Foto
TOESPRAAK VAN PATER PETAR
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7
  • Deel 8
  • Deel 9
  • Foto
    Foto
    Het  logo  van  het  Bisdom  Gent  van  MG.  Van  Looy
     
    Origen
    Quantcast
    Met hulp en medewerking van John Pont is dit blog gemaakt
    HOUD UW LAMPEN BRANDEND.
         Image and video hosting by TinyPic
    For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
     2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt
    Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois
    Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Gastenboek

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Wonder

    25-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zalig Kerstmis 2010 en een gelukkig jaar 2011. ( Mark Kemseke o.m.i. ).

     

    Zalig Kerstmis 2010 en een gelukkig jaar 2011

     

    Ë  Ë  Ë  Ë  Ë  Ë  Ë  Ë  Ë  Ë  Ë  Ë  Ë  Ë Ë Ë Ë Ë Ë Ë ËËËËË

     

    “Zij zal een zoon krijgen

    en u moet hem de naam Jezus geven,

    want Hij is degene die zijn volk zal redden…”

    Matteüs 1, 21

     

    Beste familieleden, medebroeders,

                           vrienden en kennissen,

     

    telkens opnieuw grijpen we als christenen terug naar dat kind in de grot van Betlehem om te durven spreken van vrede en toekomst. Dat kind is natuurlijk even machteloos als wij. Het heeft geen leger achter zich om zijn gezag op te leggen. Het gaat ook helemaal niet om gewapende vrede, welke naam we aan die wapens ook geven: macht, geld of eer. Niets van dat alles bezit het in de armoede van een kribbe. Maar juist daar schuilt zijn kracht: de Prins van Vrede zoals hij in de kerstnacht wordt genoemd legt zijn vrede niet op, maar nodigt uit tot vrede, een vrede waar niemand anders het slachtoffer van hoeft te zijn.

    2010 was geen gemakkelijk jaar. Het seksueel misbruik van kinderen in de Kerk, vooral in de jaren ’70 en ’80, maar dat nu te volle aan het licht kwam, heeft de geloofscrisis en de daarmee gepaarde ontkerkelijking nog versneld. Dat niet alles wat in de pers verschijnt juist is en dat er andere krachten aan het werk zijn, doet niets af van de realiteit: er zijn kinderen slachtoffer geworden van een opgedrongen macht. Maar ook: waar de parochie sterft, lijdt ook het bisdom en lijdt heel de Kerk. Lourdes heeft er dus ook onder geleden, al moet het ook worden gezegd dat juist in die situatie sommige mensen er voor kozen naar Lourdes te komen om houvast voor hun leven in het geloof terug te vinden.

    2010 was ook een mooi jaar. Is het een toeval dat de bedevaarten dit jaar in het teken stonden van het kruis? “Met Bernadette het kruisteken maken”, zo luidde het thema, en de vele grote en kleine kruisen van bedevaartorganisaties rond het Bretoens kruis aan de ingang van het Heiligdom getuigen van de sterke beleving van het thema. De pasgeborene in de kribbe en de gekruisigde van Golgotha zijn dezelfde Jezus van Nazaret. Zijn boodschap op Kerstmis is geen zoete wijn die de hardheid en de zonde in onze wereld even doet vergeten, maar de oproep om zijn uitnodiging ter harte te nemen en consequent zijn weg te gaan.

    2011 belooft een goed jaar te worden. Wij maken het kruisteken “in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest”. Dat teken, in de geest van God, naar het voorbeeld van de Zoon, en omdat God Vader van alle mensen wil zijn, toont ons de enige manier om de kruisen van onze wereld te durven onder ogen zien en ons te (be-)keren tot Gods Rijk. Pas wanneer wij in alle mensen ‘kinderen van de Vader’ zien en hen ook zo benaderen zal er echte vrede kunnen groeien. Dan zal Kerstmis niet langer een voorbijgaand gebeuren zijn. “Met Bernadette het Onze Vader bidden”, zo willen wij het volgende jaar beleven. Ik wil u daartoe graag uitnodigen, in Lourdes, of via uw geloofsbeleving thuis.

      

    Mark Kemseke o.m.i.

    ________________________________________________________________________________

    P. Mark Kemseke o.m.i., 1 avenue Mgr. Théas – F-65108 LOURDES – Mark.Kemseke@lourdes-france.com

    ( Bureau: +33.(0)5.62.42.78.07 – GSM: +33.(0)6.21.50.42.95


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Sint Jozef Verhevenheid en Zaligheid.

    Verhevenheid en Zaligheid

    Jozef was de Echtgenoot van Maria en werd geacht de vader te zijn van Jezus Christus. Daaruit zijn zijn waardigheid, zijn aanzien, zijn heiligheid en zijn glorie voortgevloeid.

    Inderdaad, de waardigheid van de Moeder van God is zo hoog verheven dat niets daar boven geschapen kan worden. Maar, nochtans, daar Jozef met de gelukzalige Maagd verenigd was door de huwelijksband, is het ongetwijfeld zo dat hij, meer dan wie ook, dié alles-overtreffende waardigheid, waardoor de Moeder van God alle geschapen naturen ver overtreft, heeft benaderd. Het huwelijk is inderdaad van elke samenleving en vereniging de meest intieme, die van nature de gemeenschap van goederen tussen echtgenoten met zich brengt. Door Jozef tegelijk als Echtgenoot te geven en als een getuige van haar maagdelijkheid en bewaarder van haar eer, heeft God hem krachtens de huwelijksband zelf ook een deelnemer in haar hoogverheven waardigheid gemaakt.

    Zo ook schittert Jozef boven allen door de meest voorname waardigheid, omdat hij door de goddelijke Wil de beschermer werd van de Zoon van God, door de mensen beschouwd als zijn vader. Daar vloeide uit voort dat het Woord van God nederig onderworpen was aan Jozef, hem gehoorzaamde en hem alle verschuldigde eer bewees die kinderen verplicht zijn te bewijzen aan hun ouders.

    Maria is het bezit van God; zij is de gouden ladder waarlangs God naar de mensen wil afdalen en de mensen tot Hem wil voeren. Maar, verbazingwekkend! Hoewel deze Maagd het bezit is dat God voor zich gereserveerd heeft, het bruidsvertrek dat zijn Zoon heeft uitverkoren om zich met de menselijke natuur te verenigen, behaagt het de Heer dat zij het bezit wordt van een sterfelijke man, en deze man is de heilige Jozef.

    Zou het in Gods raadsbesluiten liggen aan een sterfelijke man een recht en nog wel een bezitsrecht op dit gezegende schepsel, op deze Heilige Maagd te geven? Ja, zonder twijfel: en dit besluit van God vervult ons met een diepe verwondering.

    Wie is dan wel deze Jozef, deze uitverkorene van de Hemel, deze bevoorrechte onder alle mannen, aan wie het God behaagt degene toe te vertrouwen, die Hij met zoveel liefde geschapen heeft, die Hij tot de zijne gemaakt heeft met een soort goddelijke na-ijver?

    Hij is een zoon van David: hij is uit hetzelfde geslacht als deze Maagd. Hoe hemels ze ook is. Maria heeft, omdat ze voorbestemd is op deze aarde te leven, een aardse steun nodig, een menselijke arm die haar beschermt en haar verdedigt. Jozef zal haar beschermen, haar verdedigen als de zijne, want ze zal zijn ware echtgenote zijn.
    Maar de onthechting des harten van deze zoon van David is dusdanig, dat Maria om hem volledig toe te behoren, daarom niet zal ophouden God geheel en al toe te behoren. Ze verwezenlijken samen de eenheid van een waarachtig huwelijk om alleen maar daardoor ieder voor zich, sterker nog, de een door de ander, meer aan God toe te behoren.
    De zinnelijke begeerte in hem was uitgedoofd en zijn ziel was geheel vervuld van een stralende zuiverheid toen hij in de tegenwoordigheid van de Heilige Maagd verscheen. Het was niet passend dat zij bemind zou worden met een liefde die niet volmaakt kuis was.

    Sint-Jozef toont zich dus aan ons als de geheel zuivere ziel, waarin de zonde al haar kracht verloren heeft. Sint-Augustinus verklaart dat niemand in dit leven vrij van zonden is. Dat zelfs de Heiligen moeten zeggen: Vergeef ons onze zonden. Toch erkent hij dat God, indien het hem behaagt, bij wijze van uitzondering en als een voorrecht, de onvolmaaktheid van de mens volledig kan wegnemen. Dat hij de mens al in dit leven met volmaaktheid kan bekleden, zodat hij God schouwt – alomtegenwoordig – , zoals de Heiligen hem in de Hemel schouwen, onversluierd.

    Is dit prachtige voorrecht niet aan de heilige Jozef verleend omdat hij geroepen was tot de maagdelijke staat in het huwelijk en hij de Zoon van God voortdurend voor zich zag? Was hij niet volledig gegrepen en geabsorbeerd door de ononderbroken aanschouwing van zijn God? Hoe zou hij hebben kunnen zondigen? In het heilig huis van Nazareth was geen plaats voor de zonde.

    Oh Jozef, wij ontwaren slechts vagelijk Uw heiligheid in zijn geheimnisvolle glans. Maria kan de Uwe worden, zonder daardoor minder aan God toe te behoren; opmerkelijker nog, door de Uwe te zijn, behoort zij nog meer dan voorheen aan God toe; en juist door de Uwe te zijn geworden komt in haar het grote geheim tot voltooiing waarvoor zij geschapen is.

    Wat is deze beschikking van God toch bewonderenswaardig! Hoe zeer laat die beschikking de voortreffelijke zielezuiverheid van de heilige Jozef uitkomen. Jozef, die niets van de menselijke genegenheid voor zichzelf behoudt, en die alles aan God geeft.

    Wat voor een les geeft U ons, U grote Heilige. U wilde niets dan in en voor God. In Maria smaakte U alleen maar God, zoals Maria alleen maar God smaakte in U. Ach, mochten wij maar zo’n zuiverheid des harten kunnen navolgen. Gij, grote Heilige, verkrijg voor ons deze genade!!

     

    Mijn dochter, u schreef terecht dat mijn Echtgenoot Jozef een buitengewoon hoge rang bekleedt onder de Heiligen en Prinsen van het hemelse Jeruzalem; besef echter dat gij zijn grote heiligheid niet kunt omschrijven, evenmin als ze door een andere sterveling kan worden begrepen. Als gij Gods aangezicht zult aanschouwen, dan pas zult gij tot uw grote verbazing en tot lof van de Heer het mysterie van de verhevenheid van Jozef begrijpen en bewonderen. Bij het Oordeel zullen vele verworpenen spijt hebben dat zij, verblind door hun zonden, het zo machtige en doeltreffende middel – de voorspraak van Jozef – niet kenden en gebruikten. Het zou hen geholpen hebben om de vriendschap van de rechtvaardige Rechter terug te winnen. Slechts weinigen kennen de macht van zijn voorspraak bij de goddelijke Majesteit en bij Mij. Ik verzeker u, mijn zeer geliefde dochter, dat hij in de Hemel één der intiemste vertrouwelingen is van de Heer, en dat hij veel kan doen om de straffen van de goddelijke gerechtigheid af te wenden van de zondaars.......

    Al wat mijn Echtgenoot afsmeekt in de Hemel, zullen zij, die hem op aarde zijn toegewijd, verkrijgen uit de handen van de Allerhoogste.

    Onze - Lieve - Vrouw aan de eerbiedwaardige Maria d’Agreda



    De verheven Waardigheid van de heilige Jozef

    Een profetische figuur, die op een bewonderenswaardige wijze de grootheid van onze Heilige uitdrukt is Jozef, de zoon van de aartsvader Jacob. Hij is, in de achter ons liggende eeuwen, als een voorafbeelding van de verheven voorrechten van de Echtgenoot van Maria.

    Herinneren we ons de prachtige droom, waarin Jozef de zon, de maan en elf sterren voor zijn voeten zag neergeknield. Dit was geen droom zoals die, welke door de dwalende fantasie in de slaap ontstaat. Het was een extatisch visioen, om niet alleen de komende verheffing van deze slapende jonge man uit te drukken, maar ook de toekomstige grootheid van onze Heilige.

    Verdiep u zich eens in het wonderlijke geluk van de eerste Jozef, die niet alleen zijn vader, zijn moeder en zijn broers voor zich zag buigen, maar ook heel Egypte. Meet aan de hand van deze voorafbeelding de verheven waardigheid van de tweede Jozef af.

    Grote God, wie zal er ooit in slagen dit te begrijpen? Denkt u dat het voor de heilige Jozef niets heeft betekend, Jezus en Maria aan zijn voeten te zien, onderdanig en met tekens van de allertederste eerbied? Daarom durf ik met stelligheid te zeggen, dat de heilige Jozef, na de Heilige Maagd Maria, reeds de meest verheven ziel van deze wereld moet zijn, alvorens de Echtgenoot van Maria te worden. Verhevenheid. Ik bedoel hier niet de grootheid, waarop de trotse, eerzuchtige mens zich hovaardig verheft, al zijn roemruchtige titels etalerend om de ijdele waardering van de mensen te oogsten.

    En toch ontbreekt het onze Heilige niet aan deze grootheid en verhevenheid. Als men zijn geslachtslijst bekijkt, dan ziet men, dat hij zich kan beroemen op veertien koningen en even zoveel aartsvaders en aanvoerders van volkeren onder zijn voorouders. Zij waren echter allen niet zo groot als hij, ondanks hun scepters en kronen. Het is langs deze zo luisterrijke adeldom van profeten en aartsvaders, die welhaast tot aan de Hemel reikt, dat Sint-Jozef wereldlijke adeldom aan het Vleesgeworden Woord zelf geeft.

    En toch, daarin ligt niet de glorie, waarop hij zich kan beroemen. Hij ontleent zijn grootheid aan zichzelf en niet aan zijn voorouders. Timmerman zijn is hem even lief als de titel van prins, de koningsscepter betekent voor hem niet meer dan de hamer van de werkman. Zijn grootheid ontleent hij bovenal aan de eervolle naam van rechtvaardige: dat is de schat, waarin hij het meeste behagen schept; want het is daarom, dat hij alle eeuwen bewonderd zal worden. Gegrift op zijn voorhoofd staat de lof die al zijn heerlijkheid samenvat: Daar Sint-Jozef rechtschapen was(Mattheüs 1, 19 ).

    Als u de grootheid van Sint-Jozefs rechtschapenheid zou willen beseffen, analyseer dan dit woord. Het drukt de kern van alle deugden en het overzicht van alle christelijke volmaaktheid uit.
    Wat kan men nog meer van een mens zeggen, dan dat hij alle deugden op een volmaakte wijze bezit! Is dit geen verheven lofprijzing? En wie zou zich in grootheid kunnen vergelijken met degene die dit heeft verdiend. Adam? Dat Adam kome – onschuldig nog – met de dieren aan zijn voeten; Mozes? Dat Mozes verschijne, de schepselen bevelend met zijn staf; Abraham? Dat Abraham zich aan ons vertone met zijn nageslacht, als een zon temidden van de sterren. Herinnert u zich Jozua, die op zijn stem de zon deed stilstaan; Salomo, die koninginnen aan de voet van zijn troon zag neerknielen.

    Want al deze grote voorrechten kunnen hen niet de gelijken maken van de heilige Jozef, want die nobele voorrechten en deugden, waarvan zij slechts een deel hebben toebedeeld gekregen, heeft de heilige Jozef allemaal in zijn persoon verenigd en in volmaakte mate bezeten.

    Het is voor ons dus een plicht Sint-Jozef te eren; wie kan daar nog aan twijfelen, nadat de Zoon van God Hemzelf met de naam van Vader heeft willen eren?
    De Evangelisten hebben inderdaad niet geaarzeld Hem deze naam te geven: Zijn vader en moeder, zegt de H. Lucas, waren in bewondering over alles wat over Hem gezegd werd (Lucas 2, 33). Weer gaf de goddelijke Moeder Hem die naam: Uw vader en ik waren u aan het zoeken, vol wanhoop U te hebben verloren (Lucas 2, 48).

    Als dus de Koning der koningen Jozef tot zo’n grote eer heeft willen verheffen, is het passend en juist dat wij zo vaak mogelijk hem proberen te eren.
    "Welke engel of welke heilige heeft het ooit verdiend vader van de Zoon van God genoemd te worden?" Wij mogen dus op Jozef toepassen wat Sint-Paulus zegt: Hij is dermate hoog verheven boven de Engelen dat hij een voortreffelijker naam heeft gekregen dan zij. Door die naam van vader is Jozef door God meer geëerd dan alle Aartsvaders, Profeten, Apostelen en Pausen; zij hebben allemaal de naam van dienaren, Jozef die van vader.

    Zo wordt Jozef dus als vader aangesteld als hoofd van dat gezinnetje, klein in getal, maar groot door de twee grote persoonlijkheden die het bevatte, namelijk: de enige, mens geworden, Zoon van God en zijn Moeder. In dit huishouden beveelt Jozef; de Zoon van God gehoorzaamt. "Deze onderwerping van Jezus Christus bewijst ons de nederigheid van de Verlosser en laat ons de grote waardigheid van Jozef zien." En wat is een groter waardigheid, wat is een groter verheffing dan te bevelen aan Hem die alle koningen beveelt?

    Jozef benadert op zodanige wijze de hoogverheven waardigheid van de Moeder Gods, als niemand die ooit benaderd heeft of benaderen zal. Als bewaker en vermeende vader van Gods Zoon (hetgeen de onderwerping van hem aan het mens - geworden - Woord meebracht) is hem een unieke verhevenheid toegekend onder alle Heiligen.

    Sint-Jozef overtreft in genade en glorie de Apostelen en Johannes de Doper, omdat zijn taak als vader van Christus, Echtgenoot van Maria en Hoofd van de Heilige Familie belangrijker was dan deze van de verkondigers van boetedoening en geloofspredikers. De zorg van Jozef betrof rechtstreeks Christus, het Hoofd; hun zorg ging naar de gelovigen, de leden van het mystieke Lichaam.......

    De meesten, zoals ook de talrijke "wetenschappers en wijzen" volgens de wereldse normen, vergissen zich totaal door Jozef te onderschatten omwille van zijn timmermansberoep en zijn status als werkman. Gedurende eeuwen werd hij niet vereerd zoals hij verdiende, temeer daar hij zoveel glansrijker heerst in de hemel......... En toch overtreffen zijn voorrechten, zijn waardigheid en zijn functie die van alle Heiligen.

    Overwegingen
    Sint-Jozef is verheven boven alle andere Heiligen, uitgezonderd de Heilige Maagd Maria.

    -----------------

    Hoe groot moet de waardigheid van Sint-Jozef wel niet zijn?
    "Onder de zuivere Geesten, die de hemelse scharen vormen, is er niet één die Jezus zijn Zoon mag noemen.

    ----------------

    De Heer heeft Sint-Jozef als de Zon vervuld met alle luister en heerlijkheid. Slechts alle Heiligen samen kunnen deze "warmte" uitstralen (H. Gregorius van Nazianze).

    ----------------

    Het geloof van Sint-Jozef overtreft dat van Abraham. Deze laatste immers wordt in de Schrift geroemd, omdat hij voor mogelijk hield dat een onvruchtbare vrouw een kind zou krijgen. Sint-Jozef geloofde dat een Maagd Moeder zou worden


    Licht der Aartsvaders

    Als u een idee wilt krijgen van de verdienste en de grootheid van Sint-Jozef, denk dan aan de benaming waarmee hij terecht geëerd wordt: Vader van de God-Mens.

    Herinner u die beroemde aartsvader Jozef van de oude wet die verkocht werd in Egypte, en besef dat onze Heilige niet alleen met hem zijn naam gemeen had, maar ook zijn heiligheid, zijn kuisheid, zijn onschuld en zijn aanzien. De oude Jozef, verkocht vanwege de afgunst van zijn broers en naar Egypte gebracht, was de voorafbeelding van Jezus Christus die door de zijnen verkocht werd; de nieuwe Jozef, op de vlucht voor de na-ijver van Herodes, bracht Jezus Christus naar Egypte. De eerste bewees zijn kuisheid door trouw te blijven aan zijn meester; de tweede kende de Maagdelijkheid van de Moeder van zijn Meester, was zelf maagd en waakte getrouw over haar die hem toevertrouwd was. De oude Jozef ontving van boven het licht om door te dringen in de geheimen der dromen; de nieuwe Jozef werd toegelaten tot de kennis van en de deelname aan de hemelse geheimen. De eerste bewaarde alle tarwe die niet alleen voor hem, maar voor het hele volk nodig was; de tweede ontving het levend Brood dat uit de Hemel kwam en hij bewaarde het, zowel voor zich als voor de hele wereld. Het lijdt geen twijfel dat hij een goed en trouw mens was, die Jozef aan wie de Moeder van de Verlosser als Echtgenote gegeven was. Ja, hij was een trouwe en voorzichtige dienaar, de man die de Heer had aangesteld als troost voor zijn Moeder, als de voedstervader van zijn Mensheid en de enige toeverlaat en helper bij zijn groot geheim in de wereld.

    Tenslotte was het Jozef niet alleen gegeven Hem, te zien en te horen, die zoveel koningen en profeten hebben willen zien en die ze niet gezien hebben, die ze hebben willen horen en niet gehoord hebben, maar ook nog Hem te dragen, te leiden, aan zijn hart te drukken, Hem te voeden en over Hem te waken.

    Hij is waarlijk uit het huis van David, hij is werkelijk van koninklijke afkomst, deze man, deze Jozef, edel door zijn afkomst, edeler nog door zijn ziel; hij is in alles zoon van David, in niets afwijkend van zijn vader David. Ja, Jozef is in alles de zoon van David, niet alleen naar het vlees, maar ook door zijn geloof, door zijn heiligheid en door zijn toewijding. God beschouwde hem naar zijn hart als een andere David en Hij heeft hem het uiterst heilige geheim van zijn hart toevertrouwd; als een andere David heeft Hij hem de meest verborgen diepte van zijn wijsheid getoond; tenslotte heeft Hij hem ingewijd in de kennis van het geheim dat geen vorst van deze wereld gekend heeft.

    Als dus de hele Kerk dank verschuldigd is aan de Moeder Maagd Maria omdat zij door haar waardig is gemaakt Christus te ontvangen, dan is het zeker dat zij, na de Heilige Maagd Maria, aan Jozef de meeste dankbaarheid en verering verschuldigd is. Want hij is de sleutel voor het Oude Testament; in hem hebben de aartsvaders en de profeten de vrucht van de belofte geplukt. Als enige van hen heeft Jozef met de ogen van zijn lichaam de aan de anderen beloofde Verlosser gezien.



    Groet van de H. Johannes Eudes

    Ik groet U, Jozef, beeld van God de Vader;
    Ik groet U, Jozef, vader van God de Zoon;
    Ik groet U, Jozef, heiligdom van de Heilige Geest;
    Ik groet U, Jozef, welbeminde van de Heilige Drieëenheid!
    Ik groet U, Jozef, zeer trouwe "medewerker van het groot besluit".
    Ik groet U, Jozef, zeer waardige Echtgenoot van de Onbevlekte Maagd en Moeder Maria.
    Ik groet U, Jozef, vader van alle gelovigen;
    Ik groet U, Jozef, beschermer van allen die voor de heilige maagdelijkheid hebben gekozen;
    Ik groet U, Jozef, trouwe nalever van het heilig stilzwijgen;
    Ik groet U, Jozef, beminnaar van de heilige armoede;
    Ik groet U, Jozef, zéér zachtmoedig en spiegel van geduld;
    Ik groet U, Jozef, gehoorzame man en de nederigheid zelve.
    U zijt gezegend onder alle mensen;
    En gezegend zijn Uw ogen, die gezien hebben wat U hebt gezien;
    En gezegend zijn Uw oren, die gehoord hebben wat U hebt gehoord;
    En gezegend zijn Uw handen, die het vlees geworden Woord hebben aangeraakt;
    En gezegend zijn Uw armen, die Hem gedragen hebben die alles voor ons draagt;
    En gezegend is Uw borst waarop Gods Zoon zacht kon rusten;
    En gezegend is Uw hart, dat vurig brandt voor Jezus.
    En gezegend is de Eeuwige Vader, die U uitverkoren heeft;
    En gezegend is de Zoon, die U bemind heeft;
    En gezegend is de Heilige Geest, die U geheiligd heeft.
    En gezegend is Maria, Uw Echtgenote, die U als haar Echtgenoot en als haar broeder heeft liefgehad.
    En gezegend is Uw getrouwe Engelbewaarder.
    En gezegend zijn voor immer allen die U liefhebben en U zegenen.
    Amen!



    Het heilig Huwelijk

    Wat dachten Maria en Jozef toen zij zich samen verbonden ten overstaan van God? Hun verwachtingen waren ontegenzeggelijk gericht op de Christus die komen zou, op de beloofde Messias: de verwachting van de Messias leefde in het hart van elke goede Israëliet. De Patriarchen stelden zich bij het sluiten van huwelijken als voornaamste doel, het geslacht uit te breiden waaruit de Messias zou voortkomen.

    Maar Maria heeft de gelofte van maagdelijkheid afgelegd en deze wens is haar boven alles dierbaar. Zij stemt erin toe om met Jozef te trouwen, maar zij wil maagd blijven. En zie, zodra Jozef Maria ontmoet, begrijpt zijn zuivere ziel dadelijk door het licht van de Heilige Geest, dat Maria maagd moet blijven, dat haar maagdelijkheid één is met haar persoon en niet van haar te scheiden is. Maria geeft slechts reine gedachten in; zij kan slechts bemind worden met een maagdelijke liefde. Sint-Jozef, eveneens maagd, stemt slechts in het huwelijk toe op voorwaarde maagd te blijven. Hun huwelijk wordt gesloten op deze voorwaarde: dat zij elkaar hun maagdelijkheid in bewaring geven. De maagdelijkheid van Maria zal het geluk van Jozef zijn, zoals de maagdelijkheid van Jozef het geluk van Maria zal zijn. Wat Jozef vooral in Maria bemint is, dat zij maagd is en zijn liefde voor haar bestaat erin haar maagdelijkheid zeer zorgvuldig te bewaren.

    O, wie kan ooit de vreugde beschrijven van een dergelijke echtverbintenis die niet van deze aarde is? De twee zielen van Maria en Jozef ontmoeten en doordringen elkaar in het onuitsprekelijk licht van een goddelijke samensmelting, in de geestelijke geur van de heilige maagdelijkheid.

    De maagdelijkheid is de wet van dit huwelijk, en toch wil het als dusdanig ook vrucht dragen. Welnu, God schenkt deze vrucht in de persoon van zijn eigen Zoon, mens geworden in de schoot van Maria. In de geheime plannen van God was de vereniging van dit echtpaar gericht op de Messias; de Messias wordt hun Kind. Ja, Jezus mag terecht de vrucht van het maagdelijk huwelijk van Maria en Jozef genoemd worden; Hij is niet enkel aan Maria gegeven, maar aan haar én aan haar Echtgenoot, hij is hun gegeven om hun gemeenschappelijk heil te zijn.

    Dat Jozef niet onmiddellijk verwittigd werd van de menswording van de Zoon van God in zijn reine Echtgenote, dat is omdat zij tegenover hem een voorrang van uitverkiezing en heiligheid behoudt. De verwarring van Jozef is dan ook een echte getuigenis van de maagdelijke ontvangenis van de Verlosser. Hier past het de woorden van de Engel aan Sint-Jozef te overwegen. Hij kent hem geen recht op het kind toe, recht dat hij niet zou gehad hebben, hij verwittigt hem eenvoudig dat Maria heeft ontvangen van de Heilige Geest, en dat zij zijn Echtgenote blijft in haar maagdelijk moederschap. De band van het huwelijk is niet vernietigd door de tussenkomst van de Heilige Geest die het huwelijk zijn vrucht geeft; het is zelfs versterkt door de komst van het Goddelijk-Kind.
    Jozef was de Echtgenoot van de Maagd Maria, nu is hij de Echtgenoot van de Moeder van God, hij wordt uitgenodigd om over het Kind een vaderlijk gezag uit te oefenen en hem de naam Jezus te geven.

    O Jozef, Echtgenoot van de Moeder Gods! Welke verblindende grootheid is in deze onvergelijkelijke titel vervat! En deze verhevenheid spruit voort uit de uitgelezen zuiverheid van uw ziel. Gij zijt de Echtgenoot van de Maagd en Moeder Gods omdat gijzelf maagd zijt, maagd naar ziel en lichaam. Ach, verkrijg voor ons een weinig van de hemelse zuiverheid die U zo groot heeft gemaakt en toch zo nederig heeft bewaard.

    Laat ons nu stuk voor stuk de plichten overwegen, die het huwelijk van Sint-Jozef met de Heilige Maagd Maria aan de glorierijke Patriarch oplegde. Deze drie plichten zijn als volgt:
    - ten eerste: Sint-Jozef moest de tijdelijke zaken voor Maria behartigen;
    - ten tweede: Hij moest haar trouwe beschermer en getuige van haar maagdelijkheid worden;
    - ten derde: Hij moest met haar de pijnen en vreugde delen.

    Om met de eerste plicht te beginnen, laten wij ons herinneren dat de natuurwet eist, dat de man zijn vrouw het noodzakelijke moet verschaffen voor zover hieraan behoefte is.
    Welnu, wij weten, dat Maria geen deel uitmaakte van de gefortuneerde klasse. De heilige Patriarch moest dus aan zijn Echtgenote het dagelijks brood verschaffen. Indien men vraagt, welke deugd de grondslag is van deze plicht, dan kunnen wij antwoorden: de vroomheid, een deugd, die ons aanspoort om naar beste vermogen te voorzien in de behoeften van onze familie, het vaderland en de mensen die ons na staan.

    De tweede plicht van Sint-Jozef ten opzichte van Maria was de bloem van haar maagdelijkheid te beschermen. Deze plicht kon niet vervuld worden ingeval van innerlijk bederf, want Maria kende geen vleselijke bekoringen. Sint-Jozef moest dus zijn bruid zowel verdedigen tegen de aanvallen van belagers als tegen de lasterpraat van mensen, die totaal onwetend waren van het heilige geheim dat de verheven Drievuldigheid in haar tot stand had gebracht. De reden van het huwelijk van de Maagd Maria met Sint-Jozef was ook te voorkomen, dat Maria door de Joden als overspelige vrouw zou worden gestenigd. Daar anderzijds de maagdelijkheid van Maria voortaan als een voorbeeld aan de gelovigen zou moeten dienen, was het noodzakelijk, dat zij een beschermer, maar ook een betrouwbare getuige had. Deze beschermer en getuige kon niemand anders zijn dan de heilige Patriarch.

    De derde plicht van Sint-Jozef tegenover Maria was om deel te nemen in het lijden, dat de Heilige Maagd Maria moest doorstaan in vereniging met Jezus in haar hoedanigheid van medeverlosseres van het mensdom. De grootste smarten worden dragelijk, wanneer deze smarten worden gedeeld met anderen. God heeft dan ook de aanwezigheid van Sint-Jozef gewenst, opdat Maria haar smarten gemakkelijker zou kunnen dragen. Immers, zij wist zich omringd door de genegenheid van Sint-Jozef.


    De Reinheid van Sint-Jozef

    De geest, die Sint-Jozef bezielde, was aan God onderworpen door een volmaakte rechtvaardigheid, vergezeld van de deugd van naastenliefde en de gave van wijsheid. Deze deden hem kennen hoe steeds Gods Wil te volbrengen en te luisteren naar de ingevingen van de Heilige Geest. Hierdoor was deze uitverkorene van God ook naar het vlees geheel aan de geest onderworpen. Jozef, de rechtvaardige, was de reinste onder de mannen.

    Een logisch gevolg hiervan is de inwerking van de geest op het vlees, die zich openbaart met de strengheid van een door God zelf geopenbaarde wet. Naarmate de geest zich onttrekt aan de onderwerping jegens God verschuldigd, zal ook het vlees zich er aan onttrekken. De mens vindt de straf voor zijn hoogmoed, die hem doet opstaan tegen God, in de opstand van zijn hartstochten tegen de rede, waardoor hij zich over zijn gedrag schaamt. Wat een geluk is het dan, wanneer de vernedering die hieruit voortvloeit, door een bijzondere genadewerking, het goede uit het kwade laat voortkomen, zodat de mens hierdoor naar God teruggebracht wordt.

    Geen mens is rechtvaardiger en nederiger dan Sint-Jozef, noch heeft ooit iemand hem overtroffen of zelfs maar geëvenaard in kuisheid. Dat hij uit het gehele mensdom uitverkozen werd om Echtgenoot van Maria te zijn, getuigd van een zuiverheid, die schitterender is dan de zon.

    Bedenken we wel dat het hart van de heilige Jozef door God werd gevormd om de allerreinste Maagd Maria te beminnen. Ook kunnen wij met zekerheid aannemen, dat de heilige Jozef – die weliswaar met de erfzonde was belast – door een bijzondere genade nooit enige onreine bekoring heeft gekend. God heeft aan bepaalde heiligen de engelachtige gunst geschonken, die de zinnelijke begeerte in hun vlees als het ware uitdoofde. Dat de aanstaande Echtgenoot van Maria bij uitstek dit voorrecht is verleend, lijkt ons onbetwistbaar. Hij werd onmiddellijk in die staat gebracht, ‘staat van de gezuiverde ziel’, die de aardse begeerte niet kent. Kortom, de kuisheid van Sint-Jozef was geen gevolg van worsteling en strijd, maar uit zijn natuur voortkomend. Ze moest wel zo zijn om een huwelijk met de aller-zuiverste Maagd Maria mogelijk te maken.
    Maria vond het hart van Jozef in zo’n volmaakte harmonie met het hare, dat ze zich met volledige zekerheid aan hem kon toevertrouwen én haar maagdelijke staat bewaren.

    Het heeft God behaagd een voorafbeelding te geven van de kuisheid van Sint-Jozef in de persoon van Jozef, zoon van de aartsvader Jacob en zijn vrouw Rachel. Deze waarlijk grote man had een aangeboren afschuw van de ondeugd der onzuiverheid; hij weerstond de verleidingen van de vrouw van zijn meester, de Egyptenaar Potifar en aanvaardde omwille van de kuisheid gevangenis en eventueel de doodstraf. Deze lichtende ziel is een voorafbeelding van de ziel van onze Sint-Jozef.

    De kuisheid van Jozef, zoon van Jacob, maakte hem ontvankelijk voor goddelijke inspiratie. In geheimzinnige dromen werd hem de toekomst geopenbaard. "Zo werden ook aan Sint-Jozef in zijn slaap hemelse geheimen toevertrouwd door de Engelen".

    O, waarlijk engelachtige en serafijnse heilige! O, ziel, die in hoger sferen, ver boven aardse begeerten, vertoefde. O, grote Heilige, vervul allen, die op U hun vertrouwen hebben gesteld, met hemelse en kuise gedachten; verkrijg voor christelijke echtelieden, dat zij zich slechts verenigen met geheiligde bedoelingen.
    Uw vlees, Uw lichaam, werd uitsluitend, geleid door hemelse overwegingen. Terecht wordt U afgebeeld met de lelie der maagden, symbool der kuisheid, in Uw handen. De geur van deze lelie vervult zowel de Kerk in de Hemel als op aarde. Moge deze geur in ons de smaak en de liefde voor de kuisheid doen ontwaken.



    Nederigheid en Maagdelijkheid

    Zoals de heilige Jozef er zorg voor droeg zijn deugden verborgen te houden onder de hoede van de zeer heilige nederigheid, zo had hij eveneens een zeer bijzondere zorg om de kostbare parel van zijn maagdelijkheid schuil te houden; het is daarom dat hij erin toestemde te huwen, om niemand zijn levenswijze te doen vermoeden en onder de heilige sluier van het huwelijk een meer verborgen leven te kunnen leiden.

    Hierdoor worden de maagden en al degenen die kuis willen leven erop gewezen dat het niet voldoende is maagdelijk te zijn, als ze zich niet in alle eenvoud gedragen en hun zuiverheid niet verborgen houden in het waardevolle kistje van de nederigheid; anders zullen zij hetzelfde lot ondergaan als dat van de dwaze maagden die, bij gebrek aan nederigheid en barmhartige liefde, verjaagt werden van het bruiloftsfeest van de Bruidegom en zo noodgedwongen terecht kwamen op het werelds trouwfeest, waar men de raad niet volgt van de hemelse Bruidegom, die zegt dat men nederig moet zijn om ter bruiloft te worden toegelaten, waarmee bedoeld wordt dat men de nederigheid in praktijk moet brengen: "Want, zegt Hij, als men naar een bruiloft gaat, of men wordt uitgenodigd op een bruiloft, neem dan de laatste plaats in".

    Daaruit blijkt hoe noodzakelijk het is nederig te zijn om de maagdelijkheid te bewaren, want zonder twijfel zal niemand deelnemen aan het hemels feestmaal en bruiloftsfestijn die God bereid heeft voor de maagden in het hemels verblijf, tenzij vergezeld van deze deugd.

    De kostbaarheden en vooral de welriekende zalven worden niet aan alle winden blootgesteld, want niet alleen zou de geur ervan verdampen maar ze zouden bedorven worden door de vliegen, zodat ze hun prijs en hun waarde zouden verliezen. Zo is het ook met de rechtvaardige zielen die, uit vrees de waarden van hun goede werken te verliezen, deze opbergen in een kistje, maar niet zo maar in een alledaags kistje, maar zoals met kostbare zalven, in een albasten kruik (een zoals de H. Magdalena bij zich had om de zalven op het gewijde hoofd van onze Heer uit te gieten of te ledigen).
    Deze albasten kruik of kistje is dus de nederigheid waarin wij, naar het voorbeeld van Onze-Lieve-Vrouw en de heilige Jozef, onze deugden moeten bewaren en er alles in opbergen waarvoor wij achting en waardering zouden kunnen oogsten in de ogen van de mensen, ons tevreden stellend aan God te behagen en te leven onder de heilige sluier van de zelfvernedering, in afwachting dat God ons komt weghalen naar het veilig oord dat de glorie is, en Hijzelf onze deugden doet uitschijnen tot zijn eer en glorie.

    Kunnen wij bevatten in welke mate de heilige Jozef de maagdelijkheid beleefde, die een deugd is die ons op de Engelen doet gelijken, als de Heilige Maagd niet alleen zeer zuivere maagd was en geheel rein, maar bovendien de Maagdelijkheid zelve was? Kunnen wij ons indenken in welke mate degene die door de eeuwige Vader uitgekozen werd als de behoeder van haar maagdelijkheid, of om het beter uit te drukken, als metgezel uitverkoren werd, - aangezien het niet nodig was haar te beschermen, daar ze dit uit zichzelf wel kon – in welke mate, zeg ik, hij voortreffelijk in deze deugd moet zijn geweest?

    Zij hadden beide de gelofte afgelegd om hun maagdelijkheid levenslang te bewaren, en nu wil God dat zij verenigd zouden zijn door de band van een heilig huwelijk, niet om hen afstand te laten doen of spijt te doen hebben van hun gedane gelofte, maar om deze in hen opnieuw te bevestigen en hen onderling te sterken om te volharden in hun heilige onderneming; daarom leefden ze samen in maagdelijkheid geheel de rest van hun leven.

    Wat is die glorierijke heilige Jozef anders dan een machtige beveiliging die boven Onze-Lieve-Vrouw werd aangesteld, want als Echtgenote was zij hem onderdanig en omringde hij haar met veel zorg! Dus verre van het feit dat Jozef boven Onze-Lieve-Vrouw werd aangesteld om haar af te brengen van haar gelofte van maagdelijkheid, werd hij haar als metgezel gegeven, en opdat de zuiverheid van Onze-Lieve-Vrouw des te bewonderenswaardiger zou kunnen volharden in haar ongeschondenheid onder de sluier en de geborgenheid van het heilig huwelijk en van het heilig verbond, dat zij samen waren aangegaan.

    Indien – zoals de Eeuwige Vader zegt – de Heilige Maagd een poort is, moeten wij Haar niet willen openmaken; want Zij is een Oosterse poort, waardoor niemand naar binnen noch naar buiten kan gaan; integendeel, men moet Haar bekleden en versterken met onvergankelijk hout, met andere woorden, Haar een metgezel geven, haar zuiverheid waardig. Dit is de heilige Jozef, die hiertoe alle Heiligen, zelfs de Engelen en de Cherubijnen diende te overtreffen in deze bijzonder aanbevelenswaardige deugd van maagdelijkheid.

    Wij kunnen slechts moeilijk doordringen in de ondoorgrondelijkheid van de persoonlijkheid van Sint-Jozef en er al de heerlijkheid van de goddelijke werken bewonderen. Door ons geloof kennen wij nochtans zijn hoge waardigheid als Echtgenoot van de Moeder van God en als wettelijke vader van zijn Zoon. Zo komt het, dat wij weten, dat Sint-Jozef ingevolge zijn voorbestemming overvloedig gezegend werd met gaven en hemelse gunsten.

    De werkelijke waarde van een menselijk wezen, zijn werkelijke verhevenheid moet in feite beoordeeld worden volgens wat hij is in de ogen van God. Dit is zó waar dat zelfs de kleinste, de nederigste van onze gelijken – hoe onbetekenend hij ook moge zijn volgens de menselijke maatstaven – zoveel belangrijker kan zijn in de ogen van de hemelse Vader. We vinden in Sint-Jozef een voorbeeld van deze uitzonderlijke innerlijke heiligheid. Zijn uiterlijk leven nederig en onopmerkelijk; hij volbracht zijn taak zonder dikdoenerij maar met de psalmen kunnen we van hem zeggen: Al zijn glorie was innerlijk.

    ------------------------------------------


    Het prentje van Sint-Jozef

    Een christelijke moeder had een dochter die zich afschuwelijk misdroeg. Deze bedroefde moeder kwam nooit in een kerk zonder zich op de knieën te werpen voor een schilderij van de heilige Jozef, hem onder tranen de bekering van haar dochter afsmekend.
    Tenslotte kreeg ze een goede ingeving: "Als ik haar nu eens een prentje van de heilige Jozef gaf", zei ze bij zichzelf; en gebruik makend van de afwezigheid van haar dochter, ging ze haar kamer binnen. Op de tafel lag een boek. Maar wat voor een boek!
    "O heilige Jozef, zei de moeder, vergeef me als ik Uw prentje hier in steek, maar het moet!"
    Toen het jonge meisje terug kwam ging ze verder met haar lectuur. "Wat is dat?, zei ze. Een plaatje!" Ze draaide het om en las werktuiglijk een gebed dat op de keerzijde gedrukt was.
    Daar wachtte haar de goddelijke genade. Ze begon te huilen van berouw en wierp het slechte boek in het vuur: ze was bekeerd.




    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.

    DE VLINDER. VIERDE BOEK, KAP. 112.

    Jezus, Gods zoon, sprak tot zijn bruid: "Verontrust u niet over den hoogmoed van deze menschen, die spoedig een einde neemt." Er is een soort vliegend insect, dat spoedig een einde neemt." Er is een soort vliegend insect, dat vlinder genoemd wordt. Het heeft breede vleugels en een klein lichaam, ten tweede vele kleuren, ten derde vliegt het hoog in de lucht omdat het zoo licht is. Maar daar het weinig kracht heeft, valt het spoedig neer, op wat het dichtst nabij is, op een stok, of een stok, of een steen. Dit soort vliegend insect is als de hoogmoedigen, die breede vleugels hebben en een klein lichaam, want hun gemoed zwelt van hoogmoed, zooals een blaas door lucht opzwelt.

    En zij geloven dat alles wat zij bezitten het gevolg is van hun verdiensten en houden zich voor beter en waardiger dan anderen en zouden hun naam over heel de wereld verspreiden, indien zij konden. Maar daar hun leven kort is als een oogenblik, vallen zij, als zij het ’t minst verwachten. Ten tweede hebben de hoogmoedigen vele kleuren, evenals de kapel, want zij verhoovaardigen zich over de fraaiheid van hun ledematen en over hun goed en hun geslacht, en zij veranderen hun stand volgens al de grillen van den hoogmoed. Maar als zij sterven, zijn zij niet anders dan stof. Ten derde, als de hoovaardigen op de hoogste trap der hoovaardigheid gekomen zijn, vallen zij op een oogenblik op vreeselijke wijze dood.

    Wordt  vervolgd.

    24-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een Gezegende Vrijdag.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jan & Monique Smit - Kerst voor iedereen.
     
    Jan & Monique Smit - Kerst voor iedereen

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.EEN KONINGSAFSTAMMELING.

    Een Konings afstammeling

    Sint–Jozef! Zeker een grote Heilige..... Maar wat weten we eigenlijk over hem?
    Bijna niets: in de Evangeliën wordt er heel weinig over hem gesproken en een gesproken woord van Sint-Jozef komen we nergens tegen..... Hij verdient dus onze bewondering, maar mag men niet uit deze soberheid van de Heilige Schrift concluderen dat er talloze andere Gelukzaligen bestaan, die misschien meer onze waardering en onze liefde verdienen? Nee! Dàt zou nu juist een vergissing zijn. Het is bekend dat Leonie, een zus van de heilige Theresia van het Kindje Jezus, toen zij vernam dat het proces voor de zaligverklaring van het jongste kind van de familie overwogen werd, uitriep: "Theresia! Zij was wel lief! Maar daarom nog geen Heilige....." O mens, uw wegen zijn nog niet Gods wegen! Want de Heer heeft door de mond van Christus’ Bruid, de Heilige Katholieke Kerk, gesproken: "Zij is de grootste Heilige van deze moderne tijd!"
    Zou Sint–Jozef aldus, ook niet een hoog verheven Heilige in de Hemel zijn? Zeer zeker!

    Hij is een "zoon van Koning David", zoals zijn stamboom bewijst en zoals hem ook de Engel noemt, die hem verschenen is. Hij stamt uit een beroemd geslacht en is een afstammeling van de koningen van Israël. En toch is er bij Maria’s Echtgenoot geen blik van begeerte of heimwee naar de vroegere eerbetuigingen en de goederen die zijn familie voorheen bezat. Op zijn lippen ligt geen gemor jegens de Voorzienigheid die deze beroving heeft toegestaan..... Hij vernedert zich voor God, hij verootmoedigt zich voor de Heer. Hij schenkt God vertrouwen en verlaat zich op Hem als de meest geliefde zoon.

    En daarom betuigt het Evangelie, dat zo rijk is aan beknopte en zinvolle uitspraken, hem zijn lof met één enkele zin; maar deze zin is een juwelenkistje dat men moet openen om in verwondering te geraken voor de onvergelijkbare schatten die het bevat. Ziehier deze zin: Jozef was een rechtschapen man.

    Voor de Hebreeërs bestaat rechtschapenheid uit het samenbrengen en het toepassen van alle deugden. De drievoudig heilige Messias wordt heel dikwijls door dit enkel woord aangeduid: de Rechtschapene.
    Wanneer men van Jozef zegt dat hij rechtschapen was, bewijst men hem dus de hoogste eer; aldus getuigt men met Sint–Johannes Chrysostomus, dat hij in alles volmaakt was.

    Deze buitengewone heiligheid bracht hem er toe, met de hulp van de goddelijke genade, samen met Onze-Lieve-Vrouw een heldhaftige gelofte af te leggen: namelijk de maagdelijkheid in hun huwelijk te bewaren. Voor hem betekende dit niet alleen af te zien van de vreugden van een menselijk vaderschap, maar ook van het voorrecht waar alle kinderen van Israël sterk naar verlangden: dat van vader te zijn van de Messias..... Hoogstens streefde hij naar de eer hen te dienen die God voor deze zending zou uitverkiezen.

    Hoe kunnen wij ons het leven van Sint-Jozef bij Maria, de Genadevolle, de Onbevlekte Vrouw voorstellen? Wat zijn liefde voor zijn Echtgenote nog vermeerderde, was zich door haar bemind te voelen met de zuiverste, de meest intense, de diepste, de oprechtste liefde, die er ooit was. Zegt Sint-Bernardinus van Siena niet dat "na Christus, haar Zoon, de Heilige Maagd nooit een mens of schepsel zozeer heeft liefgehad als Sint–Jozef".

    Maar omdat hij God welgevallig was, moest hij door de bekoring op de proef worden gesteld. Maria ontving van de Heilige Geest, zonder dat hij op de hoogte was gesteld..... Het meisje de vraag stellen? Haar stilzwijgen is een mysterie waarvan hij meent niet het recht te hebben de sluier op te lichten. Bij God te raden gaan? Ja, en ongetwijfeld riep hij Hem aan in tranen en verzuchtingen om Hem te smeken de duisternis die hem overstelpte te verdrijven. De houding die hij placht te hebben was: een biddend zwijgen. Hij bewaarde zijn geheim voor zich zelf, hoe zwaar het ook op zijn hart lag. Hij nam de tijd om steeds opnieuw na te denken, om voortdurend tot de Heer te bidden wat nu wel de weg was, die hij moest bewandelen want Gods wegen zijn soms moeilijker te kennen dan te volgen.

    Om zijn geweten trouw te blijven besloot hij van zijn welbeminde te scheiden, wetend dat zij onschuldig was. Hij achtte zichzelf onwaardig om in het gezelschap van Gods Moeder te verkeren en als de ware vader van haar Kind beschouwd te worden; daarom was hij van plan Haar heimelijk terug te sturen!

    Wat een offer voor Jozef te moeten scheiden van haar, die hij liefhad! Valt de toekomst niet in duigen, die zo hoopvol was net als een prachtige maar te broze vaas? Hoe zo? Voor altijd van Maria gescheiden leven: niet meer samen met Haar leven en bidden! Wat is dat zwaar! Uit eerbied voor God en zijn geweten volgend nam hij toch dat besluit. Maar zijn hart is verbrijzeld..... Dit offer geschiedt inwendig en is voor de naaste omgeving onzichtbaar. Het menselijk hart is als wierook: slechts als offerkool verspreidt het zijn inwendige geur.

    Sint-Jozef heeft geleden, en zelfs diep geleden: waarom niet? Men zou zich het begrip "genade" verkeerd kunnen interpreteren als men uit het oog verliest dat lijden ook een genade kan zijn. Christus heeft het lijden niet afgeschaft; dus is het voor ons een troostende zekerheid te weten dat ook Maria en Jozef de beproevingen en tranen gekend hebben.

    Maar ook al lijdt Sint-Jozef, toch is zijn ziel te zuiver om door het lijden, dat het diepste van zijn wezen roert, te morren of een woord van verbittering uit te spreken. Als man van geloof ziet hij in deze samenloop van omstandigheden Gods vaderlijke hand: hij onderwerpt zich aan Zijn Wil.

    Zo schenkt de Almachtige hem steeds meer roemrijke titels: "Roemrijke Heilige Jozef"; "maagdelijke vader, schaduw van de Eeuwige Vader"; "ware dienaar van Maria"; "steeds dicht bij de Middelares en bij de enige Middelaar"; "inwendige ziel"; "steeds naar God luisterend"; "zuivere ziel"; "kinderlijk hart"; "eerste aanbidder van Jezus samen met Maria"; "beschermer en hoeder van Jezus"; "de verlosser van zijn Verlosser, in Egypte"; "waarlijk hoofd van het heilige huisgezin"; "heiligmaker van het nederig dagelijks leven"; "de man met christelijk plichtsbesef"; "samen met de Mede-Verlosseres werkend aan de verlossing....."

    Sint-Jozef leert ons – en helpt ons ook – heilig te leven en te sterven.



    Wereldse nacht

    We kunnen ons afvragen wat ons het meeste aanspreekt: de dag of de nacht? De dag verlicht voor ons de aarde, de nacht openbaart ons het firmament. Deze gedachten komen in ons op als we aan Sint-Jozef denken.

    We worden getroffen door het duister waarmede deze onvergelijkelijke Heilige omgeven is..... We weten van zeer veel mensen, die om allerlei redenen beroemd zijn, wat ze gedaan hebben en wat hun geschiedenis is. Over Sint-Jozef wordt bijna niets gezegd. Slechts enkele regels in het Evangelie, zonder dat er echter ook maar één uitspraak van hem wordt vermeld; dat is alles. Deze man bevindt zich in het duister. Voor de wereld is zijn leven een waarlijk donkere nacht, maar zoals de nacht is: diepzinnig, majestueus en religieusontroerend. Zozeer, dat we uiteindelijk dit verborgen bestaan onvergelijkelijk veel mooier, grootser en boeiender gaan vinden dan een bestaan, dat zich in het volle daglicht afspeelt.

    De diepzinnigheid, die zo’n vaag beeld verbergt, neemt toe naarmate we haar meer doorgronden en tenslotte heeft de ziel het gevoel, dat ze voor een onpeilbare diepte staat. Onmerkbaar wordt ze dan als het ware verheven boven haar alledaagse denkwereld. Ze ademt een zuiverder, geuriger lucht in. Het is alsof een vleugje van het hemelse vaderland haar beroert. In vrede met zich zelf voelt ze zich haast in God’s nabijheid. Wie zich met hart en ziel verdiept in Sint-Jozef, voelt hetzelfde als bij het betreden van een heiligdom. Het is een plaats van vrede, stilte, er is een gedempt licht dat de geest in zich zelf doet keren. Het is een plaats die tot ernst stemt, diepe en tedere gevoelens oproept, eerbied vraagt en er toe aanzet; tot nederigheid brengt, de wereld doet vergeten en een voorsmaak geeft van de eeuwigheid. Hoe dan ook, een heiligdom is een plaats waar God vertoeft. Ik betwijfel of we aan Sint-Jozef kunnen denken zonder één van deze gevoelens. Door de staat waartoe Sint-Jozef is uitverkozen verblijft bij hem én omhult hij het grootste van alle mysteries: van God die mens geworden is in de schoot van een maagd; van Jezus en Maria.

    De heilige regels van de liturgie schrijven voor dat de Eucharistie in het tabernakel bewaard wordt in een ciborie van goud en zilver en dat deze bedekt wordt met een doek van goud-, zilverbrokaat of zijde. In het mysterie van het Woord dat Vlees is geworden, is de geconsacreerde Hostie Jezus, de ciborie Maria en de doek de heilige Jozef. De ciborie is alleen voor de Hostie, zo ook is de doek alleen voor de Hostie en de ciborie. Evenals Maria alleen maar bestaat voor Jezus, zo bestaat en leeft Jozef alleen maar voor Jezus én Maria.

    Tussen deze twee opdrachten - die van Johannes de Doper en die van Petrus - verschijnt de opdracht van de heilige Jozef, een ingetogen en stille, ja welhaast onopgemerkte taak, die pas enkele eeuwen later in het licht zou treden. Een stilte, waarop ongetwijfeld, doch pas lange tijd daarna, een luide lofzang moest volgen. En werkelijk, daar waar het mysterie het diepste is, de nacht die het bedekt het donkerste is, het stilzwijgen het grootst is, daar is het ook waar de opdracht het hoogste is, waar ook de rij van vereiste deugden het luisterrijkste is, evenals de verdiensten die er, door een gelukkige noodzaak, weerklank aan moeten geven. Uitzonderlijke, zeer verheven opdracht: te waken over Gods Zoon, de Koning van de wereld, de maagdelijkheid en heiligheid van Maria te behoeden. De uitzonderlijke taak om te mogen delen in het grote mysterie, dat verborgen bleef voor de ogen der wereld en zó mee te werken aan de Menswording.....

    ----------------------------


    Ik wil een hobbelpaard!!!!!!! Maar.....

    Ik had, als kind, de zoon van een rijke buurman als vriend. Al mijn vrije tijd bracht ik bij hem door in een ruim vertrek. Tot onze grote verbazing stond er op zekere dag een groot hobbelpaard midden in de kamer. We gingen er samen schrijlings op zitten en schommelden naar hartelust.

    De moeder van mijn vriend zag ons glimlachend bezig. Toen liet ze ons stoppen. Ze nam mij bij de hand en fluisterde: "Nu mag jij eens iets moois uitkiezen." Zonder aarzelen riep ik uit: "Een hobbelpaard zoals dit hier!!" "Je krijgt het, zei de dame, maar vraag eerst nog maar eens of je ouders het goed vinden, misschien hebben die een ander idee."

    Ik rende naar huis, opende de deur en riep buiten adem: "Mama, ik wil een hobbelpaard!!!" Moeder keek mij verwonderd aan. Hortend en stotend vertelde ik haar het hele verhaal. Moeder was even stil en zei toen: "Kies liever een mooi beeld van Sint-Jozef. We zullen het een ereplaats geven, daar in die hoek van de woonkamer. Hij zal ons huis bewaren."

    "Maar ik wil een hobbelpaard", riep ik huilend uit. Helemaal overstuur rende ik terug naar mijn vriend: "Moeder heeft liever een beeld van Sint-Jozef, zei ik tegen de lieve mevrouw, maar ik wil een hobbelpaard!!" Samen met mijn vriend sprong ik weer op het paard en we schommelden dat het een lieve lust was. Wat later kwam de lieve dame terug met een groot pak in haar armen, en gaf het aan me en zei vriendelijk: "Doe de groeten aan je moeder en geef haar dit beeld van Sint-Jozef."
    Ontgoocheld en verbitterd keerde ik naar huis terug. Ik gooide het beeld naar mijn moeder en riep: "Hier heb je je heilige Jozef!"
    Moeder deed het pak open en bewonderde het mooie beeld. Ze zette het op de ereplaats, knielde neer en bad er vurig voor. Toen stond ze op, streelde mijn wangen en keek mij dankbaar en glimlachend aan. Ik sloeg echter de ogen neer en weigerde naar het beeld te kijken. Sint-Jozef zou nooit mijn vriend worden.....

    De jaren gingen voorbij, totdat ik mijn dienstplicht moest vervullen. Toen kwam echter de oorlog. Alvorens naar het front te vertrekken brachten moeder en mijn zieke vader mij bij het beeld van Sint-Jozef. "Hier, zeiden ze, zullen we elke avond voor je bidden. Dat Sint-Jozef je moge beschermen en gezond en wel terugbrengen."

    Het front was een hel. Mijn makkers sneuvelden de één na de ander. In deze vreselijke uren richtte ik mij tot Sint-Jozef. Ik betuigde hem mijn oprechte spijt over mijn gedrag van vroeger. En ik stelde me onder de hoede van hem die ik van toen af mijn goede Vader Jozef noemde.
    En de goede Heilige heeft mijn gebed verhoord. Van al de soldaten van heel ons bataljon was ik de enige overlevende!! Dat heeft zo’n indruk op mij gemaakt dat ik op staande voet het voornemen maakte: "Als ik die oorlog mag overleven, ga ik me volledig werpen op de studie voor het priesterschap!!"

    Ik ben bij mijn ouders teruggekeerd. De vreugde van dit weerzien was onbeschrijfelijk. Bij het horen van mijn belofte weenden we samen van vreugde. Voor het beeld van Sint-Jozef werd mijn voornemen omgezet in een plechtige belofte!

    Toen ik later, als priester, retraites hield, heb ik altijd minstens één van mijn preken aan Sint-Jozef gewijd. Tot de dag van vandaag is Sint-Jozef altijd mijn trouwe vriend gebleven!!!!


    De genade

    Voorbestemd tot de zeer hoge waardigheid van Echtgenoot van Maria, ontving Sint-Jozef van de Heilige Geest een voorbereiding van genade, met betrekking tot de verheven en delicate opdracht die hij moest vervullen. "Wij mogen en moeten een groot vertrouwen hebben in de bescherming van Sint-Jozef, want hij is door zijn heiligheid buitengewoon dierbaar aan God geweest."

    "Om de heiligheid van Jozef te kunnen schatten, is het voldoende te weten, dat hij door God werd uitverkoren om de vaderlijke plichten tot Jezus Christus te vervullen. Want telkens wanneer God iemand uitverkiest voor een bepaalde taak, Hij hem alle genaden geeft, die hem geschikt maken voor het vervullen van deze taak. Daar God Sint-Jozef dus bestemd heeft om het vaderlijk gezag over het mensgeworden Woord uit te oefenen, kan men als zeker beschouwen, Hij deze persoon ook alle genaden van wijsheid en heiligheid geeft om deze opdracht goed te vervullen. Men mag er dan ook niet aan twijfelen, dat Hij hem gezegend heeft met al de genaden en voorrechten, aan de andere Heiligen verleend. En meer genaden dan aan hen."

    Zou de verhevenheid van genade, die wij in Sint-Jozef erkennen het voorrecht mee hebben gebracht, dat hij vanaf de moederschoot geheiligd zou zijn, zoals Sint-Johannes de Doper?
    Het voorrecht van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria was te danken aan het feit, dat Zij geroepen was het Woord Gods te bezitten vanaf het eerste ogenblik van zijn Menswording. Hij moest Haar in bezit nemen vanaf het eerste ogenblik van haar eigen ontvangenis, anders zou Zij haar Verlosser meer hebben bezeten, dan dat Zij door Hem bezeten zou zijn, hetgeen onaanvaardbaar is. De liefde van God voor Zijn schepsel kan niet minder diep zijn, dan de liefde van het schepsel voor zijn God.

    Welnu, een dergelijke vergelijking dringt zich op voor wat Sint-Jozef betreft. Hij kwam in bezit van zijn Verlosser, terwijl deze zich nog in de moederschoot bevond, te weten op het ogenblik dat de Engel hem het geheim van het moederschap van zijn kuise Echtgenote toevertrouwde; vanaf dat moment kreeg hij over het Kind het vaderlijk gezag. Ligt het niet in de logische lijn der goddelijke beschikkingen, dat de Verlosser in het bezit heeft willen komen van zijn toekomstige vader door een voorkomende genade, zelfs vóór zijn geboorte, omdat Hij zich, hoewel nog niet geboren, voorbestemde aan Jozef toe te behoren?
    Het volstaat ons deze harmonische relatie aan te tonen. Laten wij proberen te zeggen wat de genade van Sint-Jozef inhield.

    Als roemrijke afstammeling van David, zoals de tot zijn eer gemaakte litanieën vermelden, bevatte hij zonder enige twijfel al de deugden die zijn voorouders kenmerkten. Hij had het uitnemende geloof van Abraham, de oprechtheid van Isaac, het geduld van Jacob met de zuiverheid van Jozef, de geest van godsvrucht van de heilige koning David, de onderworpenheid aan God van Ezechias en de brandende ijver van Jozias. Bestemd om Echtgenoot van de Maagd te worden, ontving hij een volmaakte bestendigheid van ziel tegenover alle hartstochtelijke gemoedsbewegingen; bestemd om de goddelijke mysteries te verbergen, ontving hij de geest van stilzwijgen, ingetogenheid en nederigheid, die geen enkel andere sterveling kan bereiken.
    "Hij was zonder de minste smet in maagdelijkheid, zeer diep in nederigheid, zeer vurig in zijn liefde tot God en de naaste en zeer verheven in de beschouwing."

    Laten we nu eens op deze eigenschap letten: Jozef was vrij van elke gehechtheid tot het tastbare; hij genoot een zeer hoge en ononderbroken graad van beschouwing. Is het gewaagd te denken dat hij de geheimenisvolle benaderingen van God tot zijn Vaderen kende, evenzo als Abraham onder de eik van Mambre, Jacob in zijn slaap op de steen van Bethel en als Mozes bij het brandend braambos op de Horeb?

    Wij bewonderen in Abraham een zielsvermogen, in staat om een ontelbaar geslacht te omhelzen; de Heilige Schrift zegt ons, dat God aan Salomon een hart schonk zo groot als de stranden der zeeën, om er de schatten van de goddelijke wijsheid in te verbergen.

    De ziel van Sint-Jozef werd door de Heilige Geest onvergelijkelijk breder en dieper geschapen, omdat Hij er Maria het volmaakte Schepsel, en Jezus, het mensgeworden Woord, in al hun luister wilde doen stralen. Wij vergelijken deze ziel dan ook niet met de diepte der zeeën, doch met het onmetelijk gewelf der hemelen.
    En deze ziel, die iets van de helderheid en voornaamheid der hemelse ruimten bezat, was van een buitengewone zachtmoedigheid; zij bloeide in even vurige als zeer zuivere gevoelens.
    Zijn liefde ging geheel op in God, doch hij was bereid om in God de personen te beminnen, die God hem in Zijn liefde zou aanbieden.

    ---------------------------------


    Het heiligenbeeld

    Hans Doler, houtsnijder van beroep in het begin van de achttiende eeuw was niet zomaar een kunstenaar, hij was een christelijk kunstenaar. Zijn vrouw Gretchen had een zeer bijzondere verering voor Sint-Jozef, patroonheilige van de houtbewerkers van de Pegnitzvallei. Zij had Hans gevraagd voor haar een beeld te maken van haar lievelingsheilige. Sint-Jozef werd afgebeeld met het Kind Jezus aan zijn hand, en in een zegenend gebaar strekt hij de hand uit over allen die voor hem knielen. De kleine Fritz, twaalf jaar oud, hielp zijn vader bij het vervaardigen van het beeld en nooit werd een mooier werkstuk door de beeldhouwer afgeleverd. Iedere avond bad het gezin voor het beeld, dat een ereplaats had boven de haard.

    Op een dag, toen Fritz naar München zou vertrekken om er het houtsnijdervak te leren, werd zijn vader ziek. De jongen moest dus vervanging zoeken voor zijn vader. Het gezin was diep bedroefd.
    Op een nacht echter, toen Hans veel pijn had, werd de kamer plots hel verlicht en een statige man met aan de hand een mooi blond jongetje trad binnen. Zij namen het houtsnijdergereedschap en gingen aan de slag om het werk af te maken waarmee al begonnen was. De werklieden straalden zoveel waardigheid uit, hun blik was zo zacht en hun werk zo geruisloos dat Hans niet angstig was, maar hen in stilte bewonderde. Overigens kwamen de man en het kind hem vaag bekend voor. Hij zag hoe zij de slapende kinderen naderden, hen aanraakten en hun hand uitstrekten naar hemzelf en zijn vrouw. Vervolgens verlichtten zij de kamer als zonnestralen en verdwenen.

    Het ochtendgloren brak aan. Hans richtte zich op, zijn hoofd voelde helder en bevrijd aan en toen hij zich uitrekte waren zijn armen ontspannen. "Gretchen, zei hij, ik ben genezen". De kinderen kwamen blij aangelopen en hij liep met hen naar de werkplaats. De werkstukken, die twee weken onaangeroerd waren blijven liggen, waren tot in de perfectie voltooid.

    Droomde hij? Maar neen, hij was wel degelijk genezen en het werk was inderdaad klaar. Hans knielde devoot voor het heiligenbeeld neer. Hij herkende duidelijk de gelaatstrekken van de man en het Kind en vertelde zijn visioen. Hij weende van vreugde en werd vervuld van dankbaarheid. Het heiligenbeeld werd verguld en in het gezin bewaard als de kostbaarste schat van het huis.


    Innerlijk leven

    Ook over het werk van de timmerman in het huis van Nazareth ligt dezelfde sfeer van stilzwijgen waarmee alles gepaard gaat wat op de figuur van Jozef betrekking heeft. Het is echter een stilzwijgen dat op bijzondere wijze de innerlijke werkelijkheid van deze figuur openbaart.

    De Evangelies spreken alleen over wat Jozef deed; toch stellen zij in staat in zijn doen, dat met stilzwijgen omgeven is, een sfeer van diepe contemplatie te ontdekken. Jozef stond dagelijks in contact met het mysterie dat van eeuwigheid verborgen was en was komen wonen onder het dak van zijn huis.

    De ware aanleiding voor het volledige offer dat Jozef van heel zijn leven gemaakt heeft ter wille van de aanspraken van de komst van de Messias in zijn eigen huis, vindt men "in zijn onpeilbaar innerlijk leven, waaruit voor hem zeer uitzonderlijke opdrachten en vertroostingen voortkomen en de logica voortvloeit en de kracht, die eigen is aan eenvoudige en zuivere zielen, voor grote beslissingen, zoals die om onmiddellijk zijn vrijheid, zijn wettelijke menselijke roeping, zijn echtelijk geluk ter beschikking te stellen van de goddelijke plannen".
    "En de staat, de verantwoordelijkheid en de last van het gezin te aanvaarden en afstand te doen van de natuurlijke echtelijke liefde ten behoeve van een onvergetelijke maagdelijke liefde, die het innerlijke leven fundeert en voedt".

    Deze onderwerping aan God, die gelegen is in de ogenblikkelijke wilbereidheid om zich geheel en al in Zijn dienst te stellen, is niets anders dan de beoefening van de godsvrucht, die één van de uitingen van de deugd van godsdienst vormt.
    De levensgemeenschap van Jozef en Jezus voert ons nog tot de overweging van het mysterie van de menswording juist ten aanzien van de menselijke natuur van Jezus Christus, welke het doeltreffende werktuig van God is voor de heiliging van de mensen: "De menselijke daden van Christus waren uit kracht van zijn godheid heilzaam voor ons en oorzaak van genade in ons, zowel om reden van de verdienste als door een zekere doeltreffendheid".

    Onder deze daden kennen de Evangelisten een bijzondere waarde toe aan die, welke het Paasmysterie betreffen, maar zij laten niet na de betekenis te beklemtonen van het fysieke contact met Jezus met het oog op genezing en de invloed die Hij uitgeoefend heeft op Johannes de Doper toen beiden nog in de moederschoot waren.

    Zoals men heeft gezien, heeft het apostolische getuigenis de verhalen over de geboorte van Jezus, de besnijdenis, de opdracht in de tempel, de vlucht naar Egypte en het verborgen leven in Nazareth niet veronachtzaamd, vanwege het mysterie der genade dat vervat is in die handelingen, die alle heilshandelingen zijn, omdat zij delen in dezelfde bron van liefde: de godheid van Christus. Als deze liefde door middel van de mensheid van Christus uitstraalde over alle mensen, profiteerden daarvan zeker op de eerste plaats degenen die de goddelijke Wil geplaatst had in de meest vertrouwelijke relatie met Hem: Maria, Zijn Moeder, en Jozef, Zijn Voedstervader. Hoe zou men kunnen doordringen in de diepte van de geheel uitzonderlijke relatie tussen Jozef en Jezus, daar de vaderlijke liefde van Jozef wel invloed moest uitoefenen op de kinderlijke liefde van Jezus en omgekeerd de kinderlijke liefde van Jezus wel invloed moest uitoefenen op de vaderlijke liefde van Jozef?

    De zielen die het meest gevoelig zijn voor de aandrang van de goddelijke liefde, zien terecht in Jozef een lichtend voorbeeld voor het innerlijk leven. In hem wordt bovendien op ideale wijze de schijnbare spanning overwonnen tussen het actieve en contemplatieve leven, wat mogelijk is voor wie de volmaakte liefde bezit.

    Het bekende onderscheid volgend tussen de liefde voor de waarheid en de eisen van de liefde, kan men zeggen dat Jozef zowel de liefde voor de waarheid heeft gekend, de zuivere liefde dus voor de beschouwing van de goddelijke Waarheid die afstraalde van de mensheid van Christus, als de eisen van de liefde, de eveneens zuivere liefde dus van de dienst die vereist werd door de bescherming en de ontwikkeling van die mensheid.



    Geest van zwijgzaamheid

    Sint-Jozef bezat een uitzonderlijke voorzichtigheid. Een hogere graad van voorzichtigheid zou een mens moeilijk kunnen bereiken.
    Deze deugd bracht hem ertoe, alleen nog de goddelijke kant van de gebeurtenissen te zien. Deze deugd beheerste ook het vluchtige verloop der wereldse aangelegenheden. De heilige Jozef – grote Heilige die hij was – verschijnt voor ons als een contemplatief, volledig in beslag genomen door God.

    Hij verschijnt voor ons als de man van de stilte en van het mysterie, die in deze wereld verblijft zonder tot deze wereld te behoren, en die door niets, al was het maar één ogenblik, afgeleid wordt van de gedachte aan de eeuwigheid.

    Laten wij dan ook in hem de ‘zwijgzame’ mens bewonderen: weten te zwijgen is een uitmuntend facet van de deugd van voorzichtigheid. De Heilige Schrift vergelijkt de grootspreker met een open stad die geen vestingmuren heeft. Jozef zwijgt in alle omstandigheden en altijd. Hij is als een burcht die zijn schatten bewaart achter ondoordringbare muren.

    Zijn ‘zwijgen’, ontstaan uit een geest van godsdienstigheid en gebed, was bij hem iets heel natuurlijks geworden. Het Evangelie vermeldt geen enkel woord dat over zijn lippen is gekomen. Het deelt ons alleen mede, dat hij de naam "JEZUS" aan het Goddelijk Kind gegeven heeft. Zo is "Jezus" alles wat de heilige Jozef gezegd heeft. Maar met "Jezus" te zeggen, heeft hij alles gezegd, heeft hij het woord uitgesproken dat alle mysteries verlicht, het woord waarvan het mensdom leeft en tot het einde der tijden zal leven. Laten wij met hem herhalen: "Jezus!".

    Niet alleen heeft Jozef gezwegen, maar er was ook niets in zijn houding dat het geheim van Jezus’ Godheid liet vermoeden. Hij gedroeg zich zó, dat allen geloofden dat hij de vader was van de jongen die onder zijn ogen opgroeide. En hij deed dit op een volmaakt makkelijke wijze, zonder enige gedwongenheid, dankzij zijn grote en als het ware instinctieve voorzichtigheid, die zijn geringste handeling bepaalde, en ook dankzij het bewustzijn dat hij trouw moest blijven aan de zending die hij uit de hemel had ontvangen.

    Laten wij gaan tot de kern van deze houding van de heilige Jozef, tegenover het ‘Vleesgeworden Woord’; wij zullen er lichtende lessen in ontdekken.

    Een hoge en verheven deugd bewerkt, dat geloof en aanbidding groeien door de vertrouwelijke omgang met de goddelijke zaken. De gewoonte echter om ermee om te gaan, doet maar al te vaak de eerbied ervoor verminderen. Jozef ging op elk ogenblik met Jezus vertrouwelijk om. Hij moest het ook zo doen! Deze vertrouwelijke omgang echter deed niets af aan zijn gevoelens van aanbidding tegenover de Zoon van God. Integendeel, hierdoor werd hij ertoe gebracht het geheim van de Zoon van God steeds levendiger te doorschouwen, en zijn eigen nietigheid grondiger te beseffen. Door het contact met de ‘vernederingen’ van het ‘Goddelijk Woord’, groeide de nederigheid van Jozef tot onpeilbare diepten. Gods majesteit, verborgen onder de sluier van een menselijke gedaante, vond nooit zo’n grote en nederige aanbidder als Sint-Jozef.

    O! Gij priesters die consacreert, gij gelovigen die communiceert, volgt het geloof, de eerbied, de aanbidding, de serafijnse liefde na van deze grote Heilige in zijn omgang met het ‘Vleesgeworden Woord’!

    Laten wij ons allen inspireren door zijn hemelse voorzichtigheid, om altijd te handelen overeenkomstig de Wil van God. Gehoorzamen wij zoals Jozef aan de Heilige Geest, de opperste Raadgever van onze ziel. Laten wij, zoals hij, de gaven die God ons schenkt achter een sluier van stilzwijgen verbergen. Laten wij, door de wederwaardigheden van dit leven heen, onze ogen gevestigd houden op de eeuwige zaken en er met al onze krachten naar blijven streven. Zodanig is de voorzichtigheid der Heiligen.

    Sint-Jozef was de eerste, die na de Heilige Maagd, Onze Lieve Heer op de meest volmaakte wijze heeft aanbeden.
    Hij aanbad Hem met een diep geloof, sterker dan dat van alle Heiligen.
    Hij aanbad Hem met een nederigheid groter dan die van alle uitverkorenen.
    Hij aanbad Hem met een zuiverheid, zuiverder dan die van de Engelen.
    Hij aanbad Hem met een liefde zoals geen enkel schepsel, engel of mens, had of kon hebben voor Jezus; Hij aanbad Hem met een toewijding die even groot was als zijn liefde.

    Hoe werd het vlees geworden Woord verheerlijkt door de aanbidding van Maria en Jozef, die Het eerherstel wilden brengen voor de onverschilligheid en de ondankbaarheid van zijn schepsels!

    Sint-Jozef aanbad het vlees geworden Woord in innige vereniging met Zijn verheven Moeder, in vereniging met al de gedachten, daden van aanbidding, liefde en lofprijzing van Jezus tot Zijn Vader en in barmhartigheid voor de mensen waarvoor Hij mens werd.

    De aanbidding door Sint-Jozef was het gevolg van de werkelijke tegenwoordigheid van dit mysterie en van de genade, de geest en de kracht, die dit mysterie omvat. In de Menswording aanbad hij de diepe verootmoediging van Gods Zoon; te Bethlehem, Zijn armoede; te Nazareth, Zijn stilzwijgen, Zijn zwakheid, Zijn gehoorzaamheid, Zijn deugden, die hij zeer goed kende, en waarvan hij de bedoeling begreep, het offer aan de liefde en de glorie van de hemelse Vader.

    Sint-Jozef aanbad, tenminste inwendig, al wat Jezus zei en dacht. De Heilige Geest openbaarde hem dit alles, zodat hij zich ermee kon verenigen en de hemelse Vader eren in eenheid met zijn goddelijke Zoon, onze Redder.
    Zo was het leven van Sint-Jozef een leven van aanbidding van Jezus, maar dan wel van een volmaakte aanbidding.

    ----------------------------------


    De allerlaatste redding

    Aan het front lag een soldaat op sterven. In een oogopslag was te zien, dat hij ten dode was opgeschreven. De gewonde scheen het ook aan te voelen.

    Kameraad, fluisterde hij, jij bent theoloog, laat mij bij jou biechten.
    Dat kan ik niet, want ik ben nog geen priester.
    Haal dan de aalmoezenier.
    Dat gaat niet meer, hij zou te laat komen.
    Toen riep de stervende vertwijfeld: "Dan ga ik verloren; ik ben al geen twintig jaar naar de kerk geweest; ik heb me nooit om mijn ziel bekommerd, nu sta ik met lege handen en een beladen geweten."

    Ik dacht dan aan Sint-Jozef: hij had me altijd geholpen..... Zou hij niets voor die arme man kunnen doen? Denken was niet mogelijk! En plots kwamen mij de juiste woorden: "Vriend, niet wanhopen! Vertrouw op God! Hij is goed en barmhartig. Hij zal je vergeven, zoals Hij ooit de berouwvolle moordenaar aan het kruis heeft vergeven. Ik zal je helpen in je stervensnood. Wij bidden samen; zeg mijn woorden na, langzaam, oprecht en eerbiedig: Oh mijn God, ik geloof in God, ik heb U lief van ganser harte en méér dan al het andere. Uit liefde tot U, heb ik spijt over al mijn zonden van heel mijn leven. Mijn Jezus barmhartigheid!"

    Zo klonk zachtjes, het gebed van twee diepgetroffen mannen in de stille nacht: Jezus, wees mij genadig; Jezus, wees barmhartig voor mij; Jezus, vergeef mij al mijn zonden! Jezus, ik heb U lief; Jezus, voor U wil ik sterven; Jezus, wees mij genadig. Jezus, Maria, Jozef! Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest."

    Langzaam waren de eenvoudige, heilige woorden een gebed geworden. De stervende had ze nagebeden; zijn stem werd zachter, daarna bewogen slechts nog zijn lippen; dan sprak nog alleen zijn ziel met God. Spoedig stokte zijn adem en hartslag. Een verloren gewaande zoon verzonk in de Vaderhand van de barmhartige God.....

    Mogelijk moet ook u een keer een stervende in zijn laatste uur bijstaan. Een spoedige dood op het sterfbed of bij een ongeval. Als er dan geen priester bij de hand is en er geen tijd meer is om er een te roepen, dan zult u de priester moeten vervangen; dit geldt voor elke katholieke vrouw of man; ook een goed onderricht kind kan zelfs de priester vervangen. Handel dan zoals de theoloog bij de stervende soldaat deed: Buig u over de stervende, menslievend en zonder valse schaamte en fluister hem heilige aanmoedigingen van geloof, hoop en liefde in het oor. En bid met hem een oefening van berouw. Wek in hem het vertrouwen op in Gods barmhartigheid, opdat hij zich in Gods Heilige Wil beruste. Misschien geeft hij geen levenstekenen meer, doch hij hoort u en bidt in zijn hart, wat u hem voorbidt. Roep de Heilige Jozef aan; hij geeft u de juiste woorden in. U hebt dan een scheidende ziel bijgestaan en hem de poort van het eeuwige Leven geopend. De Verlosser, die ook voor deze ziel gestorven is, zal het u belonen in uw eigen stervensuur.






    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GEBED TOT MARIA.

    GEBED TOT MARIA

    "O heilige Maagd, Moeder van God, Koningin der mensen en der engelen, wonder van hemel en aarde, ik vereer U op alle wijzen, waarop het mij volgens God vergund is, waarop ik het, overeenkomstig Uw grootheid verplicht ben en waarop Uw enige Zoon Jezus Christus, onze Heer, verlangt, dat gij op aarde en in de hemel wordt vereerd.

    Ik offer U mijn ziel en mijn leven, en wil U voor altijd toebehoren, en U in tijd en eeuwigheid een bijzondere hulde en afhankelijkheid betonen. Moeder van genade en barmhartigheid, ik kies U tot Moeder van mijn ziel, ter ere van het welgevallen dat God zelf er in vond, U tot zijn Moeder te kiezen. Koningin der mensen en der engelen, ik aanvaard en erken U als mijn Vorstin, ik eer daardoor, dat Vaders Zoon, mijn Verlosser en mijn God, van U, als van zijn Moeder afhankelijk wilde zijn, en ik geef U, in die hoedanigheid van Vorstin, alle macht over mijn ziel en mijn leven, die het mij, volgens God, geoorloofd is, U te geven. O heilige Maagd, beschouw mij als de Uwe, en, door Uw goedheid, handel met mij als met de onderhorige van Uw heerschappij en het voorwerp van Uw barmhartigheid.

    O Bron van leven en genade, Toevlucht der zondaren, om bevrijd te worden van de zonde en voorbehoed voor de eeuwige dood, neem ik mijn toevlucht tot U; moge ik staan onder Uw voogdij, delen in Uw voorrechten en door Uw grootheid, Uw voorrechten en het recht, U toe te behoren, genadig verkrijgen, wat ik om mijn schuld niet verdien te bekomen; laat mijn laatste levensuur, dat beslissen zal over mijn eeuwigheid, in Uw handen zijn, ter ere van het zalig ogenblik der Menswording, toen God mens werd en U tot zijn Moeder maakte.

    O Maagd en Moeder tevens! O geheiligde Tempel van de Godheid! O wonder van hemel en aarde! O Moeder van mijn God! Ik behoor U toe op de algemene rechtsgrond van Uw grootheid, maar wil dit bovendien op de bijzondere rechtsgrond van mijn keuze en vrije wil. Ik geef mij dus aan U en aan Uw enige Zoon, Jezus Christus, onze Heer, en geen enkele dag wil ik laten voorbijgaan, zonder aan Hem en U enige bijzondere hulde te brengen, en enige betuigingen te geven van mijn afhankelijkheid en dienstbaarheid, waarin ik verlang te sterven en voor eeuwig te leven."



    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.

    DE SPEELMAN EN ZIJN VIOOL. VIERDE BOEK, KAP. 100.

    Gods zoon sprak tot zijn bruid: "Gij zult zijn als het instrument van den speelman, dat viool genoemd wordt, waaruit de speelman aangename geluiden te voorschijn roept. Hij beslaat het met zilver en versiert het uitwendig, opdat het er des te kostbaarder zal uitzien en verguldt het inwendig met blijvend goud. Zoo zult ook gij verzilverd zijn met goede zeden en met menschelijke wijsheid, opdat gij verstaan moogt, wat uw plicht is tegenover God en tegenover uwe mede-christenen en wat ziel en lichaam leidt naar eeuwig welzijn. En inwendig zult gij verguld zijn met ootmoed, zoodat gij niemand anders behagen wilt dan mij en niet vreest om den menschen ter wille van mij te mishagen.

    Daarna doet de speelman drie dingen met zijn viool. Eerst wikkelt hij haar in een zijden doek, opdat zij rein blijve. Ten tweede doet hij haar in een foedraal, waarin zij bewaard kan worden. Ten derde doet hij een slot op het foedraal, opdat dieven de viool niet wegnemen. Zoo zult ook gij in reinheid gewikkeld zijn, zoodat verkeerde begeerten of daden u niet verontreinigen, maar dat gij streeft naar eenzaamheid, want de omgang van slechte menschen bederft goede zeden. Het slot beteekent dat gij nauwkeurig moet achtgeven op wat gij ziet en hoort, evenals op uw mond en uwe daden en handelingen, zoodat gij steeds bij uw handelingen op de wacht zijt, dat gij niet bedrogen wordt door de list van den duivel. De sleutel beteekent de Heilige geest, die uw hart zal openen, zooals het mij behaagt, tot mijn eer en nut.

    Wordt  vervolgd.

    22-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN ALLEN EEN GEZEGENDE WOENSDAG TOEGEWENST.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.vragen aan God .
     
    vragen aan God

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MARIA ONZE LEIDSTER.

    God roept ons tot de Heiligheid

    "In Christus Jezus heeft Hij ons voor de grondvesting van de wereld uitverkoren, om heilig en vlekkeloos te zijn in zijn ogen. Liefdevol heeft Hij, volgens het welbehagen van zijn wil, ons voorbestemd, om zijn kinderen te worden door Jezus Christus, tot lof van zijn glorie".

    Ziedaar onze roeping. God roept ons, om deel te hebben aan zijn heiligheid door de aanneming tot kinderen in Christus Jezus. Dit noemt Sint Paulus "het grote mysterie", "het Bestel van het heilsgeheim van eeuwigheid in God verborgen", het mysterie van de volledige Christus.

    Door het geloof kennen wij het geheim van Gods innerlijk leven: de Vader heeft een Zoon, aan Hem gelijk; Beiden zijn verenigd in een omhelzing van oneindige liefde, waaruit de Heilige Geest voortkomt...... Het bezit van een Zoon is de gelukzaligheid van de Vader, "de glans van zijn glorie" zegt Sint Paulus.

    Maar God breidt zijn vaderschap naar buiten uit; Hij deelt zijn gelukzaligheid met zijn uit het niet getrokken schepselen, maar die zijn loutere goedheid tot Hemzelf opheft: Hij maakt er zijn kinderen van. "Hij maakt ons deelgenoot van het rijk van zijn heiligheid en van het kindschap Gods." Het is de buitengewone genade van de aanneming tot kinderen in zijn welbeminde Zoon. Met een oneindig welgevallen zag de Vader van alle eeuwigheid de mensheid van zijn Zoon verenigd met het Woord, dat de heiligheid en de liefde zou doen uitbloeien, niet slechts in de Verlosser Christus, maar in ieder van hen die de Heiland met Zich verenigen zou, want het vleesgeworden Woord leidt zijn leven van aanbidding en van liefde in Zichzelf en in de aangenomen kinderen. Wat wondervolle liefde! "Ziet, hoe grote liefde de Vader ons heeft bewezen dat wij kinderen Gods worden genoemd en het ook zijn", zegt Sint Jan.

    Praktisch bestaat de heiligheid in kinderen Gods te worden in Christus Jezus. "Hen die God te voren heeft gekend, heeft Hij voorbestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon." Het Woord is vlees geworden "om ons te doen delen in het kindschap". Hij deelt ons het leven van de Vader mee en bewerkt onze intrede in de goddelijke familie. Wij zien Hem het leven van zijn Zoon leiden, dat wij moeten navolgen. Heel ons krachtdadig streven moet gericht zijn op de vereniging met Jezus, om door Hem deelgenoot te worden van zijn leven als Godskind. Geen ander middel bestaat er, om tot God te gaan: "Niemand komt tot de Vader dan door Mij".


    Ons beroep op het Moederschap

    Wijl het er om gaat, kind van God te worden, beroepen wij ons dan op Maria, de Moeder van de Eerstgeborene. Het moederschap is haar voornaamste taak. Bezit zij als Dochter van de Vader, Moeder van het Woord, Bruid van de Heilige Geest niet al het nodige, om ons het grote Godsgezin binnen te voeren? Van het koninkrijk van de genade is zij de koningin.

    Wij vragen haar, in óns haar moederschap voort te zetten; zij heeft het Hóófd van de mystieke Christus gevormd, het behage haar nu ook, de ledematen te vormen. Geve zij aan de Menswording, in haar schoot begonnen, de door God verwachte uitbreiding; wake zij over de groei van Christus’ ledematen, zoals zij over de groei van het Hóófd heeft gewaakt. Moge zij in ons voortgaan, de Moeder van Christus te zijn. Het komt er nu op aan, de kinderen, bij de Menswording ontvangen en op Calvarië gebaard, tot de volmaaktheid van hun leven op te voeren, en, zoals Sint Paulus zegt, "tot de staat van volwassen man, tot de maat van de volmaakte Christusgestalte".

    Wat God van ons wil, kan Maria tot werkelijkheid maken. Haar moederschap is met het vaderschap van God in overeenstemming. De "volheid Gods" waarvan Sint Paulus spreekt, bezit zij, om ze aan ons te geven. Gij kunt er dan ook naar streven, evenals zij, deel te hebben aan de schaduw van de Vader en de werking van de Heilige Geest en uit u zal dan het Heilige worden geboren, dat Zoon van God zal worden genoemd.


    Maria verenigt ons met de
    Mysteriën van Christus

    De historische duur van de mysteriën is voorbij, maar hun kracht blijft: "De Christus was gisteren," zegt Sint Paulus, "Hij blijft heden, Hij leeft in eeuwigheid." Waarom "heeft Hij de Kerk bemind en Zich voor haar overgeleverd?" Om haar te heiligen. Gedurende zijn aardse leven deed Hij het door de mysteriën van zijn mensheid; nu doet Hij het door de altijd werkende, heiligende werkelijkheden van de zelfde mysteriën. Een ééuwige werkelijkheid zijn de mysteriën. "Hun kracht verdwijnt nooit, nooit ook zal de liefde waarmee ze voltrokken zijn, een einde nemen. De zin, de gesteldheid, de kracht, de verdienste van het mysterie blijven. De bedoeling van God, waarmee het geheim is bewerkt, de innerlijke gesteldheid van het uiterlijk mysterie, de werkdadigheid en de kracht die het geheim doen leven en in ons een deugdzame gesteltenis bewerken, de verdienste waardoor Hij ons bij de Vader vrijkocht, en voor óns de hemel, het leven en Zichzelf won; zelfs de werkelijke genegenheid, de vurige gezindheid, waarmee Jezus het mysterie bewerkte, dit alles blijft altijd levend, werkelijk en voor Jezus tegenwoordig. Zó, dat, mocht het noodzakelijk kunnen zijn en aan God, zijn Vader, behagen, Hij volkomen bereid zou zijn, opnieuw te lijden, opnieuw dit werk, die daad, dat mysterie te voltrekken. Dit maakt het ons tot een plicht, Jezus’ mysteriën niet als voorbije en dode dingen te beschouwen, maar als levende, tegenwoordige en zelfs eeuwige dingen, waarvan wij een kostbare en eeuwige vrucht moeten plukken."

    Onmogelijk is het te zeggen, welk nut het heeft voor de ziel, zich, geheel bewust, verenigd te houden met Jezus’ mysteriën, door de genade gebruikte kanalen, om de wereld het leven te geven. Hierin ligt de weldaad van de Rozenkrans. De rozenkrans is het middel waardoor Maria ons met de altijd tegenwoordige geheimen van haar Zoon, met de levendmakende werking van zijn mensheid verenigt.

    Het is voor haar gemakkelijk, ons in die gezegende wereld van Christus’ mysteriën te doen binnengaan. Onder haar oog werden zij voltrokken, meer nog, met haar medewerking. Zij heeft er een werkzaam aandeel in genomen; het zijn feiten van haar persoonlijke geschiedenis en tevens van haar moedertaak. Zij heeft er de wonderbare orde van begrepen en de betrekking waarin ieder geheim tot de heiliging van haar kinderen staat. Omdat zij er zelf geheel van vervuld is, kent zij er de vruchtbaarheid van.

    Hoe zich een denkbeeld te vormen van Maria’s vereniging met Jezus in deze mysteriën? God bewerkte in haar iets onuitsprekelijks, dat ons doet denken aan het mysterie van het innerlijk leven van de Drieëenheid. "Jezus, maakt haar met Zich één, en onttrekt ze aan haarzelf en aan haar innerlijke werkingen, opdat zij zou leven in Hem, en met heilige begeerte trekt Hij door een zekere zachte, verheven, machtige en bekoorlijke indruk de Moeder in haar Zoon, de Maagd in Jezus." Heel haar leven ging op in de beschouwing van het vleesgeworden Woord. "Het eigene van de heilige Maagd is al haar aandacht te wijden aan het innerlijk en geestelijk leven van haar Zoon, en louter een van Jezus vervuld kostbaar vat te zijn."

    Door het geloof doet zij ons in deze wereld van geheimen binnendringen. De levende verbintenis met Jezus wordt bewerkt door het geloof, dat ons verstand voor de verborgen rijkdommen van de Christus ontsluit; en ze wordt tot volmaaktheid opgevoerd door de liefde. Omdat de apostelen in Jezus geloofden, beminde de Vader hen: "Mijn Vader bemint u, omdat gij Mij bemint en in Mij gelooft". Het geloof verwerft de genade, het doet "in onze harten de bronnen van levend water ontspringen"; door het geloof staat de toegang tot het goddelijk kindschap voor ons open.

    Onze Lieve Vrouw nu wordt door de Kerk genoemd: Virgo fidelis, de Maagd van het geloof. Het geloof aan het woord van de engel, die haar toch een buitengewoon mysterie aankondigde, doet haar binnengaan in het mysterie van de Christus, "het geheim", zegt Sint Paulus, "dat God van eeuwigheid verborgen hield".

    Vanwaar heeft zij die zo nieuwe verborgenheden aangaande de Drieëenheid, de Menswording, het mystieke Lichaam, tenzij van het woord van Gods afgezant? "Zalig, omdat gij geloofd hebt", zeide tot haar Elizabeth haar nicht. Omdat zij zich in geloof neerbuigt, wordt zij opgenomen in de vervulling van Gods plannen. Het Woord gaat leven in haar omwille van haar geloof. Geheel haar liefde voor haar Zoon berust op dit onwankelbaar geloof, dat God nochtans in het vuur van de vreselijke beproevingen doopte. Haar zuiver, eenvoudig geloof maakt van haar de dienstmaagd van de Heer.

    "Christus wone door het geloof in uw harten; dat gij geworteld moogt blijven en gegrondvest in de liefde," schrijft Sint Paulus aan de Efeziërs. Dat geloof en die liefde verbinden ons met Christus, en maken, dat de mysteriën die Hij voor ons doorleefde, geheel en al de onze worden. Zoals Sint Paulus ook schrijft aan de Efeziërs: "God, die rijk aan ontferming is, heeft door de grote liefde, die Hij ons toedroeg, ook ons die dood waren door de overtredingen, ten leven verwekt te zamen met Christus; door de genade zijt gij gered. En in Christus Jezus heeft Hij ons opgewekt en in de hemel een plaats bereid te zamen met Hem; opdat in de toekomende tijden de overgrote rijkdom zijner genade zou worden geopenbaard, die Hij in zijn goedheid ons in Christus Jezus heeft geschonken". Wij doorleven opnieuw al de mysteriën van Christus: "Met Hem aan het kruis genageld, met Hem begraven, met Hem ook verrezen". En bij het opnieuw doorleven van Jezus’ mysteriën "worden wij gelijkvormig aan het beeld van Gods Zoon".

    "O Jezus, levend in Maria, kom en leef in uw dienaren, in de geest van uw heiligheid, in de volheid van uw kracht, in de volmaaktheid van uw wegen, in de waarheid van uw deugden, in de gemeenschap met uw mysteriën, die elke tegenovergestelde kracht overheerst, in uw Heilige Geest, voor de glorie van uw Vader".


    Maria verenigt ons met het
    offer van Christus



    Vereniging van Maria met het offer van Christus

    Jezus heeft met het kruis voor ogen geleefd.
    Altijd richtte Hij zijn voetstappen naar de Calvarieberg. De gedachte aan zijn offer ging de Verlosser van de wereld geen minuut uit de geest. Wil men zijn léven begrijpen, dan moet men het beschouwen in het licht van zijn dóód. Van zijn intrede in de wereld af, sprak Hij tot God: "Brand- en slachtoffers hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam gegeven..... Zie, hier ben Ik". Dit offer, het eerst opgedragen in Maria’s schoot, zette zich voort drie-en-dertig jaren lang, tot Jezus eindelijk zeide: "Alles is volbracht".

    En Maria? Evenals Jezus is zij voor het kruis bestemd. De genade van haar goddelijk moederschap eist het, en óók haar ongeëvenaarde liefde. Omdat zij Gods Moeder is, ontvangt zij een buitengewone genade, in hoge mate alle gaven overtreffend, die aan de andere aangenomen kinderen worden geschonken: een genade van aanverwantschap, die haar, zoals Cajetanus zegt, "de uiterste grenzen van de Godheid doet raken". Maar hierin ook vindt Maria haar kruis. Zij zal zo innig mogelijk de Verlosser gelijken; haar genade van eerste aangenomen dochter vormt haar naar Jezus, en op bijzondere wijze in zijn voorliefde voor het kruis. Zij is de eerste in het lijden, omdat zij de eerste in genade is. En óók, omdat zij de eerste is in liefde. "Is de liefde grenzenloos," zegt de heilige Albertus de Grote, "dan is ook de smart grenzenloos". En Richard van Saint-Laurent zegt: "Geen liefde is met die van Maria te vergelijken, geen smart zal dan ook haar smart evenaren". Haar martelaarschap vloeide voort uit de overmaat van haar liefde.

    Jezus maakte haar deelgenote van zijn schrikwekkend geheim. Het was immers niet mogelijk, dat Jezus leefde in het pijnlijk vooruitzicht van de Calvarieberg en Maria naast Hem een ongestoord leven leidde. De liefde die hen samenbond, eiste die vereniging. Uit liefde dan ook maakte Jezus zijn Moeder tot deelgenote van zijn droevig lot. Zijn offer, zijn lijden was het hoogtepunt van zijn leven; de liefde wilde, dat Hij er ook Maria toe ophief. Zij was immers zijn Moeder; zou zij zonder deelname in zijn smart iets anders zijn geweest dan een werktuig?

    Bovendien, als Jezus haar niet vóór was geweest en haar niet het deelnemen aan zijn offer had aangeboden, dan zou Maria het met zo’n nederig en zo’n vurig verlangen hebben gevraagd, dat haar liefde het verkregen had. Zo wenste zij Jezus overal te volgen, dan was het zeker op zijn lijdensweg. Zij wilde, naar Jezus’ woorden, dezelfde kelk drinken. Voor Maria was Jezus’ grootste gave haar eigen mede-lijden. Het mede-lijden dat Hij haar vergunde, met Hém zich te slachtofferen, met Hém God te verheerlijken en haar moederschap over de mensen uit te oefenen. Was zij daarenboven niet het beginsel van het lijden, zoals Sint Augustinus het uitdrukt, toen zij aan haar Zoon de natuur gaf, die alleen gedóógde, dat Hij leed? Wil men het leven van Maria begrijpen, dan moet men het zien, evenals dat van Jezus in het licht van het kruis. Vanaf de Menswording over de diepe zin van de voorspellingen verlicht en later gewaarschuwd door Simeon, de grijsaard, leefde zij in de gedachte aan het grote toekomstige offer. Na het onderhoud met de heilige grijsaard begreep zij, dat zij ging leven met een slachtoffer, om het gereed te maken voor de offerande. Voortaan zag zij altijd het lijden. Alles liep uit op een herinnering aan die voorspelling.

    Zij zelf zeide het aan de heilige Brigitta: "Telkens als ik mijn Zoon zag, telkens als ik Hem in doeken wikkelde, telkens als ik zijn handen en voeten beschouwde, werd mijn hart als door een nieuw zwaard doorboord: het was mij, of ik Hem reeds gekruisigd zag".
    Onze Heer Jezus openbaarde het ook aan de heilige Theresia: "Als gij ziet, dat mijn Moeder mij in haar armen houdt, stel u dan niet voor, dat die vreugde vrij was van een wrede kwelling; zodra zij Simeons woorden vernam, verlichtte mijn Vader haar met grote klaarheid over hetgeen ik zou moeten lijden".

    "Wat een langdurig martelaarschap leed gij," zeide Rupert, "gij hebt steeds voorzien, hoe uw Zoon zou sterven." Hij legde Maria ook de woorden op de lippen: "Heb toch niet alleen medelijden met mij, omdat ik mijn Zoon zag sterven. Gedurende heel mijn leven heeft het zwaard van Simeon mij het hart doorwond. Als mijn Zoon in mijn armen rustte, als ik Hem voedde, zag ik al zijn dood. Wat een lange foltering heb ik verduurd!" "Neen, o mijn lieve Vorstin," zegt de heilige Anselmus, "ik geloof niet, dat gij een ogenblik in de belemmering van zulk een smart had kunnen leven, als de geest van leven u niet had versterkt."

    Toen de dag van het hoogste offer nabij was, kwam Maria in de heilige stad. Zij óók kon toen zeggen: "Ik moet door een doopsel gedoopt worden, en wat een benauwenis in mij, totdat het aan mij wordt voltrokken!". Zij weet, dat het offer van haar Zoon het koninkrijk Gods zal herstellen, en zijn Bloed zonen Gods zal doen geboren worden. Zij weet, dat haar Zoon "die graankorrel is (uit haar schoot) in de aarde gevallen, en dat zij alléén blijft, als zij niet sterft, maar áls zij sterft, veel vruchten draagt". Zij ziet alle voorbestemden, die uit Calvarië’s offer worden geboren, de menigte van kinderen die de smart voor God gaat baren. Haar liefde dringt haar. Breekt de dag aan, dan is zij op de Calvarieberg. Een onmetelijke liefde dreef haar voort. Nu staat zij aan de voet van het kruis; zij stáát voor de smart, want zij beheerst haar. Met geest en hart deelt zij in al de folteringen van haar Zoon. Zij is geheel met Hem verenigd, en als vereenzelvigd, zozeer wilde zij met Hém dezelfde wil van God, zozeer streefde zij er naar met een volstrekte toewijding. Voor ons offert zij haar Zoon. Op Calvarië vooral geeft zij ons Jezus. Als God de Vader, heeft zij ons zozeer bemind, dat zij ons haar enige Zoon geeft.


    Onze vereniging met het offer door de liturgie

    Het is allernoodzakelijkst, dat wij ons met het offer van Christus verenigen. Dit offer, "oorzaak van ons eeuwig heil", zal slechts ten volle krachtdadig zijn, als wij, door de gedachte, door het hart, door onze daden, er een werkzaam aandeel in nemen. Door de vereniging met het lijden kunnen wij onze christelijke roeping tot werkelijkheid maken, want alle genaden komen van het kruis. Jezus stierf, om ons te heiligen. "Christus heeft de Kerk bemind en Zich voor haar overgeleverd, om Zich een heerlijke Kerk te bereiden, zonder vlek of rimpel of iets van dien aard, maar heilig en zonder enige smet". Nu begrijpen wij, waarom Maria ons brengt naar de voet van het kruis; daar immers vloeit de bron van heiligheid. Wie zich met Christus’ offer verenigen, worden geheiligd: "Door één enkel offer heeft Christus Jezus eens en voor al, de geheiligden tot volmaaktheid gebracht". Twee voorname middelen kunnen ons met Christus’ lijden verenigen: de liturgie en het aanvaarden van de smarten in ons dagelijks leven.

    Het altaar vereeuwigt de Calvarieberg. Opdat de genaden van zijn dood op alle mensen van alle tijden zouden toegepast worden, hernieuwt Jezus zonder ophouden zijn offerande. Voortdurend is Hij priester en slachtoffer.

    Bij de heilige Communie komt Hij als priester.
    De priesterlijke taak is aanbidden en verzoenen.
    In ons nu vervolmaakt Hij de aanbidding, voltooit de dankzegging en doet vergeving en goddelijke genade nederdalen. In ons aanbidt Hij, bedankt Hij, herstelt Hij, smeekt Hij. Al die in ons verrichte akten van de eeuwige Hogepriester worden, als wij maar willen, de onze. Wij verenigen ons met alle aanbidding, genoegdoening en gebed van de Christus. De innerlijke beweegkracht, die Jezus tot zijn Vader voerde, kan ook de innerlijke beweegkracht van ons leven worden. Wij kunnen God de volmaaktste hulde bieden, zoals de liturgie het onovertroffen zegt: "Dóór Hem en mét Hem en ín Hem zij U alle dank en eer, o almachtige Vader, in de eenheid van de Heilige Geest".

    Jezus komt ook als slachtoffer in zijn offerstaat. Als hostie komt Hij met de heiligheid, om zo te zeggen, van de Christus-Hostie. De offergave van de offerande wordt van elke profane aanraking verwijderd, en voor God bestemd, aan God gewijd. De kentekenen van de doorleefde heiligheid zijn volgens Sint Thomas dan ook déze: de innerlijke losmaking van de aardse dingen door de zuiverheid, en het standvastig aanhangen van God. In die verheven heiligheid nu van Christus aan het kruis, waar alles liefde was tot zijn Vader, waar Hij was "ware hostie en ware offerande, verteerd in geur van zoetheid", doet de liturgie ons delen.

    Wat een bron van genaden voor de gelovige, die op ware wijze aan de heilige Mis weet deel te nemen. Hij geeft aan God de volmaaktste hulde van kinderlijke aanbidding, hij put onmiddellijk uit de bron van alle genaden, door het contact met Christus’ dood versterkt hij zijn innerlijk leven, langzamerhand wordt hij een levende hostie, die elke dag met de Hostie van Calvarië wordt opgedragen. De christelijke roeping wordt zo tot werkelijkheid.

    Maar hoe zouden wij aan het offer deel kunnen nemen, zonder te denken aan de Moeder van de Hogepriester en het Slachtoffer en zonder een beroep op haar? Maria heeft gedurende beider aardse leven te innig deelgenomen aan het priesterschap van haar Zoon, dan dat zij niet voor immer aan de uitoefening van dit priesterschap verbonden zou zijn. Zoals zij op Calvarië tegenwoordig was, is zij ook tegenwoordig bij de heilige Mis, de voortzetting van Calvarië. Aan het kruis stond zij Jezus bij, toen Hij Zich opdroeg aan de Vader; aan het altaar staat zij de Kérk bij, die mét haar Hoofd zichzélf opdraagt, bij het hernieuwen van zijn offer. Offeren wij dan Jezus op dóór Maria.

    Maar Jezus wil niet alléén worden opgedragen. De heilige Mis, het offer van Christus, is óók het offer van Christus’ ledematen, het offer van de Kerk. Het wezen van de heilige Mis eist de offerande van Christus’ ledematen; met Hém dienen zij geslachtofferd in hetzelfde sacrificie en in gelijke gevoelens van overgave en volkomen onderwerping. Draagt de priester aan God de Hostie op, dan moeten wij Hem ook onze ziel, ons lichaam, geheel ons leven laten offeren, zoals Sint Paulus het vordert: "Dragen wij onze lichamen op, als een levende, heilige, aan God welgevallige hostie".

    Laat deze offerande door Maria geschieden. Aan Maria moet men vragen, dat zij zich dienaren verwekt, gevormd in deze liturgische geest, die de onmetelijke hulpbronnen van de liturgie, en meer in het bijzonder van de heilige Mis weten uit te buiten voor de glorie van God. De waarde van de heilige Mis is, in zichzelf, onuitputtelijk, maar Gods dienaren moeten er bij de Allerhoogste gebruik van weten te maken. In de eerste jaren van de Kerk, toen Maria nog leefde, verleende zij aan de door de apostelen gevierde heilige Geheimen een grote krachtdadigheid, die af te meten is naar de vooruitgang van de Kerk in die gezegende tijden. Op onze altaren maken de heiligen het Bloed van Christus voor zijn hemelse Vader welsprekend.


    Onze vereniging met het offer in het dagelijks leven

    De vereniging met Christus’ offer in geest, hart en gebed, door de liturgie, moet zijn voltooiing krijgen, doordat wij de handelingen van ons dagelijks leven er mee verenigen. Sint Paulus schreef aan de Romeinen: "Weet gij niet, dat wij allen die in Christus gedoopt zijn, in zijn dood zijn gedoopt? Door het doopsel zijn wij begraven met Hem in de dood......" "Onze oude mens werd met Hem gekruisigd." Tot de Galaten sprak hij: "Ik ben met Christus gekruisigd".

    Deze woorden zijn van een buitengewone ernst. Zij moeten richting geven aan ons leven. De doopgenade vormt ons naar de Verlosser, maakt ons deelachtig aan zijn dood. Dit is geen op zichzelf staande genade, buiten verband, maar een zaad dat kiemen moet en vruchten voortbrengen. Ieder christen moet het lijden in zich openbaar maken en, evenals Sint Paulus, aan het kruis zijn geklonken. "Omdat gij gedoopt zijt, moet gij u beschouwen als dood aan de zonde, maar als levend voor God, in Christus Jezus", zegt Sint Paulus in de brief aan de Romeinen. Christus zelf heeft ons geleerd: "Indien iemand na Mij wil komen, verloochene hij zichzelf en neme dagelijks zijn kruis op".

    Beminnen wij dan het kruis in zijn verschillende vormen: beproevingen, arbeid, ziekte, vernedering en wat al meer, alles wat de Voorzienigheid ons overzendt, om de groei van onze gelijkenis met Christus te bespoedigen. Daarbij moet men nog vrijwillige verstervingen en boetedoeningen voegen, volgens de bij ons doopsel aangegane verbintenis, die geen ontheffing duldt.

    Nadert voor ons het uur waarop wij ons met Christus’ offer moeten verenigen, dan is niets zo heilzaam dan aan háár te denken die zoveel voor ons heeft geleden. Gehéél haar leven leed zij. De wet van het offer omsloot haar. Haar smart groeide zelfs voortdurend, want de smart en de liefde wegen bij de voorbestemden tegen elkander op. In haar lichaam leed zij, maar véél meer in haar hart en in haar ziel. Haar martelaarschap was vooral inwendig.

    Er komen ongetwijfeld dagen, waarop het lichamelijk lijden ons fel zal aangrijpen. Dát is het ogenblik, om ons er aan te herinneren, dat wij Christus’ ledematen zijn, en het onze roeping is, zijn lijden voort te zetten. Vóór ons bewandelde Maria de koninklijke weg van het kruis. Denken wij aan haar ballingschap, haar armoede, haar verlatenheid. Hoe ook onze toestand zij, al was hij ook allerdroevigst en ongeneeslijk, zien wij voor ons uit naar Jezus en Maria: zij dragen hetzélfde kruis en nog veel zwaardere.

    Vreselijker dan lichamelijk lijden is het harteleed, máár ook heilzamer. Hoe diep grieven niet scheiding, zielestrijd, droefenis tot doodsbenauwdheid toe. Dan vooral moet men tot Maria opzien. In haar hart leed zij veel meer dan in haar lichaam. Haar innige vereniging met haar Zoon vermeerderde haar smart op ongewone wijze. Had zij minder bemind, dan zou zij minder geleden hebben. En dán, zij leed alléén. Hij die haar had kunnen troosten, de enige die haar smart begreep, Hij was juist de voornaamste oorzaak van haar doodsangst. Zij moest dus lijden zonder deelneming en dat is verschrikkelijk.

    Zij nu leert ons voor Jezus te lijden. "Ik ben met Christus aan het kruis gehecht", zeide Sint Paulus. Hoeveel meer waarheid bevatten die woorden ten opzichte van Maria! Verbonden met het verlossingswerk, deed haar moeder-zijn haar dieper dan alle anderen er in doordringen. Dit versterkt onze overtuiging, dat zij de smarten van haar Zoon levendig meegevoelde; zij werd in die smarten als opgenomen, zij maakte er de hare van, zij vereenzelvigde er zich mee. In waarheid was er maar één lijden, door Zoon en Moeder tegelijk doorstaan. Maria zeide het tot de heilige Brigitta: "In zijn lijden, zijn smart lag mijn smart, omdat zijn hart mijn hart was". Zoals zij bij de Menswording haar lichaam aan God had geschonken, opdat het Woord in haar schoot onze natuur kon aannemen, zo geeft zij op Calvarië, zonder voorbehoud, haar lichaam, haar hart, haar ziel, om met haar Zoon de marteling te verduren die ons vrijkoopt. Zij leed, om op aarde het Rijk van God te vestigen. Zij dacht aan óns. Het was de moeder die leed: de moeder van Jezus, maar ook de moeder van Jezus’ broeders, de moeder van barmhartigheid, de voorspreekster van de zondaars. Men bespeurt dan ook in haar niet de minste verontwaardiging. Haar Zoon geeft Zich over aan Gods rechtvaardigheid, maar smeekt vergiffenis af voor die Hem kruisigen. Dit deed ook zijn Moeder: de beulen van haar Zoon zijn immers óók haar kinderen. Beseft gij nu de gruwzame smart? Het kind van haar maagdelijk vlees, haar Jezus, ter dood gebracht door hén, die zij met een onuitsprekelijke liefde baarde in haar hart!

    "Vergeet de zuchten van uw moeder niet", zegt ons de heilige Schrift. Maria wil ons met het lijden van haar Zoon verenigen. Ook wij hebben ons deel aan dat lijden bijgebracht. Wij waren geen toeschouwers van Christus’ slachtoffering, maar bewerkers, en, naar waarheid gezegd, beulen. Om onze zonden is Christus gestorven en heeft Maria dit verschrikkelijk martelaarschap doorstaan.

    Maria wil, dat wij ook tháns nog deel hebben aan het lijden, maar nú uit liefde en, gelijk Sint Paulus zegt, "om in ons vlees te voltooien, wat nog aan Christus’ lijden ontbreekt". Wij ook moeten delen in de smarten van de Verlosser, met Hem mede-lijden door de vereniging in geloof en in liefde, door de werking van de boetvaardigheid en de droefheid. Dit is de voorwaarde voor onze zaligheid. "Wij zijn erfgenamen, erfgenamen van God, mede-erfgenamen van Christus, zo lijden wij met Hem".

    Christus’ verlossingswerk moet worden voortgezet. De Kerk lééft van zijn offer. Alle dagen wordt het hernieuwd op het altaar, maar ook voortgezet in Jezus’ lijdende ledematen. Het lijden van de christenen is voor het heil van de wereld noodzakelijk; het is bron van leven, het boet uit, het koopt vrij, het heiligt.

    Als God ons de eer bewijst, ons tot lijden te roepen, verheugen wij ons dan. Jezus geeft Zich aan ons in al zijn mysteriën, maar in geen enkel, zoals in het mysterie van het kruis. Er zijn uitwisselingen van liefdebetuigingen die slechts in de smart kunnen geschieden: op Calvarië gaf Jezus zijn Moeder aan Joannes. Maria leert ons lijden in stilte, in het verborgene. De stilte is de atmosfeer van de smart. Op Calvarië zweeg men. Als men klaagt, als men zijn verdrietelijkheden vertelt, als men vertroostingen zoekt, verliest men wat in de smart het meest heiligend is. Verspil die kostbare genade niet. Begrijpt gij de vereniging van zulk een ziel met God? Wie in de geest van offer leeft, doet méér dan Jezus volgen, hij dringt door in het hart van zijn mysterie. Met Sint Paulus kan hij zeggen: "Ik leef niet meer, Jezus leeft in mij". Jezus zeide tot de zalige Angela van Foligno: "Zij die beminnen en de weg volgen die Ik ben gevolgd, de weg van smarten, zij zijn mijn ware kinderen. Zij wier innerlijk oog op mijn lijden en mijn dood is gevestigd, op mijn dood, leven en zaligheid voor de wereld, op mijn dood en daarop alleen, zij zijn mijn ware kinderen. En de anderen zijn het niet".

    Vragen wij in het liturgisch gebed, aan onze lieve Moeder Maria, ons die offergeest te schenken en een slachtoffer te mogen zijn met haar Zoon: "Moeder, druk de wonden van de Gekruiste diep in mijn ziel".

    Tot Glorie van de Heilige Drieëenheid

    De kern van het innerlijk leven is de godsvrucht tot de Heilige Drieëenheid. Voor de groei van deze godsvrucht is het noodzakelijk, bijzondere gevoelens aan te kweken voor elk van de Drie Personen: kinderlijke liefde tot de Vader, die ons zijn enige Zoon gaf; onbeperkt vertrouwen in het Woord, onze Verlosser en algemene Middelaar; overgave aan de Heilige Geest, de Gast van onze ziel, onze Gids, onze Meester, de Verzorger van ons geestelijk leven. De heiligheid is de onuitsprekelijke vereniging van God met Zichzelf in de Drieëenheid van de Personen. Die oneindige vereniging van de Vader en de Zoon in de eenheid van de Heilige Geest, die liefdebeweging, de voltooiing van hun eenheid, en de overvolle maat van hun gelukzaligheid, die bewerkt, dat God in Zich: in zijn natuur en in de vereniging van de Drie Personen, al zijn geluk vindt, dat is goddelijke heiligheid. God is heilig, omdat de volmaaktheid van zijn natuur Hem op oneindige wijze afzondert van al wat niet God is, en omdat Hij oneindig gelukkig is in de levende, innige omhelzing van de Drie Personen onderling.

    Ook Maria is heilig. Haar onmededeelbare naam is de Heilige Maagd. Zij is heilig, omdat zij maagd is. De maagdelijkheid is de ongeschondenheid, de afwezigheid van de verdeling. Zij is heilig, omdat zij, bij haar schepping in God bevestigd, nooit een enkele aangekleefdheid zocht buiten God; zij heeft geleefd in God, volkomen gekeerd naar God.

    Wat óns betreft, kan ook onze heiligheid slechts de navolging zijn van Gods heiligheid; ze bestaat in God aan te hangen met het verstand, de wil en de uitwendige handelingen, zo dat wij met Hem "slechts één geest zijn", zoals Sint Paulus zegt. Dit alles terugbrengen tot de eenheid, aan God alleen behoefte hebben.

    Wie zal ons naar die bergtop van ons leven doen opgaan? Wederom Maria.
    Door haar maagdelijkheid is zij de boven alles beminde Dochter van de Vader; zij zal ons voor de goddelijke aanneming geschikt maken, door háár zullen wij kinderen worden.
    Door haar goddelijk moederschap is zij de Moeder van Gods enige Zoon; van ons zal zij broeders van haar Eerstgeborene maken.
    Door haar menselijk moederschap is zij de Bruid van de Heilige Geest; door háár komen wij in het mystieke Lichaam, van háár vloeien op ons de genaden van de Verlossing af.


    Maria verenigt ons met de Vader

    Maria is de koninklijk bevoorrechte Dochter van de Vader. Hij begiftigde Maria met alle schoonheid die God in een schepsel maar kón bijeenbrengen. Hij wilde, dat de volheid van natuur en van genade besloten werd in een schepsel, dat louter schepsel is, en de openbaring van Gods scheppende grondgedachte: dit nu is de Moeder van zijn Zoon. Zij ontving meer gaven dan alle engelen en mensen te zamen. Al wat de Vader aan luister bijeenbracht, toen Hij de engelen schiep, al wat Hij aanvoerde aan leven en kracht bij het scheppen van de mensen, dit alles voegt Hij bijeen en gaat het te boven, als Hij de Moeder van zijn Zoon formeert. Zij alleen is "vol van genade". En dit zegt alles. In haar, meer dan in alle schepselen, kunt gij Gods almacht en zijn liefde lezen. Zoveel een schepsel maar vermag, is zij de spiegel van de Onzichtbare.

    De liturgie zegt ons, dat het doel van de Menswording was, ons te brengen tot de liefde voor de onzichtbare Vader, door de kennis van de in het vlees zichtbaar geworden Zoon. God moest niet blijven in een ontoegankelijk licht: Hij, ons leven, ons licht, moest onder menselijk bereik komen. Op de eerste plaats openbaarde Hij Zich dan ook in het vleesgeworden Woord en vervolgens in Maria: in Jezus, de God met ons, in Maria, de ideale vorm van het met God verenigde schepsel. Zo kunnen wij in Jezus zien, wat God voor óns is, in Maria, wat wij, naar zijn verlangen, voor Hem moeten zijn.

    De schepping van de heilige Maagd in de glorie van de maagdelijkheid en van de genade maakte haar reeds tot het bijzonder voorwerp van ’s Vaders welbehagen. Maar hun vriendschap verinnigde zich tot een buitengewone graad, toen Maria het goddelijk Woord ter wereld bracht. Hier wordt het menselijk woord machteloos. "Om met u," zegt Bossuet, "een eeuwige verbintenis aan te gaan, wilde Hij, dat gij de Moeder zijn zoudt van zijn enige Zoon, en Hij de Vader van de uwe. O wonder! O afgrond van liefde! Welke geest zou zich niet verliezen in de beschouwing van het onbegrijpelijk welbehagen dat Hij in u stelde, sinds gij tot Hem in zo’n nauwe betrekking stond door die gemeenschappelijke Zoon, de onzichtbare band van uw heilige vereniging, het onderpand van uw wederkerige genegenheid, die Gij elkaar zo liefdevol betuigde."

    "Onze gemeenschappelijke Zoon!"
    God de Vader en Maria ontmoeten elkaar in een gemeenschappelijk liefde-punt, Jezus, hun enige Zoon; in een onuitsprekelijke vereniging zeggen Zij elkaar: "Hij die mij behoort, is ook van u". De vereniging van de drie goddelijke Personen alleen overtreft de vereniging van de Vader en de Maagd. "Die twee geheiligde Personen, de Vader in de hemel, en de Moeder op aarde, zijn nu verbonden, en tot band van hun heilige vereniging hebben zij een goddelijke Persoon, eenzelfde enige Zoon, die uit Hem voortkomt en tussen hen de onontbindbare band is, waardoor zij voor een eeuwigheid verbonden zijn".

    Nog verder zal deze vereniging zich voortzetten; het moederschap van Maria gaat even ver als het vaderschap van God; moeder van de Zoon van nature, wordt zij ook moeder van de zonen door aanneming. God heeft kinderen, maar door haar geeft de genade kinderen aan de Vader, dankt Hij ze dan ook niet aan Maria? Voor de vorming van Christus’ mystiek Lichaam was eerst de Menswording en het "fiat" van Maria nodig.

    De gevolgtrekking nu is duidelijk: door Maria, de Moeder van ons genadeleven, zullen wij leren, ons als kinderen van God te gedragen. Geheel ons bovennatuurlijk leven berust op het eeuwige Zoonschap van het Woord. "Ons kindschap door aanneming," zegt ons Sint Thomas, "is de gelijkvormig-making aan het Zoonschap van het eeuwig Woord en doet ons delen in de eenheid van het Woord met zijn Vader." Daarop is onze bovennatuurlijke staat gegrondvest. Maar uit deze gesteldheid moeten ook onze daden voortvloeien: wij moeten leven, bidden, werken, lijden als kind van God. "Volgt God na als welbeminde kinderen". "Wandelt als kinderen van het licht"...... "Als gij bidt, zult gij zeggen: Onze Vader." De Vader omhelst in eenzelfde liefde zijn enige Zoon en zijn aangenomen zonen: "Hij die Mij bemint, zal door mijn Vader bemind worden. De Vader bemint u, omdat gij Mij hebt liefgehad en omdat gij geloofd hebt, dat Ik van Hem ben uitgegaan". De eeuwige liefde van de Vader voor zijn Zoon daalt tevens op de aangenomen kinderen neer. Jezus verzekert het ons: "Vader, Ik heb hun de glorie gegeven die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, zoals Wij één zijn, Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij tot volmaaktheid komen in de eenheid, zodat de wereld wete, dat Gij ze bemind hebt, zoals Gij Mij hebt liefgehad".

    De wezenlijke plicht van de christen is dus in alles kind van God te zijn. Doen wij daarvoor een beroep op Maria’s moederschap. Haar voornaamste taak is immers, kinderen van God te vormen. De grootste vreugde die wij haar geven kunnen, is haar toe te staan, ons het leven te schenken in de orde van de genade. Geve zij ons toch die kinderlijke geest, waardoor wij de Vader beminnen en als een kind met Hem spreken.


    Maria verenigt ons met het Woord

    Wie zou de vereniging van Maria met Jezus in woorden kunnen weergeven? God alleen kan ze begrijpen. Op het ogenblik van de Menswording gaf Maria haar zuiverste bloed, om het lichaam van het Woord te vormen. Welk een liefde paarde zich aan deze gave! De Zoon van God beantwoordde er aan door een nog grotere liefde: Hij gaf haar een onmetelijke genade, zijn goddelijk leven: geheel behoorde Hij aan haar. Met enige voorliefde had de heilige Drieëenheid het hart van de maagd gevormd, opdat zij de moeder zou zijn van het vleesgeworden Woord, en de Godmens zou kunnen beminnen, gelijk het betaamde. Gedurende Jezus’ aardse leven nam deze vereniging steeds toe. Denk aan het innig samenleven te Nazareth, aan het gemeenschappelijk werk, aan de samen geleden armoede, en aan hetzelfde onnoemelijk groot verlangen naar de zaligheid van de mensen. Ongeëvenaarde uitwisselingen hadden er plaats: van Jezus naar Maria vloeide een genadenstroom van licht, als het ware een onophoudelijke openbaring van de goddelijke geheimen; van Maria naar Jezus volgde dan een volmaakte aanpassing aan die genaden, een bewonderenswaardige volgzaamheid bij elke ingeving, de volle uitbloei van de liefde. Denk vooral aan hun vereniging op de Calvarieberg, toen eenzelfde wil Hen het schrikwekkende sacrificie deed aanvaarden. Werkelijk waren zij één.

    "Spreken wij over u, Maria, dan spreken wij over Jezus. Spreken wij over uw gesteltenissen, dan spreken wij over die waarin Hij ontvangen moet worden. Gij zijt ván Hem, gij zijt dóór Hem, gij zijt vóór Hem. En zoals de goddelijke Personen in de Drieëenheid slechts een zelfstandig bestaan hebben in hun wederzijdse betrekkingen, zo hebt ook gij, o heilige Maagd, goddelijke en menselijke persoon beide, goddelijk door genade en menselijk van natuur, in het zijn van de genade geen ander bestaan dan in betrekking tot Jezus: gij leeft slechts door zijn genade, voordat Hij in u leeft door de natuur. Gij ademt slechts door zijn geest en uw genaden en uw grootheid zijn van Hem."

    Men ziet nu wel in, dat deze onuitsprekelijke vereniging aan Maria vergund is om ons te verenigen met Jezus. De vereniging met Christus Jezus is het doel, dat Sint Paulus zonder ophouden aan ons geestelijk leven stelt: "Voor mij is het leven Christus". Wie zal ons Christus geven? Onze Vader in de hemel. Hij geeft Hem échter door Maria.

    Maria openbaart ons Jezus. Zij leert ons Hem beschouwen. Heeft zij geheel haar leven niet aan deze beschouwing gewijd? Het overdenken van Maria’s innerlijke leven, als zij met haar moederliefde en haar onmetelijk geloof haar Jezus beschouwt, doet ons als het ware duizelen. Jezus’ daden, Jezus’ woorden, het was alles als een nieuwe openbaring voor Maria. Elke zijner daden verwekte in haar een sterke, inwendige trilling vol ontroering, bracht akten van volmaakte liefde voort.

    Herhaaldelijk nodigt de liturgie ons uit, aan Maria te vragen, ons haar Zoon te openbaren: "Toon ons Jezus, de gezegende vrucht van uw schoot". De kennis van Jezus is inderdaad het uitgangspunt van de liefde. Dan immers openbaart zich Christus’ liefde aan ons, de liefde die Hem tot onze Broeder maakte. "Die liefde dringt ons", zoals de Apostel zegt. Zij dringt ons, als Jezus te leven, als Jezus te lijden, zijn werk in de Kerk voort te zetten. Wat is het christelijk leven anders dan de voortzetting van Jezus’ leven door de beoefening van de zelfde deugden? Door de genade geeft Christus aan zijn leven uitbreiding in mij. Het is mijn leven, maar het is óók het zijne; "Ja, ik leef, maar ik leef niet meer, het is Christus die in mij leeft". De glorie van God is dan verzekerd: "Alles behoort aan u, maar gij behoort aan Christus en Christus aan God".


    Maria verenigt ons met de Heilige Geest

    "De Heilige Geest zal over u komen", zeide de Aartsengel Gabriël tot Maria. Reeds was Hij gekomen bij de eerste heiliging, toen de Moedermaagd geschapen werd en onbevlekt ontvangen. Ook sprak de engel: "Gij zijt vol van genade"; alle genaden die een louter schepsel maar ontvangen kan, ontving zij in heel de vatbaarheid van haar wezen. Niets van Gods gaven is haar geweigerd. De Heilige Drieëenheid heeft een voor het ontvangen van al haar gunsten vatbare ziel geschapen, waarin Zij een weergaloze vreugde en een subliem voorwerp van verheerlijking zou vinden. De Heilige Geest maakte Zich, om zo te zeggen, van Maria meester vanaf haar schepping, en deed haar overvloeien van goddelijk leven, om haar voor te bereiden tot de ontvangenis van het Woord. Hij is het, die Maria vruchtbaar maakt. Hij vormt in haar het lichaam van het Woord: "De Heilige Geest zal over u komen, en daarom zal het heilige dat uit u zal geboren worden de Zoon Gods genoemd worden". Daarna blijft het zo. De Heilige Geest gaat voort het mystieke Lichaam van Christus te vormen, en Hij doet dit door Maria. De vorming van de heiligen is hun gemeenschappelijk werk.

    Dit volgt uit Maria’s vereniging met de Heilige Geest. Van elk lidmaat van Christus openbaart haar de Heilige Geest de roeping, de gloriegraad die hij moet verwerven, zijn tegenwoordige gevaren en de hem zo nodige genaden. Zij kent geheel het voorbeschikkingsplan en voert het ook uit. Zonder haar bemiddeling wordt aan een ziel geen enkele genade geschonken, dus moet de Heilige Geest haar de toestand van het mystieke Lichaam doen kennen en met de uitbreiding er van belasten. Welk een vereniging in die steeds aanwezige samenwerking van de Heilige Geest en Maria bij de vorming van de Christus! Zij doen Jezus in de Kerk geboren worden. Zij doen Hem geboren worden in mij. Overal waar Jezus geboren wordt, geschied het als de eerste maal: Hij wordt geboren uit de Heilige Geest en Maria.

    Maria trekt de Heilige Geest in ons. "Als de Heilige Geest Maria in een ziel ontdekt," zegt de heilige De Montfort, "vliegt Hij er heen, doet er ten volle zijn intrede, deelt Zich overvloedig mee aan die ziel, in dezelfde mate als deze een plaats geeft aan zijn Bruid, en een van de voorname redenen, waarom de Heilige Geest thans geen schitterende wonderen meer in de zielen uitwerkt, is wel deze, dat Hij er geen voldoende vereniging aantreft met zijn trouwe en onafscheidelijke Bruid."

    Door deze werkzame tegenwoordigheid van de Heilige Geest wordt onze opname in de goddelijke Familie voltooid. Hij openbaart ons Jezus, zoals Jezus Hem aan ons verkondigd heeft. Hij geeft ons de geest van het kindschap: "Gij hebt een geest van aanneming ontvangen, waardoor wij tot God roepen: Abba, Vader!". Het is de Geest van Jezus: "Omdat gij zijn kinderen zijt, heeft God in uw harten de Geest van zijn Zoon gezonden". Die Geest werkt in ons. Hij geeft leiding aan onze werkzaamheid, zoals Hij ook de menselijke werkzaamheid van Jezus bestuurde en zoals Hij de Kerk geleidt. "Die Hij geleidt, zijn kinderen Gods", zegt Sint Paulus. Wij kunnen daardoor ook bidden als kinderen. "De Heilige Geest komt onze zwakheid te hulp, want wij weten niet wat wij vragen moeten in onze gebeden, maar de Heilige Geest zelf bidt voor ons door onuitsprekelijke verzuchtingen".


    De overgave aan Maria

    Uit de voorafgaande overwegingen dienen wij met diepe overtuiging het besluit te trekken, dat wij ons aan Maria moeten overgeven. Wij kennen haar liefde voor ons. Wij kennen haar macht. Om ons te geleiden heeft zij het licht, de goedheid, de genade. Vertrouwen wij ons dus aan haar toe, hopen wij op haar, geven wij ons geheel aan haar moederlijke liefde over.

    Zich overgeven is op de eerste plaats zich geven. Het is echter nog meer: het is zich verlaten, zich vergeten, zich zonder enig voorbehoud overleveren. Weliswaar geeft men zich ten slotte aan God over, want alleen zijn vaderlijke wil voert het wereldbestuur, het bestuur van de geestelijke wereld in het bijzonder. Maar door de overgave aan Maria komen wij tot de volmaaktheid van de overgave aan God. Staat Gods Moeder niet in nauw verband met het bestuur van die geestelijke wereld? Haar moederlijk koningschap is een wezenlijk en werkzaam koningschap. Zij vormt de heiligen. God ontwerpt het plan van mijn geestelijk leven, mijn leven in Christus. De verwezenlijking er van vertrouwt Hij aan Maria toe; zij houdt de draad vast van alle door de Voorzienigheid benutte gebeurtenissen, om van mij een lidmaat van Christus, een uitverkorene te maken. Wat mij betreft, behoef ik slechts "te geloven aan de liefde", zoals Sint Jan zegt, te hopen, te laten begaan.

    Geven wij aan Maria al het onze over, ons lichaam en onze ziel, ons gevoel, onze verbeelding, ons verstand, onze vrije wil, onze verdiensten. Laat haar over dat alles meesteres zijn. Zij geve richting aan ons verstand en aan onze wil, zij voere het bestuur over onze werkzaamheid. Laten wij werkelijk van háár zijn, om geheel en al aan God te behoren.

    De geestelijke schrijvers zeggen gewoonlijk, dat men deze overgave aan Maria op de eenvoudigste wijze kan beoefenen, door mét haar, dóór haar en ín haar te leven.

    Als men bemint, valt het niet moeilijk mét Maria te leven. Met onze Moeder en ons voorbeeld treden wij door het klare geloofsinzicht in gemeenschap. Bidden, werken, lijden met háár, brengt verandering in ons leven. Het is immers de vereniging met de geheel Reine, de onafgebroken medewerking. De volmaaktheid die wij moeten bereiken, heeft zij vóór ons bereikt. Waarheen wij ook gaan, hoe steil ook onze weg is, welk kruis wij ook dragen, blikken wij voor ons uit; wij zien dan Maria. Gij die het geluk hebt sedert lang reeds God te dienen, sla uw ogen op haar; ook zij is de glans van God, de openbaring van Gods schoonheid. De adel die de Heer in Christus’ ledematen wil doen uitschitteren, de nederigheid, de zuiverheid, het geloof, de liefde, dit alles leeft in de zo nederige en grote, in de zo tedere en sterke Maagd.

    En gij, zondaars, zwak in het geloof, onkuis en hoogmoedig, leeft ook gij met haar; zij is zo menselijk meedogend, zo gevoelig voor de smart! Hoe ellendig gij ook zijt, en omdat gij ellendig zijt, zie naar uw Moeder.

    Altijd is zij mét ons door haar liefde, die ons omgeeft, mét ons door de genade die zij uitdeelt; mét ons door haar voorbeelden die ons aansporen; mét ons, zelfs als wij niet aan haar denken, want zij denkt altijd aan ons, als een moeder aan haar kinderen, in vreugde en droefheid, "nu en in het uur van onze dood", zoals wij het haar elke dag vragen als wij het "Wees Gegroet" bidden. Een gemeenschap dus van invloed en van liefde. Met Elisabeth kunnen wij zeggen: "Wat valt mij te beurt, dat de Moeder van mijn Heer naar mij toekomt?"

    Leven dóór Maria, want zij is onze Middelares. Janua Coeli, deur van de hemel, deur van de genade. Door haar komt Christus tot ons, door haar gaan wij tot Christus. Zij is de steun van mijn gebed. Als de gloed van Gods Majesteit mij zou verzengen, brengt zij verkoeling. Als "Spiegel van gerechtigheid" en van Gods heiligheid, maakt zij de goddelijke volmaaktheid meer toegankelijk. Hopen op heiligheid en op de hemel valt mij lichter door haar. Wat aan ons werk en aan onze aanbidding ontbreekt, vult zij aan door de verdiensten van haar Zoon en haar eigen verdiensten. Door haar dragen wij ons gebed en onze arbeid op. Naar het schijnt, zegt zij ons, evenals haar Zoon: "En ook ik zal bidden". Ons armzalig gebed, uit een al te koel hart, heeft het geluk Maria’s gebed te ontmoeten; zij vangt het op, omgeeft het met liefde en maakt het tot het hare; het wordt dan het gebed van de moeder en de kinderen en stijgt op naar de troon van God.

    Leven dóór Maria, is zichzelf vergeten, zich van zichzelf losmaken. Een van de voornaamste hinderpalen voor het geestelijk leven is de bezorgdheid voor zichzelf, die Gods inzichten uit het oog doet verliezen en belet een heldere blik te werpen in de plannen van de Voorzienigheid. Aan de eigen geest verzaken, om zich aan te passen aan Maria’s inzichten, dat is treden in de volvoering van de goddelijke plannen. Daarvoor is innerlijke stilte nodig, die oplettend maakt, nederigheid van geest, die leerzaam en gewillig doet zijn ten opzichte van Gods plannen. Het valt niet te zeggen, hoe snel de zielen vooruitgaan en welk een inwendige vrede zij genieten, die, door het vergeten van zichzelf, volgzaam het oor lenen aan de ingevingen van Maria. De overgave aan Maria heeft ze, voor de leiding van hun leven, van het eigen oordeel bevrijd, en dus ook van de droombeelden van de zinnen en de hoogmoed. Nu leidt Maria zacht en krachtig hun pogingen, hun gebeden, hun gedachten. Zij is waarlijk de met moederlijke, maar machtige majesteit heersende "Koningin". Diep treedt de ziel nu het heiligdom binnen van de vertrouwelijke omgang met God.

    Leven in Maria, onder haar gestadige invloed, in haar afhankelijkheid en als vastgehecht aan haar, te zamen één hart en één geest; haar bedoelingen tot de onze maken; bidden als zij in dezelfde geest van nederigheid en aanbidding, zich met haar godsvrucht en haar liefde verenigen; "levende kopieën van Maria" worden, zoals de heilige Grignion de Montfort zegt; tot zulk een innig verkeer met Gods Moeder geraken, is een grote genadegave, het meest directe middel, om te leven in Christus. In Maria zullen wij vinden het leven van Christus, dat ons dan zal meegedeeld worden. "Ik bid het u," zeide Olier, "trek u toch dikwijls terug in dat verheven inwendige van Maria, die door God werd aangesteld tot Middelares over de geheiligde gave van zijn Zoon aan zijn Kerk. In dit heiligdom zult gij de aanbidding, de lofprijzing, de liefdebetuiging aan God duizendmaal verhevener vinden, dan ooit enig schepsel Hem schenken kan...... Daarom smeek ik u, steeds naar dat hoge heiligdom te gaan, omdat gij, én voor God, én voor de Kerk, én voor u zelf, meer vooruit zult gaan door de vereniging met de heilige Maagd, dan door alle andere oefeningen waarvan gij u bedienen kunt."









    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.O barmhartige Vader.

    O barmhartige Vader, wij danken U dat Gij dezen nacht zo getrouwelijk voor ons gewaakt hebt, en bidden U dat Gij ons wilt sterken met Uw Heiligen Geest, Die ons voortaan geleide; dat wij dezen dag (mitsgaders al de dagen onzes levens) mogen besteden tot alle gerechtigheid en heiligheid; en wat wij in handen nemen, dat onze ogen altijd zien om Uw eer te verbreiden, alzo, dat wij al den voorspoed onzes voornemens van Uw milde hand alleen verwachten.

    En opdat wij zulke genade van U verkrijgen, wil ons (naar Uw belofte) vergeven al onze zonden, om het heilig lijden en bloedvergieten van onzen Heere Jezus Christus; want zij zijn ons van harte leed.

    Verlicht ook onze harten, opdat wij, alle werken der duisternis afgelegd hebbende, als kinderen des lichts in een nieuw leven mogen wandelen in alle godzaligheid.

    Geef ook Uw zegen tot de verkondiging van Uw Goddelijk Woord. Verstoor alle werken des duivels. Sterk alle getrouwe kerkedienaars en overheden Uws volks.

    Troost alle vervolgde en benauwde harten, door Jezus Christus, Uw lieven Zoon, Die ons beloofd heeft dat Gij ons alles, wat wij U in Zijn Naam bidden, zekerlijk geven zult, en daarom ons alzo heeft bevolen te bidden:

    Onze Vader, Die in de hemelen zijt,
    Uw Naam worde geheiligd.
    Uw Koninkrijk kome.
    Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.
    Geef ons heden ons dagelijks brood.
    En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
    En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.
    Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid.

    Verleen ons ook Uw genade dat wij naar Uw wil mogen leven, welken Gij ons in Uw wet geopenbaard hebt en in deze tien geboden begrepen:

    Ik ben de HEERE Uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.

    Het eerste gebod
    Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

    Het tweede gebod
    Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen dat boven in den hemel is, noch van hetgeen dat onder op de aarde is, noch van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden.

    Het derde gebod
    Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.

    Het vierde gebod
    Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is. Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage. Daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.

    Het vijfde gebod
    Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.

    Het zesde gebod
    Gij zult niet doodslaan.

    Het zevende gebod
    Gij zult niet echtbreken.

    Het achtste gebod
    Gij zult niet stelen.

    Het negende gebod
    Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

    Het tiende gebod
    Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat uws naasten is. Amen.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.

    TOEN CECILIA HET KLOOSTER VERLIET. VIERDE BOEK, KAP. 71.

    Gods Zoon sprak tot zijn bruid: "Antwoord mij op vier dingen, die ik u vraag: Indien iemand zijn vriend een vruchtbare wijnrank gaf, maar die toch aan zijn huis hield, omdat de geur en het gezicht hem genoegen deed, wat zou de gever moeten antwoorden, indien hij, die den tak gekregen had, hem verzocht dien op een andere plaats te planten, waar die meer vrucht gaf?"

    Zij antwoordde: "Indien de vriend verstandig was en uit liefde gaf en hem, die de wijnrank kreeg, goed wenschte, zou hij voorzeker zijn vriend met de rank laten doen wat hij wilde en hem zeggen: O, mijn vriend, hoewel ik er genot van heb dat de wijnrank bij mij is, toch, omdat hij mij geen rijke vrucht geeft, verheugt het mij, dat gij die op een vruchtbaarder plaats zet, indien gij wilt."

    Verder zeide Onze Heer: "Ten tweede, indien vader en moeder hun dochter geven aan een jongen man en de maagd hem wilde hebben, maar de jonge man op de vraag of hij de maagd wilde hebben of niet, niet antwoordde – was de maagd dan gebonden if niet?" Zij antwoordde: "Het schijnt mij, dat de maagd niet gebonden was, want de jongeling gaf zijn wil niet te kennen."

    Onze Heer zeide de derde maal: "Een geëerd jongeling, die tusschen drie jonkvrouwen te kiezen had, zeide tot haar, dat wie van de drie het woord sprak dat hem de grootste en warmste liefde geven kon, krijgen zou, wat zij het vurigst liefhad. Toen antwoordde de eerste jonkvrouw: "Zoo warm bemin ik den jongeling, dat ik liever sterven wilde dan mij bezoedelen met een ander!" De tweede zeide: "Liever wilde ik alle smart lijden dan een woord zeggen tegen zijn wil, of dat hem bedroefde!" De derde antwoordde: "Liever wilde ik alle schade lijden en bittere smart dan dat hij de minste smaad of schade lijden moest." – "Zeg mij daarom", zeide onze Heer, "welke van de drie den jongen man het meest liefhad, of welke van hen recht heeft op de eerste plaats in zijn liefde?" Zij antwoordde: "Mij dunkt, dat zij hem allen even zeer beminden, want zij hadden allen hetzelfde gevoel voor hem. En daarom hadden zij allen evenveel recht op zijn liefde."

    Onze Heer zeide ten vierde: "Een persoon vroeg zijn vriend om raad: Ik heb een vruchtbare tarwekorrel. Indien die in de aarde gezaaid wordt, geeft zij grooten oogst en veel vrucht. Maar daar ik zeer hongerig ben, wat dunkt u beter, dat ik haar zaai, of dat ik haar nu eet?" De vriend antwoordde: "Iets anders moet den honger stillen, het is nuttiger dat de tarwe gezaaid wordt."

    Deze vier verklaringen betreffen u. Want uw dochter, die gij mij beloofdet en gaaft, is als een wijnrank. En daar ik nu een geschikter plaats voor haar weet, wil ik haar planten, waar het mij gehaagt. En gij moet er niet bedroefd over zijn dat gij er uw toestemming voor geeft, dat zij elders geplant wordt. Gij gaaft mij uw dochter, maar ik toonde u niet, wat mij aangenamer was, haar maagdelijkheid of haar huwelijk, en evenmin of uw offer mij aangenaam was, of niet. En de dingen, die onverstandig gedaan zijn, moeten veranderd en verbeterd worden, nu gij de waarheid weet."

    Verder zeide onze Heer: Maagdelijkheid is goed en staat het hoogst en maakt gelijk aan de engelen, indien zij bewaard wordt op de juiste en zedige wijze. Maar indien een maagd slechts lichamelijk maagdelijk is en wenschen koestert met haar maagdelijkheid in strijd, dan is de maagdelijkheid misvormd, want God vindt meer behagen in een ootmoedig gehuwde vrouw dan in een hoorvaardige en schaamtelooze maagd. En een welvoegelijke, getrouwde vrouw, die in godvrucht leeft overeenkomstig haar staat, kan een groot loon verkrijgen. Want het is groot om in het vuur der reinheid te zijn zonder onreine begeerten, maar het is even groot om niet in het vuur der reinheid te zijn maar er zich in te wenschen en van grootere liefde voor God te branden buiten het vuur, dan iemand die er in is.

    Ik wil u drie voorbeelden geven, namelijk, Suzanna, Judith en Thecla de maagd. De eerste was getrouwd, de tweede weduwe, de derde maagd. Dezen hadden allen een verschillende levenswijze en beoogden allen een ander doel, en toch hebben zij allen gelijke verdiensten en eenzelfde loon voor haar werk. Toen Suzanna onrechtvaardig aangeklaagd werd door de priesters, verkoos zij den dood boven de zonde. En daar zij mij als overal tegenwoordig zijnde vreesde, was zij waardig gered en geëerd te worden. Judith zag de misbruiken en het ongeluk van haar volk en was zoo bedroefd, dat zij zich niet alleen blootstelde aan spot en smaad uit liefde voor God, maar zij was ook gereed om pijnen te lijden ter wille van mij.

    En Thecla, die maagd was, wilde liever bittere pijn lijden dan een woord spreken dat tegen mij getuigde. Hoewel deze drie niet hetzelfde verrichtten, is hun verdienste toch gelijk; daarom kunnen beiden, maagd en weduwe, mij evenzeer behagen indien een goede levenswijze gepaard gaat met een uitsluitend verlangen naar mij."

    Verder zeide onze Heer: "Het is mij even lief of uw dochter maagd verkiest te blijven of in het huwelijk treedt, indien zij zich schikt en richt naar mijn wil. Want wat zou het haar helpen of zij lichamelijk opgesloten was, indien haar begeerte toch naar buiten uitgaat? Of, wat is eervoller voor haar: eenzaam te leven ten voordeele van zichzelf, of anderen te helpen? En ik, die alles weet en voorzie, ik doe niets zonder reden. Daarom zal zij niet tot een bepaald doel komen door de eerste vrucht, want die is van vrees, en niet door de tweede, want die is van traagheid, maar door de middelste, want die heeft de vrucht der redelijke liefde en zedigheid. Maar die haar tot vrouw neemt, moet drie dingen hebben, namelijk een huis en kleederen en de middelen om haar te verzorgen.

    Wordt  vervolgd.

    21-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN ALLEN EEN GEZEGENDE DINSDAG TOEGEWENST.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ER STROOMDE BLOED ER VLOEIDEN TRANEN ..
     
    Vanwege  Mijn  Beste  Vriendin.
    http://www.bloggen.be/god_jezus_maria_jozef_aartsengelen/archief.php?startaantal=5

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Genezing van een blinde in Medjugorje.

    Beste vrienden,

    Hierna de getuigenis van (de zoveelste) miraculeuze genezing die in oktober te Medjugorje gebeurde. als je dan weet dat het aantal geestelijke genezingen een duizendvoud daarvan betrreft...

    « Gelukkig zij die niet gezien hebben toch geloven » Jn 20, 29


    Beste allemaal,


    Als getuige van het eerste uur van het mirakel dat Joëlle mocht meemaken, heb ik samen met Luc het verloop van haar genezing gevolgd en volg ik het nog steeds. Daarom dat ik met toestemming van Joëlle u mijn getuigenis geef. Getuigenis die een beetje lang uitgevallen is, maar ik had het gevoel dat ik ze u moest geven. Het is aan u om te beslissen om ze al dan niet verder door te sturen.


    Echichens, 19 november 2010 (precies een maand na het gebeuren!)

    Op zaterdag 16 oktober 2010 vertrokken we met 46 mensen, voor het merendeel mensen van de parochie Sint Franciscus van Sales en van de Heilige Theresia op privé bedevaart naar Medjugorje en dit in overeenstemming met de aanbevelingen van Rome.

    Het was voor de twintigste keer dat we zo'n private bedevaart organiseerden en ditmaal viel onze bedevaart ook samen met de twintigste verjaardag van de stichting van onze gebedsgroep Maria, Koningin van de Vrede.

    Voor onze gebedsgroep een mooie gelegenheid om de Heer te eren, want Maria heeft ons geleid. Zij heeft ieder van ons bij de hand gehouden ondanks de moeilijkheden die we de voorbije jaren het hoofd moesten bieden. Want ja, satan houdt niet van de Maagd Maria en haat dus de gebedsgroepen die Zij zo hartstochtelijk wenst te zien bloeien in al de parochies. Dit gezegd zijnde hebben wij de genade van de trouw ontvangen, want jaar in, jaar uit zijn we iedere maandag blijven samenkomen. We komen samen om tot God te bidden en om de mysteries van het leven Christus te overwegen samen met de maandelijkse boodschappen die Maria nog steeds geeft te Medjugorje.


    Na een busreis van twee dagen bereikten we de grenspost van Bosnië. Onderweg baden en bespraken we wat er sinds 1981 in Medjugorje gebeurt en wat er vandaag nog steeds beleefd wordt. Om 16h30 waren we dus bij de Bosnische grenspost en zoals bijna iedere keer maakten de douaniers het ons moeilijk. Ditmaal werd het ons verboden met onze Zwitserse bus de grens te passeren omwille van het ontbreken van een kleine vermelding "INTERBUS" op het groene formulier. Verder discussiëren was zinloos, daarmee zouden we alleen maar het risico lopen dat onze chauffeur Antonio gevangen gezet zou worden.

    We kozen daarom een andere grenspost waar ons opnieuw het passeren van de grens verboden werd. Op de parking zagen we echter een lege Bosnische bus staan die Medjugorje als bestemming had. Na al onze bagages overgetast te hebben naar deze bus arriveerden we uiteindelijk om 20h00 in ons pension Aurora.

    Doordat we onze Zwitserse bus hadden moeten achterlaten moesten we in Medjugorje ons gans vierdaags programma te voet afwerken. De oudere personen maakten gebruik van taxi's.

    Maandag: we begonnen met het beklimmen van de verschijningsberg; het weer was regenachtig, maar onze harten waren vol vreugde. De klim was behoorlijk glad op de natte rotsen, maar iedereen hielp iedereen in een grote geest van onderlinge solidariteit. Eén van de deelnemers aan onze bedevaart was een jonge vrouw van om en bij de vijftig jaar. Ze was volkomen blind. Haar dochter Vinciane van twaalf was bij haar evenals een vriendin, Claudia. Claudia was een onopvallende vrouw, altijd met de glimlach bereid Joëlle overal te begeleiden. Ook zij beklommen de verschijningsheuvel.

    Joëlle was gelukkig en leek wel over de rotsente vliegen. Eenmaal aangekomen bij het beeld van Maria, Koningin van de Vrede bad ze vol liefde en vertrouwen tot Haar Hemelmoeder. Iedereen bleef een twintigtal minuten bezinnen vooraleer de afdaling aan te vatten. Om 17h00 kwamen we weer allemaal samen bij de Sint Jacobuskerk waar we de avonddiensten tot 20h00 zouden bijwonen.


    Daar had Joëlle een vreemde ervaring. Vlak nadat ze Jezus in de communie ontvangen had, kreeg ze het gevoel dat een hand haar wurgde. Ze hoorde een sterk verwijtende stem: "je wou een kind en je hebt een dochter gekregen! Je hebt werk gezocht en je hebt het gevonden! Het is nu wel genoeg geweest, ga je nu eindelijk zwijgen... als het koud is, heb je een appartement waar het lekker warm is, als je honger hebt, heb je altijd wat op je bord, als het sneeuwt, heb je warme kleding, zwijg nu eens eindelijk, het is wel genoeg geweest zo, niet...?" Joëlle was heel erg ondersteboven van die ervaring. Dezelfde avond sprak ze erover met pater Fabien die haar zeer terecht erop wees dat alleen God aanwezig is in de Hostie en dat God alleen goede dingen voor ons wil. Bijgevolg kon deze stem niet van Hem komen Hij zei haar tot God te bidden en Hem te vragen haar toe te laten Zijn wil te doen. Dat stelde haar gerust.


    's Anderendaags, op dinsdag 19 oktober, hadden we besloten de Kruisweg te doen op de Kricevac, de kruisberg met het grote witte Kruis boven op de top. De oudere mensen en Joëlle en abt Olivier besloten de Kruisweg beneden te doen, terwijl de rest van de groep de berg op trok. De zachte regen maakte de beklimming nog gladder en moeilijker, maar dat belette ons niet van bij iedere statie voor al onze intenties te bidden. Luc had het goede idee van ons te verenigen met de groep die beneden bleef en van onze beklimming speciaal voor Joëlle te offeren en voor haar een bijzondere genade te vragen en waarom niet haar genezing, want bij God is niets onmogelijk. We beleefden deze Kruisweg heel intens en met diep gebed overwogen we al het lijden dat Christus geofferd had voor onze zonden. Onze tocht duurde van 9h00 tot 15h00. Om 17h00 waren we allemaal weer samen voor het avondprogramma in de parochiekerk van Medjugorje.

    En daar was het dat het grote wonder gebeurt. Op het ogenblik dat Joëlle de heilige Eucharistie ontvangt ziet ze de priester met zijn witte albe. Verbaasd kijkt ze naar boven en merkt de lampen, het heel hoge plafond, de ramen. Ze komt als het ware uit haar donkere cocon en dat is zo'n schok voor haar dat ze zich stilaan onwel voelt worden. Ze zegt tegen Claudia die bij haar is: "Kom, breng mij naar buiten, ik voel me niet goed." Claudia brengt haar buiten en daar zegt Joëlle haar: "ik zie het licht!" Ze wandelen rond te kerk en gaan richting sacristie waar ze abt Olivier ontmoeten die daar net buiten komt en hen vraagt: "maar wat doen jullie hier?" waarop Joëlle zegt "ik zie!".

    Diep ontroerd stelt abt Olivier voor van terug de kerk binnen te gaan waar net het derde rozenhoedje beëindigd wordt. De mensen verlaten de kerk, terwijl wij allemaal rond Joëlle blijven staan. Abt Olivier, een echte herder, stelt voor God te danken en samen zijn ze naar de trappen van het hoofdaltaar gegaan, hebben er geknield en God gedankt voor het grote geschenk dat Hij net gegeven had. Een prachtig initiatief dat ons deed denken aan de evangelietekst waar Jezus de melaatsen geneest en er slechts één enkele op zijn stappen terugkeert om Hem te danken.

    Vervolgens zijn we naar het beeld van de Maagd Maria gegaan om haar te danken voor haar voorspraak. Daarna gingen we weer op weg naar ons pension.

    Enkele Italiaanse dames en ook enkele bedevaarders uit Plymouth vertelden ons dat zij vlak achter Joëlle waren toen die te communie ging en dat er een sterke rozengeur van haar uit ging. Later vertrouwde Joëlle ons toe dat deze rozengeur vaak bij haar is, ook nu nog. Vinciane die de mis ook bijgewoond had, was al eerder terug naar het pension gegaan en was nog niet op de hoogte van de genade die haar moeder ontvangen had. Belangrijk is te zeggen dat Joëlle nog nooit haar dochter gezien had omdat ze al tweeënveertig jaar blind was.

    De zielsgelukkige abt Olivier rende vooruit naar het pension en nodigde daar iedereen uit samen te komen in de inkomsthall beneden omdat hij goed nieuws mee te delen had. Toen wij er samen met Joëlle aankwamen was onze bedevaartgroep er al volledig verzameld.

    Joëlle komt binnen en ziet haar dochter Vinciane en vraagt haar: "heb je je haar gewassen?". Die antwoordt zonder dat ze wat opmerkt: "ja, ja". Vinciane vraagt op haar beurt: "waarom moesten we nu beneden komen?" en Joëlle vraagt haar: "zie je niets vreemds aan mij?". Vincianne kijkt en zegt: "neen". "Kijk eens goed" zegt haar moeder en Vinciane zegt « gij ziet ! » Wat een ontroerend moment! Ze hebben van vreugde wel vijf minuten in mekaars armen gelegen. Vinciane zei ons achteraf: "ik ben niet opgehouden te bidden opdat mama opnieuw zou mogen zien en ik heb Maria gezegd dat ik Medjugorje niet zou verlaten vooraleer zij terug zou zien". Wat een prachtig geloof, Maria luistert naar het roepen van haar kinderen. Gans de groep was buiten zichzelf van vreugde en loofde en dankte de Heer en Zijn Moeder Maria. Om 22h00 zijn we nog met Joëlle op kop naar het blauwe Kruis gegaan waar Maria nog regelmatig aan de zieners Mirjana en Yvan verschijnt.

    Ik verberg u mijn diepe vreugde niet, noch die van Luc dat we in onze groep zo'n kostbaar teken mochten ontvangen, ons door Maria geschonken ter ere van de twintigste verjaardag van onze gebedsgroep. Een knipoog van Maria, onze Moeder die ons helpt vol te houden.

    Marie is degene die ons leidt, die ons sterkt en die ons bij de hand houdt, die ons bemint. Die via de gebedsgroepen Haar boodschappen die ze in Medjugorje aan de wereld geeft wenst te verspreiden en die ze wenst te laten beleven. En dat doet ze weldra al dertig jaar lang. Deelnemen aan een bedevaart naar Medjugorje is zich inschrijven in de school van Maria die ons naar haar Zoon Jezus leidt.

    Christiane Claessens

    « Voor mensen is dit onmogelijk, maar voor God is alles mogelijk » Mt 19,26.

    Getuigenis van Joëlle

    Van volwassene naar kind

    Van de nacht naar het licht

    Beste vriendinnen en vrienden,

    Hierbij wat nieuws sedert het wonder van 19 oktober 2010 te Medjugorje :

    Bij het buitenkomen van de Kerk van Medjugorje die eerste avond kon ik licht onderscheiden, kon ik het gezicht van de mensen zien en bewegende lippen.

    In de loop van de volgende dagen verbeterde mijn zicht stilletjes aan, zeer geleidelijk, maar langzaam.

    Vandaag dank ik de Heer dat Hij me niet eensklaps genezen heeft: dat zou ik nooit hebben kunnen verwerken.

    Op de terugreis naar Zwitserland zag ik "bomen met een mislukt kapsel" en Claudia, mijn begeleidster zei me haar te verwittigen als ik er nog zo één zag.

    Enkele minuten gingen voorbij, de bus reed verder, en eindelijk zal ik weer zo'n slecht gekapte boom... Dat is een palmboom! vertelde Claudia me!

    Probeer je voor te stellen wat het is te ontwaken na tweeënveertig jaar, niets is dan nog zoals het was. Mijn biddende vrienden omringen me wonderwel, zij geven mij de kracht om in het licht te ontwaken!

    Terug in Zwitserland maakte ik opnieuw kennis met mijn twee broers, met mijn zus en mijn ouders. 's Nachts rustte ik, het leven ging zijn gewone gang.

    Nooit ben ik gestopt met tot Jezus en Maria te bidden. Mijn ouders hadden mij geleerd hen te beminnen en deze fakkel heb ik aan mijn dochter Vinciane doorgegeven. Zij is met met mij mee gegaan naar Medjugorje.

    Het was beangstigende in het begin van grote huizen te zien, van flatgebouwen van meer dan tien verdiepingen te zien in Lausanne. Mijn maag draaide zich om, ik transpireerde en werd vaak misselijk. Ik wou niet meer buiten komen uit angst die grote huizen te zien. Hetzelfde overkwam me bij het zien van mensen. Het werd me onmogelijk hen zonder angst te kruisen op straat of zonder onwel te worden. Maar ik verlies de moed niet, want Jezus heeft me door Maria het licht teruggeven, en ik ben er diep van overtuigd dat Hij me de genade schenkt de problemen die mijn genezing met zich mee brengt het hoofd te bieden.

    Geloof, Geduld, Moed en Vertrouwen vormen mijn houvast om mijn leven verder te zetten, zeker dat ik ben dat Jezus Zijn werken altijd afmaakt en dat Hij zich altijd discreet en zacht openbaart.

    Vandaag kan ik kleuren onderscheiden, grote dingen als huizen, bomen, aanplantingen, auto's, onze kat, de trappen, de zon en de mensen.

    Ik ben opnieuw aan het werk gegaan, ik doe mijn huishouden met veel meer gemak en ik kijk er naar uit om verenigd in gebed, u op de hoogte houden van mijn toestand..

    Vinciane heeft een nieuwe moeder en vanavond nog zei ze me: de Vrede woont in ons appartement !

    Joëlle Beuret-Devanthéry

    Lausanne, 19 november 2010

    P.S. Hierna nog enkele feiten die u mijn situatie kunnen helpen verduidelijken:

    Vroeger moest ik vaak horen dat ik mijzelf gelukkig mocht prijzen dat ik deze slechte en grijze wereld niet hoefde te zien, dat ik de grijze en verzuurde mensen niet hoefde te zien. Ik stelde me de hele wereld grijs voor, de mensen als grijze wandelende palen, de zon die doorheen een dikke grijze mist scheen en zelfs het water dat ik dronk was in mijn beleving troebel grijs.

    Groot was mijn verrassing van een wereld te ontdekken met een prachtig gekleurde natuur, met mensen die toch wel vaak glimlachen, met een schitterende zon in een blauwe hemel, alles bleek zacht en harmonieus. Lof zij U Heer!

    In het station stelde ik me de mensen voor als in blikjes geperste sardientjes en alleen dat idee al vond ik uitputtend. Vandaag win ik wel vijftien minuten op weg naar de metro omdat ik me nu met gemak een weg kan banen tussen de mensen. Maria leidt me en houdt me bij de hand en geeft me aan welke weg ik moet nemen! Gezegend zijt gij, Maria!

    Ongelovige mensen uit mijn omgeving weigerden in eerste instantie te geloven dat ik weer kon zien. Enkele dagen later belden ze me terug om te zeggen dat ze na rijp overleg met zichzelf toch de hand van God moesten erkennen in dit mirakel!

    Ik zou nog zoveel zaken kunnen vertellen, maar dat zou mijn verhaal te lang maken. Op acht december 2010 heb ik een afspraak bij een professor in de ophtalmologie in Bazel.

    Enkele kleine onderzoeken zijn al uitgevoerd. Ik zie licht met mijn linkeroog, een beetje meer rechts. In een volgend verslag zal ik er u meer over vertellen. Maar laat ons allen samen verenigd in gebed blijven en Maria, onze Koningin van de Vrede en Haar Zoon Jezus danken. Zij hebben ons gezegd: ... als gij niet wordt als deze kleine kinderen, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan...

    Deze genezing heeft mij het lichaam van een volwassene gelaten, maar heeft mij het hart van een kind gegeven, de blik van een kind, door mij van de nacht naar de dag te brengen. Heer alles wat we hebben komt van U en al ons Geluk, alles keert tot U terug!

    Tot binnenkort,
    Joëlle

    School van Maria*: Alles met het hart doen:

    1. Dagelijkse rozenkrans 2. minstens vijf minuten per dag de bijbel lezen 3. eenmaal per maand biechten 4. iedere zondag Eucharistie en indien mogelijk ook nog enkele keren per week 5. vasten op water en brood één of tweemaal per week, bij voorkeur op woensdag en vrijdag.

    Deze school van Maria is een weg van heiligheid. Het is de leidraad van al de gebedsgroepen Maria, Koningin van de Vrede.




    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MARIA ONZE BESCHERMSTER.

    Tegen de Duivel

    De bekoring is algemeen. Niemand van ons kan verwachten, aan deze geheimzinnige wet te ontsnappen. Het is zelfs zeker, dat de tot volmaaktheid geroepen zielen met meer hevigheid worden bekoord. Méér door God bemind, verwekken zij een wrangere afgunst bij de vijand van het menselijk geslacht; door uitgelezen genaden met meer macht bedeeld, wagen zij het, aan de duivel vele van zijn trawanten te ontrukken. De val van zulke uitverkoren zielen is bovendien een verlies voor het Godsrijk, en dit alleen reeds kan een verklaring geven voor het aantal en het geweld van de bekoringen die hen bestormen.

    Maria nu verdedigt haar kinderen.
    Is zij, de Onbevlekte, niet Satans grote tegenstandster? Háár is de opdracht gegeven, hem de kop te verpletten. Haar volmaakte zuiverheid geeft haar een nameloze afschuw van al wat tot zonde voert. Zij, Moeder van Jezus, wil in ons Hém verdedigen. Als de duivel het op ons bovennatuurlijk leven gemunt heeft, heeft hij het ten slotte op Jezus zelf gemunt. Het leven van Christus in ons wil hij uitdoven.

    Beseft gij, dat Jezus’ Moeder diep in haar binnenste wordt bewogen en er toe aangedreven de eer van haar Zoon te verdedigen. Want het betreft de eer van God in ons. Wij zijn immers kinderen van God, mede-erfgenamen van Christus, tempels van de Heilige Geest! Deze levende werkelijkheid wekt de wrede haat van de duivel. Hij vervolgt weer Christus in ons en zou Hem opnieuw willen kruisigen. "Zo de wereld, die door de duivel wordt opgezweept, u haat," sprak Jezus, "dan komt dit, omdat ze Mij het eerst heeft gehaat."

    Maar hier ligt ook de bron van onze kracht. Wij delen in Christus’ persoonlijke strijd, en al wat van Christus is, komt ons nu ter verdediging te hulp. Allereerst voorzeker de heilige Maagd, die, als aan haar Zoon gedaan, beschouwt, wat men aan zijn ledematen doet.

    Het mysterie van de Menswording blijft altijd het strijdmotief tussen duivel en mens. Maria is dan ook bij deze verschrikkelijke worsteling onmiddellijk betrokken.
    Zij baarde ons niet in zo’n vreselijke smart, om ons aan Gods vijand over te laten. Als weerstandsbeginsel bezorgt zij ons de genade, krachtig werkend en onuitputtelijk beginsel, dat zij aan onze bekoringen en zwakheden weet aan te passen. Geen enkele macht — wij weten het — is in staat, een ziel in het bezit van deze genade, nu eens als steun, dan weer als kracht, aan God te ontrukken. "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? In alle beproevingen zijn wij overwinnaars door Hem die ons bemind heeft. Want ik ben er van verzekerd, dat noch de dood, noch het leven, noch de engelen, noch de machten, noch wat boven, noch wat beneden is, noch enig schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus onze Heer."

    Heeft Maria ook niet de engelen tot haar dienst? "Er zijn er veel meer met óns dan met hén," zeide Eliseüs tot zijn dienaar, die bevreesd was voor een hen achtervolgende menigte. "Zie", zeide de profeet en de Carmelberg werd met hemelruiters overdekt. Zó stelt Maria de hemel te onzen dienste. Koningin van de engelen is zij; voorwaar, geen ijdele titel. Het bestuur van haar kinderen op aarde oefent zij dikwijls door de engelen uit, vooral wanneer het de strijd tegen de duivel betreft.

    Wijl de genade de ware vreugdebron is, stelt Maria ons in staat, de bekoring door de vreugde te bestrijden. De geest van vreugde is een zeer grote kracht tegen de bekoring. Want de vreugde is ten slotte de liefde, het openbloeien van de ziel in het bezit van God. "De Heer die U beschouwt," zegt David, "stroomt over van blijdschap." Zodat het eenvoudigste middel om te zegevieren over de bekoring, niet is, ons ongerust te maken, de kunstgrepen van de bekoorder te onderzoeken, maar met geheel onze ziel Hém aan te hangen die in ons leeft, en meer dan wijzelf er op uit is, het ons meegedeelde leven te behoeden. "Wandel in Jezus Christus, in Hem geworteld, op Hem gebouwd, in het geloof bevestigd".

    De bekoring zelf wordt bron van vreugde. Het is een strijd die voor het Godsrijk geleverd werd en gewonnen. En gij hebt de vreugde van de overwinning. Daarom zeide Sint Jacobus: "Als gij bekoord wordt, acht het een vreugde".


    Tegen de schepselen

    De schepselen zijn óók meermalen een beletsel voor ons christelijk leven. Niet zelden bieden zij weerstand aan de vervulling van Gods wil; dikwijls zonder het te willen; soms volkomen bewust.

    Maria leed er veel door. Haar leven is vol van de tegenkanting van de schepselen; de onverschilligheid van Bethlehems bewoners noodzaakt haar, haar Kind ter wereld te brengen in een grot; de haat van Herodes doet haar in doodsangst vluchten naar Egypte; haar nazareense stadgenoten willen haar Zoon in een afgrond werpen; de Farizeeën, de hoofden van het volk, en zoveel anderen doen haar vreselijke uren beleven, als zij haar Zoon ten dode bekampen.

    Maria weet dus, wat de tegenstand van de schepselen betekent voor het werk van God. Denk aan de haar Zoon bereide ontvangst, aan de kwelling van haar hart, als zij de uit liefde mens geworden Schepper niet slechts miskend zag door zijn volk, maar in werkelijkheid verfoeid en door een onverzoenbare haat achtervolgd.

    Maria’s antwoord? Steeds hetzelfde: het antwoord van de moederliefde. De mensen die Jezus verafschuwden, beminde zij; alle kwellingen had zij willen lijden, om die haat uit hun hart te rukken, om hun Jezus te tonen. En op de Calvarieberg leverde zij ook voor hén haar Zoon over. Ook hén wilde zij redden.

    Welk een les in de liefde! Maria leert ons hier een moeilijke zaak: het lijden, door de naaste veroorzaakt, weten te dragen. Komt het lijden onmiddellijk van God, dan aanvaarden wij het gewoonlijk wel: de Kerk heeft ons zó dikwijls voorgehouden, met Christus het kruis te dragen, dat wij het dan geduldig op ons nemen. De moeilijkheid is echter veel groter, als de naaste ons het kruis oplegt. Wij houden er niet van, dat tussen God en ons de naaste staat. De slagen van God verdragen wij, maar niet de slagen van God door de mensen. Weinig in getal zijn de christenen die genoeg geloof en vooral genoeg nederigheid hebben, om in de hand van de naaste de hand van God te zien. In de slagen, ons onmiddellijk door de mensen toegebracht, zien zelfs de meest godvruchtigen dikwijls slechts de uiting van een verkeerd karakter, van lage jaloezie, van niet gerechtvaardigde verdenkingen, van boosheid zelfs. Wie kan de rechtvaardigheid en de liefde van God zien, als Hij, voor het welzijn van zijn kinderen, Zich van het schepsel bedient? Daarin juist kan men de ware nederigheid van Gods dienaren onderkennen, zó diep is de weerzin, om te lijden door de naaste. De nederigen alleen aanvaarden het. Men moet dicht bij de heiligheid zijn, om te begrijpen, dat in onze loutering de naaste de plaats van God bekleedt.

    Soms is de beproeving nog zwaarder. Niet slechts Gods vijanden plaatsen zich dwars op uw weg, maar rechtschapen mensen keren zich tegen u; er heeft een zeer pijnlijke verwijdering plaats, gij wordt niet begrepen, uw daden worden streng uitgelegd; gij wordt in het openbaar berispt, uw ijver wordt als schadelijk gebrandmerkt, uw plannen als gevaarlijk gedwarsboomd. "Een van de grootste kwellingen in deze ballingschap," zeide de heilige Petrus van Alcantara tot de heilige Theresia, "is de tegenspraak van welmenende lieden." Meen niet, dat deze beproevingen zo zeldzaam zijn.
    Verklaarden de vijf godgeleerden, met het onderzoek van Sint Theresia’s geschriften belast, niet allen, dat, wat zij schreef, van de duivel kwam, en brachten zij haar niet in vreselijke angst?
    Door hoeveel bisschoppen werd Maria’s grote apostel, de heilige Grignion de Montfort, niet de uitoefening van een of andere priesterlijke arbeid verboden?
    De heilige Alfonsus de Liguori werd zelfs uit zijn pas door hem gestichte congregatie verdreven.
    Hoeveel gelovigen en priesters die met liefdevolle ijver een werk tot stand brachten, worden ter zijde geschoven, als hadden zij de geest van dat werk verloren! Hoeveel apostelen, wier bedoelingen elke dag worden belasterd!

    Een blik op Maria stelt hen gerust. Ook zij heeft deze weg bewandeld. Was zij niet de moeder van een miskende, van een belasterde, van een man, achtervolgd door de geleerden van die tijd, door de hoofden van de priesters? Méér nog, verlaat die zo teerbeminde Zoon haar niet op twaalfjarige leeftijd, en als Hij dertig jaren telt, behandelt Hij haar dan niet met een schijnbare onverschilligheid: "Wie is mijn Moeder? Hij die de wil van God doet".

    Jezus zocht zijn Moeder op te voeren tot het toppunt van onthechting, van geestelijke armoede. Hij is de volmaakt arme geweest. Groot was zijn stoffelijke, maar groter nog zijn geestelijke armoede. Hij leefde aan alles onthecht, en stierf verlaten van zijn leerlingen, verworpen door zijn volk, onteerd door een openbaar vonnis, zonder zijn macht, die Hem begaf, en zelfs zonder menselijke gedaante, die onder de foltering verdween.

    Zó wil Hij ook in zijn mystiek Lichaam leven. Zijn ledematen moeten leven van de zaligheden uit zijn Bergrede, van de liefde voor de armoede, van de zachtmoedigheid, de barmhartigheid, de vervolging, de overgave aan de Voorzienigheid, de onthechting aan alles, zelfs aan het leven. "Zij lijden gebrek," zeide Sint Paulus, "maar zij bezitten alles." Die onbaatzuchtigen, die geestelijk armen "bezitten reeds het rijk van God".

    De tegenkantingen van de schepselen laat God toe, om hun ijver en hun liefde te zuiveren.
    Wij zijn er maar al te zeer toe geneigd, in ons verlangen om God te verheerlijken, persoonlijke, vooraf opgevatte meningen te mengen. De tegenstrevingen van de mensen helpen ons bij onze heiliging.

    Nog zwaarder lijden kunnen de schepselen Gods dienaar aandoen. Het was misschien het vreselijkste, dat Maria doorstond. Het begon voor haar reeds bij de Opdracht. Zij offert haar Zoon voor het heil van de wereld. Nu zullen de mensen toch ongetwijfeld naar de Verlosser heensnellen? Simeon zegt haar: "Uw Zoon is bestemd tot val van velen". Jezus, de schoonheid en de liefde, een gelegenheid tot val! Hij komt om ons te verlossen, maar Hij wordt niet ontvangen: "de Zijnen ontvingen Hem niet". Wat een verschrikkelijke pijn voor het moederhart! Dit duurt geheel haar leven; de priesters willen niets van die Christus weten, de menigte wordt misleid en zelfs, nog in het laatste uur, de onboetvaardige moordenaar, voor wie Maria bad, en die toch sterft met een godslastering op de lippen. Sterven nabij het kruis van zaligheid, naast God de Redder en verloren gaan! Lijdt Jezus dan vruchteloos?

    Wie schetst ons het lijden van de apostelen door de halsstarrigheid van de mensen? De door zielendorst gedreven dienaren Gods, ook zij blijven onverzettelijk de liefde van de Verlosser prediken, zij geven er hun leven voor ten beste, de contemplatieven bidden, de boetvaardigen slachtofferen zich. Er zijn echter uren, waarop zij slechts de brede rijen ongelovigen en gedoopten zien, die naar de afgrond van de hel worden getrokken. Zou het apostolaat, zou het gebed tevergeefs zijn? Toch betreuren zij niets, zoals Maria aan de voet van het Kruis, die geen angst, geen kwelling, geen druppel bloed betreurde. Want zij zag er slechts de glorie van God en het heil van de zielen in.

    Wat is nu Maria’s streven? Ons in Gods armen te werpen. Ons overal God te doen zien en beminnen, bijzonder in de naaste, de dienaar van zijn koninklijke wil. "God wil u heilig maken," zegt Sint Paulus. Daaraan slechts werkt Hij, want al zijn plannen hebben betrekking op het grote Christusmysterie, op de groei van de mystieke Christus, waarvan Maria de Moeder is. Zij is bij de vorming van de heiligen Gods medewerkster, daarom tracht zij mij er van te overtuigen, dat de goddelijke wil die mij vernederd wil zien en een voorwerp van tegenspraak van de naaste, uit Vaderliefde voortkomt.


    Tegen onszelf

    Helaas, de duivel en de mensen zijn nog niet de gevaarlijkste tegenstanders van ons christelijk leven; wij zijn het zelf, want wij zijn zondaars en tot zonde geneigd. En misschien doet Maria’s goedheid in dit opzicht zich het sterkst gevoelen.

    God heeft een onuitsprekelijke haat tegen de zonde. Denken wij slechts aan Jezus’ doodsstrijd. Maria nu had een buitengewoon diepe, bovennatuurlijke kennis van de zonde. Haar zo verheven geloof openbaarde haar de afschuwelijkheid er van. Haar heiligheid en haar onbevlekte ontvangenis brachten haar in volslagen oppositie met de zonde. In de lijdensuren dompelde dan ook haar geestelijk moederschap haar in een nameloze droefheid.

    Wat zag zij? Aan de ene kant haar Zoon, die door de liefde tot de Vader en de mensen er toe gedreven werd, zich aan de smart over te leveren, om de zonde te vernietigen, ons binnen te leiden in het liefderijk, en de van alle smet gezuiverde Kerk, heilig als een bruid, de Vader terug te schenken.

    Aan de andere kant zag zij ons, de broeders van Jezus Christus, haar eigen kinderen, die, zoals Simeon had aangekondigd, de grond van hun hart openbaarden en geen voordeel wilden trekken uit zijn Bloed. Jezus sterft om ons te verlossen; en toch ziet Maria nu reeds onder haar kinderen, haar veelgeliefde kinderen, verdoemden: de zo hardnekkige zondaars die zich keren tegen het kruis en er zich op toeleggen, de Verlosser vergeefs te doen lijden.

    Ik geloof niet, dat men Maria’s inwendige smart op de Calvarieberg begrijpen kan. Tegenover de oneindige liefde, was zij als verpletterd door de afzichtelijke overgrote menigte van zonden van de gehele wereld, die tegen God opstond, om Hem te beledigen, Hem als het ware aan te vallen, en die dag metterdaad er toe kwam, zijn Zoon er onder te verstikken en Hem in zo’n vreselijke angst te dompelen, dat Hij stierf met de geheimzinnige kreet: "Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten".

    Toch was haar liefde niet ontmoedigd. Zij was moeder. Ten einde toe verenigde zij zich met het lijden van haar Zoon en daalde met Hem in het diepste van de afgrond. Zij ging tot aan de smart- en liefdegrens. Moeder, die zij was, moest zij het onmogelijke beproeven tot redding van de kinderen die zij toen baarde, zelfs al verwierpen dezen de oneindige liefde. Aan de voet van het kruis is zij voor ons allen de Moeder van Barmhartigheid geworden en heeft zij die schrikwekkende macht tegen de zonde verkregen. Mochten wij die macht in ons ervaren.
    Een diepe afschuw van de zonde is een van de eerste genaden die Maria verwerft voor allen die zich aan haar moederlijke invloed overgeven.

    "Als God ons voor onszelf de keuze schonk van een van de zo grote en buitengewone genaden, die Hij aan zijn heiligen verleent, dan zouden wij niet beter kunnen doen, dan die levendige en krachtdadige haat tegen de zonde te vragen, die enigen van hen hebben gevoeld.
    Het is een aan alle volmaaktheid ten grondslag liggende gave en de bovennatuurlijke kracht van alle volharding. Het is én de veiligste én de krachtdadigste van alle bijzondere genaden. De godsvrucht nu tot de Moeder van de Smarten is voor ons een krachtig hulpmiddel om die haat tegen de zonde te verkrijgen als een blijvende gesteltenis en die te verdienen als een genade".

    "De grote droefheid, die de zonde in het hart van de Onbevlekte Maagd en Moeder Maria teweegbracht...... vervult ons met afschuw, medelijden, verontwaardiging en wroeging." Om ons met deze gevoelens te bezielen, toont Maria ons haar Zoon. Dit is haar taak. Zij toont het Lam Gods, haar Zoon, boetend in een door arbeid en verachting vernederd leven, de schande zoekend, "Zich verzadigend met smaad", "de Man van smarten".

    En dat voor mijn zonden: "Om onze ongerechtigheden is Hij gewond, om onze misdaden werd Hij verbrijzeld".

    De zalige Angela van Foligno verhaalt, dat zij Maria vroeg, wat de Heer het aangenaamste zou zijn. Maria verhoorde haar. "Het werd mij vergund," zeide zij, "krachtdadiger dan te voren met Jezus en Maria mede te lijden. En wát ik ook verrichtte, het scheen mij klein; en ik verlangde naar een veel grotere boetedoening. Mijn hart werd omsloten door het lijden van Christus, en door dit lijden werd mij de hoop op mijn zaligheid gegeven." De Verlosser verscheen haar aan het kruis en toonde zijn wonden, zijn gegeseld lichaam, zijn vreselijke smarten. Hij zeide: "Voor u, voor u heb Ik geleden". "Al mijn zonden stonden mij toen voor de geest; ik begreep, dat ik de bewerkster van de geseling was; ik begreep ook, hoe groot mijn droefheid moest zijn. Hij ging steeds voort, mij zijn lijden voor ogen te stellen, en sprak: "Wat wilt gij doen, om Mij vergoeding te geven?" Ik weende en snikte zozeer, dat ik mijn vlees door mijn tranen zag verschroeien".

    De herinnering aan onze zonden en aan de barmhartigheid die ons vergiffenis schonk, moet in ons een bestendige droefheid doen leven. Jezus, die de gelijkenis van de zondaar had aangenomen, leefde daarom in beschaamdheid voor het oog van de Vader. Het leven van Maria, de Moeder van de vernederde Christus, ging voorbij in boete en smart. Ook de heiligen ondervinden deze droefheid in sterke mate. Voordat de heilige Vincentius Ferrerius de steden binnenging, waar hij onder mirakelen het Evangelie verkondigde, knielde hij neer in het stof van de wegen en smeekte God onder tranen, dat Hij de stad om de zondaar die er nu binnentrad, toch niet straffen zou.

    Niets is voor ons geestelijk leven van zoveel belang als de standvastige droefheid over onze zonden. Geheel onze vooruitgang hangt daarvan af. Niet, dat wij aanhoudend moeten denken aan ieder van onze vroegere zonden; de voorzichtigheid vraagt, dat wij ze vergeten. Maar wij moeten er aan denken, dat wij zondaars zijn. Het feit, gezondigd te hebben, al was het slechts éénmaal, moest in ons de schaamte levendig houden. De geest van Gethsemani moest over ons vaardig zijn. "Amplius lava me", zeide David, "mijn God reinig mij immer meer". Denken wij er aan, hoe het vleesgeworden Woord over zijn zo zuivere mensheid oordeelde, enig en alleen, omdat Hij met de zonden van de wereld was beladen, en hoe Hij Zich overleverde aan het kruis. "Er is geen heilige Mis," schreef Ernest Psichari, "waaronder ik voor de Meester die ik zo lang heb gekruisigd, geen overvloedige tranen stort."

    Maria geeft ons de genade van die heilige beschaamdheid voor God. "Ik ben de Moeder van de liefde en de vrees," zegt zij. Te Lourdes riep zij uit: "Boetvaardigheid! Boetvaardigheid!" En in Salette verscheen zij geheel in tranen, zij weende over onze ellenden. In de nederigheid en in het ware gebed leidt zij ons binnen; zij schept in onze ziel de aanhoudende behoefte, aan God eerherstel te geven, Hem te beminnen en te verheerlijken.


    Moeder van Barmhartigheid

    Steeds hebben de christenen Maria déze naam gegeven, om een van de voornaamste hoedanigheden aan te duiden van haar moederlijke liefde. De barmhartigheid is het medelijden met de ellende van een ander. "Wij hebben," zegt de Heilige Schrift, "een barmhartige en getrouwe Hogepriester tot uitboeting van de zonden van het volk. Want juist omdat Hij het lijden en de beproeving heeft doorstaan, is Hij in staat hén te helpen die beproefd worden." Dit moet men ook zeggen van de Moeder van de Hogepriester, die mét Hem "het lijden en de beproeving" heeft doorstaan en wier hart de drang gevoelt, onze ellenden te verlichten.

    De barmhartigheid is de schitterendste openbaring van Gods macht en goedheid. Een goede, een liefdevolle macht geeft zich op de meest edelmoedige, de meest innige wijze. Dit alleen al zou verklaren, waarom Maria zo barmhartig is; zó toont zij immers haar medelijden met ons, maar tevens verheerlijkt zij God. Sint Augustinus zegt ons, dat het omvormen van een zondaar in een rechtvaardige voor God roemvoller is, dan hemel en aarde te hebben geschapen: "het goed van de genade is meer waard dan het ganse heelal". Een van de voornaamste functies van Maria’s moederschap is dan ook de bekering van de zondaars.

    Moeder van barmhartigheid is zij, omdat zij ons de Verlosser heeft gegeven, omdat zij de mensheid heeft gevormd, die ons moest vrijkopen. Haar gróte gave is...... De Verlosser. "O allergoedertierenste Vorstin," roept de heilige Anselmus uit, "welke middelares zou ik in de verschrikking die mij achtervolgt, in de vrees die mij verstijft, met meer vurigheid aanroepen dan haar wier schoot de verzoening van de wereld heeft gedragen"

    "Welke voorspraak zal gemakkelijker voor een misdadiger als ik genade verwerven, dan het gebed van haar die de algemene wreker van alle misdaden en de barmhartige bewerker van de vergiffenis met haar melk heeft gevoed?"

    Maria is voor de zondaars geschapen. "Zij is de Moeder van God geworden," zegt Richard van Sint Victor, "voor een doel van barmhartigheid. Een onuitputtelijke overvloed van barmhartigheid stroomt van haar hart over de zondaars uit. De meest ellendige, die van zijn zonden oprecht bevrijding verlangt, voelt bij háár, het vertrouwen, een zekere gerustheid in zich opwellen, als aan de voeten van zijn moeder. Christus gaf haar dan ook aan ons tot een teken van vergiffenis. In de dagen van onze treurigste afwijkingen kunnen wij haar blijven smeken: "bid voor ons zondaars". Hoe diep de ellendige ook wegzinkt, de gedachte aan de heilige Maagd blijft als een reddingsboei, waaraan hij zich vastklampt.

    De Kerk noemt haar spiegel van gerechtigheid, van goddelijke heiligheid, maar ook toevlucht van de zondaren. Haar moederliefde doet haar tot hen neerbuigen, want zij ziet op hen het Bloed van haar Zoon en zou ze bij Jezus willen inlijven. Haar barmhartigheid strekt zich beschermend uit over alle ledematen van de Christus: over de rechtvaardigen, omdat zij met Hem verenigd zijn; over de zondaars, opdat zij zich met Hem zouden verenigen.

    Men heeft slechts de Calvarieberg in het geheugen te roepen, om een denkbeeld te vormen van haar weergaloze barmhartigheid. Welk een vreselijke foltering! De liefde gaf haar aan Jezus, maar ook aan de beulen. Zij was de Moeder van de Een, maar ook van de anderen. Allen die Jezus vervolgden, zijn dood eisten, woedend schreeuwden en Hem aan het kruis sloegen, allen waren zij haar kinderen! Bij de Menswording had zij ze ontvangen; onder het kruis baarde zij ze in martelpijn, voor hen koesterde zij de liefde van een moeder, een steeds beminnende moeder. "In haar meer dan gekruisigde ziel kon men onmogelijk de minste trek van verontwaardiging, de kleinste schaduw van verbittering ontdekken. Zij doet geen beroep op Gods rechtvaardigheid en wenst niet, dat Hij Zich wreken zal. Riep zij de gerechtigheid af, dan zou het over haarzelf zijn. Alles ziet zij, maar één zaak slechts trekt haar volle aandacht, deze namelijk: dat Jezus, haar liefde, Zich nu aan die gezegende gerechtigheid overgeeft, en er Zich aan overgeeft met de zachtheid van een lam. Ook zij geeft er zich aan over, geheel en al, mét Hem en zoals Hij. Verlangen naar een straf voor alle misdadigers, welke ook, die oorzaak, aanleiding zijn en de uiterlijke vorm geven aan dit geweldig offer, zij heeft er geen behoefte aan, zij denkt er niet aan, voelt er zelfs geen neiging toe. Dit is immers niet in overeenstemming met haar roeping, en haar karakter. Overal en altijd, maar vooral op Calvarië is zij "vrouw", is zij moeder, de goedertierende Maagd, de voorspreekster van de zondaars, de moeder van barmhartigheid."

    In de hemel nu bezit Maria deze zo grote barmhartigheid in haar hoogste volmaaktheid, en deze legt haar een aanhoudend gebed op de lippen. "Wie," zegt Sint Bernardus, "zou de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte van uw barmhartigheid kunnen afmeten, o gezegende Maagd? Haar lengte zal haar tot de jongste dag allen doen bijstaan die haar aanroepen. De breedte van deze barmhartigheid overdekt geheel de aarde. Haar hoogte stijgt tot de Stad hierboven, waarvan zij de verliezen herstelt. Haar diepte daalt tot de afgronden, om hen, die in de duisternis in de schaduw van de dood zijn gezeten, aan de vrijheid terug te geven, want door u is de hemel gevuld, de hel geledigd, de bouwval van het hemels Jeruzalem weer opgetrokken en het christelijk leven teruggeschonken aan de ellendigen in wie de zonde het had gedood."

    "Ik ben de Koningin des Hemels en de Moeder van Barmhartigheid", zeide Maria tot de heilige Brigitta. "Ik ben de vreugde van de rechtvaardigen en de deur die aan de zondaars toegang verleent bij God. Er is niemand, hoe vloekwaardig ook, die, zolang hij op aarde leeft, mijn barmhartigheid niet ondervindt."

    De heilige Brigitta verhaalt ook, dat zij zag, hoe Gods Moeder genade afsmeekte voor een booswicht, die enige vrees voor Gods oordeel had behouden. "Wees gezegend, welbeminde Moeder," sprak de Heer...... "Uw woorden hebben voor mij de zoetheid van de kostelijkste wijn. Ze zijn mij aangenaam boven alles wat zich verbeelden laat...... Gezegend zij uw mond, gezegend uw lippen, waarvan voor de ongelukkige zondaars alle barmhartigheid afvloeit. Zeer terecht noemt men u Moeder van Barmhartigheid. In waarheid, gij zijt het, want gij acht geen ellende gering en neigt mijn hart tot mededogen. Vraag wat gij wilt: uw liefde noch uw smekingen zullen teleurstelling ondervinden."

    "Ik geloof dan ook," zeide Hugo van Sint Victor, "dat zij in de hemel, voor het aangezicht van de Vader en voor haar Zoon, voortdurend haar bediening van barmhartigheid uitoefent, ten gunste van geheel het menselijk geslacht."




     



    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
    KARL KARLSSON. BIRGITTAS TROONSCANDIDAAT IN 1363.
    VIERDE BOEK, KAP. 55.

    Bedenk, dat van Mozes geschreven staat, dat de koningsdochter hem in het water vond en hem liefhad als een zoon. En er staat geschreven dat Mozes een land veroverde door vogels die de vergiftige slangen verorberden. Ik ben een koningsdochter van Davids geslacht, ik wil liefhebben het knaapje, dat ik vond in de golven der tranen, die voor zijn ziel vergoten werden, verborgen in het omhulsel van zijn lichaam. En gij, mijne vrienden, zooals ik u gezegd heb, zult hem opvoeden, totdat hij op den leeftijd gekomen is, dat ik hem wapenen wil en hem zenden om het koninkrijk der hemelen te winnen. Maar hoe dat gebeuren zal, is u onbekend en mij bekend. Want ik wil hem zoo uitrusten, dat van hem gezegd zal worden: Hij leefde als een man, stierf als een held en kwam voor het ordeel als een goed ridder.

    BIJVOEGSEL.
    Gods zoon spreekt: “Als een uitgehongerd dier weggedreven wordt van zijn prooi, wacht het op een afstand om gelegenheid te vinden naar de prooi terug te keeren, en daarom gaat het niet naar zijn hol terug. Zoo heb ik gedaan met den vorst van dit land. Ik heb hem gemaand met mijn weldaden, ik heb hem gemaand met woord en met tucht, maar hij is des te ondankbaarder en nalatiger, hoe zachter ik mij tegenover hem toon. Daarom roep ik hem nu van de kroon, zoodat hij vertrapt zal worden, omdat hij niet in de kroon wil zijn. En ik zal hem en zijn vleiers een gevaarlijken adder zenden, broedsel van een vrouwelijke adder en een arglistigen vos, die onrust over het land en de inwoners er van brengen zal, de eenvoudigen uitplunderen en zal opstijgen naar de hoogste toppen van het land en de hoorvaardigen omverwerpen en vertrappen. Maar de knaap, dien mijne vrienden zullen opvoeden, zal ik naar een anderen weg leiden, totdat hij op een eervoller plaats komt.”

    Verder sprak Gods Zoon: “Daarbij zal gezegd worden van dien jongeling, dat hij leefde als een man en streed als een dapper ridder. En hij zal gekroond worden als een vriend Gods. O, dochter waar is het geloof, of wat meenen de vrouwen, die zich er op beroemen, dat hun zonen leven in overdaad? Het is geen eer, maar een gebrek de overdaad des konings na te volgen. Maar een eer is het, en hij is een ridder van eer, die er zich op beroemt, God eer te geven, zooveel hij kan, en zich daarvoor beijvert. En hij, die bereid is te lijden, wat God wil dat hij lijden zal, zulk een is Gods ridder, en zulk een zal gekroond worden met het ridderschap des hemels.”
    Wordt  vervolgd.

    20-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE MAANDAG.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Corry en de Rekels- Hoog daar aan de hemel (1971)
     

    Corry en de Rekels- Hoog daar aan de hemel (1971)



    Foto

    Getuigenissen van de jongeren van Cenacolo
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7

  • Foto

    Foto

    Foto

    Godelieve heeft voor mij
    deze prachtige pps gemaakt
    waarvoor mijn dank





    Foto

    Schrijft u wat in mijn gastenboek
    klik dan op het boek boven




    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Klik op het plaatje en krijg een prachtige rondleiding door het Vaticaan
    Ieder nummertje is weer iets moois
    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Foto

    Een interessant adres?


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Meer blogs