For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
14-04-2011
DE HEILIGE GEEST.
N. ( M ).
VRIENDELIJK LICHT.
N. ( M ).
PSALM 23.
N. ( M ).
feest van h. Martinus, paus en martelaar.
AVE MARIA Abbaye Saint-Joseph de Clairval
21150 Flavigny sur Ozerain
France.
email : abdij@clairval.com
Brief van 13 april 2011,
feest van h. Martinus, paus en martelaar
Dierbare Vrienden,
In mei 1873 maakt Apostolisch Vicaris van Hawaï, Mgr. Maigret, tegenover een paar van zijn priesters gewag van zijn zorg om de staat van verwaarlozing waarin de lepralijders verkeren. Sinds 1864 verspreidt de vreselijke plaag van lepra zich door de archipel. De regering onderkent het gevaar en besluit de lepralijders te isoleren. «Dit is een situatie die mij zeer verontrust. Ik denk vooral aan die arme lepralijders waarvan er zo'n groot aantal ieder jaar komt te sterven zonder hun ziel te hebben gezuiverd alvorens voor God te verschijnen en die tijdens hun leven geen enkele morele verlichting vinden van hun beproevingen. Maar, Monseigneur, antwoordt pater Aubert, u hoeft maar een onder ons aan te wijzen om hun herder te worden en u wordt gehoorzaamd!» Alle priesters zijn unaniem bereid te vertrekken. Een van hen, pater Damiaan de Veuster, zegt met vaste stem: «Monseigneur, ik herinner me dat ik onder het doodskleed lag op de dag van mijn kloostergeloften om te leren dat de vrijwillige dood het principe is dat ten grondslag ligt aan een nieuw leven en zoals ik hier voor u sta, ben ik bereid me levend te begraven samen met die ongelukkigen van wie ik er meerdere persoonlijk ken. Hoe oud bent u? vraagt Mgr.Maigret. Drieëndertig jaar. De leeftijd van Onze-Lieve-Heer ten tijde van zijn kruis», hervat de bisschop.
Een gangmaker.
Hij die door de heiligverklaring op 11 oktober 2009 Heilige Damiaan is geworden, werd op 3 januari 1840 geboren in Tremelo, in Vlaams Brabant. Hij is dezelfde dag gedoopt en krijgt de naam Jozef. Zijn vader bezit een boerderij en beheert een graanhandel waardoor het groot gezin acht kinderen in betrekkelijke welstand kan leven. In dit christelijk huisgezin, waarin vier kinderen religieuzen worden, haalt niemand het in het hoofd af te wijken van de geboden Gods en die van de Kerk; zelfs naaiwerk is op zondag verboden. Op die dag gaat heel het gezin naar de parochiekerk voor de Mis en de Vespers. Door de week bepaalt het gebed met heel het gezin het ritme van de dag. 's Avonds worden er heiligenlevens gelezen. Jozef, de voorlaatste, stevig van bouw, wordt al spoedig de gangmaker van het stel: zijn vurige blik bezorgt hem de reputatie van waaghals. Hoewel ondernemend en altijd in beweging heeft hij toch ook duidelijk aanleg voor meditatie. Op een dag dat iedereen hem overal zoekt, vindt de moeder haar Jozef van zeven jaar biddend in de kerk. Zijn onderwijzer vindt hem heel intelligent, maar zijn ouders willen dat hun zoon landbouwer wordt. Op dertienjarige leeftijd stopt Jozef met naar school gaan om deel te nemen aan het werk op de boerderij.
In 1858 volgt hij een parochiemissie die wordt gepreekt door Paters Redemptoristen in Braine-le-Comte. Tijdens een van die missies beslist hij wat zijn roeping zal zijn. «Jullie weten, zo schrijft hij aan zijn ouders, dat wij allemaal moeten kiezen voor de levensstaat waarvoor de goede God ons heeft voorbestemd om zo eeuwig gelukkig te worden; daarom kunnen jullie niet bedroefd zijn om mijn roeping.» Zijn keuze valt op de Congregatie van de Heilige Harten waarin een van zijn broers zich al aan God heeft gegeven. Deze religieuze familie die gesticht is in 1800 door pater Coudrin heeft zich eerst ontwikkeld in Frankrijk vanuit het moederhuis in de rue Picpus in Parijs. In 1825 heeft de Heilige Stoel haar de evangelisatie van oostelijk Oceanië toevertrouwd. Het jaar daarop scheepte een groep missionarissen in naar de Hawaï eilanden. In 1840 wordt het klooster van Leuven geopend voor de missionarisroepingen uit België, Nederland en Duitsland. Daar voegt Jozef zich op 2 februari 1859 bij zijn oudere broer. Daar hij rechtstreeks van de lagere school komt en geen Latijn heeft geleerd accepteert hij het dat hij als koorbroeder wordt opgenomen onder de naam Damiaan. Maar God heeft andere plannen met hem. De novice leert in zes maanden in zijn eentje Latijn en geeft er blijk van met groot genoegen en groot gemak te kunnen studeren. De overste aanvaardt hem dan ook onder de studenten-novicen. Op 7 oktober 1860 legt Broeder Damiaan zijn eeuwige geloften af. Languit op de tegelvloer van de kapel gelegen, krijgt hij een doodskleed over zich heen gelegd , ten teken van zijn sterven aan zijn oud leven, om voor een nieuw leven te worden geboren, en wel dat van Christus. Dit ritueel dat tegenwoordig enige verbazing zal wekken zal hem voor het leven tekenen en de weg openen naar het zichzelf wegschenken. In Parijs en vervolgens in Leuven gaat hij serieus en vasthoudend verder met de studie. In 1863 staat zijn broer gereed om in te schepen naar Oceanië, maar door ziekte verhinderd moet hij daarvan afzien. Damiaan grijpt de gelegenheid aan en verzoekt de generaal Overste om toestemming in zijn plaats te mogen vertrekken, hoewel zijn opleiding verre van voltooid is.
De verdwaalde lammeren zoeken.
Op 30 oktober scheept een groep missionarissen van wie hij deel uitmaakt in naar de Hawaï eilanden. Het schip vaart de ankerplaats Honolulu binnen op de feestdag van H. Jozef, 19 maart 1864. De daarop volgende 21e mei wordt pater Damiaan tot priester gewijd en benoemd in het district Puma waar het aan apostolisch werk niet ontbreekt: al acht jaar heeft er geen priester meer gewoond. Te voet of te paard gaat hij op zoek naar de verdwaalde lammeren. Weldra kent iedereen Kamiano (Damiaan in het Hawaïaans). Hij schrijft aan zijn broer dat hij voor zichzelf verlangt «in het bezit te komen van de zuivere liefde Gods, de vurige ijver voor het heil der zielen die in J.-M.Vianney (de pastoor van Ars) was ontvlamd«Onze arme eilandbewoners, zo vervolgt hij, achten zich heel gelukkig wanneer ze Kamiano zien aankomen. En ik, ik houd veel van ze, ik zou graag mijn leven voor hen willen geven, zoals onze goddelijke Verlosser heeft gedaan.» In maart 1865 krijgt Kamiano een beproeving te verduren die schrijnender is dan die van het afscheid van zijn familie: hij moet zijn christenen verlaten. Een confrater wiens gezondheid afneemt, is niet meer in staat het werk in het uitgebreide district Koala op zich te nemen. Pater Damiaan stemt erin toe zijn opdracht in te ruilen voor de zijne; in zijn eentje moet hij een taak volbrengen die tien missionarissen zou hebben vereist. Zijn sterk gestel stelt hem in staat snel resultaten te boeken. Hij sticht mooie christengemeenschappen, zet gebedshuizen op, preekt, hoort biecht, bezoekt de zieken, is architect, timmerman en metselaar voor de door hem zelf te bouwen kerken en scholen. Hij komt tot in de ontoegankelijkste uithoeken, ten koste van gevaarlijke klauterpartijen en overtochten waarbij hij meerdere malen bijna is verdronken. Zijn gelovigen worden van alle kanten door verleidingen bestookt: listen van medicijnmannen, onstandvastigheid van de huwelijken, algehele zedeloosheid en, onder de goeden, de luiheid ten aanzien van de gebedsoefeningen. Maar door de energie van de pater wordt hun moed danig geprikkeld. «We hebben hier te maken met de wapenen van de hel die de besten ten val moeten brengen», schrijft hij op 22 december 1866. Deze jaren zijn voor pater Damiaan een soort voorbereiding geweest op de heldenmissie die hem te wachten staat.
Bij de volgende bezoeken aan de dorpen ontdekt Kamiano meer en meer inboorlingen die door lepra zijn aangetast. In 1865 besluit de regering tot afzondering van de zieken. Ze worden goedschiks of kwaadschiks gedeporteerd naar het «leprozenhuis» dat is ingericht op het schiereiland Kalawo, ten noorden van het eiland Molokaï. Het betreft een verlaten landtong van 17 km2, ingeklemd tussen een haast ontoegankelijke kust en een keten van steile bergen. Een regeringscommissie is belast met het beheer van Kalawo; de angst voor lepra en de gebruikelijke onachtzaamheid van de overheidsambtenaren hebben er feitelijk een niet te betreden plaats van gemaakt. De regering zorgt voor levensmiddelen en kleding voor de geïsoleerde bevolking, maar iets anders dan een paar ellendige hutjes waar ze beschutting kunnen vinden is er niet en daar vegeteren de lepralijders in een weerzinwekkende promiscuïteit. Bij lepra, die het vlees afschuwelijk aanvreet, voegen zich alle lichamelijke en geestelijke kwalen van hen die ten prooi zijn gevallen aan wanhoop en luiheid. Het merendeel is heiden. Onder hen heersen alle vormen van schaamteloos gedrag die nog worden versterkt door de gedachte aan een spoedig einde met vreselijke pijnen. Ze voeren zichzelf dronken, dwingen de vrouwen zich te prostitueren; hun orgiën vinden plaats voor de altaren, opgericht voor de godin Laka, de Venus van de Kanaken. De christen lepralijders hebben eveneens grote moeite de hartstochten de baas te blijven. Deze situatie heeft zijn weerslag op de gewetens van iedereen. Maar wat is de remedie voor deze epidemie? De bisschop bekommert zich om de kleine groep katholieken die naar Molokaï is gestuurd. Hij laat ter plaatse een kapel bouwen die wordt toegewijd aan H. Philomena . Om de beurt komt er een priester voor een paar dagen. Het is een begin. Maar tussen die korte bezoeken zitten grote tussenpozen. De kranten benadrukken dat het niet goed genoeg is: «Waar de lepralijders nu behoefte aan hebben is aan een trouwe bedienaar van het Evangelie en aan een arts die zich willen opofferen voor het welzijn van deze beklagenswaardige gemeenschap.»
Vanaf 1865 heeft Kamiano machteloos mogen toezien hoe verschrikkelijk de plaag in omvang toenam en zijn volk uitdunde. De ziekte was voor de lepralijders niet de enige beproeving; er kwam nog een grotere bij, die van ontrukt te zijn aan familie en dorp, zonder hoop op terugkeer. Pater Damiaan belooft ieder die naar hem wordt gebracht te komen opzoeken. Hij begeleidt ze ook zo lang als hij kan onderweg. Hij is zich dus wel bewust van wat hij gaat doen als hij zich, op 4 mei 1873, als vrijwilliger meldt om naar de lepralijders te gaan.
Een weg van hoop.
In zijn encycliek Spe salvi van 30 november 2007 maakt Paus Benedictus XVI ons duidelijk wat leed delen en wat medelijden is: «De samenleving kan de lijdenden niet aanvaarden en hen in hun lijden dragen als de individuen dit niet kunnen, en bovendien kan het individu het lijden van de ander niet aanvaarden, als hij zelf de zin van het lijden niet inziet, het niet kan beschouwen als een weg van zuivering en rijping, een weg van hoop. Want het aannemen van de ander, die lijdt, betekent dat ik zijn lijden tot het mijne maak, dat het ook mijn lijden wordt. Maar juist daardoor, doordat het nu gedeeld lijden is geworden, waarin ook een ander aanwezig is, dringt het licht van de liefde in lijden door. Het Latijnse woord «con-solatio», troost, drukt dit heel mooi uit, omdat het het beeld oproept van «erbij zijn» in de eenzaamheid, die dan geen eenzaamheid meer is... Van Bernardus van Clairvaux is de schitterende uitdrukking : «Impassibilis est Deus, sed non incompassibilis», God kan niet lijden, maar Hij kan wel mee-lijden. De mens is God zoveel waard, dat Hij Zelf mens geworden is, om met de mens te kunnen mee-lijden, reël, in vlees en bloed, zoals ons getoond wordt in het Lijdensverhaal van Jezus. Van daaruit is in alle menselijk lijden Iemand binnengetreden die mee-lijdt, mee-draagt. In alle lijden is van daaruit de «con-solatio», de troost van de mee-lijdende liefde van God aanwezig en daarmee is de ster van de hoop opgegaan» (Spe salvi, n. 38,39).
Leven en sterven met jullie.
Op 10 mei gaat pater Damiaan, vergezeld van zijn bisschop en met een brevier als enige bagage aan wal in Kalawao. Talloze lepralijders komen de prelaat en de jonge missionaris van drieëndertig jaar tegemoet. «Tot nu toe, beste kinderen, zo zegt Mgr.Maigret, waren jullie alleen en verlaten; dat zal niet langer zo zijn. Hier is iemand die een vader voor jullie zal zijn. Hij heeft jullie zo vurig lief dat hij, voor jullie geluk en het heil van jullie onsterfelijke zielen, niet aarzelt één van jullie te worden en nu vraagt met jullie te mogen leven en sterven.» De lepralijders kunnen hun ontroering niet verbergen. Monseigneur omhelst zijn priester, zegent hem en laat hem over aan zijn heldhaftige, bovenmenselijke taak. De eerste tijd is moeilijk: 's nachts heeft hij als enig onderdak een boom dichtbij de kapel. De aanblik van de lepralijders en de walgelijke stank die hun aangevreten ledematen verspreiden zijn buitengewoon moeilijk te verdragen, maar, zo schrijft hij, «ze hebben een ziel die is afgekocht met het aanbiddelijk Bloed van onze goddelijke Verlosser. Al kan ik ze niet genezen zoals Onze-Lieve-Heer, ik kan ze op zijn minst troosten.» In naam van Christus gaat hij zich voor hun belangen inzetten. Hij identificeert zich meteen met die ongelukkige mensen: «Ik word lepralijder met de lepralijders, zegt hij in vertrouwen tegen iemand. Wanneer ik preek is mijn geliefde zinswending: «Wij lepralijders«» Moge ik ze allemaal winnen voor Christus!» De aanwezigheid van Kamiano geeft de misdeelden 800 bij zijn aankomst een sprankje hoop. Iedere week maakt hij een ronde langs alle hutten, zonder onderscheid te maken tussen gelovigen en niet-gelovigen, protestanten en katholieken. Om hun zielen te redden zorgt hij voor verlichting van hun lichamen en probeert hun vertrouwen te winnen. Beurtelings verpleger, timmerman, ingenieur, doodgraver, advocaat, dirigent«niets houdt pater Damiaan tegen voor het welzijn van de lepralijders.
Zijn heldhaftig optreden is er de oorzaak van dat velen werkelijk door edelmoedigheid worden aangestoken. De protestanten wedijveren zelfs met de katholieken: aanzienlijke giften stromen toe naar Molokaï. De kranten zijn unaniem vol lof over de Belgische priester. Een Duitse protestantse journalist schrijft: «Alleen een katholieke priester is de hel van de lepralijders binnengegaan. Hij is tussen deze stervenden, deze wanhopige mensen gaan wonen om hun de vertroostingen van het eeuwig leven te brengen.» Deze loftuigingen vallen niet in de smaak bij het gezondheidscomité dat in Honolulu zetelt: daar ziet men met lede ogen aan dat die katholieke priester zich in Molokaï vestigt. Zou iemand die zoveel activiteit ontplooit niet willen suggereren dat het comité niet genoeg doet? Wie dan ook die geen lepra heeft wordt de toegang tot het eiland ontzegd. Zo wordt de pater geïsoleerd en «geïnterneerd» want het wordt hem verboden de quarantaine-inrichting te verlaten; men hoopt hem door deze maatregel te ontmoedigen en ertoe te brengen zijn post te verlaten. Wat hem het zwaarst valt is dat hij niet kan biechten. Maar na een paar maanden wordt de maatregel dankzij een verandering in de regering herroepen.
Daar waar nog onlangs de wet van de jungle heerste, bloeit een gemeenschap op waarin ook de zwakste zijn plaats heeft en zelfs de eerste! Kamiano ontdekt dat het evangelisch zaad om te ontkiemen de ondersteuning nodig heeft van de menselijke deugden: de hele mens moet weer overeind geholpen worden. Christus zelf is dichtbij de lepralijders gekomen om hun lichamen te genezen en hun de zin in het leven terug te geven. Door zijn blijheid, zijn liefdevolle aanwezigheid draagt Kamiano hiertoe bij: «Van 'smorgens vroeg tot 'savonds laat zit ik midden in de fysieke en morele ellende die het hart diep bedroeven. Ik tracht evenwel me altijd blij te betonen om zo de moed van mijn zieken weer op te krikken» (17 december 1874). Gedreven door het verlangen hun lijden te verlichten, stelt pater Damiaan ook belang in de vooruitgang van de wetenschap en, wanneer hij zelf ook is aangetast, zal hij de nieuwe behandelmethodes uitproberen. In 1884, zestien jaar na een eerste bezoek, gelooft een Amerikaanse professor die in Molokaï op doortocht is, zijn eigen ogen niet. De rottingsplaats heeft plaats gemaakt voor twee mooie dorpen met witte huizen waar omheen fleurige tuinen en akkers, met een toegangsweg en waterleiding. Er is een ziekenhuis waar de zwaarst getroffenen behoorlijk worden verzorgd en er zijn weeshuizen vol blijmoedige kinderen, twee kerken stampvol gelovigen, en een mooi kerkhof. Feesten, schitterende processies, paardenraces zorgen voor de nodige vermakelijkheden die nog worden verhoogd door de aanwezigheid van een fanfare. Alleen de liefde die in nederig dienstbetoon tot uiting wordt gebracht is in staat de woestenijen van het mensdom opnieuw te laten opbloeien.
«Pater Damiaan, zo zal Johannes Paulus II tijdens de mis ter zaligverklaring in 1995 zeggen, was priester, kloosterling en missionaris tegelijk. In deze drievoudige hoedanigheid heeft hij het gezicht van Christus laten zien en de weg gewezen naar het Heil, het Evangelie verkondigd en tegelijk zich onvermoeibaar ingezet ten gunste van de ontwikkeling van de gemeenschap. Hij heeft orde op zaken gesteld in het religieuze, maatschappelijke en broederlijke leven op Molokaï, het eiland dat uit de maatschappij was gestoten; bij hem had iedereen zijn plaats, ieder werd erkend en bemind door zijn broeders.»
Het geheim van pater Damiaan.
Waaruit put pater Damiaan deze liefde en deze kracht die zoveel mooie initiatieven tot gevolg hebben? In navolging van zijn stichter, Pater Coudrin, is zijn hart volledig afgestemd op de Harten van Jezus en Maria en kent dezelfde gevoelens, vreugden en smarten. Maar vooral is het een zich volledig wegschenken van zichzelf aan het Hart van Jezus in de eucharistische Aanbidding. «Zonder de voortdurende aanwezigheid van onze goddelijke Meester in mijn armzalige kapel, zo vertelt pater Damiaan, had ik nooit kunnen volharden in mijn besluit het lot van de lepralijders te delen.» Hij leeft van de Eucharistie. «Met Onze-Lieve-Heer aan mijn zijde blijf ik steeds vrolijk en blij en werk met ijver aan het welzijn van de arme stakkers.» Daarom stelt hij zodra het kan in Kalawo de altijddurende aanbidding in. «Iedere dag, zo verhaalt een getuige, komen de goede christenen verlichting van hun verdriet zoeken bij de goddelijke Vertrooster van allen die lijden. Ze doen nog meer dan dat, want ze bieden zichzelf aan als offers ter herstel van de beledigingen die de goddelijke Harten worden aangedaan door ondankbare kinderen aan wie de weldaden van de christelijke beschaving in overvloed ten deel zijn gevallen.»
De weg van pater Damiaan is bezaaid met moeilijkheden die soms nog worden verergerd door de onstuimigheid van zijn temperament dat hij toch zoveel mogelijk in bedwang probeert te houden, daarbij de blik voortdurend op God gericht . Zijn dagen beginnen met stil gebed. Zijn rozenkrans heeft hij altijd bij zich; bidden is de ademhaling van zijn ziel geworden en God is altijd bij hem. Zijn vertrouwen op Hem is onwankelbaar: «Vanaf het begin, zo schrijft hij, heb ik Onze-Lieve-Heer, zijn heilige Moeder en H. Jozef mijn gezondheidsprobleem toevertrouwd.» Door het leven van de lepralijders te delen stelt hij zich bloot aan het risico op besmetting. Reeds in 1876 spreekt hij over de tijd «dat God mij die vreselijke lepra cadeau zal willen doen».
Lepralijder onder de lepralijders.
Neemt pater Damiaan de noodzakelijke voorzorgs- maatregelen voor wat de hygiëne betreft? Zeer snel onttrekt hij zich aan de strenge instructies. Het is hier onmogelijk de regels toe te passen die in een ziekenhuis in acht worden genomen. Hoe kan je de Vader van die stakkers zijn zonder dichtbij ze te komen, ze aan te raken, hun uitnodigingen aan te nemen, met de hand voedsel te nuttigen uit de gezinsschotel. «Hij stelde zich bloot aan de ziekte waar zij aan leden, zal Benedictus XVI bij de heiligverklaring zeggen. Hij voelde zich thuis bij hen. De dienaar des Woords werd zodoende in de loop van de vier laatste jaren van zijn leven een lijdende dienaar, lepralijder onder de lepralijders.»
De gedachte aan de dood boezemt hem geen angst in: levend op de uiterste rand van zijn verbanningsoord raakt hij de gelukzalige eeuwigheid. «Het kerkhof en de hut van de stervenden, zo zegt hij, zijn mijn mooiste meditatieboeken.» In 1885 heeft hij al 1800 van zijn melaatse medebroeders begraven, dat wil zeggen drie per week. Hij had ze als zijn eigen kinderen verzorgd, de biecht afgenomen, bijgestaan in hun stervensuur. Pater Damiaan neemt dan op zijn eigen lichaam de eerste symptomen waar van de lepra. In oktober stelt hij zijn Provinciaal ervan op de hoogte: «Voor mij lijdt het geen twijfel, ik heb lepra: de Goede God zij gezegend! » Aan zijn bisschop schrijft hij: «Ik heb het gevaar getrotseerd deze verschrikkelijke ziekte op te lopen door hier mijn plicht te doen en door te proberen steeds meer aan mijzelf te sterven. Naarmate de ziekte voortschrijdt ben ik blijer en gelukkiger.» Bij de voor hem, die altijd zo sterk was, zo verschrikkelijke aftakeling komen nog de angsten voor de eenzaamheid, het onbegrip van zijn meerderen, de laster«. Toch wordt pater Damiaan die al door lepra mismaakt is er niet door verslagen, «maar altijd opgewekt en vriendelijk, volgens een getuige. Hij is blij, ondanks alles, en men is blij om hem heen.» Hij schrijft in 1887 aan zijn kloosterbroeder: «De vreugde en blijdschap des harten die de Heilige-Harten mij in overvloed schenken maken dat ik mijzelf de gelukkigste missionaris ter wereld acht.» In 1888 valt pater Damiaan de vreugde ten deel dat een Waalse missionaris, pater Conrardy, hem komt assisteren. In datzelfde jaar komen drie Franciscaner zusters zich in het leprozenhuis vestigen. Het is het resultaat van alle in de afgelopen vijftien jaar ondernomen stappen. God vergunt de pater in zijn levensavond de troost te mogen zien dat anderen de taak die hij op zich had genomen zullen voortzetten. Weldra wordt de ziekte ernstiger: de interne organen worden aangetast. Op 9 maart 1889 beklimt de pater voor de laatste keer de altaartreden. Eind maart verlaat hij zijn kamer niet meer en verklaart: «Het is afgelopen, Onze-Lieve-Heer roept me om met Hem het Paasmaal te vieren.» In de Goede Week op maandag, 15 april 1889, blaast hij op de leeftijd van 49 jaar, waarvan er zestien in dienst hebben gestaan van de lepralijders, met een glimlach de laatste adem uit, voorzien van de sacramenten van de H. Kerk , zoals een kind inslaapt in de armen van zijn Moeder.
Bij de heiligverklaring zei Paus Benedictus XVI: «In navolging van H. Paulus , sleept H. Damianus ons in zijn kielzog mee om te vechten voor goede zaken (cf. 1 Tim 1, 18), niet de zaken die verdeeldheid zaaien, maar zaken die verenigen. Hij nodigt ons uit onze ogen te openen voor de vormen van lepra die de menselijkheid van onze medebroeders misvormen en ook vandaag nog, meer dan onze edelmoedigheid, de liefde verlangt van onze dienende aanwezigheid.»
Dom Antoine Marie osb.
http://www.clairval.com/
ou
( 1 Joh. 3:10-11 ).( Jac. 1:5 ) ( Rom. 16:20 )
Hoe kunnen we worden gezegend, als we anderen niet zegenen?. In feite, brengen we soms negatieve dingen naar anderen als we niet opletten wat we zeggen. Je weet toch dat de tong als een vuur is, een wereld van ongerechtigheid, en dat erdoor alle delen van ons lichaam besmet kunnen worden en een brand kan veroorzaken, aangestoken door de hel ( Jac. 3:6 ). Geliefde, let daarom op de woorden van je mond en de overdenkingen van je hart, zegt de Heer. ( 1 Joh. 3:10-11 ).
Weersta de verleiding om meer op je te nemen dan je effectief aankan. Iedere overmacht kan je belasten en kan fysiek je middelen, emotioneel, financieel of geestelijk afbreken. Gebruik je gezond verstand bij het nemen van keuzes. De vijand wil je overbelasten. Als je wijsheid nodig hebt, vraag het Mij, en Ik geef je de begeleiding en hulp die je nodig hebt, zegt de Heer. ( Jac. 1:5 )
Dit is het begin van een nieuwe, frisse beweging van Mijn Geest en de vijand zal alles doen wat hij kan om te voorkomen dat je ervan geniet. Kijk uit zodat je sterk staat om de machten van de duisternis te overwinnen die je aanvallen en je willen weghouden van de stroom van Mijn doeleinden. Blijf alert, en ontvang geestelijke kracht. Weiger om te worden tegengehouden of op enigerlei wijze belemmerd, zegt de Heer. ( Rom. 16:20 )
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
De Taak van Madeleine.
DRIE EN TWINTIGSTE VERSCHIJNING.
Vrijdag, 21 februari 1975 om 15.00 uur.
De priester is aanwezig.
Om tien over drie verschijnt Jezus, lacht haar toe en zegt op ernstige wijze :
"Zegt de priester dat u in Naam van God en door Hem geprofeteerd heeft. Vervolgens, dat hij de Boodschap naar hen brengt, die met vertrouwen en in nederigheid moeten zorgen dat hij wordt uitgevoerd. Want er blijft maar weinig tijd over om te doen wat Ik vraag."
Hij lachte mij toe en ik zei tegen Hem :
" Wat ben ik blij U weer te zien. Hoe vaak zal ik U nog terugzien ?"
Jezus blijft lang glimlachen, maar antwoordt niet.
Hierna verdween alles.
De heilige Eucharistie.
Het Lichaam van Christus en de heilige Schrift
zijn voor de gelovige in hoge mate onmisbaar.
De gelovige: Goede Heer Jezus, hoe groot is de mildheid die de godvruchtige gelovige mag ervaren, als hij met U aan uw gastmaal aanzit; waar hem geen andere spijs tot nuttiging wordt aangeboden dan U, zijn enige Beminde; die voor hem boven alles wat hij kan verlangen aantrekkelijk zijt.
Het zou mij een voldoening zijn in uw tegenwoordigheid uit diepe genegenheid tranen te storten en met de beminnende Magdalena uw voeten met tranen te bevochtigen. Maar waar vind ik een dergelijke vroomheid? Waar is die overvloedige vloed van heilige tranen? Zeker voor uw aanschijn en dat van uw heilige engelen zou heel mijn hart in vuur en vlam moeten staan en zou ik van vreugde moeten schreien. Want ik heb U hier bij mij tegenwoordig in het Sacrament, hoewel verborgen onder een andere gedaante.
U in uw eigen goddelijke klaarheid te aanschouwen immers zouden mijn ogen niet kunnen verdragen; zelfs wie volstrekt rein was, zou niet bestand zijn tegen de glorievolle glans van uw majesteit. Hierin komt Gij dus mijn hulpeloosheid tegemoet, dat Gij U in dit Sacrament verbergt.
Ik bezit hier waarlijk en aanbid Hem, die de engelen in de hemel aanbidden; maar ik voorlopig in geloof, zij van aangezicht tot aangezicht en zonder versluiering. Ik moet tevreden zijn met het licht van het ware geloof en daarin wandelen, totdat de dag van de eeuwige klaarheid aanbreekt en de schaduwen van de beelden wijken. Maar als eenmaal dat wat volmaakt is gekomen zal zijn, zal het gebruik van de sacramenten ophouden, omdat de zaligen in de hemelse glorie het sacramenteel geneesmiddel niet nodig hebben.
Want zij verheugen zich zonder einde over de tegenwoordigheid van God, wiens schoonheid zij van aangezicht tot aangezicht aanschouwen; en steeds meer omgevormd in de afgrondelijke heerlijkheid van God, proeven zij het Woord Gods dat vlees geworden is, zoals het vanaf het begin was en in eeuwigheid blijft. Deze wonderen indachtig staat welke geestelijke vertroosting ook, mij tegen; want zolang ik mijn Heer niet openlijk in zijn glorie zie, acht ik alles niets wat ik in de wereld zie en hoor.
Gij zijt mijn getuige, God, dat geen enkele zaak mij kan troosten, geen schepsel mij rust kan geven, alleen Gij, mijn God, die ik verlang voor eeuwig te aanschouwen. Maar dit is niet mogelijk zolang ik in deze sterfelijkheid verblijf. Daarom moet ik mij wel afstemmen op een groot geduld en mijzelf bij elk verlangen aan U onderwerpen.
Want ook uw heiligen, Heer, die nu met U in het rijk der hemelen jubelen, hebben zolang zij leefden de komst van uw glorie met vertrouwen en groot geduld afgewacht.
Wat zij geloofden geloof ook ik, waarop zij hoopten hoop ook ik, waar zij zijn aangekomen, vertrouw ik door uw genade ook te zullen komen. Intussen zal ik leven in geloof, versterkt door het voorbeeld van de heiligen. Ik zal ook de heilige boeken hebben tot troost en als spiegel van het leven; en boven dit alles uw allerheiligst Lichaam als bijzonder middel en toevlucht.
Want twee dingen zijn naar mijn mening mij in dit leven hoogst nodig, zonder deze zou dit armzalig leven voor mij ondraaglijk zijn. In de gevangenschap van dit lichaam vastgehouden, beken ik aan twee dingen behoefte te hebben: aan voedsel namelijk en aan licht.
Gij hebt mij, zwakkeling, uw heilig Lichaam gegeven tot herstel van ziel en lichaam en een lamp voor mijn voeten gesteld, uw Woord. Zonder deze twee zou ik niet goed kunnen leven; want Gods woord is licht voor mijn ziel en uw Sacrament brood voor het leven.
Deze kunnen ook uw twee tafels worden genoemd: aan weerszijden geplaatst in de schatkamer van uw Kerk.
De ene tafel is die van uw heilig altaar dat het heilig brood bevat, dat is het kostbaar Lichaam van Christus.
De andere is die van de goddelijke wet waarin uw heilige leer is vervat, die het ware geloof leert en ontwijfelbaar binnenleidt in het binnenste, achter het voorhangsel waar zich het Heilige der Heiligen bevindt.
U zij dank, Heer Jezus, Licht van het eeuwige Licht, voor de tafel van uw heilige leer die Gij ons door uw dienaren de profeten en apostelen, en andere leraren hebt voorgehouden.
Dank zij U, Schepper en Verlosser van de mensen, die om aan heel de wereld uw liefde te bewijzen een groot maal hebt aangericht, waarin Gij niet het voorafbeeldende Lam, maar uw allerheiligst Lichaam en Bloed ter nuttiging hebt aangeboden.
Aldus alle gelovigen verblijdend met een heilig gastmaal en lavend met een heilbrengende kelk, waarin al de vreugden van het paradijs aanwezig zijn en waarbij met ons de heilige engelen maaltijd houden in nog groter geluk.
Hoe groot en eervol is de bediening van de priesters, aan wie gegeven werd de Heer van de majesteit met heilige woorden te consacreren, met de lippen te zegenen, in de handen te houden, met eigen mond te nuttigen en aan anderen toe te dienen.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
BIRGITTAS ECHTGENOOT, ULF GUDMARSSON, NA DEN DOOD.
Boek 9 - KAP. 56 LAT. TEKST. VIJFDE BOEK, KAP 24 ZWEEDSE TEKST.
Een ziel vertoonde zich aan de H. Birgitta en zeide: "Ik heb de rechtvaardigheid des rechters ervaren, maar nu wordt de strengheid verminderd, en nadert de barmhartigheid. Ik heb vijf zonden begaan, waarover ik volmaakt berouw gehad heb. De eerste is, dat ik veel gezondigd heb met den dwazen knaap, dien gij kent, en mij vermaakt heb over zijn zotte en belachelijke gebaren. De tweede is, dat ik voor mijn dood de weduwe niet vergoed heb, wat ik van haar gekocht heb, zoals gij wel weet, want ik heb het vergeten. En als zij morgen bij u komt, betaal haar dan zoveel als zij vraagt, want zij vraagt niet meer, dan waarop zij recht heeft.
De derde is, dat ik schertsend iemand beloofde bij te staan in zijn moeilijkheden, waardoor hij zich de stoutmoedigheid veroorloofde om tegen den koning op te staan en zich tegen de wet te verzetten. De vierde is dat ik medespeelde in het tournooispel en deelnam aan andere ijdele genoegens, meer uit zucht naar roem en uit hoogmoed dan tot eenig nut. De vijfde is, dat ik zeer streng en onvermurwbaar geweest ben tegen een ridder, opdat hij uit het land verbannen zou worden, en hoewel hij schuldig was, heb ik mij toch minder barmhartig tegenover hem gedragen, dan ik doen moest."
Toen zeide Birgitta: "O! Ziel, ziel, wat diende u eerst tot redding, of wat kan u redden van de straf?" De ziel antwoordde: "Zes dingen hebben mij geholpen. Ten eerste de biecht en ik biechtte iederen Vrijdag, als ik een biechtvader had en den oprechten wil had om mij te beteren. Ten tweede de rechtvaardigheid die ik betracht heb toen ik zitting had in het gerecht en niet veroordeelde uit partijdigheid noch uit geldzucht, maar mijn oordeel nauwkeurig overwoog en bereid was te herstellen, waarin ik gefaald had. Ten derde de gehoorzaamheid die ik mijn biechtvader getoond heb, toen hij mij onthouding voorschreef gedurende den tijd dat mijn vrouw zwanger was.
Ten vierde de voorzichtigheid die ik in acht genomen heb door de armen niet te veel te ergeren met mijn gastmalen en geen schulden te maken. Ten vijfde de onthouding die ik mijzelf heb opgelegd gedurende de bedevaart naar het graf van den H. Jacobus, want onderweg heb ik niets gedronken om te boeten voor de vele uren die ik te lang aan tafel gezeten heb en voor alles wat ik toen gezegd heb. En nu ben ik zeker van mijn zaligheid, hoewel ik niet weet, wanneer ik gered zal worden. Ten zesde mijn besluit om iemand te kiezen dien ik voor rechtvaardig hield en die mijn schulden betalen zou.
En omdat ik vreesde veel schuld te hebben, gaf ik den koning zijn kantons terug, opdat deze schuld geen invloed hebben zou op Gods oordeel.
En nu smeek ik u om hulp. Laat gedurende een heel jaar Missen voor mij lezen, ter eere van Onze Lieve Vrouwe de H. Maria en ter eere van alle heilige engelen en van alle Heiligen en ter eere van alle gelovige zielen en verder ter eere van het lijden van Onzen Heer en Heiland Jezus Christus, want ik hoop spoedig gered te worden.
Wees vooral goed jegens de armen. Geef mijn sieraden weg en mijn paarden en alles wat mij het meest verheugde. En, indien het u mogelijk is, laat dan eenige kelken maken die gebruikt kunnen worden voor Gods eeredienst. Want dit draagt veel bij tot meerdere zaligheid der ziel. Laat uw vaste goederen na aan de kinderen, want volgens mijn geweten heb ik niets daarvan op onrechtvaardige wijze verkregen, noch anderen tegen hun wil ooit iets onthouden."
13-04-2011
AAN ALLEN EEN GEZEGENDE WOENSDAG TOEGEWENST.
N. ( M ).
SELLO DE LA PRECIOSA SANGRE PARA LA CASA (Protección)
SELLO DE LA PRECIOSA SANGRE PARA LA CASA (Protección)
Mijn Engel Daniël. ( Vasulla Ryden.)
10 MEI 1986.
Vrede zij met je; ik ben je engelbewaarder; ik zal je altijd leiden, altijd over je waken; Jezus bemint je; ik bid voor je; prijs Jezus;
Ik vraag mij af of er iets fantastisch zal gebeuren.
Misschien is er al iets fantastisch gebeurd
Bedoel je dat ik veranderd ben?
Ja; ere zij God omdat Hij je dicht naar Zich toe heeft gebracht; Daniël;
11 MEI 1986.
Vrede;
Ben je blij omdat ik nu dichter bij God ben?
Ja;
Is het genoeg?
Nee; je moet nog meer vooruitgaan; ik zal je helpen; Daniël;
Wordt vervolgd.
HEILIGE FRANCISCUS XAVERIUS.
N. ( M ).
OP DIE DAG ZOEK IK JERUZALEM.
N.
Bent u klaar voor het oordeel?
God is "de Rechter der ganse aarde" (Genesis 18:25). "De HERE richt de volken" (Psalm 7:9 // Hebreeën 10:30). "Over de rechtvaardige en de onrechtvaardige zal God gericht oefenen" (Prediker 3:17). "Maar de HERE zetelt voor eeuwig, zijn rechterstoel heeft Hij ten gerichte gezet; ja, Hij oordeelt de wereld in gerechtigheid, Hij richt de natiën in rechtmatigheid" (Psalm 9:8,9). "Indien de ene mens tegen de andere mens zondigt, dan zal God hem richten" (1 Samuël 2:25).
"Van al het gehoorde is het slotwoord: Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen. Want God zal elke daad doen komen in het gericht over al het verborgene, hetzij goed, hetzij kwaad" (Prediker 12:13,14).
Het oordeel komt. Het leven is kort. Allen moeten sterven. Zijn we klaar? Het is de mens beschikt "éénmaal te sterven en daarna het oordeel" (Hebreeën 9:27).
Door Jezus worden wij geoordeeld.
Hij zei: "Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven, opdat allen de Zoon eren gelijk zij de Vader eren" (Johannes 5:22,23).
Omdat Jezus zowel Zoon van God als Zoon des mensen is, werd Hij aangesteld om de mensenkinderen te oordelen. Jezus zei: "Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf. En Hij heeft Hem macht gegeven om gericht te houden, omdat Hij de Zoon des mensen is. Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel. Ik kan van Mijzelf niets doen; gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet mijn wil, doch de wil van Hem, die Mij gezonden heeft" (Johannes 5:26 t/m 30).
Zoals Paulus aan de mannen van Athena zei: "God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken" (Handelingen 17:30,31). Jezus is het, "die door God is aangesteld tot rechter over levenden en doden" (Handelingen 10:42 -- Zie ook 2 Timoteüs 4:1).
Het woord van Christus zal ons oordelen.
Jezus zei: "Indien iemand naar mijn woorden hoort, maar ze niet bewaart, Ik oordeel hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, doch om de wereld te behouden. Wie Mij verwerpt en mijn woorden niet aanneemt, heeft één, die hem oordeelt: het woord, dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen ten jongsten dage" (Johannes 12:47,48).
Paulus spreekt van de dag waarop "God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn evangelie, door Christus Jezus" (Romeinen 2:16); hij spreekt van "het rechtvaardig oordeel Gods, die een ieder vergelden zal naar zijn werken: hun, die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; maar hun, die zichzelf zoeken, der waarheid ongehoorzaam en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, wacht toorn en gramschap. Verdrukking en benauwdheid (zal komen) over ieder levend mens, die het kwade bewerkt, eerst de Jood en ook de Griek; maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek. Want er is geen aanzien des persoons bij God" (Romeinen 2:5 t/m 11).
"Zo zal [dan] een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven aan God" (Romeinen 14:12). "Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad" (2 Korintiërs 5:10).
"En indien gij Hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze de tijd uwer vreemdelingschap" (1 Petrus 1:17).
Hoe kunnen wij ons voor het oordeel klaarmaken?
Wij moeten de wil van God kennen. We moeten de wil van God doen. Onze zonden moeten door het bloed van Christus vergeven zijn.
Helaas, er zijn velen die de wil van God niet kennen, en toch menen dat ze wijs zijn. Deze vergissing werd dikwijls door Israël gemaakte. De Heer berispte hen: "Zelfs de ooievaar aan de hemel kent zijn vaste tijden en tortelduif en zwaluw nemen de tijd van hun komst in acht, maar mijn volk kent het recht des HEREN niet. Hoe durft gij zeggen: Wij zijn wijs en de wet des HEREN is bij ons? Voorwaar, zie, bedrieglijk heeft de leugenpen der schrijvers die vervaardigd! Te schande worden de wijzen, verslagen en verstrikt! Zie, het woord des HEREN hebben zij verworpen, wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?" (Jeremia 8:7 t/m 9).
Mensen die het woord van God verwerpen, kennen 'het recht des HEREN' niet. De schriftgeleerden, de godsdienstige leiders, waren het volk aan het misleiden. Zij hadden een 'leugenpen' die bedrog vervaardigde. Velen zullen op de dag des oordeels verloren gaan omdat dat zij Gods woord verwerpen en naar godsdienstige leiders luisteren.
Uitsluitend door Gods woord kunnen wij Zijn wil kennen.
Toch is het niet voldoende, Gods wil te kennen. Zijn wil moeten wij ook doen.
Jezus zei: "Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid. Een ieder nu, die deze mijn woorden hoort en ze doet, zal gelijken op een verstandig man, die zijn huis bouwde op de rots. En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, en het viel niet in, want het was op de rots gegrondvest. En een ieder, die deze mijn woorden hoort en ze niet doet, zal gelijken op een dwaas man, die zijn huis bouwde op het zand. En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het viel in, en zijn val was groot" (Matteüs 7:21-27).
De wil van God moeten wij èn kennen èn doen. Maar wat van onze zonden?
Onze zonden moeten door het bloed van Christus vergeven zijn.
Jezus zei: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven" (Johannes 5:24).
Bekering is vereist. Jezus zei: "Als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen" (Lucas 13:3). Dit betekent dat wij berouw voor onze zonden moeten hebben en het besluit moeten nemen volgens Gods wil te leven. We moeten gedoopt worden. Jezus zei: "Wie gelooft en zich laat dopen zal behouden worden" (Marcus 16:16).
Maak u klaar voor het oordeel.
"Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods?" (1 Petrus 4:17).
Het oordeel begint bij het huis Gods. Wij christenen kunnen dankbaar zijn dat wij door het bloed van Christus aan de veroordeling zijn ontsnapt. Toch mogen wij niet gemakzuchtig zijn. De Schrift moeten wij ernstig bestuderen om de wil van God te kunnen kennen en doen.
Wat zal het einde zijn van hen die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods? Allen die het evangelie nog niet hebben gehoorzaamd, zijn niet klaar voor het oordeel. Hun zonden scheiden hen nog van God. Door het woord van Christus te geloven en te gehoorzamen, kunnen zij van het oordeel behouden worden.
Zijn wij klaar voor het oordeel?
Wij moeten de wil van God kennen. We moeten de wil van God doen. Onze zonden moeten door het bloed van Christus vergeven zijn. Laten wij ons klaar maken! Laten we klaar zijn. Dan kunnen wij "met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd" (Hebreeën 4:16).
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
TWEE EN TWINTIGSTE VERSCHIJNING.
Vrijdag 14 februari 1975 - eerste vrijdag van de Vasten.
In de kapel, om 15.00 uur, verschijnt Jezus voorafgegaan door een stralenkrans van licht, maar Hij zegt niets.
Madeleine blijft nog ongeveer tien minuten in aanbidding. Zij is alleen en heeft een voorgevoel dat de Heer tijdens de Vasten iedere vrijdag zal terugkomen.
De heilige Eucharistie.
De Heilige Communie moet men niet gemakkelijk achterwege laten.
De Heer: Dikwijls behoort gij uw toevlucht te nemen tot de bron van genade en goddelijke barmhartigheid, tot de bron van goedheid en alle zuiverheid. Dan zult gij van uw hartstochten en gebreken worden genezen en verdienen krachtiger en waakzamer te kunnen optreden tegen alle bekoringen en bedriegerijen van de duivel.
De vijand weet dat zeer veel vrucht en een middel tot heil in de communie gelegen zijn; op allerlei wijzen en bij iedere gelegenheid probeert hij gelovigen en vromen zoveel hij kan daarvan af te houden of hen daarin te belemmeren. Want als sommigen zich op de heilige communie voorbereiden, ondergaan zij zeer erge ingevingen van de satan.
De boze geest zelf, zoals in het boek Job geschreven staat, komt onder de zonen Gods om hen met zijn gebruikelijke slechtheid in verwarring te brengen, ze bevreesd te maken of radeloos; om zo hun liefde te verminderen of hun geloof door zijn aanvechting weg te nemen, zodat zij óf de communie helemaal weglaten óf met lauwheid ertoe naderen.
Maar men moet zich niet het allerminst storen aan zijn sluwheden en verbeeldingen, hoe schandelijk en verschrikkelijk die ook zijn, maar alle fantasieën moet men naar zijn hoofd terugwerpen. Hij is ellendig, verachtelijk en bespottelijk; en om zijn beledigingen en de onrust die hij veroorzaakt, moet men de heilige communie niet overslaan. Dikwijls immers is een te grote bezorgdheid een belemmering voor de godsvrucht en ook de angst voor het spreken van de biecht.
Handel volgens de raad van wijze mensen en leg angst en scrupules af, want dit verhindert Gods genade en vernietigt de innerlijke godsvrucht. Laat om een of ander klein bezwaar of verwarring de heilige communie niet varen; maar ga spoedig biechten en vergeef anderen graag al hun beledigingen. Maar hebt gij zelf iemand beledigd, vraag dan nederig om vergeving, dan zal God u van harte genadig zijn.
Wat baat het u zo lang te wachten met biechten of de heilige communie uit te stellen? Zuiver u zo snel mogelijk, spuw het venijn onmiddellijk uit, haast u het geneesmiddel in te nemen en gij zult u beter bevinden dan wanneer gij lang wacht.
Als gij om deze reden nalatig zijt, is er morgen wellicht een nog belangrijker reden en zo zoudt gij lang van de communie weerhouden kunnen worden en er steeds minder toe in staat zijn. Zo spoedig mogelijk moet gij dit bezwaar en deze lusteloosheid van u afschudden. Het dient nergens toe lang gekweld te worden, lang met onrust rond te lopen en vanwege dagelijkse belemmeringen zich van het goddelijke te verwijderen. Het is zelfs in hoge mate schadelijk de heilige communie lang uit te stellen, want dat leidt gewoonlijk tot grote lauwheid.
Helaas, sommigen die lauw zijn en nalatig nemen de kans hun biecht wat later te doen graag aan en stellen de heilige communie daarom graag uit om niet verplicht te zijn tot grotere waakzaamheid over zichzelf. Helaas, wat hebben zij weinig liefde en een zwakke godsvrucht die de heilige communie zo gemakkelijk uitstellen.
Hoe gelukkig is hij en hoezeer Godwelgevallig die zo leeft en zijn geweten dermate rein houdt, dat hij gereed is zelfs dagelijks te communiceren en het zou verlangen te doen, als het hem geoorloofd was en het kon geschieden zonder op te vallen.
Als iemand er zich somtijds van onthoudt uit nederigheid of omdat een goede reden het bezwaarlijk maakt, is hij te prijzen om zijn eerbied. Maar sluipt de lauwheid binnen, dan moet hij zichzelf aansporen en doen wat in zijn vermogen is; dan zal de Heer aan zijn verlangen voldoen om die goede wil, waarmee de Heer zeer bijzonder rekening houdt.
Maar als iemand wettig verhinderd is, zal hij altijd de goede wil en de vrome bedoeling hebben te communiceren en zo zal hem de vrucht van het Sacrament niet ontgaan. Want iedere vrome gelovige kan op ieder uur van de dag in een geestelijke communie tot Christus naderen en dat zonder enige weerhouding. Maar op bepaalde dagen en tijden zal hij niet mogen nalaten het Lichaam van zijn Verlosser met liefdevolle eerbied in het Sacrament te ontvangen, en dat meer op grond van Gods eer en glorie dan om het zoeken van eigen troost. Want zo dikwijls hij geestelijk communiceert, wordt hij onzichtbaar verkwikt als hij het mysterie van Christus menswording en lijden vroom herdenkt en in liefde voor Hem ontvlamt.
Wie zich anders niet voorbereidt dan bij het ophanden zijn van een feest of omdat de gewoonte ertoe aanzet, zal dikwijls geheel onvoorbereid zijn. Gelukkig degene die zich de Heer onvoorwaardelijk als offer opdraagt, zo dikwijls hij communiceert. Gij moet voor de anderen geen oorzaak van last of verveling zijn, maar de gewone weg bewandelen volgens de instelling van wie ons zijn voorgegaan, en liever het nut van anderen in het oog houden dan eigen devotie of verlangen.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
BROEDER GEREKINUS IN ALVASTRA.
Boek 9 - KAP. 55
Een monnik van heiligen wandelde in het klooster te Alvastra vertelde onder tranen en zwoer prior Petrus onder ede, dat toen Vrouwe Birgitta haar intrek in hetzelfde klooster had genomen, de monnik, met verwondering in zijn hart en uit ijver voor de regel en de heiligheid er van in zichzelf gezegd had : "Waarom woont deze vrouw in het klooster voor monniken, wat tegen onze regel strijdt en waarom voert zij er nieuwe zeden in?" In het gebed raakte dezelfde broeder in geestesvervoering en hoorde een stem, die tot hem sprak : "Deze vrouw is Gods vriend en is in het klooster gekomen om op deze berg bloemen te plukken, waardoor iedereen, ook mensen aan de overkant van de zee en aan de grenzen der wereld, genezing zullen vinden."
Deze broeder heette Gerekinus en was zo heilig in leven en wandel, dat hij gedurende veertig jaar nooit het klooster verliet, maar dag en nacht in gebeden waakte en van God de bijzondere genade verkreeg, dat hij onder zijn gebed bijna voortdurend de negen engelenkoren aanschouwde. Hij zag ook terwijl de Heilige Hostie werd opgeheven Christus in de gedaante van een knaap.
12-04-2011
AAN ALLEN EEN GEZEGENDE DINSDAG TOEGEWENST.
N. ( M ).
Rosary-Sorrowful mysteries.
Rosary-Sorrowful mysteries.
Mijn Engel Daniël. ( Vasulla Ryden.)
Notieboek 1.
8 MEI 1986.
( Dialoog met mijn engel Daniël ).
Wees in vrede; ere zij God omdat Hij zo goed is geweest je Zijn Vrede te geven; Ik zal je behoeden voor het kwaad; wees goed en zeg nu een gebed; Jezus zal je dichter bij Hem brengen; Daniël;
9 MEI 1986.
Vrede; ik ben bij je; wees niet bang; ik zal altijd voor je bidden en je leiden; ik zal altijd over je waken; wees goed; ere zij God; bid; Daniël;
(Later: )
Vrede ruste op je; Ik zal je dichter naar God leiden en een beter mens van je maken; wees goed; ere zij God; moge je gaan met de zegen van God, je Hemelse Vader; amen, amen; Daniël;