Door te bidden zal Ik elke boze geest bestrijden die probeert je te naderen; Daniël;
15 MEI 1986.
Jahweh
Zal je leiden; wees goed met alle mensen en met alles; deze manier van schrijven is een gave van God; prijs de Heer; ere zij God; Daniël;
Wordt vervolgd.
NIEUWE BOODSCHAP VAN HILLE KOK.
De Strijd is hevig - Houdt stand !
Datum: Zon, 2011-04-03
Profeet: Hille Kok
"De Strijd is hevig - Houdt stand !"
Hille Kok, Nederland, 3 april 2011
1. HIL11040305 - Opmerking: De oorspronkelijke tekst werd aangepast aan de normen der Nederlandse taal zoals die in de Zuide-lijke Nederlanden gelden, zonder de betekenis geweld aan te doen.
2. « Mijn Volk,
Gij, belagers van het volk,
eens zult gij bedrogen worden !
Het oog van de Almachtige zal u volgen.
Zijn gerechtigheid zal u overvallen.
Waarlijk: Ik Ben, Die Is [Jahweh] zal u ontmaskeren,
en zal zichtbaar laten worden, wie gij zijt.
Is uw verstand dan zó verduisterd,
dat gij de waarheid niet meer ziet ?
Dwazen zijt gij, die niet zien,
en niet luisteren naar wat de Vader hen zegt.
Gij oordeelt, en gij liegt en bedriegt.
Waarlijk: De Vader zal ook u zó behandelen.
De waarheid overwint alles.
Lacht, spot, en bedriegt elkander maar.
God zal Zijn oordeel over u vellen,
als gij niet om vergeving vraagt
in het Sacrament van de Biecht.
HET ZAL VRESELIJK WORDEN VOOR VELE MENSEN.
WEEST GEREED -
MAAKT UW ZIEL IN ORDE
VÓÓR DE GROTE GEBEURTENISSEN,
DIE U PLOTSELING ZULLEN OVERVALLEN.
DOOR DE SCHRIK
ZULLEN VELEN HET NIET OVERLEVEN.
De strijd - Mijn volk - is een geestelijke strijd.
De vijand - de duivel - is woedend.
Hij zal door zijn sluwheid vele zielen verloren doen gaan.
Blinden zijt gij geworden.
Sexueel verslaafden - Robots zonder gevoel.
Door het vele sexuele kwaad zijt gij verbonden met de duivel.
O, zondige mens, waar is uw eergevoel ?
Luistert toch !
Alléén hier op de aarde kunt gij verdienen
wat uw eeuwig lot zal zijn,
en wel door in zuiverheid te leven.
Gij zult het vernemen
als gij voor het goddelijk Gerecht zult staan -
Weest strijdbaar in uw geloof !
Laat het licht vanuit u schijnen.
Draagt het goddelijk licht,
door het heilig Kruisje te dragen.
Luistert naar wat Ik u zeg:
Het Kruisje zal uw redding zijn.
Ziet gij dan niet, hoe bezorgd Ik ben,
omwille van de vele goede mensen,
en daarom wil Ik u waarschuwen.
Maar gij luistert niet !
Het doet de Vader pijn;
De liefde van de Vader is immers groot !
WEET WEL: DE OORLOG IS ZEER NABIJ.
De chaos in de wereld is een drama.
Zo veel leed en armoede zal er komen.
De tranen vallen dan op de aarde,
tranen van verdriet en troosteloosheid,
ontroostbaar zullen velen zijn,
door het verlies van bijna alles !
Zij vergeten de reddende hand van de Vader,
die hen wil helpen.
Meedogenloos zijn velen geworden.
Zij draaien de mensen dol door hun onmogelijke regels.
Zij nemen de vreugde weg van de mensen.
Moedeloosheid en zelfs moord en zelfmoord is hun uitweg.
Vraagt toch aan de Moeder Gods om raad voor uw problemen.
Maria weent omwille van het verdriet van haar kinderen.
Komt, bidt de Rozenkrans.
Maria, wil u immers helpen en beschermen onder Haar mantel !
STORMEN, ZWARE REGENS,
EN OVERSTROMINGEN
ZULLEN DE AARDE RONDOM U TREFFEN
Ook treffen u de radio-actieve stralen,
waar vele mensen doorheen stappen,
zonder dat zij merken,
dat zij er ziek van worden.
Er zijn zo vele gevaren,
dicht om hen heen,
die de mensheid niet ziet.
Laat de Vader u allen toch vast mogen houden
zodat Zijn Liefde in u over zal kunnen gaan.
Dan zal de rust in uw binnenste wederkeren.
Vertrouwt op de Vader.
Blijft dicht bij Hem
in deze verdorven wereld,
vol angsten en kwaad.
Laat toch de Vader en de Moeder Gods
voor ons een reddingsboei zijn.
Amen. »
HILLE KOK heeft laten weten,
dat alle Kruisjes DRIE EURO PER STUK kosten,
ongeacht het aantal
Besteladres:
Asterstraat 43
NL 1131 LR VOLENDAM
DE WELDAAD VAN DE BIECHT.
DE WELDAAD VAN DE BIECHT.
Dierbare broeders en zusters,
In de wereld van vandaag waar er zoveel geestelijke nood heerst is het belangrijk dat de mensen de weg van vergeving en bekering terug ontdekken.In het sacrament van de verzoening of de heilige biecht is het de Heer zelf die naar ons toe komt om ons zijn vergevende en barmhartige liefde te schenken. Heel vaak wordt de biecht echter als te oppervlakkig opgevat en kent men de waarde van dit sacrament niet meer. Degenen die denken dat zij geen zondaars zijn leggen er graag de nadruk op dat ze niemand hebben vermoord, niets hebben gestolen of niets in brand hebben gestoken. Ze denken dat dit alles is wat men moet biechten. Weinigen zijn er zich van bewust dat men ook zonden van nalatigheid moet biechten. Degenen die vrijdenkend zijn voegen er aan toe dat de biecht een onnodige belasting voor de gelovige is en dat men rechtstreeks tegenover God zijn fouten moet belijden en niet tegenover een bemiddelaar, een priester, die ook maar een gewoon mens is. Deze en gelijke overwegingen tonen aan dat de biecht veel te oppervlakkig wordt gezien. De biecht moet vóór alles als een ontmoeting van een mens met de barmhartige God worden gezien, zoals de terugkeer van de verloren zoon in het huis van de barmhartige Vader. Datgene wat gebiecht moet worden is niet alleen het bedreven kwaad maar ook iedere verzuimde goede daad, het niet beminnen van God en de naaste. De liefde is het grootste gebod. Het niet beminnen is de grootste zonde tegen dit gebod dat ons door Jezus Christus werd gegeven. Wie nooit zondigt tegen het gebod van de liefde zou werkelijk vrij van zonden zijn. Wij zijn echter allemaal zondaars. Wij zijn allemaal gewond door de zonde en hebben allen, door het tekort van liefde ontvangen en liefde geven, genezing van onze wonden nodig. Deze genezing verkrijgen wij in het sacrament van de biecht. Evenals de zieke een dokter en het juiste geneesmiddel nodig heeft om gezond te worden, zo heeft ook onze ziel de genezing door Jezus Christus nodig. Als de biecht op deze manier wordt gezien, wordt ze veel aantrekkelijker.
VOORBEREIDING OP DE BIECHT.
Als we ons willen laten verzoenen met God en de medemens door de biecht, is het belangrijk dat wij ons daarop voorbereiden. Dit kunnen we best doen door ons hart en ons geweten in het licht van God te plaatsen. Onder andere door de tien geboden van God te overwegen en onszelf daarbij te onderzoeken. Daarom is het goed eerst de heilige Geest te aanroepen opdat Hij zijn werk zou kunnen doen en onze wegwijzer zou zijn. Want Hij is het ware licht die ons hart en ons verstand verlicht. Hierbij dienen we ons ervoor te hoeden dat we opzettelijk geen zonden "verbergen" en er rekening mee houden dat de boze, de verleider en vijand van de Heer, niet wil dat wij gaan biechten. De Heer zelf kent de meest duistere plaatsen van ons hart, maar Hij kan er niet binnentreden zolang wij Hem niet toelaten. Juist op die plaatsen houdt de verleider ons als een slaaf gevangen.
"Het priesterschap is de Liefde van het Hart van Jezus"
(Heilige pastoor van Ars)
DE WAARDE VAN DE PERSOONLIJKE BIECHT.
Door je zonden openlijk te belijden, d.w.z. ze onder ogen te zien en ze aan de biechtvader (die krachtens het sacrament van het priesterschap de Barmhartige Jezus vertegenwoordigt) te vertellen, plaats je ze in het licht van God en moet de vorst der duisternis ze loslaten. Zulk een persoonlijke belijdenis is niet mogelijk in een gemeenschappelijke biechtviering met veel mensen te samen. Dit zou trouwens ook niet geoorloofd zijn, want God respecteert de intimiteit van de ziel. Dat dit alles niet gemakkelijk is, hoeft ons niet te verwonderen. Vaak moeten wij afstand doen van hoogmoed en kiezen voor nederigheid, en dat kan pijn doen. Daarbij komt nog dat we maar al te graag onze persoonlijke zonden willen koesteren en die liever niet in het Licht van de Heer brengen. Maar door het nederig erkennen van onze zwakheden, de spijt en oprecht berouw over onze zonden opent ons hart zich voor Gods Barmhartige Liefde. Wanneer wij echter onze zonden trachten te verontschuldigen of te verbergen maken wij onszelf tot hinderpaal voor de genade die God ons wil schenken.Om goed zijn zonden te verbergen, moeten ze goed worden gebiecht (H.pastoor van Ars). Het komt er dus op aan ons zo oprecht mogelijk voor te bereiden en ons te onderzoeken, maar ook niet in angst. Want zodra wij het biechtgebeuren binnentreden, zijn wij mensen die door de genade van God zijn uitgenodigd.
MARIA, TOEVLUCHT DER ZONDAARS.
De heilige Pastoor van Ars, de "specialist" in het biecht horen, moedigt de zondaar aan zich tot de Moeder van Jezus te wenden. "De heilige Maagd staat tussen haar Zoon en ons. Hoe meer we gezondigd hebben, des te meer medelijden en tederheid zij koestert voor ons. Het kind dat het meest tranen heeft gekost ligt haar het dichtst aan het hart. Zal een moeder niet immer het meest bezig zijn met haar zwakste en meest bedreigde kind?"
Voorbereiding op de biecht : gebed tot de heilige Geest en gewetens onderzoek
1. GEBED TOT DE HEILIGE GEEST.
Kom, heilige Geest, vervul mijn hart met uw licht. Geef dat ik mag inzien waar ik tegen God en tegen mijn naaste heb gezondigd. Schenk mij vooral de genade van een oprecht berouw en het verlangen om mijn leven in Jezus te vernieuwen.
2. GEWETENSONDERZOEK : DE TIEN GEBODEN
Bovenal bemin één God
Komt God werkelijk op de eerste plaats, bemin ik God wel ?
Heb ik afgoden gemaakt of ben ik slaaf van hen geworden ? (TV, internet, genotsmiddelen, bepaalde personen, geld, )
Zweer niet ijdel, vloek noch spot
Spreek ik met eerbied over God en over Zijn heilige Kerk ? Heb ik gespot met alles wat heilig is ?
Heb ik Hem verwenst of heb ik de slechte gewoonte om te vloeken ?
Heilig steeds de dag des Heren
Is de zondag wel heilig voor mij ?
Als ik naar de eucharistie ga, op welke manier ga ik dan ? Uit verplichting, uit gewoonte, voor de schone schijn, ? Ben ik dan echt aanwezig bij de Heer ?
Vader, moeder zult gij eren
Heb ik eerbied voor vader en moeder of bemin ik hen slechts om iets van hen te verkrijgen ?
Aanvaard ik als ouder mijn kinderen als een geschenk van God die Hij mij heeft toevertrouwd ?
Dood niet, geef geen ergernis
Heb ik abortus gepleegd of heb ik meegewerkt of de raad gegeven om abortus of euthanasie toe te passen ?
Haat ik bepaalde mensen of heb ik met mijn woorden hen gekwetst ?
Ben ik in staat te vergeven zoals Jezus vergeeft ?...
Doe nooit wat onkuisheid is
Heb ik eerbied voor mijn lichaam, besef ik dat mijn lichaam de tempel is van de heilige Geest ?
Viel ik in zelfbevrediging ?
Leef ik al voor het huwelijk samen ?
Bedreef ik overspel ?
Beleef ik het huwelijk zoals de Kerk het vraagt ?...
Vlucht het stelen en bedriegen
Ben ik eerlijk of heb ik gestolen ?
Heb ik mensen bedrogen ?....
Ook de achtklap en het liegen
Spreek ik achter de rug van de mensen en hoe spreek ik over hen ? Of deed ik mee aan kwaadsprekerij ?....
Heb ik gelogen of lieg ik om er goed uit te komen ?
Wees steeds kuis in uw gemoed
Zijn mijn gedachten en mijn ogen zuiver ?
Heb ik begerig naar iemand gekeken en waak ik er op om mijn hart en mijn gedachten zuiver te houden?....
En begeer nooit iemands goed
Ben ik tevreden met wat ik heb of ben ik jaloers ?
Denk ik alleen aan mezelf of help ik ook hen die minder hebben ?....
VERLOOP VAN DE EIGENLIJKE BIECHT.
- Indien je reeds lang niet meer naar de biecht ging of niet meer weet hoe dit gebeurt, kun je hulp vragen aan de priester. Hij is er om je op weg te helpen.
- Je hebt je gewetensonderzoek nu gedaan. Nu kun je het in het licht van God brengen en vertrouwen op Zijn barmhartigheid.
- Bij het begin van de biecht kan je vragen dat de priester je zegent voor een goede biecht.
Hij zegt je : "De Heer zij in je hart en op je lippen om goed en oprecht je zonden te belijden."
- Je noemt nu je zonden en je tekorten
- De priester luistert in Jezus Naam en spreekt een woord van bemoediging of geeft je raad.
De priester zal je ook een boete of penitentie voorstellen als eerherstel en vraagt je een akte van berouw te bidden.
Mijn Heer en mijn God,
Het is mijn leed dat ik tegen uw opperste majesteit misdaan heb. Ik verfoei al mijn zonden, niet alleen omdat ik uw straffen heb verdiend; maar vooral omdat ze U mishagen die oneindig volmaakt en alle liefde waardig zijt. Ik maak het vast voornemen mijn leven te beteren en de gelegenheden tot zonde te vluchten. In dit berouw wil ik leven en sterven.
- Nu ontslaat de priester in Jezus Naam je van je zonden, terwijl hij de handen oplegt
Bronvermelding
VON SPEYR Adrienne, De biecht
Dr. BARBARIC Slavko, Geef mij je gewonde hart
Folder gebedsschool, De weldaad van de biecht
AAN ALLEN EEN GEZEGENDE VRIJDAG TOEGEWENST.
N. ( M ).
DE ACHT ZALIGHEDEN.
N. ( M ).
JESAJA 11, 5-9.
N. ( M ).
SINT ANTONIUS.
N. ( M ).
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
VIER EN TWINTIGSTE VERSCHIJNING.
Vrijdag, 28 februari 1975 van 15.00 tot 15.30 uur.
Jezus verschijnt met zijn armen langs zijn lichaam. Hij lacht Madeleine toe, legt zijn linkerhand op zijn borst en heft zijn rechter op alsof Hij wil zegenen. Zijn gelaat is vol van goedheid, de uitdrukking op zijn gezicht en van zijn ogen spreekt van meest verheven goedheid en grote zachtheid.
Na enkele ogenblikken zegt Hij :
"Zegt de priester :
"Ik wil mijn Barmhartigheid uitstorten in de mensenharten, allereerst bij hen die de Boodschap kennen en vervolgens bij de gehele wereld".
Laten zij die tot taak hebben het Glorierijke Kruis te doen oprichten, niet blind zijn, want er zal geen ander teken zijn dan dat van deze profetes, die geroepen werd vanuit de duisternis tot het Licht.
Voorwaar, geen ander teken zal er zijn, want dit geslacht is het meest schijnheilig en boos."
Alvorens Madeleine te verlaten, heeft Hij zijn handen en armen langs zijn lichaam laten zakken. Hij heeft hem geglimlacht en verdwenen.
De heilige Eucharistie.
Wie gaat communiceren behoort zich met grote ijver
op Christus komst voor te bereiden.
De Heer: Ik ben de Minnaar van zuiverheid en de Gever van alle heiligheid. Ik zoek een zuiver hart en daar is de plaats van mijn rust. Maak voor Mij de grote, open zaal gereed; dan zal Ik met mijn leerlingen paasfeest bij u vieren. Als gij wilt dat Ik tot u kom en bij u blijf, doe dan de oude zuurdesem weg en zuiver de woonplaats van uw hart. Sluit heel de wereld buiten en heel het tumult van gebreken; zit als een eenzame mus op het dak en denk aan uw overtredingen in de bitterheid van uw gemoed.
Iedere geliefde immers brengt voor haar minnaar de beste en mooiste plaats in gereedheid, want daaraan wordt de genegenheid erkend van wie de beminde ontvangt. Weet echter wel dat gij met de verdienste van uw eigen daden voor deze voorbereiding niet kunt volstaan, al zoudt gij u zelfs gedurende een heel jaar voorbereiden en niets anders in de geest hebben.
Maar uit louter liefde, op grond van mijn genade wordt u toegestaan tot mijn tafel te naderen, alsof een bedelaar aan de maaltijd van een rijke werd genodigd en deze niets anders zou hebben om op die weldaad te antwoorden dan zich te vernederen en hem dank te zeggen. Doe wat in uw vermogen is en doe het met ijver; niet uit gewoonte, niet omdat het moet, maar neem het Lichaam van de geliefde Heer uw God tot u met eerbiedige vrees en met liefde, nu Hij zich gewaardigt tot u te komen.
Ik ben het die heb geroepen; Ik heb bevolen dat dit zou gebeuren; Ik zal aanvullen wat u ontbreekt, kom en ontvang mij. Als Ik, de Heer uw God, de genade van godsvrucht geef, zeg dan uw God daarvoor dank, niet omdat gij waardig zijt, maar omdat Ik mij over u ontfermd heb. Als gij niets hebt, maar u eerder dor voelt, blijf dan met aandrang bidden, zucht en klop; houd niet op totdat gij verkrijgt een kruimel of druppel van heilzame genade op te vangen.
Gij hebt Mij nodig; Ik heb u niet nodig. En gij komt niet Mij heiligen, maar Ik kom u heiligen en beter maken. Gij komt om door Mij geheiligd en met Mij verenigd te worden, om nieuwe genaden te ontvangen en opnieuw tot levensverbetering te worden aangevuurd. Wil deze genade niet verwaarlozen, maar bereid met alle ijver uw hart voor en voer uw Beminde bij u binnen. Gij behoort u echter niet alleen tot godsvrucht voor te bereiden vóór de Communie, maar u ook zorgvuldig in die godsvrucht te bewaren na het ontvangen van het Sacrament.
Niet minder behoedzaamheid daarná wordt vereist dan godvruchtige voorbereiding tevoren. Want een goede zorg daarná is weer de beste voorbereiding om groter genade te ontvangen. Zeer slecht voorbereid is iemand hierdoor dat hij terstond, al te onbeteugeld uitwendige voldoening zoekt. Wacht u voor het veel spreken, blijf in de eenzaamheid en geniet van de goddelijke aanwezigheid. Want nu hebt gij Hem die heel de wereld u niet ontnemen kan. Ik ben het aan wie gij u geheel moet wegschenken, zodat gij voortaan niet meer in uzelf, maar in Mij zonder enige bezorgdheid blijft leven.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
TE ARRAS.
Boek 9 - KAP. 92
Toen de echtgenoot van de heilige Birgitta reeds op de terugtocht was van zijn bedevaart naar het graf van St. Jacobus, werd hij te Arras ziek. En toen de ziekte toenam, was de bruid van Christus zeer beangst, maar werd waardig bevonden om door de heiligen Dionysius getroost te worden. Deze verscheen haar onder haar gebed en zeide : "Ik ben Dionysius, die uit Rome naar dit gedeelte van Frankrijk ben gekomen om er in mijn leven Gods woord te prediken. Daar gij mij met bijzondere genegenheid liefhebt, voorzeg ik u, dat God door u aan de wereld geopenbaard zal worden en dat gij aan mijn hoede en bescherming zijt toevertrouwd. Daarom zal ik u altijd bijstaan, en als bewijs hiervan verzeker ik u, dat uw echtgenoot niet aan deze ziekte sterven zal." En aldus heeft Sint-Dionysius haar in Openbaringen vele malen bezocht en getroost.
14-04-2011
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE DONDERDAG.
N. ( M ).
ORACION DE SANIDAD2/3(PADRE MOISES LARRAGA)
ORACION DE SANIDAD2/3(PADRE MOISES LARRAGA)
Mijn Engel Daniël. ( Vasulla Ryden.)
12 MEI 1986.
Vrede voor jou; bid; ik wil je losmaken en je aan God binden; wacht maar en je zult zien; je zult mij grote vreugde bereiden heb God nodig; Jezus zuivert je; ga naar Hem, ontmoet Hem door gebed;
(Later ).
Luister naar mij; bemin God meer want Hij bemint jou en is nu en voor altijd dichtbij je; span je nog meer in, mijn beminde; lees in de Bijbel; Daniël; concentreer je speciaal in het gebed; God zegent je; Daniël;
(Nog later )
Ere zij God, omdat Hij jou aan mij heeft toevertrouwd om je nader tot Hem te leiden; bid nu een gebed; wees niet bang voor mij; ik heb vertrouwen in God op Wie je zou moeten steunen, in vrede; Hij bemint je; verheerlijk Hem, prijs Hem; ere zij God; prijs de Heer; Daniël;
13 MEI 1986.
Vrede zij met je;
Jahweh
Bemint je; ik moet je meer aan Hem binden; bemin
Jahweh
Meer; Daniël;
Wordt vervolgd.
DE HEILIGE GEEST.
N. ( M ).
VRIENDELIJK LICHT.
N. ( M ).
PSALM 23.
N. ( M ).
feest van h. Martinus, paus en martelaar.
AVE MARIA Abbaye Saint-Joseph de Clairval
21150 Flavigny sur Ozerain
France.
email : abdij@clairval.com
Brief van 13 april 2011,
feest van h. Martinus, paus en martelaar
Dierbare Vrienden,
In mei 1873 maakt Apostolisch Vicaris van Hawaï, Mgr. Maigret, tegenover een paar van zijn priesters gewag van zijn zorg om de staat van verwaarlozing waarin de lepralijders verkeren. Sinds 1864 verspreidt de vreselijke plaag van lepra zich door de archipel. De regering onderkent het gevaar en besluit de lepralijders te isoleren. «Dit is een situatie die mij zeer verontrust. Ik denk vooral aan die arme lepralijders waarvan er zo'n groot aantal ieder jaar komt te sterven zonder hun ziel te hebben gezuiverd alvorens voor God te verschijnen en die tijdens hun leven geen enkele morele verlichting vinden van hun beproevingen. Maar, Monseigneur, antwoordt pater Aubert, u hoeft maar een onder ons aan te wijzen om hun herder te worden en u wordt gehoorzaamd!» Alle priesters zijn unaniem bereid te vertrekken. Een van hen, pater Damiaan de Veuster, zegt met vaste stem: «Monseigneur, ik herinner me dat ik onder het doodskleed lag op de dag van mijn kloostergeloften om te leren dat de vrijwillige dood het principe is dat ten grondslag ligt aan een nieuw leven en zoals ik hier voor u sta, ben ik bereid me levend te begraven samen met die ongelukkigen van wie ik er meerdere persoonlijk ken. Hoe oud bent u? vraagt Mgr.Maigret. Drieëndertig jaar. De leeftijd van Onze-Lieve-Heer ten tijde van zijn kruis», hervat de bisschop.
Een gangmaker.
Hij die door de heiligverklaring op 11 oktober 2009 Heilige Damiaan is geworden, werd op 3 januari 1840 geboren in Tremelo, in Vlaams Brabant. Hij is dezelfde dag gedoopt en krijgt de naam Jozef. Zijn vader bezit een boerderij en beheert een graanhandel waardoor het groot gezin acht kinderen in betrekkelijke welstand kan leven. In dit christelijk huisgezin, waarin vier kinderen religieuzen worden, haalt niemand het in het hoofd af te wijken van de geboden Gods en die van de Kerk; zelfs naaiwerk is op zondag verboden. Op die dag gaat heel het gezin naar de parochiekerk voor de Mis en de Vespers. Door de week bepaalt het gebed met heel het gezin het ritme van de dag. 's Avonds worden er heiligenlevens gelezen. Jozef, de voorlaatste, stevig van bouw, wordt al spoedig de gangmaker van het stel: zijn vurige blik bezorgt hem de reputatie van waaghals. Hoewel ondernemend en altijd in beweging heeft hij toch ook duidelijk aanleg voor meditatie. Op een dag dat iedereen hem overal zoekt, vindt de moeder haar Jozef van zeven jaar biddend in de kerk. Zijn onderwijzer vindt hem heel intelligent, maar zijn ouders willen dat hun zoon landbouwer wordt. Op dertienjarige leeftijd stopt Jozef met naar school gaan om deel te nemen aan het werk op de boerderij.
In 1858 volgt hij een parochiemissie die wordt gepreekt door Paters Redemptoristen in Braine-le-Comte. Tijdens een van die missies beslist hij wat zijn roeping zal zijn. «Jullie weten, zo schrijft hij aan zijn ouders, dat wij allemaal moeten kiezen voor de levensstaat waarvoor de goede God ons heeft voorbestemd om zo eeuwig gelukkig te worden; daarom kunnen jullie niet bedroefd zijn om mijn roeping.» Zijn keuze valt op de Congregatie van de Heilige Harten waarin een van zijn broers zich al aan God heeft gegeven. Deze religieuze familie die gesticht is in 1800 door pater Coudrin heeft zich eerst ontwikkeld in Frankrijk vanuit het moederhuis in de rue Picpus in Parijs. In 1825 heeft de Heilige Stoel haar de evangelisatie van oostelijk Oceanië toevertrouwd. Het jaar daarop scheepte een groep missionarissen in naar de Hawaï eilanden. In 1840 wordt het klooster van Leuven geopend voor de missionarisroepingen uit België, Nederland en Duitsland. Daar voegt Jozef zich op 2 februari 1859 bij zijn oudere broer. Daar hij rechtstreeks van de lagere school komt en geen Latijn heeft geleerd accepteert hij het dat hij als koorbroeder wordt opgenomen onder de naam Damiaan. Maar God heeft andere plannen met hem. De novice leert in zes maanden in zijn eentje Latijn en geeft er blijk van met groot genoegen en groot gemak te kunnen studeren. De overste aanvaardt hem dan ook onder de studenten-novicen. Op 7 oktober 1860 legt Broeder Damiaan zijn eeuwige geloften af. Languit op de tegelvloer van de kapel gelegen, krijgt hij een doodskleed over zich heen gelegd , ten teken van zijn sterven aan zijn oud leven, om voor een nieuw leven te worden geboren, en wel dat van Christus. Dit ritueel dat tegenwoordig enige verbazing zal wekken zal hem voor het leven tekenen en de weg openen naar het zichzelf wegschenken. In Parijs en vervolgens in Leuven gaat hij serieus en vasthoudend verder met de studie. In 1863 staat zijn broer gereed om in te schepen naar Oceanië, maar door ziekte verhinderd moet hij daarvan afzien. Damiaan grijpt de gelegenheid aan en verzoekt de generaal Overste om toestemming in zijn plaats te mogen vertrekken, hoewel zijn opleiding verre van voltooid is.
De verdwaalde lammeren zoeken.
Op 30 oktober scheept een groep missionarissen van wie hij deel uitmaakt in naar de Hawaï eilanden. Het schip vaart de ankerplaats Honolulu binnen op de feestdag van H. Jozef, 19 maart 1864. De daarop volgende 21e mei wordt pater Damiaan tot priester gewijd en benoemd in het district Puma waar het aan apostolisch werk niet ontbreekt: al acht jaar heeft er geen priester meer gewoond. Te voet of te paard gaat hij op zoek naar de verdwaalde lammeren. Weldra kent iedereen Kamiano (Damiaan in het Hawaïaans). Hij schrijft aan zijn broer dat hij voor zichzelf verlangt «in het bezit te komen van de zuivere liefde Gods, de vurige ijver voor het heil der zielen die in J.-M.Vianney (de pastoor van Ars) was ontvlamd«Onze arme eilandbewoners, zo vervolgt hij, achten zich heel gelukkig wanneer ze Kamiano zien aankomen. En ik, ik houd veel van ze, ik zou graag mijn leven voor hen willen geven, zoals onze goddelijke Verlosser heeft gedaan.» In maart 1865 krijgt Kamiano een beproeving te verduren die schrijnender is dan die van het afscheid van zijn familie: hij moet zijn christenen verlaten. Een confrater wiens gezondheid afneemt, is niet meer in staat het werk in het uitgebreide district Koala op zich te nemen. Pater Damiaan stemt erin toe zijn opdracht in te ruilen voor de zijne; in zijn eentje moet hij een taak volbrengen die tien missionarissen zou hebben vereist. Zijn sterk gestel stelt hem in staat snel resultaten te boeken. Hij sticht mooie christengemeenschappen, zet gebedshuizen op, preekt, hoort biecht, bezoekt de zieken, is architect, timmerman en metselaar voor de door hem zelf te bouwen kerken en scholen. Hij komt tot in de ontoegankelijkste uithoeken, ten koste van gevaarlijke klauterpartijen en overtochten waarbij hij meerdere malen bijna is verdronken. Zijn gelovigen worden van alle kanten door verleidingen bestookt: listen van medicijnmannen, onstandvastigheid van de huwelijken, algehele zedeloosheid en, onder de goeden, de luiheid ten aanzien van de gebedsoefeningen. Maar door de energie van de pater wordt hun moed danig geprikkeld. «We hebben hier te maken met de wapenen van de hel die de besten ten val moeten brengen», schrijft hij op 22 december 1866. Deze jaren zijn voor pater Damiaan een soort voorbereiding geweest op de heldenmissie die hem te wachten staat.
Bij de volgende bezoeken aan de dorpen ontdekt Kamiano meer en meer inboorlingen die door lepra zijn aangetast. In 1865 besluit de regering tot afzondering van de zieken. Ze worden goedschiks of kwaadschiks gedeporteerd naar het «leprozenhuis» dat is ingericht op het schiereiland Kalawo, ten noorden van het eiland Molokaï. Het betreft een verlaten landtong van 17 km2, ingeklemd tussen een haast ontoegankelijke kust en een keten van steile bergen. Een regeringscommissie is belast met het beheer van Kalawo; de angst voor lepra en de gebruikelijke onachtzaamheid van de overheidsambtenaren hebben er feitelijk een niet te betreden plaats van gemaakt. De regering zorgt voor levensmiddelen en kleding voor de geïsoleerde bevolking, maar iets anders dan een paar ellendige hutjes waar ze beschutting kunnen vinden is er niet en daar vegeteren de lepralijders in een weerzinwekkende promiscuïteit. Bij lepra, die het vlees afschuwelijk aanvreet, voegen zich alle lichamelijke en geestelijke kwalen van hen die ten prooi zijn gevallen aan wanhoop en luiheid. Het merendeel is heiden. Onder hen heersen alle vormen van schaamteloos gedrag die nog worden versterkt door de gedachte aan een spoedig einde met vreselijke pijnen. Ze voeren zichzelf dronken, dwingen de vrouwen zich te prostitueren; hun orgiën vinden plaats voor de altaren, opgericht voor de godin Laka, de Venus van de Kanaken. De christen lepralijders hebben eveneens grote moeite de hartstochten de baas te blijven. Deze situatie heeft zijn weerslag op de gewetens van iedereen. Maar wat is de remedie voor deze epidemie? De bisschop bekommert zich om de kleine groep katholieken die naar Molokaï is gestuurd. Hij laat ter plaatse een kapel bouwen die wordt toegewijd aan H. Philomena . Om de beurt komt er een priester voor een paar dagen. Het is een begin. Maar tussen die korte bezoeken zitten grote tussenpozen. De kranten benadrukken dat het niet goed genoeg is: «Waar de lepralijders nu behoefte aan hebben is aan een trouwe bedienaar van het Evangelie en aan een arts die zich willen opofferen voor het welzijn van deze beklagenswaardige gemeenschap.»
Vanaf 1865 heeft Kamiano machteloos mogen toezien hoe verschrikkelijk de plaag in omvang toenam en zijn volk uitdunde. De ziekte was voor de lepralijders niet de enige beproeving; er kwam nog een grotere bij, die van ontrukt te zijn aan familie en dorp, zonder hoop op terugkeer. Pater Damiaan belooft ieder die naar hem wordt gebracht te komen opzoeken. Hij begeleidt ze ook zo lang als hij kan onderweg. Hij is zich dus wel bewust van wat hij gaat doen als hij zich, op 4 mei 1873, als vrijwilliger meldt om naar de lepralijders te gaan.
Een weg van hoop.
In zijn encycliek Spe salvi van 30 november 2007 maakt Paus Benedictus XVI ons duidelijk wat leed delen en wat medelijden is: «De samenleving kan de lijdenden niet aanvaarden en hen in hun lijden dragen als de individuen dit niet kunnen, en bovendien kan het individu het lijden van de ander niet aanvaarden, als hij zelf de zin van het lijden niet inziet, het niet kan beschouwen als een weg van zuivering en rijping, een weg van hoop. Want het aannemen van de ander, die lijdt, betekent dat ik zijn lijden tot het mijne maak, dat het ook mijn lijden wordt. Maar juist daardoor, doordat het nu gedeeld lijden is geworden, waarin ook een ander aanwezig is, dringt het licht van de liefde in lijden door. Het Latijnse woord «con-solatio», troost, drukt dit heel mooi uit, omdat het het beeld oproept van «erbij zijn» in de eenzaamheid, die dan geen eenzaamheid meer is... Van Bernardus van Clairvaux is de schitterende uitdrukking : «Impassibilis est Deus, sed non incompassibilis», God kan niet lijden, maar Hij kan wel mee-lijden. De mens is God zoveel waard, dat Hij Zelf mens geworden is, om met de mens te kunnen mee-lijden, reël, in vlees en bloed, zoals ons getoond wordt in het Lijdensverhaal van Jezus. Van daaruit is in alle menselijk lijden Iemand binnengetreden die mee-lijdt, mee-draagt. In alle lijden is van daaruit de «con-solatio», de troost van de mee-lijdende liefde van God aanwezig en daarmee is de ster van de hoop opgegaan» (Spe salvi, n. 38,39).
Leven en sterven met jullie.
Op 10 mei gaat pater Damiaan, vergezeld van zijn bisschop en met een brevier als enige bagage aan wal in Kalawao. Talloze lepralijders komen de prelaat en de jonge missionaris van drieëndertig jaar tegemoet. «Tot nu toe, beste kinderen, zo zegt Mgr.Maigret, waren jullie alleen en verlaten; dat zal niet langer zo zijn. Hier is iemand die een vader voor jullie zal zijn. Hij heeft jullie zo vurig lief dat hij, voor jullie geluk en het heil van jullie onsterfelijke zielen, niet aarzelt één van jullie te worden en nu vraagt met jullie te mogen leven en sterven.» De lepralijders kunnen hun ontroering niet verbergen. Monseigneur omhelst zijn priester, zegent hem en laat hem over aan zijn heldhaftige, bovenmenselijke taak. De eerste tijd is moeilijk: 's nachts heeft hij als enig onderdak een boom dichtbij de kapel. De aanblik van de lepralijders en de walgelijke stank die hun aangevreten ledematen verspreiden zijn buitengewoon moeilijk te verdragen, maar, zo schrijft hij, «ze hebben een ziel die is afgekocht met het aanbiddelijk Bloed van onze goddelijke Verlosser. Al kan ik ze niet genezen zoals Onze-Lieve-Heer, ik kan ze op zijn minst troosten.» In naam van Christus gaat hij zich voor hun belangen inzetten. Hij identificeert zich meteen met die ongelukkige mensen: «Ik word lepralijder met de lepralijders, zegt hij in vertrouwen tegen iemand. Wanneer ik preek is mijn geliefde zinswending: «Wij lepralijders«» Moge ik ze allemaal winnen voor Christus!» De aanwezigheid van Kamiano geeft de misdeelden 800 bij zijn aankomst een sprankje hoop. Iedere week maakt hij een ronde langs alle hutten, zonder onderscheid te maken tussen gelovigen en niet-gelovigen, protestanten en katholieken. Om hun zielen te redden zorgt hij voor verlichting van hun lichamen en probeert hun vertrouwen te winnen. Beurtelings verpleger, timmerman, ingenieur, doodgraver, advocaat, dirigent«niets houdt pater Damiaan tegen voor het welzijn van de lepralijders.
Zijn heldhaftig optreden is er de oorzaak van dat velen werkelijk door edelmoedigheid worden aangestoken. De protestanten wedijveren zelfs met de katholieken: aanzienlijke giften stromen toe naar Molokaï. De kranten zijn unaniem vol lof over de Belgische priester. Een Duitse protestantse journalist schrijft: «Alleen een katholieke priester is de hel van de lepralijders binnengegaan. Hij is tussen deze stervenden, deze wanhopige mensen gaan wonen om hun de vertroostingen van het eeuwig leven te brengen.» Deze loftuigingen vallen niet in de smaak bij het gezondheidscomité dat in Honolulu zetelt: daar ziet men met lede ogen aan dat die katholieke priester zich in Molokaï vestigt. Zou iemand die zoveel activiteit ontplooit niet willen suggereren dat het comité niet genoeg doet? Wie dan ook die geen lepra heeft wordt de toegang tot het eiland ontzegd. Zo wordt de pater geïsoleerd en «geïnterneerd» want het wordt hem verboden de quarantaine-inrichting te verlaten; men hoopt hem door deze maatregel te ontmoedigen en ertoe te brengen zijn post te verlaten. Wat hem het zwaarst valt is dat hij niet kan biechten. Maar na een paar maanden wordt de maatregel dankzij een verandering in de regering herroepen.
Daar waar nog onlangs de wet van de jungle heerste, bloeit een gemeenschap op waarin ook de zwakste zijn plaats heeft en zelfs de eerste! Kamiano ontdekt dat het evangelisch zaad om te ontkiemen de ondersteuning nodig heeft van de menselijke deugden: de hele mens moet weer overeind geholpen worden. Christus zelf is dichtbij de lepralijders gekomen om hun lichamen te genezen en hun de zin in het leven terug te geven. Door zijn blijheid, zijn liefdevolle aanwezigheid draagt Kamiano hiertoe bij: «Van 'smorgens vroeg tot 'savonds laat zit ik midden in de fysieke en morele ellende die het hart diep bedroeven. Ik tracht evenwel me altijd blij te betonen om zo de moed van mijn zieken weer op te krikken» (17 december 1874). Gedreven door het verlangen hun lijden te verlichten, stelt pater Damiaan ook belang in de vooruitgang van de wetenschap en, wanneer hij zelf ook is aangetast, zal hij de nieuwe behandelmethodes uitproberen. In 1884, zestien jaar na een eerste bezoek, gelooft een Amerikaanse professor die in Molokaï op doortocht is, zijn eigen ogen niet. De rottingsplaats heeft plaats gemaakt voor twee mooie dorpen met witte huizen waar omheen fleurige tuinen en akkers, met een toegangsweg en waterleiding. Er is een ziekenhuis waar de zwaarst getroffenen behoorlijk worden verzorgd en er zijn weeshuizen vol blijmoedige kinderen, twee kerken stampvol gelovigen, en een mooi kerkhof. Feesten, schitterende processies, paardenraces zorgen voor de nodige vermakelijkheden die nog worden verhoogd door de aanwezigheid van een fanfare. Alleen de liefde die in nederig dienstbetoon tot uiting wordt gebracht is in staat de woestenijen van het mensdom opnieuw te laten opbloeien.
«Pater Damiaan, zo zal Johannes Paulus II tijdens de mis ter zaligverklaring in 1995 zeggen, was priester, kloosterling en missionaris tegelijk. In deze drievoudige hoedanigheid heeft hij het gezicht van Christus laten zien en de weg gewezen naar het Heil, het Evangelie verkondigd en tegelijk zich onvermoeibaar ingezet ten gunste van de ontwikkeling van de gemeenschap. Hij heeft orde op zaken gesteld in het religieuze, maatschappelijke en broederlijke leven op Molokaï, het eiland dat uit de maatschappij was gestoten; bij hem had iedereen zijn plaats, ieder werd erkend en bemind door zijn broeders.»
Het geheim van pater Damiaan.
Waaruit put pater Damiaan deze liefde en deze kracht die zoveel mooie initiatieven tot gevolg hebben? In navolging van zijn stichter, Pater Coudrin, is zijn hart volledig afgestemd op de Harten van Jezus en Maria en kent dezelfde gevoelens, vreugden en smarten. Maar vooral is het een zich volledig wegschenken van zichzelf aan het Hart van Jezus in de eucharistische Aanbidding. «Zonder de voortdurende aanwezigheid van onze goddelijke Meester in mijn armzalige kapel, zo vertelt pater Damiaan, had ik nooit kunnen volharden in mijn besluit het lot van de lepralijders te delen.» Hij leeft van de Eucharistie. «Met Onze-Lieve-Heer aan mijn zijde blijf ik steeds vrolijk en blij en werk met ijver aan het welzijn van de arme stakkers.» Daarom stelt hij zodra het kan in Kalawo de altijddurende aanbidding in. «Iedere dag, zo verhaalt een getuige, komen de goede christenen verlichting van hun verdriet zoeken bij de goddelijke Vertrooster van allen die lijden. Ze doen nog meer dan dat, want ze bieden zichzelf aan als offers ter herstel van de beledigingen die de goddelijke Harten worden aangedaan door ondankbare kinderen aan wie de weldaden van de christelijke beschaving in overvloed ten deel zijn gevallen.»
De weg van pater Damiaan is bezaaid met moeilijkheden die soms nog worden verergerd door de onstuimigheid van zijn temperament dat hij toch zoveel mogelijk in bedwang probeert te houden, daarbij de blik voortdurend op God gericht . Zijn dagen beginnen met stil gebed. Zijn rozenkrans heeft hij altijd bij zich; bidden is de ademhaling van zijn ziel geworden en God is altijd bij hem. Zijn vertrouwen op Hem is onwankelbaar: «Vanaf het begin, zo schrijft hij, heb ik Onze-Lieve-Heer, zijn heilige Moeder en H. Jozef mijn gezondheidsprobleem toevertrouwd.» Door het leven van de lepralijders te delen stelt hij zich bloot aan het risico op besmetting. Reeds in 1876 spreekt hij over de tijd «dat God mij die vreselijke lepra cadeau zal willen doen».
Lepralijder onder de lepralijders.
Neemt pater Damiaan de noodzakelijke voorzorgs- maatregelen voor wat de hygiëne betreft? Zeer snel onttrekt hij zich aan de strenge instructies. Het is hier onmogelijk de regels toe te passen die in een ziekenhuis in acht worden genomen. Hoe kan je de Vader van die stakkers zijn zonder dichtbij ze te komen, ze aan te raken, hun uitnodigingen aan te nemen, met de hand voedsel te nuttigen uit de gezinsschotel. «Hij stelde zich bloot aan de ziekte waar zij aan leden, zal Benedictus XVI bij de heiligverklaring zeggen. Hij voelde zich thuis bij hen. De dienaar des Woords werd zodoende in de loop van de vier laatste jaren van zijn leven een lijdende dienaar, lepralijder onder de lepralijders.»
De gedachte aan de dood boezemt hem geen angst in: levend op de uiterste rand van zijn verbanningsoord raakt hij de gelukzalige eeuwigheid. «Het kerkhof en de hut van de stervenden, zo zegt hij, zijn mijn mooiste meditatieboeken.» In 1885 heeft hij al 1800 van zijn melaatse medebroeders begraven, dat wil zeggen drie per week. Hij had ze als zijn eigen kinderen verzorgd, de biecht afgenomen, bijgestaan in hun stervensuur. Pater Damiaan neemt dan op zijn eigen lichaam de eerste symptomen waar van de lepra. In oktober stelt hij zijn Provinciaal ervan op de hoogte: «Voor mij lijdt het geen twijfel, ik heb lepra: de Goede God zij gezegend! » Aan zijn bisschop schrijft hij: «Ik heb het gevaar getrotseerd deze verschrikkelijke ziekte op te lopen door hier mijn plicht te doen en door te proberen steeds meer aan mijzelf te sterven. Naarmate de ziekte voortschrijdt ben ik blijer en gelukkiger.» Bij de voor hem, die altijd zo sterk was, zo verschrikkelijke aftakeling komen nog de angsten voor de eenzaamheid, het onbegrip van zijn meerderen, de laster«. Toch wordt pater Damiaan die al door lepra mismaakt is er niet door verslagen, «maar altijd opgewekt en vriendelijk, volgens een getuige. Hij is blij, ondanks alles, en men is blij om hem heen.» Hij schrijft in 1887 aan zijn kloosterbroeder: «De vreugde en blijdschap des harten die de Heilige-Harten mij in overvloed schenken maken dat ik mijzelf de gelukkigste missionaris ter wereld acht.» In 1888 valt pater Damiaan de vreugde ten deel dat een Waalse missionaris, pater Conrardy, hem komt assisteren. In datzelfde jaar komen drie Franciscaner zusters zich in het leprozenhuis vestigen. Het is het resultaat van alle in de afgelopen vijftien jaar ondernomen stappen. God vergunt de pater in zijn levensavond de troost te mogen zien dat anderen de taak die hij op zich had genomen zullen voortzetten. Weldra wordt de ziekte ernstiger: de interne organen worden aangetast. Op 9 maart 1889 beklimt de pater voor de laatste keer de altaartreden. Eind maart verlaat hij zijn kamer niet meer en verklaart: «Het is afgelopen, Onze-Lieve-Heer roept me om met Hem het Paasmaal te vieren.» In de Goede Week op maandag, 15 april 1889, blaast hij op de leeftijd van 49 jaar, waarvan er zestien in dienst hebben gestaan van de lepralijders, met een glimlach de laatste adem uit, voorzien van de sacramenten van de H. Kerk , zoals een kind inslaapt in de armen van zijn Moeder.
Bij de heiligverklaring zei Paus Benedictus XVI: «In navolging van H. Paulus , sleept H. Damianus ons in zijn kielzog mee om te vechten voor goede zaken (cf. 1 Tim 1, 18), niet de zaken die verdeeldheid zaaien, maar zaken die verenigen. Hij nodigt ons uit onze ogen te openen voor de vormen van lepra die de menselijkheid van onze medebroeders misvormen en ook vandaag nog, meer dan onze edelmoedigheid, de liefde verlangt van onze dienende aanwezigheid.»
Dom Antoine Marie osb.
http://www.clairval.com/
ou
( 1 Joh. 3:10-11 ).( Jac. 1:5 ) ( Rom. 16:20 )
Hoe kunnen we worden gezegend, als we anderen niet zegenen?. In feite, brengen we soms negatieve dingen naar anderen als we niet opletten wat we zeggen. Je weet toch dat de tong als een vuur is, een wereld van ongerechtigheid, en dat erdoor alle delen van ons lichaam besmet kunnen worden en een brand kan veroorzaken, aangestoken door de hel ( Jac. 3:6 ). Geliefde, let daarom op de woorden van je mond en de overdenkingen van je hart, zegt de Heer. ( 1 Joh. 3:10-11 ).
Weersta de verleiding om meer op je te nemen dan je effectief aankan. Iedere overmacht kan je belasten en kan fysiek je middelen, emotioneel, financieel of geestelijk afbreken. Gebruik je gezond verstand bij het nemen van keuzes. De vijand wil je overbelasten. Als je wijsheid nodig hebt, vraag het Mij, en Ik geef je de begeleiding en hulp die je nodig hebt, zegt de Heer. ( Jac. 1:5 )
Dit is het begin van een nieuwe, frisse beweging van Mijn Geest en de vijand zal alles doen wat hij kan om te voorkomen dat je ervan geniet. Kijk uit zodat je sterk staat om de machten van de duisternis te overwinnen die je aanvallen en je willen weghouden van de stroom van Mijn doeleinden. Blijf alert, en ontvang geestelijke kracht. Weiger om te worden tegengehouden of op enigerlei wijze belemmerd, zegt de Heer. ( Rom. 16:20 )