Meditatie te Hasselt op 25 juni 2011.
E.H. P. van de Kerckhove.
"Wie Mijn leerling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen."
Leerling van Jezus zijn wil zeggen: "Jezus navolgen". Maar daar is een geestelijke voorbereiding voor nodig. Er zijn twee dingen nodig: je zelf verloochenen en je kruis opnemen. Deze woorden veronderstellen dat reeds de Heer Jezus Zelf het leven als een kruisweg beschouwt en dat het woord "kruis" in religieusgeestelijke zin gebruikt wordt door Hem. Moderne exegeten aanvaarden dit over het algemeen niet en ze twijfelen ook aan de Jezus-echtheid van deze woorden.
Iemand volgen wil zeggen: achter iemand lopen; in zijn of haar voetsporen lopen. Figuurlijk betekent het iemands voorbeeld navolgen Dat laatste is het wat Jezus van ons verlangt. Maar voordat je begint met Jezus na te volgen, moet jij je ook geestelijk voorbereiden.
Onszelf verloochenen: dit wil zeggen, ons ontdoen van ons eigen ik, ons egoïsme. Daarmee begint het werk van onze heiliging. Ons egoïsme uit zich op zovele manieren: o.a. het altijd gelijk willen hebben, altijd gediend willen worden, altijd de baas willen spelen. Dit alles vindt zijn oorsprong in een ongeordende liefde die de mens heeft voor zichzelf en dat vindt weer zijn oorsprong in de hoogmoed die in elke mens zit. We zijn gehecht aan vele dingen; vaak op een ongeregelde manier aan de schepsels van God, zaken, mensen of dieren
Soms zijn het zondige gewoontes waarvan we slaaf zijn, seks, geldzucht, rock and roll
Die ongeregelde liefde voor geschapen dingen, doet ons de liefde voor God vergeten en we vergeten dat God de Schepper is van hemel en aarde. We vergeten dat alles bestaat voor God en door God. Het is toch ten slotte God Die de zin geeft aan ons bestaan en niemand anders. God eren en dienen, dat is het doel van de schepping en dus ook het doel van ons leven op aarde! Zichzelf verloochenen in de context van het nú betekent dat we dagelijks terugkeren naar het principe waarvoor wij geschapen zijn: waarom lopen we hier rond op deze aardbol?
Dan komen we tot de conclusie: we zijn hier toch niet voor onszelf, voor ons egoïsme, toch niet om geld te scheppen of om oorlog te voeren, om te trouwen
Dat zijn de dingen die deze wereld draaiende houden. Daarvoor zijn we toch niet op de wereld. Men moet geen theoloog zijn om na te denken over dat principe.
Zichzelf verloochenen: dit is juist loskomen van je eigenliefde die je vastbindt aan het geschapene en je opheffen tot God, Die de Schepper is, onzichtbaar. Het is Hem Die we moeten eren en dienen in ons leven om onze ziel te redden
Het lichaam is ook maar een schepsel van God. Wat doen de mensen allemaal niet voor het lichaam? Het is bijna een afgodencultus! Sodoma en Gomorra zijn eraan ten onder gegaan, zoals ook onze westerse consumptiemaatschappij eraan ten onder gaat.
En zijn kruis opnemen
en Lucas voegt eraan toe elke dag opnieuw. Het Kruis is het instrument waarmee Jezus Christus ter dood gebracht werd, maar ook het instrument waardoor de Redding gekomen is, want we werden erdoor bevrijd van de zonde! Welnu, ook voor de Christus is het kruis een instrument waardoor we sterven (we sterven voor de wereld, voor alle zondige gewoontes in ons
). "Wie bevrijdt ons van dit lichaam van zonde van zonde?", schrijft Paulus in één van zijn Brieven. Welnu, het Kruis van Christus deed dat. Aan ons is het om eraan mee te werken.
Zichzelf verloochenen, leidt tot een leven van versterving, vernedering onthechting; niet voor één dag
maar elke dag opnieuw. Lucas geeft dat detail: "elke dag opnieuw". Het is dus te verstaan als een voortdurende actie. Ons leven is inderdaad een kruisweg, met vallen en opstaan, met momenten van vreugde en pijn, zoals in elk christelijk leven.
Jezus Kruisdood was een dood die tezelfdertijd een voltooiing was. "Het is volbracht!", zei de Heer aan het kruis. Wat Hij heeft volbracht, was onze verlossing en na Zijn Kruisdood kwam ook het nieuwe leven; de verrijzenis in verheerlijkte toestand. Hij is uit het graf opgestaan en 40 dagen later ten hemel opgeklommen bij Zijn hemelvaart. Ook voor ons is het sterven, een sterven op het kruis in geestelijke zin. Na een leven van onthechting en strijd tegen onze begeerten en tegen de wereld, na dit leven komt de dood en het oordeel. Dan zullen wij, die ons kruis hebben gedragen elke dag en Jezus zijn gevolgd, wij die in Zijn voetsporen zijn getreden om Hem te volgen, welnu, wij zullen Hem ook volgen en Hem achterna gaan in de eeuwige zaligheid van de hemel.
"Wij zullen ons leven redden, als we het verliezen", zegt de Heer Jezus. Als je jezelf verloochent en je kruis opneemt en je leven opoffert voor God en de Kerk, dan zul je eeuwig leven vinden hierna. Gelooft in de Heer, want Hij is Zijn geloften getrouw.
We zullen dus "verrijzen": dit is de "eerste verrijzenis" (cfr. Apoc. 20). Dit is het verder leven van de ziel bij God n afwachting van de "tweede verrijzenis", dit is de lichamelijke verrijzenis op het einde van de wereld en bij de glorievolle wederkomst van Jezus bij het Laatste Oordeel.
Wanneer de Messias in glorie wederkomt zal Hij al Zijn uitverkorenen verzamelen, maar de bozen zal Hij straffen met het eeuwige vuur van de hel. Ieder zal vergelding vinden naar zijn daden (dit zijn de "werken" cfr. Matth. 16,27).
Dat staat dus in de context van de Navolging van Jezus: zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen, zich onthechten van al die ongeregelde liefdes (we lopen van alles achterna, het geld of een idool, dingen of personen die ons van God wegtrekken
). Dat is een noodzakelijke voorwaarde om het Rijk der Hemelen binnen te gaan. Het is een noodzakelijke voorwaarde om Jezus te kunnen volgen hier op aarde, om Hem te kunnen volgen in de eeuwige zaligheid van de hemel.
De Brief van de Heilige Jacobus.
E.H. P. van de Kerckhove.
1,1a. Jacobus stelt zich voor als "dienstknecht van God en van de Heer Jezus Christus" (1,1a). Volgens Origenes is deze Jacobus de "Broeder des Heren". Galaten 1,19 noemt Jacobus, "Broeder des Heren", een apostel. Het is dezelfde als Jacobus de Mindere (Marc. 15,40). Matheus 13,53 geeft de namen van de vier broers van de Heer Jezus: Jacobus, Jozef, Simon en Judas. We bezitten ook de brief van Judas waarin de auteur zich "broer van Jacobus noemt. Deze Jacobus bleef in Jeruzalem als familie van de Heer om de Kerk in Jeruzalem te besturen bij afwezigheid van Petrus. Hij zal ook als martelaar sterven. Hij sprak het volk toe van op de tempel, maar werd door de Joden naar beneden gegooid en dan afgemaakt met stenen (Flavius Jozefus, Ant. 20). Over de dood van Jacobus in 62 na Christus vinden we details bij Eusebius die citeert uit Hegesippus en Clemens van Alexandrië (H. E. II, 23). Eusebius twijfelt echter aan de authenticiteit van het epistel van Jacobus.
Er wordt aan Jacobus ook een apocrief evangelie toegeschreven dat vele details over bevat over de geboorte en de kindsheid van Maria en Jezus. Dit proto-evangelie van Jacobus werd oorspronkelijk geschreven in 150 na Christus.
1,1b. Jacobus schreef zijn brief aan "de twaalf stammen in de verstrooiing", d.i. de Joodse bekeerlingen van de diaspora. Wat moeten we hier verstaan onder "diaspora"? De term "diaspora" duidt zowel het volk zelf aan dat verstrooid leefde, als de geografische regios waarin het volk leefde, in casu Syrië, Cilicië en Galatië.
De authenticiteit van de Jacobusbrief: wordt aanvaardt door o.a. Hengel (cfr. Tradition and Interpretation in the N.T., 1987, pp. 248-270); andere exegeten beschouwen Jacobus als pseudoniem van een latere auteur (o.a. Bauer, Dibelius,
).
Datering: de brief dateert m.i. van na Paulus eerste missiereis (anno 45-48 Hand. 13-14). Maar volgens Mayor J.B. dateert de brief nog van voor het eerste apostelconcilie (zie mijn Evangelie in Actie, h. VI). Persoonlijk denk ik dat Jacobus een jaar na de Galatenbrief van Paulus schreef. Aanleiding was het feit dat enkele Joodse tegenstrevers van Paulus hun beklag kwamen doen in Jeruzalem zeggende dat Paulus te ver ging in zijn rechtvaardigingsleer door het geloof, zonder de werken van de Wet (bv. Abraham). Jacobus brief was een reactie naar aanleiding van bepaalde misverstanden, die gerezen waren na Paulus Galatenbrief en om de tegenstrevers van Paulus in toom te houden. Jacobus vermeldt Paulus nergens in zijn brief en er was ook geen conflict tussen beiden. Beiden hielden zich aan de conciliebesluiten, maar Jacobus preciseert dat het geloof zich moeten uiten in DADEN.
"Aan de twaalf stammen in de verstrooiing". Twaalf stammen is een aanduiding voor het volk van Israël (Exod. 24; Ezech. 47; enz.), maar ook voor het nieuwe Israël van de Kerk (Apoc. 7, 5-8). De verstrooiing is een aanduiding voor het verstrooide volk, alsmede voor de territoria waarin het volk verstrooid was in ruime of beperkte geografische zin (Syrië met hoofdstad Antiochië cfr. 1 Petr. 1,1). Van de diasporajoden verbleven er velen in Jeruzalem tijdens de belangrijke feesten (Pinksteren, Pasen, enz.). Bij het eerste Pinksterfeest (in het jaar 30) hadden zich al 3000 Joden bekeerd en die waren nadien teruggekeerd naar hun respectieve landen van herkomst.
1, 2-27: Een reeks van morele vermaningen.
1, 2-8: Gelukkig bent u als u beproefd wordt in uw geloof. Daardoor wordt u standvastig en zo wordt u volmaakt in uw geloof.
Het belang van standvastigheid (Gr. hupomonè), volharding wordt ook in de Evangeliën onderstreept. Zo zegt de Heer Jezus dat het zaad dat in de goede aarde valt vele vruchten voortbrengt door volharding. Door standvastigheid zult ge uw ziel redden. Eindvolharding is een noodzakelijke deugd ter zaligheid van de ziel. De beproeving van het geloof leidt tot standvastigheid. Het geloof wordt erdoor tot volmaaktheid gebracht.
Ik wil twee grote theologische themas met u bespreken. De rest van de brief zijn eigenlijk morele vermaningen.
1, 12-15: Eerste belangrijk theologisch thema.
"Gelukkig de mens die standhoudt in de beproeving. Hij heeft de toets doorstaan, dan zal hij de zegekrans van het leven ontvangen die God beloofd heeft aan wie Hem liefhebben. Wie beproefd wordt, mag niet zeggen: Ik word door God beproefd. God, Die niet door het kwaad wordt beproefd, beproeft Zelf ook niemand. Wordt iemand beproefd, dan is het door zijn eigen begeerte die hem lokt en meetrekt. Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart ze zonde en de zonde, eenmaal volgroeid, baart de dood."
De begeerte leeft in het hart van de mens. Het is de begeerte tot onkuisheid, of tot haat, of tot diefstal, of tot leugen. Zonden ontstaan in de gedachten van de mens (Marc. 7,21). De zondige begeerte, die in ons is, is op zichzelf geen zonde als we ertegen strijden natuurlijk, maar het wordt zonde als we vrijwillig erop ingaan. Uit het hart van de mens komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, echtbreuk, gierigheid, hoogmoed, lichtzinnigheid
al deze dingen bezoedelen de mens. Maar met ongewassen handen eten, verontreinigt de mens niet. De rituele reinigingsvoorschriften van de Farizeeën kunnen de mens niet reinigen van zonde, maar wel de innerlijke gerechtigheid die Jezus Christus ons geeft met Zijn heiligmakende genade, die kan ons reinigen van zonde.
1,13: God beproeft Zelf ook niemand.
God is puur Licht van Goedheid en Waarheid. Er is bij God geen donkere plek van zonde of zondige begeerte. God wordt Zelf niet door het kwaad beproefd en Zelf beproeft God ook niemand tot kwaad doen.
God test wel onze deugdzaamheid, maar Hij bekoort ons niet tot het kwade. God test ons (Gr. peirazein)!
1. Testen, beproeven in de zin van testen van de deugdzaamheid. God zal niet toelaten dat u boven uw krachten beproefd wordt (1 Kor. 10,13).
2. Bekoren, verleiden tot kwaad doet God zeker niet (Gal. 6,1; Jac. 1,13).
De duivel wordt "verleider" genoemd (Mat. 4,3). In de bede van het "Onze Vader" betekent het "leidt ons niet bekoring", "onderwerp ons niet aan de bekoring tot iets kwaads". Men vraagt aan God de kracht om niet te vallen in de bekoring tot zonde. Deze interpretatie past ook bij de andere passage waar Jezus zegt: "Bid opdat je niet op de bekoring ingaat" (Mat. 26,41).
1,14: Jacobus zegt: "Wordt iemand beproefd (in de zin van bekoord tot het kwaad), dan is het door zijn eigen begeerte".
Zucht naar geld en plezier komt voort uit onze eigen begeerlijkheid, drift van de menselijke natuur die door de erfzonde is aangetast. (Gr. epithumia, betekent: begeerte, verlangen, ook seksueel!, ook in de zin van lust). Zo verbiedt de Bijbel andermans vrouw te begeren. Het woord heeft vaak een negatieve bijklank (cfr. Gal. 5,24; 1 Petr. 1,14; Jac. 1,14;
). Maar het kan het verlangen naar iets goeds betekenen (Fil. 1,23); ook de neiging van een man naar zijn vrouw en vice versa is iets goeds, objectief bekeken. Het wordt moreel slecht zo het motief van handelen verkeerd is.
1,15: "De begeerte baart de zonde en de zonde, eenmaal voltooid, baart de dood".
De zonde die voltooid is (Gr. apoteieô = voltooien): men kan zelfs in zijn hart de daad voltrekken, zodat het toch een zonde is!
Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd (Mat. 5). Het gaat wel degelijk om een getrouwde vrouw.
Een man met een ongetrouwde vrouw gold in het Oude Testament niet als zonde, maar voor de christelijke moraal, is dit wel zo. De christelijke moraal verbiedt elke vorm van seksualiteit buiten het huwelijk.
Hoofdstuk 1 bevat verder nog morele vermaningen:
- Wees vlug in het luisteren, maar traag in het spreken.
- Wees zachtmoedig.
- Luister niet alleen naar het Woord, maar handel ook ernaar (dit is belangrijk voor het tweede grote theologische thema in hoofdstuk twee).
- Beteugel uw tong.
- Discrimineer niet de armen onder u. De armen zijn uitgekozen om rijk te zijn in geloof. Dat is vaak zo: arme mensen zijn vaker dieper gelovig dan rijke. Uitzonderingen zijn er altijd natuurlijk.
- Vervul de Koninklijke Wet = de Evangeliewet van de naastenliefde.
- Onderhoud de Wet. (In de Jacobusbrief is dat de Tien Geboden en de bovenvermelde wet van de naastenliefde; ook de wet van de zaligsprekingen. Dat is de nieuwe wet van het Nieuwe Verbond die heeft afgekondigd in de Bergrede.
Dan komt in hoofdstuk twee het tweede grote theologische thema:
"Gerechtigheid komt door de werken. Geloof zonder de werken is dood".
Dit is de centrale theologische passage van de Jacobusbrief 2, 14-26.
2, 14-26: "Wat baat het de mens te beweren dat hij geloof heeft, als hij geen daden kan laten zien. Kan zo een geloof hem soms redden? Stel dat een broeder of zuster geen kleren heeft en niets om te eten, en iemand van u zou zeggen: Ga in vrede, hou u warm en eet maar goed., zonder hun te geven wat zij nodig hebben, wat heeft dat voor zin? Zo is ook het geloof op zichzelf genomen, als het zich niet uit in daden, dood.
Iemand zal zeggen: U hebt het geloof, maar ik heb de daad. Bewijs me eens dat u geloof hebt als u geen daden kunt tonen. Dan zal ik u uit mijn daden, mijn geloof bewijzen. U gelooft dat er slechts één God is. Uitstekend. Ook de demonen geloven dat en sidderen. Dwaas, wilt u het bewijs dat het geloof zonder de werken waardeloos is? Is onze vader Abraham niet gerechtvaardigd vanwege zijn daden, omdat hij zijn zoon Isaak op het altaar ten offer bracht? Het is duidelijk dat zijn geloof zich in daden uitte en pas door zijn daden volkomen werd. Zo ging het Woord van de Schrift in vervulling dat luidt: Abraham geloofde God en het werd hem als gerechtigheid aangerekend en hij werd Gods vriend genoemd. Het is duidelijk dat een mens door daden wordt gerechtvaardigd en niet alleen door geloof.
Werd ook de hoer Rachab niet gerechtvaardigd vanwege haar daden, omdat zij de spionnen in haar huis opnam en langs een andere weg liet vertrekken? Zoals het lichaam dood is zonder de ziel, zo is het geloof dood zonder daad."
Het geloof zonder de werken is dood! Zo een geloof is nutteloos ter zaligheid. Wat voor nut heeft het te zeggen: "Ik geloof dat onze Heer barmhartigheid wil en dat we onze naaste liefhebben en vergeven
" Wat baat het dat te geloven als we er niet naar handelen! Zonder daden is ons geloof nutteloos! Ook de duivels geloven dat Jezus de Zoon van God is. Maar het is tenslotte de duivel die Jezus heeft doen kruisigen en die de Zoon van God heeft doen vermoorden! Als ge gelooft in de Zoon van God maar blijft uw broeder haten en ge blijft slecht doen, en overspel plegen, en liegen en stelen, dan is het alsof ge door uw slechte daden Jezus, de Zoon van God, opnieuw kruisigt. Maar als ge vanuit uw geloof goede daden stelt, dan is dat het bewijs dat uw geloof ook vruchtbaar is, m.a.w. dat het Woord Gods in goede aarde is gevallen, de goede aarde van een goed hart en een vrije wil en een nederig en berouwvol hart. Zo brengt Gods Woord vruchten voort door standvastigheid. Het woord "standvastigheid" staat bij Lucas op het einde van de parabel van de zaaier en is hetzelfde als "volharding".
Het geloof uit zich in daden. Dit zijn de vruchten die men voortbrengt als men het Woord van God hoort en het in een goed hart bewaart en als men alles doet om zich te vrijwaren van de besmetting van de wereld. Ge kunt niet Gods Woord horen en de principes van het Evangelie volgen, en tezelfdertijd luisteren naar de richtlijnen van de communicatiemaatschappij. Als ge gelooft in één God, Schepper van hemel en aarde, kunt ge niet geloven in de grote Architect van de Vrijmetselarij. Ge gelooft dat heeft gesproken door de profeten en door Zijn Zoon en dat Hij mirakels heeft gedaan. Welnu, ge kunt niet tezelfdertijd zeggen dat God Zich niet heeft geopenbaard en dat Jezus geen mirakels heeft gedaan, zoals de modernisten zeggen.
Het geloof wordt dood daden volkomen
Zo werd Abraham gerechtvaardigd door het geloof dat volmaakt werd door zijn daden. "De goede aarde", zegt de Heer in de parabel van de zaaier, "zijn zij die het Woord horen en het aanvaarden en het vruchten laten dragen door standvastigheid". Uw geloof wordt beproefd, dus wees standvastig, en duurt de beproeving tot het einde van uw leven,
blijf dan standvastig tot het einde toe. De eindvolharding is noodzakelijk ter zaligheid. Ge weet dat de beproeving ophoudt, in het slechtste geval met uw dood. Ge zult zeggen: "Dat is maar een magere troost". Maar een magere troost is ook een troost.
2, 14-17: Geloof zonder daden is doelloos (nutteloos Gr. ti to ofelos: "Wat voor nut is het
). Geloof zonder daden is zonder nut voor de redding en het is ook een zinloos geloof, zonder betekenis voor ons zielenheil. Het is een dood geloof. Geloof zonder de vruchten of de daden is dus dood!
1 Joh. 3, 17-18 zegt hetzelfde: "Hoe kan de liefde blijven in een mens die geld genoeg heeft en toch zijn hart sluit voor de nood van een ander? We moeten niet liefhebben met woorden, maar met daden die waarachtig zijn".
2, 18: Geloof en daden sluiten elkaar in. Ge bewijst maar dat ge geloof hebt door uw daden. Men kan een toepassing maken op wat vele jongelui tegenwoordig zeggen: "Ik geloof, maar ik praktiseer niet." Dat is nu juist wat Jacobus een dood geloof noemt. Als ge zegt: "Ik ben wielrenner, maar ik praktiseer niet.", dan zijt ge een dode wielrenner of ge zijt opgehouden met wielrennen. Als ik zou zeggen: "Ik ben priester, maar ik praktiseer niet.", dan ben ik dood of ik ben opgehouden priester te zijn, wat niet mogelijk is, want ik ben "priester voor eeuwig" (sacerdos in aeternum).
"Christen zijn" is een geloof, maar dat veronderstelt ook een praxis die voortvloeit uit dat geloof en die noodzakelijk is voor onze redding. Als ge christen zijt dan leeft ge toch ook volgens de principes van het Evangelie, in het bijzonder de zaligsprekingen. Deze zijn handelingen, noodzakelijk om het Rijk der Hemelen binnen te gaan.
2, 19-20: U gelooft dat er slechts één God is. Welnu, ook de duivel gelooft dat maar hij aanbidt God niet. Als ge gelooft in één God, aanbidt ge ook één God en niet vele goden.
Het geloof zonder de daden is waardeloos!
Hier volgt het voorbeeld van Abraham, die gerechtvaardigd werd door zijn daden, omdat hij zijn zoon Isaak wilde offeren. Hij volbracht de daad niet in de werkelijkheid, maar in zijn hart was hij bereid tot deze daad. Die innerlijke daad was voor God voldoende om hem te rechtvaardigen. De daden van ons geloof kunnen soms in ons hart gesteld worden, (zoals vergeving, berouw,
), zoals ook zonden eerst innerlijk kunnen voltrokken worden (woede, onkuisheid,
).
Paulus schrijft echter in Romeinen 3,28 dat het geloof rechtvaardigt zonder de werken van de Wet. Is dit niet in strijd met Jacobus? Het is wel opvallend dat Jacobus juist niet verwijst naar de besnijdenis als werk van Abraham, omdat het juist een werk is van de Wet van Mozes. Jacobus zit op dezelfde lijn als Paulus wat betreft de rechtvaardigingsleer en ze zullen trouwens beiden dezelfde leer onderschrijven op het concilie van Jeruzalem. Bij Jacobus gaat om de vruchten van het geloof (werken of daden genoemd). Bij Paulus gaat het om de werken van de Wet (o.a. de besnijdenis). Het geloof in Jezus Christus als Verlosser rechtvaardigt de mens zonder de werken van de Wet van Mozes. Men moet zich niet bekeren tot de Wet of tot het Jodendom om gered te worden. Een dergelijke polemiek is niet aan de orde bij Jacobus zodat ze elkaar niet tegenspreken.
In Gal. 3, 6-12 zegt Paulus dat Abraham gerechtvaardigd werd door het geloof en niet door zijn werken: "Abraham heeft God geloofd en het werd hem als gerechtigheid aangerekend." Het argument van Paulus in Galaten moeten we ook in de context zien van een polemiek tegen judaïsanten. Paulus heeft het in die context over "werken van de Wet van Mozes" en niet over "werken" van naastenliefde. Het is van belang dit te begrijpen opdat men niet Paulus en Jacobus in strijd met elkaar gaat uitleggen, want dat zou een verkeerde interpretatie zijn.
2, 22-23: Het is duidelijk dat Abrahams geloof zich in daden uitte. Het geloof wordt maar volkomen door de DADEN en zo ging ook de Schrift in vervulling die zegt: "Abraham geloofde God en het werd hem als gerechtigheid aangerekend." (Gen. 15,6 in de versie van de LXX). Abraham geloofde God en zijn geloof, dat zich uitte in daden werd hem als gerechtigheid aangerekend. Hetzelfde oudtestamentische citaat wordt door Paulus gebruikt (Rom. 4,3; Gal. 3,6) in een andere context als argument om een andere thesis te bewijzen.
De rechtvaardigingsleer bij Jacobus en Paulus.
Jacobus en Paulus hebben beiden dezelfde rechtvaardigingsleer maar ze belichten andere aspecten van dezelfde leer. Het is een theologische reflectie op dezelfde oudtestamentische tekst van Habacuc ("de rechtvaardige door het geloof zal leven") die in een andere context wordt gebruikt. Bij Paulus is het een polemische context tegen judaïsanten. Bij Jacobus is het een moraliserende vermaning. De mens wordt gerechtvaardigd door het geloof zonder de werken (van de Wet van Mozes) en het geloof zonder de daden (handelingen conform de 10 geboden en de christelijke naastenliefde) is een dood geloof, zijn elkaar aanvullende uitspraken.
Zei de Heer ook niet: "Aan de vruchten kent men de boom."? Uit de daden van de mens kent men zijn geloof. Men kan dit ook toepassen op het gebied van de liturgie. Aan de liturgische uitdrukking, ken je het geloof, de manier van liturgie vieren, zegt ook veel over het geloof dat men heeft.
Over de verhouding van de werken t.o.v. het geloof maakt de volgende vergelijking veel duidelijk: een blinde man alleen ziet de weg niet. Zo is ook het geloof alleen waardeloos voor het heil. Maar met een blindengeleidehond vindt de blinde wel zijn weg. Zo zijn ook de werken noodzakelijk voor het heil. De werken vervolledigen het geloof. Het werk kan reeds in het hart (het verlangen) van de mens volbracht worden, zoals het offer van Abraham. Als Genesis 15,6 zegt dat Abraham gerechtvaardigd werd door het geloof (in de Belofte van een zoon) dan is dat door een werkzaam geloof, niet door een dood geloof. "Weest geen hoorders alleen, maar ook volbrengers.", zegt Jacobus (1,22). Men wordt dus gerechtvaardigd, niet alleen door het geloof, maar door het volbrengen van de daden die ons geloof ons oplegt.
Het argument van Abraham wordt bij Jacobus en Paulus op een andere manier gebruikt. Het geloof in de belofte (van de geboorte van zijn zoon Izaak), rechtvaardigde Abraham (Gen. 15). Paulus gebruikt dit argument voor zijn thesis van de rechtvaardiging door het geloof, zonder de werken van de Wet, want toen Abraham werd gerechtvaardigd, was er nog geen wet van Mozes. Jacobus stelt dat het offeren van Isaak een daad was die Abraham rechtvaardigde, want het geloof dat rechtvaardigt, is juist een geloof dat zich uit in daden. Zonder daden is het een dood geloof. Dus concludeert Jacobus: "Eigenlijk zijn het de daden die de mens rechtvaardigen en niet het geloof zonder de daden."
Het gaat hierbij uiteraard om mensen die daden kunnen stellen vanuit hun geloof, want u zal opwerpen: "Wat te denken van babys die gedoopt zijn en geen daden kunnen stellen." Uiteraard zijn die ook gered! Deze kwestie wordt hier niet behandeld in de Brieven en men moet deze kwestie er ook niet bij betrekken.
Het geloof van Abraham was in ieder geval een geloof dat werkte door de liefde (Gal. 5,6; 1 Kor. 13,4). Zodoende is Jacobus 2, 14-26 geen argument tegen Paulus rechtvaardigingsleer. Hoogstens kan Jacobus gereageerd hebben tegen enkele misverstanden die voortvloeiden uit Paulus zin: "
zonder de werken is de mens gerechtvaardigd". E. Lohse schrijft in "Glaube und Werk" (pag. 7): "Daher läst sich höchstens annehmen, Jakobus könnte gewisse missverstandene Pauluslosungen im Auge haben, die dann in den Formeln xôrus tôn ergôn" (unter Fortlassung des Begriffes nomou"), ek pistreôsmonon", - sowie der Erwähnung der rettenden Kraft des Glaubens ihren Ausdruck gefunden hätten
Keinesfalls aber haben wir mit einer frisch angreifenden Polemik gegen die Predigt des Paulus zu tun." Er is dus geen contradictie met Paulus, eerder een nuancering door Jacobus.
Deze rechtvaardigingsleer is geen uitvinding van de vroege Kerk, noch van Paulus, maar is van Jezus Christus zelf afkomstig en komt in zijn elementaire vorm reeds voor in het Evangelie (o.a. de parabel van de Farizeeër en de tollenaar). Niet de Farizeeër was gered (d.i. gereinigd van zonde) door de vervulling van de voorschriften van de Wet van Mozes. Vooral de farizeïsche hoogmoed wordt aan de kaak gesteld. Maar de tollenaar ging gerechtvaardigd heen want hij toonde berouw over zijn zonden en drukte zijn spijt uit. Dat was een "werk", een "daad" die voortkwam uit zijn geloof waardoor hij gerechtvaardigd werd. Ons eerste "werk" is dus nederig zijn en berouw hebben over onze zonden.
Verder onderstreepte de Heer Jezus ook de noodzaak van de vruchten voor diegenen die het Woord van God horen (cfr. parabel van de zaaier, de vijgenboom). Het volstaat niet het Woord te horen, men moet ook de Wil volbrengen van de hemelse Vader. "Niet hij die zegt: Heer!, Heer!, gaat binnen in de hemel, maar wel hij die de wil doet van Mijn Vader.
"
2, 24 Conclusie: Het is duidelijk dat de mens door daden wordt gerechtvaardigd en niet alleen door het geloof. (Luther ging zo ver dat hij de Jacobusbrief verwierp omdat hij vindt dat dit totaal in strijd is met Paulus).
Een ander voorbeeld (2, 25-26) is de hoer Rachab. Zij werd gerechtvaardigd (niet omdat ze een hoer was uiteraard!) maar omdat ze spionnen in haar huis opnam en langs een andere weg liet vertrekken.
Zo is ook het lichaamdood zonder de ziel en zo is ook het geloof dood zonder de werken. Zo is ook de blinde hulpeloos zonder blindengeleidehond die hem de weg naar de hemel toont. Het is toch die weg die we willen gaan en de hemel die we willen bereiken als loon voor onze goede werken, vooral werken van naastenliefde en barmhartigheid.
De hoofdstukken 3-4-5 van de Jacobusbrief bevatten verdere morele vermaningen.
H3. Houd uw tong in toom. Uw tong is zoals het roer van een schip (3,4-5). De tong kan het hele lichaam bezoedelen. "De tong kan geen mens temmen. Dat rusteloos kwaad vol dodelijk vergif" (Gr. ios = vergif). Het woord wordt ook gebruikt voor "vrouwelijke verleiding". Het vergif van de lippen is ook iets typisch vrouwelijk. Het leidt tot geweld. Mannen vermoorden elkaar erom. Kijk maar de hele geschiedenis door. Gewoon belachelijk! Er zijn ook vrouwen die vechten over een man.
Wees niet jaloers, eerzuchtig en niet grootsprakerig.
H4. Hartstochten leiden tot vechtpartijen. Ge begeert geld, seks, macht. Ge begeert wat ge niet hebt en ge zet uw zinnen op wat ge toch niet kunt krijgen. Ge zijt jaloers op wat een ander heeft en gij niet hebt. Jaloezie is de wortel van alle kwaad. Er worden moorden voor begaan. Moord uit jaloezie kwam ook in de tijd van Jacobus voor en reeds veel vroeger (cfr. Kaïn en Abel). Jaloezie is een vreselijke ziekte. Jaloerse mensen zijn diep ongelukkige mensen. Mensen die niets verlangen zijn ook mensen die met weinig tevreden zijn. Dat zijn gelukkige mensen en die doen een ander ook geen kwaad, maar die leven in vrede met God, met de naaste en met zichzelf. Satan was jaloers op het paradijselijke geluk van Adam en Eva en hij bracht Adam ten val via Eva en haar verleidingskunst met haar appel
Ge kunt niet God dienen en de wereld. Vriendschap met de wereld is vijandschap met God. Ge kunt geen vriend zijn van God en tegelijkertijd vriend van de zondige wereld. Ge moet een keuze maken en de keuze is niet moeilijk.
Bied weerstand aan de duivel en nader tot God.
Erken uw ellende en heb berouw. Verneder u en de Heer zal u verheffen.
Vermijd kwaadsprekerij (achterklap! Dit is een van de 10 geboden).
H5. Verzamel u geen schatten op aarde waar ze verroesten. Uw goud en zilver is verroest. Die roest zal tegen u getuigen.
Doe met uw rijkdommen goede werken, dan zult ge een schat hebben in de hemel (cfr. Jezus).
Heb geduld tot de komst van de Heer (parousia) op het einde van de wereld. De Heer zal komen en oordelen als rechtvaardige Rechter en eerherstel brengen aan alle kleine, verdrukte mensen. Houd stand zoals Job en de profeten die standvastig bleven in hun vertrouwen.
Leg geen eed af (cfr. het Evangelie). Zweer niet bij hemel of aarde.
H5, 14-15: Er is hier in H5 een passage over ZIEKENZALVING.
De ziekenzalving met olie werd reeds werd reeds in het Evangelie tijdens Jezus leven toegepast door de apostelen en waarschijnlijk gaat de praktijk terug op een instelling door Jezus Christus zelf! Het sacrament van het H. Oliesel is geen uitvinding van de Kerk, zoals evenmin het doopsel is uitgevonden door de Kerk. Jezus stuurde Zijn apostelen uit om te dopen en ook om de zieken te zalven met olie (Marc. 6, 12-13; Mat. en Luc. Vermelden wel het genezen van zieken, maar niet de zalving met olie). Er is een precedent voor de ziekenzalving met olie in de brief van Jacobus. Ziekenzalving met olie gebeurde door de apostelen op bevel van de Heer volgens Marcus 6. Ook het concilie van Trente verwijst naar Marcus 6 in zijn decreet over het Laatste Oliesel.
De zalving met olie wordt alleen vermeld in het Evangelie van Marcus. Bij Jacobus wordt expliciet gemaakt wat de ziekenzalving met olie aan genade geeft: de ziekenzalving met olie heeft de kracht om te genezen. 1. Om de ziel de dagelijkse zonden te vergeven. 2. Om de gezondheid van het lichaam terug te vinden.
H5, 14-15: "Is iemand van u ziek, laat hij dan de oudsten van de gemeente roepen. Zij moeten een gebed over hem uitspreken en hem met olie zalven in de Naam van de Heer. En het gelovige gebed zal de zieke redden en de Heer zal hem oprichten. En als hij zonden heeft begaan, zal het hem vergeven worden."
Dit is een sacrale tekst over het Laatste Oliesel, maar de protestanten betwisten dit.
De presbyters (letterlijk oudsten) worden geroepen om de zieke te zalven. Deze presbyters waren ook echte priesters, christelijke priesters die een heilsfunctie hadden of een heiligingsfunctie (bidden en zalven met olie
) naast een bestuurlijke functie en een leraarsfunctie. Het concilie van Trente (De sacramento extrema unctionis canon 3) definieert i.v.m. de presbyters dat het echte priesters zijn met een wijdingsmacht. Bedienaar van dit sacrament is alleen de priester.
Reeds in de Oudheid kende men het gebruik om de zieke te zalven met olie, om ziekte of pijn te verzachten, ook bij de Joden (zie de parabel van de barmhartige Samaritaan). Bidden over de zieke kwam ook voor bij de Joden. Gebed over de zieken wordt in de rabbijnse literatuur vermeld. Bij Jacobus gaat het om gebed in de Naam van de Heer (Jezus Christus, of Vader, Zoon en H. Geest).
En het gelovige gebed zal de zieke redden (Gr. sôzein, d.i. genezen in fysieke zin, maar ook redden in religieuze zin) en de Heer zal hem oprichten (Gr. egeirein, d.i. doen opstaan in fysieke zin, maar ook in geestelijke zin in de ziel). En als hij zonden heeft begaan, zullen die vergeven worden.
Redden: in fysieke zin: redden van het lichaam (redden uit de dood, redden uit gevaar op zee, redden van ziekte); in geestelijke zin: bevrijden van de ziel van de eeuwige verdoemenis, van Satan en van geestelijke ziekten; ook in morele zin bevrijden van zonde.
Oprichten: in fysieke zin (doen opstaan van doden, genezen van een ziekte, uit slaap
); in morele zin (terug moed geven om beproevingen te doorstaan).
5,19-20: Breng zondaars terug van hun dwaalweg naar de waarheid en zo zult ge diens ziel redden van de dood en ge zult tal van zonden bedekken; d.i. een menigte van zonden zal vergeven worden door de liefde. Liefde bedekte alle zonden. Een zondaar terugbrengen tot de waarheid is een werk van liefde. De persoon die wordt bekeerd, zal gered zijn en zo ook bevrijd van een groot aantal zonden, ook de zonden die hij zou begaan hebben indien hij niet tot inkeer zou gebracht zijn geweest.
Dit is de laatste zin van de brief. Er is geen slot- en geen groetformule zoals ook in sommige Oudtestamentische Wijsheidsgeschriften (o.a. Sirach).
Tot daar deze lezing over de Jacobusbrief met een abrupt einde (het lijkt alsof er een stuk verloren is gegaan). Ik wil eraan toevoegen: volg deze mooie richtlijnen; breng uw broeder terug naar de waarheid en ge zult zijn ziel redden en hem vrijwaren van vele zonden. Wij vragen dit door de Heilige Jacobus. Amen.