For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
31-12-2010
Richtlijnen voor innerlijk leven .
Geringschatten van al wat louter tijdelijk en zinledig is
Wie Mij volgt, wandelt niet in duisternis, zegt de Heer. Dit zijn woorden van Christus, waarmee wij worden aangespoord, Hem in zijn leven en gedrag na te volgen, als wij in waarheid verlicht willen zijn en bevrijd van alle verblindheid van hart. Onze voornaamste zorg behoort daarom te zijn dat wij ons diepgaand bezinnen op het leven van Jezus Christus. De leer van Christus gaat uit boven alle onderrichting van de heiligen, en had men maar de ware geest, men zou daar verborgen manna in ontdekken. Maar het is zo dat velen ook na het dikwijls horen van het Evangelie weinig innerlijk verlangen in zich gewaarworden, omdat zij Christus geest niet hebben. Wie echter Christus woorden ten volle wil proeven en verstaan, moet de gelijkvormigheid met Hem nastreven in heel zijn leven.
Wat baat het u diepzinnig over de Drieëenheid te redetwisten als ge de nederigheid mist en daarom de Drieëenheid mishaagt? Werkelijk, grote woorden maken niet heilig en rechtvaardig, maar door een leven van deugd wordt men aangenaam aan God. Een diep berouw wil ik liever voelen dan de begripsbepaling ervan kennen. Al zoudt ge de hele bijbel van buiten kennen en de uitspraken van alle filosofen, wat zou u dat alles baten zonder de liefde Gods en zijn genade?
Het ene is al dwazer dan het andere en alles is dwaasheid, behalve God te beminnen en Hem alleen te dienen. Dit is de hoogste wijsheid: de bijkomstigheid inzien van wat voorbijgaat en zich moeite geven voor het rijk der hemelen.
Dwaasheid is dus vergankelijke rijkdom najagen en daarop zijn hoop stellen.
Dwaasheid is ook eer en roem willen bereiken en zichzelf in de hoogte te steken.
Dwaasheid is toegeven aan de begeerten van het lichaam en dat verlangen, waarvoor men later zware straf
moet ondergaan.
Dwaasheid is wensen lang te leven en zich weinig bekommeren om goed te leven.
Dwaasheid is alleen aandacht hebben voor het tegenwoordig leven en niet voorzien wat de toekomst
brengen zal.
Dwaasheid is liefhebben wat voorbijvliegt en zich niet daarheen haasten waar een eeuwige vreugde wacht.
Herinner u dikwijls deze uitspraak: geen oog wordt door het zien verzadigd, en door het horen wordt geen oor voldaan. Probeer daarom uw hart vrijer te maken van de liefde voor het zichtbare en meer bij het onzichtbare te vertoeven. Want wie hun zinnelijkheid volgen besmeuren hun geweten en verliezen Gods genade.
Nederig denken over zichzelf
Ieder mens wil van nature weten, maar waartoe dient de wetenschap zonder vrees voor God? Een eenvoudig man van het platteland die God dient staat heel zeker boven de trotse filosoof die zijn heil verwaarloost en de loop van de sterren nagaat. Wie zichzelf goed leert kennen slaat zichzelf niet hoog meer aan en vindt er geen smaak in als mensen hem prijzen. Als ik alles zou kennen wat er op de wereld is, maar niet leefde in de liefde, wat zou het mij helpen bij God, die mij zal oordelen naar mijn daden? Zie af van ongeremde zucht naar kennis, want daarin ligt veel verstrooiing en bedrog. Wie veel weet wil graag de aandacht trekken en voor geleerd doorgaan. Er zijn veel dingen waarvan de kennis weinig of geen nut heeft.
En zeer onverstandig is hij die op iets anders uit is dan op hetgeen kan bijdragen tot zijn eeuwig geluk. De ziel wordt niet verzadigd door overvloed van woorden. Maar een onberispelijk leven maakt uw geest helder en een zuiver geweten geeft groot vertrouwen op God. Hoe meer en beter gij onderlegd zijt des te strenger zult ge worden geoordeeld, behalve als ge ook heiliger hebt geleefd. Ga nooit trots op groot talent of wetenschap maar wees liever een weinig bevreesd om de kennis die u werd verleend. Vindt ge dat ge veel weet en een vrij goed inzicht hebt, bedenk dan dat er veel meer dingen zijn waar gij geen verstand van hebt. Heb geen hoge dunk van u zelf, maar beken liever uw onwetendheid. Waarom slaat gij u zelf hoger aan dan die ander, terwijl toch velen geleerder zijn dan gij en meer ervaren in de wet?
Als gij iets wilt weten en leren dat nuttig is: wees dan graag onbekend en voor niets geteld. Dit is de allerhoogste en de meest ingrijpende wetenschap: ware zelfkennis en zelfverachting. Zichzelf voor niets tellen en over anderen altijd goed en edel denken: dat is grote wijsheid en volmaaktheid. Als gij duidelijk zoudt zien dat een ander zich zondig gedraagt of zwaar misdoet, dan moet ge u zelf daarom toch niet voor beter houden: gij weet immers niet hoelang gij in het goede zult volharden. Wij zijn allen zwakke mensen maar gij moet niemand voor zwakker houden dan uzelf.
De leer der waarheid
Gelukkig wie door de Waarheid zelf onderwezen wordt, niet met beelden en woorden die voorbijgaan, maar rechtstreeks vanuit haar wezen. Ons inzicht en ons gevoelen bedriegen ons dikwijls en reiken niet ver. Wat baat al die haarkloverij over verborgen en geheime dingen waarvan ons bij het oordeel niet zal worden verweten dat wij ze niet gekend hebben? Het is zeer onverstandig dat wij niet alleen verwaarlozen wat nuttig en nodig is, maar ons bovendien bezighouden met dingen die niet terzake doen en ook nog nadelig zijn. Wij hebben ogen maar zien niet. En wat hebben wij ons aan te trekken van soorten en geslachten?
Hij tot wie het eeuwig Woord spreekt is van veel leerstelsels bevrijd. Uit één Woord komt alles voort en alles verkondigt dat Ene: dit is het Begin dat ook spreekt tot ons. Zonder Hem heeft niemand inzicht of juist oordeel. Hij voor wie alles één is, die alles tot het éne terugbrengt en alles in het éne ziet, kan standvastig zijn van hart, en in God blijvend vrede hebben. O God die de waarheid zijt: maak mij één met U in onwankelbare liefde. Dikwijls staat het mij tegen veel te lezen of te horen; in U is alles wat ik verlang en wil bereiken. Laat alle leraars zwijgen; laat alle schepselen stil zijn voor uw aangezicht: spreekt Gij alleen tot mij.
Hoe meer iemand met zichzelf de vrede heeft gevonden en innerlijk eenvoudig is geworden, des te talrijker en hoger zaken ziet hij zonder moeite in, want het verlichte inzicht ontvangt hij dan van boven. Een zuivere, eenvoudige en standvastige geest wordt bij het vele werk niet verstrooid, want hij doet alles tot Gods eer en streeft ernaar inwendig van alle zelfzucht vrij te blijven. Wie hindert en bezwaart u meer dan de onbeheerste genegenheid van uw eigen hart? Een goed en met God verbonden mens denkt bij zichzelf eerst na wat hij uitwendig heeft te verrichten. En hij laat zich daarbij niet meetrekken naar wat de onbeteugelde neiging vraagt, maar hij regelt die volgens de uitspraak van het gezond verstand.
Wie heeft zwaarder strijd te voeren dan hij die in alle ernst probeert zichzelf te overwinnen? Dit zou ons ambacht moeten zijn: onszelf te overwinnen, dagelijks onszelf meer te beheersen en enige voortgang te maken in het goede.
Iedere volmaaktheid gaat in dit leven met een zekere onvolmaaktheid gepaard en in al onze bespiegelingen blijft een duistere plek. De nederige kennis van uzelf is een zekerder weg naar God dan een diep wetenschappelijk onderzoek. De wetenschap treft geen schuld en ook niet een eenvoudige kennis van zaken; op zich beschouwd is deze goed en door God gewild; maar een goed geweten en een deugdzaam leven verdienen altijd nog de voorkeur. Nu velen echter er meer op uit zijn veel te weten dan goed te leven, dwalen zij dikwijls en brengen nauwelijks iets voort wat vruchtbaar is.
O, als men eens evenveel ijver had om gebreken uit te roeien en goede eigenschappen aan te leren als om problemen op te werpen, dan zou er niet zoveel onheil en vertwijfeling zijn bij de mensen en niet zoveel ontreddering in de kloosters. Een ding is zeker: als de dag van het oordeel daar is, zal ons niet gevraagd worden wat wij allemaal hebben gedoceerd, maar wat wij hebben gedaan, niet of wij knappe studenten waren, maar hoe zorgvuldig wij hebben geleefd. Zeg mij: waar zijn nu al die heren en professoren die gij zo goed gekend hebt, toen zij nog leefden en schitterden in hun wetenschap?
Hun honorarium incasseren anderen al en ik weet niet of die nog weleens aan hen denken. Tijdens hun leven schenen zij iets te zijn en nu wordt over hen gezwegen. O, hoe snel gaat de roem van de wereld voorbij. Was hun leven maar in overeenstemming geweest met hun kennis. Dan hadden hun studies en hun colleges zin gehad. Hoevelen gaan in deze wereld door dwaze wetenschap ten onder, omdat zij zich weinig om de dienst van God bekommeren. En omdat zij liever beroemd zijn dan onbeduidend, vervluchtigen zij met hun waanideeën.
Echt groot is hij die groot is in de liefde. Echt groot is ook hij die klein is voor zichzelf en het toppunt van eer maar niets vindt. Echt wijs is degene die al het aardse afval vindt om daardoor Christus in ruil te krijgen. En hij is een flink eind op de goede weg die de wil van God doet en eigen wil dus loslaat.
Bedachtzaamheid in het doen
Men moet niet ieder woord of iedere aandrift zonder meer vertrouwen, maar voorzichtig en geduldig behoort men ten overstaan van God een zaak te wikken en te wegen. Dikwijls gelooft en zegt men helaas van een ander eerder het kwaad dan het goede: zo zwak zijn wij. Volmaakte mensen daarentegen geloven iedere verteller zo maar niet; want zij kennen de menselijke zwakheid die licht neigt tot het kwaad en nogal wankel is in haar beweringen.
Het is grote wijsheid zich in zijn handelen niet te overhaasten en ook niet hardnekkig aan eigen mening vast te houden. Hiertoe hoort ook dat men niet dadelijk geloof hecht aan alles wat verteld wordt, en wat men hoort of gelooft niet terstond in andermans oren fluistert. Overleg met een wijs en gewetensvol man en zoek eerder door een voortreffelijk persoon te worden onderricht dan uw eigen bevindingen te volgen.
Goed leven maakt een mens wijs naar Gods maatstaf en ervaren in veel dingen. Hoe nederiger iemand in zijn innerlijk is en hoe meer afhankelijk van God, des te wijzer en rustiger zal hij zijn in alles.
Het lezen van de heilige Schrift
Men moet in de heilige Schrift de waarheid zoeken, geen welsprekendheid. De hele Schrift moet gelezen worden in de geest waarin zij is geschreven. We moeten liever proberen in de Schriften ons nut te vinden dan sierlijke woordkunst. Wij zullen daarom ook even graag vrome en eenvoudige boeken lezen als verheven en diepzinnige. Het gezag van de schrijver mag geen zorgelijk vraagstuk voor u zijn: of hij weinig of zeer belezen was; maar liefde voor de zuivere waarheid behoort de lezing aantrekkelijk voor u te maken. Vraag niet wie dit heeft gezegd, maar luister goed wát er wordt gezegd.
Mensen gaan voorbij maar de waarheid van de Heer blijft eeuwig. God spreekt tot ons op allerlei manieren zonder aanzien van persoon. Nieuwsgierigheid hindert ons dikwijls bij het lezen van de Schrift, omdat wij willen begrijpen en ontleden, waar wij eenvoudig moesten doorgaan. Wilt ge er voordeel uit trekken, lees dan nederig, met eenvoud en geloof, zonder ooit deskundig genoemd te willen worden. Ondervraag graag en dikwijls en luister stil naar het woord van heiligen; keer u niet af van de spreuken der oude vaders; ze zijn niet zonder zin gezegd.
Ongeregelde gehechtheid
Als een mens, wanneer ook, iets onordelijks begeert, wordt hij terstond onrustig. Wie trots zijn en hebzuchtig komen nooit tot rust; armen en nederigen van geest leven in overvloed van vrede. De mens die inwendig nog niet volkomen vrij staat tegenover zijn verkeerde neigingen, komt heel licht in verleiding en delft het onderspit in kleine en onbeduidende dingen.
Wie zwak is in het innerlijk leven en nog in zekere mate vastzit aan het zintuiglijke en stoffelijke, kan zich maar moeilijk totaal ontdoen van zelfzuchtige begeerten. Daarom is hij dikwijls bedrukt als hij van die dingen afziet: hij wordt ook gauw geprikkeld als iemand het niet met hem eens is. Maar heeft hij nagejaagd wat hij begeerde dan voelt hij zijn geweten bezwaard, want hij heeft aan zijn hartstocht toegegeven, die hem niet dichter brengt bij de vrede die hij zocht.
Daarom: door te weerstaan aan de driften vindt men de ware innerlijke vrede, niet door daaraan toe te geven. Het innerlijk van een louter zinnelijk mens kent dan ook geen vrede, evenmin de mens die in het uiterlijke opgaat, maar hij die met ijver het geestelijke zoekt.
Wordt vervolgd.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
AAN URBANUS V.
VIERDE BOEK, KAP. 135.
Toen zij nacht in gebeden waakte, was het de bruid, alsof een stem sprak, die uitging van een kring van licht, gelijk de zon. En de stem zeide tot haar: "Ik ben Gods moeder, omdat het Hem zoo behaagde. Ik ben ook de moeder van allen, die in de vreugde des hemelrijks zijn. En evenals het de vreugde van het kind vergroot als de moeder een blij gelaat vertoont, wanneer het kind krijgt wat het wenscht, zoo behaagt het God allen in het hemelrijk vreugde te geven door de reinheid mijner maagdelijkheid en de schoonheid mijner deugden, hoewel zij op een ondoorgrondelijke wijze al het goede hebben door de machte Zijner godheid. Ik ben tevens de moeder van allen die in het vagevuur verblijven, want ter wille van mijn gebeden wordt ieder uur hun straf verzacht, die zij in den naam der gerechtigheid moesten lijden voor hun zonden.
Ik ben tevens moeder voor alle rechtvaardigen op de aarde, wier rechtvaardigheid mijn zoon met de volmaaktste liefde liefhad. En evenals de hand der moeder bereid is weerstand te verleenen tegen het gevaar en het kwaad, dat haar zoon kon treffen, ben ik bereid rechtvaardige menschen in de wereld te verdedigen en hen uit al-geestelijk gevaar te redden. In ben ook de moeder van de zondaars, die zich willen beteren en die den wil hebben niet verder te zondigen. En ik ben bereid om de schuldigen onder mijn bescherming te nemen als een liefdevolle moeder, die wanneer zij haar zoon naakt naar zich toe ziet komen om het zwaard door zijn doodsvijanden getrokken te ontwijken, hem redt uit de handen van zijn vijanden. Zoo doe ik met al de zondaars, die om de barmhartigheid smeeken van mijn Zoon, met waren ootmoed en godvruchtige liefde.
Hoor nu, en geef nauwkeurig acht op wat ik u over twee mijner zonen zeg, die ik u noemen zal. De eerste is mijn Zoon Jezus Christus, die uit mijn maagdelijken schoot geboren werd, opdat Hij Zijn liefde toonen en de zielen verlossen zou. Hiervoor spaarde Hij Zijn lichaam geen arbeid en hiervoor vergoot Hij zijn bloed. En Hij verdroeg allen smaad en doorstond de hevigste smarten en is nu rijk en almachtig in een vreugde die eeuwig duurt. De tweede, dien ik als mijn zoon beschouw, is hij, die in Gods zetel op de aarde vertoeft, indien hij de geboden van mijn zoon gehoorzaamt en Hem liefheeft met volmaakte liefde. De Heilige Geest gaf hem in naar Rome te gaan om de rechtvaardigheid te handhaven, het christelijk geloof te versterken en de Heilige Kerk te vernieuwen.
En evenals de moeder het kind leidt, waar zij wil, wanneer zij het haar tepels toont, zoo leidde ik hem met mijn gebeden naar Rome zonder eenig lichamelijk gevaar. Maar nu wendt hij mij den rug toe in plaats van het gelaat en wil hij mij verlaten. En daartoe lokt en leidt hem een booze geest met list en bedrog. De duivel trekt en verleidt hem, zoodat hij naar zijn vaderland terug verlangt. Hij wordt ook gelokt en getrokken door den raad van wereldsche vrienden, die zijn liefde hooger achten en zijn wil, dan de glorie van God en Gods wil en de redding der zielen.
Als hij nu naar zijn vaderland terugkeert, zal hij spoedig een slag krijgen, zoodat zijn tanden zullen klapperen, zijn gezicht verduisterd zal worden en al zijn ledematen trillen. De warmte van den Heiligen geest zal in hem luwen en alle vrienden Gods die voor hem bidden zullen het moede worden. En hij zal rekenschap hebben af te leggen voor wat hij deed als Paus, en waarvoor hij in gebreke bleef.
Wordt Vervolgd.
Lieve Maria.
Lieve Maria.
Hier en daar langs de weg
zien we nog een beeldje van jou.
Maar wij durven niet meer met je te praten.
Toch wil jij ook nu nog
voor ons een moeder zijn.
Jij wil dicht bij ons zijn
als er iets misloopt.
Dank je wel hiervoor.
Amen.
Jesaja 35, 1-6a.
Gij die waait waar Gij wilt,
maar altijd op zoek
om mensen terug te geven aan mensen,
om het minste
onder de aandacht te brengen van het meeste,
om het zwakke
aan te bevelen bij het sterke.
Wees onze horizon.
Wijk niet van onze zijde.
Blijf ons wakker roepen,
Kom op ons toe in ieder kwetsbaar mensenkind.
Word zichtbaar in ons.
Maak ons zacht en goed. Amen.
IK BEN EEN ZAAD.
Ik ben een uitgeworpen zaad dat in de grond aan 't sterven gaat , een paradox van weerloosheid en vuur van nieuw ontbrande strijd , een zaad , verteerd door wind en weer , maar groeiend naar jouw dromen , Heer. Zal ik je vragen naar die droom ; is 't kranke bloem ......of sterke boom ? Ach nee , ik groei , 't is mij genoeg , vergeef me dat ik verder vroeg. Zie hoe 'k in groeipijn ook gedij , mijn hart groeit 't jouwe naderbij. Ik bid Je enkel in mijn pijn , wil met je dauw niet karig zijn. Opdat het beeld van mij in Jou Je nooit te diep ontgooch' len zou. Als eens na zomer 't najaar daagt , zorg dat mijn bloem z'n vruchten draagt.
GELUK VOOR DE MENS. ( Matteus ).
Toen zei Jezus:
Geluk voor de mens die ontvankelijk is,
hij zal ontvangen het koninkrijk der hemelen.
Geluk voor de mens die huilen durft
over hem komt de grote vertroosting.
Geluk voor de mens die vriendelijk is,
hij krijgt deel aan het leven in overvloed.
Geluk voor de mens die hongert, die dorst
naar gerechtigheid: zij wordt aan hem vervuld.
Geluk voor de mens die barmhartig is,
barmhartigheid zal er zijn voor hem.
Geluk voor de mens die onverdeeld van hart is,
God zal hij zien, zijn licht.
Geluk voor de mens die vrede brengt
hij krijgt de naam kind van God te zijn,
geluk voor de mens die lijden moet
om de gerechtigheid,
hij zal ontvangen het koninkrijk der hemelen.
Voor de H. Kerk en voor de priesters.
O mijn Jezus, ik smeek U voor de hele Kerk.
Schenk haar liefde en het licht van uw helige Geest.
Geef kracht aan de woorden van de priesters, zodat de meest verstokte zondaars tot inkeer komen en terugkeren naar U.
Goddelijke Hogepriester, geef ons heilige priesters, bewaar hen in heiligheid.
Moge de kracht van uw barmhartigheid hen overal begeleiden en hen beschermen tegen de hinderlagen en valstrikken van de duivel, die de zielen van de priesters voortdurend bedreigen.
O Heer, moge de kracht van uw barmhartigheid alles wat de heiligheid van de priesters kan aantasten, doen mislukken, want U kunt alles.
Ik vraag U, Jezus, een bijzondere zegen en licht voor de priesters, bij wie ik gedurende mijn leven te biechten zal gaan. Amen.
Komt naderbij, alle engelen,
Komt naderbij, alle engelen,
komt, alle Heiligen van de hemel,
Onbevlekte Moeder,
Heilige Jozef,
Heilige Teresia,
komt om de Heer der Barmhartigheid
te prijzen,
de God der liefde,
Leert mij
ware nederigheid en liefde,
opdat ik altijd en overal
in mijn leven dankbaar ben
en door al mijn daden
de liefde
en de goedheid van de Heer verkondig.
Amen.
Bidden wij tot God, die ons nabij is.
Bidden wij tot God, die ons nabij is
met eindeloze trouw en barmhartigheid...
God van hoop en toekomst,
wij bidden U voor allen
die de richting kwijt zijn,
die zoeken naar een goed woord.
Geef dat zij hun hart openstellen
voor uw nabijheid, voor uw wonen onder ons.
Zo bidden wij .
God van hoop en toekomst,
Wij bidden U voor allen
die niet de moed vinden uw spoor van licht te volgen
Schud hen wakker, maak hen attent.
Geef dat aan hun duisternis een einde komt:
zo bidden wij
God van hoop en toekomst,
wij bidden U voor allen
die de tekenen van uw aanwezigheid
dankbaar aanvaarden en hun leven daarnaar inrichten
Geef dat zij leven vanuit vertrouwen
Op uw toekomst die komen zal.
Zo bidden wij
God van hoop en toekomst,
wij bidden U
zegen allen die hier zijn
en van wie wij houden;
zegen de kinderen in ons midden gedoopt
zegen hen die binnenkort gaan trouwen
zegen al wie het moeilijk heeft of ernstig ziek is..
zegen hen die zijn overleden
Eeuwige en Enige God,
Gij hebt bij ons willen komen.
Uw naam gaat rond over de aarde,
van mens tot mens zijt Gij een woord van vrede.
Wees ons nabij, nu en morgen
tot in de eeuwen der eeuwen. Amen
30-12-2010
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE DONDERDAG.
N. ( M ).
Aansporingen tot innerlijk leven.
Het innerlijk gesprek
Het koninkrijk Gods is in u zegt de Heer. Keer terug met heel uw hart tot God, laat deze armzalige wereld voor wat ze is en uw ziel zal rust vinden. Leer alles wat uiterlijk is geringschatten en u aan het innerlijk te geven en gij zult het Godsrijk in u zien komen. Want het rijk Gods is vrede en vreugde in de heilige Geest, dat niet gegeven wordt aan goddelozen.
Christus zal tot u komen en u zijn vertroosting laten ervaren, als gij Hem binnen in u, een waardige woonplaats hebt bereid. Heel zijn eer en glorie is van binnen en daar wil Hij bij voorkeur zijn. Veelvuldig bezoekt Hij de innerlijke mens, vol liefde spreekt Hij hem toe; verrukkelijk is zijn vertroosting, diep is zijn vrede, en zijn vertrouwelijkheid verbazingwekkend.
Daarom, trouwe Christusvriend, maak voor deze Bruidegom uw hart gereed, zodat Hij zich gewaardigt tot u te komen en in u te wonen. Zo zegt Hij immers: als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; Wij zullen tot hem komen en ons verblijf bij hem vestigen. Maak daarom plaats voor Christus en weiger al de rest de toegang. Als gij Christus hebt, zijt gij rijk en dat is genoeg voor u. Hijzelf zal zorg voor u dragen en al uw belangen op zich nemen, zodat het niet nodig is op mensen te vertrouwen.
Want mensen veranderen snel en laten u spoedig alleen; maar Christus blijft in eeuwigheid en zal tot het laatste einde onwankelbaar u bijstaan. Men kan geen groot vertrouwen stellen in een broos en sterfelijk mens, ook al is hij u ook van dienst en hebt gij hem lief. En men behoort ook niet al te bedroefd te zijn als hij u soms bestrijdt of tegenspreekt. Wie vandaag voor u zijn, zijn misschien morgen tegen u; en dikwijls zijn zij weer veranderlijk als de wind. Stel heel uw vertrouwen op God: Hij moet uw vrees en uw grote liefde zijn. Hij zal voor u instaan en het wel zó schikken als het voor u het beste is.
Gij hebt hier geen blijvende woonplaats en waar gij ook verblijft zijt gij een reiziger en een gast; nooit zult gij rust hebben, behalve als gij zeer nauw met Christus verenigd leeft. Waarom hier rondkijken, terwijl dit toch niet de plaats is, waar gij blijvend rusten kunt? In het hemelse moet uw verblijf zijn en al het aardse moet gij zien als in het voorbijgaan. Alle dingen zijn aan het verdwijnen, gijzelf inbegrepen. Zorg toch u er niet aan vast te hechten, om niet gegrepen te worden en mee ten onder te gaan.
Uw gedachte moet toeven bij de Allerhoogste en richt zonder ophouden uw smeekbede tot Christus. Als uw beschouwing zich niet verheffen kan tot het hoge en het hemelse, sta dan stil bij het lijden van Christus en vertoef graag bij zijn heilige wonden. Want als gij devoot uw toevlucht neemt tot de wonden en de kostbare stigmata van Jezus, zult gij in uw kwellingen grote bemoediging voelen; dan zult gij de verachting van de mensen gering schatten en gemakkelijk kwaadsprekerij verdragen.
Ook Christus werd in de wereld veracht door de mensen en in de grootste nood door zijn vrienden en bekenden in de schande alleen gelaten. Christus wilde lijden en veracht worden en durft gij u over iemand te beklagen? Christus had tegenstanders en tegensprekers en wil gij dat allen uw vrienden en weldoeners zijn?
Hoe kan uw geduld bekroond worden als het u nooit eens tegenzit? Als gij geen onaangename dingen kunt verduren, op welke manier zult gij dan de vriend van Christus zijn? Volhard met Christus en voor Christus, als gij eens met Christus wilt regeren. Als gij eens volkomen waart binnengetreden in het innerlijk van Jezus en iets van zijn brandende liefde had gesmaakt, dan zoudt gij u over eigen genoegen of ongenoegen niet bezorgd maken, maar u eerder over tegen u geuite beledigingen verblijden, want de liefde voor Jezus bewerkt dat de mens zichzelf niet meer acht.
Wie Jezus en de waarheid liefheeft, wie oprecht innerlijk leeft, vrij van onbeheerste neigingen, kan zich onbelemmerd tot God keren, zich boven zichzelf in de geest verheffen en genietend rusten.
Wie alle dingen verstaat zoals ze zijn, niet zoals men er gewoonlijk over spreekt of denkt, die is waarlijk wijs en heeft meer van God geleerd dan van de mensen.
Wie innerlijk weet te leven en alle uitwendige dingen van weinig gewicht acht, zoekt niet bepaalde plaatsen en wacht ook niet op de gunstige tijd om godvruchtige oefeningen te doen.
Iemand van innerlijk leven komt gemakkelijk tot zelfbezinning, omdat hij zich nooit in het uiterlijke ongeremd laat gaan. Uitwendige arbeid hindert hem niet, ook niet dat hij in beslag genomen wordt, wat soms onvermijdelijk is; maar hij past zich aan zoals de dingen op hem afkomen. Wie innerlijk in goede gesteldheid en regelmaat leeft, houdt zich niet bezig met vreemde of laaghartige gedragingen van de mensen.
Een mens wordt in dezelfde mate gehinderd en verstrooid als hij zich de dingen aantrekt. Als het goed met u stond en gij volkomen zuiver waart, zou alles tot uw welzijn en voortgang strekken. Daarom mishaagt u zoveel en brengt het u dikwijls in verwarring, omdat gij nog niet volkomen aan uzelf afgestorven leeft en niet verwijderd van alle aardse dingen. Niets besmet en verstrikt zozeer het menselijk hart als een onzuivere liefde voor het geschapene. Als gij afziet van de uiterlijke voldoeningen, zal de beschouwing van het hemelse voor u mogelijk worden en zult gij in uw binnenste dikwijls jubelen.
De nederige onderwerping
Hecht er niet veel waarde aan wie voor of tegen u is; maar zorg goed hiervoor: dat God met u blijft bij alles wat u doet. Heb een goed geweten, dan zal God u wel verdedigen. Want als God iemand wil helpen kan geen enkele boosheid hem deren. Weet gij te zwijgen en te ondergaan, dan zult gij zonder twijfel ervaren dat de Heer u helpt. Hij kent de tijd en de wijze om u weer vrij te maken en daarom moet gij u op Hem verlaten. God is het die u kan helpen en aan alle beschaming weer onttrekken.
Maar dikwijls is het zeer goed om de nederigheid beter te verzekeren, dat anderen onze gebreken kennen en er ons een verwijt van maken. Wanneer iemand zich om zijn gebreken vernedert, neemt hij gemakkelijk anderen voor zich in en geeft hij allicht voldoening aan wie op hem verbitterd waren. God beschermt en bevrijdt wie nederig is; Hij heeft de nederige lief en vertroost hem; Hij buigt zich tot de nederige neer, Hij geeft de nederige grote genade en na de verdrukking verheft Hij hem tot hoge eer. Aan de nederige openbaart Hij zijn geheimen, Hij trekt hem op zachte wijze tot zich, Hij nodigt hem uit. Na het aanvaarden van zijn beschaming blijft de nederige volmaakt in vrede, omdat hij zijn steun vindt in God en niet in de wereld. Heb niet de mening dat gij ook maar enige vordering hebt gemaakt, behalve wanneer gij u als de minste van allen beschouwt.
De goede vredelievende mens
Bewaar eerst de vrede in uzelf, dan zult gij ook anderen tot vrede brengen. Een vredelievend mens doet meer goed dan een groot geleerde. Een hartstochtelijk iemand legt ook het goede nog verkeerd uit en denkt gemakkelijk kwaad. Een goed en vredelievend mens keert alles ten goede.
Wie in vrede is bevestigd is nooit achterdochtig. Maar wie ontevreden is en ongedurig, loopt met allerlei vermoedens rond: hij komt zelf niet tot rust en gunt anderen geen rust. Hij zegt vaak wat hij niet moest zeggen en laat na te doen wat goed voor hem zou zijn. Hij denkt aan wat anderen behoren te doen en verwaarloost dat waartoe hij zelf verplicht is.
Span u allereerst in om uzelf te verbeteren en dan kunt gij terecht ijveren voor uw medemens. Gij weet uw eigen daden wel te verontschuldigen en mooi te kleuren, maar gij weigert de verontschuldigingen van anderen te erkennen. Het zou correct zijn uzelf te beschuldigen en uw broeder te verontschuldigen. Als gij wilt dat men u verdraagt, verdraag dan ook een ander.
Zie eens hoe ver gij nog van de ware, nederige liefde verwijderd zijt; want die is tegenover niemand boos of verontwaardigd behalve tegenover zichzelf. Het is geen kunst, met goede en welwillende mensen te kunnen omgaan; dat is vanzelfsprekend een genoegen voor iedereen en alle mensen hebben graag vrede en voelen genegenheid voor wie het met hen eens is. Maar met keiharde lieden en die niet deugen, met mensen die van tucht niets weten en ons tegenwerken, in vrede kunnen leven, dát is een grote genade en in hoge mate prijzenswaardig, dat is een prestatie.
Er zijn er die de vrede in zichzelf bewaren en ook in vrede leven met anderen. Er zijn er ook, die zelf geen vrede hebben en ook anderen niet met vrede kunnen laten; voor anderen lastig, zijn zij altijd nóg lastiger voor zichzelf. En ten slotte zijn er die zichzelf in vrede bewaren en anderen tot vrede proberen terug te brengen. Maar heel onze vrede is in dit armzalige leven eerder te zoeken in nederig ondergáán dan in het ongevoelig zijn voor tegenslagen. Wie beter weet te verduren zal ook grotere vrede hebben. En juist hij is de overwinnaar van zichzelf, hij is meester van de wereld, een vriend van Christus en erfgenaam van de hemel.
Zuiverheid van geest en eenvoud van bedoeling
Op twee vleugels verheft de mens zich boven de aarde: die van de eenvoud en die van de zuiverheid. Eenvoud moet er zijn in onze bedoeling, zuiverheid in de liefde. De eenvoud let op God, de zuiverheid omvat en smaakt Hem.
Geen enkele goede daad zal een belemmering voor u zijn, als gij in uw hart niets meer verlangt wat niet goed is. Als gij niets anders zoekt dan God aangenaam te zijn en de evenmens te helpen, zult gij innerlijke vrijheid genieten. Als uw hart zuiver is zal ieder schepsel een spiegel van het leven en een boek van heilige onderrichting voor u zijn. Er is geen schepsel zo klein en nietig of het houdt u Gods goedheid voor ogen.
Als gij van binnen goed en rein zijt, kunnen alle dingen voor u zonder belemmering zichtbaar zijn en goed te begrijpen. Een zuiver hart dringt door hel en hemel heen. Zoals iemand van binnen is, zo beoordeelt hij het uiterlijke. Als er geluk in de wereld bestaat dan is dat het bezit van de mens met een zuiver hart.
En als er ergens kwelling en angst is dan weet het slechte geweten daarover mee te spreken. Zoals ijzer in vuur gehouden, zijn roest verliest en door en door gloeiend wordt, zo wordt een mens die zich geheel tot God keert, van zijn loomheid ontdaan en in een nieuwe mens veranderd. Als iemand begint te verslappen, is hij bang voor een kleine moeite en erop uit om aan het stoffelijke tegemoet te komen. Maar zodra hij in alle ernst begint zichzelf te overwinnen en dapper de weg van God te begaan, telt hij lichter wat hij te voren zo zwaar vond.
Letten op zichzelf
Wij kunnen onszelf niet te veel vertrouwen, want wij missen vaak genade en begrip. Er is maar weinig licht in ons en dat zijn wij door onze nalatigheid spoedig kwijt. Dikwijls merken wij zelfs niet op dat wij zo blind zijn. Telkens doen wij fout, en nog erger: wij verontschuldigen ons. Soms worden wij door hartstocht gedreven en menen dat het ijver is.
Nietigheden verwijten wij anderen en aan onze eigen grotere fouten gaan wij voorbij. Wat wij van anderen verduren merken wij spoedig en terdege; maar hoeveel wij anderen te verduren geven, zien wij niet. Wie goed en naar waarheid zijn eigen fouten wilde nagaan, zou geen reden hebben om over een ander zo ernstig te oordelen.
Een mens van innerlijk leven laat dit altijd voorgaan en wie goed let op zichzelf, zwijgt wel over anderen. Nooit zult gij innerlijk en vroom worden, als gij niet zwijgt over wat u niet aangaat en uzelf niet bijzonder goed in het oog houdt. Als gij geheel op uzelf en op God gericht blijft, zal al wat gij daarbuiten waarneemt u weinig verontrusten. Waar zijt gij als gij niet aanwezig zijt in uw eigen binnenste? En wanneer gij nu alles hebt doorlopen, wat hebt gij dan bereikt als ge uzelf verwaarloosd hebt?
Wilt gij werkelijk vrede en de ware innerlijkheid bezitten, stel dan al het andere op de tweede plaats en houd slechts uzelf voor ogen. Gij zult grote vorderingen maken als gij u vrij houdt van alle aardse zorgen. Maar gij zult opvallend veel achter raken als gij waarde hecht aan welke tijdelijke zaak dan ook. Niets mag er voor u groot, hoog, mooi of begerenswaardig zijn behalve God alleen en alles wat handelt over Hem.
Vind alles zonder zin wat gij aan troost van enig schepsel tegenkomt. Een ziel die God liefheeft minacht alles wat minder is dan Hij. Alleen de eeuwige, onmetelijke God die het heelal vervult is de troost voor de ziel en de ware blijdschap voor het hart.
De blijdschap van een goed geweten
De blijdschap van een goed mens is het getuigenis van zijn goed geweten. Zorg altijd voor een goed geweten en gij zult altijd blij zijn. Een goed geweten kan veel verdragen en nog heel blij zijn temidden van allerlei narigheid. Een slecht geweten is altijd angstig en onrustig. Gij zult heerlijk rusten als uw hart u niets te verwijten heeft. Wees alleen blij als gij goed gehandeld hebt.
Zij die verkeerd willen hebben nooit ware blijdschap, kennen ook geen innerlijke vrede want er is geen vrede voor de goddelozen, zegt de Heer. En al zeggen zij: wij leven in vrede, ons kan niets gebeuren, wie zal ons iets durven doen? geloof hen niet. Want plotseling zal de toorn van God tegen hen opstaan en tot niets zullen hun ondernemingen vervallen en hun plannen te gronde gaan.
Juichen in kwelling valt iemand die bemint niet zwaar; want door dit te doen juicht hij om het kruis des Heren. De blijheid is kort van duur als deze door mensen wordt veroorzaakt en verkregen. De blijdschap van de wereld wordt altijd gevolgd door droefheid. Voor de goeden ligt de blijdschap in hun geweten en niet in de eer bij de mensen. De blijdschap van de rechtvaardigen komt van God en ligt in God en zij verheugen zich over de waarheid.
Wie de ware en eeuwige vreugde verlangt, geeft niets om het tijdelijke. En wie nog tijdelijke blijheid naloopt of die niet van harte minacht, stelt blijkbaar de hemelse vreugde niet op prijs. Een grote innerlijke rust bezit hij die zich over geen roem of kritiek bekommert. Als men een zuiver geweten heeft is vrede en rust niet ver verwijderd.
Gij zijt niet heiliger omdat gij geprezen wordt en niet slechter omdat men afkeurend over u spreekt. Wat gij zijt dat zijt ge, en wat men van u zegt maakt u niet groter dan gij zijt voor het oog van God. Als gij aandacht hebt voor wat gij innerlijk zijt, zal het oordeel van de mensen u niet verontrusten. De mens ziet het zichtbare, maar God ziet het hart. De mens beoordeelt daden, maar bij God wegen de bedoelingen. Altijd goed handelen en gering over zichzelf denken, dat is het kenmerk van een nederig gemoed.
Geen troost bij enig schepsel zoeken wijst op grote zuiverheid en innerlijk vertrouwen. Wie geen waardering voor zichzelf van de buitenwereld vraagt, laat blijken dat hij zich totaal aan God heeft toevertrouwd. Want niet hij die zichzelf prijst heeft de proef doorstaan, zegt de heilige Paulus, maar hij die geprezen wordt door de Heer. Inwendig bij God vertoeven en door geen enkele genegenheid van buiten gebonden worden, dat is de gesteltenis van wie een innerlijk leven leidt.
De liefde tot Jezus gaat boven alles
Gelukkig wie begrijpt wat het is Jezus lief te hebben en zichzelf nietig te achten om Jezus wil. Men moet alles wat men liefheeft voor deze liefde laten varen, want Jezus wil alléén en vóór alles de liefde van uw hart. De liefde van een schepsel is bedrieglijk en onstandvastig; op de liefde van Jezus kan men rekenen: zij duurt voort. Wie zich aan een schepsel hecht zal wankelen met wat wankel is: wie zich aan Jezus geeft zal bevestigd worden voor altijd. Heb Hem lief en houd Hem vast als uw vriend, die als allen heengaan u niet zal verlaten en niet zal dulden dat gij uiteindelijk nog verloren gaat. Of gij wilt of niet, eens zult gij van allen afscheid moeten nemen. Houd u bij Jezus in leven en dood; vertrouw u toe aan de trouw van Hem die als allen te kort schieten alleen in staat is u te helpen.
Uw Geliefde is zo dat Hij geen ander naast zich duldt; maar Hij wil uw hart alleen hebben en daar zijn plaats innemen als een koning op zijn troon. Als gij u voorgoed van al het geschapene wist vrij te maken, dan zou Jezus wel graag bij u wonen. Gij zult ervaren dat vrijwel alles zonder waarde is wat gij buiten Jezus van de mensen hebt verwacht.
Vertrouw of steun toch niet op riet dat meebuigt met de wind, want alle lichamelijkheid is als gras: heel haar schoonheid zal ook verdwijnen als een bloem op het veld. Gij zult snel teleurgesteld zijn als gij alleen maar op de uiterlijke schijn van de mensen let. Als gij namelijk bij anderen troost en voldoening zoekt, zult gij bedrogen uitkomen. Als gij echter in alles Hem zoekt, ja dán zult gij Jezus vinden. Zoekt gij uzelf, dan zult gij uzelf ook vinden maar daaraan te gronde gaan. Want een mens doet zichzelf meer schade als hij Jezus niet zoekt dan de hele wereld en al zijn vijanden samen zouden kunnen doen.
De vertrouwelijke vriendschap met Jezus
Als Jezus bij ons is, is alles goed en lijkt niets moeilijk, maar als Hij er niet is, valt ons alles zwaar. Als Jezus niet inwendig tot ons spreekt, wordt alle vertroosting zinloos; maar met één woord van Jezus dringt de vertroosting diep tot ons door. Stond Maria Magdalena niet aanstonds op van de plaats waar zij zat te wenen toen Marta haar zei: De Meester is daar en roept u. Wat een gelukkig uur als Jezus ons van onze tranen tot de vreugde van de geest roept.
Wat zijt gij zonder Jezus dor en hard! Hoe dwaas en zinloos iets te begeren buiten Hem. Is dit niet erger dan de hele wereld te verliezen? Wat heeft de wereld u te bieden zonder Jezus? Zonder Jezus leven is een ware hel, met Hem leven is de zoetheid van het paradijs. Als Jezus met u is kan geen vijand u iets doen. Wie Jezus heeft gevonden bezit een groot vermogen, een rijkdom die alle rijkdom overtreft. En wie Jezus verliest, verliest zeer veel: meer dan de hele wereld. Doodarm is hij die zonder Jezus door het leven gaat; schatrijk hij die met Hem vriendschap heeft gesloten.
Dit is echte levenskunst: te weten hoe men met Jezus om moet gaan; en Jezus bij zich kunnen houden getuigt van grote wijsheid. Leef nederig en in vrede, dan zal Jezus met u zijn. Leef vroom en stil en Jezus zal bij u blijven. Gij kunt Jezus snel verdrijven en zijn gunst verliezen, als gij u op uiterlijke dingen richt. Wanneer gij Hem verjaagd hebt en verloren, wie zal dan uw toevlucht zijn en wie uw vriend?
Zonder vriendschap te leven gaat niet goed en als Jezus niet vóór alle anderen uw vriend is, zult gij leven in verdriet en eenzaamheid. Gij doet daarom dwaas als gij in iemand anders uw vertrouwen stelt of vreugde vindt. Gij kunt beter de hele wereld tegen u hebben dan Jezus te beledigen. Onder al uw goede vrienden moet daarom alleen Jezus de meest Geliefde zijn. We mogen iedereen beminnen om Jezus wil, maar slechts Jezus om Hemzelf.
Enkel Jezus mag men uitzonderlijk beminnen, want Hij alleen blijkt meer dan welke vrienden dan ook goed en trouw te zijn. Om Hem en in Hem moeten vriend en vijand u ter harte gaan. Voor hen allen moeten wij bidden, opdat zij er toe komen Jezus te kennen en lief te hebben. Begeer nooit bijzonder lof of liefde te verkrijgen, want dat komt God alleen toe die door niemand wordt geëvenaard. Hoop ook niet dat iemand vaak met liefde aan u denkt, en word zelf niet door liefde jegens iemand anders in beslag genomen, maar Jezus zij in u en in alle goede mensen.
Leef rein en in uw innerlijk zonder binding aan welk schepsel ook. Gij moet van alles zijn ontdaan en tot Jezus komen met een zuiver hart, als gij in alle vrijheid wilt zien hoe goed de Heer is. Werkelijk, gij zult dat niet bereiken, behalve als zijn genade u voorkomt en u naar binnen keert, zodat gij u van alles kunt bevrijden en verwijderen, en in eenzaamheid komen tot vereniging met Hem. Want als Gods genade in de mens aanwezig is, blijkt hij in staat tot alles; maar verdwijnt zij, dan is hij arm en zwak en als aan alle ellende uitgeleverd. Hij mag niet ontmoedig of wanhopig worden, maar volhardend in gelijkmoedigheid volgens de wil van God, moet hij alles wat hem overkomt tot lof van Jezus Christus ondergaan. Want na de winter komt de zomer, na de nacht keert de dag weer terug en na het onweer de heldere hemel.
Het missen van alle troost
Het valt niet zwaar menselijke troost gering te achten als de goddelijke troost aanwezig is. Het is groot, zelfs zeer groot zowel menselijke als goddelijke troost te kunnen missen en om Gods eer graag de ballingschap van het hart uit te houden: in niets zichzelf te zoeken en niet groot te gaan op eigen verdiensten.
Is het iets bijzonders blij te zijn en vroom als de genade tot u komt? Dat ogenblik wil iedereen wel graag. Wie door Gods genade gedragen wordt zit geweldig te paard. Is het een wonder dat men de last niet voelt als men gedragen wordt door Gods almacht en geleid door de hoogste Leider zelf?
We hebben graag iets tot troost en maar moeilijk ontdoet de mens zich van zichzelf. De heilige martelaar Laurentius overwon de wereld en ook de bijzondere gehechtheid aan zijn opperpriester; op alles wat hem in de wereld voldoening kon geven zag hij neer. Hij verdroeg het in zachtmoedigheid ter liefde van Christus, toen ook Sixtus, de hogepriester Gods, van wie hij bijzonder veel hield, van hem gescheiden werd. Door de liefde voor de Schepper steeg hij uit boven de liefde voor een mens en in plaats van menselijke voldoening koos hij Gods welbehagen.
Als de omstandigheden een afscheid meebrengen, moeten wij een onmisbare en geliefde vriend ter liefde Gods vaarwel zeggen. Til er niet te zwaar aan als een vriend u verlaat; gij weet toch dat wij tenslotte allen afscheid zullen nemen? Veel en lang moet een mens in zijn binnenste strijd voeren, voor hij leert zichzelf volkomen te overwinnen en heel zijn liefde op God te richten.
Wanneer een mens op zichzelf gesteld is, glijdt hij gemakkelijk af naar menselijke troost. Maar de ware minnaar van Christus die zich ijverig inspant voor de deugd, valt niet terug op vertroosting van dat soort; hij zoekt ook de gevoelige zoetheid niet, maar verkiest krachtige oefeningen en het verduren van zware lasten voor Christus.
Als u dus door God geestelijke troost gegeven wordt, aanvaard die dan onder dankbetuiging: begrijp dat dit een gave is van God en niet uw verdienste. Verhef u daar niet op: wees niet uitbundig blij of in uw dwaasheid trots, maar wees om die gave des te nederiger, nog voorzichtiger en meer op uw hoede bij alles wat gij doet. Dit uur immers zal voorbijgaan en de beproeving keert weer terug.
Als de troost verdwenen is wees dan niet dadelijk in wanhoop: wacht nederig en geduldig het hemels bezoek weer af. Want God is in staat u met groter vertroosting alles te vergoeden. Dit is niet nieuw of ongewoon voor wie Gods wegen kent; want bij de grote heiligen en de profeten van het Oude Verbond kwam een dergelijke wisseling herhaaldelijk voor. Daarom zij een van hen toen de genade nog bij hem was: In mijn overvloed heb ik gezegd: nooit meer zal ik twijfelen. Maar hij voegt eraan toe wat hij ondervond toen de genade wegging: Gij hebt uw aangezicht van mij afgewend en ik ben geschrokken.
Intussen geeft hij toch niet toe aan wanhoop, maar bidt de Heer met nog meer aandrang, zeggend: Tot u, Heer, blijf ik roepen en mijn smeking tot U richten. Dan haalt hij de vrucht binnen van zijn gebed en getuigt van verhoring met het woord: De Heer heeft naar mij geluisterd en zich over mij ontfermd: de Heer is mijn helper geworden. En op welke wijze? Gij, zo gaat hij verder, hebt mijn gejammer in blijdschap veranderd en mij met vreugde overstelpt.
Als het zo gaat met grote heiligen, mogen wij zwakke en arme mensen niet ontmoedigd worden, als wij nu eens vurig en dan weer ongevoelig zijn. Want de Geest komt en gaat volgens het welbehagen van zijn wil. Daarom zegt de vrome man Job: Gij bezoekt de mens s morgens maar plotseling stelt Gij hem weer op de proef. Waar kunt u dus op bouwen, op wie uw vertrouwen stellen, behalve op de grote barmhartigheid van God en uitsluitend hopen op de genade van de hemel?
Want of er nu goede mensen zijn, vrome medebroeders of trouwe vrienden, heilige boeken en prachtige verhandelingen, welluidende liederen en gezangen. Dit alles helpt u nauwelijks en kan u maar weinig behagen als de genade u in uw eigen armoede achterlaat. Voor die toestand is er geen beter middel dan geduld en de verloochening van uzelf volgens de wil van God.
Nooit heb ik iemand zo godsdienstig en vroom ontmoet of van tijd tot tijd maakte hij een dergelijk gemis aan genade en vermindering van vurigheid mee. Geen enkele heilige werd zo hoog verheven en verlicht dat hij vroeg of laat niet de bekoring heeft gekend. Want nooit kan iemand tot de beschouwing van God worden toegelaten, als hij niet enig verdriet voor Hem geleden heeft.
De beproeving komt eerst en zij is gewoonlijk een teken dat de vertroosting volgt. Aan hen die de beproeving hebben doorstaan wordt de hemelse troost beloofd: Wie overwonnen heeft zal ik te eten geven van de boom des levens. De goddelijke vertroosting wordt iemand juist gegeven om wat zwaar valt beter te verduren. De bekoring dient ook hiertoe dat iemand zich niet zou verheffen op het goede dat hij doet. De duivel slaapt niet in en het vlees is nog niet dood; houd dus niet op, u voor te bereiden op de strijd, want links en rechts is de vijand die van geen rusten weet.
Dankbaar zijn voor de genade van God
Waarom zoekt gij rust? Gij zijt toch voor de arbeid geboren? Stel u meer in op geduld dan op troost, en op het dragen van het kruis meer dan op blijdschap. Wie van de mensen in de wereld zou niet graag troost en innerlijke vreugde genieten als hij die altijd hebben kon? Geestelijke vertroostingen overtreffen immers alle genietingen en voldoeningen van het lichaam. Alle genoegens van de wereld zijn vluchtig of oneervol. Alleen de geestelijke vreugden zijn aangenaam en verheffend: zij komen voort uit deugd en worden gegeven aan reinen van hart.
Maar deze goddelijke troost kan men niet altijd proeven naar eigen welgevallen, want de tijd van de bekoring blijft niet lang weg. De gewaande geestesvrijheid en een te groot zelfvertrouwen zijn een ernstige belemmering voor die hemelse ontmoeting. God is zeer goed omdat Hij ons de gunst van de vertroosting schenkt; maar de mens is niet goed als hij niet alles onder dankbetuiging teruggeeft. Dáárom vinden de genadegaven bij ons geen toegang, omdat wij de Gever niet dankbaar zijn en niet alles tot de eerste bron herleiden. Want altijd mag hij die dankbaar weet te zijn genade terugverwachten, en wordt een zelfgenoegzaam mens ontnomen wat een nederige gewoonlijk gegeven wordt.
Ik wil geen troost die mijn berouw verdrijft; en ik zoek geen contemplatie die leidt tot eigenwaan. Want niet al wat hoog is, is daarom heilig en al wat zoet is, daarom niet goed. Ook is niet iedere begeerte zuiver en wat ons lief is daarom nog niet God welgevallig. Ik neem graag de genade in ontvangst die mij altijd tot meer nederigheid en eerbied brengt en mij in staat stelt, meer los te laten.
Wie onderricht is door begenadiging, en wijs geworden door de pijn van haar gemis, zal zichzelf niets goeds durven toe te schrijven, maar eerder bekennen dat hij maar arm en naakt is. Geef God wat God toekomt en schrijf u toe wat van uzelf is, dat wil zeggen: breng God dank voor zijn genade maar wijt alleen uzelf de schuld, en besef dat gij voor die schuld ook straf moet ondergaan.
Acht uzelf altijd het laagst en men zal u het hoogste geven: want zonder het laagste houdt het hoogste nergens stand. De grootste heiligen in Gods oog zijn zij die het aller-geringst zijn volgens volgens hun eigen oordeel; en hoe roemrijker, des te nederiger in eigen hart. Vol waarheid en hemelse rijkdom, begeren zij geen eer die weinig te betekenen heeft. Hun steun en bevestiging is in God; daarom kunnen zij op geen enkele wijze nog hoogmoedig zijn.
En wie alles wat zij aan goeds ontvangen hebben God toeschrijven, zoeken geen eer van elkaar te ontvangen, maar willen slechts de eer die God hun geeft. Zij willen boven alles dat God om zichzelf en in al zijn heiligen geprezen wordt, en dus hebben zij dáár altijd aandacht voor. Wees daarom dankbaar voor het allerminste en gij zult waardig geacht worden ook hogere dingen te ontvangen. Het kleinste moet voor u zijn als het grootste en het meest onbeduidende als een bijzonder waardevol geschenk.
Wie op de waardigheid van de gever let, zal geen gift gering of geheel waardeloos achten. Het is namelijk nooit klein wat door de Allerhoogste wordt gegeven. En zelfs als Hij straffen of rampen zendt moet u dat welkom zijn; want Hij doet alles voor ons welzijn, wát Hij ons ook laat overkomen. Wie Gods genade wenst vast te houden behoort dankbaar te zijn voor de genade die wordt gegeven en geduldig als ze wordt ontnomen. Laat hij dan bidden dat zij terugkeert; nederig en voorzichtig moet hij zijn om ze niet te verliezen.
Er zijn weinig minnaars van Jezus kruis
Jezus heeft tegenwoordig wel veel vrienden van zijn hemels rijk, maar weinig dragers van zijn kruis. Hij heeft er veel die zijn vertroosting maar weinig die kwellingen verlangen. Hij heeft veel vrienden voor zijn tafel maar weinig voor zijn vasten. Allen willen met Hem de blijdschap delen, maar weinigen voor Hem iets ondergaan. Velen volgen Jezus tot aan het breken van het brood, maar weinigen tot aan het drinken van de lijdenskelk. Velen vereren zijn wonderen, weinigen volgen de schande van het kruis. Velen hebben Jezus lief zolang hun geen ellende overkomt. Velen loven en prijzen Hem zolang zij wat vertroosting bij Hem vinden. Maar als Hij zich verbergt en hen maar even alleen laat, beginnen zij te klagen en worden diep neerslachtig.
Maar wie Jezus om Jezus volgen en Hem niet beminnen om hun eigen innerlijke vertroosting, die zegenen Hem in alle kwelling en benauwenis van hart, evengoed als in de zoetste troost. En als Hij hun nooit troost zou willen geven, zouden zij Hem toch altijd willen loven en altijd dank betuigen.
Wat is de zuivere liefde voor Jezus tot veel in staat, als deze met volstrekt geen eigenbelang of eigenliefde is vermengd. Moeten we niet zeggen dat allen die steeds weer zoetheid zoeken in loondienst zijn? Bewijzen zij niet dat zij meer zichzelf liefhebben dan Jezus Christus, als zij onophoudelijk denken aan eigen voldoening en eigen winst? Waar vind ik iemand die God zonder beloning dienen wil? Maar zelden komt men iemand tegen die zo geestelijk leeft dat hij van alles is bevrijd.
Want de ware arme van geest, onthecht aan al wat is geschapen, wie zal hem vinden? Zijn waarde is groter dan die van juwelen. Al geeft een mens daarvoor heel zijn vermogen, dan is dat nog niets. En doet hij grote boete, dan is dat maar gering. En al zou hij zich alle wetenschap eigen maken, dan is hij er nog lang niet. En al bezit hij hoge deugd en een heel vurige godsvrucht, dan ontbreekt hem veel: dit ene namelijk dat het allermeest noodzakelijk is.
Wat dat is? Dat hij na alles verlaten te hebben ook nog helemaal buiten zichzelf treedt en niets van de eigenliefde overhoudt. En als hij dan alles heeft gedaan wat hij als volstrekt nodig ziet, dan mag hij denken dat hij niets heeft uitgevoerd. En hij moet niet menen dat het groot is wat men op zich wel voornaam zou kunnen achten; maar zich wel in alle oprechtheid de onnutte dienstknecht noemen, zoals de Waarheid zegt: als gij alles hebt gedaan wat u is opgedragen, zeg dan: wij zijn maar waardeloze slaven. Dan zal hij werkelijk arm en naakt van geest kunnen zijn en met de profeet zeggen: Ik ben eenzaam en ik heb niets. Toch bezit niemand meer rijkdom, meer macht, meer vrijheid dan hij die alles weet te verlaten en zich stelt op de allerlaatste plaats.
De koninklijke weg van het heilig kruis
Velen vinden dit woord harde taal: verloochen uzelf, neem uw kruis op en volg Jezus. Maar veel harder zal het zijn eens dit verschrikkelijk woord te moeten horen: Gaat weg van mij, vervloekten, het eeuwige vuur in.
Wie immers nu graag willen luisteren naar het woord van het kruis en dat volgen, behoeven dan niet bang te zijn dat zij het woord van de eeuwige verwerping zullen horen. Dit teken van het kruis zal aan de hemel staan, als de Heer komt om zijn oordeel uit te spreken. Dan zullen alle dienaars van het kruis die zich in dit leven aan de Gekruisigde gelijkvormig hebben gemaakt, met groot vertrouwen naar de Rechter Christus gaan.
Wat aarzelt gij dan het kruis op te nemen waardoor men intreedt in het rijk? Er is geen heil voor de mens en geen hoop op eeuwig leven behalve in het kruis. In het kruis is heil, in het kruis het leven, in het kruis bescherming tegen de vijand; in het kruis stroomt u de hemelse zoetheid toe, in het kruis ligt de kracht van de geest, in het kruis de blijdschap van het hart; in het kruis de hoogste deugd, in het kruis het eindpunt van de heiligheid. Neem dus uw kruis op en volg Jezus en gij zult het eeuwig leven binnengaan.
Hij is ons voorgegaan, zwaar beladen met zijn eigen kruis, en Hij is op dat kruis voor ons gestorven; Hij wilde dat ook gij uw kruis zoudt willen dragen en verlangen daaraan te mogen sterven. Want als gij nu met Hem gestorven zijt, zult ge ook met Hem leven, en als deelgenoot in zijn schande zult gij eenmaal ook delen in zijn heerlijkheid.
Zie, in het kruis vindt alles zijn grondslag en in het sterven is alles gelegen; er is geen andere weg tot het leven en tot de ware innerlijke vrede, behalve de weg van het heilig kruis en van de dagelijkse versterving. Ga waar ge wilt, zoek wat ge maar wenst, maar gij zult in de hoogte geen verhevener weg, in de diepte geen veiliger weg vinden: alleen de weg van het heilig kruis en van de dagelijkse verloochening. Schik en regel alles volgens uw eigen wil en eigen idee, en gij zult alleen dit vinden dat gij altijd iets moet lijden, vrijwillig of tegen uw zin, en zo zult gij het kruis altijd ontmoeten. Want ófwel zult gij pijn voelen in uw lichaam óf inwendig kwelling naar de geest verduren.
Soms zal God u verlaten, dan weer zullen mensen u ergeren en wat nog meer is: dikwijls zult gij uzelf tot last zijn. Toch is er geen enkel middel, geen troost die u bevrijding of verlichting zal geven, maar zolang God het wil zult gij het moeten dragen. God wil immers dat gij ellende zonder troost leert ondergaan en u aldus volkomen aan Hem onderwerpt om nederiger te worden door wat gij lijdt. Niemand voelt zo hartelijk het lijden van Jezus mee als hij die het overkwam iets dergelijks te ondergaan.
En zo staat het kruis altijd voor u klaar en wacht u overal op. Gij kunt het niet ontvluchten, waar gij ook heen snelt; want waar gij ook terecht komt, gij neemt altijd uzelf mee en gij zult uzelf altijd vinden. Wend u naar boven, wend u naar beneden: wend u naar buiten of wend u naar binnen: bij dit alles zult gij het kruis aantreffen, en het is nodig dat gij overal het geduld bewaart, als gij de innerlijke vrede wilt bezitten en de eeuwige kroon verdienen.
Als gij het kruis van harte draagt, zal het kruis u dragen en u voeren naar het gewenste doel, waar namelijk alle lijden ophoudt, al zal dat niet hier op aarde zijn.
Draagt gij het onwillig, dan legt gij uzelf een last op en maakt gij het voor uzelf zwaarder en toch zult gij het moeten uithouden.
Wanneer gij één kruis afwerpt, vindt gij zonder enige twijfel een tweede en misschien een zwaarder. Meent gij te kunnen ontlopen wat geen sterveling ooit kon ontgaan? Wie van de heiligen is in de wereld zonder kruis of kwelling gebleven? Zelfs onze Heer Jezus Christus was immers niet één uur zonder de smart van zijn lijden zolang Hij leefde. De Christus moest lijden, zo zei Hij, en zo zijn heerlijkheid binnengaan.
En waarom zoekt gij dan een andere weg dan deze koninklijke weg die de weg is van het heilig kruis? Heel het leven van Christus was kruis en martelaarschap en gij zoekt voor uzelf rust en vreugde? Gij dwaalt, gij dwaalt als gij iets anders zoekt dan kwellingen te verduren, want dit hele leven is vol van ellende en rondom getekend door allerlei kruisen. En hoe hoger iemand in het geestelijk leven opgaat, des te zwaardere kruisen komt hij vaak tegen; want het verdriet om de ballingschap neemt altijd met de liefde toe.
Maar iemand zo herhaaldelijk getroffen, is toch niet geheel zonder troost en verkwikking: want hij ervaart dat de zegen in hoge mate toeneemt door het goed dragen van zijn kruis. Want nu hij zich daaraan onderwerpt met vrije wil, wordt alle last van kwelling omgevormd in vertrouwen op de troost van God. Hoe meer het lichaam door kwelling wordt gebroken, des te moediger wordt de geest uit kracht van de innerlijke genade.
Zo iemand gelooft dat hij God aangenamer is naarmate hij meer en zwaarder voor Hem heeft mogen lijden. Soms wil hij niet meer zonder smart of kwelling zijn, zózeer is hij door liefde voor druk en tegenwerking sterk geworden, omdat hij de gelijkvormigheid met Jezus kruis bemint. Dat kan geen mens uit eigen kracht, wel door de genade van Christus die zóveel in een zwakke mens tot stand kan brengen dat hij nu met vurige liefde wil wat hij eigenlijk haat en vlucht.
Het is de mens van natuur niet eigen het kruis te dragen, het lichaam te beheersen en in onderwerping dienstbaar te maken; zich van eerbewijzen af te keren, graag beledigingen te verduren, zichzelf gering te achten en graag gering geacht te worden, allerlei desillusie en daarmee verbonden schade te doorstaan en geen verlangen te hebben naar succes in deze wereld.
Als gij alleen naar uzelf ziet, zult gij daartoe volstrekt niet in staat zijn. Maar als gij op de Heer vertrouwt, zal u kracht uit de hemel worden gegeven en zullen wereld en vlees aan uw gezag onderworpen zijn. Gij zult zelfs voor de duivel niet bang zijn, als gij u wapent met het geloof en het teken draagt van Christus kruis. Wees daarom als een goed en trouw dienaar van Christus bereid om dapper het kruis te dragen van de Heer die uit liefde tot u gekruisigd is.
Houd u gereed om veel ellende en allerlei onaangename dingen in dit armzalige leven te verduren; want zo zal het u vergaan waar gij ook vertoeft, en zo zult gij het aantreffen waar gij u ook verschuilt. Het moet zo zijn en er is geen middel de ellende van rampen en verdriet te ontgaan dan ze geduldig te verdragen. Drink de kelk des Heren met liefde, als gij zijn vriend wilt zijn en deel wilt hebben met Hem. Laat aan God het troosten over: Hij zal zelf in die dingen handelen volgens zijn welbehagen
Maar gij moet zelf denken aan het dragen van de kwelling en daar uw grootste troost in vinden, want de droevige dingen van deze tijd, ook al moest gij ze alleen dragen, zijn niet te vergelijken met de toekomstige heerlijkheid die u wacht. Wanneer gij zover gekomen zult zijn dat leed u zoet en aangenaam is om Christus: geloof dan gerust dat het goed met u gaat, want gij hebt het paradijs op aarde gevonden.
Zolang het lijden u drukt en gij probeert het te ontvluchten, zolang gaat het niet goed met u en zal de angst en de kwelling u overal vervolgen. Als gij u richt op wat gij behoort te doen, namelijk op verdragen en uzelf versterven, zal het spoedig beter gaan en gij zult vrede vinden.
Al zoudt gij met St. Paulus tot de derde hemel verheven zijn, dan zijt gij daarom nog niet verzekerd tegen het verduren van wat u tegenstaat. Ik zal hem laten zien, zei Jezus, hoeveel hij voor mijn naam zal moeten lijden. Lijden blijft dus voor u weggelegd, als gij Jezus wilt beminnen en Hem voor altijd dienen.
Mocht gij waardig zijn iets voor Jezus naam te lijden! Wat zou u dat een grote heerlijkheid opleveren, wat een jubelende blijdschap voor alle heiligen Gods, wat een opbouwende kracht voor uw evenmens. Want het geduld prijzen allen wel aan, maar slechts weinigen willen iets verduren. Terecht moest gij van harte iets voor Jezus willen lijden, want velen ondergaan wel erger dingen voor de wereld.
Houd dit voor zeker: gij moet al stervend het leven door. En hoe meer de mens aan zichzelf afsterft, des te meer begint hij te leven voor God. Niemand is geschikt om het hemelse te vatten, behalve hij die berust in het dragen van wat hem zwaar valt. Niets is aangenamer voor God, niets beter voor uzelf in deze wereld dan graag iets lijden voor Jezus Christus.
Als gij moest kiezen zou uw keus eerder moeten uitgaan naar de rampspoed ter liefde van Hem dan naar verkwikking van veel troost, want gij zoudt dan meer op Christus lijken en meer de gestalte van alle heiligen aannemen. Want onze verdienste en de voortgang in onze status ligt niet in zaligheid en troost, maar meer in het incasseren van zware slagen en wederwaardigheden.
Denk toch eens na: als er iets beters was geweest en van groter nut voor de zaligheid van de mens dan het lijden, dan had Christus ons dat toch zeker met woord en voorbeeld duidelijk gemaakt. Maar zowel zijn leerlingen als allen die verlangen Hem te volgen, spoort Hij duidelijk aan het kruis te dragen als Hij zegt: Als iemand na Mij komen wil, moet hij zich verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen. Als we dan alles hebben doorgelezen en onderzocht, moet dit de eindconclusie zijn: dat wij door vele kwellingen moeten binnengaan in het rijk van God.
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
DE ZEVEN STEENEN IN BIRGITTAS KROON.
VIERDE BOEK, KAP. 124.
De heilige Agnes sprak tot de bruid en zeide: Kom, dochter, en neem de kroon op met zeven kostbare steenen, die voor u gemaakt is. Wat is de kroon anders, dan een bewijs van geduld, dat gesmeed is door droefheid en versierd door God.
De eerste steen van uw kroon is de jaspis. Dien steen zette hij in uw kroon, die smadelijk tot u zeide dat hij niet wist welke geest er uit u sprak en hij ried u aan liever te gaan spinnen, zooals andere vrouwen doen, dan te redetwisten over de Heilige Schrift, want evenals de jaspis het gezicht verscherpt en vreugde in het gemoed te weeg brengt, zoo ontsteekt God vreugde in de ziel door verdriet, verlicht het verstand met betrekking op geestelijke zaken en doodt de onbeteugelde driften van het lichaam.
De tweede steen is de saffier. Die wordt in uw kroon gezet door hem, die u prees in uw bijzijn, maar u lasterde achter uw rug. Want evenals de saffier blauw is als de hemel en het lichaam gezond houdt, zoo beproeft de boosheid der menschen den rechtvaardigen mensch en laat hem al zijn verlangen richten op het hemelsch goed en bewaart de kracht der ziel, zoodat hij niet hoovaardig wordt. De derde steen is de smaragd. Die is er in gezet door hem, die herhaald heeft wat gij volgens hem gezegd hebt, maar wat gij in waarheid evenmin gezegd als gedacht hebt. Want evenals de smaragd broos is en teer en toch fraai en groen, zoo verdwijnt ook de laster der menschen, maar versiert toch de ziel als belooning voor haar geduld.
De vierde steen is de echte parel. Die wordt er voor u ingezet door hem, die Gods vriend in uw bijzijn laakte, wat u meer verdroot dan wanneer hij u zelf berispt had, want evenals de parel wit is en schoon en het verdriet des harten lenigt, zoo wordt God door verdriet uit liefde de ziel binnen geleid en worden de kwellingen van gramschap en onverdraagzaamheid verstikt.
De vijfde steen is de topaas. Die wordt in uw kroon gezet door hem, die niettegenstaande hij bitter en hard tegen u sprak, toch door u gezegend werd. Want evenals de topaas goudkleurig is en reinheid en schoonheid bewaart, is niets schooner en behagelijker aan God dan dat de mensch hem die hem kwaad doet geen kwaad terug doet, maar liefheeft en bidt voor die hem haten. De zesde steen is de diamant. Die is er ingezet door hem, die u lichamelijk onrecht deed, wat gij toch geduldig verdroegt, zonder hem, die u onrecht deed, in opspraak te willen brengen. Want evenals de diamant barst noch breekt onder slagen, zoo behaagt het God, dat de mensch ter wille van God het onrecht vergeet, dat hem werd aangedaan en altjid denkt aan wat God verdragen heeft ter wille van den mensch.
De zevende steen is de karbonkel. Die is er ingezet door hem die u een valsch bericht bracht en zeide dat uw zoon Karl gestorven was, wat gij geduldig verdragen hebt, uw wil geheel overlatende aan dien van God. Want evenals de karbonkel schittert in het donker en het allerschoonste is in een ring, zoo is het ook met dengeen, die geduldig is als hij iets verliest, wat hem dierbaar is. God wekt hem op tot liefde voor Hem en laat hem schitteren als een kostbare steen voor het aanschijn der Heiligen. O! Dochter, blijf daarom standvastig, want er zijn nog andere steenen noodig om uw kroon te vergrooten, want Abraham en Job werden door beproevingen beter en meer bekend en beroemd en Johannes werd heiliger door het getuigen der waarheid.
Wordt vervolgd.
ALLE EER EN GLORIE.
Alle eer en alle glorie
geldt de luisterrijke Naam!
Viert de vrede die Hij heden
uitroept over ons bestaan.
Aangezicht vol van licht,
zie ons met ontferming aan!
Alle eer en alle glorie
geldt de Zoon, de erfgenaam!
Als de genade die ons toekomt
is Hij onze nieuwe naam.
Licht uit licht, vergezicht,
steek ons met uw stralen aan!
Alle eer en alle glorie
geldt de Geest, die leven doet,
die de eenheid in ons ademt,
vlam die ons vertrouwen voedt!
Levens zon, liefdesbron,
maak de tongen los voorgoed!
VERGEVING.
Niet Gods arm is te kort om ons te redden,
niet zijn oor is te doof om ons te horen.
Maar onze misdaden verduisteren het licht.
Wij plegen geweld, wij zaaien verwoesting,
de weg van de vrede kennen wij niet.
Wij wachten op licht, maar het blijft donker,
op het licht van de zon,
maar wij dolen in duisternis.
Als blinden tasten wij langs de wand,
als mensen die geen ogen hebben.
Wij struikelen op klaarlichte dag,
in de bloei van ons leven zijn wij als doden.
Scheur dan de wolken uiteen en kom,
zoals de morgenlicht het duister verdrijft.
Maak ons open voor U, de komende
en wees ons genadig.
Amen.
DICHTBIJ IS GOD.
Waarachtig en waar is al wat Hij zegt,
God is vol liefde in al wat Hij doet.
God is dichtbij voor wie dreigen te vallen,
die in verdrukking zijn, richt Hij weer op.
De ogen van allen zien uit naar U,
en Gij geeft ieder zijn eten op tijd.
Gij opent met liefde uw hart en hand,
de wensen van ieder die leeft, vervult Gij.
Dichtbij is God voor wie Hem roepen,
voor hen die van harte bidden tot Hem.
Wensen vervult Gij van die Hem vrezen,
Hij hoort hen roepen en verlost hen.
Wie in schaduw Gods mag wonen,
Wie in schaduw Gods mag wonen,
hij zal niet sterven in de dood.
Wie bij Hem zoekt naar onderkomen,
vindt eenmaal vrede als zijn brood.
God legt zijn vleugels van genade
beschermend om hem heen als vriend
en Hij verlost hem van het kwade,
opdat hij eens geluk zal zien.
Engelen zendt Hij alle dagen
Zij zullen hem op handen dragen
door een woestijn van hoop en pijn.
Geen vrees of onheil doet hem beven,
geen ziekte waar een mens van breekt.
Lengte van dagen zal God geven
rust aan een koele waterbeek
Hem zal de nacht niet overvallen;
zijn dagen houden eeuwig stand.
Duizenden doden kunnen vallen;
hij blijft geschreven in Gods hand.
God legt een schild op zijn getrouwen,
die leven van geloof alleen.
Hij zal een nieuwe hemel bouwen
van liefde om zijn tranen heen.
God Groet U, zuivere bloeme,
God Groet U, zuivere bloeme, Maria maged fijn
Gedoog dat ik U roeme, lof moet U altijd zijn !
Als gij niet waart geboren, o reine maged vrij,
Wij waren allen verloren, aan U beveel ik mij!
O roosken zonder doren, o violette zoet.
O bloemken blauw in't koren, weest mij, uw kinde goed!
Vol liefde en gestadig, ootmoedig zo zijt Gij:
Och, weest mij toch genadig; aan U beveel ik mij!
Maria, Lelie Reine, Gij zijt mijn toeverlaat,
zoals een klaar fonteiene, die nimmer stille staat,
Zo geeft Gij ons genade en staat uw dienaars bij:
Och, sta mij toch te stade; aan U beveel ik mij.
29-12-2010
AAN ALLEN EEN GEZEGENDE WOENSDAG TOEGEWENST.
N. ( M ).
La canzone di Benadette - Lourdes.
La canzone di Benadette - Lourdes.
De Beproeving van Sint-Jozef .
De Beproeving van Sint-Jozef
Omdat Jozef, de man van Maria, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij erover in stilte van haar te scheiden. Juist omdat hij rechtschapen was, wilde Sint-Jozef Maria niet beschuldigen. Zou hij werkelijk rechtschapen zijn geweest, als hij een overspel verborgen zou hebben gehouden? En kon hij rechtschapen heten als hij haar, van wier onschuld hij overtuigd was, zou veroordelen? Dus omdat hij rechtschapen was en Maria niet aan de schande wilde prijsgeven, verkoos hij in het geheim van haar weg te gaan.
Waarom wilde hij van haar scheiden? Luisteren we naar hetgeen de kerkvaders hierover zeggen. De reden die Jozef hiervoor heeft, is dezelfde die de H. Petrus aanvoerde toen hij de Heer smeekte van hem weg te gaan: Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens, dezelfde reden ook, die de honderdman had om Jezus verre te houden van zijn huis: Heer, ik ben niet waardig dat Gij komt onder mijn dak. Zo was het ook met Sint-Jozef, die zich onwaardig achtte en een zondaar en die bij zichzelf zei: "Hoe is dit mogelijk? Ik weet dat zij maagd is, want we hebben samen de gelofte afgelegd om onze maagdelijkheid en zuiverheid te bewaren en ik weet zeker, dat zij aan deze gelofte geenszins ontrouw zou willen zijn. Maar anderzijds stel ik vast, dat ze zwanger is en moeder zal worden. Hoe is het mogelijk, dat moederschap en maagdelijkheid samengaan en dat de maagdelijkheid het moederschap niet verhindert? O God, zou Zij dan die gelukzalige Maagd zijn, waarvan de profeten verzekeren dat Ze zal ontvangen en de Moeder zal worden van de Messias? Als dat zo is, hoe kan ik dan nog langer bij haar blijven, ik die zo onwaardig is! Het is beter, dat ik haar in het geheim verlaat vanwege mijn onwaardigheid en dat ik niet langer meer in haar gezelschap blijf. Zij is zo volmaakt en zo verheven, dat ik het niet verdien dat ze mij nog langer laat delen in haar intimiteit; haar buitengewone grootheid overweldigt mij en jaagt mij schrik aan." Met religieuze ontzetting stelde hij vast, dat Zij het teken droeg van een goddelijke aanwezigheid en daar hij dat mysterie niet kon doorgronden, wilde hij van haar scheiden. Vrees beving ook Petrus voor de grootheid van de Macht; vrees beving ook de honderdman voor de majesteit van Gods aanwezigheid. Een heel natuurlijke ontzetting maakte zich meester van Jozef, zoals van ieder mens, voor de onvoorstelbare waardigheid van dit buitengewone wonder, voor de diepte van dit mysterie en dat is de reden waarom hij in het geheim van haar wilde scheiden.
Mogen wij ons erover verbazen, dat Jozef zichzelf onwaardig achtte om met de Heilige Maagd samen te leven, als ons verteld wordt, dat zelfs de H. Elizabeth haar aanwezigheid slechts bevend en vol schroom kon verdragen? Luisteren we naar haar woorden: Waaraan heb ik het te danken, dat de Moeder van mijn Heer naar mij toekomt? En dit is de reden waarom de heilige Jozef haar wilde verlaten. Maar waarom in het geheim en niet openlijk? Om elke navraag naar de reden van deze scheiding te vermijden en om te ontsnappen aan de verplichting er rekenschap van af te moeten leggen. Wat had deze rechtschapen man moeten antwoorden aan een volk, dat weerspannig en twistziek was en geen vertrouwen betoonde? Als hij zijn overtuiging had uitgesproken en het bewijs had gegeven dat in hem gegroeid was omtrent Marias zuiverheid, zouden zijn wrede en ongelovige plaatsgenoten hem dan niet terstond uitgejouwd hebben en Maria gestenigd? Hoe zouden deze mensen hebben kunnen geloven in de Waarheid, toen deze nog stil in de moederschoot verbleef, terwijl ze later zijn woorden in de tempel minachtend hebben afgewezen? Wat zouden ze die nog onzichtbare Christus niet aangedaan hebben, zij die later hun heiligschennende handen aan Hem zouden slaan, niettegenstaande de schittering van zijn wonderen? Het is dus wel terecht, dat Jozef, die rechtschapen man, Maria in het geheim wilde verlaten om niet gedwongen te worden te liegen of een onschuldige in opspraak te brengen.
Voorbeeld in de Beproevingen
Hoewel alle Rechtvaardigen even rechtvaardig zijn is er niettemin een groot verschil in hun concrete daden van rechtvaardigheid.
Sommige Heiligen muntten uit in een bepaalde deugd, anderen in een andere deugd en dit in zodanige mate dat ze allen heilig zijn. Niettemin zijn ze zeer verschillend; er zijn evenveel verschillen in heiligheid als er Heiligen zijn.
Maar wat voor een Heilige is de Roemrijke Sint-Jozef! Hij is niet alleen Patriarch, maar de grootste der patriarchen. Hij is niet alleen een belijder, maar meer dan dat, want zijn belijdenis omvat de waardigheid van de bisschoppen, de edelmoedigheid van de martelaren en van alle andere Heiligen.
En onder de deugden, die Sint-Jozef in hoge mate bezat, herkent men moed, volharding, standvastigheid en kracht. Er is evenwel veel verschil tussen standvastigheid en volharding, tussen kracht en dapperheid. Wij noemen iemand standvastig die volhoudt, en die de aanvallen van zijn vijanden ondergaat zonder zich te verwonderen en zonder de moed te verliezen tijdens de strijd. De volharding echter bestaat voornamelijk uit een zekere innerlijke weerzin, die opkomt bij langdurige moeilijkheden en die de machtigste vijand is die men maar kan tegenkomen. Volharding nu maakt dat men deze vijand veracht en uiteindelijk overwint door een voortdurende standvastigheid en onderworpenheid aan Gods Wil.
Kracht is dat wat de mens stevig weerstand doet bieden tegen de aanvallen van zijn vijanden. Dapperheid echter is een deugd, die maakt dat men niet alleen bereid is om te strijden of weerstand te bieden wanneer dat nodig is, maar dat men de vijand ook aanvalt, zelfs wanneer hij zich stil houdt.
Welnu, Sint-Jozef bezat al deze deugden en beoefende ze op een bewonderenswaardige wijze. Wat zijn standvastigheid aangaat: hoezeer gaf hij daarvan blijk, toen hij bemerkte dat de Heilige Maagd een kind verwachtte en niet wist hoe dat mogelijk was. "Mijn God! Wat een ontsteltenis! Wat een geestelijk lijden moet hij gekend hebben!" Toch klaagde hij niet, was hij niet onvriendelijk voor zijn vrouw en behandelde haar daarom niet onheus, maar bleef hij even zacht en vol eerbied. Maar wat een dapperheid en kracht blijken uit de overwinning die hij behaalde op de twee grootste vijanden van de mens: de duivel en de wereld! En dat door zijn volmaakte nederigheid, die wij tijdens zijn hele leven hebben opgemerkt.
En dan zijn volharding! Volharding is strijden tegen innerlijke vijanden als lijden en alle verwerpelijke, vernederende, pijnlijke dingen en tegenslagen of ongelukken die ons treffen. Hoezeer werd Sint-Jozef beproefd door God en de mensen!
De Geheimen van Sint-Jozef
De geheimen van Sint-Jozef treden aan het licht gedurende Jezus kinderjaren en stijgen op ten hemel als een wolk van wierook. De heilige Jozef hoort helemaal thuis in deze periode van Jezus leven. Daarbuiten weten we niets van hem. Het lijkt alsof God hem uitsluitend voor deze periode had geschapen en getooid met zulk een bewonderenswaardige heiligheid en dat hierin de enige taak besloten lag, die hem was toebedeeld. Jezus Lijden blijft hem geheel en al bespaard. Het werpt op hem zelfs zijn schaduwen niet vooruit, zoals op de Moeder van Smarten. Zelfs nog vóórdat Jezus het heilig huis van Nazareth had verlaten om zijn openbaar dienstwerk uit te oefenen, had Jozef zich gevoegd bij zijn Vaderen in het graf. Verteerd door de vlam van de goddelijke liefde was hij gestorven in een zoete extase, leunend tegen de borst van Jezus en met Maria aan zijn zijde, kortom: in het bijzijn van het mooiste, het heiligste, het hoogst verhevene op aarde.
Zijn kinderjaren liggen verborgen in de duisternis van het verleden. Maar wie kan er aan twijfelen, dat alles zodanig beschikt was, dat het een passende voorbereiding zou zijn op de hoge waardigheid die God hem zou verlenen? Wie kan er aan twijfelen, dat alles erop gericht was om hem te vormen en hem de wijding te geven, die passend is voor de voedstervader van het Vleesgeworden Woord? Aangezien we Jozef uitsluitend kennen uit de kinderjaren van Jezus, zal het niemand verbazen, dat de aard van de devotie tot Hem dezelfde is als die van de devotie tot de H. Kindsheid, zij het dat hij in deze laatste nóg tastbaarder voor ons wordt.
Allereerst is het door toedoen van Sint-Jozef, dat wij aanwezig zijn in de stal van Bethlehem, in de verblijfplaats in Egypte en in het huisje van Nazareth. Heel deze intimiteit en vertrouwelijkheid, waardoor de Verlosser als kind zich verwaardigt ons door zijn Menswording een recht en een aanspraak te geven, al deze kleine diensten die Hij door onze liefde en toewijding genegen is te ontvangen, heel deze vreugde en deze gemoedsrust die de aanblik van zijn kinderlijke zwakheid in ons hart verspreidt; kortom, heel deze houding van aanbidding vermengd met heilige vrees die de aanwezigheid van zijn godheid bij ons oproept, al deze zaken: Jozef is er om ze in ontvangst te nemen of te schenken, om ze aan te voelen of om ze te laten zien, en wel, in onze naam. Hij is er als vertegenwoordiger van alle komende generaties van gelovigen, vooral van hen wier harten krachtens een bijzondere aantrekking ertoe neigen zich te richten op de vroegste geheimen van Jezus.....
Sint-Jozef is in Bethlehem, in Egypte, in de woestijn en in Nazareth als de schaduw van de Eeuwige Vader. Dat maakt zijn sublieme waardigheid uit. Het enige en voor altijd gezegende vaderschap van God wordt hem verleend op zinnebeeldige wijze. Hij is de voedstervader van Jezus, in de ogen van de wereld echter gaat hij door voor zijn werkelijke vader. Hij oefent er het gezag van uit en vervult jegens Hem alle plichten van vaderlijke genegenheid en liefderijke zorg. Nog beter gezegd: in zijn menselijke natuur is Onze Heer ondergeschikt aan Sint-Jozef, Hij die in zijn goddelijke natuur nimmer ondergeschikt kan zijn aan de Eeuwige Vader.
De onuitsprekelijke schatten van God Jezus en Maria worden toevertrouwd aan de hoede van Sint-Jozef; ook hijzelf is een schat, terwijl hij tegelijkertijd de behoeder is van Gods schatten. Hij neemt een plaats in het plan van de Verlossing. Gelijk Jezus en Maria heeft ook hij zijn voorafbeeldingen, zijn voorlopers en zijn profeten in het Oude Testament. Hij verleent aan God zijn medewerking teneinde het geheim van de Menswording verborgen te houden; in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de eeuwige Vader brengt hij ons voortdurend, door zijn dienstwerk aan het heilig Kind, diens Goddelijkheid in herinnering. Door de functie die hij vervult, voorkomt hij dat wij vergeten, dat Jezus waarlijk God is en Zoon van de ware God. Terwijl hij ons de zoetste omgang met Jezus leert, leert hij ons tezelfdertijd het diepste respect voor Hem. Aan de ene kant moedigt hij ons aan tot Jezus te naderen en Hem de voeten te kussen; aan de andere kant schrijft hij ons voor op de knieën te vallen en met grote eerbied de eeuwige Pasgeborene te aanbidden.
------------------------------------------
Ook Sint-Jozef verscheen in Fatima
Even terug in de tijd...... 1917. Enkele maanden voordat in Rusland de communistische revolutie begon, verscheen aan de andere kant van Europa de Moeder Gods aan drie herderskinderen op elke dertiende van de maand vanaf mei tot en met oktober. Op dertien oktober maakte Maria zich bekend als Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans.
"Ik ben gekomen om de gelovigen aan te sporen hun leven te veranderen en Onze Lieve Heer niet meer door de zonde te bedroeven. Ik vraag, dat men de Rozenkrans bidt en ik verlang hier op deze plaats een kapel."
Maria spreidde haar handen weer open en terwijl ze hemelwaarts steeg, kreeg Lucia de indruk, dat ze naar de zon wees. Daarom riep het meisje: "Kijk naar de zon!" De tienduizenden stonden in de modder, doorweekt van de hele morgen in de motregen te staan. Inderdaad brak de zon door de wolken. Ze leek op een zilveren schijf. Ze werd als een rad van vuur en begon rond haar eigen as te draaien met duizelingwekkende snelheid. Ze veranderde voortdurend van kleur en wekte soms de indruk, dat ze op de aarde zou neerstorten. Tot driemaal toe hernam ze haar fantastische dans in de ruimte, terwijl tienduizenden ademloos toekeken. Velen vielen op hun knieën om het Credo te bidden. "Ik geloof in God de almachtige Vader......"
Om ons te tonen, dat zij haar bruidegom, Sint-Jozef, niet vergeet nu zij in de Hemel is, wenste Onze-Lieve-Vrouw, dat hij bij de laatste verschijning zichtbaar aan haar zijde was en ook Onze Heer Jezus Christus. De Heilige Familie op aarde bestaat ook in het Paradijs.
Na het verdwijnen van Onze-Lieve-Vrouw, verhaalt Lucia:
"Wij zagen naast de zon de heilige Jozef met het Kind Jezus in de armen en Maria in het wit gekleed met een blauwe mantel. De verschijning vertoonde zich niet ter hoogte van de groene eik, maar in de lucht naast de zon en gedurende de gehele tijdsduur van het zonnewonder. Ik zag Sint-Jozef en het Kind Jezus, naast Onze-Lieve-Vrouw. Het Kindje Jezus lag in de armen van Sint-Jozef en was nog zeer klein, ongeveer een jaar oud. Beiden waren gekleed in een licht rood kleed."
De heilige Jozef en het Kind leken met een handgebaar in de vorm van een kruis de wereld te zegenen. Kort daarna, toen deze verschijning weg was, zag ik Onze Lieve Heer, zoals voordien Sint-Jozef, met hetzelfde handgebaar de wereld zegenen.
Ook deze verschijning verdween en opnieuw kreeg ik Maria te zien, ditmaal dacht ik dat zij geleek op de Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Carmel.
Brief door een diep christelijke moeder geschreven
Ik hou zeer veel van Sint-Jozef, daarom verheugt het mij u een gebeurtenis, die bij ons plaats vond, mede te delen. Misschien zal het u tamelijk onbeduidend schijnen, toch meen ik het te moeten vertellen.
Mijn zoontje van nauwelijks vijf jaar oud, draagt de mooie naam van Jozef en vertrouwt zijn beschermheilige ten zeerste. Onlangs zag ik mijn lief kind een prachtig boeket voor het beeld van Sint-Jozef plaatsen en gelijktijdig knielen en zijn geldbeugel wijd open voor hem houden. Ik vermoedde wel dat dit een verzoek voor geld moest zijn en nam mij voor zijn zuiver geloof te belonen.
Maar ja, door iets anders afgeleid was ik mijn kleine Jozef en zijn beurs helemaal vergeten.
s Avonds tijdens mijn gebed, precies op het ogenblik dat ik de engelachtige Echtgenoot van Maria aanriep, vielen mijn ogen op de open geldbeugel van mijn zoontje die voor het beeld van Sint-Jozef lag. Onmiddellijk stond ik op en stak er wat geld in.
O! Merkwaardige bezorgdheid van de Voorzienigheid!
O! Ontroerende minzaamheid van Sint-Jozef! Zonder het te weten had ik juist het gevraagde bedrag in de beurs van het kind gestoken. Ik kon mij van deze werkelijkheid overtuigen want de volgende dag kocht hij de twee speelballen die hij al zolang had willen hebben.
Ik denk dat Sint-Jozef gaarne de naastenliefde van het kind heeft willen belonen, want meermaals had hij deze som bijeengebracht, doch altijd liever aan de armen gegeven daar hij hulp verlenen verkoos boven zijn eigen vermaak, ondanks dat hij er zoveel zin in had.
-----------------------------------------------
De genezing van Filomena
Een jong meisje, Filomena genaamd, negentien jaar oud, lag ziek te bed sedert 5 september 1867.
Een kwaadaardige ziekte sloopte haar krachten, elke beweging veroorzaakte een ondraaglijke pijn en haar maag kon zelfs geen lepel bouillon meer verdragen. God was de enige toevlucht, die restte. Allen, die de jonge zieke bezochten, baden Hem medelijden te hebben met haar, zoveel ellende en gelatenheid te belonen door een einde te maken aan haar marteling en deze jonge ziel te roepen tot de onuitsprekelijke vreugden van de Hemel.
Zo was op 28 februari haar toestand, toen ze van een klooster zuster, haar vroegere overste een brief ontving, waarin deze erop aandrong de moed niet te verliezen en de 10e van de volgende maand een novene te beginnen tot de heilige Jozef, een novene die moest eindigen op de dag van het feest van deze grote Patriarch. Het vertrouwen van de overste was zo groot dat de brief sloot met deze woorden: "Ik heb een zo vast vertrouwen in de heilige Jozef dat ik zeg: Tot weerziens de 19e, ik hoop dat ik, na God, uw bezoek mag ontvangen. Ons huis staat onder de bescherming van de heilige Jozef." Deze hoop werd gedeeld door de zieke, die met zekerheid haar genezing aankondigde op de 19e.
Gedurende de novene verergerde de ziekte alleen maar. De 17e leed het meisje de hevigste pijnen; maar de 18e verdwenen deze nagenoeg. De 19e had ze het geluk de Heilige Communie te mogen ontvangen en enkele minuten later stond ze opeens op en wierp zich op de knieën voor een afbeelding van de heilige Jozef, die op enkele passen afstand op een tafel stond.
De genezing was volledig en ogenblikkelijk. Alle ziektesymptomen waren verdwenen, alle zonder één enkele uitzondering, en de zo verzwakte maag hield het voedsel in en verteerde wat men haar opdiende. Dank zij gebracht aan de heilige Jozef!
De Echtgenoot van Onze-Lieve-Vrouw
Ga in uw geest het huisje van Maria binnen. Maria, de zeer reine Maagd, het levend voorbeeld voor alle andere maagden. Zie de Engel die tot haar spreekt in de beslotenheid van haar kamertje. Hij brengt haar een boodschap van Godswege. De Maagd bloost en is ontroerd. De Evangelist Lucas schrijft: Zij schrok van dat woord en vroeg zich af.......
Hoe? Maria is ontsteld in tegenwoordigheid van een bewoner van de Hemel: wie zal dan zo gelukkig zijn om zulk een nederigheid niet af te schrikken?
Die gelukkige is Jozef.
Maria aanvaardt hem als Echtgenoot. Voortaan is hij bij haar én thuis, én op hun reizen, én in de eenzaamheid. Het is niet alleen zo, dat zijn aanwezigheid haar niet in verwarring brengt, maar zij maakt er ook geen enkel bezwaar tegen om hem tot Echtgenoot te nemen. Het lijkt verbazingwekkend; ze bloost bij de aanwezigheid van de Engel en ze aanvaardt zonder aarzelen het gezelschap van een man!
Om in deze omstandigheden te zeggen, dat Maria zichzelf onderschatte, zou heiligschennis zijn...... Men moet dus zeggen dat Jozef voor haar méér was dan een Engel.
Dat Sint-Jozef inderdaad boven alle Engelen verheven is, blijkt duidelijk uit de vele boodschappen die hij door hun tussenkomst ontving. De Engelen waren dus boodschappers en dienaars van Sint-Jozef......
Na God is de heilige Jozef het eerste voorwerp van de liefde van zijn zeer heilige Echtgenote, en hij heeft de eerste plaats in haar hart; want, omdat Maria volledig toebehoort aan de heilige Jozef, zoals de echtgenote toebehoort aan haar echtgenoot, zo behoorde het hart van Maria toe aan Jozef. Niet alleen behoorde het hem toe, maar indien er van de eerste christenen kan gezegd worden dat zij slechts één van hart en één van ziel waren, met hoeveel meer recht kan men van de gelukzalige Maagd en van haar heilige Echtgenoot zeggen, dat zij slechts één van Hart en één van ziel waren, door de tedere band van tederheid en liefde.
Het staat dus vast dat Jozef één van hart is met Maria, en bijgevolg kunnen wij zeggen dat, omdat Maria slechts één van hart is met Jezus, Jozef slechts één van Hart is met Jezus en Maria.
Zodoende, gelijk er in de aanbiddelijke Drievuldigheid van Vader, Zoon en Heilige Geest drie personen zijn die slechts één hart hebben, zo zijn er in de Drievuldigheid van Jezus, Maria en Jozef drie harten die slechts één Hart zijn.
Gezegend zijt gij, o zeer beminnelijk Hart van Maria, voor al de blijken van genegenheid die U hebt voor deze grote heilige! Gezegend zij voor altijd Uw edel hart, o heilige Jozef, voor al de liefde die het opbracht en eeuwig zal opbrengen voor Jezus en voor Maria, voor al de zorgen die het gehad heeft om te voorzien in de noden van de Zoon en de Moeder, en voor al de smarten en angsten die het geleden heeft bij het zien van hun lijden, en de smaad en de slechte behandeling die het hen heeft zien ondergaan vanwege de ondankbare mensen! O grote Heilige, wij bieden U onze harten aan; verenig ze met het uwe, en met dat van Jezus en Maria, hen smekend te zorgen dat deze vereniging onverbrekelijk en eeuwig zou zijn.
Wij weten bijna niets over het leven van Sint-Jozef. Een schrijver uit de Oudheid heeft zelf wel eens opgemerkt, dat in de evangelieteksten niet één van zijn woorden is te vinden. Misschien dat de aandacht van de evangelisten geheel in beslag werd genomen door al het wonderbare, dat ze over de Verlosser van de wereld moesten optekenen en zich niet kon uitstrekken tot andere zaken. Misschien heeft de Heilige Geest gewild, dat dit stilzwijgen ons in zekere zin een indruk zou geven van de belangrijkste karaktertrekken van Sint-Jozef: zijn nederigheid, zijn liefde voor de eenzaamheid en het verborgen leven. Wat het ook is, deze eenvoudige schets van Sint-Jozef kan ons slechts in een geringe mate schadeloos stellen voor wat een zeer gedetailleerde beschrijving van het leven van deze grote Heilige zou hebben weergegeven. Ontroerende voorbeelden zijn voor altijd verloren gegaan. Voortreffelijke leefregels zijn voor eeuwig begraven in de vergetelheid. Zij, die in de echt zijn verbonden, zouden dit gemis het meest betreuren vanuit hun eigen belang doch niet vanuit dat van Sint-Jozef. Wanneer de Heilige Schrift slechts dit ene woord Vir Mariae hij was de bruidegom van Maria, over Hem had vermeld, dan zou zij ons al voldoende hebben gezegd over de uitzonderlijke heiligheid van Sint-Jozef en voldoende stof hebben gegeven aan christelijke redenaarstalenten.
Zonder mij te beklagen over de beperktheid van mijn onderwerp, moet ik zelf wel toegeven dat deze twee woorden voor mij een zó ruime betekenis inhouden, dat ik daardoor overweldigd ben en ook door de omvangrijkheid en de uitmuntendheid van zaken, die deze woorden uitdrukken. Als ik de omvangrijke betekenis ervan zou kunnen weergeven, dan is het nog te betwijfelen of een volledige lofrede over deze onvergelijkelijke Echtgenoot mogelijk zou zijn. Omdat ik u alleen op deze wijze tevreden kan stellen, kan ik volgens mijn overtuiging niets anders doen dan mij tot de Heilige Maagd te wenden. Ik vertrouw erop dat zij belang stelt in de glorie van Sint-Jozef, die door zijn heilige banden zich zo geliefd heeft gemaakt. Ik hoop, dat zij voor u de genade van inzicht moge verkrijgen, die de zwakheid van mijn woorden en gedachten zal aanvullen. Zelfs indien er geen redenen bestaan om de lof van Sint-Jozef te bezingen, zou men het zeker moeten doen door het verlangen om Maria te behagen.
Het is aan geen twijfel onderhevig, dat Maria sterk deelt in de verering van deze Heilige en dat zijzelf voelt, dat deze ook op haar afstraalt. Dit afgezien van het feit, dat zij hem erkent als haar ware Echtgenoot en dat zij in die hoedanigheid altijd voor hem alle gevoelens heeft gehad, die een deugdzame vrouw moet hebben voor degene met wie de Heer haar zo hecht heeft verbonden. Een diepe erkentelijkheid moet haar hebben bezield ten opzichte van haar heilige Bruidegom, door zijn gezag en de eerbiediging van haar maagdelijke zuiverheid. Die erkentelijkheid was zo groot, dat de liefde die zij had voor die deugd bijgevolg niet groter kon zijn dan haar ijver voor de glorie van de heilige Jozef.
Men zou Sint-Jozef moeten vereren, al was er geen enkele andere reden dan het feit dat hij de Echtgenoot was van Maria. Ik herhaal dat men het zou doen, zelfs al viel er niets anders van hem te vertellen dan dat hij de Echtgenoot was van Maria.
Het ganse leven van Sint-Jozef kan men in tweeën delen: het eerste deel was zijn leven dat zijn huwelijk voorafging; het tweede deel volgde na zijn huwelijk. We weten absoluut niets van het eerste deel, en slechts zeer weinig van het tweede deel.
Het eerste deel was zeker heilig omdat het bekroond werd met een zo bevoorrecht huwelijk. Het tweede deel was zeker nóg heiliger omdat alles gebeurde binnen dit huwelijk. Ik wil daarmee zeggen dat dit glorierijk verbond de vrucht was van de hoge graad van heiligheid, die Sint-Jozef reeds bereikt had en dat dit de oorzaak was van een nóg grotere heiligheid waartoe hij sindsdien werd verheven.
Ik zal niet proberen u alle vooruitgang te laten inzien die hij maakte in de heiligheid gedurende de dertigjarige periode dat hij leefde met de allerheiligste onder alle vrouwen: daartoe zou men u heel wat dingen moeten doen begrijpen die het menselijk verstand te boven gaan. Maar om u te helpen om enig beeld te vormen van de voordelen die hij kreeg van een zo heilig gezelschap, zonder u iets te zeggen dat uw voorstellingsvermogen te boven gaat, lijkt het me dat het volstaat u heel kort attent te maken op het voorbeeld van Maria, haar ijver en haar invloed bij God. Deze hebben voortdurend de heiliging van haar Echtgenoot bevorderd.
Ik zou te lang uitweiden, indien ik hier nader zou ingaan op de kracht van het goede voorbeeld en handelen. Over het geheime vermogen dat de heiligheid heeft om door te dringen in de geest en zelfs overgenomen te worden in de gewoonten van hen die omgaan met edele mensen. Het is zeker dat men zich in zekere zin veranderd voelt en als doordrongen met de geur van zijn godsvrucht, zelfs na een contact van een uur met iemand die vervuld is van Gods geest. De H. Johannes Chrysostomus zegt, dat als in zijn tijd een man slechts één dag had doorgebracht bij de Heiligen, die in de eenzaamheid leefden en ook al had hij hen alleen maar uit louter nieuwsgierigheid bezocht, zijn vrouw, zijn bedienden en al zijn vrienden toch bij zijn terugkeer konden merken, dat hij uit de woestijn terugkwam en in het gezelschap had verkeerd van deze aardse Engelen.
Als dat zo is, welk voordeel heeft Sint-Jozef dan wel gehad van zovele jaren dat hij praktisch voortdurend gesprekken had met de Heilige Maagd? Alleen al de aanwezigheid van een zo ingetogen, zo nederige, zo heilige persoon als zij, alleen al het zien van een zo volmaakt en zo uitstekend voorbeeld kon toch niet anders dan aansporen tot een grote liefde voor allerlei deugden en een brandende liefde om ze te verwerven? Beeld u eens in, indien mogelijk, van hoeveel grote voorbeelden Sint-Jozef de enige getuige was en welke indruk deze voorbeelden moesten maken op zijn ziel.
Ik twijfel er geenszins aan, dat zelfs de stilte van Maria buitengewoon leerzaam was en dat het zelfs voldoende was haar te bezien om zich aangespoord te voelen om God te beminnen en heel de rest te verachten. Maar wat moeten de gesprekken wel geweest zijn met een ziel waar de Heilige Geest woonde, waar God de volheid van Zijn genaden had geschonken, die meer liefde bezat dan alle serafijnen tezamen! Met welk vuur sprak zij als ze haar mond opende om de gevoelens van haar hart te uiten! Welke koude, welk ijs zou dit vuur niet hebben doen smelten! Maar welke uitwerking had dit op Sint-Jozef die reeds zon gemoedstoestand had om zo in liefde te ontbranden! Het enige denkbeeld, dat men in zichzelf kan vormen over de geheime gesprekken, die zij zo dikwijls samen hadden, over de geheimen die zich voor hun ogen voltrokken en op de genaden die ze alle dagen ontvingen, dit beeld alleen al is sprekend en draagt bij, dunkt me, tot ingetogenheid en vurigheid. Maar wie kan zich inbeelden welk resultaat deze gesprekken zelf hadden voor hem aan wie Maria haar bewonderenswaardige kennis meedeelde!
De Heiligen zetten aan tot heiligheid, zelfs onopzettelijk. Het werkt aanstekelijk, als ik zo mag zeggen, en het deelt zich mee zonder dat men eraan denkt. Door zijn samenleven met Maria zou Jozef zo een buitengewone vooruitgang gemaakt hebben, zelfs al zou ze er zich niet op toegelegd hebben hem steeds volmaakter te maken. Het is wel zeker dat ze meer ijver aan de dag legde dan alle apostelen, en dat zij indien haar geslacht dit betaamd had uit de afzondering zou zijn getreden en geheel alleen de wereld zou hebben doorkruist en bekeerd. Deze grote ijver richtte zich echter gedurende haar hele huwelijksleven op de heiliging van haar Echtgenoot. De rangorde van de barmhartigheid eiste van haar, dat hij als eerste in aanmerking kwam en gedurende al die tijd was hij het enige onderwerp. Dit grote vuur, bij machte geheel de aarde te ontsteken, had slechts het hart van Jozef te verwarmen en te verteren gedurende zovele jaren. Denkt u, dat ze dit vuur nutteloos heeft onderhouden en aangewakkerd? Sint-Gregorius van Nazianze, die sprak over de ijver van de H. Gorgone om haar echtgenoot te bekeren, verhaalt dat deze des te groter was omdat het haar toescheen dat slechts de helft van haar hart God beminde zolang haar man nog in de heidense duisternis vertoefde. Als Maria hetzelfde gedacht heeft, als ze meende dat het hart van Jozef een deel van het hare was, welke zorg moet ze dan niet gehad hebben om het te ontsteken in liefde voor God! Ik twijfel er niet aan of ze heeft gewenst hem even intens te bezielen als ze zelf was, en dat ze zonder ophouden eraan heeft gewerkt, en dit met al de vurigheid die men kon verwachten van de ijverigste van alle schepselen. Geloof echter niet, dat ze in haar ijver haar plaats heeft vergeten en dat ze haar plichten verwaarloosde tegenover hem, die ze als haar heer en meester erkende. Alhoewel de volmaakte eenheid die tussen hen heerste hem de vrije hand gaf, alhoewel Jozef die haar verdiensten kende voor haar alle eerbied en al de verering had die hij verschuldigd was aan de Moeder van zijn God, toch is het zeker dat hij nooit enig voordeel trok uit de inschikkelijkheid en eerbied die hij voor haar had, en zij nam nooit de toon of de houding van een geleerde aan om hem deelgenoot te maken van de grote kennis, die zij had van geestelijke zaken. Deze grote ijver ging gepaard met een eenvoud en een nederigheid die deze nog doeltreffender maakte. Al vragende onderwees zij, al handelend moedigde zij aan; ze overtuigde door te tonen, dat ze zelf overtuigd was. Het was veel voor een ziel, zo goed voorbereid als die van Sint-Jozef; het was veel voor een man, die vurig de volmaaktheid wenste, die slechts vroeg te groeien, vooruitgang te boeken, die alle daden gadesloeg, die al de woorden van Maria opving, ze zonder ophouden bestudeerde en niets uit het oog verloor om de schatten te ontdekken, die zij zo vurig wenste te delen met hem......
(Sint-Claude de la Colombière)
De vlucht naar Egypte
Toen Herodes door de drie Wijzen op de hoogte was gebracht dat de Koning der Joden zojuist geboren was, gaf deze barbaarse heerser opdracht alle kinderen in de omgeving van Bethlehem te doden. Daar God voor het ogenblik zijn Zoon van de dood wilde vrijwaren, zond Hij een Engel naar Jozef om deze te waarschuwen dat hij met het Kindje Jezus en zijn Moeder naar Egypte moest vluchten.
Let hier op de onmiddellijke gehoorzaamheid van Jozef. Hij voerde aanstonds het bevel uit, alhoewel hij niet wist waar naartoe, noch het tijdstip van vertrek en hoe de reis verder zou verlopen. Zo deelde hij dadelijk de boodschap van de Engel aan Maria mede.
Alleen, zonder gids, begaven zij zich op weg naar Egypte, een reis van zevenhonderd kilometer door de bergen, langs ruwe wegen en door uitgestrekte woestijnen.
Hoe moet Jozef niet geleden hebben toen hij zijn geliefde Echtgenote, die niet gewoon was zoveel te lopen, aankeek terwijl zij in haar armen hun geliefd Kind droeg dat zij al vluchtend aan elkaar gaven! Ook konden zij voortdurend geconfronteerd worden met de soldaten van Herodes, en dit alles bij guur winterweer, wind en sneeuw! Hoe moesten ze zich anders voeden tijdens de reis, dan met wat brood dat ze van huis hadden meegenomen of van een aalmoes die ze onderweg hadden gekregen!
Waar konden zij zich s nachts te ruste leggen, tenzij in een schamele hut of in het open veld onder de blote hemel of hoogstens onder een of andere boom? Jozef legde zich geheel neer bij de Wil van de Eeuwige Vader, die wilde dat zijn Zoon vanaf zijn kindsheid al zou lijden om voor de zonden van de mensen te boeten; maar het teder en liefdevol hart van Jozef kon niet anders dan een levendige smart voelen als hij Jezus hoorde wenen van de kou en van andere ongemakken die het Kind onderging.
Bedenk tenslotte hoezeer Jozef heeft moeten lijden gedurende het zevenjarig verblijf in Egypte, te midden van een heidense, barbaarse en vreemde natie, daar hij noch verwanten noch vrienden had die hem konden bijstaan.
De Engel gebood hem onmiddellijk te vertrekken en Onze-Lieve-Vrouw en zijn dierbare Zoon naar Egypte te brengen.
Hij vraagt zich niet af: "Waar moet ik heen? Welke weg zal ik nemen? Waarmee zullen wij ons voeden? Wie zal ons daar ontvangen?" Met zijn gereedschap op de rug vertrekt hij en hij zal het brood verdienen voor zijn gezin in het zweet des aanschijns. Hoe zwaar moest dit alles hem niet vallen, omdat de Engel hem niet had laten weten hoe lang hij in Egypte zou moeten verblijven. Hij verbleef er lange tijd, zonder naar zijn terugkeer te vragen, ervan verzekerd dat degene die hem opgedragen had naar Egypte te gaan, hem opnieuw zou gebieden als hij zou moeten terugkeren; en steeds was hij bereid hierop in te gaan. Hij bevond zich niet alleen in een vreemd land, maar ook in een land dat vijandig gezind was jegens de Israëlieten; des te meer daar de Egyptenaren nog steeds de gevolgen van hun vertrek ondergingen en van het verlies, door hun schuld, van een groot gedeelte van de Egyptische strijdmacht dat bij de achtervolging werd overspoeld.
U kunt zich wel voorstellen hoezeer de heilige Jozef verlangde om terug te keren wegens zijn voortdurende vrees ten opzichte van de Egyptenaren die hij ondervond. Het verdriet niet te weten wanneer hij uit dit land zou wegtrekken, moest zijn arm hart wel zeer bedroeven en kwellen; niettemin bleef hij steeds zichzelf, altijd zacht, rustig en volhardend in zijn onderwerping aan Gods Wil, door wie hij zich volledig liet leiden; want, daar van hem gezegd wordt dat hij rechtschapen was, was zijn wil steeds afgestemd op die van God, en ten nauwste hiermede verbonden en in overeenstemming.
Rechtvaardig zijn is niets anders dan te leven in een volmaakte eenheid met de Wil van God, steeds hiernaar te handelen, bij allerlei gebeurtenissen, zowel in voor- als in tegenspoed. Er valt niet aan te twijfelen dat de heilige Jozef altijd volmaakt ondergeschikt is geweest aan de Goddelijke Wil. En ziet u het niet? Kijk hoe de Engel hem in alle richtingen wendt. Hij zegt hem naar Egypte te gaan, hij gaat erheen; hij gebiedt dat hij moet terugkeren, hij keert terug.
De Onderdanigheid aan de Wil van God
Jozef stond terstond op en gehoor gevend aan de opdracht die hij had gekregen, nam hij in dit nachtelijk uur het Kind en Zijn Moeder en vluchtte naar Egypte. Overweeg de gehoorzaamheid van deze rechtvaardige en maak het voornemen hem na te volgen, want deze gehoorzaamheid bevat de vier stadia die naar de volmaaktheid van deze deugd leiden.
Jozef gehoorzaamt in volledige berusting. Op het eerste woord van de engel aanvaardt hij zonder meer het Goddelijk bevel. Hij had de Heer er op kunnen wijzen, dat er eenvoudiger en gemakkelijker wegen zijn om Zijn Zoon in veiligheid te brengen; dat, indien vluchten noodzakelijk is, de Heer eerder zou kunnen bevelen naar Arabië of Samaria te gaan dan naar Egypte. Maar zelfs de gedachte aan een tegenwerping komt in dit rechtschapen hart niet op. Hij onderwerpt zich eerbiedig en zwijgt. De hemelse afgezant heeft zijn zending bij hem vervuld, Jozef is niet nieuwsgierig om er meer van te weten. Hij stelt hem dus geen enkele vraag en zo volgt hij letterlijk de raad op die de Heilige Geest ons geeft in het Boek "Wijsheid van Jezus Sirach": Zoek niet wat te moeilijk voor u is, en vors niet na wat uw krachten te boven gaat. Geef uw aandacht aan de dingen die u zijn opgedragen, want wat verborgen is brengt geen baat.
Jozef gehoorzaamt grootmoedig. De uitvoering van de opdracht is moeilijk. Het betekent zijn huis en zijn geboortestreek verlaten, alle betrekkingen met de zijnen opgeven, in een ver en onbekend land in ballingschap gaan en dit verstoken van alle menselijke hulp. Maar het verlangen Gods wil te volbrengen, maakt dat hij edelmoedig zijn eigen wil aan God opoffert. Zijn gehoorzaamheid overtreft die van Abraham, want deze heilige aartsvader trok weliswaar weg uit zijn geboorteland en liet het vaderhuis achter om daar heen te gaan waar God hem riep, maar hij nam enorme rijkdommen met zich mee en had een groot aantal dienstknechten in zijn gevolg.
Jozef gehoorzaamt onmiddellijk en stipt. Hij slaapt niet tot de ochtend door, hij blijft de rest van de nacht niet op zijn bed liggen, maar staat direct op, deelt aan zijn heilige Bruid de openbaring van de Engel mee en zij vertrekken meteen, zonder er zich om te bekommeren wat met zich mee te nemen. Voor het dag wordt, zijn zij op weg om gewetensvol begunstigd door het nachtelijk duister, het gegeven bevel op te volgen in het geheim te vluchten.
In hun gehoorzaamheid voelen Maria en Jozef zich blij en gelukkig. De dagen zijn lang en zwaar. Zij ontberen alles wat de vermoeienis van de reis zou kunnen verlichten. Maar ze slaan er geen acht op, denken er nauwelijks aan, vervuld als zij zijn van innerlijke vreugde, vol van twee gedachten. God wil, dat zij lijden en voor hen is de Goddelijke Wil de duurzaamste troost. Dat is voor hen de grootste troost.
Bovendien hebben zij het Goddelijk Kind bij zich. Zijn lieflijk gezelschap is meer dan voldoende om hun alleen zijn te verzachten; in de allergrootste verlatenheid betekent Zijn aanwezigheid alles voor hen. Buiten Hem zoeken zij dan ook geen gezelschap en de ontspanning die andere reizigers gewoonlijk zo gretig nastreven.
O almachtige God, die Jozef en Maria bezielt van zon volmaakte gehoorzaamheid, ik smeek U, omwille van hun verdiensten, ook mij ervan te vervullen, opdat ik U gehoorzaam zoals zij. Dat ik het doe met een volledige onderwerping van mijn oordeel, moedig, zonder aarzelen, met vreugde, bezield van het verlangen alleen Uw Wil te volbrengen. In het volle vertrouwen dat Uw voorzienigheid mij nooit zal verlaten, zolang ik alles doe om mijn wil aan de Uwe gelijkvormig te maken. Amen.
De liefde voor Jezus en Maria
Al vóór zijn huwelijk was Jozef heilig, maar na zijn huwelijk met de Heilige Maagd nam hij nog meer toe in de deugd der heiligheid. Alleen al het voorbeeld van zijn heilige Echtgenote was hiervoor voldoende. De H. Bernardinus van Siena schrijft dat Maria alle genaden uitdeelt die God aan de mensen schenkt. We geloven met hart en ziel dat Ze Jozef haar maagdelijke Echtgenoot er mee overstelpt heeft. Jozef, waarvan ze zoveel hield en hij van haar.
We geloven ook dat de heiligheid van Jozef toenam door de dagelijkse en vertrouwde omgang met Jezus Christus gedurende heel zijn leven.
De twee leerlingen die naar Emmaüs gingen voelden die gloed van de goddelijke liefde in de korte tijd dat ze de Verlosser vergezelden en hem hoorden spreken. Jozef voelde nog veel meer die gloed in zijn hart oplaaien tijdens zijn gesprekken met Jezus Christus dertig jaar lang. Zo ook bij diens woorden van eeuwig leven en voorbeeldige nederigheid, geduld en gehoorzaamheid, hulpvaardigheid thuis en bij het werk.
Hoewel het hart van Jozef zich van al het aardse onthecht had, hield hij toch heel veel van zijn Echtgenote Maria. Die liefde tot Maria verdeelde zijn hart niet, in tegenstelling met het woord van de Apostel: De gehuwde man heeft een verdeeld hart. Nee, het hart van Jozef was niet verdeeld, omdat de liefde die hij koesterde voor zijn Echtgenote hem meer en meer vervulde van de goddelijke liefde. Zonder enige twijfel namen, gedurende zijn leven met Jezus-Christus, de verdiensten en heiligheid van Jozef in zo grote mate toe, dat we met zekerheid kunnen zeggen, dat deze groter waren dan die van alle andere Heiligen.
Beschouwen we eerst de liefde die Jozef had voor zijn heilige Echtgenote, de mooiste vrouw die er ooit geweest is. Ze was ook de meest nederige, tedere, zuivere, gehoorzame vrouw, in de hoogste mate toegenomen in de liefde tot God. Zoals Zij, is er onder alle mensen en Engelen nooit een geweest. Daarom was ze alle liefde van Jozef waard. Jozef, de deugdzaamheid zelf. Hij besefte hoeveel Maria van hem hield. In haar hart stelde ze haar Echtgenoot boven alle andere mensen.
Hij wist dat God heel veel van haar hield en dat Hij haar uitverkozen had om de Moeder te worden van zijn enige Zoon. Naast al deze overwegingen nu, bedenken we ook hoe groot de genegenheid was die Jozef, de rechtvaardige en dankbare, in zijn hart koesterde voor zon beminnelijke Echtgenote.
Beschouwen we daarna de liefde die Jozef voor Jezus had. Toen God deze Heilige uitkoos om de plaats te vervullen van vader van Jezus, had Hij in diens hart de liefde gelegd passend bij een vader van zon beminnelijke Zoon, het goddelijk Kind. Jozef wist heel goed, door de goddelijke openbaring die hij van de Engel had ontvangen, dat dit Kind, uit liefde voor de mensen en in het bijzonder voor hem, het vlees geworden Goddelijk Woord was. Jozef wist dat Jezus zelf hem onder alle mensen had uitverkozen om zijn beschermer te zijn en zijn Zoon genoemd wilde worden.
Bedenken we nu wat een heilige liefde in het hart van Jozef ontvlamde wanneer hij dit alles overwoog en zag hoe zijn Goddelijke Meester hem als leerjongen diende. Nu eens de werkplaats open maken, dan weer dicht doen, hem helpen met hout hakken, bijl en schaaf hanteren, krullen rapen en het huis vegen. In één woord hem gehoorzamen in alles wat hij hem opdroeg, en in alles onderdanig aan zijn vaderlijk gezag.
Bij mensen, die van elkaar houden en lange tijd vertrouwelijk met elkaar omgaan, verkoelt soms de liefde, omdat ze elkaars fouten leren kennen. Bij de heilige Jozef was dit niet het geval. Hoe meer hij met Jezus sprak, hoe meer hij zijn heiligheid leerde kennen. Denk u zich nu eens in hoeveel hij van Jezus hield!
Overweeg nu de zoete gesprekken, die Maria en Jozef moeten hebben gehad tijdens hun reis naar Bethlehem, gesprekken die handelden over de barmhartigheid van God, die zijn enige Zoon naar de wereld had gezonden om de mensheid te verlossen en over de liefde van de Zoon die in dit tranendal was gekomen om door zijn lijden en dood de zonden van de mensen uit te boeten.
Denk vervolgens aan de smart van Jozef toen hij moest vaststellen, dat in de nacht waarin het Goddelijk Woord geboren werd, hij samen met Maria overal in Bethlehem afgewezen werd, zodat ze verplicht waren een schuilplaats te zoeken in een stal. Hoe groot was het leed van Jozef toen hij zijn heilige Echtgenote zag, een jong meisje van 15 jaar, dat op het punt stond een kind ter wereld te brengen en beefde van de kou in die vochtige grot, waarin de elementen vrij spel hadden.
Maar hoe groot moet daarna zijn vertroosting geweest zijn, toen hij Maria hoorde roepen: "Kom, Jozef, kom ons Goddelijk Kind aanbidden, dat in deze stal zojuist ter wereld is gekomen. Bewonder zijn schoonheid; aanschouw in deze kribbe, op dit stro, de Koning van het heelal. Zie hoe Hij beeft van de kou, Hij die de Serafijnen in liefde doet ontbranden. Zie hoe Hij schreit, Hij die de vreugde is van de Hemel!"
Overdenk nu ook eens, hoe groot de liefde en de tederheid van Jozef waren, toen hij met eigen ogen de Zoon van God als klein kind kon aanschouwen en tegelijkertijd de engelen hoorde zingen rond de pasgeboren Heer en toen hij de grot zag, vervuld van licht......
Toen wierp Jozef zich op de knieën en weende van ontroering. "Ik aanbid U, zei hij, ja, mijn Heer en mijn God, ik aanbid U. Welk een geluk is het voor mij om, na Maria, de eerste te zijn die U, pasgeboren Kindje, mag aanschouwen en om te weten, dat Gij het aanvaardt mijn Zoon te zijn voor de ogen van de wereld. Sta mij toe, dat ik U dan ook van nu af aan zo noem en tegen U mag zeggen: Mijn God en mijn Zoon! Ik wijd me geheel aan U toe. Mijn leven zal mij niet meer toebehoren, het zal van U zijn, helemaal. Het zal, o mijn Heer, nog slechts in Uw dienst staan!"
Nog groter werd de vreugde van Jozef, toen hij diezelfde nacht de herders zag, die op uitnodiging van de Engel hun pasgeboren Verlosser kwamen aanbidden en die vreugde nam nog toe, toen hij later de Wijzen uit het Oosten zag komen om hun gaven aan te bieden aan de Koning des hemels, aan de God die Mens was geworden om zijn schepselen te redden.
"Jozef droeg niet enkel de naam van de vader van Jezus, maar hij was dit ook daadwerkelijk, voorzover dit voor een man mogelijk is".
Het is niet enkel de voortplanting die het vaderschap uitmaakt, maar ook het gezag en de zorgen voor het beheer. Bestaat er één enkele functie van de beste der vaders die niet roemrijk uitgeoefend werd door deze trouwe en voorzichtige dienaar, die de Heer aanstelde voor het beheer van zijn Familie? Was het niet Sint-Jozef die het Kindje Jezus opving en het neerlegde op het stro in de kribbe? Was het niet Jozef die tijdens de besnijdenis van Jezus het mes van de besnijdenis purperrood kleurde met het kostbaarste Bloed? Want, zoals men weet, behoorde het aan de vaders om deze wettelijk voorgeschreven ceremonie bij hun pasgeboren zonen te verrichten. Was het niet Jozef die Hem redde van de razernij van Herodes, zijn vervolger? Was het niet hij, die gedurende dertig jaar met de arbeid van zijn handen en in het zweet zijns aanschijns, Hem voedsel, kleding en onderdak verschafte?
Hoe dikwijls hebben de armen van de heilige Jozef niet tot wieg gediend voor het Kindje Jezus! Hoeveel tedere kussen heeft hij Hem gegeven! Hoe dikwijls heeft hij Hem te eten gegeven met zijn hand, Hem gekleed, Hem leren spreken en werken! Hoe rustte zijn hoofd aan Zijn Hart toen dit Goddelijk Kind groter geworden was! Welnu, als Jozef zo teder was voor Jezus, hoe moet Jezus dan voor Jozef geweest zijn? Laten wij er niet aan twijfelen dat Hij voor hem de beste der zonen geweest is en dat Hij hem onderdanig, gehoorzaam en eerbiedig was in alles, zoals aan Zijn Vader.