Zoals iedere donderdag zijn wij vorige week 12 mei om 20 uur naar Ougree gegaan om deel te nemen aan een gebedsgroep die ontstaan is rond een zienster die Béatrice heet. Béatrice ontvangt regelmatig boodschappen van de Heer. We zijn eraan gewoon geraakt dat bij iedere samenkomst van de gebedsgroep één van de personen van de Heilige Drieëenheid of de Heilige Maagd Maria of een heilige of een engel inspraken geeft aan Béatrice die ons dit alles dan meedeelt.
Ditmaal was er echter meer en ik GETUIG dat wij (een vijftigtal personen) diverse lichtverschijnselen gezien hebben. Het gaat hierbij om de lichten, links naast het kruis (dat overigens zelf permanent door een spot verlicht is).
we zien eerst een witgeel licht, cirkelvormig, ongeveer 1 meter diameter), waarmee God wil aantonen dat Hij altijd bij ons aanwezig is als wij Hem roepen. (Béatrice maakt ons ook attent op een extra lichtverschijnsel rond het Kruis, dat overigens permanent door een spot verlicht is).
Zachtjes komt rechts van de witte cirkel een tweede licht vanuit het niets te voorschijn! Het is Onze Moeder Maria. Dit licht is niet cirkelvormig, maar heeft meer de vorm van een gestalte (ellipsvormig).
De lichtintensiteit (en -kleur) varieerde, dan weer sterker, dan weer zwakker. Dit om te tonen dat Zij dichterbij komen, naarmate wij dichter bij Hen zijn De Lichten verplaatsen zich ook een beetje, dit om te tonen dat Zij echt en levend bij ons zijn.
Ik moet erop wijzen dat het kruisbeeld al op voorhand verlicht was door een spot al is het wel zo dat je op twee verschillende foto's toch een andere lichtkleur kan onderscheiden.
De Heer heeft ons bij monde van Béatrice aangespoord om te getuigen van hetgeen we gezien hebben opdat jullie zouden geloven.
Herman Wijns, 'de kleine pastoor', overleed op 26 mei 1941, 10 jaar oud. Zijn wonderbaarlijke uitspraken als kleine jongen en de vreemde uitstraling van zijn graf op de oude begraafplaats in de Van Heybeeckstraat hebben er een pelgrimsoord van gemaakt.
Velen geloven dat Hermanneke geneest en rond zijn graf staan honderden dankbetuigingen van mensen die door hem van hun kwalen zouden zijn verlost.
Hij is zelfs al meerdere keren 'gezien' door moderne profeten en heeft tegen zeker een dame 'gesproken'.
Nog dagelijks wordt zijn graf door tientallen mensen bezocht en nog elke eerste vrijdag van de maand vindt er een massaal bezochte plechtigheid plaats.
Wanneer Herman Wijns op 26 mei 1941 niet was overleden aan de gevolgen van een hersenvliesontsteking na een verwonding aan zijn knie was hij vorige week (15 maart) wellicht 75 jaar geworden.
Maar er zijn dit jaar meer jubilea als het om Ons Hermanneke gaat.
Zaterdag 27 mei vindt er in de St. Bartholomeuskerk de 21e Herman Wijns-dag plaats en wordt de 65e sterfdag van Herman gevierd.
Misdienaar worden Wat voor kinderen van onze tijd een beroemde voetballer, zanger of actrice is, was voor Herman Wijns O.L. Vrouw, Jezus Christus en de H. Kerk.
Spelen kinderen anno 2006 met een playstation of voetbal in het park; Herman speelde het liefst de H. Mis zijn onkel Mon.
Herman stond in zijn korte leven open voor al hetgeen het Katholicisme verkondigde en zijn drang naar het altaar was uiterst opmerkelijk.
Wanneer een vriendje Willy hem kort voor zijn negende verjaardag vraagt welk cadeau hij wenst, antwoordt Herman dat hij misdienaar wil worden.
Hij vraagt het aan zijn vader, maar die vindt hem nog te jong voor zo'n ernstige zaak.
Herman vraagt zijn tante Marie eens met zijn vader te praten en die weet vader Wijns over te halen.
Nadat hij zich door zijn zoontje heeft laten overtuigen van diens motivatie stemt hij ermee in, en enkele weken na zijn negende verjaardag neemt vader Wijns zijn enig kind mee naar de pastoor om diens toestemming te vragen.
Die heeft zijn twijfels, maar is snel overtuigd, zo blijkt uit volgende anekdote.
Jacobus Michielsens uit Stabroek (1876-1946) was pastoor van St. Bartholomeus toen Herman er misdienaar was
Meneer pastoor - Jacob Michielsens - meende namelijk dat Herman te klein zou zijn om de staander met het misboek te tillen.
Maar nee, Mijnheer pastoor. Tijdens de week is het een houten staander die ik kan optillen. Op zondag is het de bronzen, maar dan tilt u de staander zelf, antwoordde de jongen.
Meneer pastoor kan zijn lachen bijna niet onderdrukken en zegt dat in dat geval Herman de volgende dag reeds de mis mag dienen.
Hermans is buiten zinnen van vreugde, nodigt al zijn familie en vrienden uit en noteert die dag - 6 april 1940 - in zijn zakagenda: 'Vandaag ben ik misdienaar geworden'.
Voorbeeldig Voordat vader Wijns zijn zoon meenam naar pastoor Michielsens had hij Herman laten beloven zijn taken als misdienaar zeer serieus te nemen en nooit te verzaken, maar of dat noodzakelijk was...
Een misdienaar als Herman hebben ze in St. Bartholomeus nog nooit gehad en hij is dan ook een grote hulp voor de pastoors.
Foutloos vindt hij de juiste bladzijden in het kerkboek en legt hij de mis klaar.
De priester en zijn onderpastoor Pijpers zijn onder de indruk van de diepe ernst van de negen-jarige jongen en het is een cadeau van de Onderpriester - het boek 'Er zullen heilige kinderen zijn' - dat Hermans beleving van het geloof nog intenser maakt.
Ik ben oud geworden in het priesterschap maar nooit heb ik een misdienaar als Herman meegemaakt. Wanneer ik me omdraaide bij het 'Orate Fratres' zag ik hem in een aureool van licht, zei een missionaris, Pater Janssens ooit tegen zijn ouders.
De ouders namen het verhaal met een korreltje zout, maar na Hermans dood hoorden ze veel zulke verhalen over hun zoon.
God luistert niet Na zijn aanstelling als misdienaar offert Herman zijn hele bestaan op voor zijn geloof.
Strikt volgt hij de regels van de kerk en houdt zich zelfs aan voorschriften die al lang zijn afgeschaft.
Het is ook in deze fase van de tien jaar die hem gegeven werden dat hij indruk maakte op de mensen om hem heen met verbluffend volwassen uitspraken.
Dit kruis vond Herman op weg van school naar huis in een vuilnisbak. Herman is ontdaan door het gebrek aan respect. 'Heiligschennis noemde hij het. Aan zijn vader vertelde hij dat hij drie keer terug was gegaan naar de vuilbak, maar dat hij zich schaamde om het eruit te halen. Toen hoorde ik een stem 'Wel Herman, schaamt jij je nu voor mij?'. Vlug heb ik het eruit gehaald en mee naar huis genomen. Het hing tot zijn dood boven het altaartje in zijn slaapkamer.
Zijn vader en moeder hebben het moeilijk vanwege het verliezen van hun beenhouwerij.
Moeder heeft werk gevonden, maar vader slaagt er maar niet in.
De problemen stapelen zich op voor het gezin, maar vader heeft vertrouwen in God en bidt.
De ene noveen na de andere bidt vader Wijns, maanden aan een stuk.
Op een dag zegt hij vertwijfeld tegen Herman: Maanden lang bidden we de ene noveen na de andere. Het levert niets op. Je ziet toch ook wel dat God niet naar ons luistert?
Herman pakte het gezicht van zijn vader in zijn handen, en zou gezegd hebben: Vake, de waarde van het gebed ligt in het volhouden. Anders heeft bidden geen zin.
De vader geloofd zijn zoon en blijft bidden.
Enige tijd later krijgt hij inderdaad en goede betrekking bij de Openbare Diensten en de financiële problemen voor het gezin zijn voorbij.
Die waren groot geweest.
Zo groot zelfs dat het schoolgeld van de Broeders niet meer betaald kon worden en Herman naar de Gemeenteschool moest.
Voor Herman was dat moeilijk te accepteren geweest en het eerste dat hij dan ook zei toen vader een job vond was: Vake, nu moet ik niet meer naar de Gemeenteschool, niet waar?.
Toen vader dat bevestigde was de kleine zo blij dat hij het Heilig Hartbeeld in zijn armen nam en er zingend mee ronddanste.
Oorlog Mei 1940, de Tweede Wereldoorlog is losgebarsten.
Wanneer het op een avond tijd is om naar 't Lof te gaan, terwijl er hevig wordt geschoten op overvliegende vliegtuigen raadt vader Wijns zijn zoon af om de straat op te gaan.
Maar Herman wil er niet van weten en haalt zijn vader over met hem mee te gaan.
Na een gevaarlijke tocht komen ze aan in de kerk.
Er is niemand en wanneer meneer pastoor arriveert zegt hij dat er geen Lof zal zijn.
Herman, die al was begonnen de mis klaar te leggen, is zeer teleurgesteld dat er niemand het gevaar heeft durven trotseren voor de Heer...
De komende maanden klonk vaak het luchtalarm, maar Herman had er geen schrik van.
Boven zijn bed hing een kruisbeeld en dus wist Herman dat hij zich geen zorgen hoefde te maken.
Het Heilig Hartbeeld waar Herman mee ronddanste toen hij van zijn vader te horen kreeg dat hij weer naar de Broeders in het St-Eduardusinstituut mocht. Tijdens zijn dansje liet Herman het beeld vallen, waardoor de handen van Christus ervan afbraken.
Vreemdgenoeg geloofden zijn ouders hem, waardoor ook zij niet meer naar de schuilkelders gingen wanneer er luchtalarm was.
Ook anderen wist Herman in die eerste oorlogsmaanden te overtuigen van de bescherming van zijn God, zozeer zelfs dat een buurman weer naar de kerk begon te gaan en ook zijn kinderen naar een katholieke school stuurde.
Lijdensweg De winter van 1940 was ijskoud.
Herman kreeg door de kou twee wintervoeten, maar verzweeg het wekenlang omdat hij vreesde niet meer naar de mis te mogen gaan.
Toen het niet langer ging en hij zijn voeten aan zijn moeder toonde, verschoot ze.
Ach, jongen, maar wat een pijn moet je hebben.
Toch moest ze beloven het niet aan zijn vader te vertellen opdat die hem niet zou verbieden naar de Mis te gaan.
Zijn wonden werden echter erger en na een tijdje kon hij nauwelijks nog lopen.
Vader vroeg zich af wat er met zijn zoon aan de hand was omdat die zo mankte, en bij het zien van de etterende wonden beval hij Herman acht dagen thuis te blijven.
De jongen was diep ongelukkig maar liet zich niet tegenhouden.
Met moeder maakte hij de afspraak dat ze zijn voeten 's avonds zou verzorgen, zodat hij direct nadat zijn vader naar zijn werk is naar de kerk kon gaan.
Maar Herman kan nauwelijks lopen.
Zijn voeten ingebonden in oude lakens, met drie paar sokken erover in een paar oude schoenen van zijn vader gestoken strompelt hij, telkens weer vallend van de Wuytslei naar de kerk.
Hij moet serieuze pijn geleden hebben, maar niets kan hem ervan weerhouden naar de Mis te gaan.
Op een dag had de tram van vader vertraging.
Terwijl hij wachtte zag hij de jongen met veel pijn en moeite, telkens weer struikelend door de hoge sneeuw voortploegen, op weg naar de mis.
Herman als misdienaar
Vader Wijns had boos moeten zijn dat zijn zoon zijn bevel om het bed te houden niet opvolgde, maar in plaats daarvan was hij ontroerd.
Kom jongen, zet je op mijn rug, dan zal ik je naar de kerk dragen.
Herman wilde er echter niet van weten: Nee, vake. Je zult je tram missen en te laat op je werk komen.
En weg was hij, strompelend de laatste honderd meter naar de kerk afleggend.
Bedevaart Die avond was Herman er niet om zijn vader te begroeten.
Moeder Wijns vertelde haar man dat hij die middag met hoge koorts thuis gekomen was en direct gevraagd had of hij naar bed mocht.
Omdat er in de weken erna geen verbetering optrad besluiten vader en moeder Wijns op aanraden van een kennis met hun zoon op bedevaart naar het graf van Pater Paul in Dendermonde te gaan.
Ze ontmoeten er Pater Boudewijn op zijn sterfbed, die hen aanraadt poeder van rozeblaadjes, gegroeid op het graf van de H. Benedictus in Italië, op de pijnlijke voetjes te smeren.
De volgende morgen kwam Herman kwiek de trap afgerend: zijn voeten waren genezen!
Voorvoeld Terug in Merksem stortte Herman zich met nog meer energie op zijn taak als misdienaar.
Moest hij iets inhalen?
Of had hij haast omdat hij voelde dat hij niet veel tijd meer had?
Een voorval van kort voor zijn dood wijst ook die kant op, vertelde ooit zijn vader.
Herman kwam eens klagen dat hij op weg naar huis werd lastiggevallen door een grotere jongen. Ik vroeg hem of hij zich niet meer kon verdedigen. 'Jawel hoor' zei hij toen. Kort na zijn overlijden kwam er hier een jongen aan de deur kloppen. Hij barstte in tranen uit en zei me dat hij schuld had aan Hermans dood. Ik vroeg hem waarom. Hij vertelde me dat hij Herman meermaals achterna had gelopen en hoe Herman hem had ontweken. De jongen had Herman uitgescholden, en die had geroepen 'Je hebt een lage ziel'.
De jongen is toen nog feller tegen mijn zoon uitgevlogen, waarop Herman heeft gezegd: 'Het zal niet makkelijk zijn u te bekeren, maar als ik het hier niet kan, zal ik het doen als ik in de hemel ben.'
In de weken kort voor zijn dood insinueerde Herman nog enkele keren dat hij voorvoelde wat er ging gebeuren.
Toen hij een keer als spel de tafels en stoelen neerzette voor zijn aanstaande Plechtige Communie - die hij nooit zou doen - zei hij tegen zijn moeder dat de mensen beter bloemen mee zouden brengen dan geschenken.
Wanneer zijn moeder hem een paar dagen later liggend op de vloer aantrof en hem vroeg wat hij aan het doen was antwoordde hij: Ja, die mannen zullen voor mij een grote kist nodig hebben...
De dag voordat hij zijn fatale val maakte joeg hij zijn moeder echt angst aan toen hij nog eens probeerde haar over te halen weer naar de Mis te gaan.
Herman ik heb daar nu geen tijd voor, antwoordde ze hem.
Toen ze wilde voortgaan met haar werk hield Herman haar tegen.
Moeke, als vake en ik in de hemel zullen zijn... En jij dan?
Moeder kon de woorden van haar zoon niet aan en zei hem haar met rust te laten.
Moeke, zegt Herman weemoedig wanneer hij ziet dat zijn moeder niet naar hem luistert.
Nu heb je geen tijd, maar als Herman dood zal zijn, zul je wel tijd hebben.
Zijn moeder is diep geschokt door de woorden van haar kleine jongen en tracht ze te vergeten.
Binnen enkele dagen zou ze echter ondubbelzinnig worden herinnerd aan het gesprek en aan de voorvallen van een paar dagen eerder.
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
ZEVEN EN DERTIGSTE VERSCHIJNING
26 december 1975, om 17.15 uur, de tweede dag
Eerst verschijnt het Licht en dan de Heer die zijn linkerhand op zijn Hart houdt. Vanuit zijn Hart stromen rode en witte stralen. Hij schuift zijn lange kleed opzij. Zijn rechterhand is naar de wereld uitgestrekt. Jezus wacht na iedere zin die Madeleine herhaalt :
"De tweede dag"
Ik zal genade vermenigvuldigen in de ziel van priesters en nonnen, want zij zijn het die mijn Boodschap bekend moeten maken.
Jezus zegt :
"Onze Vader..."
Madeleine gaat alleen verder.
Jezus voegt toe :
Bidt drie keer : "Wees gegroet Maria "
Madeleine bidt alleen.
Daarna vervolgt Jezus :
Door uw smartvol Lijden, Heer, ontferm U over ons en over de hele wereld.
Eer aan God in den hoge. Vrede op aarde en Vreugde aan de mensen, die Hij liefheeft."
"Wat Madeleine herhaalt."
Jezus strekt zijn beide handen naar Madeleine uit, glimlacht en verdwijnt.
Moeder van de Goddelijke Barmhartigheid.
Volg Maria na in háár onthechting, in háár nederigheid. De nederigheid wijst u tegenover God uw plaats. Zij is de grondslag van geheel onze verhouding tot God: "locus gratiae", zeggen de heiligen, de plaats waar God zijn genaden uitdeelt. Wat zouden de sacramenten uitwerken in een ziel, geheel met zichzelf bezig en niet overtuigd van haar eigen ellende? Bijna niets. "Want" zegt Sint Thomas, "de nederigheid is de gesteltenis, die de vrije nadering van de ziel tot de geestelijke en goddelijke goederen vergemakkelijkt."
Wie worden bij het ontvangen van de sacramenten met God verenigd? De armen, de nederigen. Zij alleen. De maat voor de goddelijke gaven is de nederigheid.
Oefenen wij ons door Maria in die losmaking van ons zelf, die ware nederigheid, die het hart verovert, ons onze afhankelijkheid doet liefhebben, en ons er toe dwingt als het ware, God te dienen, te beminnen, te verheerlijken, en die tenslotte slechts liefde is.
De Eucharistie, aller sacramenten einddoel, is het sacrament van de eenheid en de liefde. Sint Paulus schreef aan de Corinthiërs: "Omdat het één Brood is, daarom zijn wij, hoe talrijk ook, één lichaam, want allen hebben wij deel aan het éne Brood".
"Begrijpt het en verheugt u", voegt Sint Augustinus er aan toe. "Eenheid, godsvrucht, liefde. Eén brood. En wat is dat éne brood? Een enkel lichaam, gemaakt uit vele. Het brood immers ontstaat niet uit een enkele graankorrel, maar uit vele. Gedurende de duivelbezwering waart gij, in zekere zin, onder de molensteen. Bij het doopsel zijt gij als met water doorweekt. En het vuur gelijk, waardoor het deeg gebakken wordt, is de Heilige Geest in u gekomen. Weest wat gij ziet en ontvangt wat gij zijt.... Wat de kelk aangaat, er hangen veel druiven aan de tros, maar het kostbare vocht dat uit alle neerdruppelt, vloeit tot een eenheid samen."
Het blijkt zonneklaar, dat de liefde tot het wezen van Christus mystiek Lichaam behoort. Denken wij hieraan, als wij tot het altaar naderen. De deelname aan het offer moet broederlijk zijn. Dwaling zou het zijn, te denken, dat de heilige Communie ons alléén aangaat en slechts een daad van persoonlijke godsvrucht is. Zonderen wij ons toch niet alléén met Jezus af; laten wij ook zijn ledematen niet vergeten. De heilige Communie zij allereerst een daad van het mystieke Lichaam. Communiceren met het Hóófd van dat Lichaam is tevens communiceren met de ledematen, want zij maken slechts één uit. "Hij die wil leven", zegt Sint Augustinus, "weet, waar hij het leven genieten, waar hij het putten zal. Hij nadere en gelove, hij lijve zich bij Christus in, dáár zal hij het leven vinden. Maar de vereniging met Christus ledematen mag hem geen afkeer inboezemen." Men ziet nu wel in, hoe absoluut noodzakelijk de eenheid en de broederlijke liefde is. "Als gij het altaar nadert en vreest, dat uw broeder iets tegen u heeft, ga u eerst met uw broeder verzoenen, en kom dan uw offer opdragen." Maar hebt gij "ingewanden van liefde," zoals de Apostel zegt, is uw hart vol van vergiffenis en welwillendheid, kom dan en open uw ziel; God zal ze verzadigen met zijn leven en gij zult Jezus zijn verwonderingwekkend woord horen herhalen: "Heilige Vader, dat zij allen samen één zijn, zoals Gij, mijn Vader, in Mij zijt en Ik in U, opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt".
God is in wezen mededeelzaam. Is de zaligheid van de Vader en de Zoon niet besloten in die zelfstandige Liefde, die uit hun wederzijdse genegenheid voortspruit, en elkanders Gave is? Wonderbaar mysterie, óók aan de schepselen geeft God Zich. De Vader geeft ons zijn Zoon; Beiden geven ons de Heilige Geest, die, zoals de liturgie zegt, de Gave van de Allerhoogste aan de mensen is.
Het leven is dan ook een communie. Het is communie in God: de Vader geeft Zich eeuwig aan het Woord, die geheel de goddelijke natuur in gemeenschap ontvangt, terwijl de Ademtocht van oneindige liefde door de Vader en het Woord tesamen wordt uitgeademd.
Communie is het leven in het mysterie van de Menswording. De mensheid van Christus is opgenomen in de Persoon van het Woord, vanaf het eerste ogenblik van haar bestaan in Marias schoot. De Godheid heeft de mensheid aangenomen en in een algehele vervoering heeft zij zich zelf weggeschonken. Tussen de Godheid en de mensheid was een eeuwige communie begonnen.
Dit, zou men kunnen zeggen, is ook de communie van Maria. Als Gods schaduw haar overdekt, ontvangt zij Jezus in zijn Godheid en zijn mensheid. En met welk een verrukking geeft zij geheel zichzelf, om God vol liefde te ontvangen. Zij antwoordt met een volledig ja: "ecce ancilla". Zó leert zij ons, hoe wij God moeten ontvangen.
God wil Zich dus mededelen. Maar, in het goddelijke plan van de Menswording vindt men God slechts door Maria, door háár is men slechts deelgenoot van het leven. Door háár konden de herders en de Wijzen worden toegelaten tot de kribbe van het Godkind en Het beschouwen met de ogen van het lichaam. Willen wij Het beschouwen met de ogen van de ziel en ons met Hem verenigen, dan moet dit nog te méér geschieden door Maria. God geeft Zich door Maria. Gods gave aan de mensen, Christus Jezus, bron van ons leven, is ook Marias gave.
De apostolische geloofsbelijdenis zegt ons, dat Jezus ontvangen is van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria. Wat waar was vanaf het begin, zal dit blijven tot het einde van de tijden: overal waar Jezus door de genáde wordt geboren, wordt Hij door de Heilige Geest en uit de maagd Maria geboren. De Menswording heeft haar de macht gegeven de Christus mee te delen. Telkens als zij een ziel nadert, geeft zij deze deel aan haar Zoon.
Aan Jezus wil, zijn leven mee te delen aan zijn ledematen, moet in ons het verlangen beantwoorden, Hem te ontvangen. Het verlangen, God te smaken, is een genade, komende van háár, die onmiddellijk na de ontvangenis van Jezus haastig oprees, om Hem naar de Doper te dragen. Zij wekt in onze harten de Godshonger, in het bijzonder de honger naar de Eucharistie, naar het bezit van haar Zoon. Niet altijd een diep doorvoeld verlangen, zoals enige heiligen ondervonden, maar een gééstelijk verzuchten, een sterke wilsdrang naar het geestelijke voedsel, dat de band van onze vereniging met God nauwer toehaalt, onze krachten herstelt, onze hartstochten breidelt.
Dit verlangen naar God is zo weldadig. Het is de allerbeste voorbereiding tot het ontvangen van de sacramenten. Aan allen die Hem roepen, gééft God Zich. "Indien iemand dorst heeft," zeide Jezus, "hij kome tot Mij en drinke." En tot de heilige zuster Mechtildis sprak Hij: "De bijen werpen zich niet zo gretig op de bloemen, om er de honing uit te puren, als Ik Mij naar uw ziel heenspoed, wanneer deze begeert Mij te ontvangen".
Bij het ontvangen van de sacramenten deelt de genade zich aan de ziel mede naar de kracht van haar verlangens. Verwacht men in nederigheid meer, dan ontvangt men ook meer. Want het uit nederigheid geboren verlangen verwijdert de beletselen; het opent de deur van de ziel, waarvoor het verrukkelijke woord van de Apocalyps werkelijkheid wordt: "Zie, Ik sta aan de deur en klop; zo iemand mijn stem hoort en de deur opent, dan zal Ik bij hem binnentreden, Ik zal maaltijd met hem houden en hij met Mij".
De dagelijkse aansporing van de Kerk in de canon van de heilige Mis luidt: In gemeenschap verenigd, vieren wij allereerst de gedachtenis van de zalige Maagd Maria.
Wat zoeken wij bij het altaar?
De Emmanuel. Hij die Zich gewaardigd heeft "God met ons" te worden, wiens werkelijke tegenwoordigheid de kracht van ons leven is, "de bron van de levende wateren", volgens het Schriftwoord. Maar danken wij die werkelijke tegenwoordigheid van de Emmanuel niet aan zijn Moeder Maria, wier nederigheid en zuiverheid Hem aanlokten? Wie anders verleent ons toegang tot Hem, dan zij, wier taak het is, aan de wereld de Christus aan te bieden, zij, die Hem mededeelde aan Joannes de Doper, aan de herders, aan de Wijzen, aan Simeon? Zij is het, die Jezus geeft.
Méér nog gaan wij op naar het altaar, om aan het offer deel te nemen. "Wij worden geheiligd door het offer dat Jezus Christus eens en voor altijd heeft gebracht". Alle genaden, alle heiligheid komen van het kruis en dus van de heilige Mis, de voortduring van het kruisoffer. Het altaar is de Calvarieberg; dezelfde offerande wordt er opgedragen, hetzelfde Slachtoffer wordt er door dezelfde Hogepriester de Hemelse Vader aangeboden. Wie zal ons doen binnentreden in die offerhandeling, die ons Christus geeft in de volheid van zijn mysteriën? Wie anders dan Maria! Komen van haar niet priester en slachtoffer?
In Marias schoot heeft Christus mensheid de zalving van de Heilige Geest ontvangen, die priesterlijke zalving, die zich "als een vreugdeolie" over Jezus uitgoot, een zalving die Hem onze "Hogepriester voor immer" doet zijn.
"De Heilige Geest zal over u komen," zeide de Engel tot Maria, "en die uit u zal geboren worden zal de Heilige zijn." En Maria sprak: "Het geschiede volgens uw woord," "Fiat"; en dit was het teken voor de zalving en wijding van de eeuwige Priester.
Óók het Slachtoffer geeft zij. De Verlosser wilde zij ter wereld brengen, Hém die ons moest vrijmaken van onze zonden. In háár schoot begon dit Slachtoffer Zich op te dragen. Sint Paulus verzekert ons, dat de eerste woorden, die Hij aanstonds na zijn Menswording sprak, déze waren: "Gij hebt mij een lichaam gegeven, o Vader, om Mij aan U op te dragen, want die ongenoegzame offeranden konden U niet meer behagen: Zie, hier ben Ik; ecce venio". Het "Consummatum est" van het kruis is slechts de voltooiing van het "Ecce Venio" in de schoot van zijn Moeder. En Maria wist, dat zij de Moeder van het Slachtoffer was.
Gedurende heel haar leven bood zij dit Slachtoffer aan. Op Calvarië vooral; daar vertegenwoordigde zij de Kerk. De heilige Mis is de voortzetting van Calvarië, en daarom is Maria ook hier van het goddelijke Slachtoffer niet te scheiden. Zij gaat voort, ons de Hogepriester en de Hostie te geven. Moeten wij niet denken aan Maria, als wij mogen nuttigen het Lichaam dat Zich slachtoffert op het altaar, het Bloed dat ons vrijkoopt. Dat Lichaam is in háár gevormd, dat Bloed heeft zij haar Zoon gegeven. Door háár is het Woord ons voedsel geworden.
De heilige Augustinus gaf hiervan aan zijn gelovigen een voortreffelijke verklaring. Het Woord, Gods gedachte, leven en licht, is het voedsel van Gods kinderen. Het is dit voor de engelen en de uitverkorenen in de hemel. Het wil dit ook op aarde zijn. Maar voor óns is het een te krachtig brood; wij zijn nog slechts kinderen. Wie zal uit de spijze van de uitverkorenen het voedsel voor de kleinen gereed maken? Maria! Als moeder vervult zij dan haar eigen taak. Het voedsel van het Woord moest de geschiktheid verkrijgen om door kindertjes te kunnen worden genuttigd en die krachtspijze moest voor ons, kinderen die wij zijn, in melk veranderen. Deze nu geeft zij ons in het heilige Altaarsacrament. Zingt de liturgie niet: "De mens heeft het engelenbrood gegeten"? Daarom past ook de Kerk deze woorden van de Wijsheid op Maria toe: "Kom, eet mijn brood, drink de wijn die ik u heb gemengd".
De heilige Joannes Damascenus noemde Maria "de priesterlijke maagd". Wij begrijpen waarom. Niet, dat zij het sacramentele priesterlijke merkteken heeft ontvangen. Haar Zoon trouwens ook niet. Maar haar moederschap heeft in haar een heilig stempel gedrukt. Zij bezat de verlossersgeest van haar Zoon, die op uitnemende wijze de geest van het priesterschap is. Zij kan over het brood niet de sacramentele woorden spreken. Maar uit eigen naam sprak zij dat "Fiat" van onmetelijke draagwijdte, dat Jezus aan de wereld schonk. Van Godswege deelt zij het goddelijke leven uit. Als middelares is zij méér dan een priester: zij is Moeder van de allerhoogste Priester én Moeder van het Slachtoffer.
De heilige Mis is de verhevenste handeling van de Kerk, het is de essentiële daad van het Lichaam van Christus. Maria is er bij tegenwoordig, om zich met de Kerk te verenigen en de vruchten uit te reiken van Christus Bloed.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
DE KLEDING. KAP. 4. De klederen der zusters zullen bestaan uit twee witte wollen hemden, het ene voor dagelijks gebruik en het andere voor de was, een onderkleed van grijze wol en een kap, waarvan de mouwen niet verder zullen afhangen dan tot aan den top van den middelvinger. De panden, die over de hand hangen, moeten als er met de hand gewerkt wordt, als andere mouwen met een eenvoudigen knoop aan de mouwen vastgemaakt worden. Verder een mantel van grijs wollen stof, zoals het onderkleed en de kap. De mantel moet zonder plooien zijn en eenvoudig in elkaar gezet, nauw en effen, alleen dienende tot nut en niet tot ijdelheid. Die zal des zomers ongevoerd zijn, maar des winters gevoerd; niet met kostbaar bont maar met lamsvel of schapenvel. Van dezelfde wol mags winters ook een onderrok zijn.
En de mantel moet een span van den grond zijn en op de borst door een knoop vastgehouden worden. Des zomers mogen de schoenen laag zijn tot de hiel en de kousen tot aan de knieën reiken. Des winters hooge schoenen tot aan de knie, met wol gevoerd en kousen, die even lang zijn. Tot hoofddeksel een doek om het voorhoofd en de wangen, zodat het gelaat gedeeltelijk verborgen is. En de uiteinden van den doek moeten in den hals met een speld vastgemaakt worden. Over die doek wordt de sluier gelegd van zwart linnen, die met drie spelden moet worden vastgemaakt, om niet af te glijden: éen speld bij het voorhoofd en twee bij de oren.
Op den sluier wordt een kroon van wit linnen gezet, en op die kroon zullen vijf stukjes rood laken genaaid worden, vijf droppels gelijk: het eerste bij het voorhoofd, het tweede tegen het achterhoofd, het derde en vierde bij de ooren en het vijfde midden op het hoofd, in den vorm van een kruis. Deze kroon zal met een speld midden op het hoofd vastgemaakt worden en den vorm van het hoofd aannemen. Deze kroon zullen weduwen zowel als maagden dragen als een teken van onthouding en reinheid.
19-05-2011
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE DONDERDAG.
Bid;weesgoed;erezijGod;ontvangdezegenvandeHemelseVaderenZijnZoon,JezusChristus;Daniël; Wordt vervolgd.
Brief van 18 mei 2011,Mariamaand. (Dom Antoine Marie osb.).
Brief van 18 mei 2011, Mariamaand.
Dierbare Vrienden,
Binta, een Afrikaans moslimmeisje, woont in Guinea. Op een dag in 1994 slikt ze bijtende soda in. Ze wordt naar Barcelona in Spanje vervoerd en dankzij een operatie gered. Vervolgens wordt ze ondergebracht in een huis van de «Blauwe zusters». Maar weldra ontdekken de artsen een enorme maagzweer, een buikvliesontsteking en een maagbloeding. Ondanks een nieuwe en lange operatie is de prognose duidelijk: «Er is niets meer aan te doen», verklaart een verpleegster. Het overlijdensattest ligt zelfs al klaar. De Blauwe Zusters beginnen een novene, gericht tot hun stichteres Emilie de Villeneuve en stoppen het meisje het portret van Emilie in de handen evenals een relikwie van haar. Plotseling opent Binta de ogen en is ze, zonder enige medische verklaring, terstond hersteld. Na drieëntwintig dagen bewusteloos te zijn geweest, staat ze alleen op en keert, volledig genezen, terug naar het huis van de zusters. Dit wonder heeft de zaligverklaring mogelijk gemaakt van Emilie de Villeneuve, op 5 juli 2009, in Castres (Tarn). Emilie de Villeneuve is op 9 maart 1811 ter wereld gekomen in een van de oudste adellijke families van de Languedoc in Toulouse. In het huisgezin zijn twee meisjes haar voorgegaan, Léontine en Octavie. Iedere zomer verplaatst de familie zich naar kasteel Hauterive, dichtbij Castres. In 1815, na de geboorte van een jongen, Ludovic, vestigt de familie zich op Hauterive. Mevrouw de Villeneuve zorgt voor het onderwijs en de opvoeding van haar kinderen, ondanks een gezondheid die vroegtijdig is ondermijnd door de beproevingen van de Revolutie. Haar echtgenoot wordt volledig in beslag genomen door het beheer van zijn landerijen die hij kriskras in het hele land bezoekt om leiding te geven aan het omploegen van de akkers en aan de oogsten. Op het kasteel heerst strenge discipline: geen haardvuur in de slaapkamers; zwijgen aan tafel; in de salon zijn het de kinderen die achterin moeten zitten, verboden lawaai te maken. In het park kunnen ze daarentegen zich volledig ontspannen. Het moederlijk gezag is vastberaden en plooibaar tegelijk en nadat de christelijke beginselen van een rechtschapen en deugdzaam leven zijn bijgebracht steunt het veelal op vertrouwen. Door het leeftijdsverschil ontstaat er tussen Emilie en haar zusjes een zekere afstand waardoor zij enigszins wordt geïsoleerd . Tijdens haar kinderjaren is ze van een onthutsende ongevoeligheid: «Een hart dat niets leek te voelen, een kille geest die zelfs is ontdaan van de aardige naïeve redeneringen die kinderen zo bekoorlijk kunnen maken», zal Coralie, een van haar vriendinnen, over haar zeggen. Daar komt nog een karaktertrek bij die op die leeftijd heel uitzonderlijk is: een hartstochtelijke liefde voor precisie, om dingen precies op de aangegeven tijd te doen. Weldra belast haar moeder haar met de taak haar broertje de grondbeginselen van zijn scholing bij te brengen. Ze weet het onrustig kind zonder bitsheid aan haar onderdanig te maken. Ze houdt er een groeiende interesse voor studeren aan over.
Gevoelig maar gesloten.
In 1828 overlijdt mevrouw de Villeneuve na een smar- telijke doodsstrijd . Daar ze gewend is gevoelens, hoe reëel ze ook zijn, niet te uiten, want ze is, naar eigen zeggen, geneigd tot «gevoeligheid en tederheid», wekt Emilie een ongevoelige indruk. Maar deze houding wijst op een innerlijk drama: de moederlijke tederheid, die meer was gericht op de twee oudsten , ontbrak haar heel erg en het meisje heeft zich in zichzelf gekeerd. Tijdens haar eerste communie, in januari 1826, laat ze niets blijken van haar grote vroomheid. Korte tijd later vertrouwt meneer de Villeneuve, die is benoemd tot burgemeester van Castres, zijn kinderen toe aan zijn moeder die in Toulouse woont. Deze dame die reeds hoog bejaard is en blind, geeft de kinderen een zo goed als onbeperkte vrijheid. Haar ontvangsalon is een plek waar de hele stad bijeen komt. Léontine en Octavie zijn verrukt: ze vallen in de smaak bij de mensen en de mensen bij hun. Maar Emilie trekt ondanks haar prachtige blonde haar niemand aan. «Haar grote magere gestalte had niets bevalligs, zegt Coralie«. Haar grote bijziendheid gaf haar iets onhandigs, iets onwellevends soms, en maakte dat ze met de ogen knipperde hetgeen haar uiterlijk iets vreemds gaf.» Octavie overlijdt in 1828 op twintigjarige leeftijd. De hele familie is in tranen, behalve Emilie die door de haren wordt bekeken als «een ijsblok». Deze gebeurtenis heeft op haar echter een verbazingwekkende uitwerking: «Hier begint voor Emilie een nieuw leven, schrijft Coralie« Een ondefinieerbare goedheid, een tedere en tegelijk levendige liefde zijn voortaan de kenmerken van alles wat ze doet. Ze schiep behagen in bidden en het veelvuldig deelnemen aan de sacramenten; en wanneer beminnelijke, vrome vrienden haar grootmoeder kwamen opzoeken voegde ze zich bij de kring en luisterde gretig toe, vooral wanneer er over God en de dingen des Hemels werd gesproken.» Haar langdurig gesloten gebleven hart geeft zich geheel en al aan God en, via Hem, aan de zielen. Eind november 1829 trouwt Léontine. Emilie wordt dan de vrouw des huizes in kasteel Hauterive dat al een paar jaar erbarmelijk is verwaarloosd . Haar vader wordt in 1830 ontslagen van zijn taak als burgemeester van Castres, maar ontplooit de ene na de andere activiteit op landbouwkundig gebied. Zeer bekwaam in het bestieren van een huishouding heeft Emilie al snel orde op zaken weten te brengen, tot grote voldoening van haar vader. Ludovic ergert zich van zijn kant aan de ernst van zijn zus: «Een dergelijk teruggetrokken leven leiden, op jouw leeftijd en in jouw positie, is absurd! Jouw vriendinnen zijn even belachelijk als jij, jullie hebben geen gezond verstand. Wie jullie de zondagspreek of plechtige mis afneemt, ontneemt jullie alle plezier.» Iedere ochtend gaat Emilie naar de Mis. Met de armen deelt ze het gehele huishoudgeld dat ze van haar vader krijgt, bezoekt jonge meisjes, geeft ze onderricht, staat ze bij wanneer ze ziek zijn. Pater Leblanc, jezuïet die in Toulouse woont, geeft haar leiding in haar geestelijk leven.
Een onweerstaanbare aantrekkingskracht.
Emilie wordt drieëntwintig en vertrouwt Coralie toe: «Ik zal niet trouwen«.maar hetgeen mij kwelt is een roeping die een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij uitoefent, en Pater Leblanc wil zich nog niet uitspreken« Ik voel het verlangen me aan de armen te wijden in die bewonderenswaardige gemeenschap van de Dochters van Liefde van Vincentius a Paulo.» Wanneer pater Leblanc haar plan tenslotte goedkeurt is ze dolblij. Maar meneer de Villeneuve, en zijn familie met hem, vraagt om vier jaar uitstel. Pater Leblanc raadt haar aan dit uitstel te aanvaarden. Ze zet haar activiteiten dus voort en assisteert haar pastoor zo goed dat haar vriendinnen haar «meneer kapelaan» noemen. Op een dag ontvangen ze een brief van meneer de Barre, een vurig christen die langdurig bidt in de kerken en de rest van zijn tijd besteedt aan het verlichten van de ellende van de armen. Tijdens de Mis heeft hij een ingeving gehad: Emilie zou in Castres een door religieuzen geleid huis moeten oprichten voor de opvoeding van kinderen wier ouders hen niet zelf kunnen grootbrengen. Na een paar maanden goed nadenken en bidden komt pater Leblanc tot de conclusie dat het werk door God is gewild. Meneer de Villeneuve, al blij bij de gedachte dat zijn dochter niet al te ver van hem vandaan zal gaan, geeft zijn toestemming en de aartsbisschop verleent ook zijn goedkeuring. De vaderlijke financiële hulp maakt het Emilie mogelijk een huis in Castres te kopen. De gemeenschap die zij opricht geeft ze de naam «Congregatie van de Onbevlek-te Ontvangenis»; het kleed van de zusters zal blauw zijn. Met twee metgezellinnen gaat ze naar de Visitatie van Toulouse voor een maand noviciaat. Op 8 december 1836 vindt, in aanwezigheid van de aartsbisschop, in Castres de inkleding, de tijdelijke professie en de vestiging van drie zusters in hun huis plaats. Emilie neemt de naam Zuster Marie aan. De eerste Regels geven een definitie van het doel van de nieuwe congregatie: de opvoeding van verwaarloosde kinderen, dienstbetoon aan armen en gevangenen, onderricht en beroepsopleiding van jonge meisjes. Op 19 maart 1837 wordt een handwerkzaal voor dertig leerlingen geopend, maar weldra worden ze door de naaisters van de stad beschuldigd van oneerlijke concurrentie. De bevolking, die de zusters toen ze zich daar kwamen vestigen zeer welgezind was geweest, keert zich verbitterd tegen zuster Marie, in kwaadaardige bewoordingen en zelfs met lasterpraat. De geestelijkheid laat zich ook beïnvloeden, maar pater Leblanc moedigt de zusters aan voort te gaan.
«Ik ben zo zwak«»
Eind 1837 is de golf van kritiek overgewaaid en wor- den er vier postulantes toegelaten. In het begin van het volgende jaar vertrouwt de gemeente Castres de zusters de zorg voor de gevangenissen toe. Op 1 mei 1838 vestigt de communauteit zich in het voormalig klein seminarie. Zuster Marie waakt met liefdevolle zorg over alle leerlingen en deze voelen zich aangetrokken tot de vredigheid die haar persoon uitstraalt. Zij zelf beschrijft in haar intieme geschriften bepaalde aspecten van haar geestelijk leven: «O, mijn God en mijn Schepper, ik maak van mijzelf een offergave, de volledigste en volmaaktste die ik kan maken«.Ik bid U niet om mij kruisen en andere grote beproevingen te bezorgen, omdat ik zo zwak ben dat ik niet weet of ik die, na ze te hebben gevraagd, ze ook zou kunnen verdragen zoals het hoort«.Overgave, vertrouwen, dat is alles voor mij.» Haar devies is: «God alleen!» In de loop van het jaar 1840 treden ernstige problemen binnen de communauteit aan het licht: enkele slechte voorbeelden zijn de oorzaak van lossere zeden. Moeder Marie de Villeneuve overhaast niets, maar bidt. Door een nog onvolkomen organisatie kan de religieuze vorming nog niet alle vruchten afwerpen. Ze besluit de novicen van de geprofeste religieuzen te scheiden en begint vervolgens aan het opstellen van een Constitutie die eind 1841 zal worden goedgekeurd door de aartsbisschop van Albi. De Generaal-Overste zou gekozen moeten worden voor drie jaar, maar de zusters krijgen van de aartsbisschop gedaan dat hun stichteres Overste voor het leven zal zijn. Zij is in haar beleid jegens de zusters één en al fijngevoeligheid en discrete waakzaamheid. Hun onzekerheden, hun onrust, hun verdriet heeft ze meteen in de gaten en direct vindt ze de passende woorden om de rust te herstellen. Met de grootste zorg ziet ze er op toe zich in niets te onttrekken aan de gemeenschappelijke regel en wenst van tijd tot tijd zelf haar cel te vegen of de afwas te doen. De Moeder verwerft al in april 1841 een terrein waarop het moederhuis van de Congregatie kan worden gebouwd. Maar de goddelijke liefdesvlam die haar hart in lichterlaaie zet drijft haar naar de verre missielanden: «Het verlangen Jezus Christus bemind te maken en Hem te dienen in zijn ledematen zal zich niet beperken tot de grenzen van Frankrijk. De Congregatie heeft ook als doelstelling zich in te zetten voor het wonderschone werk van de buitenlandse missies, vooral de missies onder de zwarten, en over het algemeen de meest verachte en meest verwaarloosde volken. Waar de stem van de arme en de wees hen ook heen roept, ze gaan er zonder aarzelen heen.»
Zonder hoop omdat ze zonder God waren.
Op 11 mei 2008 bracht Paus Benedictus XVI ons onze fundamentele behoefte aan Jezus Christus in herinnering: «Christus is onze toekomst« Verstoken van Christus, is de mensheid «zonder hoop en zonder God in de wereld (Ef 2,12), zonder hoop omdat ze zonder God waren» (Encycliek Spe salvi, 3). Inderdaad, «wie God niet kent, kan weliswaar allerlei soorten hoop hebben, maar is tenslotte zonder hoop, zonder die geweldige, het hele leven dragende hoop» (Ibid., 27)... Het is dus voor allen een gebiedende plicht Christus en zijn heilbrengende boodschap te verkondigen. Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig, zei H.Paulus (1 Kor 9,16) » (Boodschap voor de Wereldmissiedag). Een jaar later voegde de Paus eraan toe: «Het doel van de missie is inderdaad door het licht van het Evangelie alle volken bij te lichten op hun historische weg naar God, opdat ze in Hem hun volledige verwezenlijking en hun volledige voltooiing vinden. Wij moeten het diep verlangen en de hartstocht voelen om alle volken met het licht van Christus dat op het gezicht van de Kerk straalt bij te lichten« De Kerk handelt niet om haar macht uit te breiden of haar heerschappij zeker te stellen, maar om aan iedereen Christus, heil van de wereld, te brengen« Wat op het spel staat is het eeuwig heil van de mensen, het einde en de voltooiing van de menselijke geschiedenis en het heelal» (29 juni 2009). In 1842 wordt Moeder Marie de Villeneuve in contact gebracht met Pater Libermann, stichter van de Missionarissen van het Heilig Hart van Maria. Er komt een samenwerkingsproject tot stand tussen de zusters van Castres en de paters missionarissen. Begin juni 1843 gaat de Moeder naar Parijs en probeert, overigens vergeefs, van de regering burgerlijke goedkeuring te verkrijgen voor het openen van gemeentelijke scholen. Ze ontmoet pater Libermann. «Ik verkies, zo zal ze later schrijven, zijn conversatie boven zijn brieven« Onze standpunten komen altijd op buitengewone wijze met elkaar overeen. Het is een man die wordt bewogen door de waarachtige Geest Gods, door uiterste bedachtzaamheid, en ik heb nog nooit iemand ontmoet die mij zo'n groot vertrouwen inboezemt.» Terug in Castres, constateert de stichteres dat de uitgaven die nodig zijn voor de bouw van het klooster de inkomsten overtreffen. Om het nodige geld te vinden stellen de zusters voor om veertig dagen penitentie te doen. De Moeder stemt hier in toe, waarbij ze haar dochters allereerst de innerlijke bekering voorhoudt. Op 30 april 1844 vestigt de communauteit zich in het eindelijk gereed gekomen klooster. In juli 1846 richt Moeder Marie een opvangcentrum op voor vrouwen die door uitzonderlijke ellende tot een zondig leven zijn vervallen. «De zusters die in gehoorzaamheid tot dit belangrijk werk zullen worden geroepen moeten bezield zijn van een heilige ijver en een ware geloofsgeest, schrijft zij in de constitutie. Zij zullen zich van deze arme zielen minder de schandelijke staat, waarin ze door zonden zijn terecht gekomen, voor ogen houden dan het goddelijk Bloed dat hun losprijs is. Onze Heer van wie zij de ledematen zijn en door wie zij zijn geroepen om hen, misschien meer dan zichzelf, volkomen en voor eeuwig lief te hebben en te verheerlijken... Het is van groot belang dat de zusters de rouwmoedigen nooit voorhouden welke tekortkoming zij hen eventueel te verwijten hebben en geen ongeduld, noch weerzin van hun gezelschap, noch verachting voor de persoon van de vrouwen aan de dag leggen. Zij zullen hen integendeel altijd met een allerheiligste zachtmoedigheid en genegenheid behandelen.» Maar de Moeder denkt nog altijd aan de verre missielanden. Een eerste vertrek van vier zusters naar Afrika wordt geregeld voor 22 november 1847; andere zusters vertrekken in 1849 en 1850. Pater Libermann geeft volop verstandige raad: «Men probeert zonder erbij na te denken de mensen van het land ertoe te brengen de toon en de manieren van Europa over te nemen« Men moet juist het tegendeel doen, de inboorlingen de zeden en gewoontes die zij van nature hebben laten houden, deze vervolmaken door de beginselen van het geloof en de christelijke deugden bij te brengen en daar waar de eigen zeden en gewoontes tekort schieten corrigerend op te treden.» Maar bovenal roept de Pater de zusters op zich te oefenen in engelengeduld.
De bron.
Het Hart van Jezus waarin de Moeder haar gehele ver- trouwen stelt is de bron «waaruit men aandacht, liefde, medelijden, hartelijkheid, beschikbaarheid, belangstelling voor de problemen van de mensen put, en alle andere deugden die de boodschappers van het Evangelie nodig hebben om alles achter te laten en zich geheel en onvoorwaardelijk te wijden aan de verspreiding in de wereld van de geur van Christus' liefde» (Benedictus XVI, 11 mei 2008). In november 1847 gaat Moeder de Villeneuve naar Amiens om een oud plan dat Pater Libermann dierbaar is weer op te vatten: een noviciaat opzetten met het oog op de missie, in het gehucht Saint-Pierre, dichtbij de stad. Daar willen een jonge vrouw en een voormalige religieuze een derde orde oprichten. Men vat het idee op het noviciaat van de Onbevlekte Ontvangenis met de toekomstige derde orde te verenigen. In de praktijk zijn de moeilijkheden die zij ontmoeten zo groot dat de Moeder gedwongen is dit project in mei 1851 op te geven. Pater Libermann overlijdt op 2 februari 1852; zijn opvolger wenst dat de Moeder zich opnieuw met dit stichtingsproject belast. Langdurig van haar stuk gebracht en smartelijk aangedaan door de moeilijkheden die ongeveer overal de kop opsteken, zowel in de missielanden als in Castres, maakt de stichteres een bijzonder zware periode door waarin ze slaap en eetlust verliest. Wanneer ze alleen is of denkt te zijn, laat ze de tranen de vrije loop als gevolg van haar grote gevoeligheid, maar ook van de vermoeidheid. Gelukkig duurt deze toestand niet lang en hervindt de Moeder weldra de innerlijke rust, kalmte en moed die we van haar gewoon zijn. Ze besluit het te houden bij de stichting van een pensionaat in Parijs, het project in Saint-Pierre op te geven en eind 1853 keert ze terug naar Castres. In haar heel eenvoudig geestelijk leven probeert Moeder de Villeneuve voor alles de wil van God te volbrengen. «Wanneer je spreekt, handelt, schrijft voor het welzijn van een ziel, voor een of andere belangrijke zaak, zo zei ze tegen haar dochters, stel dan niet zozeer het welzijn van die ziel of het welslagen van die zaak voorop, als wel enkel en alleen de wil van God en daarbij alleen doen wat met Zijn bedoelingen, die vaak verschillen van de onze, overeenstemt.» Zij kent groot belang toe aan het gebed: men moet er een gewoonte van maken «met Jezus te converseren midden in de dagelijkse bezigheden, met het hart te bidden, al komend en gaand door het huis». Zijzelf houdt van de momenten dat ze met God alleen is. Maar haar geestelijk leven maakt vaak de dorheid van het zuiver geloof mee en ze spreekt uit ervaring wanneer ze aan een van haar dochters schrijft: «Maak je niet ongerust over je innerlijke staat die, naar wat je me zegt, enigszins duister is. God bevindt zich overal, zelfs in de duisternis en misschien nog wel meer.» Een ander geeft ze deze raad: «Je moet je altijd een beetje hoeden voor de illusie en je liever laten leiden door het blote, van smaak verstoken geloof« Verheven verlangens naar volmaaktheid kun je beter wantrouwen; stel je tevreden met het verlangen de wil van God te volbrengen« Ik vrees voor jou en de anderen de weg der vertroostingen en verkies het geloof alleen, de duisternis, uiteindelijk de kruisen die wij moeten dragen.»
Een bijzondere nederigheid
Twee maanden na haar terugkeer naar Castres zorgt Moeder de Villeneuve voor grote beroering onder haar dochters door haar ontslag als Generaal Overste aan te kondigen. De redenen die zij aanvoert zijn aldus samen te vatten: het vurig verlangen in de kleinste dingen gehoorzaamheid te betrachten, het voordeel voor de Congregatie die het ooit zonder haar leiding zal moeten stellen, de vrees dat haar dochters haar eerder gehoorzamen om redenen van vertrouwen en liefdevolle genegenheid dan uit geloof en zuivere liefde voor God. Daarenboven is de Moeder van mening dat de post van Overste het alleszins zonder haar kan stellen en het zelfs wenselijk is dat zij die verlaat. Niet zonder leedwezen bekrachtigt het generaal Kapittel van september 1853 haar beslissing. De stichteres is echter wel bereid de nieuwe Overste met raad en daad bij te staan en wordt belast met de taken van generaal assistent en Novicenmeesteres die zij discreet en doeltreffend zal uitvoeren. Dit voorbeeld van nederigheid en onthechting is zeer zeker een bron zonder weerga van vruchtbaarheid voor haar Congregatie. Halverwege het jaar 1854 verspreidt de cholera zich in het zuiden van Frankrijk en bereikt de stad Castres. Tegelijkertijd breekt er een epidemie van zweetkoorts (besmettelijke koortsziekte) uit. Moeder de Villeneuve onderneemt een ware kruistocht van gebed en schept een sfeer van vertrouwen. De cholera komt het klooster van de zusters niet binnen, maar de stichteres valt ten prooi aan de zweetkoorts en op 7 september moet ze zich ter ruste leggen. Begin oktober verslechtert haar toestand en geeft de aalmoezenier haar het Heilig Oliesel. Kort daarna geeft zij de geest terwijl de zusters de gebeden voor de stervenden bidden. De Congregatie van de Blauwe Zusters van Castres telt tegenwoordig meer dan zeshonderd leden die verspreid zijn over 123 communauteiten. Zij zijn in Europa, Afrika, Zuid-Amerika en Azië. In een preek voor nieuwe bisschoppen, op 21 september 2009, zei Kardinaal Hummes, Prefect van de Congregatie voor de Clerus: «De Kerk weet dat er in de hele wereld een missionnaire nood bestaat, niet alleen «ad gentes» (voor de heidenen)« maar ook in de landen van de christelijke wereld« Al onze landen zijn missiegebied in de strikte zin van het woord« geworden. Wij moeten hoognodig in beweging komen en op zoek gaan, allereerst naar al die gedoopten die verwijderd zijn van deelname aan het leven van de gemeenschappen en vervolgens naar allen die niets of weinig van Jezus Christus weten.» Op 6 januari 2008 wees Paus Benedictus XVI er in hetzelfde verband op dat «iedere christen geroepen is de schreden van zijn medemens bij te lichten met het woord en met het getuigenis van eigen leven« Met het licht dat hij in zich draagt kan en moet hij degene die zich aan zijn zijde bevindt en die misschien moeite heeft met het vinden van de weg die naar Christus leidt, te hulp komen.» Moge de gelukzalige Emilie de Villeneuve voor ons de genade verkijgen ware evangelieverkondigers te worden die met hart en ziel overal het Rijk Gods verspreiden.
Dom Antoine Marie osb.
Herman Wijns 1931 - 1941. Deel III: Vroom, zo vroom.
Deel III: Vroom, zo vroom Herman Wijns 1931 - 1941
Herman Wijns, 'de kleine pastoor', overleed op 26 mei 1941, 10 jaar oud. Zijn wonderbaarlijke uitspraken als kleine jongen en de vreemde uitstraling van zijn graf op de oude begraafplaats in de Van Heybeeckstraat hebben er een pelgrimsoord van gemaakt.
Velen geloven dat Hermanneke geneest en rond zijn graf staan honderden dankbetuigingen van mensen die door hem van hun kwalen zouden zijn verlost.
Hij is zelfs al meerdere keren 'gezien' door moderne profeten en heeft tegen zeker een dame 'gesproken'.
Nog dagelijks wordt zijn graf door tientallen mensen bezocht en nog elke eerste vrijdag van de maand vindt er een massaal bezochte plechtigheid plaats.
Wanneer Herman Wijns op 26 mei 1941 niet was overleden aan de gevolgen van een hersenvliesontsteking na een verwonding aan zijn knie was hij vorige week (15 maart) wellicht 75 jaar geworden.
Maar er zijn dit jaar meer jubilea als het om Ons Hermanneke gaat.
Zaterdag 27 mei vindt er in de St. Bartholomeuskerk de 21e Herman Wijns-dag plaats en wordt de 65e sterfdag van Herman gevierd.
In zes afleveringen brengen we u daarom het leven van Herman Wijns.
Opvoeding Herman, de Kleine Pastoor had een goed karakter, we zagen het al in de vorige afleveringen..
Liegen of bedriegen was niet des Hermans, iemand kwetsen kwam niet bij hem op.
Hij had eens gehoord hoe iemand zijn vader, Jozef Wijns in diens afwezigheid beledigde.
Herman vertelde niemand over hetgeen hij gehoord had, maar terug naar die man wilde hij niet.
Wanneer men hem vroeg wat hij toch tegen de beste man had, zweeg hij diplomatiek - zeven jaar oud.
Zeer gelovig was Herman en dat zal veel te maken hebben gehad met de opvoeding die het kereltje kreeg.
Zijn moeder, Johanna Dens was een fijngevoelige en toegeeflijke vrouw, zijn vader een zeer vroom man.
Pastoor Wuyts wilde de vader van Herman Wijns tot het priesterambt beroepen, maar daar stak grootmoeder Wijns een stokje voor. Als weduwe had ze al haar zoons nodig om rond te komen
Vader Jozef Wijns kwam uit een groot en kinderrijk (acht) gezin en aangezien grootvader Wijns overleed voor zijn oudste zoon volwassen was moest ook vader Wijns al jong gaan werken.
Er waren in die tijd nauwelijks sociale voorzieningen en geen werk betekende eenvoudigweg geen brood op de plank.
De vader van Herman was door de pastoor van de St. Bartholomeusparochie - E.H. Wuyts - uitverkoren om priester te worden, maar grootmoeder Wijns dacht daar anders over, hoewel zelf een godvruchtige vrouw van de oeroude stempel.
Afstanden rekende ze in paternosters of weesgegroetjes: ''Van Merksem naar Schoten is drie paternosters'.
Maar hoe christelijk ook, ze zag er het nut niet van in een van haar kinders in een ver oord tot priester opgeleid te laten worden.
Ze had d'r kinderen graag in haar buurt, en aarzelde niet om een van haar zoons zijn vaders trouwring mee te geven toen die moest gekeurd worden voor de militaire dienst...
'Ik bid al' Vader Wijns kwam dus uit een oud-christelijk maar stoer gezin, waar God werd geëerd maar ook hard gewerkt moest worden.
Herman zag zijn vader vaak en lang bidden bij een beeldje van O.L. Vrouw van Lourdes en geïntrigeerd door dat schouwspel imiteerde Herman al als kleuter zijn vader en prevelde met een klein rozenhoedje zijn zelfbedachte gebedjes.
Nog voor zijn eerste H. Communie ging Herman doordeweeks, 's ochtends in alle vroegte, regelmatig met zijn vader mee naar de H. Mis en na de H. Communie deed hij dat elke dag.
De St. Bartholomeuskerk zoals Herman haar kende, met achteraan nog het oude altaar dat bij de verwoesting van de kerk in 1944 verloren ging.
Zoals veel kinderen in die tijd had Herman zijn eigen kerkboekje 'Ik bid al', waarin op elke bladzijde een tafereel uit de H. Mis stond afgebeeld.
Later volgden uiteraard ook 'De Kleinen bij Jezus', een 'Hosannaboekje' en, toen hij 9 jaar oud was, een missaal.
Zijn kinderbijbeltjes waren bij zijn overlijden allemaal stukgelezen: de ruggen eraf of los en alle pagina's beduimeld.
Bidden voor de overledene De jongen moet helemaal overdonderd zijn door de indrukwekkende symboliek van het katholicisme zoals dat in de jaren '30 nog alom tegenwoordig was, en zoals een jongen van zijn leeftijd tegenwoordig voetballer Ronaldinho of rapper '50 Cents' vereert, zo bestond voor Herman alleen de H. Mis.
Heeft een kind van zijn leeftijd anno 2006 misschien een plakboek met voetbalsterren, zo had Herman zijn missaal vol plaatjes van Christus, OL. Vrouw, de H. Jozef of Joannes.
Opvallend aspect aan zijn missaal was de voorliefde voor mensen die waren gestorven.
Achterin treffen we een lijstje aan van alle overledenen van zijn tijd als misdienaar, compleet met datum.
Wanneer hij later als misdienaar mee een lijk moest uitdragen zag men Herman biddend in de begrafenisstoet.
Gevraagd naar het waarom zei hij: Iedereen volgt de lijkbaar, er wordt gesproken en gerookt. Er is echter niemand die bidt voor de overledene.
Vroom was Herman en misnoegd over diegenen die niet naar de wetten van de kerk leefden.
Zo vinden we in zijn missaal bijvoorbeeld ook een lijstje van mensen uit zijn straat (dan al de Wuytslei) die op zondag niet naar de H. Mis gingen, ook weer met datums en al.
Niets of niemand kon Herman weerhouden naar de heilige mis te gaan.
Hij leefde er voor.
Herman Wijns, de Eucharistische Kruistochter
Toen zijn moeder hem eens verbood om naar de H. Mis te gaan omdat het te slecht weer was, antwoordde Herman: Niet naar de Mis, dan ook niet naar school.
Zijn vroomheid en toewijding tot de kerk was natuurlijk ook de broeders van het St-Eduardusinstituut opgevallen en het was daarom dat hij kort na zijn eerste H. Communie door broeder Elianus werd uitgekozen om Eucharistische Kruistochter te worden.
Omdat hij van kindsbeen af op de Eucharistie gericht was bleek Herman een goed Kruistochter en zijn uitverkiezing maakte van hem een nog vuriger Christen.
Zorgen Vanaf Hermans geboorte tot hij een jaar of zeven was verging het vader en moeder Wijns goed.
Hun beenhouwerij op de Bredabaan liep aanvankelijk super, maar de crisis van de jaren '30 trof ook de familie Wijns en in 1938 moest men de boeken toe doen.
Men betrok het gelijkvloers van het pand op de Wuytslei 23 en vader en moeder Wijns moesten uit werken gaan.
Voor mensen die vier gasten en een dienstmeid hadden gehad was het werken voor een baas moeilijk te accepteren en van de zorgeloze sfeer in huize Wijns was al snel niets meer over.
Vader nam zijn toevlucht tot het gebed terwijl moeder Wijns juist van haar geloof viel.
Herman had het daar moeilijk mee.
Zijn moeder ging niet meer naar de kerk en daar maakte de kleine jongen zich grote zorgen over.
Een gebeurtenis waar Herman vrijwel zeker getuige van was: de St. Bartholomeusprocessie op de Bredabaan in 1937
Hij probeerde zijn moeder over te halen, maar gedeprimeerd door de tegenslagen in haar leven kon moeder Wijns het niet opbrengen.
Waarom vraag je het zo dikwijls, klaagde ze tegen haar godvruchtige zoon.
Nu, ik dacht zo maar, zie je... Vake en ik daarboven en jij... zou hij geantwoord hebben.
Herman Wijns gaf al op jonge leeftijd blijk van een groot begrip van het wezen van de katholieke kerk en zij die hem gekend hebben spreken ervan hoe hij nooit aarzelde om de mensen om hem heen te wijzen op het belang van de H. Mis, de H. Communie en de Lithurgie.
Het was dan ook zijn begrip van en zijn toewijding aan de H. Kerk die hem in laatste jaar van zijn leven tot een opmerkelijke misdienaar maakten.
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
ZES EN DERTIGSTE VERSCHIJNING.
Kerstmis, 25 december 1975 om 15.15 uur, de eerste dag.
Madeleine komt om drie uur in de kapel. Aangezien zij weet dat Jezus gaat komen, klopt haar hart van opwinding. Een kwartier later vormt zich de stralenkrans van Licht bij het Heilig Sacrament. Madeleine gaat naar voren en knielt, maar Jezus verschijnt niet. Zij hoort, uitgesproken met krachtige stem :
"God heeft tot de mensen gesproken. Dat zij die belast zijn met de Boodschap, naar zijn stem luisteren. Vanwege hun gebrek aan geloof zal de gehele wereld catastrofes kennen die de vier hoeken der aarde hevig zullen beroeren. Hetgeen u nu meemaakt is slechts het begin der weeën. De mensheid zal geen vrede vinden zolang zij mijn Boodschap niet kent en in praktijk brengt.
Waarop Jezus verschijnt en doorgaat met spreken, wat Madeleine herhaalt.
Wilt u zo goed zijn om hier acht opeenvolgende dagen te komen. U zult een noveen bidden die Ik u iedere dag voorzeg. Mijn Vader, wiens Goedheid oneindig is, wil zijn Boodschap aan de wereld bekend maken, om de catastrofe te vermijden. Meer dan ooit wil Ik een vloedgolf van mijn genade uitstorten over alle zielen in nood. Ziehier, wat Ik aan ieder van die zielen beloof, als zij mijn Boodschap kennen en in praktijk brengen.
"De eerste dag"
Op dit ogenblik brengt Jezus zijn linkerhand naar zijn Hart, schuift zijn lange kleed terzijde en rode en witte stralen stromen naar buiten. De andere hand is naar Madeleine uitgestrekt, naar allen, naar de wereld. Madeleine herhaalt iedere zin.
Ik zal de bitterheid verzachten waarin de ziel der zondaars is gedompeld.
Hierna zegt Jezus tegen Madeleine :
Bidt met Mij : "Onze Vader... enz."
Jezus bidt het in zijn geheel en kalm aan, samen met Madeleine.
Bidt drie keer : "Wees gegroet Maria."
Madeleine bidt dit nu alleen. Waarop Jezus zegt :
Bidt : "Door uw smartvol Lijden, Heer, ontferm U over ons en over de hele wereld. Eer aan God in den hoge. Vrede op aarde en Vreugde aan de mensen, die Hij liefheeft".
Dit zult u iedere dag bidden."
Daarna verdwijnt Jezus.
Moeder van de Goddelijke Barmhartigheid.
Sacramentele Groei
Ook de sacramenten bewerken onze goddelijke groei. Ze zijn een wonderbaar middel ter heiliging en zelfs het gewóne middel waardoor God ons heiligt. Ze zijn de voornaamste levensbronnen, door Isaias aangekondigd: "Gij zult met vreugde de wateren putten uit de bronnen van de Zaligmaker", de bronnen van Calvarië, de wonden van Christus. Alle leven komt van zijn Bloed.
Christus ménsheid is het, die ons door de sacramenten heiligt. "De onnaspeurbare rijkdommen van de Christus", zoals Sint Paulus zegt, worden daardoor ons deel. "Er ging van Hem een kracht uit die genas", meldt ons het Evangelie. Zó is het ook nú nog, als wij met vertrouwen tot Hem naderen. Als de vrouw van het Evangelie worden wij dan hetzelfde uitwerksel van zaligheid gewaar: "Iemand heeft Mij aangeraakt en Ik heb gevoeld, dat er een kracht van Mij is uitgegaan".
Het christelijke leven is een sacramenteel leven. Uit een sacrament worden wij geboren, door een sacrament gevoed, door een sacrament genezen en ons leven wordt versterkt door een sacrament. Enkele er van merken ons met het Christuszegel. Zijn wij met Hem verenigd, dan is het door hun uitwerkselen, want het enige doel van alle sacramenten is de vereniging met Christus en het nauwer toehalen van de band van deze vereniging. Die sacramentele levensgroei ontdekt men slechts met een zekere verbazing; het is ook de groei van Christus in de zielen.
"God, die gezegd heeft: Licht zal schijnen uit duisternis, Hij heeft licht ontstoken in uw harten." De ziel neemt toe in wasdom, vormt zich naar Christus beeld, en "komt" ten slotte "tot de volmaakte leeftijd van Christus".
Dit groeien door de sacramenten wordt ons ook verleend door de tussenkomst van Maria. Zeer zeker, in hem die ze behoorlijk ontvangt, brengen de sacramenten dóór zichzelf hun uitwerkselen teweeg. Men moet hier volstrekt niet denken aan een ingrijpen tussen het sacramentele teken en het voortgebrachte uitwerksel. In die zin denken wij aan Marias bemiddeling niet.
Maar vanwaar komen de sacramenten en het leven dat zij in de zielen voortbrengen? Uit de onuitputtelijke bron die Jezus met Maria op Calvarië deed ontspringen. De sacramenten zijn tekenen van Christus lijden, zij brengen ons de Calvarieberg-genade, en om het verdienen van die genade heeft Maria geleden.
Vanwaar ook komen de vereiste gesteltenissen bij het ontvangen? Van Marias tussenkomst. De volledige genade-orde sluit ook de sacramentele genade in, en wijl Maria heeft meegewerkt aan het tot stand brengen van die orde, werkt zij ook mede aan de uitdeling van die genaden.
Maria is Moeder, Moeder van Christus ledematen, Moeder van de Kerk en de taak van de moeder is het leven meedelen. Haar moederschap openbaart zich echter niet door uiterlijke tekenen; nooit ziet men Maria verschijnen om de sacramenten toe te dienen, of een van de middelen toe te passen, waarvan de bedienaren van de Kerk gebruik maken. De priesterlijke macht bezit Maria niet, maar het priesterschap, dat Jezus instelde en bezielde, steunt in zijn bediening op haar moederschap.
Ook de Kerk is moeder, door de sacramenten geeft zij het leven. Hóger dan dat van de Kerk staat echter Marias moederschap. De Kerk is met God verenigd, opdat de uitverkorenen kinderen van God worden. Maar méér dan de Kerk is Maria, om Godskinderen voort te brengen, tot die goddelijke vereniging geroepen. Haar moederschap kent geen grenzen; het beantwoordt aan het vaderschap van God. God heeft Zich een Hem gelijkvormige hulpe gemaakt, die zijn wil, aangenomen kinderen, broeders van Jezus te vormen, ijverig te werk stelt. Hij heeft een moederschap geschapen, dat aan de werkingen van zijn vaderschap niet te kort doet.
Ten slotte, waaróm de sacramenten? Om aan de ledematen van het mystieke Lichaam het leven mee te delen. Het doopsel lijft ons bij Christus in; de Eucharistie geeft ons zijn leven en bewerkt de eenheid van de mystieke Christus. Maar werkt Maria er niet aan mee? De functie van het moederschap is de opbouw van het leven en de vereniging van de ledematen die het lichaam moeten vormen. Maria is de bewerkster van de eenheid van Christus ledematen. In háár schoot hebben, in de persoon van Jezus, de Godheid en de mensheid zich verenigd; onder háár invloed komt ook de mystiéke Christus tot eenheid. Gaat het om vorming het leven betreffende, dan is het Maria die werkt; haar komen de innerlijke verrichtingen van het moederschap toe.
Als de heilige Leo naar aanleiding van de Menswording over het doopsel en de sacramenten spreekt, verzekert hij, dat de tussenkomst van de Heilige Geest, die ze krachtdadig maakt, de uitbreiding is van Diens werking in de schoot van de Maagd. "Dezelfde kracht van de Allerhoogste, dezelfde werking van de Heilige Geest, die Maria de Verlosser deed baren, brengt in het herscheppende waterbad de gelovige voort". Zo waar is het, dat alles begon in de schoot van Maria en met haar medewerking.
Wat zijn op stuk van zaken de sacramenten anders dan Christus mensheid, die zich ten dienste stelt voor onze heiliging? Die mensheid is Gods grote sacrament, "de levensstroom" waarvan de Apocalyps ons spreekt. Die mensheid nu heeft Maria ons gegeven. "Van háár, eerste oorsprong van Jezus bloed, van haar uit," zegt Bossuet, "begint zich uit te storten die heerlijke genadestroom, die door de sacramenten in onze aderen vloeit en de levensgeest brengt in heel het lichaam van de Kerk." Aan de bron van de sacramenten zetelt Maria. Zij passen op ons toe de kracht van het Bloed, dat Jezus van háár ontving.
Deze waarheid geldt meer in het bijzonder de Eucharistie. Het Lichaam dat Zich in het sacrament omsluiert, is het Lichaam dat uit de maagd Maria werd geboren, zoals de liturgie telkens herhaalt. De Eucharistie mogen wij dan ook de grote gave van Maria noemen. "Mijn welbeminde broeders," zei Sint Petrus Damianus, "overweeg hier, ik bezweer het u, hoeveel wij aan de gelukzalige Moeder van God verschuldigd zijn, en hoe wij haar, ná God, voor een dergelijk grote weldaad moeten danken. Het Lichaam van Christus dat zij heeft gebaard en in haar schoot gedragen, dat zij in doeken gewikkeld heeft en, moederlijk liefkozend, met haar melk gevoed, is hetzelfde Lichaam, dat wij ontvangen aan de heilige Tafel; het is háár bloed dat wij in het sacrament onzer verlossing drinken..... Neen, geen menselijk woord is bij machte, háár, uit wie de Middelaar tussen God en mens zijn Vlees nam, naar waarde te prijzen. Welke eerbetuiging wij haar ook mogen brengen, nooit evenaart deze haar verdiensten, want in haar zuivere schoot heeft zij voor ons het onbevlekte Vlees bereid dat ons voedt."
Dit voedsel wil Maria, als de beste van de moeders, ook géven. Haar wil is in de voltrekking van dit mysterie innig verenigd met die van de Vader en de Zoon, evenzeer als hij er mee verenigd was in het geheim van de Menswording en van de Verlossing. "De Eucharistie," zegt Sint Thomas, "is de voltooiing van de goddelijke gave: divinae donationis complementum."
Toen deze gave haar aanvang had genomen, toen God de wereld zó had bemind, dat Hij zijn enige Zoon gegeven had, en die Zoon Zich zelf gaf en overleverde, schonk Maria te Bethlehem, in de Tempel, op Calvarië, óók uit liefde, die Zoon, haar hoogste Goed, aan ons. Is het dan niet passend, dat zij, bij de voltooiing van die grote gave, nu de Zoon ons als voedsel wordt geschonken, ook werkdadig er bij tegenwoordig is, en ook zij ons geeft die "voltooiing van de goddelijke gave", de eucharistische Spijze?
Meer dan één heilige heeft geschreven, dat Jezus op Marias gebed de Eucharistie instelde. Zij waren van mening, dat Maria op het ogenblik van de Menswording, toen zij aan de goddelijke plannen haar goedkeuring schonk, al de consequenties van de Menswording aanvaardde. Zeker kende zij de Eucharistie, toen Jezus, tijdens zijn openbaar leven, het haar plechtig beloofde. Door haar innige deelname aan het kruismysterie werd Maria ook verbonden met zijn altijddurende voortzetting, het offer van het altaar, dat haar kinderen zou doen delen in de vrucht van het Bloed. Toen ook wilde Maria ons deelachtig-zijn aan het Levensbrood.
Bekend is de bekering van pater Hermann. Maria verscheen hem en met hem sprekend zeide zij ook dit: "Kom het brood eten, dat ik met de maagdelijke wijn van mijn maagdelijk bloed heb gekneed, kom de wijn drinken die ik uit mijn zuiverste bloed heb geperst. Wilt gij de moeder kennen die gij bij voorkeur moet volgen, let dan op de vrucht, op het voedsel dat zij u geeft; beschouw de vrucht van mijn schoot". En terwijl zij hem de monstrans toonde: "Dit is mijn vrucht, de Eucharistie".
Men moet echter tot de sacramenten naderen met de vereiste gesteltenissen. Ontmoet de genade geen tegenstand, dan zal zij rijk aan vruchten zijn en dit te meer, naarmate onze gesteltenissen volmaakter zijn. Ieder ontvangt bij de heilige Communie de gehele Christus; sommigen trekken er weinig voordeel uit, anderen echter, die beter gestemd zijn, worden met goddelijk leven als overstroomd.
Hier is Marias tussenkomst allerkrachtdadigst. Door háár gebed verkrijgen wij de goede gesteltenissen voor het ontvangen van de sacramenten en, zoals overigens alle genaden, deelt zij ons die mee.
Zij siert ons met de gesteldheid en de deugden die God zo gaarne in ons ziet; moeders zijn immers gewoon haar kinderen op te smukken, om ze beminnelijk te maken. In de Openbaringen van de heilige Gertrudis vinden wij een bekoorlijk verhaal van hetgeen Maria doet, om haar kinderen voor te bereiden tot het ontvangen van de sacramenten.
"Gedurende de heilige Mis waaronder Gertrudis zou communiceren, zag zij Gods Moeder vervuld van de luister en de majesteit aller deugden, en nederig aan haar voeten knielend, bad zij de heilige Maagd haar te willen bereiden voor het ontvangen van het Lichaam van haar Zoon. Toen gaf de heilige Maagd haar een zeer mooi halssnoer met zeven afdelingen, naar het scheen. Aan elke afdeling was een steen van grote waarde bevestigd. En al die stenen stelden de buitengewone deugden voor die aan Onze Heer Jezus Christus in zijn heilige Moeder hadden behaagd. Toen de heilige Gertrudis met dit halssnoer voor haar God en Heer verscheen, was Deze zo verrukt over die deugden glans, dat Hij, als door liefde vervoerd, Zich tot haar overboog, haar op goddelijke wijze in Zichzelf trok, en haar, als in zijn binnenste opgesloten, met zijn reine en kuise liefkozingen vereerde."
Als de heilige Gertrudis de deugden opsomt die Maria haar verwierf, noemt zij het eerst de nederigheid.
Altijd moet men de Menswording indachtig blijven. Als uitgangspunt van het Christusmysterie neemt dit geheim in ons geestelijk leven een allervoornaamste plaats in: "De Menswording," zegt Bérule, "is een geheim, dat God met de mens, en de mens met God verbindt; en men moet zichzélf verenigen met dit mysterie..... het is van doeltreffende kracht, en men moet er de vruchten van plukken en de invloed van zijn werking ondergaan." Welnu: "De genade die aan de Menswording eigen is, is een genade van onthechting en kruisiging, een genade van zelfverzaking en vernietiging".
Maria was geheel en al doorgeurd van die genade. Haar verheven geloof wierp in haar geest een schitterend licht op de goddelijke grootheid, en, bij terugstraling, op haar eigen "niet". "Weet ge, wie gij zijt en wie Ik ben?" zeide de Heer tot de heilige Catharina van Siëna. "Ik ben die ben en gij zijt die niet zijt."
Niemand heeft deze waarheid beter begrepen en meer bemind dan Maria. Gód was alles: zij was niets. Dit wist Maria niet alleen, maar met heel haar ziel beminde zij die waarheid. Zij zag duidelijk in, dat zij slechts was, wat God wilde wat zij zijn zou, en die absolute afhankelijkheid had zij lief. In het licht dat haar bestraalde was haar "niet" voor haar een bron van welgevallen, en het kwam niet bij haar op, iets van haar zielerijkdom aan zich zelf toe te schrijven. Evenals haar wonderlijke zuiverheid haar beveiligde tegen elk zindelijk genot, zo behoedde de nederigheid haar voor elke geestelijke zelfvoldoening. Uit zichzelf is zij de arme vrouw, van zichzelf ontdaan, aan zichzelf onttrokken. Geheel aan God toebehorend, volmaakt naar God gericht, verwacht zij haar God. De schaduw van de Allerhoogste bedekt haar dan ook en zij ontvangt het Woord. "Virginitate placuit, humilitate concepit," zegt Sint Bernardus: "Zij behaagde aan God door de maagdelijkheid, zij ontving Hem door de nederigheid."
Over de heilige Mis sprekend, zeide pater de Condren: "Bij deze handeling moeten wij ons vernietigen en louter ledematen van Jezus Christus zijn". Dit nu is de geest van onthechting, van losmaking van zichzelf, de geest van de Menswording. De sacramenten, de heilige Communie vooral, zullen ons met Christus omkleden, zoals Sint Paulus zegt, maar slechts dán, als wij ontdaan zijn van ons "ik". Verwacht gij God? Wilt gij aan God gelijkvormig worden? Ontdoe u van uzelf. Gaat gij niet tot de van alles beroofde Jezus? In de Hostie is Jezus in zijn goddelijke armoede. Alles is voor het oog verdwenen, niet slechts zijn Godheid, ook zijn mensheid. Het Woord zwijgt er. Het is Christus hoogste onthechting.