Uittreksels uit het boek "Oorzaken en behandelingen"
10.30: Dr. Lut Gillis:
Mededelingen, activiteiten Studiegroep Hildegard van Bingen
11.15: Eucharistie
12.30: Picknick, zelf mee te brengen
Soep en drank zijn wel verkrijgbaar
14.00: Mevr. Lucette Verboven:
Boeiend namiddagvullend programma over het leven en werk van Hildegard van Bingen
17.00: Einde
Kosten: 15 euro, ter plaatse te betalen
Gelieve vooraf een seintje te geven aan Dr. L. Gillis
l.gillis@telenet.be - Tel. 0032-15 31 92 05
Iedereen is hartelijk welkom.
De Brief van de Heilige Jacobus.
Meditatie te Hasselt op 25 juni 2011.
E.H. P. van de Kerckhove.
"Wie Mijn leerling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen."
Leerling van Jezus zijn wil zeggen: "Jezus navolgen". Maar daar is een geestelijke voorbereiding voor nodig. Er zijn twee dingen nodig: je zelf verloochenen en je kruis opnemen. Deze woorden veronderstellen dat reeds de Heer Jezus Zelf het leven als een kruisweg beschouwt en dat het woord "kruis" in religieusgeestelijke zin gebruikt wordt door Hem. Moderne exegeten aanvaarden dit over het algemeen niet en ze twijfelen ook aan de Jezus-echtheid van deze woorden.
Iemand volgen wil zeggen: achter iemand lopen; in zijn of haar voetsporen lopen. Figuurlijk betekent het iemands voorbeeld navolgen Dat laatste is het wat Jezus van ons verlangt. Maar voordat je begint met Jezus na te volgen, moet jij je ook geestelijk voorbereiden.
Onszelf verloochenen: dit wil zeggen, ons ontdoen van ons eigen ik, ons egoïsme. Daarmee begint het werk van onze heiliging. Ons egoïsme uit zich op zovele manieren: o.a. het altijd gelijk willen hebben, altijd gediend willen worden, altijd de baas willen spelen. Dit alles vindt zijn oorsprong in een ongeordende liefde die de mens heeft voor zichzelf en dat vindt weer zijn oorsprong in de hoogmoed die in elke mens zit. We zijn gehecht aan vele dingen; vaak op een ongeregelde manier aan de schepsels van God, zaken, mensen of dieren Soms zijn het zondige gewoontes waarvan we slaaf zijn, seks, geldzucht, rock and roll Die ongeregelde liefde voor geschapen dingen, doet ons de liefde voor God vergeten en we vergeten dat God de Schepper is van hemel en aarde. We vergeten dat alles bestaat voor God en door God. Het is toch ten slotte God Die de zin geeft aan ons bestaan en niemand anders. God eren en dienen, dat is het doel van de schepping en dus ook het doel van ons leven op aarde! Zichzelf verloochenen in de context van het nú betekent dat we dagelijks terugkeren naar het principe waarvoor wij geschapen zijn: waarom lopen we hier rond op deze aardbol?
Dan komen we tot de conclusie: we zijn hier toch niet voor onszelf, voor ons egoïsme, toch niet om geld te scheppen of om oorlog te voeren, om te trouwen Dat zijn de dingen die deze wereld draaiende houden. Daarvoor zijn we toch niet op de wereld. Men moet geen theoloog zijn om na te denken over dat principe.
Zichzelf verloochenen: dit is juist loskomen van je eigenliefde die je vastbindt aan het geschapene en je opheffen tot God, Die de Schepper is, onzichtbaar. Het is Hem Die we moeten eren en dienen in ons leven om onze ziel te redden Het lichaam is ook maar een schepsel van God. Wat doen de mensen allemaal niet voor het lichaam? Het is bijna een afgodencultus! Sodoma en Gomorra zijn eraan ten onder gegaan, zoals ook onze westerse consumptiemaatschappij eraan ten onder gaat.
En zijn kruis opnemen en Lucas voegt eraan toe elke dag opnieuw. Het Kruis is het instrument waarmee Jezus Christus ter dood gebracht werd, maar ook het instrument waardoor de Redding gekomen is, want we werden erdoor bevrijd van de zonde! Welnu, ook voor de Christus is het kruis een instrument waardoor we sterven (we sterven voor de wereld, voor alle zondige gewoontes in ons ). "Wie bevrijdt ons van dit lichaam van zonde van zonde?", schrijft Paulus in één van zijn Brieven. Welnu, het Kruis van Christus deed dat. Aan ons is het om eraan mee te werken.
Zichzelf verloochenen, leidt tot een leven van versterving, vernedering onthechting; niet voor één dag maar elke dag opnieuw. Lucas geeft dat detail: "elke dag opnieuw". Het is dus te verstaan als een voortdurende actie. Ons leven is inderdaad een kruisweg, met vallen en opstaan, met momenten van vreugde en pijn, zoals in elk christelijk leven.
Jezus Kruisdood was een dood die tezelfdertijd een voltooiing was. "Het is volbracht!", zei de Heer aan het kruis. Wat Hij heeft volbracht, was onze verlossing en na Zijn Kruisdood kwam ook het nieuwe leven; de verrijzenis in verheerlijkte toestand. Hij is uit het graf opgestaan en 40 dagen later ten hemel opgeklommen bij Zijn hemelvaart. Ook voor ons is het sterven, een sterven op het kruis in geestelijke zin. Na een leven van onthechting en strijd tegen onze begeerten en tegen de wereld, na dit leven komt de dood en het oordeel. Dan zullen wij, die ons kruis hebben gedragen elke dag en Jezus zijn gevolgd, wij die in Zijn voetsporen zijn getreden om Hem te volgen, welnu, wij zullen Hem ook volgen en Hem achterna gaan in de eeuwige zaligheid van de hemel.
"Wij zullen ons leven redden, als we het verliezen", zegt de Heer Jezus. Als je jezelf verloochent en je kruis opneemt en je leven opoffert voor God en de Kerk, dan zul je eeuwig leven vinden hierna. Gelooft in de Heer, want Hij is Zijn geloften getrouw.
We zullen dus "verrijzen": dit is de "eerste verrijzenis" (cfr. Apoc. 20). Dit is het verder leven van de ziel bij God n afwachting van de "tweede verrijzenis", dit is de lichamelijke verrijzenis op het einde van de wereld en bij de glorievolle wederkomst van Jezus bij het Laatste Oordeel.
Wanneer de Messias in glorie wederkomt zal Hij al Zijn uitverkorenen verzamelen, maar de bozen zal Hij straffen met het eeuwige vuur van de hel. Ieder zal vergelding vinden naar zijn daden (dit zijn de "werken" cfr. Matth. 16,27).
Dat staat dus in de context van de Navolging van Jezus: zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen, zich onthechten van al die ongeregelde liefdes (we lopen van alles achterna, het geld of een idool, dingen of personen die ons van God wegtrekken ). Dat is een noodzakelijke voorwaarde om het Rijk der Hemelen binnen te gaan. Het is een noodzakelijke voorwaarde om Jezus te kunnen volgen hier op aarde, om Hem te kunnen volgen in de eeuwige zaligheid van de hemel.
De Brief van de Heilige Jacobus.
E.H. P. van de Kerckhove.
1,1a. Jacobus stelt zich voor als "dienstknecht van God en van de Heer Jezus Christus" (1,1a). Volgens Origenes is deze Jacobus de "Broeder des Heren". Galaten 1,19 noemt Jacobus, "Broeder des Heren", een apostel. Het is dezelfde als Jacobus de Mindere (Marc. 15,40). Matheus 13,53 geeft de namen van de vier broers van de Heer Jezus: Jacobus, Jozef, Simon en Judas. We bezitten ook de brief van Judas waarin de auteur zich "broer van Jacobus noemt. Deze Jacobus bleef in Jeruzalem als familie van de Heer om de Kerk in Jeruzalem te besturen bij afwezigheid van Petrus. Hij zal ook als martelaar sterven. Hij sprak het volk toe van op de tempel, maar werd door de Joden naar beneden gegooid en dan afgemaakt met stenen (Flavius Jozefus, Ant. 20). Over de dood van Jacobus in 62 na Christus vinden we details bij Eusebius die citeert uit Hegesippus en Clemens van Alexandrië (H. E. II, 23). Eusebius twijfelt echter aan de authenticiteit van het epistel van Jacobus.
Er wordt aan Jacobus ook een apocrief evangelie toegeschreven dat vele details over bevat over de geboorte en de kindsheid van Maria en Jezus. Dit proto-evangelie van Jacobus werd oorspronkelijk geschreven in 150 na Christus.
1,1b. Jacobus schreef zijn brief aan "de twaalf stammen in de verstrooiing", d.i. de Joodse bekeerlingen van de diaspora. Wat moeten we hier verstaan onder "diaspora"? De term "diaspora" duidt zowel het volk zelf aan dat verstrooid leefde, als de geografische regios waarin het volk leefde, in casu Syrië, Cilicië en Galatië.
De authenticiteit van de Jacobusbrief: wordt aanvaardt door o.a. Hengel (cfr. Tradition and Interpretation in the N.T., 1987, pp. 248-270); andere exegeten beschouwen Jacobus als pseudoniem van een latere auteur (o.a. Bauer, Dibelius, ).
Datering: de brief dateert m.i. van na Paulus eerste missiereis (anno 45-48 Hand. 13-14). Maar volgens Mayor J.B. dateert de brief nog van voor het eerste apostelconcilie (zie mijn Evangelie in Actie, h. VI). Persoonlijk denk ik dat Jacobus een jaar na de Galatenbrief van Paulus schreef. Aanleiding was het feit dat enkele Joodse tegenstrevers van Paulus hun beklag kwamen doen in Jeruzalem zeggende dat Paulus te ver ging in zijn rechtvaardigingsleer door het geloof, zonder de werken van de Wet (bv. Abraham). Jacobus brief was een reactie naar aanleiding van bepaalde misverstanden, die gerezen waren na Paulus Galatenbrief en om de tegenstrevers van Paulus in toom te houden. Jacobus vermeldt Paulus nergens in zijn brief en er was ook geen conflict tussen beiden. Beiden hielden zich aan de conciliebesluiten, maar Jacobus preciseert dat het geloof zich moeten uiten in DADEN.
"Aan de twaalf stammen in de verstrooiing". Twaalf stammen is een aanduiding voor het volk van Israël (Exod. 24; Ezech. 47; enz.), maar ook voor het nieuwe Israël van de Kerk (Apoc. 7, 5-8). De verstrooiing is een aanduiding voor het verstrooide volk, alsmede voor de territoria waarin het volk verstrooid was in ruime of beperkte geografische zin (Syrië met hoofdstad Antiochië cfr. 1 Petr. 1,1). Van de diasporajoden verbleven er velen in Jeruzalem tijdens de belangrijke feesten (Pinksteren, Pasen, enz.). Bij het eerste Pinksterfeest (in het jaar 30) hadden zich al 3000 Joden bekeerd en die waren nadien teruggekeerd naar hun respectieve landen van herkomst.
1, 2-27: Een reeks van morele vermaningen.
1, 2-8: Gelukkig bent u als u beproefd wordt in uw geloof. Daardoor wordt u standvastig en zo wordt u volmaakt in uw geloof.
Het belang van standvastigheid (Gr. hupomonè), volharding wordt ook in de Evangeliën onderstreept. Zo zegt de Heer Jezus dat het zaad dat in de goede aarde valt vele vruchten voortbrengt door volharding. Door standvastigheid zult ge uw ziel redden. Eindvolharding is een noodzakelijke deugd ter zaligheid van de ziel. De beproeving van het geloof leidt tot standvastigheid. Het geloof wordt erdoor tot volmaaktheid gebracht.
Ik wil twee grote theologische themas met u bespreken. De rest van de brief zijn eigenlijk morele vermaningen.
1, 12-15: Eerste belangrijk theologisch thema.
"Gelukkig de mens die standhoudt in de beproeving. Hij heeft de toets doorstaan, dan zal hij de zegekrans van het leven ontvangen die God beloofd heeft aan wie Hem liefhebben. Wie beproefd wordt, mag niet zeggen: Ik word door God beproefd. God, Die niet door het kwaad wordt beproefd, beproeft Zelf ook niemand. Wordt iemand beproefd, dan is het door zijn eigen begeerte die hem lokt en meetrekt. Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart ze zonde en de zonde, eenmaal volgroeid, baart de dood."
De begeerte leeft in het hart van de mens. Het is de begeerte tot onkuisheid, of tot haat, of tot diefstal, of tot leugen. Zonden ontstaan in de gedachten van de mens (Marc. 7,21). De zondige begeerte, die in ons is, is op zichzelf geen zonde als we ertegen strijden natuurlijk, maar het wordt zonde als we vrijwillig erop ingaan. Uit het hart van de mens komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, echtbreuk, gierigheid, hoogmoed, lichtzinnigheid al deze dingen bezoedelen de mens. Maar met ongewassen handen eten, verontreinigt de mens niet. De rituele reinigingsvoorschriften van de Farizeeën kunnen de mens niet reinigen van zonde, maar wel de innerlijke gerechtigheid die Jezus Christus ons geeft met Zijn heiligmakende genade, die kan ons reinigen van zonde.
1,13: God beproeft Zelf ook niemand.
God is puur Licht van Goedheid en Waarheid. Er is bij God geen donkere plek van zonde of zondige begeerte. God wordt Zelf niet door het kwaad beproefd en Zelf beproeft God ook niemand tot kwaad doen. God test wel onze deugdzaamheid, maar Hij bekoort ons niet tot het kwade. God test ons (Gr. peirazein)!
1. Testen, beproeven in de zin van testen van de deugdzaamheid. God zal niet toelaten dat u boven uw krachten beproefd wordt (1 Kor. 10,13).
2. Bekoren, verleiden tot kwaad doet God zeker niet (Gal. 6,1; Jac. 1,13).
De duivel wordt "verleider" genoemd (Mat. 4,3). In de bede van het "Onze Vader" betekent het "leidt ons niet bekoring", "onderwerp ons niet aan de bekoring tot iets kwaads". Men vraagt aan God de kracht om niet te vallen in de bekoring tot zonde. Deze interpretatie past ook bij de andere passage waar Jezus zegt: "Bid opdat je niet op de bekoring ingaat" (Mat. 26,41).
1,14: Jacobus zegt: "Wordt iemand beproefd (in de zin van bekoord tot het kwaad), dan is het door zijn eigen begeerte".
Zucht naar geld en plezier komt voort uit onze eigen begeerlijkheid, drift van de menselijke natuur die door de erfzonde is aangetast. (Gr. epithumia, betekent: begeerte, verlangen, ook seksueel!, ook in de zin van lust). Zo verbiedt de Bijbel andermans vrouw te begeren. Het woord heeft vaak een negatieve bijklank (cfr. Gal. 5,24; 1 Petr. 1,14; Jac. 1,14; ). Maar het kan het verlangen naar iets goeds betekenen (Fil. 1,23); ook de neiging van een man naar zijn vrouw en vice versa is iets goeds, objectief bekeken. Het wordt moreel slecht zo het motief van handelen verkeerd is.
1,15: "De begeerte baart de zonde en de zonde, eenmaal voltooid, baart de dood".
De zonde die voltooid is (Gr. apoteieô = voltooien): men kan zelfs in zijn hart de daad voltrekken, zodat het toch een zonde is!
Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd (Mat. 5). Het gaat wel degelijk om een getrouwde vrouw. Een man met een ongetrouwde vrouw gold in het Oude Testament niet als zonde, maar voor de christelijke moraal, is dit wel zo. De christelijke moraal verbiedt elke vorm van seksualiteit buiten het huwelijk.
Hoofdstuk 1 bevat verder nog morele vermaningen:
- Wees vlug in het luisteren, maar traag in het spreken.
- Wees zachtmoedig.
- Luister niet alleen naar het Woord, maar handel ook ernaar (dit is belangrijk voor het tweede grote theologische thema in hoofdstuk twee).
- Beteugel uw tong.
- Discrimineer niet de armen onder u. De armen zijn uitgekozen om rijk te zijn in geloof. Dat is vaak zo: arme mensen zijn vaker dieper gelovig dan rijke. Uitzonderingen zijn er altijd natuurlijk.
- Vervul de Koninklijke Wet = de Evangeliewet van de naastenliefde.
- Onderhoud de Wet. (In de Jacobusbrief is dat de Tien Geboden en de bovenvermelde wet van de naastenliefde; ook de wet van de zaligsprekingen. Dat is de nieuwe wet van het Nieuwe Verbond die heeft afgekondigd in de Bergrede.
Dan komt in hoofdstuk twee het tweede grote theologische thema:
"Gerechtigheid komt door de werken. Geloof zonder de werken is dood".
Dit is de centrale theologische passage van de Jacobusbrief 2, 14-26.
2, 14-26: "Wat baat het de mens te beweren dat hij geloof heeft, als hij geen daden kan laten zien. Kan zo een geloof hem soms redden? Stel dat een broeder of zuster geen kleren heeft en niets om te eten, en iemand van u zou zeggen: Ga in vrede, hou u warm en eet maar goed., zonder hun te geven wat zij nodig hebben, wat heeft dat voor zin? Zo is ook het geloof op zichzelf genomen, als het zich niet uit in daden, dood.
Iemand zal zeggen: U hebt het geloof, maar ik heb de daad. Bewijs me eens dat u geloof hebt als u geen daden kunt tonen. Dan zal ik u uit mijn daden, mijn geloof bewijzen. U gelooft dat er slechts één God is. Uitstekend. Ook de demonen geloven dat en sidderen. Dwaas, wilt u het bewijs dat het geloof zonder de werken waardeloos is? Is onze vader Abraham niet gerechtvaardigd vanwege zijn daden, omdat hij zijn zoon Isaak op het altaar ten offer bracht? Het is duidelijk dat zijn geloof zich in daden uitte en pas door zijn daden volkomen werd. Zo ging het Woord van de Schrift in vervulling dat luidt: Abraham geloofde God en het werd hem als gerechtigheid aangerekend en hij werd Gods vriend genoemd. Het is duidelijk dat een mens door daden wordt gerechtvaardigd en niet alleen door geloof.
Werd ook de hoer Rachab niet gerechtvaardigd vanwege haar daden, omdat zij de spionnen in haar huis opnam en langs een andere weg liet vertrekken? Zoals het lichaam dood is zonder de ziel, zo is het geloof dood zonder daad."
Het geloof zonder de werken is dood! Zo een geloof is nutteloos ter zaligheid. Wat voor nut heeft het te zeggen: "Ik geloof dat onze Heer barmhartigheid wil en dat we onze naaste liefhebben en vergeven " Wat baat het dat te geloven als we er niet naar handelen! Zonder daden is ons geloof nutteloos! Ook de duivels geloven dat Jezus de Zoon van God is. Maar het is tenslotte de duivel die Jezus heeft doen kruisigen en die de Zoon van God heeft doen vermoorden! Als ge gelooft in de Zoon van God maar blijft uw broeder haten en ge blijft slecht doen, en overspel plegen, en liegen en stelen, dan is het alsof ge door uw slechte daden Jezus, de Zoon van God, opnieuw kruisigt. Maar als ge vanuit uw geloof goede daden stelt, dan is dat het bewijs dat uw geloof ook vruchtbaar is, m.a.w. dat het Woord Gods in goede aarde is gevallen, de goede aarde van een goed hart en een vrije wil en een nederig en berouwvol hart. Zo brengt Gods Woord vruchten voort door standvastigheid. Het woord "standvastigheid" staat bij Lucas op het einde van de parabel van de zaaier en is hetzelfde als "volharding".
Het geloof uit zich in daden. Dit zijn de vruchten die men voortbrengt als men het Woord van God hoort en het in een goed hart bewaart en als men alles doet om zich te vrijwaren van de besmetting van de wereld. Ge kunt niet Gods Woord horen en de principes van het Evangelie volgen, en tezelfdertijd luisteren naar de richtlijnen van de communicatiemaatschappij. Als ge gelooft in één God, Schepper van hemel en aarde, kunt ge niet geloven in de grote Architect van de Vrijmetselarij. Ge gelooft dat heeft gesproken door de profeten en door Zijn Zoon en dat Hij mirakels heeft gedaan. Welnu, ge kunt niet tezelfdertijd zeggen dat God Zich niet heeft geopenbaard en dat Jezus geen mirakels heeft gedaan, zoals de modernisten zeggen.
Het geloof wordt dood daden volkomen Zo werd Abraham gerechtvaardigd door het geloof dat volmaakt werd door zijn daden. "De goede aarde", zegt de Heer in de parabel van de zaaier, "zijn zij die het Woord horen en het aanvaarden en het vruchten laten dragen door standvastigheid". Uw geloof wordt beproefd, dus wees standvastig, en duurt de beproeving tot het einde van uw leven, blijf dan standvastig tot het einde toe. De eindvolharding is noodzakelijk ter zaligheid. Ge weet dat de beproeving ophoudt, in het slechtste geval met uw dood. Ge zult zeggen: "Dat is maar een magere troost". Maar een magere troost is ook een troost.
2, 14-17: Geloof zonder daden is doelloos (nutteloos Gr. ti to ofelos: "Wat voor nut is het ). Geloof zonder daden is zonder nut voor de redding en het is ook een zinloos geloof, zonder betekenis voor ons zielenheil. Het is een dood geloof. Geloof zonder de vruchten of de daden is dus dood!
1 Joh. 3, 17-18 zegt hetzelfde: "Hoe kan de liefde blijven in een mens die geld genoeg heeft en toch zijn hart sluit voor de nood van een ander? We moeten niet liefhebben met woorden, maar met daden die waarachtig zijn".
2, 18: Geloof en daden sluiten elkaar in. Ge bewijst maar dat ge geloof hebt door uw daden. Men kan een toepassing maken op wat vele jongelui tegenwoordig zeggen: "Ik geloof, maar ik praktiseer niet." Dat is nu juist wat Jacobus een dood geloof noemt. Als ge zegt: "Ik ben wielrenner, maar ik praktiseer niet.", dan zijt ge een dode wielrenner of ge zijt opgehouden met wielrennen. Als ik zou zeggen: "Ik ben priester, maar ik praktiseer niet.", dan ben ik dood of ik ben opgehouden priester te zijn, wat niet mogelijk is, want ik ben "priester voor eeuwig" (sacerdos in aeternum).
"Christen zijn" is een geloof, maar dat veronderstelt ook een praxis die voortvloeit uit dat geloof en die noodzakelijk is voor onze redding. Als ge christen zijt dan leeft ge toch ook volgens de principes van het Evangelie, in het bijzonder de zaligsprekingen. Deze zijn handelingen, noodzakelijk om het Rijk der Hemelen binnen te gaan.
2, 19-20: U gelooft dat er slechts één God is. Welnu, ook de duivel gelooft dat maar hij aanbidt God niet. Als ge gelooft in één God, aanbidt ge ook één God en niet vele goden.
Het geloof zonder de daden is waardeloos!
Hier volgt het voorbeeld van Abraham, die gerechtvaardigd werd door zijn daden, omdat hij zijn zoon Isaak wilde offeren. Hij volbracht de daad niet in de werkelijkheid, maar in zijn hart was hij bereid tot deze daad. Die innerlijke daad was voor God voldoende om hem te rechtvaardigen. De daden van ons geloof kunnen soms in ons hart gesteld worden, (zoals vergeving, berouw, ), zoals ook zonden eerst innerlijk kunnen voltrokken worden (woede, onkuisheid, ).
Paulus schrijft echter in Romeinen 3,28 dat het geloof rechtvaardigt zonder de werken van de Wet. Is dit niet in strijd met Jacobus? Het is wel opvallend dat Jacobus juist niet verwijst naar de besnijdenis als werk van Abraham, omdat het juist een werk is van de Wet van Mozes. Jacobus zit op dezelfde lijn als Paulus wat betreft de rechtvaardigingsleer en ze zullen trouwens beiden dezelfde leer onderschrijven op het concilie van Jeruzalem. Bij Jacobus gaat om de vruchten van het geloof (werken of daden genoemd). Bij Paulus gaat het om de werken van de Wet (o.a. de besnijdenis). Het geloof in Jezus Christus als Verlosser rechtvaardigt de mens zonder de werken van de Wet van Mozes. Men moet zich niet bekeren tot de Wet of tot het Jodendom om gered te worden. Een dergelijke polemiek is niet aan de orde bij Jacobus zodat ze elkaar niet tegenspreken.
In Gal. 3, 6-12 zegt Paulus dat Abraham gerechtvaardigd werd door het geloof en niet door zijn werken: "Abraham heeft God geloofd en het werd hem als gerechtigheid aangerekend." Het argument van Paulus in Galaten moeten we ook in de context zien van een polemiek tegen judaïsanten. Paulus heeft het in die context over "werken van de Wet van Mozes" en niet over "werken" van naastenliefde. Het is van belang dit te begrijpen opdat men niet Paulus en Jacobus in strijd met elkaar gaat uitleggen, want dat zou een verkeerde interpretatie zijn.
2, 22-23: Het is duidelijk dat Abrahams geloof zich in daden uitte. Het geloof wordt maar volkomen door de DADEN en zo ging ook de Schrift in vervulling die zegt: "Abraham geloofde God en het werd hem als gerechtigheid aangerekend." (Gen. 15,6 in de versie van de LXX). Abraham geloofde God en zijn geloof, dat zich uitte in daden werd hem als gerechtigheid aangerekend. Hetzelfde oudtestamentische citaat wordt door Paulus gebruikt (Rom. 4,3; Gal. 3,6) in een andere context als argument om een andere thesis te bewijzen.
De rechtvaardigingsleer bij Jacobus en Paulus.
Jacobus en Paulus hebben beiden dezelfde rechtvaardigingsleer maar ze belichten andere aspecten van dezelfde leer. Het is een theologische reflectie op dezelfde oudtestamentische tekst van Habacuc ("de rechtvaardige door het geloof zal leven") die in een andere context wordt gebruikt. Bij Paulus is het een polemische context tegen judaïsanten. Bij Jacobus is het een moraliserende vermaning. De mens wordt gerechtvaardigd door het geloof zonder de werken (van de Wet van Mozes) en het geloof zonder de daden (handelingen conform de 10 geboden en de christelijke naastenliefde) is een dood geloof, zijn elkaar aanvullende uitspraken.
Zei de Heer ook niet: "Aan de vruchten kent men de boom."? Uit de daden van de mens kent men zijn geloof. Men kan dit ook toepassen op het gebied van de liturgie. Aan de liturgische uitdrukking, ken je het geloof, de manier van liturgie vieren, zegt ook veel over het geloof dat men heeft.
Over de verhouding van de werken t.o.v. het geloof maakt de volgende vergelijking veel duidelijk: een blinde man alleen ziet de weg niet. Zo is ook het geloof alleen waardeloos voor het heil. Maar met een blindengeleidehond vindt de blinde wel zijn weg. Zo zijn ook de werken noodzakelijk voor het heil. De werken vervolledigen het geloof. Het werk kan reeds in het hart (het verlangen) van de mens volbracht worden, zoals het offer van Abraham. Als Genesis 15,6 zegt dat Abraham gerechtvaardigd werd door het geloof (in de Belofte van een zoon) dan is dat door een werkzaam geloof, niet door een dood geloof. "Weest geen hoorders alleen, maar ook volbrengers.", zegt Jacobus (1,22). Men wordt dus gerechtvaardigd, niet alleen door het geloof, maar door het volbrengen van de daden die ons geloof ons oplegt.
Het argument van Abraham wordt bij Jacobus en Paulus op een andere manier gebruikt. Het geloof in de belofte (van de geboorte van zijn zoon Izaak), rechtvaardigde Abraham (Gen. 15). Paulus gebruikt dit argument voor zijn thesis van de rechtvaardiging door het geloof, zonder de werken van de Wet, want toen Abraham werd gerechtvaardigd, was er nog geen wet van Mozes. Jacobus stelt dat het offeren van Isaak een daad was die Abraham rechtvaardigde, want het geloof dat rechtvaardigt, is juist een geloof dat zich uit in daden. Zonder daden is het een dood geloof. Dus concludeert Jacobus: "Eigenlijk zijn het de daden die de mens rechtvaardigen en niet het geloof zonder de daden."
Het gaat hierbij uiteraard om mensen die daden kunnen stellen vanuit hun geloof, want u zal opwerpen: "Wat te denken van babys die gedoopt zijn en geen daden kunnen stellen." Uiteraard zijn die ook gered! Deze kwestie wordt hier niet behandeld in de Brieven en men moet deze kwestie er ook niet bij betrekken.
Het geloof van Abraham was in ieder geval een geloof dat werkte door de liefde (Gal. 5,6; 1 Kor. 13,4). Zodoende is Jacobus 2, 14-26 geen argument tegen Paulus rechtvaardigingsleer. Hoogstens kan Jacobus gereageerd hebben tegen enkele misverstanden die voortvloeiden uit Paulus zin: " zonder de werken is de mens gerechtvaardigd". E. Lohse schrijft in "Glaube und Werk" (pag. 7): "Daher läst sich höchstens annehmen, Jakobus könnte gewisse missverstandene Pauluslosungen im Auge haben, die dann in den Formeln xôrus tôn ergôn" (unter Fortlassung des Begriffes nomou"), ek pistreôsmonon", - sowie der Erwähnung der rettenden Kraft des Glaubens ihren Ausdruck gefunden hätten Keinesfalls aber haben wir mit einer frisch angreifenden Polemik gegen die Predigt des Paulus zu tun." Er is dus geen contradictie met Paulus, eerder een nuancering door Jacobus.
Deze rechtvaardigingsleer is geen uitvinding van de vroege Kerk, noch van Paulus, maar is van Jezus Christus zelf afkomstig en komt in zijn elementaire vorm reeds voor in het Evangelie (o.a. de parabel van de Farizeeër en de tollenaar). Niet de Farizeeër was gered (d.i. gereinigd van zonde) door de vervulling van de voorschriften van de Wet van Mozes. Vooral de farizeïsche hoogmoed wordt aan de kaak gesteld. Maar de tollenaar ging gerechtvaardigd heen want hij toonde berouw over zijn zonden en drukte zijn spijt uit. Dat was een "werk", een "daad" die voortkwam uit zijn geloof waardoor hij gerechtvaardigd werd. Ons eerste "werk" is dus nederig zijn en berouw hebben over onze zonden.
Verder onderstreepte de Heer Jezus ook de noodzaak van de vruchten voor diegenen die het Woord van God horen (cfr. parabel van de zaaier, de vijgenboom). Het volstaat niet het Woord te horen, men moet ook de Wil volbrengen van de hemelse Vader. "Niet hij die zegt: Heer!, Heer!, gaat binnen in de hemel, maar wel hij die de wil doet van Mijn Vader. "
2, 24 Conclusie: Het is duidelijk dat de mens door daden wordt gerechtvaardigd en niet alleen door het geloof. (Luther ging zo ver dat hij de Jacobusbrief verwierp omdat hij vindt dat dit totaal in strijd is met Paulus).
Een ander voorbeeld (2, 25-26) is de hoer Rachab. Zij werd gerechtvaardigd (niet omdat ze een hoer was uiteraard!) maar omdat ze spionnen in haar huis opnam en langs een andere weg liet vertrekken.
Zo is ook het lichaamdood zonder de ziel en zo is ook het geloof dood zonder de werken. Zo is ook de blinde hulpeloos zonder blindengeleidehond die hem de weg naar de hemel toont. Het is toch die weg die we willen gaan en de hemel die we willen bereiken als loon voor onze goede werken, vooral werken van naastenliefde en barmhartigheid.
De hoofdstukken 3-4-5 van de Jacobusbrief bevatten verdere morele vermaningen.
H3. Houd uw tong in toom. Uw tong is zoals het roer van een schip (3,4-5). De tong kan het hele lichaam bezoedelen. "De tong kan geen mens temmen. Dat rusteloos kwaad vol dodelijk vergif" (Gr. ios = vergif). Het woord wordt ook gebruikt voor "vrouwelijke verleiding". Het vergif van de lippen is ook iets typisch vrouwelijk. Het leidt tot geweld. Mannen vermoorden elkaar erom. Kijk maar de hele geschiedenis door. Gewoon belachelijk! Er zijn ook vrouwen die vechten over een man.
Wees niet jaloers, eerzuchtig en niet grootsprakerig.
H4. Hartstochten leiden tot vechtpartijen. Ge begeert geld, seks, macht. Ge begeert wat ge niet hebt en ge zet uw zinnen op wat ge toch niet kunt krijgen. Ge zijt jaloers op wat een ander heeft en gij niet hebt. Jaloezie is de wortel van alle kwaad. Er worden moorden voor begaan. Moord uit jaloezie kwam ook in de tijd van Jacobus voor en reeds veel vroeger (cfr. Kaïn en Abel). Jaloezie is een vreselijke ziekte. Jaloerse mensen zijn diep ongelukkige mensen. Mensen die niets verlangen zijn ook mensen die met weinig tevreden zijn. Dat zijn gelukkige mensen en die doen een ander ook geen kwaad, maar die leven in vrede met God, met de naaste en met zichzelf. Satan was jaloers op het paradijselijke geluk van Adam en Eva en hij bracht Adam ten val via Eva en haar verleidingskunst met haar appel
Ge kunt niet God dienen en de wereld. Vriendschap met de wereld is vijandschap met God. Ge kunt geen vriend zijn van God en tegelijkertijd vriend van de zondige wereld. Ge moet een keuze maken en de keuze is niet moeilijk.
Bied weerstand aan de duivel en nader tot God.
Erken uw ellende en heb berouw. Verneder u en de Heer zal u verheffen.
Vermijd kwaadsprekerij (achterklap! Dit is een van de 10 geboden).
H5. Verzamel u geen schatten op aarde waar ze verroesten. Uw goud en zilver is verroest. Die roest zal tegen u getuigen.
Doe met uw rijkdommen goede werken, dan zult ge een schat hebben in de hemel (cfr. Jezus).
Heb geduld tot de komst van de Heer (parousia) op het einde van de wereld. De Heer zal komen en oordelen als rechtvaardige Rechter en eerherstel brengen aan alle kleine, verdrukte mensen. Houd stand zoals Job en de profeten die standvastig bleven in hun vertrouwen.
Leg geen eed af (cfr. het Evangelie). Zweer niet bij hemel of aarde.
H5, 14-15: Er is hier in H5 een passage over ZIEKENZALVING.
De ziekenzalving met olie werd reeds werd reeds in het Evangelie tijdens Jezus leven toegepast door de apostelen en waarschijnlijk gaat de praktijk terug op een instelling door Jezus Christus zelf! Het sacrament van het H. Oliesel is geen uitvinding van de Kerk, zoals evenmin het doopsel is uitgevonden door de Kerk. Jezus stuurde Zijn apostelen uit om te dopen en ook om de zieken te zalven met olie (Marc. 6, 12-13; Mat. en Luc. Vermelden wel het genezen van zieken, maar niet de zalving met olie). Er is een precedent voor de ziekenzalving met olie in de brief van Jacobus. Ziekenzalving met olie gebeurde door de apostelen op bevel van de Heer volgens Marcus 6. Ook het concilie van Trente verwijst naar Marcus 6 in zijn decreet over het Laatste Oliesel.
De zalving met olie wordt alleen vermeld in het Evangelie van Marcus. Bij Jacobus wordt expliciet gemaakt wat de ziekenzalving met olie aan genade geeft: de ziekenzalving met olie heeft de kracht om te genezen. 1. Om de ziel de dagelijkse zonden te vergeven. 2. Om de gezondheid van het lichaam terug te vinden.
H5, 14-15: "Is iemand van u ziek, laat hij dan de oudsten van de gemeente roepen. Zij moeten een gebed over hem uitspreken en hem met olie zalven in de Naam van de Heer. En het gelovige gebed zal de zieke redden en de Heer zal hem oprichten. En als hij zonden heeft begaan, zal het hem vergeven worden."
Dit is een sacrale tekst over het Laatste Oliesel, maar de protestanten betwisten dit.
De presbyters (letterlijk oudsten) worden geroepen om de zieke te zalven. Deze presbyters waren ook echte priesters, christelijke priesters die een heilsfunctie hadden of een heiligingsfunctie (bidden en zalven met olie ) naast een bestuurlijke functie en een leraarsfunctie. Het concilie van Trente (De sacramento extrema unctionis canon 3) definieert i.v.m. de presbyters dat het echte priesters zijn met een wijdingsmacht. Bedienaar van dit sacrament is alleen de priester.
Reeds in de Oudheid kende men het gebruik om de zieke te zalven met olie, om ziekte of pijn te verzachten, ook bij de Joden (zie de parabel van de barmhartige Samaritaan). Bidden over de zieke kwam ook voor bij de Joden. Gebed over de zieken wordt in de rabbijnse literatuur vermeld. Bij Jacobus gaat het om gebed in de Naam van de Heer (Jezus Christus, of Vader, Zoon en H. Geest).
En het gelovige gebed zal de zieke redden (Gr. sôzein, d.i. genezen in fysieke zin, maar ook redden in religieuze zin) en de Heer zal hem oprichten (Gr. egeirein, d.i. doen opstaan in fysieke zin, maar ook in geestelijke zin in de ziel). En als hij zonden heeft begaan, zullen die vergeven worden.
Redden: in fysieke zin: redden van het lichaam (redden uit de dood, redden uit gevaar op zee, redden van ziekte); in geestelijke zin: bevrijden van de ziel van de eeuwige verdoemenis, van Satan en van geestelijke ziekten; ook in morele zin bevrijden van zonde.
Oprichten: in fysieke zin (doen opstaan van doden, genezen van een ziekte, uit slaap ); in morele zin (terug moed geven om beproevingen te doorstaan).
5,19-20: Breng zondaars terug van hun dwaalweg naar de waarheid en zo zult ge diens ziel redden van de dood en ge zult tal van zonden bedekken; d.i. een menigte van zonden zal vergeven worden door de liefde. Liefde bedekte alle zonden. Een zondaar terugbrengen tot de waarheid is een werk van liefde. De persoon die wordt bekeerd, zal gered zijn en zo ook bevrijd van een groot aantal zonden, ook de zonden die hij zou begaan hebben indien hij niet tot inkeer zou gebracht zijn geweest.
Dit is de laatste zin van de brief. Er is geen slot- en geen groetformule zoals ook in sommige Oudtestamentische Wijsheidsgeschriften (o.a. Sirach).
Tot daar deze lezing over de Jacobusbrief met een abrupt einde (het lijkt alsof er een stuk verloren is gegaan). Ik wil eraan toevoegen: volg deze mooie richtlijnen; breng uw broeder terug naar de waarheid en ge zult zijn ziel redden en hem vrijwaren van vele zonden. Wij vragen dit door de Heilige Jacobus. Amen.
Homilie slotviering Madrid.
STEL CHRISTUS IN HET CENTRUM VAN JULLIE LEVEN
Tijdens slotviering Wereldjongerendagen in Madrid, benadrukte paus Benedictus XVI opnieuw de liefde van Christus: "Ja, de Heer houdt van jullie en roept jullie op zijn vrienden te zijn. Hij gaat erop uit (...) om de deur te openen naar een leven van vervulling en jullie een deel te geven van zijn nabijheid tot de Vader."
Dierbare jongeren,
1. In deze viering van de Eucharistie hebben we het hoogtepunt bereikt van deze Wereldjongerendagen. Om jullie hier te zien in zo grote getale overal vandaan, vervult mijn hart met grote vreugde. Ik denk aan de speciale liefde waarmee Jezus op jullie neerziet. Ja, de Heer houdt van jullie en noemt jullie zijn vrienden. (vgl. Joh 15, 15) Hij wil jullie begeleiden op jullie levensweg om de deur te openen naar een zinvol leven en jullie deelgenoot te maken van zijn nabijheid bij God de Vader. We hebben de overvloedigheid van zijn liefde leren kennen en we willen deze liefde nu ruimhartig beantwoorden door die liefde met anderen te delen. Zeker, er zijn veel mensen die zich aangetrokken voelen door de figuur van Christus en Hem beter willen leren kennen. Zij realiseren zich dat Hij het antwoord is op al onze diepste vragen en zorgen. Maar wie is Hij eigenlijk? Hoe kan iemand die zo lang geleden hier op aarde heeft geleefd vandaag de dag nog iets met mij gemeen hebben?2. Het Evangelie dat we zojuist hebben gehoord (Mt. 16, 13-20) wekt de indruk dat er twee manieren zijn om Christus te leren kennen: de eerste manier is via onpersoonlijke kennis gebaseerd op de heersende opinie. Als Jezus vraagt: "Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?" antwoorden de apostelen: "sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia en weer anderen Jeremia of één van de andere profeten." Met andere woorden: Christus wordt gezien als een religieus figuur zoals er wel meer zijn geweest voor Hem. Dan richt Jezus zich tot zijn leerlingen en vraagt hun: "maar wie zeggen jullie dat Ik ben?" Petrus antwoordt met de eerste geloofsbelijdenis: "U bent de Messias, Zoon van de levende God". Geloof is meer dan alleen maar meetbare en historische feiten. Het is het vermogen iets te bevatten van het mysterie van Christus persoon in al zijn facetten. 3. Toch is geloof niet het resultaat van menselijke inspanning of het verstand, maar allereerst een geschenk van God. "Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de Hemel". Het geloof begint met God die zijn hart voor ons opent en ons uitnodigt te delen in zijn heilige leven. Geloof is niet iets wat je informatie geeft over wie Christus is; integendeel, het houdt een persoonlijke relatie met Christus in, een totale overgave - met al ons begrip, wil en gevoel - aan Gods zelf- openbaring. Dus Jezus vraag: "wie zeggen jullie dat Ik ben?", is uiteindelijk een oproep aan de apostelen om een persoonlijke keuze te maken. Geloof in Christus en het apostelschap zijn nauw met elkaar verbonden. Aangezien geloof betekent het volgen van de Meester moet het geloof steeds sterker, dieper en volwassener worden, opdat het leidt tot een nauwe en intense band met Christus. Petrus en de andere apostelen hebben zo ook moeten groeien totdat hun ontmoeting met de verrezen Heer hun ogen openden voor de volheid van het geloof.4. Beste jongeren, vandaag stelt Christus je dezelfde vraag die Hij de apostelen stelden: "Wie zeggen jullie dat ik ben?" Antwoordt dan spontaan en met moed, zoals dat hoort bij mensen die jong van geest zijn. Zeg tegen Hem: "Jezus, ik weet dat U de Zoon van God bent, U heeft uw leven voor ons gegeven; ik wil U volgen en geleid worden door uw woord. U kent me en U houdt van me. Ik stel mijn vertrouwen op U en ik leg mijn hele lieven in uw handen. Ik wil dat U de kracht bent die mij sterkt en de vreugde die mij nooit verlaat." 5. Op de geloofsbelijdenis van Petrus antwoordt Jezus door te spreken over de Kerk: "Ik zeg je, gij zijt Petrus, en op deze rots zal ik mijn Kerk bouwen." Wat betekent dat? Jezus bouwt zijn Kerk op de rots van Petrus geloof die getuigt dat Christus God is. De Kerk is dus niet zomaar een menselijk instituut zoals zoveel anderen, nee, ze is nauw verbonden met God. Christus zelf spreekt over haar als "zijn" Kerk. Christus kan niet van zijn Kerk worden losgemaakt, net zomin als een hoofd van een lichaam kan worden gescheiden. (vgl. 1 Kor 12, 12) De Kerk ontleent haar bestaan niet aan zichzelf maar uit God. 6. Beste jonge vrienden, als opvolger van Petrus raad ik jullie dringend aan dit geloof te versterken, het geloof dat jullie door de apostelen is aangereikt. Maak Christus, de Zoon van God, tot centrum van jullie leven. Maar laat me jullie wel eraan herinneren dat Jezus volgen in geloof betekent, dat je zijn weg gaat in gemeenschap met de Kerk. We kunnen Jezus niet op ons eentje navolgen. Een ieder die verleidt wordt dat "op eigen wijze" te doen, of om het geloof op een individuele manier te benaderen zoals vandaag de dag gebruikelijk is, loopt het risico Jezus nooit echt te ontmoeten of te eindigen met het navolgen van een valse Jezus. 7. Geloven betekent steun ontlenen aan het geloof van je broeders en zusters, net zoals jouw geloof dient als steun voor anderen. Ik vraag jullie, geliefde vrienden, de Kerk lief te hebben, die jullie het geloof heeft gegeven, die jullie in de kennis over Christus doet groeien en jullie de schoonheid van zijn liefde heeft geopenbaard. Groeien in vriendschap met Christus betekent noodzakelijkerwijs het herkennen van het belang van een vreugdevolle deelnemen in het leven van jullie parochies, gemeenschappen en bewegingen, evenals aan de deelname van de viering van de Mis op zondag, het regelmatig ontvangen van het Sacrament van de verzoening en het ontwikkelen van een persoonlijk gebedsleven en meditatie over Gods woord.
8.
Vriendschap met Jezus betekent ook getuigen zijn van dat geloof, waar je ook bent, ook al betekent dat afwijzing of onverschilligheid. We kunnen niet Christus ontmoeten zonder Hem ook bekend te willen maken bij anderen. Houdt Christus dus niet voor jezelf! Deel met anderen de vreugde van je geloof. De wereld heeft jullie getuigenis nodig, het heeft in ieder geval God nodig. Ik denk dat de aanwezigheid van zoveel jonge mensen hier afkomstig vanuit de hele wereld een prachtig bewijs is van Christus gebod aan de Kerk: "Trek de wereld in en verkondigt de blijde boodschap aan heel de schepping" (Mc. 16, 15). Ook jullie is de buitengewone taak gegeven om volgelingen en missionarissen van Christus in andere landen te zijn. In landen waar jonge mensen massaal op zoek zijn naar iets groters en omdat hun hart ingeeft dat er authentiekere waarden bestaan zich laten verleiden door loze beloften waar geen ruimte is voor God. 9. Beste jongeren, ik bid voor jullie met heel mijn hart, ik beveel jullie allen aan bij de maagd Maria en ik vraag haar jullie altijd bij te staan met haar moederlijke voorspraak en jullie te leren om trouw te blijven aan Gods woord. Ik vraag jullie te bidden voor de Paus, zodat hij als opvolger van Petrus - zijn broeders en zusters altijd zal bevestigen in het geloof. Mogen wij allen groeien in de Kerk, herders net zo goed als gelovigen, steeds nauwer verbonden met de Heer; mogen wij groeien in heiligheid en effectieve getuigen zijn van de waarheid dat Jezus Christus werkelijk de Zoon van God is, Redder van heel de mensheid en levende bron van al onze hoop. Amen. Vertaling: RKDocumenten.nl
Korte inhoud van de Juni conferentie gegeven aan de S.G.A.G. (Studie Groep Actueel Geloofsleven) door E.H. Van de Kerckhove.
S.G.A.G.
Vergadering S.G.A.G.
Zaterdag 24 september 2011.
Cultureel Centrum Hasselt
Detmoldzaal gelijkvloers.
Programma:
- 14.00 u rozenhoedje
- 14.30 u conferentie door Dr. Luc Kiebooms.
"De H. Clara van Assisi; 800 jaar de regel der Clarissen"
- 16.00 u koffiepauze
- 16.30 u mogelijkheid tot vragen stellen
- 16.45 u slotgebed
AANDACHT
De vergadering van volgende maand is op
29 oktober 2011.
Verantwoordelijke uitgever: A. Spaas
Luikersteenweg 281, 3500 HASSELT (011/271445)
Penningmeester: L. Vos S.G.A.G.
Visésteenweg 159, 3770 RIEMST (012/453764)
Rekening: 103-2243867-34
(Voor wie ons wil steunen).
Afgiftekantoor
3770 RIEMST
P2A8750
S.G.A.G.
Studiegroep Actueel Geloofsleven
Schaapsdries 28 B 3600 GENK
Afdeling Thomas Moregenootschap Limburg
Maandblad: Verschijnt niet in JULI en AUGUSTUS.
Nummer 266 september 2011.
"Ik ben geheel de Uwe."
22-08-2011
Fax van 15 - 07 - 1994. (Zr. Emmanuel.)
Faxvan15 - 07 - 1994.
Medjugorje,15Juli1994.
DierbarekinderenvanMedjugorje,
GeloofdzijJezus!
InhetdorpbereidtmenzichvoorvoorhetjongerenfestivaldatbeginAugustusplaatsheeftrond"DeFamilie".OphetogenblikdatdeoptiesvandeU. N. O.decelvandefamiliedreigentevernietigen,ishetgoeddestemvanMariatelatenhoren;woordenvanlevenenhoopopdemens,zoalsJohannesPaulusII.
De Amerikaanse Bisschop Martin Fuller Scheen riep destijds op in het tijdschrift 'Het Heilig Huisje van Loreto'om ons in te zetten tegen abortus provocatus.
Dit kunnen wij doen door:
een ongeboren kind geestelijk te adopteren door gedurende één vol jaar het volgende gebed te bidden:
'Jezus, Maria, Jozef, ik hou zeer veel van U. Ik smeek U het leven van het ongeboren kind, dat ik geestelijk geadopteerd heb en dat in gevaar van abortus verkeert, te willen sparen.'
God zal in Zijn barmhartigheid het leven van dit kind redden. Gedurende het aardse leven zul je dit kind niet kennen, alleen God kent het. Maar in het komende hemelrijk en in de eeuwigheid zal dit kind in uw gezelschap zijn.
Uitnodiging volgende week zondag Scherpenheuvel.
Vanwege Jules Jacomen.
Klik op de afbeelding om het te lezen.
20-08-2011
Tweede deel Philomena.
Filumena Gebeden en info.
Noveengebed tot de H.Filumena
O, kuise maagd en onoverwinnelijke martelares van Jezus Christus, H.Filumena!
Met volledige overgave lig ik hier voor God op mijn knieën en in het stof voor u die ik tot mijn middelares en beminnende beschermster gekozen heb opdat ik waardig zou zijn om uw voorspraak te bekomen bij uw goddelijke Bruidegom en bij Maria, Zijn heiligste Moeder!
Ik weet dat Zij u niets weigeren en smeek u uit geheel mijn hart, op mij, armzalige, als op één van uw pleegkinderen neer te zien en mij tegen mijn vijanden in bescherming te nemen.
Bekom voor mij de genade om mij tot mijn levenseinde zuiver tegen iedere zondesmet te bewaren en mijn ziel te tooien met elke deugd, vooral met totale overgave aan mijn God en in het lijden, dat Hij in deze wereld goed vindt om het mij te laten ondergaan om daardoor mijn ziel te louteren en haar de gelegenheid te geven om voor veel zonden te boeten.
Aangetrokken door uw buitengewone lieftalligheid smeek ik omwille van uw grote en uitstekende verdiensten voor mij de genade te bekomen die ik nederig van u verwacht, als dit is volgens de Goddelijke Wil en nuttig is voor mijn eeuwig leven!
(geef uw zaak met vertrouwen en nederigheid aan de heilige)
Ook smeek ik u: bekom voor mij vermeerdering van het geloof, de liefde en het berouw over mijn zonden. Behoed mij voor ieder bitter ongeval van gelijk welke aard.O, veelgeliefde H.Filumena, smeek voor mij bij Jezus en Maria!
Amen.
Onze Vader, ... Wees gegroet,... Glorie zij, ...
De Filumena-koord.
Onder de verscheidene vormen van verering van de H.Filumena is één der bekendste de koord van de H.Filumena. De koord was werkelijk sedert het begin der verering van de heilige de meest geliefde wijze om de heilige te eren en om haar bescherming te smeken!
De H.Pastoor van Ars zegende en verdeelde vele Filumena-koorden. De koord is rood en wit. Ze bestaat uit linnen, wol of katoen zodat beide kleuren wit en rood duidelijk zichtbaar zijn. Aan beide uiteinden bevindt zich een knoop. De witte kleur betekent de maagdelijkheid, de rode kleur het martelaarschap.
Het Filumena-koordje is door de Congregatie van de Riten erkend en met aflaten verbonden. Voor de priesters: de zegengebeden van de H.Filumena staan in het Romeinse Rituale en de noodzakelijke bevoegdheid voor de zegen kunnen bekomen worden bij de rector van het heiligdom:
Santuario di Santa Filumena
Rettore Sac. Don Giovanni Braschi
I - 83027 Mugnano del Cardinale (Avellino) tel.081 / 825 72 04 Italië
Meestal wordt het koordje gedragen onder de kleding zoals een gordel. Wanneer een versleten koordje vervangen wordt, moet ook de nieuwe koord gezegend worden. De dragers van de koord moeten de intentie hebben om de heilige op de beste manier te vereren om zo de bescherming waardig te zijn tegen alle kwaad naar lichaam en ziel en om volmaakte kuisheid en de genade van een sterk geloof te bekomen. Het wordt aangeraden om dagelijks dit gebed te bidden:
O, H.Filumena, Maagd en martelares, bid voor ons opdat wij door uw wonderbare en machtige voorspraak de reinheid van hart en geest mogen ontvangen die ons tot volmaakte liefde tot God brengt. Amen!
De koord van de H.Filumena is de bron van ontelbare genaden. Ze wordt door de zieken gedragen, beschermt tegen ongevallen en allerlei kwaad. Ook zij, die door onregelmatige klachten of geestelijke bekoringen lijden, hebben vaak wonderbare hulp ontvangen. Er wordt speciaal aangeraden een koord aan de kinderen te geven want dit is een buitengewone bescherming in de kleine ongelukjes van alle dag die juist kinderen meestal treffen.
Hiervan afgezien wordt het dragen van de koord aanzien als bijzondere bescherming om de kuisheid te bewaren. De H.Filumena wordt aanzien als één van de machtigste voorspreeksters van deze deugd omdat haar eigen maagdelijke reinheid buitengewoon groot was. Daarom gelooft men algemeen dat God haar speciale genaden geeft om diegenen te helpen die onderhevig zijn aan bekoringen tegen deze deugd. De geschiedenis van haar leven toont dat zij de volle waarde heeft beseft van deze engelachtige deugd. Eenmaal heeft zij zich gebonden door een gelofte en dit op de leeftijd van 11 jaar. De hoogschatting van deze deugd bewijst ook de omstandigheden hoe ze ondanks vele pogingen in een werelds, Grieks regeringshuis haar onschuld bewaarde in een tijd waar het hedonisme, zoals vandaag, in volle bloei stond en toen de weinig deugdzame beelden van Griekse goden en schaamteloze schandalen overal de bescheidenheid en eenvoud van onschuldige ogen en de reinheid van onschuldige harten verwarden.
Ook haar dapper verzet tegen het aanbod van een machtig heerser zoals Diocletanus, die haar een koninkrijk en een kroon aanbood, is het bewijs hoe hoog zij deze deugd schatte. Ze weerstond de dreigingen van haar vader, de tranen van haar moeder die haar hart pijn deden. Alleen en in nood, rekende ze enkel op hulp van haar goddelijke Bruidegom. Vastberaden hield ze haar gelofte en overwon! God was haar kracht in de strijd en Hij zal eveneens allen helpen die de voorspraak afsmeken van Filumena te midden de bekoringen.
God zal zo haar naam en haar deugd verheerlijken. Allen die gevaar lopen om door hartstochten overweldigd te worden en die bekoord worden om de geboden van onze heilige Moeder de Kerk te verwaarlozen indien ze huwelijken aangaan die in Gods ogen zondig zijn, kunnen de hulp en voorspraak van Filumena inroepen. De vijand zal opnieuw wegens haar voorspraak moeten vluchten wanneer er in vertrouwen en in vreze Gods gebeden wordt.
Volledige aflaat door de Filumena-koord:
1. De dag waar de koord voor de eerste keer gedragen wordt.
2. Op 25 mei, verjaardag van het openen van de sarcofaag in de Priscilla- Catacomben.
3. Op 11 augustus, hoofdfeest van de heilige.
4. Op 15 december, de verjaardag van de erkenning van de koord door de H.Kerk.
5. Op het ogenblik van de dood volgens de gewone geldige voorwaarden.
Uitgezonderd het laatste punt is het noodzakelijk om de volledige aflaat te verdienen, eerst naar de H.Biecht te gaan, de H.Communie te ontvangen en in een kerk voor de intenties van de H.Vader te bidden.
AKTA PILATUS.
EEN KOSTBARE VONDST in de VATICAANSE ARCHIEVEN1939-1945
Protocol van Pontius Pilatus aan de Romeinse keizer Tiberius
AKTA PILATUS.
Edele Keizer, gegroet!
De gebeurtenissen van de laatste dagen in mijn provincie waren van die aard dat ik dacht om over de details te rapporteren zoals de feiten zich voor gedaan hebben. Ik zou niet verbaasd zijn wanneer de gebeurtenissen in de loop der tijden het lot van onze natie zou veranderen. Het lijkt alsof de goden kortelings opgehouden hebben ons genadig te zijn! Bijna ben ik verplicht te zeggen: "Vervloekt zij de dag waarop ik, Valerius Flaus, inspraak gaf in de regering".
Na mijn aankomst te Jeruzalem nam ik mijn intrek in het pretorium en liet een koninklijk maal bereiden, waar ik de hooggeplaatsten van Judea, de hogepriester en zijn gevolg uitnodigde. Op het vastgestelde uur verscheen niet één van de genodigden. Dit was een aanslag op mijn waardigheid. Na enkele dagen verwaardigde zich de hogepriester om mij een bezoek te brengen. Zijn houding was vrij ernstig, maar zeer honend. Hij legde uit dat het hem en zijn mensen niet was toegestaan uit religieuze redenen te zitten aan de tafel van een Romein. Ik hield het voor verstandig om zijn verontschuldigingen te aanvaarden, toch was ik vanaf dit ogenblik overtuigd dat de overwonnenen zich als vijanden van de veroveraars opstelden.
Het leek mij dat van alle veroverde steden Jeruzalem het lastigste was om te regeren. Het volk was zo onrustig dat ik ieder moment vreesde voor een opstand. Om dit eventueel te onderdrukken beschikte ik slechts over een gentorium, een handvol oude soldaten. Ik verzocht de prefect van Syrië om versterking, maar hij deelde mij mede dat hij zelf amper voldoende troepen had om zijn eigen provincie te verdedigen. Een onlesbare dorst naar veroveringen en uitbreiding van ons keizerrijk, het onvermogen om de veroverde gebieden te behouden en te verdedigen, zal betekenen, wat ik vrees, de val van onze edele regering.
Onder de meest verschillende geruchten die mij ter ore kwamen, trok namelijk dit mijn aandacht: een jonge man - werd mij verteld - verscheen in Galilea en predikte op een voorname wijze een nieuwe leer, waarin Hij verkondigde dat God Hem gezonden had. Eerst en vooral was ik in het begin ten zeerste verontrust dat Zijn predikingen het volk zouden opruien tegen Rome, maar weldra verloor ik die vrees want Jezus van Nazareth sprak eerder als een vriend van de Romeinen dan van de Joden.
Toen ik op een dag wandelde op het plein van Sila zag ik een grote menigte. Ik ontwaarde midden in een groep een jonge man, leunend tegen een boom, die rustig en zacht tot de menigte sprak. Er werd mij verteld dat dit nu Jezus van Nazareth was. Dat kon ik nu gemakkelijk raden, zo groot was het verschil tussen Hem en Zijn toehoorders. Een gouden tint van het haar gaf Zijn wezen een hemelse uitstraling. Hij leek ongeveer 30 jaar te zijn en nooit of nooit zag ik zo'n zoete, rustige, heldere gelaatstrekken. Welk een groot verschil tussen Hem en Zijn toehoorders met zwarte baard en bruine huid. Niet van plan om Hem door mijn aanwezigheid te storen, ging ik verder, maar gaf opdracht aan Maultius, mijn secretaris, zich aan te sluiten bij de groep en te luisteren. Deze was een kleinzoon van één van de belangrijkste samenzweerders die in Etruria kampeerden en wachtten op Cataline. Maultius was een inwoner van Judea, woonde er reeds lang en sprak goed Hebreeuws. Hij was mij erg toegewijd en mijn vertrouwen waardig. Ik ontmoette Maultius in het pretorium waar hij mij de prediking herhaalde die Jezus had gegeven te Sila. Ik had iets gelezen bij de filosofen wat qua basisbegrippen vergelijkbaar is. Een van de meest opstandige Joden van Jeruzalem vroeg Hem, of het wettelijk juist was, de keizer belasting te betalen. Jezus antwoordde: "Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt!" Het was door Zijn wijsheid, die de predikingen zo typeerden, dat Ik de Nazarener zoveel vrijheid toestond.
Het lag in mijn macht om Hem gevangen te nemen en te verbannen naar Pontius, maar dit zou een inbreuk hebben geweest tegen de gerechtigheid welke de Romeinen altijd hebben gerespecteerd. Deze man is noch een opstandige of een verleider. Ik bood Hem bescherming aan en schonk Hem mijn gunsten, misschien zonder Zijn weten. Hij was vrij om te handelen, te spreken, samenkomsten te beleggen, leerlingen te kiezen uit het volk, zonder beperkt te zijn door een bepaalde verwijzing. Zou het ooit gebeuren, dat de religie van onze voorvaderen zou verdrongen worden door de religie van deze Jezus, mogen de goden het verhoeden, zo zal het op basis van deze tolerantie zijn dat Rome deze prille ontwikkeling stimuleerde, terwijl ik, ellendeling, het werktuig was van hetgeen de Hebreeën "Voorzienigheid" noemen en wij "noodlot".
Deze onbeperkte vrijheid prikkelde de Joden, niet de armen, maar de rijken en machtigen waartegen ook Jezus streng optrad. Volgens mijn mening gebeurde het uit politieke redenen dat ik de vrijheid van Jezus niet beperkte. "Schriftgeleerden en Farizeeërs", zou Hij zeggen, "jullie zijn een nest van adders, jullie gelijken op mooie graven". Een andere keer heeft Hij honend gesproken over de aalmoezen van de hooggeplaatsten en gezegd dat de bescheiden gift van de arme weduwe veel kostbaarder is in de ogen van God. Dagelijks werden er nieuwe klachten van beschimpingen over Jezus in het pretorium binnengebracht. Eveneens werd ik verwittigd van het feit dat Jezus wel eens een ongeluk kon overkomen. Het was niet de eerste keer dat Jeruzalem diegenen stenigden die zich profeten noemden.
Indien het pretorium gerechtigheid zou weigeren, zou er klacht ingediend worden bij de keizer. Toch werd mijn houding door de senaat goedgekeurd en werd mij troepenversterking beloofd na het beëindigen van de Perzische oorlog. Te zwak om een opstand neer te slaan, besloot ik maatregelen te treffen om de rust in de stad te herstellen zonder het pretorium bloot te stellen aan een vernederende onbekwaamheid of toegevendheid.
Ik verzocht Jezus schriftelijk om een ontmoeting in het pretorium. Hij kwam. In mijn aders vloeit Spaans bloed, gemengd met Romeins en daardoor ervaar ik geen kinderachtige emoties of vrees. Maar toen de Nazarener kwam, terwijl ik aan het wandelen was in de grote hal, leken mijn voeten met een ijzeren hand vast te plakken op de marmervloer en ik beefde aan al mijn ledematen zoals een schuldige misdadiger, terwijl Hij rustig en zacht was, de onschuld zelf. Jezus naderde tot mij en met een gebaar leek Hij te zeggen: "Hier ben Ik!". Een tijd lang bewonderde ik eerbiedig die mooie gestalte, onbekend aan onze talrijke kunstenaars die onze goden vorm en gestalte geven. "Jezus", zei ik eindelijk en mijn tong stotterde, "ik heb u de laatste 3 jaar onbeperkte vrijheid tot prediken geschonken en heb er geen spijt van. Uw woorden zijn als van een wijze en ik weet niet of u Plato of Socrates gelezen hebt. Maar zoveel weet ik dat in uw praten majestatische eenvoud ligt die u ver verheft boven de filosofen. De keizer is hierover geïnformeerd en ik, zijn nederige dienaar in dit land, ben gelukkig u deze vrijheid gegeven te hebben, die u waardig bent. Toch mag ik u niet verzwijgen dat u door uw onderrichtingen machtige, onverzoenlijke vijanden hebt gekregen, wat te begrijpen is. Socrates had zijn vijanden en viel als slachtoffer van hun haat. De uwen zijn dubbel verbitterd op u omwille van uw optreden tegen hen, tegen mij zijn ze kwaad wegens de enorme onbeperkte vrijheid gegeven aan u. Zij klagen mij aan omdat zij denken dat ik met u in een geheime verbinding zou staan met als doel de Hebreeën te beroven van hun kleine rechten, die Rome hun nog gelaten had. Mijn bede - ik zeg niet bevel - is, dat u in het vervolg voorzichtiger bent en milder, rekening houdend met de trots van uw vijanden. Tenslotte hitsen ze de domme bevolking tegen u op en dwingen mij om een werktuig te zijn van het recht".
De Nazarener antwoordde rustig: "Vorst van de aarde, uw woorden zijn niet van een waarachtige wijsheid. Zeg tegen de stortbeek, hou op te stromen aan je bron opdat je niet eerdaags de bomen ontwortelt van je vallei. De stortbeek zal je antwoorden dat hij de wetten van de Schepper moet opvolgen. God alleen weet waarheen de stortbeek vloeit. Waarlijk, Ik zeg u dat vooraleer de Roos van Saron bloeit, het Bloed vergoten zal zijn!". - "Uw bloed zal niet vergoten worden," antwoordde ik met veel gevoel, "U bent kostbaarder in mijn hoogachting omwille van uw wijsheid, dan alle rebellerende en fiere farizeeërs, die de vrijheid misbruiken die de Romeinen hun gelaten hebben en die samenzweren tegen de keizer én onze goedheid interpreteren als vrees. Deze boze schoften hebben het niet in de gaten dat de wolf van Tiberia zich soms verkleedt in schapenvacht. Ik zal U tegen hen beschermen. Mijn pretorium staat voor U klaar als toevluchtsoord. Het is een geheiligde plaats".
Jezus schudde zorgeloos Zijn hoofd en zei met bevalligheid, gratie en een goddelijk lachen: "Wanneer deze dag zal komen, dan zal er geen plaats zijn voor de Mensenzoon, noch boven de aarde of onder de aarde. De toevlucht van de rechtvaardigen is daarboven", zei Hij terwijl Hij wees naar de hemel, "en dat wat in de boeken der profeten staat moet vervuld worden." - "Jonge man," zei ik mild, "U dwingt mij om mijn verzoek te veranderen in een bevel, de veiligheid van de provincie die mij is toevertrouwd vereist dat. U moet meer matigheid aan de dag leggen in uw predikingen. Overtreedt mijn orders niet die U kent! Moge het geluk U behoeden! Het ga U goed!"
"Vorst van de aarde," antwoordde Jezus, "Ik ben niet gekomen om oorlog op aarde te brengen, maar vrede, liefde en welzijn. Ik ben op dezelfde dag geboren toen Caesar Augustus de wereld de Romeinse vrede gaf. Vervolging komt niet van u, Ik verwacht die van anderen en zal ze gehoorzaam tegemoet treden volgens de wil van Mijn Vader die Mij de weg getoond heeft. Onthoudt u daarom van uw wereldse wijsheid. Het is niet in uw macht het Offer op de drempel van de tempel tot verzoening in hechtenis te nemen." Terwijl Hij dit vertelde, verdween Hij zoals een oplichtende schaduw achter de voorhangen van de grote hal.
De vijanden van Jezus gingen weldra met een aanklacht naar Herodes, die toen in Galilea regeerde, om zich te wreken op de Nazarener. Was Herodes zijn eigen mening gevolgd, dan had hij Jezus onmiddellijk laten doden, maar fier op zijn koninklijke waardigheid, vreesde hij een daad te begaan die zijn aanzien bij de senaat kon doen verminderen. Op een dag kwam Herodes naar mij in het pretorium. Na een tamelijk onbeduidende conversatie, vroeg hij mijn visie over Jezus. Ik antwoordde hem dat Jezus mij één van de grootste profeten leek die vele grote naties zou kunnen overtuigen, dat Zijn leringen geenszins godslasterlijk waren en Rome van plan was Hem volledige vrijheid van spreken te geven, wat Zijn manier van handelen ook rechtvaardigde. Het grote feest van de Joden was nabij en het was gebruikelijk om bij deze gelegenheid voordeel te halen uit de algemene feestvreugde die altijd aanwezig was bij de feestelijkheid van het paasfeest.
De stad was vol van mensen die de dood van de Nazarener verlangden. Mijn boodschappers adviseerden mij om het volk voor ons te winnen. Het gevaar werd drukkend. Ik schreef aan de prefect van Syrië om mij honderd soldaten te voet en evenveel troepen te paard te sturen, maar dat wees hij af. Ik wist dat ik met een handjevol veteranen te zwak was om de opstand te onderdrukken en ik had geen andere keuze meer dan om hen te laten begaan. Ze brachten Jezus gevangen en het oproerige gepeupel, niets vrezend van het pretorium, geloofde met hun leiders dat ik hun eisen inwilligde terwijl ze maar riepen aldoor: "Kruisig, kruisig Hem!" Drie machtige partijen hadden zich verzworen tegen Jezus, ten eerste de Herodianen, dan de Sadduceeërs waar de opstandige houding voortkwam uit een dubbele achtergrond. Zij haatten de Nazarener en waren het juk van Rome beu. Zij konden mij niet vergeven dat ik in de heilige stad mijn intrede deed met banieren die het Romeinse blazoen droegen en ofschoon ik in deze zaak een fatale fout beging leek hen deze godslastering minder afschuwelijk. Een ander grief ontwikkelde zich in hun hart.
Ik stelde namelijk voor een deel van de tempelschat voor het algemene welzijn, oprichting van gebouwen te gebruiken. Met duistere gezichten werd mijn voorstel ontvangen. De derde partij, de Farizeeërs waren de ergste vijanden van Jezus. Zij verdroegen maar bitter de strenge aanklachten die Jezus reeds sedert drie jaren tegen hen uitte waar en wanneer Hij de gelegenheid had. Te zwak en te laf om zelf te handelen, namen ze afstand van de ruzies tussen de Herodianen en de Sadduceeërs. Naast deze drie partijen moest ik het opnemen tegen het gewetenloze, lage volk dat altijd bereid is om voordeel te halen uit de verwarring en wanorde van een opstand. Jezus werd voor de hogepriester gesleept en tot de dood veroordeeld. Toen gebeurde het dat de hogepriester Kaifas zijn onderdanigheid spottend ten toon stelde. Hij stuurde zijn gevangene naar mij om de veroordeling te bevestigen en de executie te bekomen. Ik antwoordde hem gezien Jezus een Galileer was, de zaak voor het gerecht van Herodes moest komen. Deze sluwe onderkruiper huichelde onderdanigheid voor en wenste bij voorkeur deze zaak over te laten aan de stadhouder van de keizer. Hij legde het lot van deze arme mens in mijn hand.
Weldra leek het paleis op een versterkte burcht. Ieder moment nam het aantal van opstandigen toe. Jeruzalem liep over van volk uit de bergen en van Nazareth. Gans Judea scheen in de stad te zijn. Ik had een vrouw geraadpleegd die beweerde dat ze in de toekomst kon zien. Wenend viel ze aan mijn voeten en riep: "Hoed u, zie toe dat ze deze Mens niet overleveren want deze is heilig!" Vorige nacht zag ik Hem in een droomvisioen. Hij wandelde op het water, Hij vloog op de vleugels van de wind, Hij sprak tot de onweders en de schuimende zee. Alles was Hem onderdanig en gehoorzaamde Hem. De bergstroom Gideon vloeide met bloed, de standbeelden van de keizer waren in duisternis gehuld zoals een Vestaalse maagd in de groeve. O, Pilatus, onheil zal over u komen indien u niet luistert naar de smeekbeden van uw vrouw. Dreig met de vloek van de Romeinse senaat en met het leger van de keizer. Terwijl de vrouw sprak, kraakte de marmeren trap onder het gewicht van de mensenmassa. De Nazarener werd naar mij teruggebracht. Ik ging, gevolgd door mijn garde naar de gerechtshal en vroeg met strenge toon aan het volk: "Wat verlangen jullie?" Antwoord: "De dood van de Nazarener!" "Voor welke misdaad?" "Hij heeft God gelasterd, Hij heeft de ondergang van de tempel geprofeteerd en noemt Zichzelf de Zoon van God, de Messias, de Koning der Joden!" Daarop antwoordde ik "Op deze beschuldiging straft het Romeinse recht niet met de doodstraf." Toch bleef het onverzoenlijke gepeupel maar roepen: "Kruisig Hem, kruisig Hem!" Het geschreeuw van deze van zinnen beroofde mensen deed het paleis schudden tot op zijn grondvesten. Er was daar slechts één die rustig bleef in de grote massa, en dat was de Nazarener.
Na verscheidene vruchteloze pogingen om Hem tegen de woede van de onbarmhartige vervolgers te beschermen, nam ik op dat ogenblik een maatregel die mij het enigste middel leek om Zijn leven te redden. Ik gaf het bevel om Hem te geselen, dan verlangde ik een waskom en waste mijn handen in de aanwezigheid van de massa. Daarmee heb ik mijn afkeuring getoond over deze daad. Helaas, tevergeefs! Het was naar Zijn leven dat deze ellendelingen dorstten. In onze burgerlijke zaken heb ik dikwijls de emotie van een menigte gezien, maar niets, ook totaal niets, kan met deze huidige beroering vergeleken worden. Er mag werkelijk gezegd worden dat bij deze gebeurtenis alle spoken uit de Hades in Jeruzalem verzameld waren. De massa leek niet te gaan, maar te zweven, te cirkelen zoals in een draaikolk, rollende, levende golven, vanaf het portaal van het pretorium tot de berg Sion roepend, schreeuwend, brullend, zoals nooit eerder gehoord, zelfs niet tijdens de opstanden in Panonia of Porum.
Rond het zesde uur werd het donkerder net zoals in de winter en bij de dood van de grote Julius Caesar. Het was eigenlijk zoals in de maand maart. Ik, de stadhouder van een opstandige provincie, leunde tegen een zuil in de grote hal angstig naar deze vreselijke duisternis kijkend. Deze duivelse barbaren hadden de onschuldige Nazarener naar de plaats van de terechtstelling gesleept. Alles rondom mij leek uitgestorven. Jeruzalem had zijn bewoners uitgespuwd door de poort die leidde naar Golgotha. Een sfeer van verlatenheid en verdriet omhulde mij. Mijn lijfwachten hadden zich aangesloten bij de troepen te paard en de andere soldaten met als doel een beetje macht te vertonen om de orde te bewaren. Ik was alleen en mijn gebroken hart vertelde mij dat wat op dit ogenblik gebeurde eerder behoorde tot de geschiedenis der goden dan die der mensen. Een luid geschreeuw werd vanop Golgotha gehoord, dat een doodstrijd aankondigde, gedragen door de wind en dat nooit eerder door sterfelijke oren was gehoord. Donkere wolken daalden neer over de hele stad en hulden alles in een zwarte sluier. Zo vreselijk waren de tekenen aan de hemel en op aarde dat de zienster (aropagitin) geroepen heeft: "Ofwel lijdt de Schepper van de natuur, ofwel valt het dal uit elkaar!" Tegen het elfde uur trok ik mijn mantel aan en ging de stad uit naar Golgotha. De menigte kwam naar huis, nog steeds opgewonden, bedrukt, zwijgzaam en vertwijfeld. Datgene waarvan ze getuigen zijn geweest heeft hen met angst en gewetenswroeging vervuld.
Ik zag ook mijn kleine groep Romeinse soldaten bedroefd voorbijtrekken. De standaarddrager had de adelaar bedekt als teken van rouw en ik hoorde enkele soldaten praten waaruit ik niet veel wijzer werd. Sommigen vertelden over wonderen. Groepen van mannen en vrouwen hielden halt en keken achterom naar Golgotha verwachtingsvol om nieuwe wonderen te zien. Ik keerde terug naar het pretorium, bedroefd en in mezelf gekeerd. Toen ik de trap opging, die nog bevlekt was van het bloed van de Nazarener, vond ik een oude man in gebukte houding en achter hem enkele wenende vrouwen. Hij wierp zich aan mijn voeten en weende bitter. Het doet mij pijn om een wenende, oude man te zien. "Vader," vroeg ik mild, "wie bent u, wat verlangt u?" "Ik ben Jozef van Arimathea," zei hij, "en ik ben gekomen om u op mijn knieën de toelating te vragen Jezus te begraven." "Uw smeekbede wordt ingewilligd," zei ik hem en ik gaf Maultius het bevel om enkele soldaten mee te nemen als hulp en ook om een ontwijding van het lichaam te vermijden.
Enkele dagen later werd de groeve leeg gevonden en Zijn leerlingen verkondigden in het hele land dat Jezus uit de doden was opgestaan zoals Hij het voorspeld had. Tenslotte was het mijn plicht om u in te lichten over deze beklagenswaardige gebeurtenissen. Ik schreef tijdens de nacht die volgde na de gebeurtenissen en beëindigde net het verslag tegen de ochtendschemering. Toen had ik de indruk alsof ik muziek van de godin der nacht hoorde (de Dianamars). Ik keek naar de Caesarpoort en zag een afdeling soldaten en hoorde in de verte de mars van Caesar. Het was de verlangde versterking, 2000 uitgelezen troepen, die, om hun aankomst te versnellen, heel de nacht onderweg geweest waren. Het was beslist door de goden, riep ik, in mijn handen wringend, dat deze grote ongerechtigheid moest gebeuren: dat de troepen die tot doel hadden die daad van gisteren te voorkomen eerst vandaag arriveren.
Gruwelijk noodlot, hoe speelt u soms met de dingen der sterfelijken! Het was ook waar, wat de Nazarener uitriep stervend op het kruis:
"HET IS VOLBRACHT!"
Pontius Pilatus.
De 15 verborgen smarten van Jezus.
DE 15 VERBORGEN SMARTEN VAN JEZUS
Jezus zei aan de discipelen van Emmaüs: "Moest de Christus dit alles niet lijden om binnen te gaan in Zijn heerlijkheid?" Luc 24, 26
"Dat men Mijn verborgen smarten verspreide!" 12.6.1971
Het ongekende lijden en de verborgen smarten van Onze Heer Jezus Christus in de nacht welke zijn heilig lijden voorafging, door Jezus medegedeeld aan de godvruchtige en zeer geliefde zuster Maria-Magdalena van de orde van de H.Clara, die in Rome leefde in grote heiligheid. Jezus hoorde het verlangen van de zuster, die begeerde het ongekende lijden te kennen. Hij verscheen haar om Zijn verborgen smarten te openbaren, welke Hij had verdragen in de nacht voor Zijn dood. We moeten niet verwonderd zijn over de oneer zonder naam geleden door Jezus in Zijn ongekend lijden. Zijn ze niet voorspeld geworden tot in zekere bijzonderheden, in letterlijke of figuurlijke zin? In het Oude Testament als een aankondiging van het lijden van de Messias, het onuitsprekelijke lijden, de oneindige liefde van de gekruisigde Verlosser weergevend, de bedorven en duivelse haat van Zijn folteraars beschuldigend. Veelvuldig ingegeven openbaringen zijn ontdekt nopens dit onderwerp. Wij vermelden slechts enkele: Isaias 1,5 "Van de voetzool tot aan het hoofd is er aan Hem niets ongeschonden. Het is niets dan kneuzingen, kwetsuren, open wonden..." Dit heeft Jezus ontsluierd als antwoord op de liefdesverzuchtingen van zuster Maria-Magdalena i.v.m. Zijn verborgen lijden. Het zijn vertrouwelijke mededelingen voor Zijn vrienden. Jezus Christus zei haar: "De Joden aanzagen Mij als de gevaarlijkste man van hun tijd en behandelden me zo:
1.Ze bonden Mijn voeten aaneen met een koord en trokken Mij een trap af in een stinkende en vuile kelder.
2.Ze ontkleedden Mij en doorstaken Mijn lichaam met puntige ijzers.
3.Ze bonden een koord rondom Mijn lichaam en trokken Mij heen en weer door de kelder.
4.Ze haakten Mij aan een balk en lieten Mij er hangen tot Ik uitgleed en op de grond viel. Deze pijn deed bloedige tranen uit Mijn ogen springen.
5.Ze hechtten Mij aan een scherpe paal en martelden Mij met alle soorten wapens Mijn heilig lichaam doorstekend. Ze wierpen stenen naar Mij en brandden Mij met fakkels.
6.Ze doorstaken Mij met elzen en spiesen en rukten het vel van het vlees van Mijn lichaam en van Mijn aders.
7.Ze bonden Mij aan een zuil en plaatsten Mijn voeten op een gloeiende ijzeren plaat.
8.Ze kroonden Mij met een ijzeren kroon en blinddoekten Mij met afstotende doeken.
9.Ze zetten Mij neer op een met zeer scherpe nagels bezette stoel welke zeer diepe gaten in Mijn lichaam verwekten.
10.Ze begoten Mijn wonden met pek en lood en wierpen Mij omver van de stoel.
11.Omwille van Mijn schaamte en om me te martelen drukten ze nagels en naalden in de openingen van Mijn uitgerukte baard.
12.Ze wierpen Mij op een kruis welke ze met zoveel geweld en stevigheid vastbonden dat Ik zou moeten gestikt zijn.
13.Ze vertrapten Mijn hoofd, éénvan de twee beulen zette zijn voet op Mijn borst en doorstak zo Mijn tong met een punt van Mijn kroon.
14.Ze goten de afschuwelijkste vuiligheid in Mijn mond.
15.Ze stortten een vloed van schandelijke beledigingen over Mij uit, bonden Mijn handen op de rug en leidden Mij al slagen toebrengend met de roede uit de gevangenis.
Jezus gaat verder: "Mijn lieve dochter, Ik verlang u deze 15 ongekende en verborgen smarten en pijnen te doen kennen aan zeer vele zielen, opdat ze zouden overwogen en vereerd worden. Op de dag van het laatste oordeel, zal Ik de eeuwige zaligheid verlenen aan diegenen die uit liefde en overweging, Mij iedere dag één dezer smarten zullen opdragen en godvruchtig het volgende gebed zullen bidden:
Gebed
Mijn Heer en Mijn God!
Het is mijn onherroepelijke wil U te vereren, te loven en te aanbidden door Uw 15 verborgen smarten en het vergieten van Uw H.Bloed.
Zo talrijk als er zandkorrels zijn aan de zee,
korrels aarde op de velden,
grassprieten op aarde,
vruchten op de bomen,
bladeren op de takken,
bloemen op het veld,
sterren aan het firmament,
engelen in de hemel en
schepselen op aarde,
zoveel duizenden keren zij gezegend, geprezen en verheerlijkt Onze Heer Jezus Christus,
Zijn H.Hart,
Zijn kostbaar Bloed,
het Goddelijk Offer van de H.Mis,
het Sacrament des Altaars,
de H.Maagd Maria,
de negen engelenkoren en de gezegende schare der heiligen,
door mij en alle mensen,
nu en tot in alle eeuwigheid.
Ik verlang, O, goede Jezus, zoveel keren U te danken, te dienen en te behagen, alle smaad U aangedaan te herstellen en met ziel en lichaam U te behoren. Ik wil mij zoveel maal berouwen over mijn zonden en U, mijn God, vergiffenis en Uw barmhartigheid afsmeken. Ik wens ook Uw oneindige verdiensten aan te bieden aan de Eeuwige Vader, tot herstel van mijn fouten, mijn zonden en mijn verdiende straffen. Ik ben vast besloten mijn levenswijze te veranderen en ik vraag U dat mijn laatste uur gelukkig en vredig zou zijn. Ik bid U ook voor de verlossing der zielen uit het vagevuur. Ik verlang deze lofprijzing van liefde en herstel voortdurend te herhalen, ieder uur van de dag en van de nacht, getrouw tot het laatste ogenblik van mijn leven. Ik bid U, O goede en zeer geliefde Jezus, mijn oprechte wensen in de hemel te bekrachtigen. Duld niet dat ze door mensen of door de kwade geest zouden vernietigd worden. Prent deze gevoelens en verlangens diep in mijn hart, O, Heer en geef dat ik er de uitwerkselen van moge genieten tot de laatste stonde van mijn leven. Amen.
Voorbeeld van een opoffering:
Heer Jezus Christus, met een hart vol medelijden offer ik U het zo-even beschouwde geheime Lijden op tot eerherstel voor mijn zonden, maar ook voor de bekering van de zondaars en als losprijs voor de zielen in het vagevuur.
Amen.
Opmerking;
Het is aan te raden en eenvoudiger indien men het eerste, verborgen lijden overweegt volgens de maandkalender, bijvoorbeeld de eerste dag het 1ste verborgen lijden, de 2de dag het tweede enz.
Goedgekeurd door de Sacro Collegio de propagande fide, onder het pontificaat van Zijne Heiligheid Paus Clemens XII (1730-1740)
BRIEF UIT HET HIERNAMAALS.
Hieronder volgt een ontstellend document. Het is allerminst een stuk sensatie, maar integendeel een genade van de Goddelijke Barmhartigheid. Hetgeen erin wordt verhaald over het leven van Annie en haar ouders is gecontroleerd en het zijn feiten. Dr. Bernard Krempel, die het voor het eerst publiceerde, verkreeg bovendien het imprimatur van het Bisdom Basel, in Soloturn op 12 november 1941.Tenslotte zij vermeld dat de brochure met de originele tekst niet minder dan 15 voetnoten bevat, waarvan sommige zeer uitgebreid, die de overeenstemming aantonen van de beweringen uit het hiernamaals met de leer van de Kerkvaders en de H. Schrift. We nemen deze niet over maar brengen wel de onverkorte vertaling van de "Brief".
Dr.Krempel: Onder de papieren van een dochter, die jong is gestorven als kloosterzuster, vond ik het volgende handschrift: "Ik had een vriendin. Dat wil zeggen, we kenden elkaar doordat we op het kantoor in München waar we werkten, naast elkaar zaten. Toen Annie later trouwde heb ik haar niet meer gezien. Er was eigenlijk meer een vriendelijkheid dan vriendschap tussen ons. Ik miste haar dan ook niet erg toen ze na haar huwelijk in een villawijk van München ging wonen, die veraf lag van de plaats waar ik woonde. Toen ik in de herfst van 1937 mijn vakantie aan het Gardameer doorbracht schreef mijn moeder me, ongeveer aan het einde van de tweede week van september: Moet je eens horen, Annie N. is gestorven. Ze is door een auto-ongeluk om het leven gekomen. Gisteren is ze begraven. Ik was geschrokken van dit bericht. Ik wist dat Annie nooit echt godsdienstig was geweest. Was ze wel voorbereid toen God haar plotseling had geroepen? De volgende morgen woonde ik in het pensionaat van de zusters, waar ik verbleef, de H. Mis bij in de huiskapel, ik bad vurig voor haar zielenrust en offerde ook de H. Communie tot die intentie op. Maar de hele dag voelde ik een zeker onbehagen, dat tegen de avond nog toenam. Ik sliep onrustig. Uiteindelijk ontwaakte ik door een heftig geklop.Ik deed het licht aan. De wekker op mijn nachtkastje stond op 10 minutenna middernacht. Maar er was niets te zien. Geen enkel geluid in huis. Alleen de golven van het Gardameer sloegen eentonig tegen de oevermuren van de tuin van het pensionaat. Er was geen wind te horen. En toch had ik toen ik wakker werd een soort waaien van wind menen te horen. Net alsof mijn chef op het kantoor in een slecht humeur een vervelende brief op mijn schrijftafel wierp. Ik dacht een ogenblik na of ik op zou staan. Ach wat, zei ik vastberaden tegen mezelf, het is alleen maar je ophol geslagen fantasie door dat doodsbericht. Ik draaide me om, bad een Onze Vader voor de arme zielen in het vagevuur en sliep in.
EN IK DROOMDE:
Dat ik 's morgens om 6 uur was opgestaan en naar de huiskapel wilde gaan, toen ik bij het opendoen van de kamerdeur met mijn voet tegen een pakje losse velletjes van een brief stootte Ze opnemen, Annie's geschrift herkennen en een kreet uitstoten: dat gebeurde allemaal tegelijkertijd. Bevend hield ik de vellen papier in mijn handen. Een verstikkend gevoel overviel me. Ik wist dan ook niets beters te doen dan naar buiten te vluchten. Ik maakte mijn haar in orde, deed de brief in mijn handtas en ging het huis uit. Na ongeveer een kwartier te hebben gelopen liet ik me op een bank vallen. Ik greep naar de brief. Er stond geen handtekening onder. Maar het was onmiskenbaar Annie's handschrift. Zelfs de wijde krul van de S en de op zijn Frans geschreven T die ze zich om mijnheer Gr. te ergeren had eigen gemaakt, ontbraken niet. De stijl was de hare niet. Tenminste, ze sprak niet zoals gewoonlijk. Ze kon namelijk heel vriendelijk babbelen en lachen. Alleen als we over religieuze vragen discussieerden kon ze giftig worden en in de harde toon van deze brief vervallen (Ik heb nu ook zelf al de opgewonden manier van spreken van haar brief aangenomen). Ik laat haar schrijven uit het hiernamaals hieronder woord voor woord volgen, zoals ik het in mijn droom heb gelezen.
HET LUIDDE ALS VOLGT: Clara! Bid maar niet voor me. Ik ben verdoemd. Ik deel dat wel aan je mee en zal je er uitvoerig over berichten, maar denk maar niet dat het uit vriendschap gebeurt. We houden hier van niemand meer. Ik doe het gedwongen. Ik doe het nu, als "deel van die macht, die steeds het boze wil maar steeds het goede doet" (als Teil von jener Macht, die stets das Böse will, und stets das Gute schafft). Om de waarheid te zeggen zou ik je ook in deze toestand willen zien belanden waarin ik nu voor eeuwig het anker heb uitgeworpen. Wees daar niet verbaasd over. Wij denken hier allemaal zo. Onze wil is in het kwaad -wat jullie nu eenmaal het "kwaad" noemen- versteend. Zelfs als we iets "goeds doen", zoals ik nu, doordat ik je ogen open over de hel, gebeurt dat niet met goede bedoelingen. Herinner je je nog? Vier jaar geleden leerden we elkaar in München kennen. Jij was 23 en al een half jaar op het kantoor toen ik er kwam. Je hebt me vaak uit de moeilijkheden geholpen. Je gaf mij als beginneling menige goede aanwijzing. Maar wat betekent "goed"? Destijds prees ik je "naastenliefde". Belachelijk! Je hulp kwam voort uit pure grootdoenerij, zoals ik overigens toen al vermoedde. Wij hier erkennen geen goeds. In niemand. Mijn jeugd ken je. Enkele leemten vul ik hier aan. Volgens het plan van mijnouders had ik eigenlijk niet moeten bestaan. Ik was een ongelukje". Mijn beide zussen waren al 14 en 15 jaar toen ik het levenslicht zag. Was ik maar nooit geboren! Kon ik me nu maar vernietigen, deze kwellingen ontlopen! Geen wellust zou gelijk zijn aan die, waarmee ik mijn bestaan zou verscheuren als een kledingstuk van as, waarvan de flarden in het niets vervliegen. Maar ik moet bestaan. Ik moet zijn zoals ik mezelf heb gemaakt: met een gemist bestaansdoel. Toen mijn vader en moeder, nog vóór hun trouwen, van buiten naar de stad waren getrokken, hadden ze allebei de voeling met de Kerk verloren. Het was ook beter zo. Ze sloten zich aan bij kringen die niets met de Kerk hadden uit te staan. Ze leerden elkaar kennen op een dansfeest en een half jaar later "moesten" ze trouwen. In hun huwelijk is er aan hen maar zo weinig wijwater blijven hangen, dat moeder niet meer dan een paar maal in het jaar op zondag naar de kerk ging. Ze heeft me niet echt leren bidden. Ze ging op in de alledaagse zorgen, hoewel we het thuis niet zwaar hadden. Woorden als bidden, Mis, wijwater, kerk, schrijf ik met een onvoorstelbare walging op! Ik heb er een afschuw van, net als van pilaarbijters en sowieso van alle mensen en van alle dingen. Want alles is een oorzaak van kwelling voor ons. Ieder inzicht dat we tijdens ons overlijden hebben gekregen, iedere herinnering aan iets dat we hebben meegemaakt of geweten is een steekvlam voor ons. En alle herinneringen draaien naar ons de kant toe die er genade aan was. Die wij hebben versmaad. Wat dat een pijn doet! Wij eten niet, we slapen niet. We lopen niet met onze voeten. Met geketende ziel staren we met "geween en tandengeknars" naar ons verknoeide leven. Hatend en gepijnigd. Hoor je! We drinken hier de haat als water. Ook tegen elkaar. Maar het meest haten we God. Ik wil het je begrijpelijk maken. De heiligen in de hemel moeten Hem beminnen. Want ze zien Hem zonder sluier in Zijn verblindende schoonheid. Dat maakt hen onbeschrijflijk zalig. Wij weten dat en dit inzicht maakt ons razend. De mensen op aarde, die God kennen uit de schepping en de openbaring, kunnen Hem beminnen; gedwongen zijn ze niet. De gelovige -ik schrijf dit knarsetandend neer- die aandachtig mediteert over Jezus die aan het kruis is genageld, gaat van Hem houden. Maar degene zoals wij, op wie God toekomt als de Straffende, de Wrekende, de Rechtvaardige die eens door ons is verworpen: die haat Hem. Met de volheid van zijn boze wil. Eeuwig. Vanwege het vrijwillige besluit om van God afgekeerd te zijn waarmee we onze ziel stervend hebben uitgeademd. En dat we ook nu niet terug willen trekken en nooit zullen willen terugtrekken. Begrijp je nu waarom de hel eeuwig duurt? Omdat onze hardnekkigheid nooit wegsmelt. Gedwongen voeg ik hieraan toe, dat God zelfs tegenover ons barmhartig is. Ik zeg "gedwongen". Want, al schrijf ik deze brief tegen mijn wil, het is me toch niet toegestaan om te liegen, hoe graag ik het ook zou doen. Tegen mijn wil zet ik veel dingen op papier. Ook moet ik de vloed van verwensingen die ik zou willen uitbraken inslikken. God is barmhartig geweest voor ons omdat Hij ons op aarde onze slechte wil niet liet uitleven zoals we dat zouden hebben willen doen. Want dat had onze schuld en onze straf nog groter gemaakt. Hij liet ons voortijdig sterven, zoals in mijn geval, of andere milderende omstandigheden optreden. Nu toont Hij zich tegenover ons barmhartig omdat Hij ons niet dwingt dichter bij Hem te komen vanuit deze verre helleplaats en dat vermindert de kwelling. Iedere stap naar God toe zou me meer pijn doen dan voor jou een stap naar een brandende hoogoven. Je was ontdaan toen ik je tijdens een wandeling eens vertelde dat mijn vader twee dagen voor mijn eerste communie tegen me zei: "Zorg dat je een mooie jurk krijgt, Anneke, al het andere is toch maar flauwekul!" Ik had me bijna zelf geschaamd over je schrik. Nu lach ik erom. Het enige verstandige bij die flauwekul was, dat ze ons pas met twaalf jaar te communie lieten gaan. Toen had ik de smaak van de wereldse pleziertjes al zozeer te pakken dat ik het godsdienstige luchthartig wegwuifde; me van de communie niet veel aantrok. Dat veel kinderen nu al met zeven jaar te communie gaan maakt ons woedend. We doen alles om de mensen wijs te maken dat de kinderen er dan nog niets van begrijpen. Ze moeten eerst enkele doodzonden hebben gedaan! Dan schaadt de witte Heer God hun niet meer zo als wanneer het geloof, de hoop en de liefde poeh! Hou op daarover! van het doopsel nog in het kinderhart leven! Herinner je je, dat ik dit standpunt al op aarde verdedigde? Ik had het over mijn vader. Hij lag vaak met moeder overhoop. Dat heb ik je maar zelden laten voelen; ik schaamde me erover. Belachelijk iets, die schaamte! Voor ons maakt het hier allemaal niets meer uit. Ze sliepen ook niet meer in dezelfde kamer, maar ik bij mijn moeder en mijn vader in de kamer ernaast, waar hij op elk uur van de nacht naar binnen kon gaan. Hij dronk veel en hij verdronk ons hele bezit. Mijn beide zussen hadden een baan en hadden hun geld zelf nodig, zeiden ze. Mijn moeder begon te werken om er iets bij te verdienen. In zijn laatste levensjaar heeft vader mijn moeder vaak geslagen als ze hem niets wilde geven. Tegen mij was hij altijd lief. Op zekere dag, dat heb ik je verteld, en je hebt je toen over mijn verwendheid geërgerd -wat heb je je aan mij geërgerd!-, op zekere dag dus heeft hij tot tweemaal toe schoenen die we hadden gekocht teruggebracht om ze om te ruilen, omdat het model en de afwerking me niet modern genoeg waren. In de nacht waarin mijn vader door een dodelijke beroerte werd getroffen, is er iets gebeurd dat ik je uit angst voor een uitleg die niet zo aardig voor mij zou klinken, niet heb willen toevertrouwen. Maar nu moet je het weten. Want het is merkwaardig, alleen al door het feit dat ik toen voor de eerste maal door mijn tegenwoordige kwelgeest werd aangesproken. Ik sliep bij mijn moeder in de kamer. Aan haar regelmatige ademhaling was duidelijk dat zij vast in slaap was. Daar hoorde ik plotseling mijn naam roepen. Een onbekende stem zei: "En als je vader nu eens doodgaat?" Ik hield niet meer van mijn vader, omdat hij moeder zo grof behandelde; zoals ik eigenlijk van niemand meer hield, maar alleen aan diegenen gehecht was die goed voor me waren. Liefde zonder uitzicht op aardse tegenprestatie leeft alleen in zielen die in staat van genade zijn. Dat was ik niet. Zo antwoordde ik op die geheimzinnige vraag zonder me rekenschap te geven waar hij vandaan kwam: "Hij gaat toch niet dood!" Na een korte tijd weer diezelfde duidelijk te horen vraag: "Hij gaat toch niet dood", antwoordde ik nogmaals nors. Voor de derde maal werd ik aangesproken: "En als je vader nu eens doodgaat?" Ik dacht eraan hoe vader vaak dronken thuis kwam, lawaai maakte, moeder mishandelde en hoe wij door hem in een hachelijke positie tegenover de mensen werden gebracht. Daarom riep ik kwaad terug: Dat komt dan goed uit!" Daarna werd alles stil. De volgende morgen, toen moeder vaders kamer wilde opruimen, vond ze de deur gesloten. Tegen de middag brak men hem open. Vader lag half aangekleed op bed -een lijk. Bij het halen van bier uit de kelder moet hij kou gevat hebben. Hij sukkelde al lange tijd (Heeft God het dus aan de wil van een kind verbonden, die nog enigszins van hem hield, of Hij hem nog langer de gelegenheid tot bekering zou geven? -Wat een verantwoordelijkheid voor hen die de gelegenheid verzuimen om goed te doen aan hun naaste). Martha K. en jij hebben me overgehaald om bij de meisjesjeugdbeweging te gaan. Ik heb overigens nooit onder stoelen of banken gestoken dat ik de raadgevingen van de beide leidsters X rijkelijk pastoorsachtig vond. De spelletjes waren wel leuk. En ik had daarbij al gauw, zoals je weet, een leidende rol. Dat beviel me. Ook de uitstapjes bevielen me. Ik liet me zelfs enkele keren overhalen om te biechten en te communie te gaan. Eigenlijk had ik niets te zeggen. Ideeën en gesprekken zeiden mij niets en voor ergere daden was ik nog niet verdorven genoeg. Je hebt me eens gewaarschuwd: "Annie, als je niet bidt, ga je verloren!" Ik bad inderdaad weinig. En ook met tegenzin. Maar je had meer dan gelijk. Allen die in de hel branden hebben niet of te weinig gebeden. Het gebed is de eerste stap naar God. Het blijft de beslissende. Vooral het gebed tot Degene die de Moeder van Christus is en die we hier niet noemen. De godsvrucht tot haar ontrukt veel zielen aan de duivel die de zonde hem absoluut zeker in handen zou hebben gespeeld. Woedend vervolg ik -omdat ik moet-: bidden is het makkelijkste wat een mens kan doen op aarde. En juist aan dit makkelijkste heeft God het heil verbonden. Aan wie volhardend bidt geeft Hij geleidelijk zoveel licht en Hij sterkt hem dermate, dat ook de diepst gezonken zondebok zich nog definitief kan oprichten. Al zit hij ook tot aan zijn nek in de modder. In mijn laatste jaren heb ik helemaal niet meer goed gebeden en me zo beroofd van de genaden zonder welke niemand zalig wordt. Hier krijgen we geen genade meer. Maar zelfs als we die zouden krijgen zouden we het met hoongelach afwijzen. Alle schommelingen van het aardse bestaan hebben in het hiernamaals opgehouden. Bij jullie op aarde kan de mens van uit een staat van zonde in de staat van genade glijden. En van de genade in de zonde vallen. Dikwijls uit zwakheid, soms uit slechtheid. Met de dood is er aan deze onvolmaaktheid van het op- en neerspringen van de menselijke voeten een einde gekomen. De eindtoestand is bereikt. Met het klimmen van de jaren worden de sprongen al kleiner. Het is waar, tot aan de dood toe kan men zich naar God wenden of Hem de rug toekeren. Maar de mens besluit met de laatste zwakke wilsopwellingen voor zijn overlijden haast automatisch zo als hij in zijn leven gewoon was. Een goede of een kwade gewoonte wordt een tweede natuur. Deze drijft hem voort. Ook mij. Ik leefde sinds jaren van God afgekeerd. Zo besliste ik bij de laatste oproep van de genade tégen God. Niet het feit dat ik vaak zondigde werd mij noodlottig, maar dat ik niet meer wilde opstaan. Je hebt me meermaals aangespoord om naar een preek te gaan luisteren of om godsdienstige boeken te lezen. Ik had er geen tijd voor, luidde mijn antwoord regelmatig. Had ik mijn innerlijke onzekerheid nog groter willen maken? Ik moet overigens vaststellen: toen ik er al zo voorstond, kort voor mijn uittreding uit de jeugdbeweging, zou het me ongelofelijk zwaar zijn gevallen om nog een andere weg in te slaan. Ik voelde me onzeker en ongelukkig. Maar er stond een muur tussen mij en een bekering. Dat zal jij niet hebben vermoed. Je stelde het zo eenvoudig voor toen je eens zei: "Leg toch een goede biecht af, Annie, en alles is weer in orde!" Ik had het gevoel dat het zo was. Maar de wereld, de duivel en het vlees hadden me al veel te vast in hun greep. Aan de invloed van de duivel heb ik nooit geloofd. Nu getuig ik dat hij op zulke mensen als ik toen was een enorme invloed uitoefent. Alleen door veel gebed van anderen en van mijzelf, verbonden met offers en lijden, had ik uit zijn macht kunnen komen. En zelfs dan alleen geleidelijk. Al zijn er weinig uiterlijk bezetenen, het wemelt daarentegen van de innerlijk bezetenen. De duivel kan de vrije wil van degenen die zich aan zijn invloed overgeven niet afnemen. Maar tot straf voor hun als het ware systematische afval van God, laat Deze het toe dat de "Boze" zich in hen nestelt. Ik haat de duivel óók. En desondanks bevalt hij me, omdat hij probeert jullie in het verderf te storten; hij en zijn handlangers, de aan het begin van de tijden samen met hem gevallen geesten. Er zijn er miljoenen van. Ze zwerven over de aarde rond, dicht als een zwerm muggen, en jullie hebben er nauwelijks een vermoeden van. Wij, verworpen mensen, mogen jullie niet bekoren; dat komt de gevallen geesten toe. Het vermeerdert weliswaar hun kwelling, iedere keer dat ze een ziel meesleuren in de hel. Maar wat kan haat niet doen! Niettegenstaande ik goddeloze paden bewandelde ging God achter me aan. Ik effende de weg voor de genade door natuurlijke diensten van liefde, die ik door de neiging van mijn aard vaak verrichtte. Soms lokte God me een kerk in. Daar kreeg ik een soort heimwee. Als ik ondanks een hele dag werken op kantoor voor mijn ziekelijke moeder zorgde en me werkelijk enigszins opofferde, werkten deze aanlokkingen van God sterk op mij in. Op een keer toen je me tussen de middag had meegenomen naar de kapel van het ziekenhuis, overviel het me zó, dat er nog maar één stap nodig was geweest of ik zou me hebben bekeerd. Ik huilde. Maar toen spoelde de zucht naar het wereldse weer over de genade heen. Het koren verstikte onder de dorens. Met de verklaring dat godsdienst een kwestie van de gevoelens is, zoals op kantoor steeds werd gezegd, veegde ik ook deze hernieuwing van de genade van tafel, net als de andere keren. Je hebt me eens een standje gegeven omdat ik in plaats van tot op de grond te knielen, alleen maar een ongemanierd gebaartje maakte. Je vond dat luiheid. Vermoedde je dat ik toen al niet meer geloofde aan de tegenwoordigheid van Christus in het Sacrament? Nú geloof ik eraan, maar zuiver natuurlijk, zoals je aan onweer gelooft, waarvan je de gevolgen kan waarnemen. Intussen had ik op mijn manier een godsdienst gemaakt. Ik hield er de mening op na die bij ons op het werk schering en inslag was, dat de ziel na de dood in een ander wezen overgaat (reïncarnatie); zo zou ze eindeloos verder trekken. Daarmee was de bange vraag over het hiernamaals tegelijk onder ogen gezien en voor mij onschadelijk gemaakt. Waarom heb je me niet herinnerd aan de gelijkenis van de rijke vrek en de arme Lazarus, van wie Christus onmiddellijk na hun dood de ene naar de hel stuurt en de andere naar het paradijs? Maar wat had je daarmee bereikt? Niet meer dan met je andere overdreven vrome praat. Geleidelijk aan knutselde ik voor mezelf een God in elkaar; voldoende "op niveau" om God te worden genoemd; voldoende ver van mij, om geen betrekkingen met hem te hoeven onderhouden. Vaag genoeg om hem tot een pantheïstische wereldgod (wereldziel) te laten uitdijen, of tot een soort eenzame vrijgezel te laten inkrimpen (een God die niets met de wereld te maken heeft), al naargelang mijn behoefte; en zonder dat ik mijn godsdienst hoefde te veranderen. Deze God had me geen hemel te schenken en geen hel op te leggen. Ik liet hem met rust. Daarin bestond mijn aanbidding voor hem. "Waar je van houdt, daar wil je graag in geloven". In de loop van de jaren was dat (hierboven beschrevene) dus mijn godsdienstige overtuiging. Je kon ermee leven. Maar er was één ding dat me zou hebben gebroken: een groot en langdurig lijden. En dat lijden kwam niet. Begrijp je nu wat het betekent: God kastijdt degenen die Hij bemint? Het was op een zomers dag in juli toen de jeugdvereniging een uitstapje naar A. had gepland (bedoeld is waarschijnlijk Altötting in Beieren, een Mariabedevaartsoord; vert.). De excursie op zich leek me wel leuk. Maar die stomme preken en dat vrome gedoe! Sinds kort stond er een ander beeld dan dat van de Moeder van Genaden van A. op het altaar van mijn hart: de aantrekkelijke Max N. van de winkel naast ons. We hadden kort tevoren al meermalen gekheid met elkaar gemaakt. Hij had me juist voor deze zondag uitgenodigd om ergens heen te gaan. Het meisje met wie hij altijd uitging lag in het ziekenhuis. Hij had wel gemerkt dat ik een oogje op hem had. Ik dacht er toen nog niet aan om met hem te trouwen. Hij was weliswaar welgesteld, maar mij te aardig tegen alle mogelijke meisjes. En ik wilde nog altijd een man, die alleen van mij zou zijn: ik wilde niet alleen de vrouw zijn van iemand, maar de enige vrouw. Een zeker natuurlijk fatsoen heb ik altijd wel gehad. (Dat is waar. Annie had bij al haar religieuze onverschilligheid iets voornaams. Ik schrok bij de gedachte dat ook "fatsoenlijke" mensen in de hel kunnen komen, als ze maar "onfatsoenlijk" genoeg zijn om God uit de weg te gaan). Bij het genoemde zondagsuitstapje was Max een en al attentie. Geen priesterachtige gesprekken zoals bij jullie! De volgende dag, op kantoor, heb je me verweten waarom ik niet met jullie was meegegaan naar A. Ik vertelde je mijn zondagse uitje. Je eerste vraag was: "Ben je naar de kerk geweest?" Idioot, hoe kon dat nou, omdat we al om 6 uur s morgens zouden vertrekken! Weet je nog hoe ik daar geïrriteerd aan toevoegde: Onze Lieve Heer denkt niet zo kleinzielig als die priestertjes van jullie! Nú moet ik bekennen: Ondanks zijn eindeloze goedheid weegt God de dingen veel nauwkeuriger dan alle priesters. Na het eerst uitstapje met Max ben ik nog eenmaal naar de jeugdvereniging gegaan. Met Kerstmis, voor het feest. Dat was iets dat me aantrok om nog eens terug te gaan. Maar innerlijk was ik al van jullie vervreemd. Bioscoop, dansen, uitstapjes, het ene volgde op het andere. Max en ik maakten soms wel ruzie, maar ik wist hem steeds weer aan me te binden. Mijn rivale maakte het me heel moeilijk; toen ze weer uit het ziekenhuis was, ging ze als een razende te keer. Eigenlijk tot mijn geluk, want mijn voorname rust maakte grote indruk op Max en gaf uiteindelijk de doorslag zodat hij aan mij de voorkeur gaf. Ik wist hoe ik haar bij hem zwart kon maken; koel redenerend, uiterlijk zakelijk, innerlijk gif spuwend. Zulke gevoelens en handelingen zijn een voortreffelijke voorbereiding voor de hel. Ze zijn "duivels in de strikte zin van het woord. Waarom vertel ik je dat? Om aan te geven hoe ik me definitief van God heb losgemaakt. Niet dat het overigens heel vaak tussen Max en mij tot de laatste intimiteiten was gekomen. Ik begreep dat ik me in zijn ogen verlaagde als ik me voortijdig liet uitdrinken. Daarom hield ik me gereserveerd. Maar op zich was ik zo vaak ik het nodig vond ten allen tijde tot alles bereid. Ik moest Max veroveren. Daarvoor was niets te duur. Bovendien begonnen we elkaar langzamerhand lief te hebben, daar we beiden waardevolle eigenschappen bezaten die we in elkaar konden waarderen. Ik was handig, knap, een goede gezelschapspartner. Zo kreeg ik Max zo vast in de hand, dat ik hem, tenminste de laatste maanden voor het huwelijk, alléén bezat. Daarin bestond mijn afval van God: dat ik een schepsel tot mijn God verhief. Nergens kan dit zo allesomvattend gebeuren als in de liefde tot een mens van het andere geslacht, wanneer die in het aardse blijft steken. Dat maakt haar charme, haar angel en haar gif uit. De aanbidding die ik voor Max had werd voor mij het praktiseren van een godsdienst. Het was in de periode dat ik me op kantoor giftig uitliet over kerkelijke zaken, geestelijken, aflaten, rozenkransgewouwel en soortgelijke nonsens. Jij hebt min of meer intelligent geprobeerd om deze dingen in bescherming te nemen, schijnbaar niet vermoedend dat het bij mij in werkelijkheid niet om deze dingen ging, maar dat ik eerder een houvast tegen mijn geweten zocht. Ik had het toentertijd nog nodig om mijn afvalligheid ook verstandelijk te rechtvaardigen. In de grond van de zaak rebelleerde ik tegen God. Dat zag jij niet in. Je hield me nog steeds voor katholiek. Daar wilde ik ook voor doorgaan; ik betaalde zowaar de kerkelijke bijdragen. Een bepaalde "rugdekking" kon immers geen kwaad, dacht ik. Je antwoorden konden soms treffend zijn, maar op mij gleden ze af, omdat je geen gelijk mócht hebben. Door deze verziekte verhouding was het verdriet van onze scheiding toen we door mijn huwelijk uit elkaar gingen maar klein. Vóór het huwelijk biechtte en communiceerde ik nog éénmaal. Het was toch voorgeschreven. Ik en mijn man dachten hier hetzelfde over. Waarom zouden we deze formaliteit niet vervullen? We vervulden ze, zoals iedere andere formaliteit. Jullie noemen dat onwaardig. Na die "onwaardige" communie had ik meer rust in mijn geweten. Het was overigens de laatste. Ons huwelijksleven verliep in het algemeen heel harmonisch. We waren het op alle punten zo roerend eens. Ook daarover, dat we ons de last van kinderen niet op de hals wilden halen. In de grond van de zaak had mijn man er wel graag eentje willen hebben -natuurlijk niet meer!-, maar ik wist hem uiteindelijk ook dat uit zijn hoofd te praten. Kleren, mooie meubelen, restaurants, autotochten en dergelijk amusement lagen me meer. Het jaar tussen de bruiloft en mijn plotselinge dood was een jaar van aardse genoegens. Iedere zondag gingen we met de auto weg of gingen we op bezoek bij de familie van mijn man (Voor mijn moeder schaamde ik me nu). Die dreven net zo aan de oppervlakte van het bestaan als wij.Innerlijk voelde ik me weliswaar niet gelukkig, al kon ik uiterlijk nog zo lachen. Er knaagde altijd iets onbestemds aan mij. Ik zou hebben gewild dat na de dood, die wat mij betreft vanzelfsprekend nog lang mocht wachten, alles was afgelopen. Maar het is waar wat ik als kind eens in een preek hoorde zeggen, dat God al het goede dat een mens doet beloont. Als Hij het niet kan vergelden in het hiernamaals, doet Hij het op aarde. Onverwachts kreeg ik een erfenis (van tante Lotte). Het lukte mijn man om zijn salaris behoorlijk te verbeteren. Ik kon onze woning prachtig inrichten. Het religieuze schemerde nog slechts in de verte. De restaurants in de stad, de hotels waar we op reis onze intrek in namen, brachten ons niet dichter bij God. Allen die daar vaker kwamen leefden zoals wij, van buiten naar binnen: niet van binnen naar buiten. Als we op een vakantiereis een beroemde kerk bezochten, wilden we alleen maar genieten van het artistieke gehalte van de kunstwerken. De religieuze sfeer die ervan uitging, vooral van die uit de middeleeuwen, wist ik te neutraliseren door me over een of andere bijkomstigheid tijdens de bezichtiging te ergeren: een zorgeloos geklede of onbeholpen kloosterbroeder, die ons rondleidde, het "schandaal" dat monniken die vroom willen zijn, likeur verkopen; het eeuwige klokkengelui voor de eredienst, terwijl het toch allemaal maar om het geld was begonnen... Zo wist ik de genade steeds weer als zij aanklopte af te wijzen. Ik liet mijn ontstemming vooral de vrije loop bij bepaalde ouderwetse uitbeeldingen van de hel -op kerkhoven of ergens anders- waar de duivel de zielen roostert in rode en witte vuurgloed en zijn helpers met lange staarten nieuwe slachtoffers naar hem toe slepen. Clara: de hel kan verkeerd getekend worden, maar hij kan niet worden overdreven! Het vuur van de hel heb ik altijd bijzonder op de korrel genomen. Je weet hoe ik je bij een gesprek daarover eens een brandende lucifer onder je neus hield en spotte: ruikt het zo? Je blies de vlam meteen uit. Hier blaast niemand hem uit. Ik zeg je: het vuur waar de Bijbel over spreekt is niet de gewetenskwelling. Vuur is vuur. Wat Hij gezegd heeft moet letterlijk worden opgevat: Ga weg van mij, vervloekten, in het eeuwige vuur! Letterlijk! Hoe kan de geest door stoffelijk vuur geraakt worden, vraag je je misschien af. Hoe kan op aarde je ziel lijden, als je je vinger in de vlam houdt? De ziel brandt dan toch ook niet; maar wat een pijn voelt de hele mens! Precies zó zijn wij hier naar de ziel aan het vuur gebonden, op de wijze van ons wezen en van onze vermogens. Onze ziel is haar natuurlijke vleugelslag kwijt: we kunnen niet denken wat we willen en niet zoals we willen. Kijk niet verbaasd op bij deze mededelingen, want deze toestand, die jullie niets zegt, verzengt mij, zonder me te verbranden. Onze grootste kwelling bestaat hierin dat we heel goed weten dat we God nooit zullen zien. Wat kan dat pijn doen, terwijl het iemand op aarde zo onverschillig laat! Zolang het mes op tafel ligt, doet het je niets. Je ziet zijn scherpte, maar voelt het niet. Maar steek het mes in je vlees en je huilt van de pijn. Nu voelen we Gods verlies; vroeger dachten we er alleen maar aan. Niet alle zielen lijden evenveel. Hoe boosaardiger en hoe fundamenteler iemand gezondigd heeft, des te zwaarder drukt het verlies van God op hem, wordt hij door de door hem misbruikte schepping gewurgd. Verdoemde katholieken lijden meer dan andersdenkenden, omdat ze meestal meer licht en genade hebben gekregen en met voeten hebben getreden. Wie méér geweten heeft, lijdt erger dan wie minder inzag. Wie uit slechtheid heeft gezondigd lijdt vreselijker dan wie uit zwakheid viel. Maar niemand lijdt meer dan hij verdiend heeft. 0, was dat maar niet zo, dan zou ik een reden hebben om te haten! Je hebt eens tegen me gezegd: "Niemand komt in de hel zonder het te weten." Dat zou aan een heilige zijn geopenbaard. Ik lachte er om, maar verschanste me vervolgens achter deze verklaring: zo nodig zal er nog wel tijd voor bekering zijn, dacht ik in stilte. De uitspraak klopt. Ik kende voor mijn plotselinge einde de hel wel niet zoals hij is. Niemand op aarde kent hem. Maar ik was me er heel goed van bewust: als je sterft ga je naar het hiernamaals over, afgekeerd van God, en zul je de gevolgen dragen. Ik keerde niet om, zoals gezegd, meegesleurd door de stroom van de gewoonte, gedreven door die sleur van waaruit de mensen hoe langer hoe meer handelen naarmate ze ouder worden. Zo trad mijn dood in. Het was een week geleden - ik spreek volgens jullie tijdrekening, want aan de pijn gemeten kan ik evengoed al tien jaar in de hel branden - een week geleden dus maakten mijn man en ik op een zondag het uitstapje dat mijn laatste zou zijn. De dag was stralend aangebroken. Ik voelde me in een zeldzame stemming. Een onheilspellend geluksgevoel bekroop me de hele dag. En toen werd mijn man plotseling, toen we naar huis teruggingen, door een tegemoetkomende auto verblind. Hij raakte de controle over het stuur kwijt. Jezus!, drong het tot mij door. Niet als een gebed, enkel als een schreeuw. Ik werd door een verpletterende pijn in elkaar geperst. Vergeleken met de pijn hier een bagatel. Toen verloor ik het bewustzijn. Vreemd, maar die morgen was in mij op een onverklaarbare manier de gedachte opgekomen: Je zou weer eens naar de Mis moeten gaan. Het klonk als een smeekbede. Helder en welbewust.sneed mijn "Nee" deze gedachtegang af. Daarmee moest het nu eindelijk eens amen en uit zijn. "De gevolgen neem ik op me. Nu draag ik ze. Wat er na mijn dood gebeurde, zul je wel weten. Het lot van mijn man, van mijn moeder, wat er met mijn lijk gebeurde en het verloop van mijn begrafenis zijn me tot in de details bekend door de natuurlijke kennis die we hier hebben. Wat er verder op aarde gebeurt weten we slechts mistig. Maar wat op een of andere manier met onszelf te maken heeft gehad weten we wel. Zo zie ik ook waar jij verblijft. Ikzelf ontwaakte op het ogenblik van mijn dood plotseling uit het duister. Ik zag dat ik door een doordringend licht was omringd. Het was op dezelfde plaats waar mijn lijk lag. Het gebeurde als in een schouwburg: als de lampen in de zaal uitgaan, met geraas het doek opgaat en een onvermoed toneel te zien is, akelig fel belicht. Het toneel van mijn leven. Zoals in een spiegel toonde mijn ziel zich aan zichzelf. De vertrapte genaden van mijn jeugd af aan tot aan mijn allerlaatste "nee" tegenover God. Het werd me te moede als een moordenaar die men tijdens het proces zijn ontzielde slachtoffer laat zien. Berouwen, nooit! Me schamen: nooit! Maar ik kan het ook niet uithouden, onder de ogen van de door mij verworpen God. Zo bleef er maar één ding over- vluchten. Zoals Kaïn vluchtte voor het lijk van Abel, zo vluchtte mijn ziel voor deze gruwelijke aanblik. Dat was het "Bijzonder Oordeel" (het persoonlijk oordeel van ieder mens onmiddellijk na de dood)... Ikzelf rukte me los van God! Terug? Nooit! Nee! Zo eindigde Annie's brief. De laatste woorden waren haast onleesbaar. Maar wat was dát? Door de scherpe toon van de mededelingen die ik had menen te lezen, klonk mild de klank van een klok heen. Ik werd wakker. Ik lag nog in mijn kamer. Door het venster was het morgenrood zichtbaar. Uit de kerktoren kwam het gelui van het Angelus. Was alles dus alleen maar een droom geweest? Nooit heb ik de troost van het weesgegroet zó gevoeld als na deze droom. Langzaam bad ik het Engel des Heren. En toen werd het me heel duidelijk: aan Haar moet je je vasthouden, aan de gezegende Moeder van de Heer. Maria kinderlijk vereren, wil je niet het lot ondergaan dat een ziel je heeft afgeschilderd al is het in een droom- die God nooit meer zal zien. Nog bevend van de vreselijke nacht stond ik op, kleedde me haastig aan en holde de trappen af, naar de kapel. Mijn hart bonsde in mijn keel. De nog weinige gasten (van het klooster) die naast me neerknielden zullen waarschijnlijk gedacht hebben dat ik zo opgewonden was omdat ik de trappen zo snel was afgehold. Een goede oude mevrouw uit Boedapest die veel te lijden had, hulpbehoevend was als een kind en slechtziend, maar heel gelovig en in geestelijke zaken een scherpe blik had, zei die middag in de tuin glimlachend tegen me: Jongedame, de Heiland wil niet in een sneltrein bediend worden! Maar ze merkte meteen dat er iets anders was waardoor ik van slag was. Bemoedigend voegde ze er aan toe: Je moet nergens angstig door worden! Je kent toch wel de uitspraak van de heilige Teresia? Je moet nergens bang van worden, alles vergaat. God blijft dezelfde. Met geduld bereik je alles. Wie God bezit komt niets tekort. God alleen is voldoende! Terwijl ze dat zachtjes en helemaal niet belerend tegen me fluisterde, leek het of ze in mijn ziel las. God alleen is voldoende! O ja, Hij zal voldoende voor me zijn, hierbeneden en daarboven. Eens wil ik Hem daar bezitten, al kost het hier nog zoveel offers. Ik wil de beproevingen van het aardse leven doorstaan en vasthouden aan de liefde tot God, opdat ik Hem voor eeuwig mag bezitten, Hij die alleen vrede, vreugde en geluk is, terwijl alle aardse vreugden vergaan.