Openbaring 16:1 En ik hoorde een luide stem uit de tempel zeggen tot de zeven engelen ; Gaat heen en giet de zeven schalen van de gramschap van God uit op de aarde. Zij zullen de oorzaak zijn van veel lijden onder de verstokte mensen. Vers 2 En de eerste ging heen en goot zijn schaal uit op de aarde, en er kwam een boos en kwaadaardig gezwel aan de mensen, die het merkteken van het beest hadden en die zijn beeld aanbaden. 3 En de tweede goot zijn schaal uit in de zee, en zij werd bloed als van een dode, en alle levende wezens, die in zee waren, stierven. 4 En de derde goot zijn schaal uit in de rivieren en in de waterbronnen, en het water werd bloed. 5 en ik hoorde de engel der wateren zeggen : Rechtvaardig zijt Gij, die zijt en die waart, Gij Heilige, dat Gij dit oordeel hebt geveld. 6 Omdat zij het bloed der heiligen en der profeten vergoten hebben, hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven ; zij hebben het verdient ; 7 En ik hoorde het altaar zeggen ; Ja Here God, Almachtige, uw oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig. 8 En de vierde goot zijn schaal uit over de zon en haar werd gegeven de mensen te verzengen met vuur. 9 En de mensen werden verzengd door de grote hitte en zij lasterden de naam van God, die de macht heeft over deze plagen, en zij bekeerden zich niet om Hem eer te geven. 10 En de vijfde goot zijn schaal uit over de troon van het beest, en zijn rijk werd verduisterd, en zij kauwden op hun tong van pijn, 11 en zij lasterden de Gods des hemels vanwege hun pijnen en vanwege hun gezwellen, en zij bekeerden zich niet van hun werken.
Ondanks deze zware straffen zullen de volken onvermurwbaar blijven en weigeren zich van hun zonden te bekeren !
Wat zal er gebeuren wanneer de zesde symbolische schaal van Gods toorn uitgegoten wordt ?
Vers 12 En de zesde goot zijn schaal uit op de grote rivier, de Eufraat, en zijn water droogde op, zodat de weg bereid werd voor de koningen, die van de opgang der zon komen. Let erop uit welke richting deze koningen zullen komen.
Wat gebeurt er op dit tijdstip nog meer ?
Vers 13 En ik zag uit de bek van de draak en uit de bek van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten komen, als kikvorsen ; 14 want het zijn geesten van duivelen, die tekenen doen, welke uitgaan naar de koningen der gehele wereld, om hen te verzamelen tot de oorlog op de grote dag van de almachtige God. 15 Zie, Ik kom als een dief, Zalig hij, die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele en zijn schaamte niet gezien worde. 16 En hij (GR - zij ; zie ook de statenvert) verzamelde hen op de plaats, die in het Herbreeuws genoemd wordt Harmagedon.
Laten we eens zorgvuldig nagaan wat er door deze verzen
uitgebeeld wordt
WAT IS ARMAGGEDON ?
DEEL 1
"Armaggedon" is een uitdrukking die verband houdt met de toorn van God. Bijna iedereen heeft ervan gehoord. De leiders van deze wereld en wetenschapmensen gebruiken deze bijbelse term herhaardelijk wanneer zij het over het onvermijdelijke van een nucleaire oorlog en de vernietiging van het mensdom hebben. Weinig mensen weten echter wat 'Armaggedon' eigenlijk betekent ! Zoals de meeste andere onderwerpen van de bijbelse profetieén het geval is, wordt dat wat in het algemeen over dit onderwerp onderwezen wordt, gewoonlijk zonder vragen aangenomen. En zoals de meeste andere bijbelse onderwerpen zijn de mensen ertoe gebracht zich van de waarheid af te keren en fabels aan te nemen. Toen de eerste Wereldoorlog uitbrak verkondigden velen opgewonden : "Dit is Armaggedon". Een generatie later veronderstelden veel mensen dat de Tweede Wereldoorlog de oorlog was die met een 'Armaggedon' zou eindigen. In de decennia na de Tweede Wereldoorlog was het algemeen aanvaarde idee dat 'Armaggedon' de laatste slag van een komende oorlog was tussen het Westen en het Communisme zou zijn. Het zou zogenaamd een slag zijn tussen het athéistische Comminisme , dat Jeruzalem aanvalt enerzijds, terwijl anderzijds de westerse legers het verdedigen. En juist op het tijdstip van deze slag, zo werd aangenomen, vindt de wederkomst van Jezus Christus plaats. Maar wordt dit werkelijk in de bijbelse profetieén voorspeld ? U zult er misschien verbaasd over staan wie bij Christus' wederkomst tegen wie zal vechten en waar ! Vergis u niet. De Derde Wereldoorlog is op komst ! De eerste twee wereldoorlogen waren slechts bescheiden voorlopers van de algehelevernietiging die plotseling over de volken zal losbreken. Dit keer zal de verwoesting zo hels zijn dat alleen de wederkomst van Christus het mensdom voor uitroeiing zal kunnen bewaren. Daarom gebiedt God ons te "Waken". Lucas 21:34 Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud, en die dag niet plotseling over u kome, 35 (21-34b) als een strik, ( 21-35a) Want hij zal komen over allen, die gezeten zijn op het oppervlak der ganse aarde, 36 Waakt te alle tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal, en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen.
We moeten op het wereldnieuws letten, zodat we met de vervulling van bijbelse profetieén op de hoogte zullen zijn en waardig geacht worden te ontkomen aan de nucleaire vernietiging die de weldra, deze onachtzame, opstandige wereld zal overvallen !
Waarmee wordt de toorn van God voleindigd ?
Openbaring 11:15 En de zevende engel blies de bazuin en luide stemmen klonken in de hemel, zeggende : Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden. De zevende of laatste bazuin voleindigt - voltooit - Gods toorn. Hoe ? Door de verschrikkelijke "zeven laatste plagen" in te luiden !
Openbaring 15:1 En ik zag een ander teken in de hemel, groot en wonderbaar: zeven engelen, die de zeven laatste plagen hadden, want daarmede is de gramschap van Gods voleindigd. Deze plagen van toorn worden vergeleken met de zeven gouden schalen, vol van de gramschap van God. Openbaring 15:7 En een van de vier dieren gaf aan de zeven engelen zeven gouden schalen, vol van de gramschap van God, die leeft tot in alle eeuwigheden.
Heer , laat ons ook dit jaar in het licht , het feest en de vreugde van kerstdag tegemoet gaan , welke ons het grootste dat er bestaat , voor ogen stelt : Uw liefde , waarmee Gij de wereld zo hebt liefgehad , dat Gij Uw enige Zoon weggaf , opdat wij allen aan Hem zouden geloven en daardoor niet verloren zouden gaan , maar het eeuwige leven zouden hebben .
Wat zouden wij U eingelijk kunnen brengen ? Wat hebben wij om aan U te schenken ? Er is zoveel duisters in onze menselijke verhouding en in ons eigen binnenste ! Er zijn zoveel verwarde gedachten , er is zoveel koude en trots , zoveel lichtzinnigheid en haat ! Zoveel waarover U zich niet verheugen kunt , wat ons van elkaar scheidt en wat ons beslist niet verder helpt ! Zoveel wat rechtstreeks in tegenspraak is met de boodschap van Kerstmis !
Wat moet U met zulke geschenken beginnen ? En wat met zulke mensen als wij allen zijn ? Maar juist dat wilt U immers met Kerstmis van ons hebben en van ons afnemen --- heel onze poverheid , en ons zelf , zoals we zijn , om ons daardoor in de plaats van Jezus , onze Heiland , te schenken en in Hem een nieuwe aarde , nieuwe harten en een nieuw verlangen , een nieuw licht en een nieuwe hoop voor ons en voor alle mensen .
Wees zelf onder ons , nu wij ons op deze laatste Zondag voor het feest nog eenmaal erop willen voorbereiden dit alles als Uw geschenk te ontvangen ! Bewerk , Heer , dat hier goed gesproken , geluisterd en gebeden wordt : met de echte dankbare verwondering over datgene wat Gij met ons allen voorhebt , over ons allen reeds besloten , voor ons allen reeds gedaan hebt .!
AMEN .,
Zuster Maria Faustina Kowalska
Zuster Maria Faustina Kowalska (1905-1938) was verantwoordelijk voor de devotie tot de goddelijke Barmhartigheid, wiens verspreiding steeds grotere vormen gaat aannemen. Haar leven als 'slachtofferziel' blonk echter uit door onopvallendheid en eenvoud. De mystica tekende in haar dagboek op wat ze zag en hoorde. Of dat nou engelen, demonen, visioenen of de Heer zelf betrof.
De meeste religieuzen konden het niet geloven. In de twee jaar na haar dood was haar naam nauwelijks genoemd. Begin 1941 staan de leden van de kloostergemeenschap van Onze Lieve Vrouw van Barmhartigheid versteld als generaal overste Michaëlla Moraczweska zegt dat de gebeden in het boekje van pater Sopocko (Faustina's geestelijk leidsman) wel degelijk door de stille zuster opgeschreven zijn. De noveen, litanie en rozenkrans van de goddelijke Barmhartigheid waren al jaren zo vertrouwd en vormden zo'n bijzondere bron van inspiratie voor de congregatie. En nu bleek een van hen, een onopvallende werkzuster nota bene wiens taken voornamelijk huishoudelijk werk betroffen, dit - inclusief de stichting van een nieuwe congregatie van de goddelijke Barmhartigheid - opgezet te hebben.
Wat daarop volgde was nog verbazingwekkender. De verspreiding van de devotie in Polen kreeg een bijna epidemisch karakter in de oorlogsjaren. De bidprentjes met het intense portret van Jezus met de twee lichtstralen uit zijn borst, was algemeen bekend. Men bezocht massaal het klooster in Lagieuwniki waar Faustina's graf lag en de bijbehorende kapel. De religieuzen vertelden de pelgrims over haar liefde en bezorgdheid voor Polen, over Faustina's voorzeggingen over de oorlog.
Er werden alom vieringen gehouden en op de zondag na Pasen werd het feest van de Barmhartigheid gevierd. Plechtige wijdingen van de afbeelding vonden plaats. Bisschoppen gaven toestemming om de bidprentjes en afbeeldingen te publiceren. In 1951 waren er 130 centra van de goddelijke Barmhartigheid in Polen. Bovendien werd de devotie door soldaten en vluchtelingen naar alle delen van de wereld gebracht.
In 1959 bracht een notificatie van de Heilige Stoel een nogal plotseling halt aan de devotie onder de vormen zoals die door zuster Faustina voorgesteld waren. De hoofdverantwoordelijke, pater Sopocko, ontving een ernstige berisping. Afbeeldingen werden uit kerken verwijderd, preken over de goddelijke Barmhartigheid hoorde men niet langer. In de jaren die volgden, was het de aartsbisschop van Krakau die haar zaak opnieuw behartigde. Hij opende in 1965 het heronderzoek naar het leven en de deugden van zuster Faustina. Vervolgens kwam door diezelfde Karol Wojtyla het proces tot zaligverklaring op gang. Na een grondig onderzoek van originele documenten die tevoren niet ter beschikking hadden gestaan, trok de Heilige Stoel op 15 april 1978 de notificatie geheel in. De devotie mocht weer. Zuster Faustina werd door paus Johannes Paulus II in 1993 zalig verklaard. Beloken Pasen 2000 maakte door de instelling van het feest van Barmhartigheid Gods voorspelling in Faustina's dagboek waar: "Aan haar zal de vonk ontspringen die de wereld op Mijn wederkomst zal voorbereiden."
Jeugd:
"Mamma, ik liep hand in hand met de moeder van God in een prachtige tuin", zegt de vijfjarige Heleen. Marianne en Stanislaus Kowalski weten niet wat ze aan moeten met zo'n droom.
Helenka ('Heleentje') is een bijzonder kind. Ze werd op 25 augustus 1905 geboren in het Poolse gehucht Glogowiec. Het boerengezin Kowalski krijgt 10 kinderen. Heleen is geliefd in de buurt. Als ze de koeien naar de wei brengt, volgt haar een stoet kinderen die wil luisteren naar de religieuze verhalen die ze zo goed kan vertellen, opgedaan uit de bescheiden boekenkast van haar vader. Ze is gek op verkleedpartijen, acteren, dansen. Daar is overigens weinig tijd voor. Vijftien jaar oud, begint Heleen als dienstmeisje te werken om het straatarme gezin te ondersteunen. Een van haar werkgeefsters, mevrouw Lipszyc, is zo gecharmeerd van het roodharige, sproetige meisje met haar open lach, dat ze op zoek gaat naar een geschikte huwelijkspartner voor haar.
Vreemde lichtverschijnselen
Mevrouw Lipszyc heeft haar verkeerd ingeschat. Op haar zevende wist Heleen immers al waar ze voor bestemd was. Haar vrije tijd verdoet ze liever bij het Heilig Sacrament dan bij speelkameraadjes. Ze biecht wekelijks, vast streng.
Haar ouders worden kwaad wanneer ze spreekt over de vreemde lichtverschijnselen die haar omringen. Verzinsels, inbeeldingen. Ze proberen haar af te houden van de nachtelijke gebedswaken waarmee ze voortdurend zichzelf 'tergt'. Ze zien de vreemde schittering niet in Heleens slaapkamer en die ervoor zorgt dat ze wakker blijft.
Na een jaar gewerkt te hebben, maakt ze de wens om naar het klooster te gaan aan vader en moeder bekend. Deze wordt geweigerd. De Kowalski's zijn te gehecht aan hun lievelingsdochter. Helenka reist vervolgens in haar eentje, met de kleren die ze aanheeft en zonder hun medeweten, naar Warschau. Bij talloze kloosters krijgt ze nul op het rekest: geen geld of ontwikkeling, een verwaarloosd uiterlijk, en bovendien nog dienstmeisje ook. Heleen beschikt niet over de vereisten die indertijd van een intredende jonge vrouw gevraagd werden. Toch komt ze uiteindelijk binnen bij de zusters van Onze Lieve Vrouw van Barmhartigheid. Moeder overste Michaëlla Moraczweska besluit haar voorlopig aan te nemen. Heleen treed op 1 augustus 1925 officieel in het klooster in.
Hysterische visionaire
Als werkzuster vervult de jonge vrouw die bij haar noviciaat op 30 april 1926 de kloosternaam Faustina ('gezegende') gekregen heeft, verschillende taken. Tuinierster, portier, bakker en veel keukendienst. Het eenvoudige, maar vrij zware werk, maakt haar gelukkig omdat ze het met liefde voor de Heer doet. Intussen blijven haar bovennatuurlijke ontmoetingen doorgaan. Ze hoort innerlijk de stem van Jezus die haar aanwijzingen geeft. Twijfel, angst en het verwijt van haar medezusters kruisen haar pad als deze stem haar opdraagt de devotie van de goddelijke Barmhartigheid openlijk te verspreiden zoals Hij dat heeft aangegeven. Er dient een afbeelding te komen van de Heer, met het onderschrift: "Jezus, ik vertrouw op U". Als ze het openbaar maakt, groeit er wantrouwen en spot bij de andere religieuzen. Ze wordt uitgemaakt voor "rare, hysterische visionaire" door haar overste. Ondanks alles begint Faustina's derde proeftijd op 1 december 1932. Na enige tijd vraagt Christus of zij geen slachtofferziel voor Hem wil worden. Ze stemt toe.
Onbeschrijflijke pijn
Faustina mag in 1933 haar eeuwige geloften afleggen. Kort daarna krijgt ze de eerste tuberculoseaanval. Hoewel dokters beweerden dat deze ziekte niet met felle pijn gepaard gaat, voelt het alsof haar longen aan flarden worden gescheurd bij elke kleine beweging. Ze valt vaak flauw. De dokters begrijpen niet waar het vandaan komt: "De patiënt heeft last van haar humeur", is een van de opmerkelijke diagnoses. Daarnaast lijdt Faustina aan onbeschrijfelijke geestelijke pijnen door middel van de onzichtbare stigmata, Godverlatenheid en het verdriet om de zondaars. Zusters, biechtvader en moeder overste hebben ontzag voor de diepe vrede waarmee ze dit onvoorstelbare lijden aanvaardt.
Faustina's offerleven blijkt overigens absoluut niet verstoken te zijn van een grote vreugde, vaak bovennatuurlijk door de innige vereniging met God, soms werelds. Ze moet lachen om de brieven die ze krijgt van enkele zusters uit haar novicentijd: "Beste zuster Faustina, het spijt ons heel erg dat je zo ernstig ziek bent. Maar we zijn er ook heel blij om, want als je dood gaat zul je veel voor ons bidden en je hebt heel veel invloed bij de Heer." Als ze naar het sanatorium in Pradnik gestuurd wordt, doet ze enkele opmerkelijke observaties: "Mijn kamer ligt naast de mannenzaal. Ik wist niet dat mannen zulke kletskousen waren. (...) Vrouwen worden hier altijd van beschuldigd, maar ik heb de gelegenheid gehad om mij ervan te overtuigen dat het tegendeel waar is."
Dagboek
Lijden is voor de zwakke Faustina een grote genade. Ze is zo bevlogen door Christus' woorden dat ze nog veel meer wil doen om zielen te redden. "Ik voel dat ik helemaal in vuur en vlam sta. Ik zal alle kwaad bestrijden met het wapen van de barmhartigheid. Ik trek door de wereld in haar lengte en breedte en waag me tot aan haar uiterste grenzen en onherbergzaamste landstreken om zielen te redden. (...) Ik wil dat ieder ziel de barmhartigheid van God verheerlijkt, want ieder ervaart de uitwerkingen van die barmhartigheid aan zichzelf." Het zal zo gebeuren. In opdracht van Jezus en gesteund door pater Sopocko en de moeder-oversten van de verschillende kloosters waar Faustina heen gestuurd wordt, begint zij in 1934 haar dagboek met de mystieke ervaringen van het begin af aan op te schrijven. Het complete werk zal uiteindelijk ongeveer 400 (gedrukte) bladzijden omvatten.
Daarnaast getuigt het van de mate waarop Faustina dag na dag, uur na uur, langzaam haar lichaam ziet wegteren. Ze kent de waarde van het lijden: "We moeten de gekruisigde Jezus in een lijdende ziel zien en niet een leegloper of een last voor de gemeenschap. Een ziel die (...) lijdt, trekt meer zegeningen op het hele klooster neer dan al de werkzusters." Zwarte gedaanten die Faustina herkent als demonen, vallen haar aan en gillen dat ze moet ophouden met dit werk omdat ze zielen aan hun heerschappij ontrukt. Vergeefs, natuurlijk.
Op 5 oktober 1938 sterft zuster Faustina Kowalska. "Alles wat ik gedaan heb, was voor God en de zielen." Ze is degene geweest die de barmhartigheid van Jezus aan de wereld bekend heeft gemaakt.
Bron: 'Mercy, my Mission', van Sophia Michalenko C.M.G.T en de Nederlandse vertaling 'Jezus, ik vertrouw op U'. Informatie over en besteladressen voor deze uitgave en het dagboek van zuster Faustina 'Goddelijke barmhartigheid in mijn ziel' bij: A. van 't Hooft, Sportlaan 17, 5056 EM, Berkel-Enschot of mevrouw L.A. Bom, Nieuw Amsterdamweg 18, 8071 DW Nunspeet.
Instelling 'Zondag van de goddelijke Barmhartigheid' Een zonovergoten Sint-Pietersplein boordevol met wel 200.000 gelovigen uit alle mogelijke landen van de wereld. Dat was zondag 30 april het kader voor de heiligverklaring van zuster Maria Faustina Kowalska door paus Johannes Paulus II. Minstens 30.000 Poolse katholieken waren naar Rome gekomen. Toen de paus verscheen leek het Sint-Pietersplein even een zee van Poolse vlaggen. De meeste Polen kennen de Christusafbeelding die de Poolse kunstschilder Eugene Kazimierowski maakte op aanwijzingen van zuster Faustina. Maar ook veel Italianen, Amerikanen en een enkele Nederlander hadden zich er zondag mee getooid.
De Heilige Vader sprak direct bij het begin van de plechtigheid de beslissende woorden, waardoor de zalige Faustina in de gehele Kerk als heilige vereerd kan worden. "Op grond van de autoriteit van onze Heer Jezus Christus, van de Apostelen Petrus en Paulus, als ook onze eigen autoriteit, na diepgaande overweging en aanroeping van de goddelijke genade van bijstand, alsook de raad van vele van onze broeders, verklaren en definiëren wij dat de zalige Maria Faustina Kowalska heilig is. Wij schrijven haar naam bij in het boek der heiligen en wij bepalen dat zij in de gehele Kerk als heilige vereerd moet worden."
In zijn preek noemde de paus zuster Faustina "een heilige met een boodschap voor de mensen van deze nieuwe eeuw". "Het is voor mij werkelijk een grote vreugde, vandaag het leven en de getuigenis van zuster Faustina aan de gehele Kerk voor te stellen als een geschenk van God aan onze tijd. Haar leven is met de 20e eeuw verbonden. Tussen de beide wereldoorlogen heeft Christus aan haar zijn boodschap van barmhartigheid toevertrouwd."
Daarna verkondigde paus Johannes Paulus II een liturgische nieuwigheid: "Deze tweede zondag van Pasen, Beloken Pasen, zal in de toekomst in de hele Kerk als 'Zondag van de goddelijke Barmhartigheid' worden gevierd. De barmhartigheid van God. Dat is de beslissende boodschap, die zuster Faustina achterliet. Maar deze boodschap voor de hele wereld komt - aldus de paus - uit de stilte. Faustina heeft in haar klooster in Krakau van haar eigen bestaan een 'lied van de barmhartigheid' gemaakt. Maar ook de christelijke goederengemeenschap, waarover de Handelingen van de Apostelen op deze zondag van Beloken Pasen spreekt, leeft uit de barmhartigheid. De barmhartigheid van het hart wordt hier tot gemeenschappelijke levensstijl, tot een project van gemeenschapszin, tot een werkelijk delen van de goederen." De paus vervolgde klip en klaar: "De mensheid van vandaag de dag dient zich door de liefde te laten inspireren om de diepe crisis in zingeving en de uitdaging door de allerarmsten meester te worden en om zo de waardigheid van iedere persoon te redden. De boodschap van de goddelijke Barmhartigheid wordt zo een boodschap van de waarde van iedere mens." Net voor de pauselijke zegen hield Johannes Paulus II nog een niet voorziene toespraak in het Pools, die zo te zien met veel bijval werd ontvangen. (SA/KN)
Zr. Catherine Laboure
Waar en wanneer?
Rue de Bac, 1830
Ziener
Zr. Catherine Laboure
Gebeurtenissen Op 18 juli 1830 beginnen de verschijningen. Tegen twaalf uur hoort Catherine haar naam roepen. Catherine, een 24-jarige novice, keek in de richting van het geluid en trok een gordijn weg. Daar zag ze een kind van ongeveer vijf jaar oud staan, in het wit gekleed. Het kind zegt: "Kom naar de kapel, de Heilige Maagd wacht op u". Catherine loopt naar de kapel van het klooster, vergezeld van haar beschermengel. Ze ziet Maria op de zetel van de directeur. De beschermengel zegt opnieuw: "Daar is de Heilige Maagd." Maria vertrouwt haar verschillende dingen toe. Ze vertelt Catherine dat ze een opdracht voor haar heeft voor de moeilijke tijden die kwamen. Maria beloofde hulp en genade voor degenen in gebed. Specifiek sprak zij over de religieuze vervolging later die eeuw. Catherine vertelde het haar geestelijk leidsman, die er niet veel van geloofde, totdat een week later de revolutie in Parijs uitbrak. Op 27 november, in hetzelfde jaar, ziet Catherine opnieuw Maria in de kapel. Ze is gekleed in het wit, staande op een wereldbol en met een gouden bal in haar handen. Een innerlijke stem zegt haar dat de bal de wereld vertegenwoordigt en de stralen die er van af komen de genade voor de mensen die haar liefhebben. De gouden bal verdwijnt als de verschijning zich verplaatst. Er vormt zich een tableau rondom haar met gouden letters die de tekst 'O Maria zonder zonde ontvangen, bid voor ons die onze toevlucht tot u nemen' vormen. Aan de keerzijde zag Catherine een M waar boven een kruis, eronder een hart, het ene omringd met doornen, het andere met een zwaard doorboord. Opnieuw sprak een innerlijk stem tot Catherine om van deze vorm een medaille te laten maken. Deze medaille kwam al snel bekend te staan als de 'Wonderdadige Medaille'. Zuster Catherine Laboure is zeventig jaar geworden. Op 3 januari 1877 werd haar lichaam naar de kapel gebracht. 56 Jaar later werd zij, met het oog op haar zaligverklaring, opgegraven. Op 26 mei 1933 was haar lichaam nog steeds intact en haar ledematen soepel. Haar lichaam is nadien in een schrijn in Rue de Bac geplaatst.
Boodschappen
Maria kwam in Rue de Bac met waarschuwingen voor dreigend onheil en religieuze vervolging. Niet voor niets, toen de Franse revolutie kort daarop uitbrak.
Kerkelijke goedkeuring
24 jaar na de verschijning, ontwerpt paus Pius X op 8 december 1854 de doctrine van de Onbevlekte Ontvangenis. In 1947 is Catherine Laboure heiligverklaard.
Broeder Isidoor, Aloïs De Loor en Kamilla Hutsebaut woonden in het landelijk gehucht Okkervoorde van de gemeente Vrasene, thans grondgebied van de gemeente Sint Gillis-Waas. Zij hadden er een bescheiden hoeve, op traditionele wijze uitgebaat met de hulp van een os. Op 18 april 1881 werd Isidoor De Loor in dit gezin geboren. Bij zijn geboorte moest zijn moeder drie dagen en drie nachten vechten voor haar eigen leven en dat van haar kind. De dokter zei dat Kamilla geen kinderen meer kon krijgen. Gelukkig kwam deze voorspelling niet uit en later werden nog twee kinderen geboren: Frans in 1887 en Stefanie in 1893.
Doorke, zo noemde men hem in het dorp, was een voorbeeld voor de andere kinderen, zowel in de kerk als op school. Na zijn twaalfde jaar begon voor Doorke de zware boerenarbeid. Hij was een van de eersten om zich te laten inschrijven voor de avondleergangen over land- en tuinbouw.
Ook de zondagen waren voor Isidoor erg gevuld: vroegmis en hoogmis, vespers en kruisweg stonden steeds op zijn programma. Daarbij gaf hij nog tweemaal catechismusonderricht in de 'zondagsschool': in Sint-Gillis-Waas en in Vrasene. Vaak ging hij ook op bedevaart naar O.-L.Vrouw van Gaverland.
Zijn keuze voor de passionisten was het gevolg van een advies hem door P. Broeckaert, redemptorist, gegeven bij gelegenheid van een volksmissie in Sint-Gillis-Waas.
Op 15 april 1907 vertrok Isidoor naar bet noviciaat van de passionisten, dat toen gevestigd was in Ere, bij Doornik. Op 13 september 1908 legde Isidoor zijn kloostergeloften af onder de naam broeder Isidoor van de heilige Jozef. Hij zou nog twee jaar in Ere blijven. Naast allerlei huiselijke taken had hij vooral hoveniers- werk te verrichten. Begin december 1910 kreeg hij van de provinciale overste een brief waarin hem werd opgedragen zich reeds 's anderendaags naar het klooster van Wezembeek-Oppem te begeven, om daar in de keuken te werken. In de vroege zomer van 1911 - hij was toen 30 jaar - moest hij een tijd zijn werkzaamheden onderbreken. Sedert een maand had hij stekende pijn in zijn ogen. Bij een onderzoek oordeelde de arts dat het zieke oog moest verwijderd worden en vervangen door een kunstoog. De dokter had aan de overste meegedeeld dat broeder Isidoor aan kanker leed en dat hij waarschijnlijk nog slechts vijf of zes jaar zou te leven hebben. Dat slechte nieuws werd door de overste aan Br. Isidoor meegeleeld. Daarover schreef broeder Isidoor echter niets aan zijn ouders.
In augustus 1912 werd broeder Isidoor overgeplaatst naar het klooster in Kortrijk, waar hij de laatste vier jaren van zijn leven zou doorbrengen. Hij wordt er weer aangesteld als kok, maar ditmaal voor klooster en school samen: dagelijks een honderd personen aan tafel. Hij doet zijn uiterste best om het iedereen zo goed mogelijk naar de zin te maken: 'Zoals het vroeger mijn leven was te ploegen en te spitten, zo vind ik nu mijn leven in te koken en te stoken en te braden dat het kraakt'.
Vanaf augustus 1913 werd hij aangesteld als portier, wat hem doet schrijven: 'Ik heb het hier nu veel schoner en moet bijna niet meer werken, maar de ganse dag lopen, want er komt veel volk'. Door zijn nieuwe taak kwam hij in contact met allerlei mensen, vooral ook met armen die aan de kloosterdeur kwamen aanbellen. Al spoedig werd hij door hen als 'Broeder Goed' getypeerd.
In de herfst van 1916 werd het duidelijk dat de medische prognose van vijf jaar geleden voor broeder Isidoor pijnlijke werkelijkheid werd: de dood kwam naderbij. Bij een geneeskundig onderzoek werd eerst pleuritis vastgesteld, en later ook kanker aan de ingewanden. Wegens de oorlogssituatie waren er maar weinig adequate geneesmiddelen beschikbaar. Verschillende keren dienden pijnlijke puncties te worden uitgevoerd. In de nacht van 5 op 6 oktober 1916 waren een viertal confraters in de sterfkamer aanwezig. Heel moeizaam kon broeder Isidoor nog enkele woorden spreken: een vraag om vergiffenis aan de medebroeders en een belofte om met hen vanuit de hemel verbonden te blijven. Omstreeks één uur stierf hij - haast zonder dat iemand het had bemerkt...
Kort na zijn dood begonnen mensen uit het Kortrijkse zijn graf te bezoeken op het stadskerkhof. Vooral na de Tweede Wereldoorlog zou de spontane volksverering uitbreiding nemen. Op 8 juni 1952 werd zijn stoffelijk overschot, onder massale belangstelling van duizenden mensen uit heel het Vlaamse land, van het stadskerkhof overgebracht naar de nieuw gebouwde grafkapel in de passionistenkerk te Kortrijk.
Het proces ter zaligverklaring werd ingeleid te Brugge op 16 oktober 1950. Het eerste onderzoek werd afgesloten op 11 maart 1951. Een tweede onderzoek vond plaats, eveneens in het bisdom Brugge, van 17 augustus 1961 tot 27 december 1963. Het zou dan nog meer dan 20 jaar duren vooraleer door Rome alle processtukken waren onderzocht en goedgekeurd. Op 12 januari 1984 werd uiteindelijk de geldigheid van het ingediende mirakel door de paus bekrachtigd en het decreet voor de zaligverklaring uitgevaardigd. Op zondag 30 september 1984 werd Br. Isidoor door paus Johannes-Paulus II zaligverklaard op het Sint-Pietersplein te Rome in aanwezigheid van familieleden, van talrijke bedevaarders uit Vlaanderen en van confraters uit alle werelddelen.
Jeanne d'Arc, (Domrémy, Lotharingen, ca. 1412[2] Rouen, Normandië, 30 mei 1431), geboren als Jehanne d'Arc en bijgenaamd de maagd van Orléans, is een nationale heldin van Frankrijk. Ze werd in 1909 zalig en in 1920 heilig verklaard.
Jeanne werd geboren tijdens de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Engeland bezette met hulp van bondgenoten, de Bourgondiërs, het noorden van het land. Frankrijk had na de dood van Karel VI (de Waanzinnige) in 1422 geen koning, en de troonopvolger (de dauphin) was te apathisch om strijd te leveren voor de kroon. Hij betwijfelde of hij er wel recht op had, omdat het vaderschap van Karel VI omstreden was.
Als tiener beweerde de diep religieuze Jeanne stemmen te horen, van de heiligen Catharina en Margaretha, van de aartsengel Michaël en van God, die zeiden dat het land bevrijd moest worden van de Engelsen (de Godons). In 1429 zocht ze de dauphin op, onderweg gekleed als man om zich te beschermen tegen onkuise benaderingen, met als doel hem ervan te overtuigen de strijd op te voeren. De dauphin liet haar eerst ondervragen door kerkelijke gezagsdragers, die haar aanvankelijk van ketterij verdachten, en stemde toen in met het voorstel het Engelse beleg van Orléans te breken.
Gekleed als een man, in harnas, wist zij met haar vroomheid, zelfvertrouwen en enthousiasme de gedemoraliseerde Franse troepen in de stad nieuw vertrouwen te geven. Op 8 mei werden de Engelsen gedwongen het beleg op te geven. Dit succes ("17-jarig meisje verslaat Engelsen") sprak in heel het land tot de verbeelding en deed het Franse zelfbewustzijn veel goed, waarop de dauphin zich door Jeanne liet overtuigen dat het tijd was zich te laten kronen. Hiertoe moest Reims veroverd worden, de stad waar traditioneel de koning gekroond werd. Dit lukte de door Jeanne geleide Fransen zonder veel moeite, en op 17 juli werd de dauphin gekroond tot koning Karel VII.
Nadien bleven militaire successen uit. Karel VII was tevreden met het behaalde resultaat en stelde niet genoeg middelen beschikbaar voor verdere veroveringen. Een aanval op Parijs mislukte, en bij een uitval uit het wel veroverde Compiègne werd Jeanne gevangen genomen door de Bourgondiërs (1430). Die verkochten haar aan het eind van het jaar aan de Engelsen.
De Engelsen waren er erg op gebrand haar als heks en ketter neer te zetten, om zodoende het koningschap van Karel VII te ontkrachten. Ze brachten haar in februari 1431 in Rouen voor de inquisitie, de kerkelijke rechtbank. Jeanne werd beschuldigd van het weglopen uit het ouderlijk huis, het ontkennen van de kerkelijke autoriteit (haar eigen contact met God via de stemmen), poging tot zelfmoord (ze had geprobeerd uit de Bourgondische gevangenschap te ontsnappen door uit een toren te springen), en het dragen van mannenkleren. Aanvankelijk gaf ze niets toe, maar na dreiging met marteling trok ze haar verklaring over het horen van stemmen in. Hierop werd ze veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.
De Engelsen waren hier niet tevreden mee, en wisten haar met een list ertoe te verleiden in de gevangenis weer mannelijke kleren te dragen. Het proces werd hierop heropend. De rechters constateerden dat Jeanne wederom in overtreding was en verklaarden haar nu tot ketter - een misdrijf dat tot de brandstapel leidde. Op 30 mei 1431 werd ze verbrand, op de oude markt in Rouen. Nadat ze overleden was, werd het vuur gedoofd en haar deels verkoolde lichaam aan de omstanders getoond, om te laten zien dat ze inderdaad een vrouw was. Daarna werd het vuur weer aangestoken. Omstanders beweerden dat haar hart niet brandde.
Haar as werd in de Seine gestrooid
Bron: Wikipedia
Johannes van het Kruis
Johannes van het Kruis (Spaans: Juan de la Cruz; eigenlijke naam Juan de Yepes; Fontiveros 24 juni 1542 14 december 1591) was een Spaans heilige, mystiek dichter en kerkleraar.
Van de vader van Juan, Gonzalo de Yepes, is bekend dat hij door zijn familie (zijn ooms) werd uitgestoten omdat hij een zijdeweefster, Catalina Alvarez, zwanger had gemaakt en met haar was getrouwd. Hij stierf na de geboorte van Juan, die zijn derde kind was. Zijn moeder stond hem af aan een intern weeshuis, Colegio de la Doctrina, waarna hij in het hospitaal 'De las bubas' terechtkwam, waar ernstige gevallen van syphilis werden behandeld. In 1563 trad hij in bij de Karmelieten, in het Santa Ana klooster in Ávila, onder de naam 'Juan de San Matías'.
Johannes hielp Theresia van Avila bij haar stichtingen van contemplatieve kloosters waarin de Heer beter gediend zou worden. In deze kloosters werden de oude constituties van de Karmelieten gehandhaafd. Dat wil zeggen dat de brede interpretatie van de regels, die tot laksheid hadden geleid, opnieuw werd versmald. De reden dat deze regels breder werden geïnterpreteerd, had te maken met een sterke concurrentie van andere ordes, zoals de Augustijnen en de Dominicanen. Om als orde te kunnen overleven (en genoeg toetredingen te hebben) waren de Karmelieten verplicht geweest om hun regels te versoepelen. Juan en Teresia gingen hier tegenin en werden de grondleggers van de reformatie van Spanje.
Het eerste klooster dat tot de 'Ongeschoeiden' mag worden gerekend, is dat van San José in Medina del Campo. Het werd in 1567 gesticht zonder toestemming van bisschop Mendoza. De bisschop was tegen de stichting, omdat een klooster dat de oude regels wilde naleven, geen vaste inkomsten mocht hebben, en dus aangewezen was op giften. Teresia mocht geen aanleiding tot het lijden van anderen (haar medezusters) zijn. De stichting werd daarom door Teresia in het geheim voltrokken. 's Nachts werd het huis ingericht dat als klooster ging dienen en 's ochtends werd er de eerste mis gehouden. Hierna kon het klooster enkel ontbonden worden door de generaal van de orde in Rome, en was de bisschop buiten spel gezet.
Juan zal Teresia nadien helpen om de Encarnation, het klooster van de Menswording, waar Teresia oorspronkelijk uit kwam, te hervormen, door als biechtvader op te treden en de zusters op de juiste weg naar God te leiden. Later zal Juan Teresia begeleiden bij illegale stichtingen in het zuiden van Spanje. Voor deze stichtingen verkreeg zij namelijk geen toestemming van de ordesgeneraal Rubeo. Hierna wordt Johannes opgesloten en gegeseld wegens weerspannigheid; hij had immers een gelofte van gehoorzaamheid afgelegd bij zijn intrede. Tijdens zijn opsluiting te Toledo in 1575 overdenkt hij de weg naar God (geestelijke ontsnapping). Nadat de afsplitsing van de Ongeschoeide Karmelieten officieel was ingezet, zou hij in gedichten de Heer loven.
Na zijn dood werd hij in 1675 zaligverklaard, en in 1726 volgde zijn heiligverklaring. Paus Pius XI verhief hem in 1926 tot kerkleraar. Zijn feestdag wordt gevierd op 14 december. Hij is de heilige van de dichters. Zijn belangrijkste gedicht is Het geestelijk Hooglied. Hierin vergelijkt hij de Heer met een hert. Hij zegt door dit hert te zijn verwond (de genade van God is zo groot dat het hem als mens verwondt in de ziel) en hij zwerft rond op zoek naar het hert dat van hem is weggevlucht. Hij vraagt aan de herders en aan de bloemen om het hem te komen vertellen als ze Hem zien. Op het einde vindt er een vereniging plaats tussen de ziel (Juan) en het hert (de Heer).
Een beroemde tekening, gemaakt door Juan, toont Jezus aan het kruis, van bovenaf gezien. Hieruit is later afgeleid dat Juan het geloof overschouwde, het allemaal overzag. Deze tekening is wereldberoemd geworden doordat Salvador Dalí hem verwerkte in een schilderij, dat hij toepasselijk 'El Cristo de San Juan de la Cruz' noemde.
Bron: Wikipedia
Theresia van Avila
Theresia van Avila wordt in de volksmond ook wel de "grote Theresia" genoemd, in tegenstelling tot de "kleine Theresia," waarmee Theresia van Lisieux wordt bedoeld.
Theresia was de dochter van Don Alonso Sánchez de Cepeda en Dõna Beatriz de Ahumada. Haar ouders waren tot bekering gedwongen joden. Ze trad op 2 november 1535 in in het klooster van de menswording (La Encarnación) te Ávila. Ze werd ingekleed in 1536 en legde haar geloften af op 3 november 1537. Ze moest het klooster echter in 1538 al weer verlaten omdat ze ziek werd. Ze werd naar een genezeres in Becedas gestuurd. Door een boek dat ze las toen ze daar verbleef, kreeg ze haar eerste mystieke genaden.
De behandeling in Becedas had geen effect, en in 1539 werd Theresia doodziek terug naar Ávila gebracht. Nadat ze op de feestdag van Maria tenhemelopneming gebiecht had, raakte ze in de toestand van schijndood. In die toestand werd ze terug naar het klooster gebracht, en ze bleef zo gedurende drie jaar.
In 1542 genas ze uiteindelijk zonder aanwijsbare natuurlijke oorzaak. Zelf schreef ze haar genezing toe aan de heilige Jozef, de bruidegom van de maagd Maria en de voedstervader van Jezus Christus. Ze zou de rest van haar leven een grote devotie voor deze heilige behouden (haar eerst gestichte klooster zou onder zijn bescherming worden gesteld.
Na haar genezing maakte Theresia een periode van geestelijke dorheid door, die gevolgd werd door een tijd van bijzondere genaden. Zo verscheen haar in 1556 Jezus om zich met haar mystiek te verloven. In deze tijd van innig contact met God raakte ze ervan overtuigd dat ze de orde van de karmelietessen waartoe ze behoorde moest hervormen. Deze orde was namelijk, zoals zoveel orden op een bepaald moment van hun geschiedenis hadden meegemaakt, verslapt in de naleving van haar kloosterregel. Een dergelijke terugkeer naar het oorspronkelijke elan van een kloosterorde wordt een observantiebeweging genoemd.
Om haar hervorming gestalte te geven stichtte Theresia in 1562 haar klooster van de heilige Jozef, in Ávila. Dit was zeer moedig, want er waren geen middelen en er was veel tegenstand tegen een dergelijke stichting. Het bestaan van zo'n klooster was immers in feite een slag in het gezicht van de bestaande kloosters, die bruut geconfronteerd werden met hun eigen falen.
De rest van het leven van Theresia was een aaneenschakeling van enerzijds bijzondere genaden in haar persoonlijke leven, en anderzijds kloosterstichtingen en het schrijven van constituties en mystieke geschriften in haar publieke leven.
Wat het eerste betreft zijn de doorboring van haar hart met een vurige pijl van liefde en haar mystieke huwelijk wereldberoemd geworden, onder andere door een zeer vlammend barok beeldhouwwerk De extase van Theresia van Bernini in de Santa Maria della Vittoria te Rome (1644-1647).
Van haar geschriften zijn haar "Innerlijke Burcht," de Weg van Volmaaktheid" en haar "Hooglied" het meest beroemd. Ze behoren tot de hoogtepunten van de Spaanse literatuur. Op dat gebied werd zij in haar tijd alleen overtroffen door haar naaste medewerker en medemysticus, de heilige Johannes van het Kruis, die de Theresiaanse hervorming voor de mannelijke tak van de karmelieten ter hand nam.
In haar denken werd Theresia beïnvloed door de werken van Francisco de Osuna, die op beeldende wijze uiteenzette wat bijvoorbeeld de stadia van het gebed waren, of wat het verschil was tussen een visioen van de verbeelding en een van het verstand.
Theresia werd zaligverklaard door paus Paulus V op 24 april 1614, en heiligverklaard door paus Gregorius XV op 12 maart 1622.
Bron: Wikipedia
De heilige Catharina van Siena
De heilige Catharina van Siena (Siena, 25 maart 1347 - Rome, 29 april 1380) is een van de beroemdste mystici van de rooms-katholieke Kerk. Daarbij had zij ook nog een grote invloed op de politiek van het 14e eeuwse Europa.
Zij werd geboren als dochter van de wolverver Jacopo Benincasa, een zeer gezien burger in de stad Siena in Toscane. Zij was het vijfentwintigste kind in zijn gezin. Misschien dat dit gegeven haar extra ertoe heeft aangezet om te streven naar buitengewone prestaties: het zal niet meegevallen zijn om te midden van die volksstam iets voor te stellen, zeker niet als meisje in die tijd. Misschien speelt ook de vroege dood van haar tweelingzus Giovanna hierbij een rol. Vanaf haar zevende jaar stortte zij zich volledig op de godsdienst; vooral de devotie tot Jezus en in het bijzonder zijn lijden werd de leidraad van haar leven. Zij werd na aanvankelijke weerstand lid van de derde orde van de heilige Dominicus en betrok tussen haar zestiende en negentiende levensjaar zelfs een kluis in de werkplaats van haar vader. Haar moeder deed toen, anno 1354, een smalende uitspraak die veel "moderne mensen" bekend in de oren zou moeten klinken: "Tegenwoordig zijn er toch geen heiligen meer?". Het lijkt wel verlichtingsfundamentalisme avant la lettre!
Het kleine meisje in haar "bezemkast" had toch duidelijk een andere uitstraling dan een door haar fantasie op hol geslagen kind, want al snel kwamen er horden belangstellenden om naar haar te luisteren en haar te helpen met haar liefdadige werken, haar bella compagnia. Ze verzamelde voedsel en kleding voor de allerarmsten, bezocht gevangenen en verpleegde lijders aan besmettelijke zieken bij wie anderen niet in de buurt durfden te komen. De zalige Raymundus van Capua werd in 1374 haar geestelijk leidsman. Als magister van de Dominicanen zou hij later haar biograaf worden, zodat we veel gegevens van haar leven uit de eerste hand hebben.
Ze begon zich te bemoeien met de politiek, eerst en vooral met de eindeloze conflicten tussen de vele steden in haar omgeving, maar later ook met de wereldpolitiek. Vooral het feit dat de paus sinds 1309 in Avignon resideerde in plaats van in Rome, waar hij thuishoorde, zat Catharina buitengewoon dwars. De vele Franse kardinalen hadden een terugkeer naar Rome eindeloos weten te vertragen, maar Catharina bleek sterker dan zij. In 1376 ging Catharina op reis naar Avignon. Mede dankzij haar eindeloze preken aan het adres van paus Gregorius XI liet deze zich uiteindelijk overhalen zijn hof weer naar Rome te verplaatsen. Ze had dan ook een intimiderende persoonlijkheid. Als ze haar zin niet kreeg riep ze eenvoudigweg, maar met de nodige uitwerking: "Voglio": "Ik wil het!" Dit deed ze niet alleen tegen de paus, maar ook tegen allerlei wereldlijke vorsten en hooggeplaatste figuren, en heel af en toe tegen God de Vader zelf, die haar dan prompt verhoorde. (Op dit stuk van het verhaal moet welhaast het typisch Italiaanse ontzag voor "Mamma" een rol hebben gespeeld.) Helaas werkte haar streven soms ook averechts: toen paus Gregorius XI terug naar Rome ging, kozen de kardinalen in Avignon gewoon een nieuwe. Dit was het begin van het zogeheten Westers Schisma, dat Catharina veel verdriet heeft gedaan.
Catharina had in 1375 stigmata terwijl ze in Pisa verbleef. Daarbij ontving ze de genade van het mystieke huwelijk, en aan het eind van haar leven Jezus' Hart zelf: Hij ruilde het tijdens een verschijning voor het hare. Haar laatste jaren bracht Catharina op uitnodiging van Urbanus VI door in Rome waar zij op 29 april 1380 verzwakt en verlamd overleed.
Catharina werd in 1461 door Pius II heiligverklaard.
Bron: Wikipedia
H Dominicus
Dominicus (1170 te Caleruega in Castilië - 6 augustus 1221)
Hij is de jongste zoon op het spaanse kasteel van Felix Guzmán en Johanna (van de heren) van Aza, in een gezin van heiligen; moeder is heiligverklaard, de oudste jongen Antonius werd priester, broer Mannas werd predikheer bij zijn jongste broer en is zaligverklaard.
Als jongen van zeven jaar wordt hij naar heer oom in de buurt gestuurd, in Gumiël de lzán, voor latijn en de heilige Schrift; daarna zes jaar naar Palencia in het bisdom Oama, de latere universiteit van Salamanca. Priester geworden, werd hij docent in Palencia en kanunnik aan de kathedraal van Oama. Tijdens een hongersnood verkocht hij zijn boeken ten behoeve van de armen.
Onder leiding van bisschop Martinus de Bazán werd in 1198 het kathedraal kapittel opnieuw regulier, volgens Augustinus' regel. Dominicus steunde hem als subprior. Toen in 1202 prior Diego van Azevédo bisschop werd, gaf Dominicus zijn docentschap op. Toen de bisschop als vertrouwensrnan van Alfons VIII met een zending naar Denemarken werd belast, vergezelde Dominicus hem.
Op hun terugweg in 1203 troffen zij in Zuid-Frankrijk, in de Provence, de anti-kerkelijke "zuiveren", ketters, de waldenzen en de albigenzen. De rijkgeklede pauselijke legaten, die zij in Montpellier ontmoetten, wilden de prediking opgeven, maar Diego en Dominicus begonnen zonder gevolg het missiewerk in Languedoc, preken en disputen in Béziers, Servian, Carcassonne en Montréal, verder in Pamiers en Franjeaux. Onder vasten en gebed, bloedige geselingen en versterving.
In 1206 stichtten beiden zusterskloosters in Prouille bij Toulouse, begin van de tweede orde van Dominicus. Deze vestigt zich daar met enkele gezellen, terwijl de bisschop naar Spanje reist om hulp te halen, maar daar sterft. Dominicus doorkruist blootsvoets Languedoc, wordt bespot in Carcassonne, bedreigd. Hij krijgt de bisschopszetel aangeboden achtereenvolgens van Béziers, Comminges en Couzerans.
In 1215 is hij met zijn gezellen, o.a. Petrus Calleni en Thomas van Toulouse, diocesaan prediker van bisschop Fule van Toulouse. Als Dominicus besluit met zijn gezellen volgens Augustinus' regel (naar norbertijner opvatting) te leven, wordt de orde van de predikheren (afkorting O.P., ook wel de Order der Domincanen genoemd) op 22 december 1216 door Honorius III goedgekeurd, verbonden aan de door de bisschop geschonken kerk van Sint Romanus te Toulouse. In 1217 zendt hij predikers buiten het bisdom uit. Er kwamen stichtingen in Madrid, Parijs, Bologna en Rome.
Dominicus zit twee algemene kapittels voor en sterft te Bologna met de woorden: "Ik zal u na mijn dood van groter nut zijn dan ik tijdens mijn leven was".
Dominicus stierf in Bologna en ligt er begraven in de S. Dominico; hij werd heiligverklaard op 13 juli 1234.
De dominicaan Alanus de Rupe (overleden 1475 te Zwolle) bracht als eerste de rozenkrans in verband met Dominicus.
Antonius van Padua
Antonius van Padua (Lissabon, 15 augustus 1195 - Padua, 13 juni 1231) is een kerkleraar en heilige die theoloog en minderbroeder was.
Hij sloot zich in 1210 aan bij de Augustijnen in Lissabon. In 1212 verhuisde hij naar Coimbra om niet langer door familieaangelegenheden gestoord te worden in zijn geestelijke ontwikkeling. Onder de indruk gekomen van de eerste martelaren van de Minderbroeders sloot hij zich in 1220 bij hen aan. Hij trok naar Noord-Afrika om aldaar het Christelijke geloof te verspreiden onder de moslims. Later was zijn werkterrein Frankrijk en Italië. Waarschijnlijk werd hij in 1222 te Forli tot priester gewijd. Veel gelovigen vonden door zijn toedoen de "juiste" weg terug. Op last van Franciscus van Assisi doceerde hij theologie aan zijn medebroeders. Hij stierf in 1231 en werd nog geen jaar later door Paus Gregorius IX heilig verklaard. In 1946 werd hij als 'leraar van het evangelie' tot kerkleraar uitgeroepen.
In katholieke kringen wordt Antonius aangeroepen om verloren zaken terug te vinden:
Heilige Antonius, beste vrind, maak dat ik m'n (sleutels) vind.
Heilige Antonius, lieve sint, zorg dat ik m'n (sleutels) vind.
Als het voorwerp is teruggevonden moet men ook de Heilige Antonius bedanken.
Hij is de patroonheilige van de Franciscanen, verloren voorwerpen, vrouwen en kinderen, armen, bakkers, mijnwerkers, het huwelijk, reizigers en verliefden en patroon tegen schipbreuk, de pest en koorts.
Rond zijn graf is de basiliek Basilica di Sant'Antonio in Padua gebouwd.
Bron: Wikipedia
Hildegard von Bingen
Hildegard von Bingen werd geboren in 1098 in Bermersheim bij Alzey, niet ver van Mainz in Duitsland, als tiende en laatste kind van Graaf Hildebert von Bermersheim en Mechild von Merxheim. Tiendoffer In die tijd was het gebruikelijk, dat het tiende kind werd opgedragen aan de kerk een soort tiendoffer. Behalve dat dit beschouwd werd als een eerbetoon aan God, was het ook een praktische oplossing voor een probleem waar zulke grote gezinnen in die tijd voor gesteld stonden, want ook voor adellijke families was het een hele toer zoveel monden te voeden.
Bij haar geboorte werd Hildegard dus al aan de kerk opgedragen. Het meisje kreeg op driejarige leeftijd visioenen van lichtgevende voorwerpen. Kennelijk reageerde haar omgeving hier niet onverdeeld positief op, want al snel begreep Hildegard dat niet iedereen dergelijke dingen zag en verborg haar gave verder voor haar omgeving.
Omdat Hildegard bij haar geboorte was opgedragen aan God brachten haar ouders haar op 8-jarige leeftijd naar het Benedictijns klooster Disibodenberg, nabij Bingen. Aan de buitenkant van het klooster is een "kluis" aangebracht voor vrouwen - in dit geval vrouwen van adel die een religieus leven leiden, maar alleen in de kerk mogen komen bidden. In de kluis is de zalige Jutta van Spanheim, een tante van Hildegard, leidster van de gemeenschap. Regel van Benedictus Haar bestemming is een bestaan volgens de Regel van Benedictus. Samen met nog een ander meisje van haar leeftijd wordt Hildegard opgenomen in deze kluis. Het zijn een paar simpele vertrekken met een kleine ommuurde tuin. De deur wordt letterlijk achter hen dichtgemetseld.
Onder het toeziende oog van Jutta (zij was gravin), leerde Hildegard lezen en schrijven, kreeg zij les in Latijn en werd zij ingewijd in het kloosterleven. Zij heeft geleerd bijbelteksten te interpreteren en de liturgie te bestuderen. Toen Jutta in het jaar 1136 stierf werd Hildegard gekozen tot Abdis van het klooster. Al snel stond het klooster in groot aanzien in de wijde omtrek.
In 1141 kreeg Hildegard echter een visioen dat de loop van haar leven zou veranderen. Een visioen van God schonk haar plotseling inzicht in de betekenis van religieuze teksten en droeg haar op om alles wat ze in haar visioenen waarnam op te schijven.
In 1150 stichtte Hildegard een nieuw vrouwenklooster op de Rupertsberg bij Bingen aan de Rijn in Duitsland, naar welk klooster zij al haar activiteiten verplaatste. Later stichtte zij een ander klooster in Eibingen. Veelzijdige vrouw Hildegard von Bingen was een veelzijdige vrouw; ze was een genie. Ze schreef medische boeken, componeerde meer dan 80 liederen, kende de werking van wijn en van kruiden, was paranormaal begaafd, preekte en ontving een aantal belangrijke visioenen. Zij werd oprecht geëerd door alle groten der aarde vanwege haar oprechtheid. Zij predikte boete en bekering en ontzag daarbij niemand. Raadsvrouwe Zowel het gewone volk alsook de clerici en de adel kregen haar oprechte mening te horen. Daarom ook werd zij door vorsten, bisschoppen en koningen om raad gevraagd. Voor iedereen had zij een duidelijk en oprecht antwoord klaar.
Ze stichtte na de zoveelste aanvaring met het kerke-lijke gezag, gewoon haar eigen klooster. Een spiritueel en daadkrachtig mens. Arts Meer dan dertig jaren leidde zij het klooster in Bingen. Zij schreef als eerste arts haar bevindingen neer. Problemen over gezondheid en ziektebeelden kwamen in grote oplage in omloop. Zij was een mystica en deze ervaringen schreef zij, met behulp van een latinist, neer (Liber Scivias).
Ook in geloofszaken wist zij met veel overgave een duidelijk antwoord neer te leggen. Vooral haar werken over de heilige Drie-eenheid zijn van onschatbare waarde gebleken. Zij was goed bevriend met de H. Bernardus van Clairvaux en wordt gezien als de stichteres van de gemeenschappelijke onderzoeken in Duitsland. Kennis overbrengen En opmerkelijk was ze, want in een tijd waarin zeer weinig vrouwen schreven, en de vrouwen die de schrijfkunst machtig waren vaak niet verder kwamen dan wat gekunstelde suikerzoete rijmpjes, produceerde Hildegard, ook bekend als de Sibille van de Rijn, belangrijke theologische werken en visionaire geschriften.
Onverwoestbaar was haar inzet om al haar kennis aan anderen over te brengen getuigen de geschriften over religieuze zaken (Liberdivinorum operum en liber vitae meritorum) maar ook natuurwetenschappelijk (liber subtilitatum diversarum naturarum).
Ze was een kenner van de genezende krachten van natuurlijke objecten en schreef verschillende artikelen over het medicinale gebruik van planten, dieren en stenen. In haar denken speelt de leer van Aristoteles een grote rol: alles is opgebouwd uit de vier elementen aarde, water, vuur en lucht.
Op 17 september 1179, op 81 jarige leeftijd, overlijdt ze op de Rupertsberg. Getuigen zien op dat moment hoe vanuit de hemel een lichtschijnsel op haar sterfkamer valt. Ze werd begraven op het kloosterkerkhof van de Parochiekerk Eibingen in Duitsland.
Hildegard staat vandaag bekend als één van de belangrijkste figuren van de Middeleeuwen.
Nog steeds geldt zij als een van de meest bijzondere heiligen. Voor de muziekliefhebbers is het interessant te weten, dat Hildegard de eerste componist is waarvan een biografie bekend is. Met haar muziek was ze haar tijd ver vooruit. Hoewel Hildegard nog steeds niet is heilig verklaard (ze is wel al zalig verklaard, een stap die in de katholieke kerk vóór de heiligverklaring komt) wordt ze toch al regelmatig aangeduid als de Heilige Hildegard.
In 1998 werd de aandacht op Hildegard gevestigd door musicologen, geschiedkundigen en theologen, die vonden dat haar 900-ste geboortedag een goede aanleiding was voor hernieuwde aandacht voor deze opmerkelijke vrouw.
Bron: Wikipedia
Pater Damiaan De Veuster
Pater Damiaan De Veuster, Geboren als Jozef De Veuster, (Tremelo, 3 januari 1840 - Molokaï (Hawaï), 15 april 1889) was een Vlaamse Picpus-pater en missionaris, bekend voor zijn werk voor leprapatiënten.
Hij werd geboren op 3 januari 1840 als zevende kind in een boerengezin met acht broers en zussen.
Toen hij 15 jaar oud was ging hij in de graanhandel van zijn vader werken, maar hij wilde eigenlijk priester "voor Onze Heer en God Jezus Christus" worden. Hij ging naar het college van 's-Gravenbrakel, en trad vervolgens in bij de Congregatie van de Heilige Harten van Jezus en Maria in Leuven, waarbij hij de broedernaam Damiaan koos. Hij werd een broeder Picpus op 7 oktober 1860, in navolging van zijn broer. Geboortehuis in Tremelo Missionaris in Hawaï
Na zijn studies kreeg pater Damiaan toestemming om als missionaris te gaan werken op de Hawaï-eilanden. Hij vervulde daarmee de droom van zijn broer, die zelf niet kon gaan. Hij kwam aan in Honolulu op 19 maart 1864. Hij werd daar op 21 mei 1864 tot priester gewijd, en deelde zijn vreugde over de wijding tot instrument van "Hogepriester Jezus" mee aan zijn ouders in het verre Vlaanderen. Hij werkte in verschillende parochies op het eiland van Oahu.
In die tijd werden melaatsen van Hawaï samengebracht in een kolonie in het noorden van het eiland Molokaï. Ze kregen voedsel en andere voorzieningen, maar geen medische hulp. Damiaan vond dat ze tenminste een priester konden gebruiken, en vroeg toestemming aan zijn bisschop om naar Molokaï te gaan.
Op 10 mei 1873 kwam hij aan op Molokaï, waar op dat moment 600 lepralijders verbleven. Damiaan begon met de bouw van een kerk en de aanleg van wegen. Naast zijn werk als priester vervulde hij ook de rol van dokter, en hij maakte zelfs doodskisten en groef graven. Zijn komst was een keerpunt voor de kolonie: wetten werden nageleefd, er kwamen degelijke huizen en een school.
Orde van Kalakaua Koning David Kalakaua verleende aan Damiaan de titel "Knight Commander of the Royal Order of Kalakaua".
Toen prinses Lydia Liliuokalani de nederzetting bezocht om deze titel te overhandigen, werd ze geraakt door wat ze zag. Zij bracht de wereld op de hoogte van haar ervaringen, en van Damiaans werk. Hierdoor werd zijn naam bekend in de Verenigde Staten en Europa. Protestanten in Amerika brachten grote sommen geld bijeen voor de missie. De Kerk van Engeland zond voedsel, medicijnen en kledij.
In november 1884 werd bij hemzelf lepra vastgesteld. Met de hulp van vier anderen bleef Damiaan echter verder werken tot veertien dagen voor zijn dood op 15 april 1889. Hij stierf toen hij 49 jaar oud was.
Op 3 mei 1936 bracht het schoolschip Mercator de stoffelijke resten van Pater Damiaan over naar Antwerpen in aanwezigheid van koning Leopold III en kardinaal Van Roey. Zijn stoffelijk overschot werd overgebracht naar Leuven en er plechtig bijgezet op 5 mei 1936 in de crypte van de Sint-Antoniuskerk.
Zaligverklaring Op 4 juni 1995 werd hij door Paus Johannes Paulus II zalig verklaard tijdens een openluchtviering aan de Basiliek van Koekelberg. Na de plechtigheid werd een relikwie (rechterhand) van Pater Damiaan overgebracht naar Molokaï en uiteindelijk op 22 juli 1995 begraven in Kalawao op Molokaï.
Bron: wikipedia
Moeder Teresa
Moeder Teresa, Ze werd geboren in het toenmalige Ottomaanse Rijk en groeide op in een prominent Albanees-katholiek gezin.
In 1928 ging ze werken voor de Orde van de zusters van Loreto in Letnice. Door de orde werd ze naar Calcutta in India gezonden om lerares te worden. Zij koos daar de naam Moeder Teresa in verwijzing naar Teresia van Lisieux.
Zij legde in 1937 de religieuze belofte af en vertrok naar Calcutta in India om les te geven aan de welgestelde kinderen. Hier werd zij regelmatig geconfronteerd met de armoede die er in de stad heerste. Mensen die op onwaardige wijze op straat lagen te sterven werden door haar liefdevol verzorgd.
Ze vroeg aan de paus toestemming om haar werk in de sloppen te mogen voortzetten en in 1948 kreeg zij van paus Pius XII de toestemming om haar werk voort te zetten.
Zij stichtte de religieuze orde van de Missionaries of Charity (Zusters van de Naastenliefde). Zij namen zich tot taak te zorgen voor zieken, daklozen, armen en stervenden die alleen werden gelaten. Al spoedig meldde zich in 1949 de eerste zuster zich bij de poorten van het moederhuis. Drie jaren later werd het eerste hospice geopend in Calcutta.
In Calcutta zette zij een wereldwijd bekend werk onder armen op, dat zij tot kort voor haar dood leidde.
Ze stichtte de orde van de Missionarissen van Naastenliefde, een religieuze orde voor zusters in Calcutta.
In 1979 ontving zij voor haar werk de Nobelprijs voor de Vrede.
Op 5 september 1997 overleed moeder Teresa.
Moeder Teresa werd op 19 oktober 2003 door paus Johannes Paulus II zalig verklaard
Bron: Wikipedia
Giovanni Bosco
Giovanni Bosco, (Castelnuovo Don Bosco, 16 augustus 1815 - Turijn, 31 januari 1888) was een Italiaanse priester.
Hij werd geboren als zoon van een arme boer die met hard werken zijn kost verdiende. In 1817 stierf zijn vader.
Op negenjarige leeftijd had hij in een droom "de jeugd" als werkterrein gezien. Die droom is verschillende keren teruggekeerd.
De jeugdjaren van Don Bosco waren niet gemakkelijk. Toch kon hij in 1841 na zijn studie priester worden. Tijdens zijn priesterschap leerde Don Bosco de trieste levensomstandigheden van de jongens kennen in de voorsteden van Turijn. Jonge mensen doolden door de straten, werkloos, verloren, tot het ergste bereid. Don Bosco wou een eind te maken aan die sociale wantoestanden. Het begon met een ontmoeting met een ontmoedigde jongen. De jongen bracht na een goed gesprek vrienden mee. Zo groeide een centrum waar de jongens terecht konden.
Don Bosco probeerde goede arbeidsovereenkomsten af te sluiten tussen werkgevers, de jongens en hemzelf. Hij bouwde huizen, waar arme jongens konden uitgroeien tot geschoolde werkkrachten, eerlijke mensen en goede christenen.
Don Bosco liet zich niet meeslepen in de politieke en sociale twistpunten van die dagen. Hij streefde naar het onmiddellijk haalbare. Daarvoor had hij de steun en de medewerking van iedereen nodig. Dankzij de hulpmiddelen van velen heeft hij de armen goed gedaan.
Op aanraden van minister Rattazzi en Paus Pius IX stichtte hij de Salesianen van Don Bosco en de Zusters van Don Bosco. Zo groeide het werk van Don Bosco voor jongeren wereldwijd. In Vlaanderen kan men onderwijs volgen bij een twintigtal Don Bosco-instellingen waarvan er enkele aan de studenten slaapgelegenheid bieden. Men verblijft er op internaat. In Volendam (Nederland) staat het Don Bosco College, een scholengemeenschap die naar Giovanni Bosco is vernoemd.
In 1934 werd Giovanni Bosco heilig verklaard. Zijn sterfdag, 31 januari, is tevens zijn feestdag.