For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
31-01-2011
(Naar Ruth I, vers 16b - 17)
Ik zou iets willen zeggen aan u allen
die een stuk van het weefsel
van mijn leven geworden zijt:
de vorm en de kleur
die gij aan mijn bestaan gegeven hebt
zijn nu een lied geworden;
en ik wil het altijd blijven zingen.
Er leeft een kracht in ons
die maakt dat grote dingen gebeuren
zodra de paden van anderen
onze paden raken;
en dan moeten we erbij zijn
en het laten gebeuren.
En als de tijd
van onze eigen zonsondergang
zal aangebroken zijn,
dan zullen onze zaak en onze prestaties
echt van niet veel tel zijn,
maar de zuiverheid en de bekommernis
waarmee wij van andere mensen gehouden hebben
zal met kracht getuigen
van het enorme, levengevende geschenk
dat wij voor elkaar geweest zijn.
Waar gij gaat, daar zal ik gaan
Waar gll leeft, daar zal ik leven
Uw mensen zullen mijn mensen zijn
En uw God zal ook de mijne zijn.
Waar gij sterft, daar zal ik sterven
En ik zal naast u begraven worden.
Wij twee horen dan voor altijd samen
En onze liefde zal het geschenk van ons leven zijn.
Ga met ons, God.
Ga met ons, God, de lange weg
van onmacht en verdriet
naar kracht en opstanding.
Duld onze vragen.
Begrijp onze weemoed.
Verzacht wat ons pijn doet.
Sterk in ons het geloof
dat geen enkele steen vergeefs wordt verlegd,
maar dat èlk mensenleven - hoe kort ook -
kostbaar en waardevol is in Jouw ogen.
En laat er ook licht zijn.
Blaas de gloed van het verlangen aan
dat er weer een morgen komt die ons optilt;
dat er een avond is van een eeuwig weerzien en thuis zijn met allen.
Amen.
Nahum 2:4-3:19.
Ondergang van Nineve
4 De schilden van zijn helden zijn rood gekleurd,
zijn soldaten gaan in purper gekleed.
De wagens die hij opstelt zijn vlammend gepantserd,
de lansen worden gericht.
5 Door de straten razen de wagens,
ze jagen voort over de pleinen,
ze zien eruit als fakkels,
als bliksemschichten schieten ze voorbij.
6 Hij spoort zijn bevelhebbers aan,
hals over kop gaan zij voort.
Ze snellen naar de stadsmuur,
het stormdak wordt opgesteld,
7 de sluizen gaan open,
het paleis stort ineen.
8 Daar staat hij, hij laat de stad naakt wegvoeren.
Haar slavinnen klagen als duiven,
rouwend slaan ze zich op hun borst.
9 Nineve!
Een volle vijver zolang het bestond,
nu stroomt hij leeg.
Blijf staan! Blijf staan!
Maar niemand die zich omdraait.
10 Roof het zilver, roof het goud!
De schat is onuitputtelijk!
Kostbaarheden zonder tal!
11 Verwoesting, woestheid, woestenij:
harten bezwijken, knieën knikken,
heupen beven, gezichten verbleken.
12 Wat is er over van het leeuwenhol?
Het was een nest vol jonge leeuwen,
de leeuw, de leeuwin en de welpen
gingen er ongestoord hun gang.
13 De leeuw roofde voor zijn welpen,
beet kelen door voor zijn leeuwinnen,
vulde zijn holen met prooi,
zijn legers met buit.
14 Ik zal je straffen spreekt de HEER van de hemelse machten.
Ik laat je strijdwagens opgaan in rook,
het zwaard zal je dappere leeuwen verslinden,
je prooi vaag ik weg van de aarde,
de stem van je gezanten wordt niet meer gehoord.
[3] 1 Wee de bloedstad,
een en al leugen,
vol oorlogsbuit,
het roven houdt niet op.
2 Hoor! Knallende zwepen!
Hoor! Daverende wielen!
Dravende paarden,
dansende wagens,
3 steigerende ruiters,
vlammende zwaarden,
bliksemende lansen!
Vele doden,
massas lichamen,
ontelbare lijken,
je struikelt over de lijken.
4 Je gedraagt je als een hoer,
een verleidster ben je, bedreven in toverij,
je verkwanselt volken voor je ontuchtige praktijken,
en stammen voor je toverkunst.
5 Daarom zal ik je straffen spreekt de HEER van de hemelse machten.
Ik zal je kleren optillen tot over je gezicht,
je naaktheid aan alle volken tonen,
je schaamte aan alle landen laten zien.
6 Ik zal je onder vuil bedelven,
je belachelijk maken,
je te kijk zetten.
7 Dan zal ieder die je ziet zich van je afwenden
en zeggen: Nineve is verwoest!
Wie zal om haar rouwen?
Waar vind ik iemand die je troost?
8 Ben jij beter dan Thebe,
aan de armen van de Nijl,
omgeven door water,
met de zee als bescherming,
met als stadswal de zee?
9 Nubië en Egypte waren haar steeds weer tot steun,
Put en de Libiërs kwamen haar te hulp.
10 Toch moest ook zij in ballingschap,
ook zij werd gevangen en weggevoerd.
Ook haar zuigelingen werden vermorzeld
op iedere hoek van de straat.
Ook om haar aanzienlijken wierp men het lot,
ook haar leiders werden in de boeien geslagen.
11 Ook jij zult dronken en beneveld raken,
ook jij zult voor de vijand moeten vluchten.
12 Je vestingsteden zijn als bomen vol rijpe vijgen:
worden ze geschud, dan vallen ze de eter in de mond.
13 Je leger is een stel vrouwen,
de poorten van je land staan wijd open voor je vijanden,
vuur heeft je sluitbalken verteerd.
14 Put maar water voor het beleg,
versterk je vestingsteden!
Treed de klei en stamp de leem,
pak de steenvorm!
15 Toch zal het vuur je verteren,
het zwaard je verdelgen.
Het zal je opvreten als een zwerm sprinkhanen,
ook al ben je net zo talrijk
en plant je je voort als de bidsprinkhaan.
16 Bij jou zijn er meer handelaars
dan sterren aan de hemel
ze ontpoppen zich als sprinkhanen, en vliegen weg.
17 Je leiders zijn als bidsprinkhanen,
je ambtenaren als een zwerm vliegen.
Op een koude dag zitten ze op de muren,
maar zodra de zon schijnt vliegen ze weg,
niemand weet waarheen. Waar zijn ze?
18 Je herders slapen, koning van Assyrië,
je leiders zitten stil,
je volk is verstrooid over de bergen
en niemand brengt het bijeen.
19 Er is geen verzachting voor je wond,
je letsel is niet te genezen.
Wie hoort wat er met jou gebeurt, klapt in zijn handen,
want wie heeft niet voortdurend geleden onder jouw wreedheid?
GEBED.
God van Tederheid,
in gebed voelden wij ons verbonden
met duizenden en duizenden
die ons zijn voorgegaan in Jezus' spoor.
Zegen ons tot voortrekkers in geloof, hoop en liefde.
Dan zullen wij geroepen worden om,
met alle heiligen, U te aanschouwen van aangezicht tot aangezicht.
1 Korintiërs 12.
1 Broeders en zusters, over de gaven van de Geest wil ik u het volgende zeggen.
2 Zoals u weet was u in de tijd dat u nog heidenen was volledig in de ban van goden die taal noch teken geven. 3 Daarom zeg ik u nadrukkelijk: niemand kan ooit door toedoen van de Geest van God zeggen: Vervloekt is Jezus, en niemand kan ooit zeggen: Jezus is de Heer, behalve door toedoen van de heilige Geest.
4 Er zijn verschillende gaven, maar er is één Geest; 5 er zijn verschillende dienende taken, maar er is één Heer; 6 er zijn verschillende uitingen van bijzondere kracht, maar het is één God die ze allemaal en bij iedereen teweegbrengt. 7 In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente. 8 Aan de een wordt door de Geest het verkondigen van wijsheid geschonken, aan de ander door diezelfde Geest het overdragen van kennis; 9 de een ontvangt van de Geest een groot geloof, de ander de gave om te genezen. 10 En weer anderen de kracht om wonderen te verrichten, om te profeteren, om te onderscheiden wat wel en wat niet van de Geest afkomstig is, om in klanktaal te spreken of om uit te leggen wat daar de betekenis van is. 11 Al deze gaven worden geschonken door een en dezelfde Geest, die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals hij wil.
12 Een lichaam is een eenheid die uit vele delen bestaat; ondanks hun veelheid vormen al die delen samen één lichaam. Zo is het ook met het lichaam van Christus. 13 Wij zijn allen gedoopt in één Geest en zijn daardoor één lichaam geworden, wij zijn allen van één Geest doordrenkt, of we nu uit het Joodse volk of uit een ander volk afkomstig zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn. 14 Immers, een lichaam bestaat niet uit één deel, maar uit vele. 15 Als de voet zou zeggen: Ik ben geen hand, dus ik hoor niet bij het lichaam, hoort hij er dan werkelijk niet bij? 16 En als het oor zou zeggen: Ik ben geen oog, dus ik hoor niet bij het lichaam, hoort het er dan werkelijk niet bij? 17 Als het hele lichaam oog zou zijn, waarmee zou het dan kunnen horen? Als het hele lichaam oor zou zijn, waarmee zou het dan kunnen ruiken? 18 God heeft nu eenmaal alle lichaamsdelen hun eigen plaats gegeven, precies zoals hij dat wilde. 19 Als ze met elkaar slechts één lichaamsdeel zouden vormen, zou dat dan een lichaam zijn? 20 Het is juist zo dat er een groot aantal delen is en dat die met elkaar één lichaam vormen. 21 Het oog kan niet tegen de hand zeggen: Ik heb je niet nodig, en het hoofd kan dat evenmin tegen de voeten zeggen. 22 Integendeel, juist die delen van het lichaam die het zwakst lijken zijn het meest noodzakelijk. 23 De delen van ons lichaam waarvoor we ons schamen en die we liever bedekken, behandelen we zorgvuldiger en met meer respect 24 dan die waarvoor we ons niet schamen. Die hebben dat niet nodig. God heeft ons lichaam zo samengesteld dat de delen die het nodig hebben ook zorgvuldiger behandeld worden, 25 zodat het lichaam niet zijn samenhang verliest, maar alle delen elkaar met dezelfde zorg omringen. 26 Wanneer één lichaamsdeel pijn lijdt, lijden alle andere mee; wanneer één lichaamsdeel met respect behandeld wordt, delen alle andere in die vreugde. 27 Welnu, u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit. 28 God heeft in de gemeente aan allerlei mensen een plaats gegeven: ten eerste aan apostelen, ten tweede aan profeten en ten derde aan leraren. Dan is er het vermogen om wonderen te verrichten, de gave om te genezen en het vermogen om bijstand te verlenen, leiding te geven of in klanktaal te spreken. 29 Is iedereen soms een apostel? Of een profeet? Is iedereen een leraar? Kan iedereen wonderen verrichten? 30 Of kan iedereen genezen? Kan iedereen in klanktaal spreken en kan iedereen die uitleggen?
31 Richt u op de hoogste gaven. Maar eerst wijs ik u een weg die nog voortreffelijker is.
Joël 3:1.
Daarna zal zich dit voltrekken:
Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.
Jullie zonen en dochters zullen profeteren,
oude mensen zullen dromen dromen,
en jongeren zullen visioenen zien.
29-01-2011
Gebed voor Priesters.
Almachtige God, moge Uw genade
ons helpen opdat wij die het
priesterambt ontvangen hebben, U
waardig en trouw zouden dienen,
in volledige zuiverheid en met een
goed geweten. En indien wij er niet
toe komen in deze onschuld te
leven, verleen ons oprecht het
kwaad te bewenen dat wij begaan
hebben en U in alles ijverig,
nederig en met goede wil te
dienen.
Door Christus onze Heer.
Amen.
Levende God.
Levende God,
zo vaak stuit uw roep op onze kortzichtigheid en kleinmoedigheid.
Maar gij laat niet af ons telkens weer op te zoeken, ook als wij vluchten
ver weg van uw aanschijn.
Ontdooi dan onze ingevroren denkbeelden, verwarm ons verkilde hart.
Zet ons weer op het spoor van uw mildheid en oeverloze barmhartigheid en laat
ons paden van gerechtigheid bewandelen, open en moedig, bewogen door uw
Geest. Amen.
God.
God,
Gij roept ons bijeen
om te luisteren naar uw Woord.
Help ons om oud en nieuw te ontdekken
en te leven in navolging van uw Zoon
als authentieke gelovigen.
Amen.
"VRAAG DE HEER VAN DE OOGSTARBEIDERS TE STUREN OM TE OOGSTEN!"
"VRAAG DE HEER VAN DE OOGST
ARBEIDERS TE STUREN OM TE OOGSTEN!"
"Vraag de heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten!". Dat betekent: de oogst is er,
maar God wil zich bedienen van mensen om hem naar de graanschuur te brengen. God heeft
mensen nodig. Hij heeft mensen nodig die zeggen: ja, ik ben bereid te helpen zodat deze oogst
die in het hart van de mensen rijpt, werkelijk naar de graanschuren van de eeuwigheid kan
gedragen worden en goddelijke eeuwige gemeenschap van vreugde en liefde worden.
"Vraag de heer van de oogst!". Dat wil ook zeggen: we kunnen niet zomaar roepingen
"voortbrengen", zij moeten van God komen. We kunnen niet, zoals dat misschien het geval is
voor andere beroepen, met een doelgerichte campagne, om zo te zeggen met een aangepast
beleid, zomaar mensen aanwerven. De roeping die uitgaat van Gods hart, moet steeds de weg
naar het hart van de mens vinden. En toch: juist opdat ze het hart van de mens zou bereiken, is
onze medewerking eveneens nodig.
Het vragen aan de heer van de oogst betekent zeker voor alles ervoor bidden, met ons hart
zeggen: "Doe het, alstublieft! Maak de mensen wakker! Ontsteek in hen het enthousiasme en de
vreugde voor het Evangelie! Doe hen begrijpen dat het de kostbaarste aller schatten is en dat
degene die hem ontdekt heeft, hem moet doorgeven!"
Wij bewegen Gods hart. Doch God iets vragen, gebeurt niet alleen door te bidden; het impliceert
ook dat het woord omgezet wordt in daden, opdat uit ons biddend hart ook de vonk ontspringt
van de vreugde in God, de vreugde om het Evangelie, en dat het gebed in andere harten de
bereidheid opwekt hun "ja" uit te spreken. Als mensen van gebed, vervuld van zijn liefde,
bereiken wij de anderen en door hen te laten delen in ons gebed, laten wij hen binnengaan in de
uitstraling van Gods aanwezigheid die vervolgens zal optreden. In die zin, willen wij de heer van
de oogst steeds opnieuw vragen, willen we zijn hart bewegen en met God in ons gebed ook het
hart van de mensen raken opdat Hij er volgens zijn wil, het "ja" van de beschikbaarheid zou
laten rijpen; de volharding om in de verwarring van de tijd, in de hitte van de dag maar ook in het
duister van de nacht, trouw in de dienstbaarheid te volharden, en precies daaruit voortdurend het
besef te halen dat die inspanning al is ze zwaar mooi is, nuttig, want ze leidt naar het
wezenlijke, namelijk bekomen dat de mensen ontvangen wat ze verwachten: Gods licht en Gods
liefde.
Benedictus XVI: ontmoeting met de priesters en diakens.
Een bijzondere belofte .
"Jullie zullen Mij zien"
Terwijl de Heer duidelijk maakt, dat Hij niet meer te zien zal zijn voor de ongelovigen, wijst Hij erop, dat Hij te zien zal blijven voor de Zijnen. De reden van het feit dat zij Hem zullen zien is kort en krachtig: "Leven". "Ik leef en jullie zullen leven." De Here Jezus is alleen te zien - met het oog van het geloof - door mensen die echt leven, die een heel bijzonder leven hebben, een hemels leven op aarde.
Dit zien is gebaseerd op een heel bijzondere eenheid; een eenheid tussen God de Vader, de Here Jezus en de gelovigen. Hij zei:
- Ik ben in Mijn Vader,
- Jullie zijn in Mij,
- Ik ben in jullie.
Dat feit heeft handen en voeten bij ons gekregen door de komst van de Heilige Geest. Nu kunnen wij God zien. De Here Jezus heeft Hem zichtbaar gemaakt aan de Joden, toen Hij drie jaar bij hen was (Johannes 1:18). Nu de Here Jezus niet meer zichtbaar bij ons is en de Heilige Geest in ons woont, maakt de Heilige Geest God de Vader zichtbaar voor ons door de Here Jezus. Zo brengt de Heilige Geest de Here Jezus toch weer dichtbij ons, terwijl wij hierdoor ook een betere "kijk" op de hemelse Vader krijgen.
Apocalyptische tijden en gebeurtenissen aangekondigd.
De Bijbel heeft aangekondigd dat in de tijd dat het Joodse volk weer naar zijn eigen land zou zijn teruggekeerd en de slapende volken in het Midden Oosten tot ontwaken zouden zijn gekomen, er verschrikkelijke rampen over de aarde zouden komen. Wij beginnen in onze tijd een voorproefje van deze rampen te krijgen.
Als we spreken over apocalyptische tijden, komen wij op het terrein van het Bijbelboek Openbaring, dat ook wel de Apocalyps genoemd wordt. In dit Bijbelboek wordt ons de tijd beschreven vanaf het ontstaan van de Gemeente van Jezus Christus, zoals deze beschreven is in Handelingen 2 tot aan het moment, dat God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal scheppen. Het boek Openbaring beschrijft in het kort hoe het de Gemeente van Jezus Christus zal vergaan vanaf zijn ontstaan tot aan het moment waarop de Here Jezus zal wederkomen, waarna de grote verdrukking zal aanbreken. Vervolgens beschrijft het boek Openbaring in de hoofdstukken 6-19 hoe het zal zijn tijdens de grote verdrukking. Daarna wordt in hoofdstuk 20 vertelt wat er na deze grote verdrukking zal komen: het Messiaanse vrederijk, dat onder andere door de profeet Jesaja reeds was aangekondigd. In de laatste hoofdstukken horen wij hoe het zal zijn tijdens dit Messiaanse vrederijk en hoe het daarna zal zijn als er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen zijn.
In het boek Openbaring wordt telkens verteld hoe het in bepaalde situaties in de hemel is en hoe het op aarde zal zijn. Wij lezen over allerlei rampen en oordelen die in de periode van de grote verdrukking vanuit de hemel naar de aarde gezonden zullen worden. Wij lezen ook waarom deze rampen naar de aarde gezonden worden. Het is niet omdat God er een behagen in heeft om Zijn eigen schepping en Zijn eigen schepselen te vernietigen. Het is een straf van God, omdat de mensen op aarde in die tijd zich helemaal niets meer van God aantrekken en zich steeds vijandiger tegen het volk Israël gedragen zullen. Dit betekent, dat naarmate wij duidelijker zien, hoe de mensheid zich van God losgemaakt heeft en zich vijandig gedraagt tegen het volk Israël, dat Gods volk is en blijft, de komst van de aangekondigde rampen steeds dichterbij gekomen is.
Er wordt gesproken over mensen die elkaar zullen "slachten" (Openbaring 6:4) en over engelen die de aarde en de zee schade zullen toebrengen; bodem- en watervervuiling (7:2). Wij lezen over massale bosbranden, watervervuiling en sterfte onder mens en dier (8:7-11). Speciale aandacht wordt er gevraagd voor het gebied van Irak met de rivier de Eufraat met grote slachtingen onder de mensen (9:14,15). Er wordt met name geschreven over de wijn van Irak, waar de mensen in de gehele wereld van gedronken hebben. Nu begrijpen wij, dat dit een beeld is van de olie en de benzine. Het is begrijpelijk, dat 2000 jaar geleden de woorden motorolie en benzine niet bestonden. Er moest dus in beeldende taal over het speciale product van Irak geschreven worden. Het valt op, dat de Bijbel zelfs weet te vertellen - en realiseer u, dat dit zo'n 2000 jaar geleden opgeschreven is - dat de hele wereld rijk geworden is door Irak en dat de volken schepen op zee hadden om de lading van Irak te vervoeren (18:19). De Bijbel weet echter ook te vertellen, dat na een periode van grote welvaart ditzelfde Irak zijn weelde zal verliezen en op de rand van de afgrond terecht zal komen (18:5-7).
Het valt op, dat van Irak geschreven staat, dat in die verre tijd, waarvan wij geloven, dat wij er dichtbij gekomen zijn, niet alleen de hele aarde zo ongeveer van het product van Irak genoten zal hebben, maar ook dat in die tijd Irak zich als een wrede vijand van Joden en christenen zal ontpoppen (17: 2,5,6). Terwijl Joden en christenen in Irak door de eeuwen heen in zekere zin een veilig woongebied hadden, is dit land eerst een grote vijand van de Joden geworden en daarna van de christenen. Nadat eerst de Joden het land verlaten hebben, zijn nu ook veel christenen gevlucht.
In onze tijd zien wij juist vanuit Irak een bepaalde manier van doden. Wij zijn gewend, dat mensen door "de kogel", ophanging, een injectie of de elektrische stoel ter dood gebracht worden. Wie had vóór 2004 kunnen denken, dat wij in dat jaar ineens zouden horen van tientallen gegijzelden in Irak, die door onthoofding om het leven gebracht zouden worden? Deze manier om iemand ter dood te brengen, bestond in onze gedachte nog als wij aan de guillotine dachten, maar paste niet meer in een moderne tijd. Toch waren daar ineens weer de onthoofdingen. En... de Bijbel had er ook over geschreven in verband met die verre, toekomstige tijd.
"En ik zag tronen, en zij zetten zich daarop, en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen van hen, die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het woord van God, en die noch het beest noch zijn beeld hadden aangebeden en die het merkteken niet op hun voorhoofd en op hun hand ontvangen hadden; en zij werden weder levend en heersten als koningen met Christus, duizend jaren lang." (Openbaring 20:4) Hier gaat het niet over mensen die in een ver verleden onthoofd werden. Het gaat hier over mensen, die in de tijd van de grote verdrukking onthoofd zullen worden. Het leek of de Bijbel zich vergiste. Nu weten wij, dat ook onthoofdingen bij de laatste tijd behoren!
Maar Jezus zal komen om afrekening te houden. Dat is de komende tijd! De Bijbel roept ons op om uit te kijken naar de wederkomst van de Heer, om te letten op de voorboden van Zijn komst en om Zijn komst te verwachten. Je bent geen fantast en leeft niet in een fantasiewereld als je de voortekenen van Jezus' komst ziet en erkent. Je bent een realist!
Het milieu.
Regelmatig horen wij, dat het niet goed gaat met ons milieu. De lucht en het water vervuilen. We hebben last van zure (vuile) regen. Op veel plaatsen is de bodem vervuild. Velen durven geen vis of vlees meer te eten, omdat zij bang zijn, dat ze er juist ziek van zullen worden. Telkens weer horen wij over vissen die ziek zijn of massaal sterven. Het ijs aan de polen smelt en het niveau van het zeewater stijgt. Er is angst, dat over enige tijd gebieden waar nu nog mensen wonen, onder water zullen komen te staan, zeker als de mens niet tijdig de nodige maatregelen neemt. Het lijkt wel of de bosbranden en de overstromingen ieder jaar erger worden. Wij worden bedreigd door gevaarlijke insecten die uit het ene land naar het andere land overkomen. Terwijl de medische wetenschap op een zeer hoog peil staat, bedreigen nieuwe- en zelfs oude ziekten ons. Ziekten die bedwongen waren, beginnen weer de kop op te steken en nu blijkt dat medicijnen soms niet meer werken.
Eén van onze gemeenteleden woont op Haïti. Zij stuurde deze week het volgende verslag: "Het heeft de laatste weken flink gestormd rondom Haïti. Orkaan Alex kwam op geruime afstand onder Haïti door; orkaan Bonnie bleef ten oosten, in de golf van Mexico; orkaan Charley ging ons ook op afstand voorbij, en richtte een ravage aan in Florida; orkaan Daniëlle bleef in de oceaan en bereikte gelukkig nooit land, en Earl bracht het niet verder dan een tropische storm, en vervloog vlak voor Haïti. Frances ging ons ruimschoots voorbij, storm G en H zaten ver van ons af, maar toen leek orkaan Ivan ineens recht op ons af te stormen..... en boog gelukkig op het laatste moment af naar het zuiden zodat we er ook toen met een grijze lucht en een paar millimeter regen af kwamen." Enkele dagen later kwam orkaan Jeanne en richtte een grote verwoesting aan, waarbij veel doden te betreuren waren. Zijn zulke orkanen die in korte tijd na elkaar als tekenen aan de hemel te zien zijn, normaal, of zijn dit al de voorboden van datgene waarvoor de Here Jezus waarschuwde? Geleerden wijzen ons erop, dat dit toch wel heel opmerkelijk is en dat het niet normaal is.
Profetieën die al in vervulling gegaan zijn.
Toch zijn er bepaalde feiten, die kenmerkend zijn voor onze tijd en die vanuit de Bijbel bezien ons ook iets te zeggen hebben. In de Bijbel is in een ver verleden een groot aantal profetieën opgenomen, waarvan een deel betrekking had op de tijd waarin deze profetieën uitgesproken werden en een ander deel betrekking had op een tijd, die heel veel later pas zou aanbreken. Zo heeft de Bijbel aangekondigd, dat de Joden uit hun land verdreven zouden worden en verspreid zouden worden over de gehele wereld. Het is in het jaar 70 na Christus gebeurd. De Bijbel had gezegd, dat het geen blijvende verstrooiing in de gehele wereld zou zijn, maar dat de Joden eens, na een heel lange tijd, naar hun eigen land zouden terugkeren. Bijna niemand heeft kunnen gelovigen, dat dit ooit zou gebeuren. Toch is het sinds 1948 een feit, dat de Joden weer een eigen land, een eigen staat, een eigen regering en een eigen taal hebben. Hun taal is bijna 2000 jaar lang een "dode" taal geweest. In onze tijd spreken miljoenen mensen weer Hebreeuws. De Bijbel had duizenden jaren geleden aangekondigd, dat dit zou gebeuren!
Ook had de Bijbel aangekondigd, dat bepaalde grote en belangrijke volken die er duizenden jaren geleden in het Midden Oosten waren, onbelangrijk zouden worden. Ze zouden niet meer meetellen in de wereldpolitiek. Het zou zijn alsof ze in slaap gevallen waren. Eens zouden ze echter uit hun slaap ontwaken en weer een belangrijke rol gaan pelen in het wereldgebeuren. De volken waarom het gaat zijn onder andere Egypte, Arabië (het huidige Saudi-Arabië), Perzië (het huidige Iran) en Babylonië (het huidige Irak).
Niet alleen profeten uit een ver verleden, zoals Daniël, hebben over deze zaken gesproken, ook de Here Jezus sprak heel nadrukkelijk over deze zaken. Hij vervloekte eens een niet functionerende vijgenboom, waarna bleek, dat deze vijgenboom een beeld was van het volk Israël. De les die de Here Jezus Zelf daarna uitsprak was deze: "Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt." (Mattheüs 21:43)
In dezelfde lijn liggen de volgende woorden van de Here Jezus: "En Hij sprak deze gelijkenis: iemand bezat een vijgenboom, die in zijn wijngaard was geplant, en hij kwam om vrucht daaraan te zoeken en vond er geen. En hij zei tot de wijngaardenier: zie, het is nu al drie jaar, dat ik vrucht aan deze vijgenboom kom zoeken en ik vind ze niet. Hak hem om! Waarom zou hij de grond nutteloos beslaan?" (Lucas 13:6,7) Opnieuw is de vijgenboom een beeld van het volk Israël. Ook hier is het een beeld van het komende oordeel, dat over het volk zou komen.
Maar... de tijd zou eens veranderen. En de vijgenboom zou weer gaan bloeien. Heel duidelijk gebruikte de Here Jezus opnieuw het beeld van de vijgenboom toen Hij over het toekomstig herstel van Israël sprak. Hij zei: "Leert dan van de vijgenboom deze les: wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur." (Mattheüs 24:32,33) De evangelist Lucas vertelt hetzelfde met de volgende woorden: "En Hij sprak een gelijkenis tot hen: Let op de vijgenboom en op al de bomen. Zodra zij uitlopen, weet gij uit uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het Koninkrijk Gods nabij is." (Lucas 21:29-31)
Wonderlijk is het om te lezen, dat de Here Jezus niet alleen sprak over het uitlopen van "boom" Israël, dat is dus het herstel van Israël, zoals dit in 1948 begonnen is, maar dat Hij ook sprak over het uitlopen van de andere landen als bomen. Denk hierbij aan landen als Iran en Irak en vele andere landen, die in het verleden net als Israël "verdorde bomen" waren en nu weer tot bloei gekomen zijn. Zij zijn het teken, dat de profetische woorden van de Here Jezus al geruime tijd bezig zijn in vervulling te gaan. Spoedig zullen de anderen woorden, die Hij als profetieën voor dezelfde tijd had uitgesproken, eveneens in vervulling gaan. Dat betekent, dat wij aan de vooravond staan van apocalyptische tijden, ook al kunnen wij op geen enkele wijze zeggen, wanneer de echte apocalyptische tijd zal komen.
Een ander volk dat duizenden jaren geleden bestond en toen zelfs helemaal uitgestorven is, is het volk van de Filistijnen. Opmerkelijk is, dat de Bijbel toch over Filistijnen sprak in dn de tijd van terugkeer van Israël en de andere zojuist genoemde volken. Het leek voor velen een onmogelijkheid. De Filistijnen waren uitgestorven, hoe zouden er dan duizenden jaren later weer Filistijnen kunnen zijn? Wij weten het antwoord. De Palestijnen noemen zichzelf Filistijnen. Opmerkelijk is zelfs, dat ze ook nog in hetzelfde gebied aan de kust van de Middellandse Zee wonen als waar ook de oude Filistijnen leefden. Ook de grote Jodenhaat hebben zij gemeen met de Filistijnen uit vroeger tijden. Zie hiervoor mijn boek Profetie en Vervulling.
Er is echter meer. De Bijbel kondigt aan, dat eens de Joden naar het eigen land zouden terugkeren en dat zij daarbij geholpen zouden worden door niet-Joden. Jesaja zegt dit als volgt: "Zo zegt de Here HERE: Zie, Ik zal mijn hand opheffen tot de volken en mijn banier omhoog heffen voor de natiën; in hun armen zullen zij uw zonen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden." Hoe is het mogelijk, dat deze woorden, die duizenden jaren geleden door de profeet Jesaja zijn uitgesproken, in onze tijd letterlijk in vervulling gaan? Verschillende niet-Joodse organisaties doen hun uiterste best om Joden per boot of met het vliegtuig naar Israël te brengen!
De Bijbel kondigt aan, dat als de Joden na lange tijd verstrooid onder de volken geleefd te hebben, naar hun eigen land zijn teruggekeerd, dat niet-Joden hen zullen helpen met de herbouw van hun steden en met de zorg voor hun gewassen. Jesaja zegt het als volgt: "Vreemdelingen zullen uw muren herbouwen en hun koningen zullen u dienen, want in mijn toorn heb Ik u geslagen, maar in mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd." (Jesaja 60:10) "Vreemden zullen gereed staan om voor u de kudden te weiden, vreemdelingen zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn; maar gij zult priesters des HEREN heten, dienaars van onze God genoemd worden; gij zult het vermogen der volken genieten en u op hun heerlijkheid beroemen." (Jesaja 61:5,6)
Het is bijna niet te geloven op welke bijzondere wijze deze profetieën in vervulling gegaan zijn. Er zijn veel gastarbeiders uit een aantal landen naar Israël gekomen om te helpen met de opbouw van het land en de zorg voor de gewassen. Een aantal van deze mensen is uit ideële motieven gekomen. Er zijn velen die een jaar of enkele jaren in een kibboets werken, ook al krijgen zij bijna geen salaris. Anderen zijn gewoon gekomen omdat zij in hun eigen land (bijna) geen werk hebben. Uitgerekend werken zelfs veel Palestijnen mee aan de opbouw van Israël. Ze werken in hotels, bouwen huizen, leggen wegen aan. De Palestijnen hebben zelfs het beton geleverd waarvan indertijd de omstreden muur om hun eigen gebied opgetrokken werd!
Dit betekent, dat wij dichtbij het tijdstip gekomen zijn waarop een grote verandering onder de Israëli's zal plaatshebben en zij allen God zullen gaan dienen als Zijn priesters. Toen zij uit Egypte bevrijd werden, kregen zij al de opdracht om Gods priesters te zijn (Exodus 19:6) Zij konden het niet. In de toekomst, in het Messiaanse vrederijk zullen zij het wel kunnen!
Als wij de tijd van de eerste komst van de Here Jezus vergelijken met de tijd van Zijn wederkomst, dan blijkt dat er bepaalde overeenkomsten zijn. Wij zagen al, dat in die tijd de oude volken uit vroeger tijden weer op het wereldtoneel verschenen zouden zijn. Wat ook opvallend is, is het feit, dat wij bij de eerste komst van de Here Jezus horen van onderdrukking van het Joodse volk door de Romeinen en van de kindermoord in Bethlehem. Wij hadden al eerder van een kindermoord gehoord: in Egypte, waar de Farao indertijd bevolen had, dat alle jongens door verdrinking om het leven gebracht moesten worden. Voor alle duidelijkheid: aan de vooravond van de komst van Mozes als redder van zijn volk, horen wij van een kindermoord. Ook hoorden wij in die tijd over kindermoord in Kanaän, waar mensen hun eigen kinderen in het vuur gooiden als offer aan de god Moloch.
Na Jezus' geboorte in Bethlehem horen wij opnieuw over een kindermoord. En in onze tijd is dat weer het geval. Het begon met Hitler, die anderhalf miljoen Joodse kinderen heeft laten vermoorden. Nu worden op grote schaal door abortus kinderen - schepselen van God - vermoord. En wij zijn toch nog niet vergeten hoe ayatollah Khomeini van Iran indertijd de kinderen de mijnenvelden instuurde met een plastic sleuteltje om hun nek, "zodat zij zelf de poort van het paradijs konden openen". Ook vergeten wij toch niet hoe het daarna de Palestijnen waren, die hun kinderen met stenen of met bommen de straat op stuurden om te sterven. Kindermoord, waarbij ouders hun eigen kinderen offeren voor hun geloofsidealen.
Onze tijd.
Onze tijd wordt gekenmerkt door veel onheil, narigheid en ellende dat op een aantal plaatsen over de mensheid komt. Er zijn grote veranderingen, waarvan wij een aantal jaren geleden zelfs niet konden dromen. Er is zoveel, dat het haast onmogelijk is een complete lijst samen te stellen. De stortvloed van angstaanjagende dreigingen en feiten maken velen in de gehele wereld angstig. Velen denken, dat door alles wat ons nu in deze tijd overkomt, wij duidelijk moeten zien, dat wij in apocalyptische tijden terechtgekomen zijn en dat wij staan aan de vooravond van de meest afschuwelijke rampen die onze wereld zullen treffen.
Toch is de nodige voorzichtigheid en nuchterheid ons geboden. Enkele tientallen jaren meenden velen, dat de aanwezigheid van grote hoeveelheden kruisraketten zeker tot een atoomramp zou leiden, waardoor het leven voor velen op aarde een hel zou worden. Velen waren bang, dat net als in Tsjernobyl ook bij ons zich een kernramp zou voordoen. Er is een tijd geweest, zeker nadat de Russen Hongarije binnengevallen waren, dat de Russische legers ook spoedig door onze straten zouden marcheren, of misschien wel heel ons land zouden vernietigen. Er was bij velen grote angst, dat de Russen zouden komen. Er was bij velen angst, dat wij aan de vooravond van de derde wereldoorlog stonden. Wij moeten echter constateren, dat deze rampen ons niet getroffen hebben. Angst betekent dus niet, dat automatisch gebeurt waarvoor wij vrezen! Angst is een slechte raadgever, geldt ook hier.
Jezus' profetische toespraak.
Eens, toen de Heer met Zijn discipelen naar de tempel keek en zij verrukt waren van de schoonheid van de tempel, zei Hij: "Wat gij daar aanschouwt, er zullen dagen komen, waarin geen steen op de andere zal gelaten worden, die niet zal worden weggebroken." (Lucas 21:6) Hierop begonnen de discipelen Hem vragen te stellen en ging de Heer een profetische toespraak houden, waarin Hij vertelde wat er in de toekomst zou gebeuren. In Zijn toespraak bevestigde Hij de woorden van de profeten van het Oude Testament, die hetzelfde gezegd hadden.
"En zij vroegen Hem en zeiden: Meester, wanneer zal dit dan geschieden? En wat is het teken, dat deze dingen zullen gebeuren? Hij zei: ziet toe, dat gij u niet laat verleiden. Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: ik ben het, en: de tijd is nabij. Gaat hen niet achterna. En wanneer gij hoort van oorlogen en onlusten, laat u niet beangstigen. Want die dingen moeten eerst geschieden, maar dat is nog niet terstond het einde. Toen zei Hij tot hen: volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk, en er zullen grote aardbevingen, en nu hier, dan daar pestziekten en hongersnoden zijn, en ook vreselijke dingen en grote tekenen van de hemel. Maar voor dit alles zullen zij de handen aan u slaan en u vervolgen, door u over te leveren in de synagogen en gevangenissen, en u voor koningen en stadhouders te leiden om mijns Naams wil." (Lucas 21:7-12)
Even later zei Hij: "Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is. Laten dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen, en die binnen de stad zijn, de wijk nemen, en die op het land zijn, er niet binnengaan, want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat. Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! Want er zal grote nood zijn over het land en toorn over dit volk, en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen weggevoerd worden onder alle heidenen, en Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn. En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid. Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt." (Lucas 21: 20-28)
Daarna gaf Hij een heel klein voorbeeld, een gelijkenis, waarin Hij Israël vergeleek met een vijgenboom en de andere volken rondom hen met andere bomen. Hij zei: "En Hij sprak een gelijkenis tot hen: Let op de vijgenboom en op al de bomen. Zodra zij uitlopen, weet gij uit uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het Koninkrijk Gods nabij is." (Lucas 21:29-31)
In deze toespraak sprak de Here Jezus over een periode die nog in de tijd van de discipelen zou beginnen en die zou eindigen als Hij zou wederkomen om Zijn koninkrijk op aarde te vestigen. Hij vertelde, dat eerst Jeruzalem verwoest zou worden. Het is gebeurd in het jaar 70 na Christus. Vervolgens zei Hij, dat de Joden over de gehele aarde verstrooid zouden worden en door de eeuwen heen verschrikkelijk vervolgd zouden worden. Het is gebeurd. Verder zei Hij, dat op een bepaald moment er vreselijke dingen zouden gebeuren, die de aankondiging zouden zijn, dat er een eind zou komen aan "de tijden van de heidenen", waarna Zijn koninkrijk zou komen. De "tijden der heidenen" is de periode dat heidenen zouden heersen over Israël en Jeruzalem. Tegen alle verwachting van velen in, is dit einde van de tijden der heidenen over Israël en Jeruzalem inderdaad gekomen. In 1948 eindigde de overheersing van de heidenen over Israël en in 1967 eindigde de overheersing van de heidenen over Jeruzalem. Dit betekent, dat als wij de woorden van de Here Jezus volgen, wij kunnen zeggen, dat wij in profetische tijden leven en dat wij nu ook uitkijken naar de andere feiten die Hij genoemd heeft, waarna Zijn koninkrijk op aarde opgericht zal worden.
Profetie over Jezus en Israël.
Ook de Here Jezus was vaak in de tempel, waar Hij rondwandelde en de boodschap van het komende koninkrijk der hemelen predikte, zoals Hij ook op andere plaatsen deed. Dit koninkrijk der hemelen was niet een koninkrijk dat in de hemel zou komen, maar het koninkrijk dat de God van de hemel op aarde zou oprichten, precies zoals de profeet Daniël aangekondigd had.
"Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is... En het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten: zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen." (Daniël 7:13,14,27)
Het volk Israël heeft al duizenden jaren gewacht op en uitgekeken naar de komst van dit koninkrijk, dat zij ook het Messiaanse rijk of de tijd van de Messias noemen. Het is het koninkrijk waarvan velen in de kerk door de eeuwen heen dachten, dat het geestelijk bedoeld was en dat het verwees naar de kerk. God echter had verklaard, dat juist ook voor wat betreft dit koninkrijk Zijn plannen onberouwelijk zijn (Romeinen 11:29). Dat schreef de apostel Paulus in de tijd dat de Gemeente van de Here Jezus er al was en hij maakte de christenen bekend (zie Romeinen 9-11), dat wat God aan Israël beloofd had, vast stond. God zou wat Hij Israël beloofd had, zeker voor Israël in vervulling doen gaan.
Wie de Bijbel leest, ontdekt overal, dat er sprake is van beloften die aan het volk Israël gegeven zijn, terwijl er nergens bij vermeld wordt, dat het niet zeker is of Gods Woord in vervulling zal gaan. Het tegenovergestelde is waar. Er blijkt juist overal, dat het zeker zal gebeuren.
Toen de Here Jezus geboren werd, was dit als de Koning der Joden (Mattheüs 2:2). Niet als de Koning van de kerk, maar als de Koning van de Joden. Toen Hij wonderen deed en het evangelie van het koninkrijk der hemelen predikte, was dit alleen voor Israël en niet voor de heidenen. Vanwege het onvoorstelbaar grote geloof van de Kananese vrouw heeft Hij haar kind genezen, maar Hij zei eerst, dat Hij niet voor de heidenen gekomen was. Johannes vertelt, dat Jezus eens door Samaria "moest" en daardoor in gesprek kwam met een Samaritaanse vrouw (Johannes 4). Wat de reden van dit "moeten" was, weten wij niet. Vaak wordt gezegd, dat dit een Goddelijk moeten was om haar het evangelie te prediken. Daarmee is nog niet gezegd, waarom dit dan moest. Hij deed echter geen wonder voor haar en predikte ook niet tegen de mensen uit Samaria. Die vrouw vertelde aan de mensen van Samaria over de Here Jezus. Zij zorgde ervoor, dat velen in Hem gingen geloven. Hijzelf lijkt hen niet toegesproken te hebben!
Toen Hij voor Pilatus stond vroeg Pilatus Hem heel nadrukkelijk of Hij de Koning der Joden was en Hij zei: "U zegt het." (Mattheüs 27:11) Toen de soldaten Hem bespotten, bespotten zij Hem als de Koning der Joden (Mattheüs 27:29). Toen Hij aan het kruis op Golgotha stierf, hing als opschrift boven aan het kruis de mededeling, dat Hij de Koning van de Joden was (Mattheüs 27:37). Direct voor Zijn terugkeer naar de hemel stelden de discipelen Hem de vraag of Hij op dat moment het hemels koninkrijk op aarde ging vestigen. Hierop zei de Heer niet, dat dit koninkrijk er nooit zou komen. Neen, Hij zei, dat zij het tijdstip waarop dit koninkrijk zou komen niet behoorden te weten (Handelingen 1:6,7). Hierdoor bevestigde Hij, dat Hij eens, zoals zij verwachtten, echt, lichamelijk naar de aarde zou komen om daar Koning te worden. Het zou precies zo gaan, zoals de profeten uit het Oude Testament aangekondigd hadden.
Direct daarna gebeurde iets bijzonders voor de discipelen, waardoor nog eens bevestigd werd dat de Heer echt, lichamelijk naar de aarde zou terugkeren. "En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij heenvoer, zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen, die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen." (Handelingen 1:9-11)
Er moeten meer "medewerkers" bij de Here Jezus komen.
36 Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben. 37 Toen zei Hij tot zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. 38 Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in zijn oogst.
Een andere keer zei Hij: "Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten." (Johannes 4:35) Over het algemeen wordt bij "de oogst" gedacht aan de tarwe oogst. Het woord "wit" zou misschien naar de katoenoogst kunnen verwijzen, omdat de velden dan inderdaad er volkomen wit bij staan.
De Heer zoekt nog steeds mensen, die "arbeiders voor Hem" willen zijn.
Wij moeten Hem zien.
Wij moeten Hem zien met het oog van ons geloof en wij zullen voor eeuwig behouden zijn (Johannes 3:16-18,36; 5:24). Wij moeten Hem zien met het oog van onze oprechte liefde en wij zullen bruikbaar voor Hem zijn in Zijn dienst (vgl. Petrus in Johannes 21:15-23). Wij moeten Hem zien met het oog van onze aanbidding en verheerlijking en wij zullen in nauw contact met Hem mogen leven (Johannes 15). Wij moeten Hem zien met het oog van onze toewijding en wij zullen Zijn heerlijkheid en vreugde in ons leven ervaren (Philippenzen 4:4-7). Wij zullen Hem moeten zien met het oog van onze hoop en wij zullen met vreugde ons uitstrekken naar Zijn toekomst, die ook onze toekomst zal zijn (Titus 2:13)! Wij moeten Hem zichtbaar maken
De Heer moet ook in onze tijd gezien kunnen worden. Hoewel Hij niet rondwandelt op aarde, zoals Hij 2000 jaar geleden deed, moeten mensen Hem toch kunnen zien. WIJ zijn degenen, die Hem zichtbaar moeten maken. "Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven." (Galaten 2:20)
Eén uitzondering .
Zo staat de Heilige Geest als de Goddelijke inspirator van het grootste deel van de Bijbel. Niet van de hele Bijbel. Hiermee bedoelen wij niet, dat wij twijfelen of één of meerdere delen van de Bijbel wel van God zijn. Het is juist andersom. Juist omdat wij zo overtuigd zijn, dat de gehele Bijbel van God is, zijn wij ook overtuigd, dat een bepaald deel niet door de Heilige Geest geinspireerd is. Dit is geen eigen verzinsel. De Bijbel zelf vertelt ons dit!
Terwijl het grootste deel van de Bijbel door middel van de Heilige Geest tot stand gekomen is, is dat niet het geval met het eerste deel van de Bijbel: de Torah. Deze is namelijk rechtstreeks door God Zelf aan Mozes gegeven! Hierbij is geen sprake van inspiratie door de Heilige Geest, omdat God Zelf de Torah gegeven heeft. God heeft namelijk de inspiratie van de Heilige Geest niet nodig.
Hoewel wij dus als Bijbelgetrouwe gelovigen met eerbied zeggen, dat wij geloven, dat de gehele Bijbel door de Heilige Geest geïnspireerd is, moeten wij daar toch een kanttekening bij plaatsen. Het is eigenlijk niet helemaal waar. Wij geloven namelijk beslist niet, dat de gehele Bijbel door de Heilige Geest geïnspireerd is. Er is namelijk één uitzondering op deze regel. Hiermee bedoelen wij niet persoonlijke mededelingen van Paulus en ook niet bijvoorbeeld het laatste gedeelte van de vijf boeken van Mozes, waarin het gaat over de dood van Mozes.
"De HEER zei tegen Mozes: 'Leg deze overwinning in een oorkonde vast, zodat niemand die ooit zal vergeten, en overtuig Jozua ervan dat ik zal zorgen dat niets op aarde nog aan het volk van Amalek herinnert.'" (Exodus 17:14) (NBG: "Schrijf dit ter gedachtenis in een boek.") God Zelf heeft Mozes opdracht gegeven wat hij in dit boek diende op te schrijven.
"Nadat de HEER dit alles op de Sinai tegen Mozes had gezegd, gaf Hij hem de twee platen van het verbond, de stenen platen, door Gods vinger beschreven." (NBG: "En Hij gaf aan Mozes, toen Hij geëindigd had met hem te spreken op de berg Sinai, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven door de vinger Gods.") (Exodus 31:18) Deze twee stenen tafelen waren het werk van God Zelf. Niet door inspiratie van de Heilige Geest was dit deel van de Bijbel tot stand gekomen, maar door het directe werk van God Zelf!
"Mozes keerde zich om en ging de berg af. De twee platen met de verbondstekst droeg hij bij zich. Aan beide kanten waren ze beschreven, aan de voorkant en aan de achterkant. De platen waren Gods eigen werk en het schrift dat erin gegrift was, was Gods eigen schrift." (Exodus 32:15,16) "Mozes kreeg van de HEER deze opdracht: 'Kom naar mij toe, de berg op, samen met Aäron, Nadab en Abihu en zeventig van Israëls oudsten, en kniel op eerbiedige afstand neer. Alleen jij, Mozes, mag in de nabijheid van de HEER komen, de anderen niet. Het volk mag jou niet volgen als je de berg op gaat.' Mozes maakte het volk bekend met alle geboden en regels die de HEER had gegeven, en het volk verklaarde eenstemmig dat het zich zou houden aan alles wat de HEER geboden had. Hierna schreef Mozes alles op wat de HEER had gezegd. De volgende morgen bouwde hij aan de voet van de berg een altaar en richtte hij twaalf gedenkstenen op, voor elk van de twaalf stammen van Israël één. Hij droeg een aantal jonge Israëlieten op om de HEER brandoffers te brengen en stieren te slachten voor een vredeoffer. Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in schalen, de andere helft goot hij tegen het altaar. Vervolgens nam hij het boek van het verbond en las dit aan het volk voor, en zij zeiden: 'Alles wat de HEER gezegd heeft zullen we ter harte nemen.' De HEER zei tegen Mozes: 'Kom naar mij toe, de berg op, en wacht daar; dan zal ik je de stenen platen geven waarop ik de wetten en geboden heb geschreven om het volk te onderrichten.' Samen met zijn dienaar Jozua ging Mozes de berg van God op." (Exodus 24:1-7,12,13)
God Zelf had Mozes opdracht gegeven om het een en ander op te schrijven en wat hij moest opschrijven! Zie ook: "Dit zijn de pleisterplaatsen die de Israëlieten aandeden, nadat ze onder leiding van Mozes en Aäron, geordend in legerafdelingen, waren weggetrokken uit Egypte. Op bevel van de HEER heeft Mozes de plaatsen waar ze hun kamp hadden opgeslagen genoteerd. Ze trokken als volgt van de ene pleisterplaats naar de andere:..." (Numeri 33:1,2) Letterlijk staat hier: "Dit zijn de opbreekpunten van de kinderen Israëls sinds ze zijn uitgetrokken uit het land van Egypte, in hun heirscharen, - door de hand van Mozes en Aäron. Mozes schrijft hun uittochten op per opbreken van hen op mond van de HEER; en dit zijn hun opbreekplaatsen per uittocht van hen."
Het was de mond van de Heer - de Heer sprak en Mozes schreef op!
"De HEER, onze God, heeft bij de Horeb tegen ons gezegd..." (Deuteronomium 1:6) "De HERE, onze God, heeft tot ons bij Horeb gesproken..." (NBG) Nu gaat Mozes aan het volk vertellen wat God allemaal gezegd heeft. Dat alles staat in dit boek, in Deuteronomium 1:6-33:29. Het hele boek Deuteronomium is het verslag van wat God Zelf gesproken heeft tegen Mozes en tegen het volk. Hierbij was geen sprake van inspiratie door de Heilige Geest, maar van een direct spreken van God tot Mozes en tot het volk.
"De HEER sprak persoonlijk met Mozes, zoals een mens met een ander mens spreekt. Daarna keerde Mozes terug naar het kamp, maar zijn jonge dienaar Jozua, de zoon van Nun, verliet de tent niet." (Exodus 33:11) NBG: "En de HERE sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn vriend; dan keerde hij terug naar de legerplaats. Maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, een jonge man, week niet uit de tent."
Daarom: "Luister dus, Israël, naar de wetten en de regels waarin ik u onderwijs en kom ze na. Dan blijft u in leven en kunt u het land in bezit nemen dat de HEER, de God van uw voorouders, u zal geven. Voeg niets toe aan wat ik u voorschrijf en doe er niets van af. Houd u aan de geboden die ik u geef; het zijn de geboden van de HEER, uw God." (Deuteronomium 4:1,2) Niets mag worden toegevoegd of afgenomen van wat God Zelf gegeven heeft!