Foto
TOESPRAAK VAN PATER PETAR
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7
  • Deel 8
  • Deel 9
  • Foto
    Foto
    Het  logo  van  het  Bisdom  Gent  van  MG.  Van  Looy
     
    Origen
    Quantcast
    Met hulp en medewerking van John Pont is dit blog gemaakt
    HOUD UW LAMPEN BRANDEND.
         Image and video hosting by TinyPic
    For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
     2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt
    Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois
    Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Gastenboek

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Wonder

    16-06-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kort bezinningstekstje of hoopvol versje.
    Kort bezinningstekstje of hoopvol versje.

      Ik heb een hart in mij,
      dat maakt mij blij.
      Het klopt vrolijk
      als ik weet dat jij van mij houdt.

      Ik heb ogen in mijn hoofd,
      dat maakt mij blij.
      Zij schitteren van vreugde
      als jij jouw liefde toont.

      Ik heb benen aan mijn lijf,
      dat maakt mij blij.
      Zij springen hoog omhoog,
      als jij iets voor mij doet.

      Ik heb handen met slimme vingers,
      dat maakt mij blij.
      Zij kriebelen van ongeduld
      als jij iets moois hebt voor mij.

      Ik heb nog zoveel meer,
      dat maakt mij blij.
      Ik kan dat alles zo goed gebruiken
      als ik het helemaal geef aan jou.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.God van liefde en God van licht.
    God van liefde en God van licht.
    Uw liefde groeit in de harten van mensen
    door de warmte die anderen uitstralen.
    Uw kracht is als zout in onze voeding,
    uw genegenheid als een lichtflits in onze ogen
    en uw tederheid als de schaduw
    van een weldoende omarming.
    Jezus gaf ons brood vol van uw levensenergie
    Hij gaf ons de wijn van verbondenheid met U.
    Schenk ons uw aanwezigheid vandaag en alle dagen:
    dan kunnen wij in onze omgang met anderen
    als uw Licht voor de wereld zijn
    vanuit de kracht en in de Geest van Jezus uw Zoon.
    Amen.

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Barmhartige Vader.

    Barmhartige Vader,
    Gij bent voor ons Liefde en Tederheid.
    Zo schenkt Gij ons steeds weer uw eindeloze vergeving.
    Leer ons te leven met onze beperktheden en negatieve kantjes
    opdat wij met een groot hart kunnen bouwen aan een wereld van ontmoetingen
    waarin Gij het wonder van de liefde kunt laten ontluiken.
    Amen.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Voor de H. Kerk en voor de priesters.

    O mijn Jezus, ik smeek U voor de hele Kerk.
    Schenk haar liefde en het licht van uw helige Geest.
    Geef kracht aan de woorden van de priesters, zodat de meest verstokte zondaars tot inkeer komen en terugkeren naar U.

    Goddelijke Hogepriester, geef ons heilige priesters, bewaar hen in heiligheid.
    Moge de kracht van uw barmhartigheid hen overal begeleiden en hen beschermen tegen de hinderlagen en valstrikken van de duivel, die de zielen van de priesters voortdurend bedreigen.

    O Heer, moge de kracht van uw barmhartigheid alles wat de heiligheid van de priesters kan aantasten, doen mislukken, want U kunt alles.
    Ik vraag U, Jezus, een bijzondere zegen en licht voor de priesters, bij wie ik gedurende mijn leven te biechten zal gaan. Amen.



    15-06-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE OVERWINNING VAN MARIA.
    De  Overwinning  van  Onze 
    Lieve  Vrouw  op  degene  die 
    haar  Zoon  Jezus  bestrijdt.

    ...Weest  vooral  waakzaam,  want  heden  zijner  vele  valse  christussen  en  valse  profeten, die  vele  zielen  verleiden  en  in  het  verderf storten... ( 1-3-80). 
    Deze  zo  ernstige  woorden  van  Onze  Lieve  Vrouw,  we  weten  het  allen,  zijn  vandaag  meer  dan  ooit  waar.
    Zij  zegt  ons  nog;  ...Als  het  de  taak  is  van  de  vrijmetselarij  de  zielen  naar  het  verderf  te  leiden,  door  hen  te  brengen  tot  de  verering  van  valse  goden,  is  het  doel  van  de  kerkelijke  vrijmetselarij  integendeel  de  vernietiging  van  Christus  en  van  zijn  Kerk,  door  een  nieuw  afgodsbeeld  op  te  richten,  nl.  een  valse  Christus  en  een  valse  Kerk...( 13-6-89).
    Slechts  vier  dagen  later  zal  onze  Moeder  dezelfde  zaak  herhalen:  ...In  deze  periode  van  de  geschiedenis  zal  de  vrijmetselarij,  geholpen  door  de  kerkelijke  vrijmetselarij,  slagen  in  haar  groot  opzet:  een  afgod  op  te  richten  om  die  te  stellen  in  de  plaats  van  Christus  en  zijn  Kerk. 
    Een  valse  Christus  en  een  valse  Kerk...( 17-6-89).
    God  de  Vader  heeft  Jezus  aangesteld  als  Heer  van  hemel  en  aarde.  Hij  is  de  enige  Verlosser.  Alleen  Hij  is  "de  Weg,  de  Waarheid  en  het  Leven":  ...Ik  ben  de  weg,  de  waarheid  en  het  leven...zegt  Hij  ons.  "Niemand  komt  tot  de  Vader  tenzij  door  Mij... ( Joh. 14,6-7). 

    EEN  NIEUWE  DOOLHOF.

    Zelfs  vele  katholieken  geloven  vandaag  niet  meer  in  de  godheid  van  Jezus,  in  zijn  verrijzenis  en  in  het  Evangelie.  Vooral  de  kinderen  en  de  jongeren  worden  niet  meer  onderricht  in  de  katholieke  leer.  Ook  de  volwassenen,  helaas,  worden  op  alle  niveaus  van  de  politiek,  de  economie,  het  tijdverdrijf  en  de  siciale  communicatiemiddelen  gevoed  met  een  propaganda  tegen  Christus  en  zijn  Kerk,  georkestreerd  door  de  aanbidders  van  Satan.  Ook  de  besten  verdwalen  als  in  een  waar  nieuw  doolhof  van  nieuwe  en  geheime  godsdiensten  van  onze  tijden.  De  Griekse  mythologie  vertelt  dat  de  koning  elk  jaar  7  Atheners  moest  werpen  in  de  doolhof,  waar  het  monster  " Minotaurus"  leefde.  Geen  enkele  keerde  er  ooit  levend  uit  terug.  Totdat  de  prinses,  door  medelijden  bewogen,  aan  Teseo  een  kluwen  gouddraad  gaf.  Teseo  bond  deze  draad  aan  een  steen  bij  de  ingang  van  het  doolhof.  Na  het  monster  gedood  te  hebben,  slaagde  hij  erin,  door  de  gouden  draad  te  volgen,  de  manier  te  vinden  om  er  uit  te  geraken.  Onze Lieve  Vrouw  is  de  ware  Koningin - Moeder,  die  medelijden  heeft  met  al  haar  kinderen  en  hen  wil  redden.  Alleen  wie  toegewijd  is  aan  haar  Onbevlekt  Hart  kan  deze  gouden  draad  hebben  die  hem  naar  de  redding  brengt,  d. i.  naar  de Heer.  Zij  zegt  ons:  ...Als  uw  Moeder  ben  ik  het  door  Jezus  uitgekozen  middel  geweest,  opdat  gij  allen,  door  Mij,  tot  Hem  zoudt  kunnen  komen.  Ik  ben  de  ware  Middelares  van  genade  tussen  u  en  mijn  Zoon  Jezus... Ik  oefen  mijn  werkzaamheid  altijd  uit.  Toch  kan  ik  haar  alleen  volkomen  uitoefenen  voor  die  kinderen  die  zich  in  volmaakte  overgave  aan  Mij  toevertrouwen..Ik  ben  de  weg  die  u  naar  Jezus  leidt.  Ik  ben  de  veiligste,  de  kortste  weg,  de  weg  die  voor  ieder  van  u  noodzakelijk  is.  Als  gij  deze  weg  niet  wilt  gaan,  loopt  gij  gevaar  te  verdwalen  op  uw  tocht.  Vandaag  hebben  velen  Mij  terzijde  willen  schuiven,  daar  ze  Mij  bijna  als  een  hinderpaal  beschouwden  om  tot  Jezus  te komen,  omdat  zij  mijn  zending  als  Middelares  tussen  u  en  mijn  Zoon  niet  begrepen  hebben.  En  zo  komt  het  dat,  nu  meer  dan  ooit,  velen  van  mijn  kinderen  gevaar  lopen,  Hem  niet  te  kunnen  bereiken.  De  Jezus  die  zij  ontmoeten,  is  dikwijls  alleen  het  resultaat  van  hun  menselijk  navorsen,  en  beantwoord  aan  hun  begeerten  en  verlangens;  het  is  een  Jezus  op  hun  maat;  het  is  niet  Jezus,  de  Christus,  de  ware  Zoon  van  God  en  van  uw  Onbevlekte  Moeder... ( 16-7-80). 
    Bijzonder  in  het  buitenland  leven  we  temidden  van  volkeren  die  een  volkomen  heidense  godsdienst  opbouwen.  Om  daartoe  te  komen,  moeten  ze  eerst  en  vooral  de  godheid  van  Christus  vernietigen  en  dus  de  katholieke  Kerk.  De  "Codex  Da  Vinci"  is  er  een  enkel  voorbeeld  van.  In  Quebec  bijvoorbeeld,  moeten  de  meesters  van  de  elementaire  scholen  schoolteksten  aanvaarden  waarin  aan  de  kinderen  een  ware  inleiding  op  verschillende  godsdiensten  gegeven  wordt.  Er  is  zelfs  aan  de  ouders  de  mogelijkheid  ontnomen  om  hun  kinderen  aan  die  klassen  te  onttrekken.  Een  jongen  van  negen  jaar  zegt  aan  zijn  ouders  bij  gelegenheid  van  de  begrafenis  van  zijn  grootvader  dat  hij  boeddhist  wil  worden,  omdat  hij  na  zijn  dood  zal  kunnen  reïncarneren.  Aan  de  kinderen  van  de  bewaarschool  wordt  geleerd  hoe  ze  de  poppen  van  Boeddha  kunnen  maken.  Als  ze  over  het  huwelijk  spreken,  dan  stellen  ze  op  hetzelfde  niveau  datgene  wat  zij  "de  twee  alternatieven  noemen"  nl.  het  huwelijk  tussen  man  en  vrouw  en  het  vrolijke  huwelijk  ( gay ).  Hier  stop  ik:  de  lijst - zoals  allen  weten  zou  het  nooit  ophouden.

    Onze  Lieve  Vrouw  komt  ons  te  hulp.   

    Vooreerst  herinnert  Zij  ons  eraan  dat  we  leven  in  tijden  die  door  de  H.  Schrift  voorzegd  zijn.  Onze  wereld  is  bijna  een  doolhof  geworden  van  verwarring,  van  dwalingen,  van  bedrog  en  van  duisternis.  Zij  zegt  ons,  namelijk,  dat  we  aandachtig  moeten  zijn,  omdat  de  tijden  slecht  zijn: ...Vandaag  beleeft  ge  duistere  tijden,  omdat  men  op  alle  wijzen  zoekt  te  komen  tot  een  compromis  tussen  God  en  Satan;  tussen  het  goede  en  het  kwade;  tussen  de  geest  van  Jezus  en  de  geest  van  de  wereld.  Velen  lopen  gevaar  slachtoffer  te  worden  van  deze  algemene  verwarring  en  ook  in  mijn  Kerk  wil  zich  een  valse  geest  verbreiden,  die  niet  de  geest  is  van  Jezus,  de  Zoon  van  God.  Als  een  onzichtbare  en  giftige  wolk  verspreidt  zich  de  geest  van  vermenging  van  de  zaken  van  God  en  die  van  de  wereld,  en  men  ontneemt  aan  het  Woord  van  God  zijn  levenskracht  en  berooft  zo  de  verkondiging  van  het  Evangelie  naar  haar  kracht... (8-12-82).  
    Op  8  december  1980  leert  onze  Moeder  ons  hoe  wij  in  het  ware  geloof  blijven;  ...Veelgeliefde  zonen,  vandaag  verzamel  Ik  u  allen  onder  mijn  onbevlekte  mantel.  Dat  is  de  schild  waarmee  Ik  u  bedek,  om  u  te  beschermen  tegen  iedere  aanval  in  de  grote  strijd  waartoe  Ik  u  roep.  Gij  moet  u  bekleden  met  dit  machtige  schild,  dat  Ik  u  geef  voor  uw  verdediging  en  voor  uw  redding....Het  wapen  dat  ik  u  geef  om  te  strijden,  is  de  keten  die  u  vastbindt  aan  mijn  Hart:  de  heilige  Rozenkrans.  Veelgeliefde  zonen,  bidt  hem  dikwijls,  want  alleen  door  uw  priesterlijke  gebed,  verzameld  in  mijn  Onbevlekt  Hart,  kunnen  wij  in  deze  tijd  de  grote  barmhartigheid  van  de  Heer  in  beweging  brengen  en  als  het  ware  dwingen  zich  te  openbaren.  Op  het  uur,  waarop  alles  verloren  schijnt,  zal  alles  gered  worden  door  de  barmhartige  liefde  van  de  Vader,  die  zich  zichtbaar  zal  maken  door  de  grootste  openbaring  van  het  Eucharistische  Hart  van  Jezus...(8-12-80).  

    DE  BOODSCHAPPEN:  AAN  DE  PRIESTERS  DE  VEELGELIEFDE  ZONEN  VAN  ONZE  LIEVE  VROUW...

    Op  13  mei  1996  zegt  onze  Moeder  ons:...Ik  ben  uit  de  hemel  neergedaald  om  u  de  weg  aan  te  duiden  die  ge  moet  gaan...De  veilige  weg  die  u  leidt  naar  het  aanvaarden  van  heel  de  waarheid  die  bevat  ligt  in  het  Evangelie  van  mijn  Zoon  Jezus.  Op  deze  weg  door  Mij  gebaand,  wordt  ge  aangetrokken  door  de  schittering  van  de  waarheid  en  wordt  ge  grondig  veranderd  door  de  genade  die  in  uw  leven  de  goddelijke  geur  van  de  van  de  heiligheid  brengt...(13-5-96).  De  boodschappen  zijn  de  ware  gouddraad  die  ons  helpt  uit  het  doolhof  te  komen  van  de wereld  van  vandaag.  Alles  vormt  deel  uit  van  de  godsvrucht  en  de  toewijding  aan  het  Onbevlekt  Hart  van  Maria,  die  vandaag  nodig  is  om  ons  te  redden  en  in  het  ware  geloof  te  blijven  en  om  te  groeien  in  het  geestelijke  leven.  Ook  hiervoor  vind  ik  het  noodzakelijk  dat  we  ons  boek  goed  kennen,  door  de  inleiding,  geschreven  door  Don  Gobbi  goed  te  bestuderen.  Hij  schrijft:  ...De  overweging  van  de  inhoud  van  het  boek,  brengt  dikwijls  ware  omvormingen  tot  stand  in  de  zielen.  Het  boek  helpt  om  de  geest  van  de  toewijding  te  beleven,  en  niet  zelden  laat  het  bij  de  priesters  de  indruk  na  te  beantwoorden  aan  hun  particuliere  noden.  Het  moedigt  hen  aan  om  moeilijke  omstandigheden  te  overwinnen,  en  het  brengt  hen  er  geleidelijk  toe  alles  te  doen  met  Maria,  door  Maria  en  in  Maria...(blz. (33).  In  een  ander  paragraaf,  wanneer  hij  spreekt  over  de  gelovigen,  schrijft  hij;  ...Onze  Lieve  Vrouw  vraagt  ook  aan  de  gelovigen  die  behoren  tot  de  Beweging,  een  dagelijkste  inspanning  tot  bekering,  op  de  weg  van  het  gebed  en  de  boete.  Daarom  helpt  Zij  hen,  als  een  oplettende  en  zorgzame  Moeder,  om  de  zonde  te  vluchten,  in  de  genade  van  God  te  leven.  Zij  nodigt  hen  uit  tot  de  veelvuldige  biecht,  tot  een  sterk  eucharistisch  leven,  tot  het  onderhouden  van  de  wet  van  God,  met  een  bijzondere  inspanning  om  de  deugd  van  zuiverheid  te  beleven,  bijzonder  vanwege  de  jongeren  en  verloofden,  en  de  echtelijke  kuisheid  in  het  sacrament  van  het  huwelijk,  volgens  de  leer  van  Christus,  onlangs  nog  door  het  Leergezang  van  de  Kerk  opnieuw  bekrachtigd...(blz.(23). Daarna  besluit  Don  Gobbi  in  het  verband  met  de  boek,  ...Overweeg  dit  boek,  rustig  en  met  liefde.  En  gaat  dan  over  tot  de  beleving  van  de  inhoud  in  het  leven  van  elke  dag,  door  de  persoonlijke  ervaring  op  te  doen  van  wat  Onze  Lieve  Vrouw  vraagt  en  belooft...Dit  alles  is  nodig  om  te  kunnen  deel  uitmaken  van  de  overwinnende  legerschare  van  Onze  Lieve  Vrouw,  precies  terwijl  de  oorlog  voortgaat  en  terwijl  Satan  de  onbestreden  overwinnaar  lijkt.  Ook  als  de  ...Stad  van  God...  omsingeld  is  door  de  vijand,  bemoedigen  ons  de  woorden  van  Jezus  die  tot  Petrus,  en  dus  tot  alle  christenen  tot  aan  het  einde  van  de  wereld,  zegde,  dat  ...de  poorten  der  hel  haar  niet  zullen  overweldigen....  Ik  vind  het  zeer  betekenisvol  dat  God  van  in  het  begin  heeft  aangekondigd  dat  het  Serpent  zal  overwonnen  worden  door  de  ...Vrouw... en  door  haar  ...kroost... de  oorlog  zal  door  beiden  gevoerd  worden;  maar  de  eindslag  zal  gegeven  worden  door  de  Zoon.  


    08-06-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN ALLEN EEN GEZEGENDE WOENSDAG TOEGEWENST.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AVE MARIA in good sound by Mirusia Louwerse with André Rieu (2008).
     
    AVE MARIA in good sound by Mirusia Louwerse with André Rieu (2008).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AL HAD IK ELKE FOUT...
     
    AL  HAD  IK  ELKE  FOUT...

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Overweging.

    Een tekst van Augustinus, die ondanks zijn eeuwenoude oorsprong,

    een verrassend hedendaags karakter heeft,

    laat ons iets vermoeden van de kracht van een liefde

    die verder reikt dan de dood.

     

    De dood is niets.

    Ik ben maar aan de andere kant.

    Ik ben mijzelf, jij bent jezelf.

    Wat we waren voor elkaar,

    dat zijn we nog altijd. Ook vandaag.

    Noem mij zoals je me steeds genoemd hebt.

    Spreek tegen mij zoals weleer,

    op dezelfde toon,

    niet plechtig of niet triest.

    Lach om wat ons samen heeft doen lachen.

    Denk aan mij, bid met mij.

    Spreek mijn naam uit thuis,

    Zoals je altijd gedaan hebt,

    zonder hem te benadrukken, zonder droefheid.

    Het leven is wat het altijd geweest is.

    De draad is niet gebroken.

    Waarom zou ik uit je gedachten zijn?

    Omdat je me niet meer ziet?

    Neen ik ben niet ver, ik ben juist aan de overkant.

    Zie je, alles is goed.

    Je zult mijn hart opnieuw ontdekken en er tederheid terugvinden?

    Zuiverder dan ooit.

    Dus, droog je tranen en ween niet als je van mij houdt.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Er is een huis voor ieder mens.


     Er is een huis voor ieder mens,

    Een huis dat 'hemel' heet of eeuwigheid.

    En wand voor wand, heeft God dat huis

    bij voorbaat al gekleed

    met paarlemoeren vreugden ,

    met heilige mensen

    Als wij eens dankbaar konden zijn

    Vandaag al, om het licht

    dat wazig maar in hoop gehuld

    het heerlijk vergezicht

    van morgen laat vermoeden

    dan zou ons ongeduldig hart

    dat moe werd aan de tijd

    genezen en

    tot moed gewekt

    op voor hand al verblijd

    zijn en tot vrede komen.

    Met alle heiligen om ons heen.

    God heeft ons een warm huis ingericht

    met licht en bloemen voor het raam

    en als wij straks

    met lichte tred en vuur in d'ogen

    zal alles in ons zingen;

    Aan alle pelgrims die ik ken,

    wens ik een blij gemoed

    en gouden vriendschap onderweg

    een God die ons behoedt

    zolang de weg nog duurt

    dichtbij met al zijn heiligen.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bezinning.

    Zie je een bloem, zie je het leven dat teer begint en klein...

    De één zal heel uitbundig bloeien, de ander fijn en geurend zijn...

    Er zijn er bij die blijven bloeien, lang en onvermoeid,

    maar ken je ook die hele tere, die veel te vlug lijken volgroeid...

    Daarom, een mens die moet niet vragen bij welke groep je horen mag,

    Blijf ik lang of misschien maar even? Geheim van leven, pluk de dag!

    Heel zijn leven is de mens op zoek naar liefde, naar liefde en geluk.

    Heel zijn leven wil de mens die rode roos plukken,

    de geur van de liefde ruiken, haar smaak proeven...

    Maar wie op zoek gaat naar het rood van de roos

    komt de pijn van de dorens tegen

    want die zijn onlosmakelijk met de liefde verbonden...

    Wie de dorens schuwt, de roos niet durft plukken

    zal ook de liefde niet proeven, zo gaat dat in het leven...

    Onze overledenen hebben de liefde geproefd

    maar zijn ook dorens tegengekomen,

    en misschien meer dan hem of haar lief was...

    Maar toch, de groene bladeren van hoop

    hebben hem of haar er telkens weer bovenop geholpen,

    hebben hem of haar de moed gegeven om vol te houden.

    Is er een beter symbool van liefde en pijn, verdriet en vreugde,

    van hoop ook, dan deze roos...


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jezus.

    Jezus, U bent bij mij gekomen.

    Blijf alle dagen bij mij,

    leef in mij,

    onderwijs mij,

    al doet het mij pijn.

    Rust in mij,

    verlaat mij nooit.

    Met alles wat ik ben en heb

    grijp ik U vast,

    ik aanbid U,

    ik dank U voor Uw komst,

    voor Uw troost,

    voor alle genade

    voor mij en de mijnen.

    Hart, dat van liefde brandt,

    ontferm U over hen

    die strijden voor de vrijheid,

    ontferm U over hen,

    die gevallen zijn op de slagvelden,

    ontferm U over hen,

    die omwille van ons vaderland,

    ontferm U over allen

    in wier plaats ik verplicht ben

    U te prijzen

    en tot U te smeken.

    Ik dank U,

    God van alle erbarmen,

    voor de harten

    die mij zoveel goed hebben gedaan,

    die mij nooit vergeten.

    Ik dank U ook voor hen,

    die mij door Uw haat

    opvoeden en terechtwijzen. Amen.

     

     

     


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GOD , LEER MIJ EENZAAM ZIJN.

    GOD , LEER MIJ EENZAAM ZIJN.

    Mijn Heer , en mijn God , sinds ik 'weet' dat midden in het grote leven staan , voor mij voorbij is , en ik op de kleine wereld pijn van lege woorden en afstandelijkheid mijn eigen smalle weg moet gaan , ben ik bang ; om dood te gaan , vergeten en verloren in de betutteling van liefdesangst en de bescherming van zorgende machteloosheid. En toch , Heer , wil ik niet bidden om mij te bevrijden van die zorg die mensen zichzelf opleggen om mij nabij te zijn. Ik wil Jou vragen mijn pogen om mijn en hun pijn te dragen , te steunen , te schragen. Ik wil Jou vragen de mensen die mij graag zien te zegenen en te verlossen. O God , leer me zo eenzaam zijn dat ik mijn en hun verlatenheid doorheen de pijn van elke dag alleen kan dragen.....O God , leer me opstandig zijn om steeds opnieuw met heel veel kracht mijn levensdoel en levenszin te blijven bevragen.... O God , leer me moedig zijn om elke last en elk verdriet van 't loslatend 'moeten' te blijven verdragen..... O God , leer me geduldig zijn - eerst met mezelf - en dan met die anderen die ook de pijn om 't niet meer 'kunnen' moeten helpen dragen.... O God , leer me mild zijn om machteloosheid en hulpeloosheid in taal en teken te begrijpen... O God , leer me liefde zijn om altijd meer en altijd weer mezelf en al mijn pijn dicht bij mezelf te houden want niets doet zoveel pijn als 't hulpeloos staan in 't leed van zij die naast je gaan.... O God , leer me vrede zijn om in duizend kleine dingen Jouw liefde en Jouw vrede in een mild gebaar weer dagelijks uit te reiken. Dan wordt mijn wereld weer zo rijk en groot en diep en breed geborgen in Jouw heerlijkheid van zorgende aanwezigheid. Amen.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Predikaties over het lijden van onze Heere Jezus Christus. ( Mattheus 26: 51-54.)

    Predikaties over het lijden van onze Heere Jezus Christus.

    OVER HET AFSLAAN VAN DE HOGENPRIESTERS

    DIENSTKNECHTS DOOR PETRUS, EN JEZUS'

    ERNSTIGE VERMANING DAAR OVER.

    Mattheus 26: 51-54.

    En ziet! een van degenen, die met Jezus waren, die hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande de dienstknecht des Hogenpriesters, hieuw zijn oor af. Toen zei Jezus tot hem: keer uw zwaard weer in zijn plaats! want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Of meent gij, dat ik mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal mij meer dan twaalf legioenen Engelen bijzetten? Hoe zouden dan de sehriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo geschieden moet?

    Onder de veelvuldige wederwaardigheden, die oudtijds de beroemde Koning David bejegenden, in die tijd, als hij genoodzaakt was te moeten vluchten voor het aangezicht van zijn rebellige en weerspannige zoon Absalom, blinkt zonderling uit, die smadelijke bejegening, die hij ontving van de goddeloze Simei, de zoon van Gera, uit het huis en het geslacht van de Koning Saul, Davids voorzaat in de regering; hetgeen wij beschreven vinden, 2 Sam. 16: 5. De Koning David was, voor zijn rebe!lige zoon Absalom, die zijn vader naar de kroon stak, gevlucht uit de Rijksstad Jeruzalem; en nu met zijn bij zich hebbend gevolg, gekomen zijnde te Bahurim, in het Land van Benjamin, ontmoette hem Simei, die, omdat hij uit Sauls huis en geslacht was, daarom een bittere en dodelijke haat tegen David had, die hij nu aan hem, omdat hij in zo grote wederwaardigheid was, vrij meende te kunnen koelen. Wat deed deze boosaardige? De Koning David ziende, ving hij aan, op een schandelijke wijze Hem te mishandelen; Hem gans bitter vloekende en scheldende voor een Belialsman, een snode bloedvergieter enz. smijtende zelfs de Koning met zijn gevolg van ver met stenen. Over deze mishandeling van de snode Simei, werd een van Davids helden, namelijk Abisai, de zoon van Davids zuster Zeruja, dermate vergramd, dat hij die booswicht met kracht te lijf wilde, en van de Koning verlof verzocht, om hem te mogen ombrengen, zeggende met grote hevigheid en verbolgenheid: waarom zou deze dode hond mijn heer, de Koning vloeken? Laat mij toch overgaan, en zijn kop wegnemen! Doch David dit horende, wilde zulks geenszins toelaten, maar verbood Abisai, zijn hand, en aan de boosaardige Simei te slaan, hem over zijn haastigheid en wraakzucht dus nadrukkelijk bestraffende: wat heb ik met u te doen, gij zoon van Zeruja? Ja, laat hem vloeken, want de Heere toch tot hem gezegd heeft, vloek David. In dit geval blinkt, op een zonderlinge wijze uit, des Konings Davids groot geduld, lankmoedigheid, en Godvruchtigheid, in het midden van zijn wederwaardigheden en de smadelijke bejegening, die hem alhier, van de razende Simei werd aangedaan. Het schijnt ons toe Aandachtigen! dat wij hier, de Koning David, niet onaardig kunnen aanmerken, als een zoet zinnebeeld of of beeldsel van de ware en tegenbeeldige David, de Heere JEZUS CHRISTUS, met betrekking tot hetgeen Hem, in Zijn grote wederwaardigheden, kort voor Zijn sterven gebeurde. Want, werd David in zijn zware verdrukkingen zo smadelijk bejegend en mishandeld, van de vuile, bittere en boosaardige Simei; iets dergelijks ontmoette immers de Heere JEZUS ook, in Zijn zware verdrukkingen, angsten en ellenden, in de laatste nacht van Zijn bedroefde leven? Toen werd Hij ook zeer smadelijk bejegend en mishandeld; niet van een, maar van veel razende Simei's; ik meen de woedende menigte van gewapende krijgsknechten en uitgezonden gerechtsdienaars van der Joden Overpriesters, met de allerboosaardigste en bitterste verrader Judas aan hun hoofd. Van deze hoop bittere en boosaardige vloekverwanten, werd hij ook zeer smadelijk bejegend, en even als een schelm of misdadiger gegrepen en gevangen genomen. Gelijkerwijs nu, Abisai, een uit David's gevolg, deze smadelijk mishandeling van Zijn heer en Koning niet kunnende aanzien, zich daarover in grote gramstorigheid en verbolgenheid aan de boze Simei wilde wreken; iets dergelijks gebeurde hier, bij deze mishandeling van de Heere JEZUS, door de uitgezonden soldaten en gerechtsdienaars ook; een uit JEZUS gevolg, namelijk, de Apostel Petrus kon deze mishandeling van Zijnen Heer en Meester ook met geen goede ogen aanzien; maar werd daarover dermate vergramd en verbolgen, dat hij de bewerkers van die mishandeling met geweld te lijf wilde, en ook reeds tot dadelijkheid kwam, slaande een van hen, met zijn zwaard het oor af. Doch hield de Koning David de held Abisai in zijn ijver tegen; bestrafte hij hem over zijn onbezonnen wraakzucht, niet willende, dat hij aan de vloeker Simei zijn handen zou slaan, doordien deze rampzalige hier niet anders deed dan des Heeren verborgen bevelen uit te voeren; op geen andere wijze immers handelde ook de Heere JEZUS met Zijn wraakzuchtige discipel; Hij bestrafte hem ook over zijn onbezonnen daad; en verbood hem verder aan Zijn vijanden en vervolgers de handen te slaan; aangezien deze hier ook niet anders deden, dan het geen Gods hand en raad tevoren bepaald hadden, dat alzo geschieden zou. Heeft iemand lust de zaken zelf in te zien; dan leze hij maar het verhaal van Mattheus die ze ons aldus, beschrijft: en ziet een van degenen, die met JEZUS waren, enz.

    Hier vangen wij het verhaal en de geschiedenis van 's Heilands lijden nu wederom aan, Aandachtigen! daar wij dezelve de laatste keer lieten. Toen beschouwden wij het heilloze en snode verraad, van Judas, hoe deze rampzalige, de Heere JEZUS door een valse en verraderlijken kus, aan zijn bij zich hebbende en mee gebrachte bende van soldaten en gerechtsdienaars aanwees; en hoe deze daarop terstond op de Heiland aanvielen, Hem grepen en gevangen namen, tegelijk met de gehele, zonderlinge en merkwaardige omstandigheden, die daarbij voorvielen. Dus was de Zaligmaker dan nu gekomen, in de handen van Zijn vijanden; doch aleer wij Hem gebonden zien voeren en slepen naar Jeruzalem, om daar terecht gesteld en veroordeeld te worden, viel er hier in of omtrent de hof, nu nog het een of ander voor, dat eerst zal moeten overwogen en beschouwd worden; als daar is de onbezonnen ijver en wraakzuchtigheid van de Apostel Petrus, die hij alhier, bij deze gelegenheid van het gevangen nemen van de Heiland betoonde, trekkende in een haastige verbolgenheid zijn zwaard uit, en slaande daarmee dermate de dienstknecht van de Hogepriester, dat hij hem het oor afhieuw, doch welke daad, de Heere JEZUS geheel kwalijk opnam; in zoverre, dat Hij deze Zijn discipel daarover op de nadrukkelijkste wijze bestrafte, hem verbiedende enig geweld te gebruiken; maar zijn geweer of zwaard op te steken en de menigte met hem te laten begaan. Dit merkwaardige geval zal heden in dit morgenuur, volgens de orde, de stof moeten zijn van onze verhandeling. Alle godvruchtigen wekken dan hiertoe hun aandacht op! en leren van de Heere JEZUS heden, zachtmoedig te zijn, en nederig van hart in alle voorkomende gelegenheden en wederwaardigheden van deze wereld! Amen.

    De geschiedenis scheidt zich zeer gepast, in twee stukken of delen. Het eerste behelst de onbezonnen daad en ijver van de Apostel Petrus, de dienstknecht van de Hogepriester met een zwaard slaande en het oor afhouwende vs. 51. Het andere behelst de nadrukkelijke bestraffing, die de Heere JEZUS daarover aan deze Zijnen discipel deed, en de verdere redenen van Hem, op dat .stuk voortgebracht en gesproken, tot onderrichting van Petrus en de andere discipelen, in de drie volgende verzen.

    Aangaande het eerste stuk, of de schielijke en gans onbezonnen daad en ijver van Petrus, die wordt ons van Mattheus aldus opgegeven: en ziet een van degenen die met Jezus waren enz.

    De Evangelist knoopt dit zijn verhaal aan het vorige vast, door het koppelwoordje en, om aan te duiden, dat het op dat zelfde moment, als de Heere JEZUS van de uitgezonden bende werd gevangen genomen gebeurde; en omdat het iets zonderlings en merkwaardigs was, dat men niet ongemerkt moest over het hoofd zien, voegt hij er het woordje ziet vooraan, schrijvende: en ziet; een enz. Als wilde hij zeggen: geef acht lezer! en merk op, wat een zonderling voorval hier bij het gevangen nemen van de Zaligmaker gebeurde, een van degenen, die enz. Mattheüs gewaagt hier maar in het algemeen van een van degenen die met Jezus waren. Daardoor verstaande een van Zijn elf discipelen, die hier met Hem waren, zonder zijn naam te noemen of te melden wie deze ene, in het bijzonder geweest is; doch uit het verhaal van Johannes blijkt, dat deze discipel is geweest Petrus, want zo schrijft hij, hoofdst. 17:10, Simon Petrus dan, hebbende een zwaard trok enz. Alvorens wij deze onbezonnen daad van Petrus zelf overwegen, moeten wij vooraf eerst de gelegenheid aanmerken, bij welke hij tot dezelve kwam. Dit heeft ons Lukas in het bijzonder aangetekend; schrijvende, hoofdstuk 22: 49, en die bij Hem waren, ziende wat daar geschieden zou, zeiden tot Hem, Heere! zullen wij met het zwaard slaan? Door die bij Hem waren, worden hier verstaan de elf discipelen, die bij de Heere JEZUS waren, wanneer Hij hier in de hof word gevangen genomen, deze ziende wat daar geschieden zou, namelijk, hoe hun beminde Heere en Meester alhier, door deze gewapende menigte werd omringd en van hen stond gegrepen en gevangen genomen te worden; dit ziende, uit de toebereidselen die daartoe gemaakt werden; zo geraakten zij in verlegenheid, hoe of op wat wijze zij zich hier in dit voorval zouden gedragen; of zij dit gevangen nemen van hun Meester zo stilzwijgend moesten aanzien, dan of zij zich liever tegen deze menigte dienden te weer te stellen, en de Heiland tegen hun geweld te beschermen. Wat deden zij? Zij vroegen aan JEZUS, volgens de aantekening van Lukas, wat zij hierin doen moesten, zeggende: Heere! zullen wij, met het zwaard slaan! Om dit goed te begrijpen, Aandachtigen! is het nodig, dat wij hier een weinig terug treden, naar hetgeen Lukas ons verhaald heeft, hoofdstuk 22: 36 enz. Daar schrijft hij, dat de Heiland in deze zelfde nacht, wanneer Hij met Zijn discipelen uitging, naar de Olijfberg, hun belastte, dat zij hun klederen zouden verkopen, die zij missen konden; en dat zij voor het geld dat daarvan kwam, zwaarden zouden in de plaats kopen. Dat deze daarop aan de Heiland hadden vertoond twee zwaarden, die zij bij zich hadden, zeggende: Heere! zie hier twee zwaarden; en dat de Heiland die zwaarden gezien hebbende, daarop, antwoordde, dat die genoeg waren. Ofschoon de Heere JEZUS nu op deze wijze met Zijn discipelen, in het uitgaan naar de Olijfberg sprak, zo moesten nochtans deze Zijn woorden geenszins eigenlijk en naar de letter worden opgevat, evenals had Hij gewild, dat Zijn discipelen waarlijk voor hun klederen, zwaarden zouden kopen; neen maar de Heiland wilde hier, door een figuurlijk en oneigenlijk gesprek Zijn discipelen leren, dat er nu, in het toekomende, zware en bedroefde tijden voor hen ophanden waren; dat die stille en geruste vrede, die zij tot dus lang genoten hadden, nu in onrust en in zware vervolging zou veranderen; dat zij nu van alle kanten door menigvuldige vijanden zouden warden omringd, met welke zij, om Zijns Naams wil zouden moeten strijden, zodat zij eer zwaarden zouden nodig hebben, tom zich tegen de aanvallen van de vijanden te beschermen, als klederen om te dragen. Ziet! dat wilde de Heere JEZUS eigenlijk met dit Zijn gesprek, de discipelen voorstellen; maar niet dat zij juist eigenlijk naar de letter, voor hun klederen zwaarden moesten gaan kopen. Ondertussen hadden de discipelen nochtans, dit gesprek van de Heiland eigenlijk, en naar de letter verstaan en opgevat, en gemeend, als of Hij hun hiermee belastte, dat zij zich van zwaarden moesten voorzien tot hun en Zijn lichamelijke bescherming; en daarom, wanneer het er alhier nu op aankwam, en deze gewapende menigte op de Heere JEZUS begon aan te vallen en Hem gevangen te nemen, zo kwam hun dit gesprek van de Heiland zo-even te voren, toen zij uit Jeruzalem gingen, gehouden, nu in de gedachten; en daarom vragen zij Hem hier nu, Heere! zullen wij met het zwaard slaan? Als wilden zij zeggen: Heere en Meester! Gij hebt ons zo-even te voren, toen wij hier naar toe gingen, van zwaarden gesproken, en belast dat wij ons daarvan voorzien zouden, daarmede hebt Gij ons zeker willen te kennen geven, dat wij U en onszelf tegen de aanvallen van onze vijanden moesten verweren en beschermen; zeg ons dan nu wat wij doen moeten; nu komt het er op aan, moeten wij nu met de zwaarden, die wij bij ons hebben, slaan en vechten, en U en onszelf tegen deze woedende menigte beschermen? Zeg Heere! wat zullen wij doen: zullen wij met het zwaard slaan of niet? Gij merkt ligt mijn Vrienden! dat deze vraag van de discipelen voortkomt uit hun ijver voor de Heere Jezus en de grote genegenheid, die zij voor Hem hadden, waardoor zij bereid waren lijf en leven en alles te wagen om Hem tegen deze woedende menigte te beschermen. Tot nog toe schenen zij te enenmale onbevreesd te zijn, en gelijk zij tevoren betuigd hadden, hun Heere en Meester zelfs onbeschroomd in de dood te willen volgen; doch deze hun moed duurde niet lang, zij werden wel gauw zodanig door de vrees bevangen, dat zij hun Heiland gezamenlijk verlieten. Ondertussen was deze hun stoutheid en onbevreesdheid, die zij hier betoonden, meer een uitwerksel van onbezonnen lichtvaardigheid, dan van een voorzichtige dapperheid en heldenmoed; want wat waren deze onnozele lieden toch machtig, met hun twee zwaarden, die zij bij zich hadden tegen een zo sterke en wel gewapende menigte, van soldaten en gerechtsdienaars te kunnen uitvoeren? Immers niet het allerminste? Als het op een vechten gegaan had, waren zij terstond alle elf verslagen geweest; zodat het alzo maar een onbezonnen en lichtvaardige ijver was, zich tegen een zo machtige troep of bende te willen teweer stellen Niettemin, hoe ongelijk de kans nochtans ook was, was de onbezonnen ijver hier evenwel, in het eerst zo groot, dat zonder het antwoord van de Heilands, op hun voorgestelde vraag eens af te wachten, een van hen, namelijk Petrus, al terstond tot dadelijkheid kwam, en zijn zwaard uittrekkende, daarmee degenen, die de Heiland wilden gevangen nemen, te lijf ging, en zelfs een van hen kwetste; want zo schrijft Mattheüs, en ziet! enz. Het is al van oude tijden aangemerkt Aandachtigen! dat de Apostel Petrus, een man is geweest van een zeer ijverige, driftige en voorbarige aard of inborst, gelijk zo de ene mens daarin, de anderen ver te boven gaat. De een is van een bezadigd gemoed, die alles doet met voorzichtigheid en langzaam overleg, eerst de zaken goed overdenkende en overwegende, eer hij die uitvoert en te werk stelt. Anderen integendeel, zijn van nature zeer schielijk en oplopend; en doen alles met even veel ijver en drift, waardoor zij menigmaal, zeer onbezonnen in hun woorden en werken zijn, en zich hun schielijkheid en driftige ijver, dikwijls te laat beklagen. Van dit slag nu was Petrus ook, zijnde in al zijn doen, met een zeer grote schielijkheid, ijver en drift bevangen. Viel er wat te spreken of te antwoorden, hij was altijd de voorbarigste en eerste onder de Apostelen, die het woord voerde. Moest er wat gedaan worden, hij was altijd het eerst van al de anderen op de been, een bijzonder vuur van ijver blonk altijd in hem uit. Wij hebben er tevoren een voorbeeld van gezien in dat gesprek, dat hij met de Heere JEZUS hield, toen zij naar de Olijfberg gingen. Wat was hij driftig en ijverig voor al de anderen in zijn getrouwheid en standvastigheid aan de Heiland, op het duurst te betuigen! Meer voorbeelden van zijn grote ijver en drift, ontmoeten wij in de Evangelische Schriften. Als de Heiland eens aan hun allen vroeg, wie zij meenden, dat Hij was; terstond nam Petrus, eer nog iemand sprak, voor allen het woord op; zeggende: Gij zijt de CHRISTUS, de Zoon van de levende God. Matth. 16: 15, 16. Toen CHRISTUS met Mozes en Elias op de Berg verheerlijkt werd, was Petrus ook de eerste, die het woord voerde; willende, dat men daar, voor deze drie doorluchtige personen terstond, drie tabernakelen zou bouwen. Luk. 9: 31, 32. En dergelijke voorbeelden zouden wij uw aandacht meer kunnen aanwijzen. Zo ijverig en driftig deze man dan altijd en in al zijn doen was, zo schielijk en voorbarig, was hij hier in deze gelegenheid nu ook. Eer de Heiland nog eens geantwoord had, of de discipelen met hun zwaarden zouden slaan en vechten of niet, zo valt hij er al ten eerste met een onbezonnen ijver op in; hij trok zijn zwaard uit, schrijft Mattheus, en slaande de dienstknecht van de Hogepriester, hieuw zijn oor af. Hieruit is of te nemen, dat van de twee zwaarden, degens of houwers, die de discipelen bij zich hadden, en die zij onder weg aan de Heiland vertoonden, zoals wij zo even zagen, Petrus er een droeg; hetzij hij het best en handigst er mee kon omgaan; of om andere redenen. Althans, Petrus droeg hier een van de twee degens of zwaarden bij zich. Met reden vraagt hier iemand, wat de discipelen hier toch met deze twee zwaarden bij zich deden, daar de Heiland hun immers te voren verboden had, een zwaard te gebruiken? Verscheiden zijn hieromtrent de gedachten van de geleerden; doch die wij thans niet willen ophalen, omdat wij niet kunnen zien, dat breedvoerige verhandelingen over dingen van die natuur, op de predikstoel, zo grote nuttigheid aanbrengen. Met weinigen willen wij u maar zeggen, wat wij er van denken. Wij oordelen met de meesten, dat de discipelen van de Heiland, deze zwaarden met zich zullen gedragen hebben, tot hun veiligheid en bescherming; want gij moet weten Aandachtigen! dat de weg, uit Galilea naar Jeruzalem lopende, die zij waren komen gaan, door menigvuldige dieven, rovers en straatschenders, op deze tijd, zeer onveilig gemaakt werd, wordende de reizende mensen dikwijls aangerand, geplunderd, en op die weg vermoord. Hierom waren de reizigers, welke die weg moesten passeren, dan wel op hun hoe de, met zich van wapens en geweer te voorzien, teneinde om hun lijf en leven tegen struikrovers en moordenaars te beschermen. Wij vinden daarom, bij de beroemde joodse geschiedschrijver Jozephus aangetekend, dat op deze tijd, zelfs de Esseeën, de alleringetogendste sekte bij de Joden, die niet veel verschilden van de hedendaagse woestijnbewoners en kluizenaars, die, buiten de steden op het land woonden, altijd uit vrees voor de moordenaars en struikrovers, gewoon waren gewapend te reizen en van geweer voorzien. En dus twijfelen wij er niet aan, of dit is ook de ware reden geweest, waarom 's Heilands discipelen, welke die weg uit Galilea waren komen reizen, zich van deze twee zwaarden, tot hun bescherming voorzien hadden. Daarvan droeg en had er Petrus hier nu een; en zo gauw er gesproken werd, van met de zwaarden te slaan, was hij nu, volgens zijn gewone driftige en voorbarige aard, hier het eerst in de weer; hij trok terstond zijn zwaard, dat hij bij zich had, uit de schede, en sloeg en hakte daar terstond mee in op de gewapende menigte, die zijn Heere en Meester wilde grijpen en gevangen nemen; en dat met zulk een onbesuisdheid, dat hij er een uit de hoop, een gevoelige kwetsuur of wond toebracht; want zo wordt ons hier verhaald, dat hij, slaande de dienstknecht van de Hogepriester hem het oor afhieuw. De Hogepriester van wie hier gesproken wordt, was Kajafas, voor wie de Heiland in het vervolg zal worden geleid en terecht gesteld. Gelijk nu de Hogepriester, naast de Koning, de aanzienlijkste en waardigste persoon was onder de Joden, zo hield Hij, volgens zijn waardigheid ook een grote stoet van bedienden, en van deze was er nu ook een hier, onder deze bende en gewapende menigte; die zich mede bij de soldaten en gerechtsdienaars gevoegd had, om de Heere JEZUS te helpen gevangen nemen. Johannes heeft ons zelfs de naam van deze dienstknecht aangetekend, schrijvende, dat hij Malchus geheten was; een naam, die niet ongewoon was bij de Joden, en die volgens hun uitspraak Malluch luidde, gelijk wij zo van enen Malluch lezen, Nehem. 10: 4. Het schijnt, dat deze Malluch of Malchus, des Hogepriesters dienstknecht, hier onder de eerste en ijverigste van de hoop geweest is, die de handen aan de Heere JEZUS sloeg, om Hem te grijpen; en daarom Petrus, die dicht bij de Heiland stond dat ziende, neemt nu zijn zwaard, en dat uit de schede getrokken hebbende, dreigt niet lang, maar slaat er zo maar terstond op in, en hakt deze dienstknecht van de Hogepriesters, deze Malchus het oor af. Daar is geen twijfel aan te slaan, of Petrus, hier deze man met zijn zwaard naar het hoofd slaande, zal hem met kracht, het hoofd aan tweeën hebben willen kloven, en dermate slaan, dat hij er bij neer viel; maar tot zijn geluk kwam juist de slag niet recht aan; maar ging dicht bezijden zijn hoofd, zodat hij hem het oor wegnam; hetgeen, volgens Lukas en Johannes verhaal, het rechteroor was. Dat oor dan sloeg Petrus hier met zijn zwaard, deze man van het hoofd af, zodat het op de grond neerviel; of, dat wij met sommigen liever geloven willen, nog met een klein gedeelte aan de zijde van het hoofd bleef hangen, en het bloed hem bij het hoofd en het lijf neerliep; want ofschoon er zijn die willen, dat Petrus hier Malchus maar een stukje of gedeelte van het rechter oor af sloeg; zo geloven wij toch, acht gevend op het Griekse woord, hetgeen wij vinden in het verhaal van Lukas, dat Petrus Malchus’ rechter oor geheel heeft afgeslagen; doch zodat het waarschijnlijk nog maar slechts door het vel aan zijn hoofd, gelijk als hangen bleef. Waarlijk! een gans onbezonnen daad van Petrus, die in het allerminst niet kon goedgekeurd of geprezen worden! want daardoor stelde hij immers, en zichzelf, en al de andere discipelen in het grootste gevaar, van door deze woedende menigte, mede aangetast en zeer mishandeld te worden. Door zijn onbesuisde schielijkheid, zou hij hier zich en de anderen het grootste ongeluk op de hals gehaald hebben. Hierom de Heiland dit voorziende, ving Hij aan, deze Zijn driftige discipel, over zijn onbezonnen en haastige daad gans nadrukkelijk aan te spreken en te bestraffen en hem te vermanen alle verder geweld en tegenweer te staken, gelijk wij dit gesprek en deze vermaning van de Heere JEZUS nu nog verder moeten overwegen.

    Mattheüs ons verhaald hebbende de onbezonnen daad van de Apostel Petrus, hoe hij hier dus ontijdig met het zwaard sloeg, en des Hogepriesters dienstknecht kwetste, en het rechteroor afhieuw; gaat hier nu vervolgens over, om ons een verhaal te doen, van des Heilands nadrukkelijke bestraffing, die Hij hier over deed, aan Zijn driftige en heethoofdige discipel, schrijvende: toen zeide JEZUS tot hem, keer uw zwaard enz. Toen, dat is zo gauw de Heiland deze onbezonnen daad van Petrus had gezien, zo gauw Petrus met zijn zwaard de slag gegeven, en des Hogepriesters dienaar aan zijn hoofd of oor gekwetst had; aanstonds keerde JEZUS zich naar hem toe, en spreekt hem aan, zeggende: keer uw zwaard enz. Lukas verhaalt ons 's Heilands redenen en woorden, enigszins anders schrijvende, Kap. 22: 51, dat JEZUS tot Petrus zei: laat ze tot hiertoe geworden! Wij zouden oordelen, dat de Heiland het een en het andere beide, tot Petrus gesproken heeft; dat Hij zijn gesprek dus volgens Lukas heeft begonnen: laat ze tot hier geworden, en het, volgens Mattheüs toen dus vervolgt: keer Uw zwaard, enz. Het eerste dan, dat de Heere JEZUS tot Zijn driftige discipel zei, toen hij hier met zijn blote zwaard in de hand nog bij Hem stond, en gereed, om er al verder op in te hakken was: Laat ze tot hiertoe geworden! Zo zetten onze taalmannen deze woorden over, als ware de zin en inhoud ervan: houd op Petrus! Laat deze uitgezonden menigte tot zo ver met mij geworden en begaan! dat zij mij grijpen en gevangen nemen; doe hun daarin geen verder geweld of tegenstand; maar laat ze vrij tot hiertoe geworden. Doch wij zouden hier met anderen liever, de Syrische taalman van het N. T. volgen, die de Griekse woorden aldus heeft overgezet: het is genoeg tot hiertoe; of dat hetzelfde is: laat het hierbij blijven. Deze vertaling dunks ons veel netter en gepaster op de zaken; en zo wil de Heiland met deze woorden dan eigenlijk aan Petrus bevelen, dat hij niet verder moest gaan met zijn zwaard te gebruiken; maar dat hij het bij deze slag moest laten blijven; dat er al genoeg gevochten was; even als wilde Hij zeggen: houd, op Petrus! mijn discipel! ga niet voort met uw zwaard te slaan! het is genoeg; laat het hier bij blijven! doe geen verdere tegenweer; maar houd u stil! het is genoeg tot hiertoe. Ziet! dit menen wij, dat de Heere JEZUS met deze woorden eigenlijk heeft willen te kennen geven. Daarop ging Hij nu verder in Zijn gesprek voort, en voegde er bij, volgens Mattheüs, keer uw zwaard enz. Hiermede wilde de Heiland aan Petrus maar alleen dit belasten: dat Hij aanstonds zijn zwaard weer zou in de schede steken en het daarin houden, zonder met hetzelve verder enig geweld, te doen of te slaan; als had hij willen zeggen: Simon Petrus! Ik belast u, dat gij zo aanstonds uw zwaard weer opsteekt! Ik wil niet dat gij er verder tot mijn bescherming iets mee zult uitrichten; het is hier met geen vechten, houwen of hakken te doen; en daarom keer uw zwaard wederom terstond in zijn plaats, en steek het in de schede. En om te tonen, dat dit bevel en deze vermaning recht ernst was, voegt er de Heiland nu in het vervolg een en andere reden bij, waarom Hij niet wilde, dat Petrus of de andere discipelen, met hun andere twee zwaarden meer tegenweer zouden bieden; want zegt Hij, in de eerste plaats, allen die het zwaard nemen zullen door het zwaard vergaan. Over de rechte zin en inhoud van deze woorden van de Heiland, vinden wij der uitleggeren gevoelens en gedachten, al opnieuw verschillend, doch de zekerste en eenvoudigste uitlegging, dunks ons deze te zijn, dat de Heere JEZUS hier met deze Zijn woorden, het oog heeft op de Goddelijke wet, die gebiedt dat allen, die op hun eigen hand, en zonder dat zij daartoe wettig geroepen of bevoegd zijn, uit haastigheid of wraaklust, de handen aan iemands leven slaan, tot boete van hun gepleegde misdaad, ook zonder enige verschoning met de dood moeten worden gestraft. Immers zo luidt de Goddelijke wet, die de Heere al aanstonds aan Noach gaf, Gen. 9: 6, Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mensen vergoten worden; want God heeft de mens, naar Zijn beeld gemaakt. Welke wet ook naderhand herhaald werd aan de kinderen van Israel, Num. 30: 30, al wie een ziel slaat, naar de mond der getuigen, zal men de doodslager doden. Waarop Paulus het oog heeft Rom. 13: 4, daar hij schrijft, dat de Overheid hier op aarde, Gods dienaresse is, die het zwaard niet tevergeefs draagt; maar die een wreekster is, tot straf van degenen, die kwaad doen. Ziet! zo moesten alle doodslagers, die mensenbloed op een onwettige wijze vergoten, dan volgens de Goddelijke wet, zonder verschoning gedood en hun bloed ook door de mensen vergoten worden. Daarop nu zouden wij niet twijfelen, of de Zaligmaker heeft hier in dit Zijn gesprek het oog gehad; en dus heeft Hij hier dan aan Petrus en de andere discipelen willen vertonen, dat zij hun zwaarden moesten terug houden; omdat zij niet bevoegd waren, met dezelve iemand te slaan of te doden, aangezien zij als dan volgens de Goddelijke wet, ook de dood schuldig waren, en van de Overheid met het zwaard moesten gestraft worden. Als wilde Hij zeggen: Simon Petrus! en gij mijn andere discipelen! houdt uw zwaarden toch terug, en slaat er niet verder mee; want weet, dat dit uw gedrag is tegen de Goddelijke wet! die alle doodslagen en bloedstortingen onder de mensen wel streng verbiedt, belastende, dat men het bloed van de zodanigen ook zonder enige verschoning zal vergieten. En daarom, omdat zij, die het zwaard nemen, en daarmee hun evenmens komen te doden, ook volgens de Goddelijke wet, door het zwaard, vergaan moeten; zo wacht gij u dan hiervoor! steekt uw zwaarden op en vergiet er geen mensenbloed mee. Ziet! dit houden wij met vele uitleggers voor de ware en rechte zin van deze woorden van de Heiland, die het zwaard nemen zullen door het zwaard vergaan. Doch hier laat het de Heere JEZUS, nu nog niet bij blijven! Nee, Hij vervolgt Zijn redenen, en toont verder aan hoe onnodig deze zwakke tegenweer van Petrus en de andere discipelen hier was, zeggende voornamelijk tot de driftige Petrus: of meent gij dat ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen Engelen bijzetten? De Heiland wil met dit Zijn zeggen eigenlijk te kennen geven, dat Hij deze hulp, van Petrus of van Zijn andere discipelen tot Zijn bescherming tegen deze gewapende en vijandige hoop, in het allerminste niet nodig was; dewijl Hij overvloedig genoeg van oneindig machtiger hulp en bijstand, als Hij wilde, kon voorzien worden; dat als Hij maar een enkel gebed en verzoek deed aan Zijn hemelse Vader, deze Hem terstond wel twaalf legioenen van heilige Engelen zou bij zetten en tot Zijn hulp en bijstand op ditzelfde ogenblik uit de hoge hemel zenden. Hij spreekt van meer dan twaalf legioenen van Engelen, die Hem Zijn Vader, wanneer Hij er Hem maar om verzocht, aanstonds tot hulp en bescherming zou kunnen bijzetten. Met de spreekwijs van twaalflegioenen Engelen heeft de Heiland hier het oog op de krijgsheiren der Romeinen, die verdeeld waren in Legioenen evenals onze legers in Regimenten. Hoeveel man er nu eigenlijk in een Romeins Legioen of Regiment was, hebben wij uw aandacht voor deze al gezegd, dat niet precies kan bepaald worden; want dat was op de ene en andere tijd zeer ongelijk. Wij lezen bij de Romeinse schrijvers van Legioenen van vier, vijf en zelfs van zes duizend en meer mannen. Neemt nu maar de legioenen eens, op zijn minst van vier duizend mannen; dan bedragen twaalf Legioenen acht en veertig duizend koppen. En zo wil de Heiland hier dan zeggen, dat als Hij het begeerde, Zijn Hemelse Vader, Hem zo aanstonds, wel een getal van meer dan acht en veertig duizend Engelen zou kunnen bijzetten, tot Zijn bijstand en bescherming. Dit is waarlijk een zeer groot en machtig getal! meer dan acht en veertig duizend heilige Engelen! Iemand, zal mogelijk denken, dat de Heere JEZUS hier zo onbepaald weg spreekt, bij wijze van vergroting, om aan te duiden een grote en genoegzame menigte van Engelen; gelijk dusdanige vergrotende manier van spreken, onder ons ook wel gebruikelijk is. Doch het is niet nodig, dat wij hier een zo vergrotende wijze van spreken zoeken; het getal der heilige Engelen in de Hemel is nog oneindig sterker en groter; dat komt niet eens op een deel duizenden aan. De Heilige bladeren spreken van Gods Engelen in de Hemel, als van een ontelbare schare of menigte. Mozes sprak eens tot de kinderen van Israël, dat de Heere was gekomen van Sinaï, en blinkende verschenen van het gebergte Paran, en aangekomen met de tienduizenden van Heiligen. Deut. 33: 2. De Profeet Daniel maakt het getal van de heilige Engelen nog veel groter, zeggende: Kap. 7: 10, dat duizendmaal duizenden de Heere in de Hemel dienen; en dat tienduizend maal tien duizenden voor Hem staan; en wat dergelijke plaatsen, die wij hier tot bewijs zouden kunnen aanhalen meer zijn. Terecht dan spreekt de Heiland hier van zo een groot en machtig getal van Engelen, die bepalende tot twaalf Legioenen, zijnde op zijn minst acht en veertig duizend Engelen. De reden, waarom Hij hier juist noemt het precieze getal van twaalf Legioenen, en niet meer of minder kan geweest zijn, omdat Hij zag en zinspeelde op het precieze getal van Zijn discipelen, zichzelf daarbij onder gerekend; want zo waren zij te samen met hun twaalven, zodat de Heiland hiermee dan zou hebben willen aanduiden, dat Hij wel een geheel Legioen van Engelen voor een ieder van hen tot bijstand en bescherming zou kunnen krijgen van Zijn Hemelse Vader. Ook is het opmerkelijk, dat Hij hier deze spreekwijs gebruikt van zovele legioenen Engelen, want daarmee schildert Hij hier de menigte van de Engelen af, als een precies geregeld heirleger, bestaande uit vele Legioenen. En terecht, want zo worden ons de heilige Engelen, meermalen in Gods woord ofgebeeld en voorgesteld, op de wijze van legers of heerscharen. Zo zingt de dichter Psalm 103: 21, looft de Heere, gij Engelen! gij krachtige helden! looft de Heere al Zijn heirscharen! Zo verscheen aan de herders van Bethlehem, bij gelegenheid van 's Heilands geboorte een menigte van het Hemelse heirleger Luk. 2: 13. Billijk spreekt de Heere JEZUS hier dan ook van zovele Legioenen van Engelen. Van deze nu zegt Hij hier, dat Zijn Hemelse Vader Hem, als Hij er om bidden en verzoeken wilde, meer dan twaalf Legioenen zou bijzetten; want zo spreekt Hij: of meent gij enz. Hij wil dan eigenlijk dit zeggen: hoe Petrus, mijn discipel! meent gij dat ik hier, om uw zwakke hulp en bescherming verlegen ben? verslijt gij Mij voor een bloot mens en een gering schepsel? Weet gij niet, dat ik de Zoon van de levende God ben; en dat, als Ik Mijn Hemelse Vader er maar om verzoek, Hij Mij tot Mijn bescherming genoeg heilige Engelen zal zenden? Ik zeg u dat Hij er Mij, op dit eigen ogenblik op Mijn verzoek, meer dan twaalf Legioenen van zenden zou uit de Hemel, die terstond deze gehele gewapende bende zouden verslaan en vermorzelen. En daarom, Simon Petrus! en gij Mijn waarde discipelen! laat of Mij verder met uw zwaarden te beschermen; want ik ben om uw hulp en bijstand in het allerminste niet verlegen.

    En ziet! als zou dit nog niet genoeg zijn, om de discipelen, en voornamelijk de driftige Petrus te weerhouden, Hem met hun zwaarden bij te staan en te helpen; zo voegt er de Heiland nu nog verder bij: hoe zouden dan de Schriften vervuld worden die zeggen, dat het alzo geschieden moet. De Heere JEZUS beroept zich hier op de Schriften, of de voorzeggingen en Godsspraken van de Profeten, die in vroegere tijden, dit Zijn lijden al hadden aangewezen en voorzegd, hoe de Messias eens zou moeten komen in de macht en het geweld van Zijn vijanden; en van hen worden gegrepen en gevangen genomen. Gelijk Petrus alzo schrijft, 1 Petrus 1: 11, dat de Profeten tevoren voorzegd hebben het lijden, dat op CHRISTUS komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende; en hoe de profeten ook, in het bijzonder, dit gevangen nemen van de Zoon van God, hebben voorzegd, is te voren reeds van ons uw aandacht vertoond en aangewezen, uit Psalm 22: 13 en Jes. 53: 8. Op die voorzeggingen van de Schriften, dringt de Heiland hier dan nu met reden aan; en vertoont aan Petrus, en aan Zijn andere discipelen, dat die nu noodzakelijk haar waarheid en vervulling moesten krijgen; bijgevolg, dat zij zich, tegen dit Zijn gevangen nemen, dan nu geenszins met geweld moesten aankanten; maar hetzelve integendeel, onverhinderd laten geschieden; omdat het toch, tot vervulling van de Schriften, noodzakelijk zo moest gebeuren; als wilde Hij zeggen: O Simon Petrus, en gij mijn andere discipelen! wat bent gij gezamenlijk nog onkundig en onwetende! wilt gij mij hier met geweld, tegen mijn vijanden behoeden en beschermen; en hun verhinderen mij, uw Meester, gevangen te nemen? Wel, hebben de Schriften en de Profeten, dat al lang te voren niet zo aangewezen en duidelijk voorzegd? Moeten die Schriften en die voorzeggingen dan nu niet vervuld en bewaarheid worden? Is God dan een mens, dat hij liegen zou, of eens mensen kind, dat Hem iets berouwen zou? Ik zeg u dan, en ik belast u, steekt uw zwaarden op! en doet verder niet de minste tegenstand aan mijn vijanden, maar laat ze met mij begaan! opdat alzo de Schriften vervuld worden, die zulks te voren op die wijze voorzegd hebben. Johannes voegt er bij, dat de Heiland ook nog zou gezegd hebben, de drinkbeker, die de Vader mij gegeven heeft, zal Ik die niet drinken? Deze spreekmanier van de drinkbeker te drinken, hebben wij in een voorgaande stof, almede verhandeld en uw aandacht vertoond, dat daar niet anders door verstaan wordt, dan het ondergaan van 's Heilands bitter en bloedig Borglijden, tot verlossing van de uitverkoren zondaar; en dus wil de Heere JEZUS hier dan nu, met deze woorden, al wederom niet anders te kennen geven, dan dat Petrus en Zijn andere discipelen, Hem hier in het allerminste niet moesten beschermen, of Zijn vijanden trachten te beletten, Hem gevangen te nemen en met zich te voeren; omdat het ten enenmale noodzakelijk was, dat het gebeurde, als moetende Hij nu, langs die weg en door dat middel, Zijn voorgesteld en op zich genomen Borglijden voor de uitverkoren zondaar ondergaan. Terecht dan vraagt de Heere JEZUS hier, de drinkbeker, die de Vader mij gegeven heeft, zal ik die niet drinken?

    Wat dunks u, Aandachtigen! moest Petrus al deze nadrukkelijke redenen van de Heiland horende, hier nu niet in grote mate beschaamd en verlegen worden? Aan de ene kant, over zijn onbezonnen en voorbarige drift: aan de andere kant, over zijn grote onwetendheid, die hij hier in allen dele aan de dag bracht? Buiten twijfel zal hij zijn zwaard wel gauw weer in de schede gestoken, en geen lust meer gehad hebben, om er iets verder mee tegen deze gewapende menigte te voeren. Ondertussen, was deed de Heere JEZUS nu verder? Lukas alleen verhaalt ons, dat Hij het afgeslagen en gekwetste oor van de dienstknecht des Hogepriesters aanraakte, en hem zo weer heelde. De Heiland, die tot nog toe, zich in grote mate vermaard en beroemd gemaakt had onder de Joden, door menigvuldige wonderwerken en tekenen van Zijn Goddelijke almacht, waardoor Hij alom, waar Hij kwam, alle ongeneeslijke ziekten, kwalen en ongemakken, in een ogenblik en met een woord te spreken genas, en de arme lijders ervan verloste, gaf daar hier, bij deze gelegenheid, ook wederom een zeer doorluchte proef van; want na Petrus en de andere discipelen eerst met ernst bestraft en vermaand te hebben, en belast geen verder geweld te plegen, trad Hij terstond naar de gekwetste dienstknecht van de Hogepriester, en raakte zijn oor, dat Petrus hem met zijn zwaard, of geheel, of dat waarschijnlijker is, voor het merendeel had afgeslagen, met Zijn hand aan, hetzelve wederom op zijn rechte plaats aan het hoofd voegende, en daarmee, zonder er iets anders aan te doen, genas Hij hem volkomen, zodat het oor wederom zo was, als of het in het allerminste niet was gewond, of gekwetst geweest. Waarlijk! een doorluchtig wonderwerk en een luisterrijk teken, waaruit hier zelfs 's Heilands vijanden klaar konden zien, dat Hij meer was dan een bloot mens; omdat dit wonderwerk, van zulk een schielijke en ongehoorde genezing, ver boven het bereik was van het menselijk vermogen. Vraagt nu iemand, welke reden de Heere JEZUS had, van dus deze dienstknecht des Hogepriesters zo terstond wederom te genezen? Dat kan Hij gedaan hebben, uit deze twee redenen: om daarmee deze gewapende troep, te stillen en tevreden te stellen; want het is wel te denken, dat zij door deze daad van Petrus gaande gemaakt, en ziende een van hen zodanig door hem gekwetst, niet lang zouden gewacht hebben, met zich daarover aan hem en aan de andere discipelen te wreken, en hun alzo deze slag betaald te zetten, hetgeen dan buiten twijfel, er slecht met Petrus en de andere discipelen zou hebben afgelopen; doch dit kon de Heiland hier beletten en voorkomen, met de gewonde dienstknecht, zo op staande voet, gans wonderbaarlijk, wederom te genezen; en hem en de anderen, daardoor wederom te stillen en tevreden te stellen. In de tweede plaats kan de Heiland daarmee ook dit oogmerk gehad, hebben, om daardoor voor te komen een beschuldiging, die de joden, welke toch Zijn allerbitterste vijanden waren, hierin tegen Hem hadden kunnen inbrengen, even als ware Hij een hoofd en leidsman van een deel oproerige en moordzieke lieden, die met geweld hadden aangevallen op de dienstknechten van de Romeinse Stadhouder en de uitgezonden bedienden van de Joodse Overheden, zoekende hen te vermoorden en om hals te brengen, en dat Hij dienvolgens daarover, ten hoogste strafbaar was. Ziet! het een ander zal mogelijk de Heere JEZUS tot een beweegmiddel gestrekt hebben, om deze gekwetste man, op staande voet, dus wonderbaarlijk wederom te genezen.

    Ziet daar, mijn Vrienden! dus hebben wij u dan, dit merkwaardige, nu wederom verhandeld en opengelegd, dat hier, bij het gevangen nemen van de Heere JEZUS voorviel en gebeurde. Nu valt er nog maar alleen in de naaste reis te vertonen, de nadrukkelijke en merkwaardige aanspraak, die Hij hier aan deze gewapende menigte deed; en daarmee zullen wij Hem, als een gevangen man zien heen voeren, door deze hoop of bende naar Jeruzalem, om daar te worden terecht gesteld en veroordeeld. Wat blinkt nu uit alles, wat wij heden beschouwd hebben, niet wederom aan alle kanten zonderling uit. (1) Zijn gehoorzaamheid en gewilligheid, om Zijn Borglijden te ondergaan. Immers, niet alleen, dat Hij hier geen de minste hulp of bij stand begeerde van Zijn discipelen; maar zelfs niet van Zijn Hemelse Vader; daar Hij toch, als Hij het maar begeerd had, meer dan twaalf Legioenen Engelen, tot Zijn bescherming van Hem kon gekregen hebben. Ja, in al de merkwaardigheden, die Hem hier bejegenden, berust Hij hier volkomen in de Heilige Schriften, en hetgeen daar in van Hem voorzegd was; willende, dat dit alles nu aan Hem zou vervuld worden. Groter en luisterrijker blijken immers kon Hij niet tonen van Zijn bereidwillige gehoorzaamheid aan Zijn Hemelse Vader, om zonder de allerminste tegenkanting al datgene te ondergaan, dat Zijn Goddelijke hand en raad, te voren over Hem bepaald hadden. (2) Beschouwt hier ook wederom, van rondom, het gedrag van de Heere JEZUS; dat was immers al weer, aan alle kanten, even betamelijk, heilig en onberispelijk? Hij zorgt voor Petrus en de andere discipelen, door een allerernstigste en nadrukkelijkste vermaning en bestraffing, teneinde zij hun zielen toch niet zouden bezondigen, met het vergieten van mensenbloed; en zo de Goddelijke wet, onbezonnen schenden en overtreden. Hij geneest hier de gekwetsten dienstknecht van de Hogepriester van zijn verkregen wond, ofschoon hij mede onder Zijn vijanden was, die hier tegen Hem gezonden werden; tonende daarmee aan geheel de wereld, dat Hij de Wet der liefde volkomenlijk vervulde, die ons belast, zelfs onze vijanden goed te doen en lief te hebben, als blijkt uit Mattheüs 5: 44. Zo dat immers Zijn gehouden gedrag, hier in allen dele, wederom voorbeeldig en betamelijk was. (3) Wat nu aanbelangt de zwaarte van 's Heilands lijden, die kan ook enigermate, in het bijzonder hier uit blijken, dat Hij hier zo veel te stellen had met Petrus en Zijn andere discipelen. Immers, die onbezonnen driftigheid, die grote onverstandigheid en onkunde, die er bij hen, en voornamelijk bij Petrus was, konden de Heere JEZUS, niet anders dan zeer smartelijk voorkomen; dat moest Hem zeer onaangenaam en verdrietig vallen, dat, terwijl Hij hier genoeg te stellen had met Zijn vijanden, Hij nochtans, aan de andere kant, gedurig vermoeid en geplaagd, werd, door een deel onverstandige en onkundige discipelen, die telkens van Hem moesten vermaand en bestraft worden. Nu zijn er nog twee vereisten van 's Heilands lijden, te weten: Zijn onschuld, en de precieze overeenstemming van het gebeurde met de Godspraken en voorzeggingen van de Profeten; doch die zijn hier wederom dezelfde, als in de twee voorgaande stoffen, omdat deze verhandelde stof, maar slechts een aanhangsel, en een meegaande omstandigheid is van het vorige; zodat wij het een en ander dan hier nu niet wederom behoren bij te brengen.

    Aangaande nu onszelf, daar leggen in het verhandelde wederom enige dingen tot onze nodige vermaning en bestraffing. Gave maar de Allerhoogste, dat zij ons in waarheid daartoe mochten dienen. (1) Beschouwen wij hier de onbezonnen drift van Petrus en zijn onkundigen ijver in het verdedigen en beschermen van de Heere JEZUS. Wij leren daaruit, hoe alle ijver tot het goede, juist niet altijd zelf goed en prijselijk is. Daar kan wel een ijver wezen, uit een goed en heilig oogmerk, die nochtans kwaad is, omdat zij met onverstand gepaard gaat. En daarom, een kind van God moet, in alle voorkomende gelegenheden van deze wereld, wel met alle krachten voor de Heere en de eer van Zijn Naam ijveren, tegen de onbekeerden en goddelozen; maar hij moet daar altijd maar voor zorgen, dat het met verstand en een heilige voorzichtigheid gebeurt; dat hij nimmer vervoerd worde door zijn driften of menselijke hartstochten; want als dat geschiedt, dan bezondigt zich een kind van God, zelfs in zijn ijver voor de Heere. Om dat nu voor te komen, weten wij een gelovige ziel, geen beter raad, te geven, dan dat hij de Heere altijd vurig bidt en smeekt, dat toch de geest der verstandigheid en bedachtzaamheid, gedurig over hem, in deze boze en zondige wereld de wacht mag houden; en dat hij ook, door een gedurige onderzoeking en nasporing van de heilige Schriften, meerdere wijsheid en kennis van de raad des Heeren, voor zijn ziel zoekt te verkrijgen. (2) Betrafte de Heere JEZUS hier Petrus met zulke ernst en nadruk, omdat hij zo onbezonnen Hem, met het zwaard, in de hand, wilde verdedigen; dat moet een gelovig kind van God al weer leren, hoe het koninkrijk van de Heere JEZUS, niet is van deze wereld, en daarom ook met geen aardse of lichamelijke wapenen moet worden voortgezet en beschermd. Het gaat hier toch geheel, gelijk er staat Zach. 4: 6, niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest zal het geschieden, spreekt de Heere. Hier zijn geheel andere wapenen tot bescherming nodig, dan in de oorlogen en strijden van deze wereld. Een kind van God heeft hier ook nog wel gedurig een zware strijd te strijden; maar het is met geestelijke wapenen. De discipelen hadden twee zwaarden bij zich; maar JEZUS geestelijke discipelen hebben hier inzonderheid ook twee zwaarden nodig; het een is dat scherpe tweesnijdend zwaard, van des Heeren woord; het andere is het zwaard van de Heilige Geest. Zonder die twee zwaarden, is een kind van God niet machtig zijn geestelijke, en ook zelfs zijn lichamelijke vijanden te kunnen afkeren; en daarom, was is er voor hem dan nodiger, dan dat hij met al zijn vermogens arbeidt, om die twee zwaarden of wapenen toch te verkrijgen. Het zwaard van des Heeren scherpsnijdend woord verkrijgt hij, door een gedurige en onophoudelijke nasporing en onderzoeking van hetzelve; daardoor leert hij dat zwaard wel behandelen en besturen, tot zijn voordeel en bescherming; evenals men de lichamelijke wapenen, recht leert behandelen en gebruiken, door derzelver gedurige oefening. Het zwaard van de H. Geest verkrijgt hij, aan de ene kant, door gedurige en vurige smekingen tot God, om die Geest; aan de andere kant, door zich geheel aan de leiding van die Geest over te geven, en deszelfs invloed en werkingen in zijn ziel, door alle wegen en middelen, meer en meer voort te zetten en te bevorderen. Beval de Heere JEZUS Zijn discipelen, zich van hun klederen te ontdoen om er zwaarden voor te kopen; wij vermanen Gods kinderen ook, dat zij, om deze twee geestelijke zwaarden te bekomen, zich ook hoe langer hoe meer, ontdoen en ontlasten van hun klederen en aardse goederen, door gedurig hun harten daarvan of te trekken, en zichzelf zo meer en meer los te maken van deze ijdele en ondermaanse wereld; en dat, naarmate zij deze twee geestelijke zwaarden verkrijgen, zij met dezelve ook onophoudelijk strijd voeren, tegen al hun geestelijke vijanden; dat zij zich dus alleszins betonen, als dappere helden, die nimmer aflaten te strijden, de goede strijd des geloofs, opdat eenmaal hun hoofden eens, met de heerlijke kroon, van een eeuwige overwinning zullen gekroond worden. (3) Nog een les ligt er in de verhandelde stof, die wij alle ware vromen ook nog met een woord moeten voor ogen houden. Die les wordt gehaald en afgeleid uit de wonderbare genezing, die de Heere JEZUS hier deed aan het afgeslagen en gekwetste oor van de dienstknecht van de Hogepriester; want daarmee leert Hij ons, dat wij ook onze allerbitterste vijanden moeten goed doen en liefhebben met voor hun welvaart en behoudenis naar ziel en lichaam altijd te zorgen. Een ieder, van onze, die vroom voor de Heere wil leven, volge dan hierin ook steeds de voetstappen van zijn Heer en Meester, altijd met zachtmoedigheid weldoende aan degenen die ons haten; voor onze vijanden biddende, en hun zo steeds gelijk als vurige kolen op het hoofd werpende. Door het een en ander altijd in het geloof te betrachten, zal een kind van God, niet alleen meer onbesmet van de zonde voor de Heere wandelen; maar ook eens komen tot het einde van zijn geloof, namelijk de zaligheid van zijn ziel. Amen.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen."Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)

    DRIE EN VEERTIGSTE VERSCHIJNING

    1 januari 1976 om 17.40 uur, de achtste dag

    Eerst verschijnt het Licht en dan Jezus die de plaats van zijn Hart ontbloot. Er stromen rode en witte stralen uit. De rode, groter in aantal, zijn als bloed wat uit een bron ontspringt, de Bron van Leven. Zij zijn levend, stijgen enigszins omhoog en spreiden naar onder uit ongeveer zoals het water uit een tuinsproeier. Zij vernieuwen zich onafgebroken. Hij zegt tegen haar :

    Madeleine herhaalt hardop zoals de vorige dagen.

    "De achtste dag"

    Ik zal de zielen in het vagevuur verlichting schenken; mijn Bloed zal hun brandwonden blussen.

    "Onze Vader... Wees gegroet Maria..." (driemaal).

    "Door uw smartvol Lijden, Heer, ontferm U over ons en over de hele wereld. Eer aan God in den hoge.

    Jezus richt zijn blik op de verte :

    Vrede op aarde en Vreugde aan de mensen, die Hij liefheeft.

    En terwijl Hij zijn linkerhand terugtrekt die op zijn Hart was geplaatst, verdwijnen de stralen :

    Maakt het Kruisteken."

    Jezus glimlacht en verdwijnt.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Moeder Maria, Onze Lerares.

    Bidden in de Vreugde.

    Vreugden van Maria.

    Hoewel de smart in de mysteriën van Jezus’ kindsheid een grote plaats innam, waren deze toch ook gekenmerkt door levendige vreugden. Wie zou Maria’s ontroering kunnen schetsen, toen zij, in Bethlehems grot, voor de eerste maal haar Jezus zag! Sinds zij Hem droeg in haar schoot, had zij Hem in stilte aanbeden. Nu mocht zij Hem zien. Haar kind en haar God! Die eerste blik van Maria op haar Zoon, hoe leefde die van liefde en aanbidding! Geheel haar wezen stortte zich uit in die zo nederige, liefdevolle en van licht stralende blik, want Maria wist, dat zij in haar Zoon het menselijk gelaat van God zag. In welk een toestand zag zij Hem! Hulpeloos, als elk ander kind. In armoede, méér dan andere pasgeborenen. Maar zij zegende die hulpeloosheid en die armoede, die haar noodzaakten, voortdurend in zijn leven in te grijpen, en op alle wijzen haar liefde te betuigen, zoals moeders ten opzichte van haar kleinen. Wat een geluk voor haar, geheel op te mogen gaan in haar moeder plichten! Zij nam Hem in haar armen, wikkelde Hem in doeken, glimlachte tegen Hem en liefkoosde Hem met aanbiddingsvolle eerbied. Welk een vreugde voor de Maagd in deze ootmoedige, tedere en vurige liefde, waarvan zij overvloeide. Hij was haar God: zij aanbad Hem; hij was haar Zoon: zij beminde Hem.

    Goddelijk mild beantwoordde Jezus er aan. Tussen Moeder en Zoon was wisselwerking van tederheid, van liefde en van leven, een aanhoudende wederzijdse gave. En alles wat Jezus zijn Moeder zo gaarne gaf, wist zij te ontvangen en er aan te beantwoorden. Zij was louter een vat, om Jezus in zich te besluiten en boordevol vervuld van Jezus. Zij was gehéél moeder, tot Hém slechts stond zij in betrekking, zij was gemaakt, om van Hém te zijn en aan Hém te behagen. "Het hart van de een leeft en openbaart zich slechts door de ander. Hoe behoren die twee harten, zo verwant en zo hemels, en samen dat hoge leven levend, niet innig aan elkander en wat bewerken zij niet in elkander...... Dat is een mysterie van het hart," voegt Bérulle er aan toe, "en de tong kan deze zoetheid en tederheid niet uitspreken." Dit innig verkeer was voor Maria een onmetelijke vreugdebron. Maria was zielsverheugd voor Jezus te zijn wat zij was, geheel en al aan Hem toe te behoren, overstelpt te zijn met genaden, waardoor Jezus haar aan zijn Vader kon opdragen als een bewonderenswaardige gave, de gave waarvoor Hij zijn Bloed ging storten. Het was haar een heilige vreugde, zo nauw met Hem verbonden te zijn in zijn werk en God te moeten verheerlijken in een gemeenschappelijk leven en een gemeenschappelijk offer.

    Zó was het heel de duur van haar taak ten opzichte van Jezus. De mensheid van haar Zoon bleef zij steeds met liefde en zorg omgeven, en zij hield niet op, Hem aan zijn Vader op te dragen. Na zijn geboorte te Bethlehem was dit haar eerste daad, en dikwijls vernieuwde zij die, in het bijzonder op droeve wijze in de Tempel. Te Nazareth leefden zij te zamen, baden te zamen, werkten aan elkanders zijde. Bracht het apostolisch leven soms een scheiding teweeg, dan was het toch slechts een uiterlijke scheiding; door het hart bleef Maria met haar Zoon verenigd, volgde zij Hem in zijn zending, aanbad zij de openbaringen van zijn Godheid. Elke daad van haar Zoon was een liefde bron voor het moederhart.

    Was zij bovendien niet zijn medewerkster in het verlossingswerk? Van zijn mysteriën was zij de deelgenote. Haar moederschap maakte alles gemeenschappelijk tussen Hem en haar.

    Wordt vervolgd.

     

     


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.

    DE WIJDING, DE ZEGENING EN HET BINNENLEIDEN IN HET KLOOSTER.

    KAP. 11.

    Als de vingerring gewijd is, zal de bisschop naar Gods dienstmaagd gaan en zeggen: "Gij moet God beloven en mij, in Zijn plaats, dat gij uwe oversten gehoorzamen zult en dezen regel houden zult volgens geheel uw vermogen tot aan het einde uws levens." Als zij belooft dat zij dit doen zal, zegge de bisschop: "In deze intentie zult gij God uw trouw geven en beloven, dat gij niets zo zult liefhebben als uw God en met heel Uw verlangen u aan Hem verbinden zult." Dan antwoorde zij: "Ik geef God mijn trouw met heel mijn hart en heel mijn gemoed, terwijl ik mij met allen eenvoud des harten aan Hem offer."

    En dan antwoordt de bisschop haar weer: "En ik, in naam van den almachtigen God en Zijn eenigen Zoon, onzen Heer Jezus Christus, geef u mijn verbintenis." En hij leze het volgend gebed: "Almachtige God moge Jezus Christus, waar God en waar mensch, die zich verwaardigde neder te dalen in den schoot der maagd, in u leven en dat leven, die innige vereniging in u bevestigd worden en gij in Hem, in den naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest." Daarop zal hij haar den vingerring aan den vinger der rechterhand schuiven, zeggende: "Ik wijd u als Gods bruid en tot Zijn eeuwig eigendom, in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen geestes."

    Daarop zal de bisschop weer naar het altaar gaan en de Mis ter eere der H. Drievuldigheid zingen. En Gods dienstmaagd zal, terwijl de Mis gezongen wordt, beneden bij het koor staan. En als de offerande begint zal zij naar het altaar gaan en offeren, en daarop aanstonds naar haar plaats terugkeeren.

    Als de offerande gezongen is, zullen haar klederen, die volgens den regel door het convent gereed gehouden worden, naar het altaar gebracht worden naar den bisschop, die ze zegenen zal, onder het volgend gebed:

    "Heere Jezus Christus, die niet wil den dood der zondaars, maar hunne bekering, hunne opstandig uit de zonden, wij bidden dat Gij U in Uw goedheid verwaardigt deze kleederen te zegenen, welke Uwe dienstmaagd denkt te dragen als een teken van ootmoed en van bekering uit den staat der zonden, opdat zij, als zij de ijdelheid dezer wereld heeft opgegeven, zich waardig in U moge kleden door waren ootmoed, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes."

    Als de klederen gewijd zijn, zal een der geestelijken Gods dienstmaagd naar het altaar roepen voor den bisschop; barrevoets zal zij er heen gaan en haar bovenkleren afleggen voor het altaar en alleen met een rok aan de gewijde kleding ontvangen.

    Dan zal de bisschop haar kleeden met het kleed der orde zeggende: "De almachtige God geve dat gij in waarheid uw zonden betere, en dat er volmaakt berouw in uw hart zij, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes." Daarna doet zij de schoenen aan haar voeten en zegge de bisschop: "Onze Heere Jezus Christus geve uwe voeten een goeden gang en late u zo voortgaan op den weg der zaligheid, dat gij nooit meer zondigt.

    Moge Hij u ware boetvaardigheid geven voor bedreven zonden en u er in ’t vervolg voor bewaren, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes." Als haar de kap wordt opgelegd, zegge de bisschop: "De Heere Jezus Christus, de hoop en troost aller christenen, geve u hoop en troost in uw gemoed, opdat gij zoo moogt hopen op Zijn barmhartigheid, opdat gij Zijn rechtvaardigheid niet moogt vergeten, en opdat gij Zijn strengheid zoo moogt vrezen, dat gij Zijn mildheid en goedheid niet vergeet in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes."

    Daarna moet zij den mantel omslaan en zegge de bisschop: "God, de almachtige Heer, de oorsprong van het waar geloof, sterke en bevestige uw ziel in waar geloof en geve u het geloof in die dingen welke geloofd moeten worden. Sta vast in het goede, dat gij begonnen zijt, tot aan het einde uws levens, in naan des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes." Daarop moet de mantel met een houten knoop vastgemaakt worden, terwijl de bisschop zegt: "Onze Heere Jezus Christus, die voor de groote liefde, waarmede Hij ons liefhad, aan het kruis genageld werd en tot den bittersten dood veroordeeld, doorsteke uw ziel en drukke er de herinnering in aan Zijn lijden, opdat uw liefde gloeie voor God alleen; en het vuur Zijner liefde omsluite u en late u rusten op Zijn gezegenden arm, waarop al de Heiligen steunden, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes."

    Daarop zal zij haar hoofd in dem sluier hullen en terwijl de bisschop er de speld in steekt, zegge hij: "Onze Heere Jezus Christus zij uw ziel tot bescherming en troost, opdat niets schadelijks haar benadelen zal, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes." Als de sluier over haar heen gelegd is, zegge de bisschop: "Onze Heere Jezus Christus geve uw verstand geestelijk licht en geestelijke wijsheid, opdat alle aardsche dingen en alles wat schadelijk is voor uw ziel, dood moge zijn in uwe ogen, en de weg, die naar het hemelrijk leidt, aan uw ziel getoond worde, opdat gij uw geloof in Hem bekennen moge, die u heeft uitverkoren, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes."

    Als dit geëindigd is, zal Gods dienstmaagd teruggaan naar de plaats waar zij eerst gestaan heeft en voleindige de bisschop de Mis. En als hij aan dat deel van de Mis komt, waar de Priester gedurende een huwelijksmis zich pleegt om te wenden om bruidegom en bruid te zegenen, wende ook de bisschop zich om en een priester roepe Gods dienstmaagd naar het altaar, en terwijl de bisschop haar de kroon op den sluier zet, zegge hij: "Onze Heere Jezus Christus bevestige in u Zijn teeken, dat ik u nu op het hoofd plaats; en moge uw wil in alles door Hem bestuurd worden, door Hem aan Wien gij nu trouw en standvastigheid beloofd hebt.

    Hij laat u nu volgens Zijn zoeten wil kronen met de kroon der vreugde, opdat uw ziel onverbreekbaar verbonden zij met Hem, die één God is in drie personen, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes." Daaarop zette de bisschop de speld in de kroon, zeggende: "Jezus Christus moge uw ziel en uw hart vereenigen met Zijn liefde, opdat zij niet door steken der verleiding beangstigd worden, in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes."

    Als dit geëindigd is, moet Gods dienstmaagd naar haar vroegere plaats terug gaan, tot de Mis geëindigd is. En als de Mis geëindigd is, roepe een priester haar naar het altaar, zeggende: "Bruid van Christus, nader tot het altaar van Christus." Dan nadere zij het altaar en valle op haar aangezicht om vergiffenis te smeeken voor hare zonden. En de bisschop valt op de knieën met zijn priesters en leze de litanie, alle Heiligen biddend om Gods dienstmaagd bij te staan. Als de litanie geëindigd is, zal de bisschop opstaan en naar Gods dienstmaagd toegaan, daar waar zij op den grond ligt, en de absolutie der zonden over haar uitspreken en als zij de absolutie verkregen heeft, zal zij opstaan en Mijn lichaam nuttigen.

    Als zij het genuttigd heeft, wordt de deur geopend, waardoor Gods dienstmaagd zal binnengaan. En vier zusters zullen snel de baar in het klooster dragen, met aarde bedekt. Deze baar moet voor de deur gezet worden, vóor de Mis begint. Daarop zal de bisschop naar die deur gaan, gevolgd door Gods dienstmaagd met twee fakkels, terwijl de priesters den lofzang zingen Veni creator Spiritus. En de bisschop zal haar overleveren aan de abdis, die aan de deur van het klooster wacht. En de bisschop zegge aan de abdis de volgende woorden: "Zie, voor God en alle Heiligen en voor het aanschijn der Heilige Kerk lever ik de ziel van deze bruid Gods over aan de hoede uwer handen.

    En indien zij door uw verzuim in zonde vervalt, zal haar bruidegom Jezus Christus haar van u terugeischen. Bewaar en behoed daarom Gods eigendom, aan uwe hoede toevertrouwd, opdat als rekenschap wordt afgelegd, zij, die gij heilig ontvingt, heiliger teruggegeven worde." Waarop de abdis zal antwoorden: "O, dierbaarste vader, dit bezit is kostbaar en de taak is zwaar. Mijn krachten zijn daarvoor niet toereikend. Doch, als ik word bijgestaan door uwe gebeden, zal ik, met den troost van Gods hulp, doen wat gij gebiedt."

    En als Gods dienstmaagd binnen is geleid, wordt aanstonds de deur gesloten en wordt zij dadelijk naar het kapittel gebracht. Gedurende de acht eerste dagen van haar verblijf in het klooster wordt haar dan niets bevolen, zij handelt naar eigen goedkeuren en moet wat lager in het koor staan. Maar als de acht dagen verloopen zijn, moet zij de regels volgen zoals de anderen en neemt zij de laatste plaats in, in het koor en aan tafel.


    06-06-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Kruisweg van Onze Heer Jezus Christus.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Vanwege,
    Brigitte Vandepoele.

    Bijlagen:
    De Kruisweg pps.ppsx (1.1 MB)   


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE MAANDAG.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Er leven zoveel kinderen ...
     
    Er leven zoveel kinderen ...



    Foto

    Getuigenissen van de jongeren van Cenacolo
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7

  • Foto

    Foto

    Foto

    Godelieve heeft voor mij
    deze prachtige pps gemaakt
    waarvoor mijn dank





    Foto

    Schrijft u wat in mijn gastenboek
    klik dan op het boek boven




    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Klik op het plaatje en krijg een prachtige rondleiding door het Vaticaan
    Ieder nummertje is weer iets moois
    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Foto

    Een interessant adres?


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!