gegrepen en gevangen genomen. Gelijkerwijs nu, Abisai, een uit David's gevolg, deze smadelijk mishandeling van Zijn heer en Koning niet kunnende aanzien, zich daarover in grote gramstorigheid en verbolgenheid aan de boze Simei wilde wreken; iets dergelijks gebeurde hier, bij deze mishandeling van de Heere JEZUS, door de uitgezonden soldaten en gerechtsdienaars ook; een uit JEZUS gevolg, namelijk, de Apostel Petrus kon deze mishandeling van Zijnen Heer en Meester ook met geen goede ogen aanzien; maar werd daarover dermate vergramd en verbolgen, dat hij de bewerkers van die mishandeling met geweld te lijf wilde, en ook reeds tot dadelijkheid kwam, slaande een van hen, met zijn zwaard het oor af. Doch hield de Koning David de held Abisai in zijn ijver tegen; bestrafte hij hem over zijn onbezonnen wraakzucht, niet willende, dat hij aan de vloeker Simei zijn handen zou slaan, doordien deze rampzalige hier niet anders deed dan des Heeren verborgen bevelen uit te voeren; op geen andere wijze immers handelde ook de Heere JEZUS met Zijn wraakzuchtige discipel; Hij bestrafte hem ook over zijn onbezonnen daad; en verbood hem verder aan Zijn vijanden en vervolgers de handen te slaan; aangezien deze hier ook niet anders deden, dan het geen Gods hand en raad tevoren bepaald hadden, dat alzo geschieden zou. Heeft iemand lust de zaken zelf in te zien; dan leze hij maar het verhaal van Mattheus die ze ons aldus, beschrijft: en ziet een van degenen, die met JEZUS waren, enz.

    Hier vangen wij het verhaal en de geschiedenis van 's Heilands lijden nu wederom aan, Aandachtigen! daar wij dezelve de laatste keer lieten. Toen beschouwden wij het heilloze en snode verraad, van Judas, hoe deze rampzalige, de Heere JEZUS door een valse en verraderlijken kus, aan zijn bij zich hebbende en mee gebrachte bende van soldaten en gerechtsdienaars aanwees; en hoe deze daarop terstond op de Heiland aanvielen, Hem grepen en gevangen namen, tegelijk met de gehele, zonderlinge en merkwaardige omstandigheden, die daarbij voorvielen. Dus was de Zaligmaker dan nu gekomen, in de handen van Zijn vijanden; doch aleer wij Hem gebonden zien voeren en slepen naar Jeruzalem, om daar terecht gesteld en veroordeeld te worden, viel er hier in of omtrent de hof, nu nog het een of ander voor, dat eerst zal moeten overwogen en beschouwd worden; als daar is de onbezonnen ijver en wraakzuchtigheid van de Apostel Petrus, die hij alhier, bij deze gelegenheid van het gevangen nemen van de Heiland betoonde, trekkende in een haastige verbolgenheid zijn zwaard uit, en slaande daarmee dermate de dienstknecht van de Hogepriester, dat hij hem het oor afhieuw, doch welke daad, de Heere JEZUS geheel kwalijk opnam; in zoverre, dat Hij deze Zijn discipel daarover op de nadrukkelijkste wijze bestrafte, hem verbiedende enig geweld te gebruiken; maar zijn geweer of zwaard op te steken en de menigte met hem te laten begaan. Dit merkwaardige geval zal heden in dit morgenuur, volgens de orde, de stof moeten zijn van onze verhandeling. Alle godvruchtigen wekken dan hiertoe hun aandacht op! en leren van de Heere JEZUS heden, zachtmoedig te zijn, en nederig van hart in alle voorkomende gelegenheden en wederwaardigheden van deze wereld! Amen.

    De geschiedenis scheidt zich zeer gepast, in twee stukken of delen. Het eerste behelst de onbezonnen daad en ijver van de Apostel Petrus, de dienstknecht van de Hogepriester met een zwaard slaande en het oor afhouwende vs. 51. Het andere behelst de nadrukkelijke bestraffing, die de Heere JEZUS daarover aan deze Zijnen discipel deed, en de verdere redenen van Hem, op dat .stuk voortgebracht en gesproken, tot onderrichting van Petrus en de andere discipelen, in de drie volgende verzen.

    Aangaande het eerste stuk, of de schielijke en gans onbezonnen daad en ijver van Petrus, die wordt ons van Mattheus aldus opgegeven: en ziet een van degenen die met Jezus waren enz.

    De Evangelist knoopt dit zijn verhaal aan het vorige vast, door het koppelwoordje en, om aan te duiden, dat het op dat zelfde moment, als de Heere JEZUS van de uitgezonden bende werd gevangen genomen gebeurde; en omdat het iets zonderlings en merkwaardigs was, dat men niet ongemerkt moest over het hoofd zien, voegt hij er het woordje ziet vooraan, schrijvende: en ziet; een enz. Als wilde hij zeggen: geef acht lezer! en merk op, wat een zonderling voorval hier bij het gevangen nemen van de Zaligmaker gebeurde, een van degenen, die enz. Mattheüs gewaagt hier maar in het algemeen van een van degenen die met Jezus waren. Daardoor verstaande een van Zijn elf discipelen, die hier met Hem waren, zonder zijn naam te noemen of te melden wie deze ene, in het bijzonder geweest is; doch uit het verhaal van Johannes blijkt, dat deze discipel is geweest Petrus, want zo schrijft hij, hoofdst. 17:10, Simon Petrus dan, hebbende een zwaard trok enz. Alvorens wij deze onbezonnen daad van Petrus zelf overwegen, moeten wij vooraf eerst de gelegenheid aanmerken, bij welke hij tot dezelve kwam. Dit heeft ons Lukas in het bijzonder aangetekend; schrijvende, hoofdstuk 22: 49, en die bij Hem waren, ziende wat daar geschieden zou, zeiden tot Hem, Heere! zullen wij met het zwaard slaan? Door die bij Hem waren, worden hier verstaan de elf discipelen, die bij de Heere JEZUS waren, wanneer Hij hier in de hof word gevangen genomen, deze ziende wat daar geschieden zou, namelijk, hoe hun beminde Heere en Meester alhier, door deze gewapende menigte werd omringd en van hen stond gegrepen en gevangen genomen te worden; dit ziende, uit de toebereidselen die daartoe gemaakt werden; zo geraakten zij in verlegenheid, hoe of op wat wijze zij zich hier in dit voorval zouden gedragen; of zij dit gevangen nemen van hun Meester zo stilzwijgend moesten aanzien, dan of zij zich liever tegen deze menigte dienden te weer te stellen, en de Heiland tegen hun geweld te beschermen. Wat deden zij? Zij vroegen aan JEZUS, volgens de aantekening van Lukas, wat zij hierin doen moesten, zeggende: Heere! zullen wij, met het zwaard slaan! Om dit goed te begrijpen, Aandachtigen! is het nodig, dat wij hier een weinig terug treden, naar hetgeen Lukas ons verhaald heeft, hoofdstuk 22: 36 enz. Daar schrijft hij, dat de Heiland in deze zelfde nacht, wanneer Hij met Zijn discipelen uitging, naar de Olijfberg, hun belastte, dat zij hun klederen zouden verkopen, die zij missen konden; en dat zij voor het geld dat daarvan kwam, zwaarden zouden in de plaats kopen. Dat deze daarop aan de Heiland hadden vertoond twee zwaarden, die zij bij zich hadden, zeggende: Heere! zie hier twee zwaarden; en dat de Heiland die zwaarden gezien hebbende, daarop, antwoordde, dat die genoeg waren. Ofschoon de Heere JEZUS nu op deze wijze met Zijn discipelen, in het uitgaan naar de Olijfberg sprak, zo moesten nochtans deze Zijn woorden geenszins eigenlijk en naar de letter worden opgevat, evenals had Hij gewild, dat Zijn discipelen waarlijk voor hun klederen, zwaarden zouden kopen; neen maar de Heiland wilde hier, door een figuurlijk en oneigenlijk gesprek Zijn discipelen leren, dat er nu, in het toekomende, zware en bedroefde tijden voor hen ophanden waren; dat die stille en geruste vrede, die zij tot dus lang genoten hadden, nu in onrust en in zware vervolging zou veranderen; dat zij nu van alle kanten door menigvuldige vijanden zouden warden omringd, met welke zij, om Zijns Naams wil zouden moeten strijden, zodat zij eer zwaarden zouden nodig hebben, tom zich tegen de aanvallen van de vijanden te beschermen, als klederen om te dragen. Ziet! dat wilde de Heere JEZUS eigenlijk met dit Zijn gesprek, de discipelen voorstellen; maar niet dat zij juist eigenlijk naar de letter, voor hun klederen zwaarden moesten gaan kopen. Ondertussen hadden de discipelen nochtans, dit gesprek van de Heiland eigenlijk, en naar de letter verstaan en opgevat, en gemeend, als of Hij hun hiermee belastte, dat zij zich van zwaarden moesten voorzien tot hun en Zijn lichamelijke bescherming; en daarom, wanneer het er alhier nu op aankwam, en deze gewapende menigte op de Heere JEZUS begon aan te vallen en Hem gevangen te nemen, zo kwam hun dit gesprek van de Heiland zo-even te voren, toen zij uit Jeruzalem gingen, gehouden, nu in de gedachten; en daarom vragen zij Hem hier nu, Heere! zullen wij met het zwaard slaan? Als wilden zij zeggen: Heere en Meester! Gij hebt ons zo-even te voren, toen wij hier naar toe gingen, van zwaarden gesproken, en belast dat wij ons daarvan voorzien zouden, daarmede hebt Gij ons zeker willen te kennen geven, dat wij U en onszelf tegen de aanvallen van onze vijanden moesten verweren en beschermen; zeg ons dan nu wat wij doen moeten; nu komt het er op aan, moeten wij nu met de zwaarden, die wij bij ons hebben, slaan en vechten, en U en onszelf tegen deze woedende menigte beschermen? Zeg Heere! wat zullen wij doen: zullen wij met het zwaard slaan of niet? Gij merkt ligt mijn Vrienden! dat deze vraag van de discipelen voortkomt uit hun ijver voor de Heere Jezus en de grote genegenheid, die zij voor Hem hadden, waardoor zij bereid waren lijf en leven en alles te wagen om Hem tegen deze woedende menigte te beschermen. Tot nog toe schenen zij te enenmale onbevreesd te zijn, en gelijk zij tevoren betuigd hadden, hun Heere en Meester zelfs onbeschroomd in de dood te willen volgen; doch deze hun moed duurde niet lang, zij werden wel gauw zodanig door de vrees bevangen, dat zij hun Heiland gezamenlijk verlieten. Ondertussen was deze hun stoutheid en onbevreesdheid, die zij hier betoonden, meer een uitwerksel van onbezonnen lichtvaardigheid, dan van een voorzichtige dapperheid en heldenmoed; want wat waren deze onnozele lieden toch machtig, met hun twee zwaarden, die zij bij zich hadden tegen een zo sterke en wel gewapende menigte, van soldaten en gerechtsdienaars te kunnen uitvoeren? Immers niet het allerminste? Als het op een vechten gegaan had, waren zij terstond alle elf verslagen geweest; zodat het alzo maar een onbezonnen en lichtvaardige ijver was, zich tegen een zo machtige troep of bende te willen teweer stellen Niettemin, hoe ongelijk de kans nochtans ook was, was de onbezonnen ijver hier evenwel, in het eerst zo groot, dat zonder het antwoord van de Heilands, op hun voorgestelde vraag eens af te wachten, een van hen, namelijk Petrus, al terstond tot dadelijkheid kwam, en zijn zwaard uittrekkende, daarmee degenen, die de Heiland wilden gevangen nemen, te lijf ging, en zelfs een van hen kwetste; want zo schrijft Mattheüs, en ziet! enz. Het is al van oude tijden aangemerkt Aandachtigen! dat de Apostel Petrus, een man is geweest van een zeer ijverige, driftige en voorbarige aard of inborst, gelijk zo de ene mens daarin, de anderen ver te boven gaat. De een is van een bezadigd gemoed, die alles doet met voorzichtigheid en langzaam overleg, eerst de zaken goed overdenkende en overwegende, eer hij die uitvoert en te werk stelt. Anderen integendeel, zijn van nature zeer schielijk en oplopend; en doen alles met even veel ijver en drift, waardoor zij menigmaal, zeer onbezonnen in hun woorden en werken zijn, en zich hun schielijkheid en driftige ijver, dikwijls te laat beklagen. Van dit slag nu was Petrus ook, zijnde in al zijn doen, met een zeer grote schielijkheid, ijver en drift bevangen. Viel er wat te spreken of te antwoorden, hij was altijd de voorbarigste en eerste onder de Apostelen, die het woord voerde. Moest er wat gedaan worden, hij was altijd het eerst van al de anderen op de been, een bijzonder vuur van ijver blonk altijd in hem uit. Wij hebben er tevoren een voorbeeld van gezien in dat gesprek, dat hij met de Heere JEZUS hield, toen zij naar de Olijfberg gingen. Wat was hij driftig en ijverig voor al de anderen in zijn getrouwheid en standvastigheid aan de Heiland, op het duurst te betuigen! Meer voorbeelden van zijn grote ijver en drift, ontmoeten wij in de Evangelische Schriften. Als de Heiland eens aan hun allen vroeg, wie zij meenden, dat Hij was; terstond nam Petrus, eer nog iemand sprak, voor allen het woord op; zeggende: Gij zijt de CHRISTUS, de Zoon van de levende God. Matth. 16: 15, 16. Toen CHRISTUS met Mozes en Elias op de Berg verheerlijkt werd, was Petrus ook de eerste, die het woord voerde; willende, dat men daar, voor deze drie doorluchtige personen terstond, drie tabernakelen zou bouwen. Luk. 9: 31, 32. En dergelijke voorbeelden zouden wij uw aandacht meer kunnen aanwijzen. Zo ijverig en driftig deze man dan altijd en in al zijn doen was, zo schielijk en voorbarig, was hij hier in deze gelegenheid nu ook. Eer de Heiland nog eens geantwoord had, of de discipelen met hun zwaarden zouden slaan en vechten of niet, zo valt hij er al ten eerste met een onbezonnen ijver op in; hij trok zijn zwaard uit, schrijft Mattheus, en slaande de dienstknecht van de Hogepriester, hieuw zijn oor af. Hieruit is of te nemen, dat van de twee zwaarden, degens of houwers, die de discipelen bij zich hadden, en die zij onder weg aan de Heiland vertoonden, zoals wij zo even zagen, Petrus er een droeg; hetzij hij het best en handigst er mee kon omgaan; of om andere redenen. Althans, Petrus droeg hier een van de twee degens of zwaarden bij zich. Met reden vraagt hier iemand, wat de discipelen hier toch met deze twee zwaarden bij zich deden, daar de Heiland hun immers te voren verboden had, een zwaard te gebruiken? Verscheiden zijn hieromtrent de gedachten van de geleerden; doch die wij thans niet willen ophalen, omdat wij niet kunnen zien, dat breedvoerige verhandelingen over dingen van die natuur, op de predikstoel, zo grote nuttigheid aanbrengen. Met weinigen willen wij u maar zeggen, wat wij er van denken. Wij oordelen met de meesten, dat de discipelen van de Heiland, deze zwaarden met zich zullen gedragen hebben, tot hun veiligheid en bescherming; want gij moet weten Aandachtigen! dat de weg, uit Galilea naar Jeruzalem lopende, die zij waren komen gaan, door menigvuldige dieven, rovers en straatschenders, op deze tijd, zeer onveilig gemaakt werd, wordende de reizende mensen dikwijls aangerand, geplunderd, en op die weg vermoord. Hierom waren de reizigers, welke die weg moesten passeren, dan wel op hun hoe de, met zich van wapens en geweer te voorzien, teneinde om hun lijf en leven tegen struikrovers en moordenaars te beschermen. Wij vinden daarom, bij de beroemde joodse geschiedschrijver Jozephus aangetekend, dat op deze tijd, zelfs de Esseeën, de alleringetogendste sekte bij de Joden, die niet veel verschilden van de hedendaagse woestijnbewoners en kluizenaars, die, buiten de steden op het land woonden, altijd uit vrees voor de moordenaars en struikrovers, gewoon waren gewapend te reizen en van geweer voorzien. En dus twijfelen wij er niet aan, of dit is ook de ware reden geweest, waarom 's Heilands discipelen, welke die weg uit Galilea waren komen reizen, zich van deze twee zwaarden, tot hun bescherming voorzien hadden. Daarvan droeg en had er Petrus hier nu een; en zo gauw er gesproken werd, van met de zwaarden te slaan, was hij nu, volgens zijn gewone driftige en voorbarige aard, hier het eerst in de weer; hij trok terstond zijn zwaard, dat hij bij zich had, uit de schede, en sloeg en hakte daar terstond mee in op de gewapende menigte, die zijn Heere en Meester wilde grijpen en gevangen nemen; en dat met zulk een onbesuisdheid, dat hij er een uit de hoop, een gevoelige kwetsuur of wond toebracht; want zo wordt ons hier verhaald, dat hij, slaande de dienstknecht van de Hogepriester hem het oor afhieuw. De Hogepriester van wie hier gesproken wordt, was Kajafas, voor wie de Heiland in het vervolg zal worden geleid en terecht gesteld. Gelijk nu de Hogepriester, naast de Koning, de aanzienlijkste en waardigste persoon was onder de Joden, zo hield Hij, volgens zijn waardigheid ook een grote stoet van bedienden, en van deze was er nu ook een hier, onder deze bende en gewapende menigte; die zich mede bij de soldaten en gerechtsdienaars gevoegd had, om de Heere JEZUS te helpen gevangen nemen. Johannes heeft ons zelfs de naam van deze dienstknecht aangetekend, schrijvende, dat hij Malchus geheten was; een naam, die niet ongewoon was bij de Joden, en die volgens hun uitspraak Malluch luidde, gelijk wij zo van enen Malluch lezen, Nehem. 10: 4. Het schijnt, dat deze Malluch of Malchus, des Hogepriesters dienstknecht, hier onder de eerste en ijverigste van de hoop geweest is, die de handen aan de Heere JEZUS sloeg, om Hem te grijpen; en daarom Petrus, die dicht bij de Heiland stond dat ziende, neemt nu zijn zwaard, en dat uit de schede getrokken hebbende, dreigt niet lang, maar slaat er zo maar terstond op in, en hakt deze dienstknecht van de Hogepriesters, deze Malchus het oor af. Daar is geen twijfel aan te slaan, of Petrus, hier deze man met zijn zwaard naar het hoofd slaande, zal hem met kracht, het hoofd aan tweeën hebben willen kloven, en dermate slaan, dat hij er bij neer viel; maar tot zijn geluk kwam juist de slag niet recht aan; maar ging dicht bezijden zijn hoofd, zodat hij hem het oor wegnam; hetgeen, volgens Lukas en Johannes verhaal, het rechteroor was. Dat oor dan sloeg Petrus hier met zijn zwaard, deze man van het hoofd af, zodat het op de grond neerviel; of, dat wij met sommigen liever geloven willen, nog met een klein gedeelte aan de zijde van het hoofd bleef hangen, en het bloed hem bij het hoofd en het lijf neerliep; want ofschoon er zijn die willen, dat Petrus hier Malchus maar een stukje of gedeelte van het rechter oor af sloeg; zo geloven wij toch, acht gevend op het Griekse woord, hetgeen wij vinden in het verhaal van Lukas, dat Petrus Malchus’ rechter oor geheel heeft afgeslagen; doch zodat het waarschijnlijk nog maar slechts door het vel aan zijn hoofd, gelijk als hangen bleef. Waarlijk! een gans onbezonnen daad van Petrus, die in het allerminst niet kon goedgekeurd of geprezen worden! want daardoor stelde hij immers, en zichzelf, en al de andere discipelen in het grootste gevaar, van door deze woedende menigte, mede aangetast en zeer mishandeld te worden. Door zijn onbesuisde schielijkheid, zou hij hier zich en de anderen het grootste ongeluk op de hals gehaald hebben. Hierom de Heiland dit voorziende, ving Hij aan, deze Zijn driftige discipel, over zijn onbezonnen en haastige daad gans nadrukkelijk aan te spreken en te bestraffen en hem te vermanen alle verder geweld en tegenweer te staken, gelijk wij dit gesprek en deze vermaning van de Heere JEZUS nu nog verder moeten overwegen.

    Mattheüs ons verhaald hebbende de onbezonnen daad van de Apostel Petrus, hoe hij hier dus ontijdig met het zwaard sloeg, en des Hogepriesters dienstknecht kwetste, en het rechteroor afhieuw; gaat hier nu vervolgens over, om ons een verhaal te doen, van des Heilands nadrukkelijke bestraffing, die Hij hier over deed, aan Zijn driftige en heethoofdige discipel, schrijvende: toen zeide JEZUS tot hem, keer uw zwaard enz. Toen, dat is zo gauw de Heiland deze onbezonnen daad van Petrus had gezien, zo gauw Petrus met zijn zwaard de slag gegeven, en des Hogepriesters dienaar aan zijn hoofd of oor gekwetst had; aanstonds keerde JEZUS zich naar hem toe, en spreekt hem aan, zeggende: keer uw zwaard enz. Lukas verhaalt ons 's Heilands redenen en woorden, enigszins anders schrijvende, Kap. 22: 51, dat JEZUS tot Petrus zei: laat ze tot hiertoe geworden! Wij zouden oordelen, dat de Heiland het een en het andere beide, tot Petrus gesproken heeft; dat Hij zijn gesprek dus volgens Lukas heeft begonnen: laat ze tot hier geworden, en het, volgens Mattheüs toen dus vervolgt: keer Uw zwaard, enz. Het eerste dan, dat de Heere JEZUS tot Zijn driftige discipel zei, toen hij hier met zijn blote zwaard in de hand nog bij Hem stond, en gereed, om er al verder op in te hakken was: Laat ze tot hiertoe geworden! Zo zetten onze taalmannen deze woorden over, als ware de zin en inhoud ervan: houd op Petrus! Laat deze uitgezonden menigte tot zo ver met mij geworden en begaan! dat zij mij grijpen en gevangen nemen; doe hun daarin geen verder geweld of tegenstand; maar laat ze vrij tot hiertoe geworden. Doch wij zouden hier met anderen liever, de Syrische taalman van het N. T. volgen, die de Griekse woorden aldus heeft overgezet: het is genoeg tot hiertoe; of dat hetzelfde is: laat het hierbij blijven. Deze vertaling dunks ons veel netter en gepaster op de zaken; en zo wil de Heiland met deze woorden dan eigenlijk aan Petrus bevelen, dat hij niet verder moest gaan met zijn zwaard te gebruiken; maar dat hij het bij deze slag moest laten blijven; dat er al genoeg gevochten was; even als wilde Hij zeggen: houd, op Petrus! mijn discipel! ga niet voort met uw zwaard te slaan! het is genoeg; laat het hier bij blijven! doe geen verdere tegenweer; maar houd u stil! het is genoeg tot hiertoe. Ziet! dit menen wij, dat de Heere JEZUS met deze woorden eigenlijk heeft willen te kennen geven. Daarop ging Hij nu verder in Zijn gesprek voort, en voegde er bij, volgens Mattheüs, keer uw zwaard enz. Hiermede wilde de Heiland aan Petrus maar alleen dit belasten: dat Hij aanstonds zijn zwaard weer zou in de schede steken en het daarin houden, zonder met hetzelve verder enig geweld, te doen of te slaan; als had hij willen zeggen: Simon Petrus! Ik belast u, dat gij zo aanstonds uw zwaard weer opsteekt! Ik wil niet dat gij er verder tot mijn bescherming iets mee zult uitrichten; het is hier met geen vechten, houwen of hakken te doen; en daarom keer uw zwaard wederom terstond in zijn plaats, en steek het in de schede. En om te tonen, dat dit bevel en deze vermaning recht ernst was, voegt er de Heiland nu in het vervolg een en andere reden bij, waarom Hij niet wilde, dat Petrus of de andere discipelen, met hun andere twee zwaarden meer tegenweer zouden bieden; want zegt Hij, in de eerste plaats, allen die het zwaard nemen zullen door het zwaard vergaan. Over de rechte zin en inhoud van deze woorden van de Heiland, vinden wij der uitleggeren gevoelens en gedachten, al opnieuw verschillend, doch de zekerste en eenvoudigste uitlegging, dunks ons deze te zijn, dat de Heere JEZUS hier met deze Zijn woorden, het oog heeft op de Goddelijke wet, die gebiedt dat allen, die op hun eigen hand, en zonder dat zij daartoe wettig geroepen of bevoegd zijn, uit haastigheid of wraaklust, de handen aan iemands leven slaan, tot boete van hun gepleegde misdaad, ook zonder enige verschoning met de dood moeten worden gestraft. Immers zo luidt de Goddelijke wet, die de Heere al aanstonds aan Noach gaf, Gen. 9: 6, Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mensen vergoten worden; want God heeft de mens, naar Zijn beeld gemaakt. Welke wet ook naderhand herhaald werd aan de kinderen van Israel, Num. 30: 30, al wie een ziel slaat, naar de mond der getuigen, zal men de doodslager doden. Waarop Paulus het oog heeft Rom. 13: 4, daar hij schrijft, dat de Overheid hier op aarde, Gods dienaresse is, die het zwaard niet tevergeefs draagt; maar die een wreekster is, tot straf van degenen, die kwaad doen. Ziet! zo moesten alle doodslagers, die mensenbloed op een onwettige wijze vergoten, dan volgens de Goddelijke wet, zonder verschoning gedood en hun bloed ook door de mensen vergoten worden. Daarop nu zouden wij niet twijfelen, of de Zaligmaker heeft hier in dit Zijn gesprek het oog gehad; en dus heeft Hij hier dan aan Petrus en de andere discipelen willen vertonen, dat zij hun zwaarden moesten terug houden; omdat zij niet bevoegd waren, met dezelve iemand te slaan of te doden, aangezien zij als dan volgens de Goddelijke wet, ook de dood schuldig waren, en van de Overheid met het zwaard moesten gestraft worden. Als wilde Hij zeggen: Simon Petrus! en gij mijn andere discipelen! houdt uw zwaarden toch terug, en slaat er niet verder mee; want weet, dat dit uw gedrag is tegen de Goddelijke wet! die alle doodslagen en bloedstortingen onder de mensen wel streng verbiedt, belastende, dat men het bloed van de zodanigen ook zonder enige verschoning zal vergieten. En daarom, omdat zij, die het zwaard nemen, en daarmee hun evenmens komen te doden, ook volgens de Goddelijke wet, door het zwaard, vergaan moeten; zo wacht gij u dan hiervoor! steekt uw zwaarden op en vergiet er geen mensenbloed mee. Ziet! dit houden wij met vele uitleggers voor de ware en rechte zin van deze woorden van de Heiland, die het zwaard nemen zullen door het zwaard vergaan. Doch hier laat het de Heere JEZUS, nu nog niet bij blijven! Nee, Hij vervolgt Zijn redenen, en toont verder aan hoe onnodig deze zwakke tegenweer van Petrus en de andere discipelen hier was, zeggende voornamelijk tot de driftige Petrus: of meent gij dat ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen Engelen bijzetten? De Heiland wil met dit Zijn zeggen eigenlijk te kennen geven, dat Hij deze hulp, van Petrus of van Zijn andere discipelen tot Zijn bescherming tegen deze gewapende en vijandige hoop, in het allerminste niet nodig was; dewijl Hij overvloedig genoeg van oneindig machtiger hulp en bijstand, als Hij wilde, kon voorzien worden; dat als Hij maar een enkel gebed en verzoek deed aan Zijn hemelse Vader, deze Hem terstond wel twaalf legioenen van heilige Engelen zou bij zetten en tot Zijn hulp en bijstand op ditzelfde ogenblik uit de hoge hemel zenden. Hij spreekt van meer dan twaalf legioenen van Engelen, die Hem Zijn Vader, wanneer Hij er Hem maar om verzocht, aanstonds tot hulp en bescherming zou kunnen bijzetten. Met de spreekwijs van twaalflegioenen Engelen heeft de Heiland hier het oog op de krijgsheiren der Romeinen, die verdeeld waren in Legioenen evenals onze legers in Regimenten. Hoeveel man er nu eigenlijk in een Romeins Legioen of Regiment was, hebben wij uw aandacht voor deze al gezegd, dat niet precies kan bepaald worden; want dat was op de ene en andere tijd zeer ongelijk. Wij lezen bij de Romeinse schrijvers van Legioenen van vier, vijf en zelfs van zes duizend en meer mannen. Neemt nu maar de legioenen eens, op zijn minst van vier duizend mannen; dan bedragen twaalf Legioenen acht en veertig duizend koppen. En zo wil de Heiland hier dan zeggen, dat als Hij het begeerde, Zijn Hemelse Vader, Hem zo aanstonds, wel een getal van meer dan acht en veertig duizend Engelen zou kunnen bijzetten, tot Zijn bijstand en bescherming. Dit is waarlijk een zeer groot en machtig getal! meer dan acht en veertig duizend heilige Engelen! Iemand, zal mogelijk denken, dat de Heere JEZUS hier zo onbepaald weg spreekt, bij wijze van vergroting, om aan te duiden een grote en genoegzame menigte van Engelen; gelijk dusdanige vergrotende manier van spreken, onder ons ook wel gebruikelijk is. Doch het is niet nodig, dat wij hier een zo vergrotende wijze van spreken zoeken; het getal der heilige Engelen in de Hemel is nog oneindig sterker en groter; dat komt niet eens op een deel duizenden aan. De Heilige bladeren spreken van Gods Engelen in de Hemel, als van een ontelbare schare of menigte. Mozes sprak eens tot de kinderen van Israël, dat de Heere was gekomen van Sinaï, en blinkende verschenen van het gebergte Paran, en aangekomen met de tienduizenden van Heiligen. Deut. 33: 2. De Profeet Daniel maakt het getal van de heilige Engelen nog veel groter, zeggende: Kap. 7: 10, dat duizendmaal duizenden de Heere in de Hemel dienen; en dat tienduizend maal tien duizenden voor Hem staan; en wat dergelijke plaatsen, die wij hier tot bewijs zouden kunnen aanhalen meer zijn. Terecht dan spreekt de Heiland hier van zo een groot en machtig getal van Engelen, die bepalende tot twaalf Legioenen, zijnde op zijn minst acht en veertig duizend Engelen. De reden, waarom Hij hier juist noemt het precieze getal van twaalf Legioenen, en niet meer of minder kan geweest zijn, omdat Hij zag en zinspeelde op het precieze getal van Zijn discipelen, zichzelf daarbij onder gerekend; want zo waren zij te samen met hun twaalven, zodat de Heiland hiermee dan zou hebben willen aanduiden, dat Hij wel een geheel Legioen van Engelen voor een ieder van hen tot bijstand en bescherming zou kunnen krijgen van Zijn Hemelse Vader. Ook is het opmerkelijk, dat Hij hier deze spreekwijs gebruikt van zovele legioenen Engelen, want daarmee schildert Hij hier de menigte van de Engelen af, als een precies geregeld heirleger, bestaande uit vele Legioenen. En terecht, want zo worden ons de heilige Engelen, meermalen in Gods woord ofgebeeld en voorgesteld, op de wijze van legers of heerscharen. Zo zingt de dichter Psalm 103: 21, looft de Heere, gij Engelen! gij krachtige helden! looft de Heere al Zijn heirscharen! Zo verscheen aan de herders van Bethlehem, bij gelegenheid van 's Heilands geboorte een menigte van het Hemelse heirleger Luk. 2: 13. Billijk spreekt de Heere JEZUS hier dan ook van zovele Legioenen van Engelen. Van deze nu zegt Hij hier, dat Zijn Hemelse Vader Hem, als Hij er om bidden en verzoeken wilde, meer dan twaalf Legioenen zou bijzetten; want zo spreekt Hij: of meent gij enz. Hij wil dan eigenlijk dit zeggen: hoe Petrus, mijn discipel! meent gij dat ik hier, om uw zwakke hulp en bescherming verlegen ben? verslijt gij Mij voor een bloot mens en een gering schepsel? Weet gij niet, dat ik de Zoon van de levende God ben; en dat, als Ik Mijn Hemelse Vader er maar om verzoek, Hij Mij tot Mijn bescherming genoeg heilige Engelen zal zenden? Ik zeg u dat Hij er Mij, op dit eigen ogenblik op Mijn verzoek, meer dan twaalf Legioenen van zenden zou uit de Hemel, die terstond deze gehele gewapende bende zouden verslaan en vermorzelen. En daarom, Simon Petrus! en gij Mijn waarde discipelen! laat of Mij verder met uw zwaarden te beschermen; want ik ben om uw hulp en bijstand in het allerminste niet verlegen.

    En ziet! als zou dit nog niet genoeg zijn, om de discipelen, en voornamelijk de driftige Petrus te weerhouden, Hem met hun zwaarden bij te staan en te helpen; zo voegt er de Heiland nu nog verder bij: hoe zouden dan de Schriften vervuld worden die zeggen, dat het alzo geschieden moet. De Heere JEZUS beroept zich hier op de Schriften, of de voorzeggingen en Godsspraken van de Profeten, die in vroegere tijden, dit Zijn lijden al hadden aangewezen en voorzegd, hoe de Messias eens zou moeten komen in de macht en het geweld van Zijn vijanden; en van hen worden gegrepen en gevangen genomen. Gelijk Petrus alzo schrijft, 1 Petrus 1: 11, dat de Profeten tevoren voorzegd hebben het lijden, dat op CHRISTUS komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende; en hoe de profeten ook, in het bijzonder, dit gevangen nemen van de Zoon van God, hebben voorzegd, is te voren reeds van ons uw aandacht vertoond en aangewezen, uit Psalm 22: 13 en Jes. 53: 8. Op die voorzeggingen van de Schriften, dringt de Heiland hier dan nu met reden aan; en vertoont aan Petrus, en aan Zijn andere discipelen, dat die nu noodzakelijk haar waarheid en vervulling moesten krijgen; bijgevolg, dat zij zich, tegen dit Zijn gevangen nemen, dan nu geenszins met geweld moesten aankanten; maar hetzelve integendeel, onverhinderd laten geschieden; omdat het toch, tot vervulling van de Schriften, noodzakelijk zo moest gebeuren; als wilde Hij zeggen: O Simon Petrus, en gij mijn andere discipelen! wat bent gij gezamenlijk nog onkundig en onwetende! wilt gij mij hier met geweld, tegen mijn vijanden behoeden en beschermen; en hun verhinderen mij, uw Meester, gevangen te nemen? Wel, hebben de Schriften en de Profeten, dat al lang te voren niet zo aangewezen en duidelijk voorzegd? Moeten die Schriften en die voorzeggingen dan nu niet vervuld en bewaarheid worden? Is God dan een mens, dat hij liegen zou, of eens mensen kind, dat Hem iets berouwen zou? Ik zeg u dan, en ik belast u, steekt uw zwaarden op! en doet verder niet de minste tegenstand aan mijn vijanden, maar laat ze met mij begaan! opdat alzo de Schriften vervuld worden, die zulks te voren op die wijze voorzegd hebben. Johannes voegt er bij, dat de Heiland ook nog zou gezegd hebben, de drinkbeker, die de Vader mij gegeven heeft, zal Ik die niet drinken? Deze spreekmanier van de drinkbeker te drinken, hebben wij in een voorgaande stof, almede verhandeld en uw aandacht vertoond, dat daar niet anders door verstaan wordt, dan het ondergaan van 's Heilands bitter en bloedig Borglijden, tot verlossing van de uitverkoren zondaar; en dus wil de Heere JEZUS hier dan nu, met deze woorden, al wederom niet anders te kennen geven, dan dat Petrus en Zijn andere discipelen, Hem hier in het allerminste niet moesten beschermen, of Zijn vijanden trachten te beletten, Hem gevangen te nemen en met zich te voeren; omdat het ten enenmale noodzakelijk was, dat het gebeurde, als moetende Hij nu, langs die weg en door dat middel, Zijn voorgesteld en op zich genomen Borglijden voor de uitverkoren zondaar ondergaan. Terecht dan vraagt de Heere JEZUS hier, de drinkbeker, die de Vader mij gegeven heeft, zal ik die niet drinken?

    Wat dunks u, Aandachtigen! moest Petrus al deze nadrukkelijke redenen van de Heiland horende, hier nu niet in grote mate beschaamd en verlegen worden? Aan de ene kant, over zijn onbezonnen en voorbarige drift: aan de andere kant, over zijn grote onwetendheid, die hij hier in allen dele aan de dag bracht? Buiten twijfel zal hij zijn zwaard wel gauw weer in de schede gestoken, en geen lust meer gehad hebben, om er iets verder mee tegen deze gewapende menigte te voeren. Ondertussen, was deed de Heere JEZUS nu verder? Lukas alleen verhaalt ons, dat Hij het afgeslagen en gekwetste oor van de dienstknecht des Hogepriesters aanraakte, en hem zo weer heelde. De Heiland, die tot nog toe, zich in grote mate vermaard en beroemd gemaakt had onder de Joden, door menigvuldige wonderwerken en tekenen van Zijn Goddelijke almacht, waardoor Hij alom, waar Hij kwam, alle ongeneeslijke ziekten, kwalen en ongemakken, in een ogenblik en met een woord te spreken genas, en de arme lijders ervan verloste, gaf daar hier, bij deze gelegenheid, ook wederom een zeer doorluchte proef van; want na Petrus en de andere discipelen eerst met ernst bestraft en vermaand te hebben, en belast geen verder geweld te plegen, trad Hij terstond naar de gekwetste dienstknecht van de Hogepriester, en raakte zijn oor, dat Petrus hem met zijn zwaard, of geheel, of dat waarschijnlijker is, voor het merendeel had afgeslagen, met Zijn hand aan, hetzelve wederom op zijn rechte plaats aan het hoofd voegende, en daarmee, zonder er iets anders aan te doen, genas Hij hem volkomen, zodat het oor wederom zo was, als of het in het allerminste niet was gewond, of gekwetst geweest. Waarlijk! een doorluchtig wonderwerk en een luisterrijk teken, waaruit hier zelfs 's Heilands vijanden klaar konden zien, dat Hij meer was dan een bloot mens; omdat dit wonderwerk, van zulk een schielijke en ongehoorde genezing, ver boven het bereik was van het menselijk vermogen. Vraagt nu iemand, welke reden de Heere JEZUS had, van dus deze dienstknecht des Hogepriesters zo terstond wederom te genezen? Dat kan Hij gedaan hebben, uit deze twee redenen: om daarmee deze gewapende troep, te stillen en tevreden te stellen; want het is wel te denken, dat zij door deze daad van Petrus gaande gemaakt, en ziende een van hen zodanig door hem gekwetst, niet lang zouden gewacht hebben, met zich daarover aan hem en aan de andere discipelen te wreken, en hun alzo deze slag betaald te zetten, hetgeen dan buiten twijfel, er slecht met Petrus en de andere discipelen zou hebben afgelopen; doch dit kon de Heiland hier beletten en voorkomen, met de gewonde dienstknecht, zo op staande voet, gans wonderbaarlijk, wederom te genezen; en hem en de anderen, daardoor wederom te stillen en tevreden te stellen. In de tweede plaats kan de Heiland daarmee ook dit oogmerk gehad, hebben, om daardoor voor te komen een beschuldiging, die de joden, welke toch Zijn allerbitterste vijanden waren, hierin tegen Hem hadden kunnen inbrengen, even als ware Hij een hoofd en leidsman van een deel oproerige en moordzieke lieden, die met geweld hadden aangevallen op de dienstknechten van de Romeinse Stadhouder en de uitgezonden bedienden van de Joodse Overheden, zoekende hen te vermoorden en om hals te brengen, en dat Hij dienvolgens daarover, ten hoogste strafbaar was. Ziet! het een ander zal mogelijk de Heere JEZUS tot een beweegmiddel gestrekt hebben, om deze gekwetste man, op staande voet, dus wonderbaarlijk wederom te genezen.

    Ziet daar, mijn Vrienden! dus hebben wij u dan, dit merkwaardige, nu wederom verhandeld en opengelegd, dat hier, bij het gevangen nemen van de Heere JEZUS voorviel en gebeurde. Nu valt er nog maar alleen in de naaste reis te vertonen, de nadrukkelijke en merkwaardige aanspraak, die Hij hier aan deze gewapende menigte deed; en daarmee zullen wij Hem, als een gevangen man zien heen voeren, door deze hoop of bende naar Jeruzalem, om daar te worden terecht gesteld en veroordeeld. Wat blinkt nu uit alles, wat wij heden beschouwd hebben, niet wederom aan alle kanten zonderling uit. (1) Zijn gehoorzaamheid en gewilligheid, om Zijn Borglijden te ondergaan. Immers, niet alleen, dat Hij hier geen de minste hulp of bij stand begeerde van Zijn discipelen; maar zelfs niet van Zijn Hemelse Vader; daar Hij toch, als Hij het maar begeerd had, meer dan twaalf Legioenen Engelen, tot Zijn bescherming van Hem kon gekregen hebben. Ja, in al de merkwaardigheden, die Hem hier bejegenden, berust Hij hier volkomen in de Heilige Schriften, en hetgeen daar in van Hem voorzegd was; willende, dat dit alles nu aan Hem zou vervuld worden. Groter en luisterrijker blijken immers kon Hij niet tonen van Zijn bereidwillige gehoorzaamheid aan Zijn Hemelse Vader, om zonder de allerminste tegenkanting al datgene te ondergaan, dat Zijn Goddelijke hand en raad, te voren over Hem bepaald hadden. (2) Beschouwt hier ook wederom, van rondom, het gedrag van de Heere JEZUS; dat was immers al weer, aan alle kanten, even betamelijk, heilig en onberispelijk? Hij zorgt voor Petrus en de andere discipelen, door een allerernstigste en nadrukkelijkste vermaning en bestraffing, teneinde zij hun zielen toch niet zouden bezondigen, met het vergieten van mensenbloed; en zo de Goddelijke wet, onbezonnen schenden en overtreden. Hij geneest hier de gekwetsten dienstknecht van de Hogepriester van zijn verkregen wond, ofschoon hij mede onder Zijn vijanden was, die hier tegen Hem gezonden werden; tonende daarmee aan geheel de wereld, dat Hij de Wet der liefde volkomenlijk vervulde, die ons belast, zelfs onze vijanden goed te doen en lief te hebben, als blijkt uit Mattheüs 5: 44. Zo dat immers Zijn gehouden gedrag, hier in allen dele, wederom voorbeeldig en betamelijk was. (3) Wat nu aanbelangt de zwaarte van 's Heilands lijden, die kan ook enigermate, in het bijzonder hier uit blijken, dat Hij hier zo veel te stellen had met Petrus en Zijn andere discipelen. Immers, die onbezonnen driftigheid, die grote onverstandigheid en onkunde, die er bij hen, en voornamelijk bij Petrus was, konden de Heere JEZUS, niet anders dan zeer smartelijk voorkomen; dat moest Hem zeer onaangenaam en verdrietig vallen, dat, terwijl Hij hier genoeg te stellen had met Zijn vijanden, Hij nochtans, aan de andere kant, gedurig vermoeid en geplaagd, werd, door een deel onverstandige en onkundige discipelen, die telkens van Hem moesten vermaand en bestraft worden. Nu zijn er nog twee vereisten van 's Heilands lijden, te weten: Zijn onschuld, en de precieze overeenstemming van het gebeurde met de Godspraken en voorzeggingen van de Profeten; doch die zijn hier wederom dezelfde, als in de twee voorgaande stoffen, omdat deze verhandelde stof, maar slechts een aanhangsel, en een meegaande omstandigheid is van het vorige; zodat wij het een en ander dan hier nu niet wederom behoren bij te brengen.

    Aangaande nu onszelf, daar leggen in het verhandelde wederom enige dingen tot onze nodige vermaning en bestraffing. Gave maar de Allerhoogste, dat zij ons in waarheid daartoe mochten dienen. (1) Beschouwen wij hier de onbezonnen drift van Petrus en zijn onkundigen ijver in het verdedigen en beschermen van de Heere JEZUS. Wij leren daaruit, hoe alle ijver tot het goede, juist niet altijd zelf goed en prijselijk is. Daar kan wel een ijver wezen, uit een goed en heilig oogmerk, die nochtans kwaad is, omdat zij met onverstand gepaard gaat. En daarom, een kind van God moet, in alle voorkomende gelegenheden van deze wereld, wel met alle krachten voor de Heere en de eer van Zijn Naam ijveren, tegen de onbekeerden en goddelozen; maar hij moet daar altijd maar voor zorgen, dat het met verstand en een heilige voorzichtigheid gebeurt; dat hij nimmer vervoerd worde door zijn driften of menselijke hartstochten; want als dat geschiedt, dan bezondigt zich een kind van God, zelfs in zijn ijver voor de Heere. Om dat nu voor te komen, weten wij een gelovige ziel, geen beter raad, te geven, dan dat hij de Heere altijd vurig bidt en smeekt, dat toch de geest der verstandigheid en bedachtzaamheid, gedurig over hem, in deze boze en zondige wereld de wacht mag houden; en dat hij ook, door een gedurige onderzoeking en nasporing van de heilige Schriften, meerdere wijsheid en kennis van de raad des Heeren, voor zijn ziel zoekt te verkrijgen. (2) Betrafte de Heere JEZUS hier Petrus met zulke ernst en nadruk, omdat hij zo onbezonnen Hem, met het zwaard, in de hand, wilde verdedigen; dat moet een gelovig kind van God al weer leren, hoe het koninkrijk van de Heere JEZUS, niet is van deze wereld, en daarom ook met geen aardse of lichamelijke wapenen moet worden voortgezet en beschermd. Het gaat hier toch geheel, gelijk er staat Zach. 4: 6, niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest zal het geschieden, spreekt de Heere. Hier zijn geheel andere wapenen tot bescherming nodig, dan in de oorlogen en strijden van deze wereld. Een kind van God heeft hier ook nog wel gedurig een zware strijd te strijden; maar het is met geestelijke wapenen. De discipelen hadden twee zwaarden bij zich; maar JEZUS geestelijke discipelen hebben hier inzonderheid ook twee zwaarden nodig; het een is dat scherpe tweesnijdend zwaard, van des Heeren woord; het andere is het zwaard van de Heilige Geest. Zonder die twee zwaarden, is een kind van God niet machtig zijn geestelijke, en ook zelfs zijn lichamelijke vijanden te kunnen afkeren; en daarom, was is er voor hem dan nodiger, dan dat hij met al zijn vermogens arbeidt, om die twee zwaarden of wapenen toch te verkrijgen. Het zwaard van des Heeren scherpsnijdend woord verkrijgt hij, door een gedurige en onophoudelijke nasporing en onderzoeking van hetzelve; daardoor leert hij dat zwaard wel behandelen en besturen, tot zijn voordeel en bescherming; evenals men de lichamelijke wapenen, recht leert behandelen en gebruiken, door derzelver gedurige oefening. Het zwaard van de H. Geest verkrijgt hij, aan de ene kant, door gedurige en vurige smekingen tot God, om die Geest; aan de andere kant, door zich geheel aan de leiding van die Geest over te geven, en deszelfs invloed en werkingen in zijn ziel, door alle wegen en middelen, meer en meer voort te zetten en te bevorderen. Beval de Heere JEZUS Zijn discipelen, zich van hun klederen te ontdoen om er zwaarden voor te kopen; wij vermanen Gods kinderen ook, dat zij, om deze twee geestelijke zwaarden te bekomen, zich ook hoe langer hoe meer, ontdoen en ontlasten van hun klederen en aardse goederen, door gedurig hun harten daarvan of te trekken, en zichzelf zo meer en meer los te maken van deze ijdele en ondermaanse wereld; en dat, naarmate zij deze twee geestelijke zwaarden verkrijgen, zij met dezelve ook onophoudelijk strijd voeren, tegen al hun geestelijke vijanden; dat zij zich dus alleszins betonen, als dappere helden, die nimmer aflaten te strijden, de goede strijd des geloofs, opdat eenmaal hun hoofden eens, met de heerlijke kroon, van een eeuwige overwinning zullen gekroond worden. (3) Nog een les ligt er in de verhandelde stof, die wij alle ware vromen ook nog met een woord moeten voor ogen houden. Die les wordt gehaald en afgeleid uit de wonderbare genezing, die de Heere JEZUS hier deed aan het afgeslagen en gekwetste oor van de dienstknecht van de Hogepriester; want daarmee leert Hij ons, dat wij ook onze allerbitterste vijanden moeten goed doen en liefhebben met voor hun welvaart en behoudenis naar ziel en lichaam altijd te zorgen. Een ieder, van onze, die vroom voor de Heere wil leven, volge dan hierin ook steeds de voetstappen van zijn Heer en Meester, altijd met zachtmoedigheid weldoende aan degenen die ons haten; voor onze vijanden biddende, en hun zo steeds gelijk als vurige kolen op het hoofd werpende. Door het een en ander altijd in het geloof te betrachten, zal een kind van God, niet alleen meer onbesmet van de zonde voor de Heere wandelen; maar ook eens komen tot het einde van zijn geloof, namelijk de zaligheid van zijn ziel. Amen.

     



    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GOD HOUD VAN JULLIE ALLEN.
     

    Ik wou dat ik je kon vertellen hoeveel God van je houdt.

    Ik wou dat je het kon zien. Al was het maar voor even…

    Een halve seconde zou al genoeg zijn.

    Een enkele heldere flits in je hart zou je al veranderen.

    Je denkt zo snel dat God er niet is voor je.

    Je bent zo snel teleurgesteld in jezelf.

    Je denkt zo snel dat God je in de steek laat.

    Zag je maar de glans in zijn ogen, de liefdesglans.

    Die vol bewogenheid en begrip naar je kijkt.

    De glans die voortkomt uit zijn tranen van liefde.

    Zijn verdriet, omdat je zo de leugen gelooft.

    En Zijn Woorden van liefde negeert.

    God weet wat er in je hart aan de hand is.

    Hij kent je pijn.Hij is niet ver en Hij is niet afwezig.

    Hij is overal. Hij is bij je, nu op dit moment.

    Kijk toch niet alleen maar naar je situaties.

    Kijk toch naar Hem.

    Kijk toch naar de God die zoveel van je houdt.

    Hij is niet ver. Hij is bij je.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen. ( Rom. 8:37 )
    Laat alle trauma's uit je verleden los. Vandaag is een nieuwe dag, en dit is een dag waarop je verder kunt gaan met een nieuwe visie voor je leven. Door geloof verdwijnt het stigma van de veroordeling en sta je op in de nieuwe hoop en het vertrouwen dat je meer dan overwinnaar bent. Kijk vooruit en laat niets je afschrikken van je gewenste en gewilde doel. Ik ben je hoop, je kracht en je zeer aanwezige hulp in tijden van nood, zegt de Heer.

    24-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een-echte-verhandeling-van-theologische-mystiek.pps.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GEBED VOOR DE KERK. PPS.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MILITIA--SANCTAE--MARIAE.pps.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Met hoeveel eerbied Christus moet worden ontvangen.
     

    ‘Komt allen tot Mij die uitgeput onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verkwikking geven,’
               zegt de Heer.
    ‘Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld’.
    ‘Neemt en eet: dit is mijn Lichaam, dat voor u wordt overgeleverd, doet dit tot gedachtenis aan Mij’.
    ‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem’.
    ‘De woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven’.

      Dit zijn Jezus, eeuwige Waarheid, uw woorden, ofschoon niet op één tijd gesproken of op één plaats geschreven. Omdat zij de uwe zijn en waar, moet ik ze alle dankbaar en gelovig aanvaarden. Het zijn de uwe, omdat Gij ze hebt gezegd; en het zijn ook de mijne, omdat Gij ze hebt uitgesproken tot mijn welzijn. Graag neem ik ze aan uit uw mond, opdat ze dieper in mijn hart gevestigd worden.

      Woorden zo vol genegenheid, tederheid en liefde wekken mij op; maar mijn eigen wandaden schrikken mij af en mijn onrein geweten houdt mij terug om tot zulke grote geheimen te naderen.
      De beminnelijkheid van uw woorden nodigt mij uit, maar de menigte van mijn gebreken bezwaart mij. Gij beveelt mij met vertrouwen tot U te naderen, als ik deel wil hebben met U, en de heilige Hostie, het voedsel van de onsterfelijkheid te nemen, als ik het eeuwig leven en de heerlijkheid wil verkrijgen.

      ‘Komt allen tot Mij’ zo zegt Gij, ‘die uitgeput onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verkwikking geven’.
      Wat een vriendelijk en beminnelijk woord in het oor van een zondaar: dat Gij, Heer mijn God, een arme en behoeftige uitnodigt tot deelneming aan uw allerheiligst Lichaam. Maar wie ben ik, Heer, dat ik mij aanmatig tot U te naderen? Zie, de hemelen der hemelen kunnen U niet bevatten en Gij zegt: ‘Komt allen tot Mij’?
      Wat betekent toch die allervriendelijkste toenadering en deze zo vriendschappelijke uitnodiging? Hoe zal ik het durven wagen te komen, ik die mij niets goeds bewust ben waarom ik dit zou mogen ondernemen? Hoe zal ik U binnenvoeren in mijn huis, ik die U dikwijls zulke beledigingen naar het hoofd heb geslingerd? Engelen en aartsengelen eren U, heiligen en rechtvaardigen vrezen U en Gij zegt: ‘Komt allen tot Mij’?
      Heer, als gij het niet waart die dit zegt, wie zou geloven dat het waar is? En als het niet uw uitdrukkelijke wil was, wie zou wagen te naderen?

      Noach, een rechtvaardig man, werkte honderd jaar aan de bouw van een ark om met weinigen gered te worden. En hoe kan ik mij dan in één uur voorbereiden om de Maker van de wereld met eerbied in mij te ontvangen?
      Mozes, uw grote dienaar en bijzondere vriend, maakte een koffer van onverslijtbaar hout, overtrok die met zeer zuiver goud om daarin de tafelen der wet neer te leggen. En ik, verdorven wezen, zal het aandurven U, de Ontwerper van de wet en de Schenker van het leven, zo maar bij mij te ontvangen?
      Salomo, in wijsheid de uitmuntendste van Israëls koningen, bouwde zeven jaar aan een prachtige tempel ter ere van uw naam en vierde acht dagen lang het feest van zijn inwijding. Duizend vredeoffers droeg hij op en hij plaatste de ark van het verbond onder het schallen van de bazuinen en onder plechtig gejubel op de plaats die hij voor haar had gereed gemaakt. En ik, ongelukkige, de armste van de mensen, hoe zal ik U binnenvoeren in mijn huis, ik die nauwelijks een half uur in godsvrucht weet door te brengen? En kon ik maar eens één keer een half uur innig daaraan besteden.

      O mijn God, hoeveel hebben zij proberen te doen om U maar te behagen. Ocharm! hoe onnozel is het wat ik doe, hoe weinig tijd maak ik vol, als ik mij tot de heilige Communie voorbereid. Zelden ben ik innerlijk gericht, hoogst zeldzame ogenblikken vrij van alle verstrooiing. En natuurlijk behoorde in uw heilvolle goddelijke aanwezigheid geen enkele minder passende gedachte bij mij op te komen, geen enkel geschapen wezen mij bezig te houden; want ik sta op het punt niet een engel, maar de Heer der engelen bij mij als gast te ontvangen.

      Toch is er een zeer groot verschil tussen de ark van het Verbond met haar heilige gedenkstukken en uw allerheiligst Lichaam met zijn onzegbare volmaaktheden.
      Tussen die offers van de wet, voorafbeeldingen van wat eens zou komen, en het ware offer van uw Lichaam, de vervulling van alle vroegere offers. Waarom ontgloei ik dan niet meer bij uw vererenswaardige Aanwezigheid? Waarom bereid ik mij niet met meer zorg voor om uw heilige geheimen tot mij te nemen, als die vroegere heilige aartsvaders en profeten, koningen zelfs en aanvoerders met heel het volk zoveel gevoel van godsvrucht jegens de goddelijke eredienst aan de dag legden?

      De zeer vrome koning David ‘danste met volle overgave’ voor de ark van God ter viering van de gedachtenis aan al de weldaden de vaderen weleer bewezen. Hij deed allerlei muziekinstrumenten vervaardigen, dichtte liederen en liet die tot uiting van de blijdschap zingen; hijzelf zong die dikwijls bij zijn spel op de harp, gedreven door de bezieling van de Heilige Geest. Hij leerde het volk van Israël met heel zijn hart God te loven en dagelijks met eenstemmigheid God te zegenen en te prijzen.

      Als er toen zo’n grote godsvrucht leefde en de lof van God vóór de ark van het Verbond werd gemeld.
      Hoeveel eerbied en godsvrucht behoort dan mij en het hele christelijk volk te bezielen in tegenwoordigheid van het Sacrament en bij de nuttiging van het allerverhevenste Lichaam van Christus.

      Velen reizen naar verschillende plaatsen om de relieken van heiligen te gaan bezoeken en zijn opgetogen bij het horen van hun daden; zij bewonderen de geweldige basilieken en kussen hun in zijde en goud gewikkeld gebeente.
      Zie, Gij zijt hier voor mij op het altaar, Gij, mijn God, de Heilige der heiligen, de Schepper van het mensdom en de Heer der engelen.
      Bij het zien van dat alles speelt de menselijke nieuwsgierigheid dikwijls een rol en ook het nieuwe van wat men nog nooit heeft gezien; de vrucht van levensverbetering die men meeneemt is gering, vooral als die reizen zo licht en zonder diepere bezinning worden ondernomen.
      Hier echter is in het Sacrament van het altaar mijn God en Mens, Christus Jezus, geheel tegenwoordig; hier wordt ook overvloedig de vrucht van het eeuwig heil binnengehaald, zo dikwijls men U waardig en godvruchtig tot zich neemt. Hierheen voert echter niet een of andere lichtzinnigheid, nieuwsgierigheid of zinnelijke neiging, maar wel het vast geloof, een hoop vol overgave en oprecht gemeende liefde.

      O onzichtbare Schepper der wereld, God, hoe wonderbaar handelt Gij met ons; hoe voorzichtig en welwillend gaat Gij om met uw bevoorrechten, aan wie Gij Uzelf in het Sacrament ter nuttiging aanbiedt.
      Dit gaat immers alle begrip te boven: dit trekt op bijzondere wijze de harten der vromen aan en zet hun liefde in vlam. Want uw ware gelovigen die heel hun leven op verbetering richten, ontvangen door dit allerwaardigst Sacrament dikwijls overvloedig de gave van godsvrucht en liefde voor de deugd.

      O bewonderenswaardige en verborgen genade van dit Sacrament, alleen gekend door Christus’ gelovigen; de ongelovigen echter en zij die de zonde dienen kunnen dit niet ervaren. In dit Sacrament wordt geestelijke genade meegedeeld, de verloren deugd innerlijk hersteld en keert de schoonheid terug die door de zonde was ontluisterd. Zó groot is soms deze genade, dat door de overvloedige gave van godsvrucht niet alleen de geest maar ook het zwakke lichaam voelt, dat het ruimere krachten krijgt.

      Wel is het bedroevend en zeer te betreuren dat wij zo lauw en zo nalatig zijn; dat wij niet met groter liefde tot het ontvangen van Jezus Christus worden aangetrokken; op Hem toch steunen de hoop en de verdienste van hen die zalig zullen worden. Hij is immers onze heiligmaking en verlossing, Hijzelf de troost van hen die onderweg zijn, en het eeuwig geluk der heiligen. Het is daarom zeer te betreuren dat velen zo weinig aandacht schenken aan dit heilzaam geheim, dat de hemel verblijdt en de hele wereld in stand houdt. Wat is het menselijk hart helaas verblind en onverschillig, dat het niet meer aandacht heeft voor deze onuitsprekelijke gave en zelfs door de dagelijkse omgang tot onachtzaamheid vervalt.

      Stel dat dit Sacrament op niet meer dan één plaats werd gevierd en door niet meer dan één priester ter wereld werd geconsacreerd. Bedenk hoe de mensen dan vol verlangen zouden zijn naar die plaats en naar die priester, om de goddelijke geheimen te zien vieren.
      Nu zijn er vele priesters gewijd en op vele plaatsen wordt Christus opgedragen, opdat Gods goedgunstigheid en liefde voor de mens des te groter zouden blijken naarmate de heilige Communie over de aarde meer verspreid zou zijn.

      Dank aan U, goede Jezus, eeuwige Herder, omdat Gij U gewaardigt ons arme ballingen met uw kostbaar Lichaam en Bloed te verkwikken en met uw persoonlijke woorden ons uitnodigt tot het ontvangen van deze mysteriën als Gij zegt: ‘Komt tot Mij gij allen die uitgeput zijt en onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verkwikking geven’.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De getuigenis van een 8-jarig meisje die Jezus Christus ontmoette. (Jannet Balderas Canela).

            Visioenen van de Wegvoering, de Beroering, de Heilige Stad,
     & de Tronen van GOD en satan
    .
    De getuigenis van een 8-jarig meisje die Jezus Christus ontmoette. 

     (Jannet Balderas Canela)

     Originele vertaling uit Spaanse Audio, Illustratie’s werden toegevoegd en maken geen deel uit van de originele getuigenis. Deze getuigenis werd geverifieerd en bevestigd dooreen onafhankelijke & geloofwaardige profeet. (www.DivineRevelations.info)

    Geachte broeders, moge de Heer U allen zegenen in dit uur.  Laten we uit de Bijbel lezen in 2 Korintiërs 12:1-4, het Heilig Woord van God. In de naam van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest. "Ik moet blijven verbluffen.  Alhoewel er niets mee te winnen valt, zal Ik verdergaan met visioenen en openbaringen van de Heer.  Ik ken een man in Christus die veertien jaren geleden in de Derde Hemel opgenomen werd.  Of het in het Lichaam of buiten het lichaam gebeurde weet ik niet—God weet het.  En ik weet dat deze man—in het lichaam of buiten het Lichaam weet ik niet, maar God weet het—in het paradijs opgenomen werd.  Hij hoorde onuitspreekbare dingen, dingen die de mens niet toegelaten is te vertellen."

    Ik zal jullie vertellen over een ervaring die Ik had met de Heer op 5 September, 1999.  We waren in de Kerk en de Macht van God vulde daar onze levens.  Ik viel op de vloer en voelde de aanwezigheid van de Heer in me.  Ik voelde dat de Heer in me werkzaam was, en Hij begon me visioenen te tonen.

    In een visioen zag ik twee wegen, één was heel breed, waarover heel veel mensen gingen, maar ze wandelden naar hun ondergang.  De andere weg was zeer smal, Ik zag dat er vele mensen over deze weg wandelden , terwijl ze de Heer prezen en eerden.

    Toen toonde de Heer me een ander visioen waarin een engel aan het vechten was tegen een draak. De draak wierp vuur en demonen op deze Aarde.

    Daarna zag ik een ander visioen van een zeer heldere lichtgevende klok. Ze was gemaakt van goud.  De tijd die ze toonde was twaalf uur.  Toen zag ik een hand die de klok terugdraaide naar elf uur.  De Heer zei me, "Kijk, Mijn dienaar, Ik draai de tijd terug omdat Mijn volk niet zo voorbereid is als Ik hen wens te zijn, Ik draai de tijd terug, omdat Mijn volk Me niet zo prijst als Ik het wens, en het is daarom, omwille van Mijn grote Genade dat Ik hen een laatste kans geef, zodat iedereen die zelf voor Mijn Voeten zal komen staan, het eeuwige leven zal ontvangen."

    Toen toonde de Heer me een ander visioen, terwijl ik nog op de vloer lag.  Ik zag een man op een paard naar me toe rijden.  Hij strekte Zijn handen naar me uit, en naderde de plaats waar ik op de vloer lag.  Toen voelde Ik dat de Heer me in Zijn armen nam.  Ik voelde dat Hij mijn geest uit mijn lichaam nam, en in Zijn Armen.  We begonnen dan te rijden, we reden naar boven en stopten in een plaats niet te hoog of laag.  Hij sprak tot me, "Kijk Mijn dienaar, Ik zei u dat Ik U met Me mee zou nemen, en dat is wat Ik nu doe, omdat Ik volbreng wat Ik zeg met Mijn mond.  Wat Ik zeg, doe Ik.  Daarom heb Ik u naar hier gebracht Mijn dienaar.  Maar Ik zal u eerst Mijn wonden tonen, zodat ge er rekening mee zult houden en nooit zult vergeten wat Ik voor jullie allemaal heb gedaan."

    We kwamen aan voor de Troon van God en de Heer toonde me de plaats waar de nagels werden geslagen en waar Zijn zijde doorboord werd.  Hij toonde me ook hoe Hij gegeseld werd.  Ik zag alle littekens en geselstrepen die Hij verduurde voor ons allemaal.  Hij zei, "Kijk Mijn dienaar, velen van jullie houden geen rekening met alles wat Ik voor jullie gedaan heb, velen van jullie vergeten dat Ik voor jullie stierf op het Kalvariekruis, en Ik voel pijn Mijn dienaar.  Ik voel pijn wanneer Mijn volk me negeert en ontkent, alsof die wonde weer geopend wordt, en het doet Me pijn.  Het is alsof ze Me weer kruisigen aan het kruis."  Ik zag hoe de Heer aan het wenen was, omdat Hij pijn voelt wanneer we Hem laten vallen. 

     

    -HEMEL-

    Hij zei, "Dienaar, Ik zal u vele dingen tonen, Ik zal U de straten van goud en de kristallen zee tonen, zodat ge bij uw terugkeer aan de mensen kunt vertellen welke grote dingen Ik voor hen bereid heb.

    We kwamen spoedig aan in een plaats met prachtige straten, zo prachtig.  Ik heb nooit zulke dingen gezien of aangeraakt op de Aarde.  De straten straalden licht uit!  De Heer zei, "Mijn dienaar, raak deze gouden straat aan, omdat gij en Mijn volk hier zullen leven, omdat Mijn volk hier heel binnenkort naartoe zal komen."  Ik zag de weerspiegeling van de Heer en mezelf terwijl we reden. 

    Vervolgens kwamen we aan bij de kristallen zee, het was zo mooi.  Terwijl ik met de Heer door die kostbare zee reed, vertelde Hij me, "Mijn dienaar, dit alles is niet voor Mezelf, dit alles is voor Mijn volk.  Alles wat ge kunt aanraken heb Ik met zo veel liefde voor Mijn volk voorbereid."   Toen zei Hij, "Dienaar kom hier, want Ik wil u andere dingen tonen."

    We kwamen toen aan op een prachtige plaats waar ik de glorie van God kon zien, en Zijn Macht voelen.  Het was een grote, prachtige plaats.  Ik zag vele tafels, en ik vroeg de Heer, "Heer, waar dienen al die tafels voor?"  Hij zei, "Dienaar, herinner U het Huwelijk van het Lam, herinner U dat we aan deze tafels het Huwelijk van het Lam zullen vieren."   Ik zag een ontelbaar aantal tafels, en ik kon er het einde niet van zien.  Er stonden engelen aan iedere tafel, en ik vroeg dus aan de Heer, "Heer, waarom staat er een engel aan iedere tafel en bij iedere stoel?"  De Heer zei, "Mijn dienaar, deze engelen versieren de tafels, deze engelen zetten iedere tafel klaar omdat Ik al alles aan het voorbereiden ben."

    Beste broeders, deze tafels waren zo schitterend; ze waren allemaal van goud gemaakt.  De tafels  waren zeer knap versierd.  Ik zag hoe elke engel de vork, het mes, de lepel, de glazen en de borden  plaatste, alles gemaakt van goud, zo prachtig.  De Heer zei me, "Dienaar, zeg Mijn volk dat ze zich klaarmaken, want heel binnenkort zal Ik hen met Me meenemen zodat ze hier naartoe kunnen komen en tesamen met Mij zich kunnen verheugen in het Huwelijk van het Lam." 

    Het was zo prachtig; de aanwezigheid van de Heer kon er gevoeld worden, zulk een glorie en majesteit!  De Heer zei, "Dienaar, kom hier want Ik wil u andere dingen tonen."  We kwamen aan op een plaats met vele prachtige deuren, zovele prachtige deuren.  Ik vroeg, "Heer, wat is er achter deze deuren?"  Hij zei, "Achter deze deuren zijn Mijn discipelen, achter deze deuren zijn  Mijn apostelen, achter deze deuren zijn al diegenen die eens op de Aarde leefden en die Mijn Naam prezen en verheerlijkten."

     

    -MARIA-

    We reden weer verder en kwamen aan bij een half-geopende deur, en de Heer zei, "Dienaar kom hier, kom hier want achter deze deur is Maria.  Kom nader en luister wat Ze zegt, zodat ge aan Mijn volk kunt vertellen hoe Maria lijdt."  Ik kwam dichtbij en zag een jonge vrouw, zo een mooie jonge vrouw, zo schoon, haar gezicht was zo mooi.  Ze keek door een zeer klein raampje.  Ze was geknield en keek naar de Aarde, terwijl ze huilde van de vreselijke pijn.

    Ze zei, "Waarom aanbid ge me? Waarom, als ik over geen enkele macht beschik!  Waarom aanbid ge me?  Ik doe zelf niets!  Aanbid me niet!  Buig niet voor me!  Want Ik kan U niet redden!  De enige die kan redden, de enige die U kan bekeren is Jezus, die voor alle mensen stierf!  Vele mensen zeggen dat ik macht heb, dat Ik mirakels kan doen, maar dat is een leugen!  Ik doe zelf niets!  De Almachtige God was tevreden over me en Hij gebruikte mijn schoot zodat Jezus kon geboren worden om iedereen te redden, maar ik heb geen enkele macht.  Ikzelf kan niets!  Buig niet voor me!  Aanbid me niet!  Want ik ben niet waard aanbeden te worden.  De enige die dat waard is, de enige waarvoor ge moet buigen en die ge moet aanbidden is Jezus!  Hij is de Enige die geneest en red!"

    Ik kon zien hoe die jonge vrouw zulk een enorme pijn voelde, ze was vol angst en weende.  Ze zei, "Nee! Nee! Aanbid me niet!  Waarom buigt ge voor me?  Ik doe zelf niets!"  Ziet ge mijn beste broeders, het was een overweldigend iets om deze jonge vrouw te bekijken, zoals ze aan het wenen was met zulk een pijn en droefheid.

     

    -MANTELS EN KRONEN-

    De Heer zei me, "Dienaar kom hier, want Ik wil U dingen blijven tonen."  We kwamen aan bij een heel prachtige plaats waar Ik de glorie van God kon voelen.  Ik zag rijen en rijen van witte mantels, zo heel wit en prachtig!  Ik raakte ze aan en de Heer zei, "Dienaar, voel deze mantels, want deze mantels zijn voor jullie allemaal." 

    Ik zag vele rijen en raakte het fijne weefsel aan.  Het was zo helder en wit, in niets te vergelijken met hetgeen ik op Aarde aanraakte.  De Heer zei, "Dienaar, deze mantels zijn voor jullie allemaal."  Er liepen tranen over de Heer zijn wangen.  De Heer zei, "Dienaar, vele van deze witte mantels zullen hier blijven, in afwachting dat iemand hen neemt.  Vele van deze witte mantels zullen hier blijven, wachtend op een lichaam."  "Waarom Heer?" vroeg ik.  "Omdat velen Me niet aanbidden zoals Ik het wil, velen schenken geen aandacht aan alle dingen die Ik voor jullie allemaal doe.  Dienaar, vele van deze witte mantels zullen hier blijven, wachtend op een Lichaam, omdat Ik in Mijn Koninkrijk geen besmeurde dingen ontvang.  In Mijn Koninkrijk laat Ik alleen heilige dingen toe, omdat in Mijn Woord geschreven staat, wees heilig, omdat Ik heilig ben." (1 Petrus 1:16)

    Ik keek en zag vele mantels; elk ervan droeg een naam geschreven in goud.  Ik raakte de mantels aan die kleiner waren en andere afmetingen hadden, en ik zei, "Heer, deze kleine mantels, wie zullen ze dragen ?"  De Heer antwoordde, "Dienaar, herinner U Mijn kleine kinderen, denk eraan dat Ik voor iedereen geef, Ik maak geen onderscheid tussen personen, deze kleine mantels zijn voor Mijn kleine kinderen die Mijn Naam prijzen, ze zijn voor Mijn kinderen die graag naar Mijn Huis gaan en Mijn Naam eren, daarom heb ik grote dingen voor hen bereid.  Ik heb voor iedereen die naar Me uitkijkt, Ik heb voor al diegenen die voor Mijn Voeten komen staan, Ik geef hen Eeuwig Leven."

    We begonnen weer te rijden en spoedig kwamen we aan in een grote ruimte met vele kronen.  Er waren luxueuze kronen, schitterende kronen, dus zei ik, "O Heer! Deze kronen, ze zijn zo mooi.  Voor wie zijn deze kronen?"   De Heer zei, "Dienaar, deze kronen die ge aanraakt, zijn voor diegenen die Mijn Naam prijzen, voor diegenen die Mijn Naam echt verheerlijken op de wijze dat Ik het wil."

    De Heer toonde me andere kronen, maar ik merkte op dat ze alleen uit metalen frame bestonden.  Toen sprak de Heer, "Dienaar, kijk naar hier."  En ik begon andere kronen te zien, maar deze kronen waren van doornen gemaakt, dus zei ik, "Heer, laat een doornenkroon of een simpel frame niet de mijne zijn!"  De Heer zei me, "Dienaar, op deze plaats zijn er drie types van kronen: de luxueuze en schitterende kronen die ge kunt zien en aanraken zijn voor diegenen die  Mijn Naam echt prijzen, voor allen die echt en uit heel hun hart Mijn Naam verheerlijken en prijzen.  Ze zijn voor diegenen die werken in Mijn wijngaard, voor diegenen die er plezier in scheppen in Mijn Huis te zijn, voor diegenen die graag moeite doen en lijden om Mij te behagen voor Mijn Woord.  De kronen die enkel een frame zijn dat ge kunt zien en aanraken, zijn voor diegenen die alleen spelen met Mijn woord, ze zijn voor diegenen die niet graag in Mijn huis zijn, het is voor diegenen die niet graag vasten, noch volhouden, die Mijn Naam niet verheerlijken, ze zijn voor diegenen die Me enkel met hun lippen prijzen, maar niet met hun harten zoals Ik het wil.  Waarom mijn dienaar?  Omdat niemand Me kan bedriegen, er bestaat geen schuilplaats om aan Me te ontkomen.   Dienaar, die doornenkronen die ge kunt aanraken en zien, zijn voor diegenen die spotten met Mijn Woord, zijn voor diegenen die Mijn Woord bekritiseren, zijn voor al diegenen waarbij Ik aanklop op hun harten maar die Mijn Woord niet willen aanvaarden, voor al diegenen die kritiek uiten op Mijn Woord." 

     

    -VISIOEN van de WEGNAME (RAPTURE)-

    Daarna sprak de Heer, "Diestmaagd, Ik zal U de wegname tonen, Ik zal U tonen hoe Mijn Wederkomst zal zijn."  En ik zei, "Heer, ik heb reeds vele dingen gezien, waarom toont Ge me nog meer?"  Toen kwamen we aan bij de Troon van God, en Ik zag daar duizenden en duizenden engelen samen. Toen daalden we af, en de Heer en ikzelf stopten in een zeer mooie witte wolk.  De Heer gaf opdracht aan de engelen om te komen en de Kerk te ontvangen, en de Heer zei me, "Kijk nauwgezet toe, dienstmaagd, want zo zal het zijn wanneer Ik wederkom, dit zal Mijn Komst zijn."

    Ik zag mensen opstijgen van de vier hoeken van de Aarde, ze prezen de Naam van de Heer.  Al deze mensen werden bedekt met de Macht van God. Ze werden gekleed in witte mantels en stegen hoger en hoger.  Ze begonnen een zeer mooi lied te zingen, "Heilig, Heilig, Heilig zijt Gij oh Heer!  Dank U Vader! Omdat Ge ons verheven hebt!  Dank U Heer, omdat Ge ons verheven hebt!" 

    Ik zag veel verschillende mensen, magere, kleine, donkere, blanke.  Al deze mensen, en al deze engelen stegen op naar de wolk waar de Heer en Ik waren.  Al de mensen en engelen waren vervuld van dankzegging aan de Heer, en we zegden allemaal, "Heilig! Heilig! Heilig zijt Gij oh Heer!"  Het was een zo enorm gebeuren, Ik zag zoveel mensen dat Ik meende hen te kennen.  Ze werden allen bedekt met de Heerlijkheid van God. 

     

    -VISIOEN van de BEROERING-

    Nadat we aankwamen bij de Troon van God, zei de Heer, "Dienstmaagd, kom hier."  We verlieten de Troonzaal en kwamen aan in een kamer met een zeer klein raampje.  De Heer zei, "Dienstmaagd, kijk nu naar beneden."   Ik zag een verschrikkelijke verwoesting, zo een enorme verwoesting; de hele Aarde was verwoest en vol van pijn.  De Heer zei, "Kijk dienstmaagd, dit is wat er zal zijn nadat Ik Mijn Volk van de Aarde weggevoerd zal hebben, dit zal er zijn na Mijn Komst, dit zal er zijn wanneer Mijn Kerk hier bij Mij is."   Ik zag een zo enorme verwoesting. 

    Ik zag mensen die het ene ogenblik aan het feestvieren waren, maar vervolgens zag ik een vader die zijn zoon zocht, een moeder die haar dochters zocht, maar ze konden hen niet vinden, omdat de Almachtige God hen meegenomen had.  Familie zocht achter haar verwanten, maar konden hen niet vinden.  Mensen zochten achter hun buren maar konden hen niet vinden, omdat de Heer hen met zich mee naar boven genomen had.

    Iets vreselijks gebeurde toen over gans de Aarde.  Ik zag een pastoor rennen van de ene plaats naar de andere, en ik vroeg de Heer, "Heer, waarom loopt die man van de ene plaats naar de andere?"  De Heer antwoordde, "Dienstmaagd, deze man was een pastoor, maar omdat hij meende dat Ik dit zou uitstellen, werd hij achtergelaten.  Hij dacht niet dat Ik nu zou komen, hij dacht dat het nog lang zou duren voordat ik zou wederkeren, en daarom werd hij achtergelaten."  De pastoor bleef rondlopen, zeggende "Heer, waarom werd ik achtergelaten? Als ik een pastoor ben, als ik een positie in de kerk bekleed, en de kerkgemeenschap is weg, en Ik wordt achtergelaten? Waarom werd ik achtergelaten?"  De Heer zei, "Dienstmaagd, Ik kan nu niets doen, hij meende dat Mijn Wederkomst op zich liet wachten, wel, hij werd achtergelaten."

    Ik zag dat die man vervolgd werd.  Hij zei, "Het enige wat ik wil is door Christus opgenomen te worden!  Het enige dat ik wil is bij de Heer te zijn omdat ik niet hier wil zijn en lijden in de grote beroering!"  Hij bleef op en af lopen en vroeg zichzelf af, "Waarom werd ik achtergelaten? Neem me mee Heer! Ik wil hier niet zijn en lijden!"  De Heer zei, "Dienstmaagd, er is niets wat Ik nu kan doen, ik sprak een lange tijd met hem, en vertelde hem dat Ik spoedig zou weerkeren, maar hij geloofde me niet, wel, nu wordt hij achtergelaten."

    Ik zag veel andere mensen overal rondlopen.  Zoveel mensen liepen er rond, ze poogden wanhopig vrede te vinden, maar ze konden ze niet verkrijgen.  Ze riepen, "Wij willen het Woord van Leven!  Wij Dorsten naar het Woord van God!" Maar het was al te laat, omdat de Heer Zijn Kerk met zich meegenomen had.

    Ik zag zovele jonge meisjes en jongens door het struikgewas lopen, ze liepen door de bergen in een poging om vrede te vinden.  Ze verlangden vrede maar konden ze niet vinden.  De Heer zei me waarom, "Dienstmaagd, Ik heb Mijn Kerk al meegenomen, en nu is satan degene die in controle is."  Satan heerste al over gans de Aarde en er was kwelling over heel de Aarde!  Mensen liepen van plek naar plek.  Mensen wilden elkaar levend opeten, en elkaars haren uittrekken.  Ze smeten elkaar verwijten naar het hoofd en deden elkaar pijn, omdat ze vrede wilden vinden, maar ze konden ze niet vinden!  Het was niet mogelijk omdat de Heer Zijn Kerk al weggevoerd had. 

    Zulk een verschrikkelijke tijd op Aarde, Ik zag zo gruwelijke dingen. Zoveel mensen kwetsten elkaar, zeggende, "We willen liefde! We willen vrede!"  Maar het was te laat!  De Heer zei me, "Kijk Mijn dienstmaagd, Ik sprak met hen, Ik nam tijd om aan te kloppen op de harten van deze mensen, maar ze wensten Me niet te zoeken.  Wel, nu worden ze achtergelaten, en er is niets dat Ik nu voor hen kan doen.  En wel daarom, omdat Ik mijn Kerk al met Me meegenomen heb.  Terwijl al deze mensen bij Me in de Hemel zijn, en zich verheugen in het Huwelijk van het Lam, zullen al deze mensen hier grote pijnen lijden, en er zal geween zijn en tandengeknars.  Want ze wensten Mijn Woord niet te gehoorzamen, ze gaven er de voorkeur aan plezier te maken en Mijn Woord te bekritizeren."

    -HET BOEK VAN HET LEVEN-

    Daarna toonde de Heer me een groot en prachtig boek. Het was erg glimmend en gemaakt van goud.  Ik zei, "Heer, dat groot boek, waar dient dat voor?"  Hij vertelde me, "Dienstmaagd, in dit boek staan de namen van diegenen die Me prijzen, en de namen van diegenen die zich bekeerd hebben en die gezocht hebben achter Mijn Wegen.  Want dit is het Boek van het Leven.  In dit Boek zijn de namen geschreven van al diegenen die samenkomen om Mijn Naam te prijzen en te verheerlijken."  Het boek was zo groot, en zijn letters waren geschreven in goud.  Hij zei, "Kijk Mijn dienstmaagd, vele van deze namen heb Ik niet uitgewist omwille van Mijn Genade, omdat velen Me de rug hebben toegekeerd.  Velen hebben Me de rug toegekeerd, maar Mijn Genade is zo groot dat Ik hen nog niet uitgewist heb, want Ik wens niet dat er iemand verloren gaat, maar dat iedereen eeuwig leven heeft."  Ik begon het Boek aan te raken, en zag hoeveel namen erin geschreven stonden. 

     

    -HEL-

    Daarna zei de Heer me, "Dienaar, Ik zal u de hel tonen."  Maar ik zei, "Heer, nee, Ik zal het niet kunnen verdragen, na alles wat ge me reeds getoond hebt, ik heb genoeg gezien."  En de Heer sprak tot me, "Dienaar, Ik zal U de hel tonen, opdat ge kunt teruggaan en aan de Kerk en de mensen kunt vertellen dat er een hemel is maar ook een hel."  We begonnen lager en lager af te dalen.  We waren nog ver van de hel verwijderd, toen Ik kreten en luid gekreun begon te horen.  Ik zei, "Heer haal me hier weg, want ik ga dat niet kunnen aanzien!"  De Heer antwoordde, "Kijk Mijn dienaar, heb geen angst want Ik ben bij u."  We daalden af door enkele tunnels.  Er heerste een grote duisternis op die plaats, een duisternis zoals ik die nooit gekend had op Aarde.

    We wandelden langs enkele muren en ik hoorde zoveel zielen roepen, kreten van pijn en angst.  De Heer zei, "Dienaar, laten We verder gaan."  We kwamen aan op een plaats waar een persoon aan het roepen was.  Ik vroeg de Heer, "Heer, waarom zijn, we hier gestopt?"  Hij antwoordde, "Kijk dienaar, bekijk deze persoon heel aandachtig, want deze persoon was familie van U op de Aarde."  En Ik zei, "Heer, wie is het? Ik kan deze persoon niet herkennen."  De Heer sprak, "Deze persoon was uw grootmoeder op de Aarde, ze was uw familielid, maar ze was heel ongelovig, en daarom is ze nu hier." 

    Ze zei, "Geef me water a.u.b., haal me hier weg, want ik kan deze pijn niet meer verdragen, Ik ben dorstig."   Maar ik kon niets doen, ik huilde alleen maar.  Ik sprak, "Heer, omwille van Uw oneindige Genade en Uw oneindige Goedheid, haal haar hier weg!  Waarom is ze hier, als mijn ouders me vertelden dat ze in de hemel was?" 

    De Heer zei, "Dienaar, de priester zei tegen uw ouders dat ze naar de Hemel was gegaan, maar dat was een leugen.  Dat was een leugen, omdat ze steeds boog voor beelden, ze aanbad beelden, en kijk hoe deze beelden haar niet konden redden.  Vele malen klopte Ik aan op haar hart, opdat ze het zou openen, en Ik naar binnen kon treden, maar in plaats daarvan dreef ze de spot met Mijn Woord.  Ze besloot dat het beter was de wereld te volgen dan Mijn Naam te eren, en daarom is ze nu hier.  Ze aanvaardde nooit Mijn Woord, ze wou zich nooit bekeren, en de priester zei hen dat ze naar de Hemel opgegaan was en dat ze al in het Hemelse huis was, maar dat  was een leugen. Kijk Mijn dienaar, waar ze nu is."  Ze schreeuwde het uit van zoveel lijden.  Ze zei, "Geef me water! Haal me hier uit!"  De Heer zei, "Dienaar, Ik kan niets doen nu, deze ziel behoort Me niet meer toe."  We keerden en wandelden weg.  Ze riep me na, "Nee! Laat me hier niet achter!  Geef me water! Haal me hier weg!"   Hij kon niets doen.

    We bleven zovele mensen bekijken.  Zielen poogden de klederen van de Heer te grijpen, zeggende, "haal ons hier weg!"  Maar de Heer zei hen, "Ga weg van Me, want jullie behoren me niet meer toe, jullie behoren toe aan satan en zijn demonen."   Het was zo een vreselijke plaats, met zo vele zielen, zoveel mensen.

     

    -satan's troon-

    We bleven rijden en kwamen aan bij een heel verschrikkelijke plaats, en de Heer zei, "Kijk dienaar, Ik zal U de troon van satan tonen."  Ik zei Hem, "Nee Heer! Ik wil die troon niet zien!"  Hij antwoordde, "Wees niet bevreesd, dienaar, want Ik ben bij u."  Toen kwamen we aan in een verschrikkelijke en gruwelijke plaats, Ik zag een enorm grote stoel waar satan op gezeten was.  Hij had grote nagels, en hij lachte en lachte, hij kon niet stoppen met lachen.  Ik zag ook overal demonen .  Ik zag demonen van verschillende afmetingen, Ik zag prinsdommen, Ik zag bolwerken, en vele verschillende demonen.  Ik zag hoe satan orders gaf aan zijn demonen, orders om naar de Aarde op te stijgen en alle soorten slechte dingen uit te lokken. 

    Ik zag hoe deze demonen opstegen en botsingen, slachtpartijen, gevechten, scheidingen en alle soorten slechte dingen uitlokten.  Dan daalden ze terug af en rapporteerden hem alles wat ze deden.  En satan lachte en lachte maar.  satan gaf prijzen aan de demonen, en de demonen begonnen hem te vieren, en prezen hem en zongen voor hem. 

    Ik zag hoe satan zo vele plannen had om kristenen te vernietigen, grote plannen om de dienaars van God te vernietigen.  Ik zag grote kerken en congregatie’s die vol waren van modernisme.  De Heer zei, "Kijk dienaar, deze kerken zijn bezeten door satan, en ze zullen niet mee kunnen opgaan met Mij." 

    De Heer toonde me hoe demonen zoveel moorden uitlokten, en al deze zielen kwamen dan aan in deze vervloeking, een afschuwelijke plaats.  Ik zag een oven, en de Heer zei, "Kijk dienaar, dit is de poel van vuur, en dit is de hel." 

    Elke keer dat de demonen slachtingen veroorzaakten, vielen de zielen op die plaats.  Het vuur verteerde ze, en ze smolten.  De zielen schreeuwden het uit van de pijn en de angst, en de demonen keerden terug naar de troon van satan en vertelden hem wat ze gedaan hadden.  Satan lachte en lachte maar, en gaf prijzen aan de demonen.  De demonen zongen en dansten dan voor hem, en deden vanalles om hem te vieren.  satan lachte van vreugde en trots omwille van alle zielen die in de hel vielen.  Ze bleven seconde na seconde binnenvallen, en satan was zo trots dat hij kon stoppen met lachen.

    Ik voelde ook de vele demonische gevoelens op die plaats, zo veel bolwerken.  Ik zei, "Heer, als ‘t U belieft, haal me hier weg, Ik kan het niet meer verdragen."  De demonen doorboorden en martelden er de zielen.  De zielen schreeuwden, "Laat ons alleen! Laat ons in vrede, we willen geen pijniging meer, we willen vrede!"  En de demonen lachten.

     

    -DE HEILIGE STAD-

    Daarna gingen we weg en de Heer zei, "Kijk dienaar, Ik zal U de Heilige Stad tonen, zodat ge kunt teruggaan en Mijn Volk vertellen over de grote dingen die Ik voor hen klaar heb."  We gingen omhoog en kwamen aan op een prachtige plaats, waar prachtige bomen stonden, dennen zo groot.  Alles was er zo mooi.  Ik kon zulk een gevoel van vrede voelen.

    In de deur van die stad was een prachtige regenboog.  Er stonden vele engelen aan weerszijden van de weg.  We gingen door de deur en de Heer zei, "Dienaar, dit is de Heilige Stad."  We wandelden tot we arriveerden bij een hof vol met prachtige rozen, zoals ik er nooit een gezien heb op Aarde.

    Ik liet de Heer zijn hand los, en Ik liep naar de hof.  Ik koesterde de bloemen, ze waren zo fijn en hun geur was zo heerlijk.  Ik wou een bloem plukken, maar de Heer zei, "Nee dienaar, ge kunt nu nog niets nemen.  Ge zult deze bloemen alleen kunnen plukken wanneer Mijn volk naar hier komt, wanneer Mijn Kerk aankomt op deze plaats, dan zult ge deze bloemen kunnen plukken."  En ik zei, "Heer, ik wilde slechts één bloem meenemen naar de Aarde om ze te tonen aan alle kerken."  Maar de Heer zei, "Nee, dienaar, omdat Mijn volk nog niet hier is."  Ik zag vele verschillende type’s mooie bloemen. 

    Toen reden we door mooi groen gras.  De Heer zat neer op het gras, en met een prachtige glimlach zei Hij, "Dienaar, dit alles wat gij aanraakt en ziet, heb Ik voorbereid voor Mijn volk." 

    We reden toen naar een plaats met een enorme boom die vol fruit hing.  Ik zei, "Heer, deze boom? Wat is de betekenis van deze boom? En al dat fruit?"  Ik wou ook hier één van de vruchten plukken, maar de Heer zei me opnieuw, "Nee, dienaar, ge kunt deze vruchten nog niet nemen, omdat deze boom de boom van het Leven is, en van deze boom zal Mijn volk eten wanneer ze naar hierboven komen.  Ondertussen kunt ge niets plukken tot Mijn volk hier aangekomen is."  De boom had zulke schone vruchten.

    Toen reden we verder, en ik zag zoveel prachtige vlinders en dieren.  De Heer zei, "Dienaar, al deze dingen hier zijn voor Mijn volk.  Vertel Mijn volk dat zij heel binnenkort hier zullen zijn, en deze Heilige Stad zullen binnenrijden."

    We gingen verder en kwamen aan bij een andere prachtige plaats, met veel hoge bomen en dennen.  De Heer zei, "Dienaar, dit alles is voor Mijn volk.  Dienaar, kom hier want Ik wil U wonderen tonen." 

    We kwamen aan in een prachtig oord dat vol van engelen was.  Eén engel was heel groot, en had een grote bazuin aan zijn mond.  Ik zei, "Heer, die engel, wat betekent dat?"  De Heer antwoordde, "Kijk dienaar, deze engel wacht op een signaal, deze engel wacht op een order die ik zal geven, zodat hij op de bazuin kan blazen, en wanneer deze engel op die bazuin begint te spelen, zal Mijn volk opgenomen worden, opstijgen, en omgevormd worden.  Maar wees van één ding zeker, dienaar, deze bazuin zal alleen gehoord worden door diegenen die naar me uitkijken!  Keer dus weer en vertel aan Mijn volk dat ze moeten uitkijken, vertel aan Mijn volk dat ze niet moeten slapen, want als ge in slaap valt, zult ge de bazuin niet horen, vertel aan Mijn volk om uit te kijken, want diegenen die slapen, zal ik niet kunnen laten opstijgen."

    De engel was zo groot en mooi, en achter hem stonden veel meer engelen die kleinere bazuinen hadden.  Deze bazuinen waren gemaakt van goud, en blonken fel. De Heer zei, "Dienaar, zeg Mijn volk dat ze klaar moeten staan, omdat Ik zo goed als klaarsta, om de opdracht te geven die de bazuin zal laten weerklinken." 

    We begonnen weer te rijden en de Heer zei, "Kijk dienaar, Ik zal U de troon van Mijn vader tonen.  Ik heb hem niet getoond aan U, maar Ik zal hem nu tonen, zodat ge bij uw terugkeer kunt vertellen aan Mijn volk dat Mijn Vader reëel is, en dat Ik reëel ben."  We begonnen allemaal te wandelen, de Heer, de engelen en Ikzelf.  Toen we nog ver van de Troon van de Vader verwijderd waren, voelde ik dat ik het niet meer aankon; Ik kon me niet staande houden tegenover zulke Macht en Heerlijkheid.  Toen we dichter en dichter naderden, voelde ik me alsof ik een veer was, Ik kon nauwelijks gaan.  Als de engelen me niet overeind hadden gehouden, had Ik  niet verder kunnen gaan.

    We kwamen aan bij de Troon van de Vader, en ik kon zulke enorme Macht voelen uitgaan van de Troon.  Krachtige bliksemschichten schoten uit de Troon; het was zo glorierijk en enorm.  Zulk een Macht omringde de Troon; hij schitterde en was van goud gemaakt.  Er zat Iemand op de Troon, maar ik kon Zijn Gezicht niet zien, Ik kon de Macht niet weerstaan die uit de Troon kwam.  Ik kon de Vader alleen zien vanaf zijn lenden naar beneden toe.  Maar vanaf zijn lenden naar omhoog toe, kon ik niets zien want dan viel ik op de grond. Ik viel omdat ik zulke Macht en Glorie niet kon verdragen. 

    Daarna zag ik de 24 ouderlingen de Naam van de Heer prijzen en verheerlijken.  Ik zag enorme aartsengelen die ook de Naam van de Heer verheerlijkten.  De 24 ouderlingen knielden neer en baden "Heilig, Heilig, Heilig zijt Gij, O Heer!"  De engelen werden nooit moe van het verheerlijken en prijzen van de Heer, en de  ouderlingen hielden nooit op met het verheerlijken van de Naam van de Heer.  Enorme vlammen schoten uit de Troon, en er waren zovele mooie dingen in die Troon. 

    Toen gingen we weg en kwamen op een plaats aan waar een grote engel stond.  Ik zei, "Heer, wie is die engel?"  De Heer antwoordde, "Kijk dienaar, dit is de engel Gabriel, en kijk naar die andere engel, want dat is Michael." Ze waren zo groot en mooi. De Heer zei, "Dienaar, vertel aan Mijn volk dat de engel Gabriel en de engel Michael echt bestaan." 

    Daarna zei de Heer, "Dienaar, kom hier, want Ik wil u de zweep tonen."  We kwamen op een andere plaats aan, waar ik de Heer een zweep zag nemen met drie uiteinden.  Hij sloeg ermee tegen een zeer grote stoel, en zei, "Dienaar, dit is voor de ongehoorzamen, deze zweep is voor diegenen die Mijn Woord niet willen gehoorzamen.  Aangezien ze Mijn Woord niet willen gehoorzamen, wel, dan zal Ik hen geselen met deze zweep, omdat Ik degenen die Ik liefheb bestraf."  Ik zag hoe de Heer met de zweep tegen de stoel sloeg, en ik zei, "Als ‘t U belieft, Papa, sla me niet met die zweep!"  Hij antwoordde, "Wel dienaar, gehoorzaam me dan, omdat Ik diegenen die me niet gehoorzamen bestraf." (Openbaring 3:19 Diegenen waar ik van hou, wijs Ik terecht en straf Ik.  Wees dus oprecht, en heb berouw.)

    Toen nam de Heer me mee naar een kostbare plaats, een indrukwekkende plaats, waar ik meer gouden kronen zag.  Maar op deze kronen waren al namen geschreven, en ze waren volledig bezet met parels!  De Heer zei, "Kijk dienaar, deze kroon hier is voor Mijn dienaar Yiye Avila, en deze andere is voor Mijn dienaar Arturo García."  De kronen waren kostbaar! Op één k


    21-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.EILANDJE VAN HEILIGHEID. PPS.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AANROEPING TOT DE HEILIGE GEEST. PPS.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Boodschap aan een offerziel.

    Heilige Harten van Jezus

    en Maria Bidt voor ons.

    Boodschap aan een offerziel,

    door God gegeven van

    8 / 10 / 1976 tot 22 / 10 / 1976

    aan de wereld.

    De Heer sprak: "Wanneer een

    mens het grote geschenk van

    God, de vrije wil, vrijwillig weer

    aan God teruggeeft dan maak Ik

    uit de mens die mens die Ik Mij

    van de eeuwigheid af gedacht

    had - een heilige!"

    Verder zegde de Heer:

    "Tot nu gaat er nauwelijks een

    zo krachtvol gebed over de aarde.

    Dit moet gij aan de wereld mededelen,

    het zal het aangezicht van de wereld

    vernieuwen, het moet rondom de

    aarde gaan.

    Het is als een revolutie in de

    Heilige Geest!

    U moet dit gebed met gans uw

    leven dooreenmengen, u moet dit

    gebed leven!"

    "Hemelse Vader, ik vertrouw, ik offer

    U op, de verenigde Harten van Jezus

    en Maria, de zegenrijke wonden van

    Jezus en de tranen van onze Lieve

    Hemelse Moeder Maria en leg mijn

    gedachten en woorden, werken,

    weefsels, bloedvaten, bloeddruppels,

    zenuwen, klieren, beenderen en

    organen in de verenigde Harten

    van Jezus en Maria.

    Heer, uw wil geschiedde!"

    Door dit opofferingsgebed kan men

    ook kanker genezen.

    Dit gebed is zo groot, - wanneer

    men eenmaal begonnen is met

    bidden mag men er niet meer

    mee stoppen.

     

     


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Johannes 16,12-15.

    Johannes 16,12-15: de Geest van Waarheid verbindt U met Mij en de Vader

    Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus

    In zijn afscheidsrede zei Jezus tot zijn leerlingen:

    "Nog veel heb Ik u te zeggen,

    maar gij kunt het nu nog niet verdragen.

    Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid,

    zal Hij u tot de volle waarheid brengen;

    Hij zal niet uit zichzelf spreken,

    maar spreken al wat Hij hoort

    en u de komende dingen aankondigen.

    Hij zal Mij verheerlijken,

    omdat Hij aan u zal verkondigen

    wat Hij van Mij ontvangen heeft.

    Daarom zei Ik dat Hij aan u zal verkondigen

    wat Hij van Mij ontvangen heeft.

    Al wat de Vader heeft is het Mijne."


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Exodus 34, 4b-6.8-9

     

    Vroeg in de morgen beklom Mozes de Sinaï,

    zoals de HEER hem bevolen had.

    Hij nam twee stenen platen mee.

    De HEER daalde neer in een wolk, kwam bij hem staan

    en riep de naam "HEER" uit.

    De HEER ging hem voorbij en riep: "HEER!

    De HEER is een barmhartige en genadige God,

    geduldig, groot in liefde en trouw."

    Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieën en boog zich neer.

    Toen sprak hij: "Och Heer,

    wees zo goed en trek met ons mee.

    Dit volk is wel halsstarrig,

    maar vergeef ons onze ongerechtigheden en zonden,

    en beschouw ons als uw eigen bezit.'


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bezinning.

    "Wie zijn leven verliest, zal het vinden"

    Mat ander woorden:

    Wil je Jezus' levenswijze en zijn boodschap aannemen,

    houd er dan rekening mee

    dat jet het jouw bekende leven gaat verliezen.

    Houd er rekening mee dat je leven op zin kop gezet kan worden.

    Want als je van het leven dat van God komt, leven wilt,

    zal je erdoor verteerd geraken.

    Misschien zal alles anders zijn.

    Maar het zal je vreugde schenken.




    Foto

    Getuigenissen van de jongeren van Cenacolo
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7

  • Foto

    Foto

    Foto

    Godelieve heeft voor mij
    deze prachtige pps gemaakt
    waarvoor mijn dank





    Foto

    Schrijft u wat in mijn gastenboek
    klik dan op het boek boven




    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Klik op het plaatje en krijg een prachtige rondleiding door het Vaticaan
    Ieder nummertje is weer iets moois
    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Foto

    Een interessant adres?


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!