Foto
TOESPRAAK VAN PATER PETAR
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7
  • Deel 8
  • Deel 9
  • Foto
    Foto
    Het  logo  van  het  Bisdom  Gent  van  MG.  Van  Looy
     
    Origen
    Quantcast
    Met hulp en medewerking van John Pont is dit blog gemaakt
    HOUD UW LAMPEN BRANDEND.
         Image and video hosting by TinyPic
    For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
     2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt
    Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois
    Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Gastenboek

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Wonder

    21-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MARIA ONZE BESCHERMSTER.

    Tegen de Duivel

    De bekoring is algemeen. Niemand van ons kan verwachten, aan deze geheimzinnige wet te ontsnappen. Het is zelfs zeker, dat de tot volmaaktheid geroepen zielen met meer hevigheid worden bekoord. Méér door God bemind, verwekken zij een wrangere afgunst bij de vijand van het menselijk geslacht; door uitgelezen genaden met meer macht bedeeld, wagen zij het, aan de duivel vele van zijn trawanten te ontrukken. De val van zulke uitverkoren zielen is bovendien een verlies voor het Godsrijk, en dit alleen reeds kan een verklaring geven voor het aantal en het geweld van de bekoringen die hen bestormen.

    Maria nu verdedigt haar kinderen.
    Is zij, de Onbevlekte, niet Satans grote tegenstandster? Háár is de opdracht gegeven, hem de kop te verpletten. Haar volmaakte zuiverheid geeft haar een nameloze afschuw van al wat tot zonde voert. Zij, Moeder van Jezus, wil in ons Hém verdedigen. Als de duivel het op ons bovennatuurlijk leven gemunt heeft, heeft hij het ten slotte op Jezus zelf gemunt. Het leven van Christus in ons wil hij uitdoven.

    Beseft gij, dat Jezus’ Moeder diep in haar binnenste wordt bewogen en er toe aangedreven de eer van haar Zoon te verdedigen. Want het betreft de eer van God in ons. Wij zijn immers kinderen van God, mede-erfgenamen van Christus, tempels van de Heilige Geest! Deze levende werkelijkheid wekt de wrede haat van de duivel. Hij vervolgt weer Christus in ons en zou Hem opnieuw willen kruisigen. "Zo de wereld, die door de duivel wordt opgezweept, u haat," sprak Jezus, "dan komt dit, omdat ze Mij het eerst heeft gehaat."

    Maar hier ligt ook de bron van onze kracht. Wij delen in Christus’ persoonlijke strijd, en al wat van Christus is, komt ons nu ter verdediging te hulp. Allereerst voorzeker de heilige Maagd, die, als aan haar Zoon gedaan, beschouwt, wat men aan zijn ledematen doet.

    Het mysterie van de Menswording blijft altijd het strijdmotief tussen duivel en mens. Maria is dan ook bij deze verschrikkelijke worsteling onmiddellijk betrokken.
    Zij baarde ons niet in zo’n vreselijke smart, om ons aan Gods vijand over te laten. Als weerstandsbeginsel bezorgt zij ons de genade, krachtig werkend en onuitputtelijk beginsel, dat zij aan onze bekoringen en zwakheden weet aan te passen. Geen enkele macht — wij weten het — is in staat, een ziel in het bezit van deze genade, nu eens als steun, dan weer als kracht, aan God te ontrukken. "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? In alle beproevingen zijn wij overwinnaars door Hem die ons bemind heeft. Want ik ben er van verzekerd, dat noch de dood, noch het leven, noch de engelen, noch de machten, noch wat boven, noch wat beneden is, noch enig schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus onze Heer."

    Heeft Maria ook niet de engelen tot haar dienst? "Er zijn er veel meer met óns dan met hén," zeide Eliseüs tot zijn dienaar, die bevreesd was voor een hen achtervolgende menigte. "Zie", zeide de profeet en de Carmelberg werd met hemelruiters overdekt. Zó stelt Maria de hemel te onzen dienste. Koningin van de engelen is zij; voorwaar, geen ijdele titel. Het bestuur van haar kinderen op aarde oefent zij dikwijls door de engelen uit, vooral wanneer het de strijd tegen de duivel betreft.

    Wijl de genade de ware vreugdebron is, stelt Maria ons in staat, de bekoring door de vreugde te bestrijden. De geest van vreugde is een zeer grote kracht tegen de bekoring. Want de vreugde is ten slotte de liefde, het openbloeien van de ziel in het bezit van God. "De Heer die U beschouwt," zegt David, "stroomt over van blijdschap." Zodat het eenvoudigste middel om te zegevieren over de bekoring, niet is, ons ongerust te maken, de kunstgrepen van de bekoorder te onderzoeken, maar met geheel onze ziel Hém aan te hangen die in ons leeft, en meer dan wijzelf er op uit is, het ons meegedeelde leven te behoeden. "Wandel in Jezus Christus, in Hem geworteld, op Hem gebouwd, in het geloof bevestigd".

    De bekoring zelf wordt bron van vreugde. Het is een strijd die voor het Godsrijk geleverd werd en gewonnen. En gij hebt de vreugde van de overwinning. Daarom zeide Sint Jacobus: "Als gij bekoord wordt, acht het een vreugde".


    Tegen de schepselen

    De schepselen zijn óók meermalen een beletsel voor ons christelijk leven. Niet zelden bieden zij weerstand aan de vervulling van Gods wil; dikwijls zonder het te willen; soms volkomen bewust.

    Maria leed er veel door. Haar leven is vol van de tegenkanting van de schepselen; de onverschilligheid van Bethlehems bewoners noodzaakt haar, haar Kind ter wereld te brengen in een grot; de haat van Herodes doet haar in doodsangst vluchten naar Egypte; haar nazareense stadgenoten willen haar Zoon in een afgrond werpen; de Farizeeën, de hoofden van het volk, en zoveel anderen doen haar vreselijke uren beleven, als zij haar Zoon ten dode bekampen.

    Maria weet dus, wat de tegenstand van de schepselen betekent voor het werk van God. Denk aan de haar Zoon bereide ontvangst, aan de kwelling van haar hart, als zij de uit liefde mens geworden Schepper niet slechts miskend zag door zijn volk, maar in werkelijkheid verfoeid en door een onverzoenbare haat achtervolgd.

    Maria’s antwoord? Steeds hetzelfde: het antwoord van de moederliefde. De mensen die Jezus verafschuwden, beminde zij; alle kwellingen had zij willen lijden, om die haat uit hun hart te rukken, om hun Jezus te tonen. En op de Calvarieberg leverde zij ook voor hén haar Zoon over. Ook hén wilde zij redden.

    Welk een les in de liefde! Maria leert ons hier een moeilijke zaak: het lijden, door de naaste veroorzaakt, weten te dragen. Komt het lijden onmiddellijk van God, dan aanvaarden wij het gewoonlijk wel: de Kerk heeft ons zó dikwijls voorgehouden, met Christus het kruis te dragen, dat wij het dan geduldig op ons nemen. De moeilijkheid is echter veel groter, als de naaste ons het kruis oplegt. Wij houden er niet van, dat tussen God en ons de naaste staat. De slagen van God verdragen wij, maar niet de slagen van God door de mensen. Weinig in getal zijn de christenen die genoeg geloof en vooral genoeg nederigheid hebben, om in de hand van de naaste de hand van God te zien. In de slagen, ons onmiddellijk door de mensen toegebracht, zien zelfs de meest godvruchtigen dikwijls slechts de uiting van een verkeerd karakter, van lage jaloezie, van niet gerechtvaardigde verdenkingen, van boosheid zelfs. Wie kan de rechtvaardigheid en de liefde van God zien, als Hij, voor het welzijn van zijn kinderen, Zich van het schepsel bedient? Daarin juist kan men de ware nederigheid van Gods dienaren onderkennen, zó diep is de weerzin, om te lijden door de naaste. De nederigen alleen aanvaarden het. Men moet dicht bij de heiligheid zijn, om te begrijpen, dat in onze loutering de naaste de plaats van God bekleedt.

    Soms is de beproeving nog zwaarder. Niet slechts Gods vijanden plaatsen zich dwars op uw weg, maar rechtschapen mensen keren zich tegen u; er heeft een zeer pijnlijke verwijdering plaats, gij wordt niet begrepen, uw daden worden streng uitgelegd; gij wordt in het openbaar berispt, uw ijver wordt als schadelijk gebrandmerkt, uw plannen als gevaarlijk gedwarsboomd. "Een van de grootste kwellingen in deze ballingschap," zeide de heilige Petrus van Alcantara tot de heilige Theresia, "is de tegenspraak van welmenende lieden." Meen niet, dat deze beproevingen zo zeldzaam zijn.
    Verklaarden de vijf godgeleerden, met het onderzoek van Sint Theresia’s geschriften belast, niet allen, dat, wat zij schreef, van de duivel kwam, en brachten zij haar niet in vreselijke angst?
    Door hoeveel bisschoppen werd Maria’s grote apostel, de heilige Grignion de Montfort, niet de uitoefening van een of andere priesterlijke arbeid verboden?
    De heilige Alfonsus de Liguori werd zelfs uit zijn pas door hem gestichte congregatie verdreven.
    Hoeveel gelovigen en priesters die met liefdevolle ijver een werk tot stand brachten, worden ter zijde geschoven, als hadden zij de geest van dat werk verloren! Hoeveel apostelen, wier bedoelingen elke dag worden belasterd!

    Een blik op Maria stelt hen gerust. Ook zij heeft deze weg bewandeld. Was zij niet de moeder van een miskende, van een belasterde, van een man, achtervolgd door de geleerden van die tijd, door de hoofden van de priesters? Méér nog, verlaat die zo teerbeminde Zoon haar niet op twaalfjarige leeftijd, en als Hij dertig jaren telt, behandelt Hij haar dan niet met een schijnbare onverschilligheid: "Wie is mijn Moeder? Hij die de wil van God doet".

    Jezus zocht zijn Moeder op te voeren tot het toppunt van onthechting, van geestelijke armoede. Hij is de volmaakt arme geweest. Groot was zijn stoffelijke, maar groter nog zijn geestelijke armoede. Hij leefde aan alles onthecht, en stierf verlaten van zijn leerlingen, verworpen door zijn volk, onteerd door een openbaar vonnis, zonder zijn macht, die Hem begaf, en zelfs zonder menselijke gedaante, die onder de foltering verdween.

    Zó wil Hij ook in zijn mystiek Lichaam leven. Zijn ledematen moeten leven van de zaligheden uit zijn Bergrede, van de liefde voor de armoede, van de zachtmoedigheid, de barmhartigheid, de vervolging, de overgave aan de Voorzienigheid, de onthechting aan alles, zelfs aan het leven. "Zij lijden gebrek," zeide Sint Paulus, "maar zij bezitten alles." Die onbaatzuchtigen, die geestelijk armen "bezitten reeds het rijk van God".

    De tegenkantingen van de schepselen laat God toe, om hun ijver en hun liefde te zuiveren.
    Wij zijn er maar al te zeer toe geneigd, in ons verlangen om God te verheerlijken, persoonlijke, vooraf opgevatte meningen te mengen. De tegenstrevingen van de mensen helpen ons bij onze heiliging.

    Nog zwaarder lijden kunnen de schepselen Gods dienaar aandoen. Het was misschien het vreselijkste, dat Maria doorstond. Het begon voor haar reeds bij de Opdracht. Zij offert haar Zoon voor het heil van de wereld. Nu zullen de mensen toch ongetwijfeld naar de Verlosser heensnellen? Simeon zegt haar: "Uw Zoon is bestemd tot val van velen". Jezus, de schoonheid en de liefde, een gelegenheid tot val! Hij komt om ons te verlossen, maar Hij wordt niet ontvangen: "de Zijnen ontvingen Hem niet". Wat een verschrikkelijke pijn voor het moederhart! Dit duurt geheel haar leven; de priesters willen niets van die Christus weten, de menigte wordt misleid en zelfs, nog in het laatste uur, de onboetvaardige moordenaar, voor wie Maria bad, en die toch sterft met een godslastering op de lippen. Sterven nabij het kruis van zaligheid, naast God de Redder en verloren gaan! Lijdt Jezus dan vruchteloos?

    Wie schetst ons het lijden van de apostelen door de halsstarrigheid van de mensen? De door zielendorst gedreven dienaren Gods, ook zij blijven onverzettelijk de liefde van de Verlosser prediken, zij geven er hun leven voor ten beste, de contemplatieven bidden, de boetvaardigen slachtofferen zich. Er zijn echter uren, waarop zij slechts de brede rijen ongelovigen en gedoopten zien, die naar de afgrond van de hel worden getrokken. Zou het apostolaat, zou het gebed tevergeefs zijn? Toch betreuren zij niets, zoals Maria aan de voet van het Kruis, die geen angst, geen kwelling, geen druppel bloed betreurde. Want zij zag er slechts de glorie van God en het heil van de zielen in.

    Wat is nu Maria’s streven? Ons in Gods armen te werpen. Ons overal God te doen zien en beminnen, bijzonder in de naaste, de dienaar van zijn koninklijke wil. "God wil u heilig maken," zegt Sint Paulus. Daaraan slechts werkt Hij, want al zijn plannen hebben betrekking op het grote Christusmysterie, op de groei van de mystieke Christus, waarvan Maria de Moeder is. Zij is bij de vorming van de heiligen Gods medewerkster, daarom tracht zij mij er van te overtuigen, dat de goddelijke wil die mij vernederd wil zien en een voorwerp van tegenspraak van de naaste, uit Vaderliefde voortkomt.


    Tegen onszelf

    Helaas, de duivel en de mensen zijn nog niet de gevaarlijkste tegenstanders van ons christelijk leven; wij zijn het zelf, want wij zijn zondaars en tot zonde geneigd. En misschien doet Maria’s goedheid in dit opzicht zich het sterkst gevoelen.

    God heeft een onuitsprekelijke haat tegen de zonde. Denken wij slechts aan Jezus’ doodsstrijd. Maria nu had een buitengewoon diepe, bovennatuurlijke kennis van de zonde. Haar zo verheven geloof openbaarde haar de afschuwelijkheid er van. Haar heiligheid en haar onbevlekte ontvangenis brachten haar in volslagen oppositie met de zonde. In de lijdensuren dompelde dan ook haar geestelijk moederschap haar in een nameloze droefheid.

    Wat zag zij? Aan de ene kant haar Zoon, die door de liefde tot de Vader en de mensen er toe gedreven werd, zich aan de smart over te leveren, om de zonde te vernietigen, ons binnen te leiden in het liefderijk, en de van alle smet gezuiverde Kerk, heilig als een bruid, de Vader terug te schenken.

    Aan de andere kant zag zij ons, de broeders van Jezus Christus, haar eigen kinderen, die, zoals Simeon had aangekondigd, de grond van hun hart openbaarden en geen voordeel wilden trekken uit zijn Bloed. Jezus sterft om ons te verlossen; en toch ziet Maria nu reeds onder haar kinderen, haar veelgeliefde kinderen, verdoemden: de zo hardnekkige zondaars die zich keren tegen het kruis en er zich op toeleggen, de Verlosser vergeefs te doen lijden.

    Ik geloof niet, dat men Maria’s inwendige smart op de Calvarieberg begrijpen kan. Tegenover de oneindige liefde, was zij als verpletterd door de afzichtelijke overgrote menigte van zonden van de gehele wereld, die tegen God opstond, om Hem te beledigen, Hem als het ware aan te vallen, en die dag metterdaad er toe kwam, zijn Zoon er onder te verstikken en Hem in zo’n vreselijke angst te dompelen, dat Hij stierf met de geheimzinnige kreet: "Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten".

    Toch was haar liefde niet ontmoedigd. Zij was moeder. Ten einde toe verenigde zij zich met het lijden van haar Zoon en daalde met Hem in het diepste van de afgrond. Zij ging tot aan de smart- en liefdegrens. Moeder, die zij was, moest zij het onmogelijke beproeven tot redding van de kinderen die zij toen baarde, zelfs al verwierpen dezen de oneindige liefde. Aan de voet van het kruis is zij voor ons allen de Moeder van Barmhartigheid geworden en heeft zij die schrikwekkende macht tegen de zonde verkregen. Mochten wij die macht in ons ervaren.
    Een diepe afschuw van de zonde is een van de eerste genaden die Maria verwerft voor allen die zich aan haar moederlijke invloed overgeven.

    "Als God ons voor onszelf de keuze schonk van een van de zo grote en buitengewone genaden, die Hij aan zijn heiligen verleent, dan zouden wij niet beter kunnen doen, dan die levendige en krachtdadige haat tegen de zonde te vragen, die enigen van hen hebben gevoeld.
    Het is een aan alle volmaaktheid ten grondslag liggende gave en de bovennatuurlijke kracht van alle volharding. Het is én de veiligste én de krachtdadigste van alle bijzondere genaden. De godsvrucht nu tot de Moeder van de Smarten is voor ons een krachtig hulpmiddel om die haat tegen de zonde te verkrijgen als een blijvende gesteltenis en die te verdienen als een genade".

    "De grote droefheid, die de zonde in het hart van de Onbevlekte Maagd en Moeder Maria teweegbracht...... vervult ons met afschuw, medelijden, verontwaardiging en wroeging." Om ons met deze gevoelens te bezielen, toont Maria ons haar Zoon. Dit is haar taak. Zij toont het Lam Gods, haar Zoon, boetend in een door arbeid en verachting vernederd leven, de schande zoekend, "Zich verzadigend met smaad", "de Man van smarten".

    En dat voor mijn zonden: "Om onze ongerechtigheden is Hij gewond, om onze misdaden werd Hij verbrijzeld".

    De zalige Angela van Foligno verhaalt, dat zij Maria vroeg, wat de Heer het aangenaamste zou zijn. Maria verhoorde haar. "Het werd mij vergund," zeide zij, "krachtdadiger dan te voren met Jezus en Maria mede te lijden. En wát ik ook verrichtte, het scheen mij klein; en ik verlangde naar een veel grotere boetedoening. Mijn hart werd omsloten door het lijden van Christus, en door dit lijden werd mij de hoop op mijn zaligheid gegeven." De Verlosser verscheen haar aan het kruis en toonde zijn wonden, zijn gegeseld lichaam, zijn vreselijke smarten. Hij zeide: "Voor u, voor u heb Ik geleden". "Al mijn zonden stonden mij toen voor de geest; ik begreep, dat ik de bewerkster van de geseling was; ik begreep ook, hoe groot mijn droefheid moest zijn. Hij ging steeds voort, mij zijn lijden voor ogen te stellen, en sprak: "Wat wilt gij doen, om Mij vergoeding te geven?" Ik weende en snikte zozeer, dat ik mijn vlees door mijn tranen zag verschroeien".

    De herinnering aan onze zonden en aan de barmhartigheid die ons vergiffenis schonk, moet in ons een bestendige droefheid doen leven. Jezus, die de gelijkenis van de zondaar had aangenomen, leefde daarom in beschaamdheid voor het oog van de Vader. Het leven van Maria, de Moeder van de vernederde Christus, ging voorbij in boete en smart. Ook de heiligen ondervinden deze droefheid in sterke mate. Voordat de heilige Vincentius Ferrerius de steden binnenging, waar hij onder mirakelen het Evangelie verkondigde, knielde hij neer in het stof van de wegen en smeekte God onder tranen, dat Hij de stad om de zondaar die er nu binnentrad, toch niet straffen zou.

    Niets is voor ons geestelijk leven van zoveel belang als de standvastige droefheid over onze zonden. Geheel onze vooruitgang hangt daarvan af. Niet, dat wij aanhoudend moeten denken aan ieder van onze vroegere zonden; de voorzichtigheid vraagt, dat wij ze vergeten. Maar wij moeten er aan denken, dat wij zondaars zijn. Het feit, gezondigd te hebben, al was het slechts éénmaal, moest in ons de schaamte levendig houden. De geest van Gethsemani moest over ons vaardig zijn. "Amplius lava me", zeide David, "mijn God reinig mij immer meer". Denken wij er aan, hoe het vleesgeworden Woord over zijn zo zuivere mensheid oordeelde, enig en alleen, omdat Hij met de zonden van de wereld was beladen, en hoe Hij Zich overleverde aan het kruis. "Er is geen heilige Mis," schreef Ernest Psichari, "waaronder ik voor de Meester die ik zo lang heb gekruisigd, geen overvloedige tranen stort."

    Maria geeft ons de genade van die heilige beschaamdheid voor God. "Ik ben de Moeder van de liefde en de vrees," zegt zij. Te Lourdes riep zij uit: "Boetvaardigheid! Boetvaardigheid!" En in Salette verscheen zij geheel in tranen, zij weende over onze ellenden. In de nederigheid en in het ware gebed leidt zij ons binnen; zij schept in onze ziel de aanhoudende behoefte, aan God eerherstel te geven, Hem te beminnen en te verheerlijken.


    Moeder van Barmhartigheid

    Steeds hebben de christenen Maria déze naam gegeven, om een van de voornaamste hoedanigheden aan te duiden van haar moederlijke liefde. De barmhartigheid is het medelijden met de ellende van een ander. "Wij hebben," zegt de Heilige Schrift, "een barmhartige en getrouwe Hogepriester tot uitboeting van de zonden van het volk. Want juist omdat Hij het lijden en de beproeving heeft doorstaan, is Hij in staat hén te helpen die beproefd worden." Dit moet men ook zeggen van de Moeder van de Hogepriester, die mét Hem "het lijden en de beproeving" heeft doorstaan en wier hart de drang gevoelt, onze ellenden te verlichten.

    De barmhartigheid is de schitterendste openbaring van Gods macht en goedheid. Een goede, een liefdevolle macht geeft zich op de meest edelmoedige, de meest innige wijze. Dit alleen al zou verklaren, waarom Maria zo barmhartig is; zó toont zij immers haar medelijden met ons, maar tevens verheerlijkt zij God. Sint Augustinus zegt ons, dat het omvormen van een zondaar in een rechtvaardige voor God roemvoller is, dan hemel en aarde te hebben geschapen: "het goed van de genade is meer waard dan het ganse heelal". Een van de voornaamste functies van Maria’s moederschap is dan ook de bekering van de zondaars.

    Moeder van barmhartigheid is zij, omdat zij ons de Verlosser heeft gegeven, omdat zij de mensheid heeft gevormd, die ons moest vrijkopen. Haar gróte gave is...... De Verlosser. "O allergoedertierenste Vorstin," roept de heilige Anselmus uit, "welke middelares zou ik in de verschrikking die mij achtervolgt, in de vrees die mij verstijft, met meer vurigheid aanroepen dan haar wier schoot de verzoening van de wereld heeft gedragen"

    "Welke voorspraak zal gemakkelijker voor een misdadiger als ik genade verwerven, dan het gebed van haar die de algemene wreker van alle misdaden en de barmhartige bewerker van de vergiffenis met haar melk heeft gevoed?"

    Maria is voor de zondaars geschapen. "Zij is de Moeder van God geworden," zegt Richard van Sint Victor, "voor een doel van barmhartigheid. Een onuitputtelijke overvloed van barmhartigheid stroomt van haar hart over de zondaars uit. De meest ellendige, die van zijn zonden oprecht bevrijding verlangt, voelt bij háár, het vertrouwen, een zekere gerustheid in zich opwellen, als aan de voeten van zijn moeder. Christus gaf haar dan ook aan ons tot een teken van vergiffenis. In de dagen van onze treurigste afwijkingen kunnen wij haar blijven smeken: "bid voor ons zondaars". Hoe diep de ellendige ook wegzinkt, de gedachte aan de heilige Maagd blijft als een reddingsboei, waaraan hij zich vastklampt.

    De Kerk noemt haar spiegel van gerechtigheid, van goddelijke heiligheid, maar ook toevlucht van de zondaren. Haar moederliefde doet haar tot hen neerbuigen, want zij ziet op hen het Bloed van haar Zoon en zou ze bij Jezus willen inlijven. Haar barmhartigheid strekt zich beschermend uit over alle ledematen van de Christus: over de rechtvaardigen, omdat zij met Hem verenigd zijn; over de zondaars, opdat zij zich met Hem zouden verenigen.

    Men heeft slechts de Calvarieberg in het geheugen te roepen, om een denkbeeld te vormen van haar weergaloze barmhartigheid. Welk een vreselijke foltering! De liefde gaf haar aan Jezus, maar ook aan de beulen. Zij was de Moeder van de Een, maar ook van de anderen. Allen die Jezus vervolgden, zijn dood eisten, woedend schreeuwden en Hem aan het kruis sloegen, allen waren zij haar kinderen! Bij de Menswording had zij ze ontvangen; onder het kruis baarde zij ze in martelpijn, voor hen koesterde zij de liefde van een moeder, een steeds beminnende moeder. "In haar meer dan gekruisigde ziel kon men onmogelijk de minste trek van verontwaardiging, de kleinste schaduw van verbittering ontdekken. Zij doet geen beroep op Gods rechtvaardigheid en wenst niet, dat Hij Zich wreken zal. Riep zij de gerechtigheid af, dan zou het over haarzelf zijn. Alles ziet zij, maar één zaak slechts trekt haar volle aandacht, deze namelijk: dat Jezus, haar liefde, Zich nu aan die gezegende gerechtigheid overgeeft, en er Zich aan overgeeft met de zachtheid van een lam. Ook zij geeft er zich aan over, geheel en al, mét Hem en zoals Hij. Verlangen naar een straf voor alle misdadigers, welke ook, die oorzaak, aanleiding zijn en de uiterlijke vorm geven aan dit geweldig offer, zij heeft er geen behoefte aan, zij denkt er niet aan, voelt er zelfs geen neiging toe. Dit is immers niet in overeenstemming met haar roeping, en haar karakter. Overal en altijd, maar vooral op Calvarië is zij "vrouw", is zij moeder, de goedertierende Maagd, de voorspreekster van de zondaars, de moeder van barmhartigheid."

    In de hemel nu bezit Maria deze zo grote barmhartigheid in haar hoogste volmaaktheid, en deze legt haar een aanhoudend gebed op de lippen. "Wie," zegt Sint Bernardus, "zou de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte van uw barmhartigheid kunnen afmeten, o gezegende Maagd? Haar lengte zal haar tot de jongste dag allen doen bijstaan die haar aanroepen. De breedte van deze barmhartigheid overdekt geheel de aarde. Haar hoogte stijgt tot de Stad hierboven, waarvan zij de verliezen herstelt. Haar diepte daalt tot de afgronden, om hen, die in de duisternis in de schaduw van de dood zijn gezeten, aan de vrijheid terug te geven, want door u is de hemel gevuld, de hel geledigd, de bouwval van het hemels Jeruzalem weer opgetrokken en het christelijk leven teruggeschonken aan de ellendigen in wie de zonde het had gedood."

    "Ik ben de Koningin des Hemels en de Moeder van Barmhartigheid", zeide Maria tot de heilige Brigitta. "Ik ben de vreugde van de rechtvaardigen en de deur die aan de zondaars toegang verleent bij God. Er is niemand, hoe vloekwaardig ook, die, zolang hij op aarde leeft, mijn barmhartigheid niet ondervindt."

    De heilige Brigitta verhaalt ook, dat zij zag, hoe Gods Moeder genade afsmeekte voor een booswicht, die enige vrees voor Gods oordeel had behouden. "Wees gezegend, welbeminde Moeder," sprak de Heer...... "Uw woorden hebben voor mij de zoetheid van de kostelijkste wijn. Ze zijn mij aangenaam boven alles wat zich verbeelden laat...... Gezegend zij uw mond, gezegend uw lippen, waarvan voor de ongelukkige zondaars alle barmhartigheid afvloeit. Zeer terecht noemt men u Moeder van Barmhartigheid. In waarheid, gij zijt het, want gij acht geen ellende gering en neigt mijn hart tot mededogen. Vraag wat gij wilt: uw liefde noch uw smekingen zullen teleurstelling ondervinden."

    "Ik geloof dan ook," zeide Hugo van Sint Victor, "dat zij in de hemel, voor het aangezicht van de Vader en voor haar Zoon, voortdurend haar bediening van barmhartigheid uitoefent, ten gunste van geheel het menselijk geslacht."




     



    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
    KARL KARLSSON. BIRGITTAS TROONSCANDIDAAT IN 1363.
    VIERDE BOEK, KAP. 55.

    Bedenk, dat van Mozes geschreven staat, dat de koningsdochter hem in het water vond en hem liefhad als een zoon. En er staat geschreven dat Mozes een land veroverde door vogels die de vergiftige slangen verorberden. Ik ben een koningsdochter van Davids geslacht, ik wil liefhebben het knaapje, dat ik vond in de golven der tranen, die voor zijn ziel vergoten werden, verborgen in het omhulsel van zijn lichaam. En gij, mijne vrienden, zooals ik u gezegd heb, zult hem opvoeden, totdat hij op den leeftijd gekomen is, dat ik hem wapenen wil en hem zenden om het koninkrijk der hemelen te winnen. Maar hoe dat gebeuren zal, is u onbekend en mij bekend. Want ik wil hem zoo uitrusten, dat van hem gezegd zal worden: Hij leefde als een man, stierf als een held en kwam voor het ordeel als een goed ridder.

    BIJVOEGSEL.
    Gods zoon spreekt: “Als een uitgehongerd dier weggedreven wordt van zijn prooi, wacht het op een afstand om gelegenheid te vinden naar de prooi terug te keeren, en daarom gaat het niet naar zijn hol terug. Zoo heb ik gedaan met den vorst van dit land. Ik heb hem gemaand met mijn weldaden, ik heb hem gemaand met woord en met tucht, maar hij is des te ondankbaarder en nalatiger, hoe zachter ik mij tegenover hem toon. Daarom roep ik hem nu van de kroon, zoodat hij vertrapt zal worden, omdat hij niet in de kroon wil zijn. En ik zal hem en zijn vleiers een gevaarlijken adder zenden, broedsel van een vrouwelijke adder en een arglistigen vos, die onrust over het land en de inwoners er van brengen zal, de eenvoudigen uitplunderen en zal opstijgen naar de hoogste toppen van het land en de hoorvaardigen omverwerpen en vertrappen. Maar de knaap, dien mijne vrienden zullen opvoeden, zal ik naar een anderen weg leiden, totdat hij op een eervoller plaats komt.”

    Verder sprak Gods Zoon: “Daarbij zal gezegd worden van dien jongeling, dat hij leefde als een man en streed als een dapper ridder. En hij zal gekroond worden als een vriend Gods. O, dochter waar is het geloof, of wat meenen de vrouwen, die zich er op beroemen, dat hun zonen leven in overdaad? Het is geen eer, maar een gebrek de overdaad des konings na te volgen. Maar een eer is het, en hij is een ridder van eer, die er zich op beroemt, God eer te geven, zooveel hij kan, en zich daarvoor beijvert. En hij, die bereid is te lijden, wat God wil dat hij lijden zal, zulk een is Gods ridder, en zulk een zal gekroond worden met het ridderschap des hemels.”
    Wordt  vervolgd.

    20-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG EEN GEZEGENDE MAANDAG.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Corry en de Rekels- Hoog daar aan de hemel (1971)
     

    Corry en de Rekels- Hoog daar aan de hemel (1971)

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.O almachtige, eeuwige en rechtvaardige God.

    O almachtige, eeuwige en rechtvaardige God, en barmhartige Vader, Gij Die een Heere des doods en des levens zijt, zonder Wiens wil niets geschiedt, noch in den hemel, noch op de aarde; hoewel wij niet waardig zijn Uw Naam aan te roepen, noch te hopen dat Gij ons zult verhoren, als wij aanzien hoe wij tot nog toe onzen tijd doorgebracht hebben; wij bidden U, dat Gij naar Uw barmhartigheid ons wilt aanzien in het aangezicht van Jezus Christus, Die al onze zwakheid op Zich genomen heeft.

    Wij bekennen dat er niets in ons is, dan genegenheid tot het boze, en onbekwaamheid tot enig goed; waarom wij ook deze straf, ja nog veel meerder verdiend hebben.

    Maar, Heere, Gij weet, dat wij Uw volk, en Gij onze God zijt; wij hebben tot niemand toevlucht, dan alleen tot Uw barmhartigheid, die Gij nooit iemand geweigerd hebt, die zich tot U bekeerd heeft.

    Dies bidden wij dat Gij ons onze zonden niet wilt toerekenen, maar reken ons toe de wijsheid, gerechtigheid en heiligheid van Jezus Christus, opdat wij in Hem voor U bestaan mogen.

    Verlos ons om Zijnentwil uit dit lijden, opdat de bozen niet denken dat Gij ons verlaten hebt.

    En zo het U belieft, ons langer alzo te oefenen, zo geef ons geduld en sterkte, zulks alles naar Uw wil te dragen, en laat het ons alles naar Uw wijsheid ten beste komen.

    Kastijd ons liever hier, dan dat wij hierna met de wereld zouden moeten verloren gaan.

    Geef ons dat wij dezer wereld en al wat aards is, mogen afsterven, opdat wij dagelijks naar het evenbeeld van Jezus Christus meer en meer vernieuwd worden.

    Laat ons door geen ding van Uw liefde gescheiden worden; maar trek ons dagelijks meer en meer tot U, opdat wij het einddoel onzer roeping met vreugde aanvaarden mogen, hetwelk is met Christus te sterven, te verrijzen, en in eeuwigheid te leven.

    Wij geloven ook, dat Gij ons verhoren zult door Jezus Christus, Die ons aldus heeft leren bidden:

    Onze Vader, Die in de hemelen zijt,
    Uw Naam worde geheiligd.
    Uw Koninkrijk kome.
    Uw wil geschiede gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.
    Geef ons heden ons dagelijks brood.
    En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
    En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.
    Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid.

    Sterk ons ook in het rechte geloof, hetwelk wij van harte en met den mond belijden:

    Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.
    En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onzen Heere; Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria; Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; ten derden dage wederom opgestaan van de doden; opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders; vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.
    Ik geloof in den Heiligen Geest. Ik geloof een heilige, algemene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen; vergeving der zonden; wederopstanding des vleses; en een eeuwig leven.
    Amen.

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wij moeten bidden en waken.

    Daarom moeten wij tegen zijn listige moordenarij naarstig op onze hoede zijn, gelijk Petrus zegt: Zijt dan nuchter en waakt. Want, gelijk Christus zegt, wij weten niet, in welke ure de Heere komen zal. Maar weet dit, dat, zo de heer des huizes geweten had in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen. Maar als wij beginnen onze mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards, zo zal de Heere komen, en ons in stukken houwen, en ons deel zal wezen met de geveinsden; daar zal wening en knersing der tanden zijn; waar de worm nimmermeer sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt. Want wij weten zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht; want wanneer wij zullen zeggen: Het is vrede; dan zal een haastig verderf ons overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw. Daarom, wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens overkome. Want gelijk een strik zal hij over ons komen, of gelijk de bliksem, die plotseling geschiedt. Waakt dan te allen tijde, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des mensen.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ONZE LELARES.

    Godsverering van Christus en Zijn Moeder

    "Het ogenblik is gekomen," zeide Jezus tot de samaritaanse vrouw, "waarop de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid. Zulke aanbidders zoekt de Vader."

    Jezus is op aarde gekomen, om aanbidders in geest en waarheid, die aan de Godheid de volmaakte, door de hemelse Vader sinds de schepping verwachte eredienst wijden, te vormen en aan Zich toe te voegen. Het eerste schepsel dat volmaakt aan zijn verlangen beantwoordde, was zijn Moeder. Door haar nauwe vereniging met de aanbidding van haar Zoon, met zijn leven, zijn Offer, door de gave van geheel haar zelf met Hém, om op aarde het Godsrijk te vestigen, is Maria de volmaakste aanbidster geweest.

    Wat is: God in geest en waarheid aanbidden? Het is het menselijk verstand en de menselijke wil in volle overeenstemming doen zijn met de oneindige rechten van God. Het is God eer bewijzen, omdat Hij Zich aan ons heeft geopenbaard; het is wegzinken in eigen geringheid voor zijn volmaaktheid, het is Hem bewonderen, Hem loven, zich verheugen over zijn geluk en zich vreugdevol overgeven aan de vervulling van zijn wil. Het is de volle hulde van de onderwerping en de liefde.

    Zó was de aanbidding van Jezus. Zijn innerlijk leven was een onafgebroken adoratie. Een machtige drang dreef Hem aan, om Zich voor zijn Vader te vernederen in een zekere inwendige vernietiging. Als mens had Jezus aan Gods vrijgevigheid zijn volmaaktheid te danken, was Hij schepsel, dus een "niet". Vervuld van verwondering voor zoveel door zijn mensheid ontvangen weldaden, gevoelde Hij behoefte, onophoudelijk de goddelijke souvereiniteit in al haar volheid te erkennen. Hij verheugde Zich in het loven en belijden van Gods oneindige volmaaktheden en vond daarin zijn welbehagen en zijn rust. Jezus ging geheel en al op in deze voortdurende aanbidding, die niet slechts de liefdevolle erkenning van Gods oneindige rechten was, maar ook een vreugdevolle overgave aan die rechten en de hevige drang, voor Gods glorie te worden verteerd. Geen enkel schepsel heeft zich voor Gods majesteit méér vernederd; géén méér eerbied gevoeld voor de goddelijke volmaaktheid; géén een groter verlangen gekoesterd, om zich voor Gods verheerlijking te slachtofferen.

    Daarom sprak Hij reeds in de schoot van zijn Moeder: "Vader, hier ben Ik om uw wil te doen"; daarom was Hij zo nederig, zelfs tegenover de mensen. En de rechtvaardigheid én de liefde eisten dit. Hij ging door het leven niet als iemand die gediend wordt, maar als een dienaar, een werkman. "Hoogmoed, vernietig u toch bij dit schouwspel! Jezus, timmermanszoon, zelf timmerman, als zodanig bekend, zonder dat men van enig ambt of een andere werkzaamheid spreekt!".

    Maria nu verenigde zich innig met de Godsverering van haar Zoon. Zij volgde Hem in zijn mysteriën, want zij is zijn Moeder, en als zodanig met Hem verbonden in het verlossingswerk. In elk van die mysteriën is hun eerste gemeenschappelijk werk de glorie van God te zoeken, Hem te gehoorzamen en te aanbidden. Eenzelfde drang naar aanbidding en verootmoediging werpt Hem voor God ter neder.

    Maria verootmoedigt zich om dank te zeggen: "De Heer heeft neergezien op de geringheid van zijn dienstmaagd", sprak zij tot haar nicht. Over haar natuurlijke zwakheid ziet zij de Heer neergebogen, want Hij wil van haar zijn meesterstuk maken, de Moeder van zijn Zoon; daarom doet Hij haar overvloeien van genade en zuiverheid. Dit alles is echter de gave-omniet van de liefde. Sprak Jezus in haar schoot: "Ecce venio, zie Ik kom", na Hém herhaalt zij: "Zie de dienstmaagd des Heren", en daarmee geeft zij de blijvende gesteltenis van haar ziel weer.

    Evenals Jezus, zal zij zich overgeven aan Gods wil. Met Hém zal zij zich opofferen, als Hij, lijden en bidden. Ook zij zal verzinken in een afgrond van nederigheid, in een zekere vernietiging voor Hem, die, al heeft Hij haar met genade overstelpt, toch de Heer blijft. Zij zoekt dan ook de gehoorzaamheid, vooral de vernederende gehoorzaamheid, om door haar verootmoediging een altijddurende hulde aan Gods majesteit te bieden. Zij wil zich verenigen met de godsverering van haar Zoon; voor haar moederliefde is dat een behoefte. Zij weet, dat haar Zoon een offerlam is dat Zich slachtoffert voor de verheerlijking van zijn Vader; zij volgt Hem in zijn vernedering. Jezus, zal niet in de wereld komen als de glorievolle Zoon van God, maar als het zoenoffer voor de zonden van de wereld. Met deze staat van vernedering verenigt Maria zich en "aanvaardt het, de vernederde moeder van een vernederde Zoon te zijn".

    Maria wil ook óns met deze Godsverering van haar Zoon verenigen. Aan de ziel die zich aan haar invloed overgeeft, boezemt zij de nederigheid in, waaruit ware aanbidding en liefde ontspruiten. Wat zou, zonder deze fundamentele nederigheid, de godsvrucht anders kunnen zijn dan een droombeeld? God bemint ons oneindig en om ons zijn liefde te openbaren, grijpt Hij elke gelegenheid aan. Maar Hij is God, de Oneindige, voor wie elk schepsel een "niet" is; de eerste daad van gerechtigheid is dan ook Hem te aanbidden. Heeft de christen maar een enigszins ware kennis van de Godheid, dan gevoelt hij, dat aanbidding gebiedend noodzakelijk is; hij moet zich neerwerpen en met Jezus zeggen: "Heilige Vader!" Deze nederige en liefdevolle aanbidding is het hoogtepunt van de christelijke eredienst. Zij triomfeert in de hemel; daar buigen de heiligen zich neder en werpen hun kronen voor de troon van God. Aanbidding is de siddering van de liefde voor de Oneindige. Zij is de vrucht van het goddelijk licht. "Het licht van de nederigheid doet de liefde geboren worden. Als de ziel haar "niet" ontdekt, en God neergebogen over dat "niet" en Gods liefde dat "niet" omhelzend, dan wordt de ziel ontvlamd, omgevormd en zij aanbidt."




    Inwendige zuiverheid

    Stilzwijgen

    "Men vindt weinig beschouwende zielen," zegt De Navolging van Christus, "omdat weinigen zich geheel weten los te maken van de schepselen en de vergankelijke dingen...... Het grote beletsel voor de beschouwing is, dat men blijft staan bij het uiterlijke en zinnelijk waarneembare, en zich weinig toelegt op een algehele versterving."

    Het stilzwijgen is voor ons noodzakelijk. Ook Maria’s leven ging in heilig stilzwijgen voorbij. Te Nazareth sprak men niet veel. Wil men het leven van een ware christen leiden, dan moet men de wereldse vermaken vermijden, en ook de ijdele boeken, de nutteloze en te lange gesprekken, die door geen liefde of betamelijkheid gerechtvaardigd worden. "Met de naaste méér spreken dan werkelijk nodig is en de rede het vraagt," zegt Sint Jan van het Kruis, "heeft nooit iemand goed gedaan, hoe heilig hij ook was."

    Het uitwendig zwijgen is echter niet voldoende. Méér nog is de inwendige inkeer noodzakelijk. Waartoe dient het zwijgen, als de inwendige stemmen gedruis blijven maken? God deelt Zich voortdurend aan de ziel mede, de Heilige Geest houdt niet op met zijn bovennatuurlijke ingevingen, doet als het ware bijzondere openbaringen, die dagelijks een helder licht op onze roeping werpen: kennis voor ons verstand, kracht voor onze wil. De in zichzelf gekeerde ziel is voor die ingevingen ontvankelijk. Heeft de ingetogenheid de nodige fijngevoeligheid in haar gekweekt voor het beluisteren, en vaardigheid genoeg voor het volgen van die ingevingen, dan nadert zij de heiligheid. Er zijn zielen die door innerlijke verstrooidheid er nooit toe komen, haar bijzondere roeping te kénnen, nog minder die te verwezénlijken. "Mijn ziel is altijd in mijn handen," zeide de psalmist, "ik heb uw wet dan ook niet vergeten." Maria was naar buiten zwijgzaam, naar binnen ingekeerd. Een langdurig stilzwijgen was haar leven. Oplettend en bewonderend beschouwde zij haar Zoon. Zij luisterde naar Hem, zij overwoog de mysteriën waarvan zij getuige was. Sint Lucas spreekt ons van de "samenspraken die zij (met God) hield in haar hart" over de mysteriën van zijn Zoon. In deze inwendige gesprekken zag zij steeds duidelijker de roeping van haar Zoon en ook haar eigen roeping, de gedachte en de wil van God betreffende het heil van de wereld.




    Zelfverloochening

    Om ons voor het gebed geschikt te maken, wekt Maria in ons het streven naar inwendige reinheid, die ons dichter brengt bij de genade die vooral de hare was, de volmaakte zuiverheid. Hiertoe bereidt ons de zelfverloochening. "Wie mij volgen wil, verloochene zichzelf", zeide Jezus. Hoe meer men zich beijvert om tot God te gaan, hoe meer men de onmetelijke draagwijdte vat van dit goddelijk woord. Men moet zichzelf verlaten, of, eenvoudiger gezegd, men moet zichzelf vergeten, God alleen zoeken; er toe kunnen komen met Sint Paulus te zeggen: "Ik ben het niet meer die leef, het is Christus die in mij leeft".

    Wat moet men doen om werkelijk zo ver te komen? Over het geheel genomen behoeft men slechts eenvoudiger te worden. Eenvoudiger in zijn geest: de gebeurtenissen en de naaste slechts zien in het licht van God. In zijn wil: één enkel doel nastreven, werken aan de vervulling van Gods wil. In zijn hart: in zich dragen "dezelfde gevoelens die in Christus Jezus waren". Eenvoudiger in zijn innerlijke neigingen: verzaken aan het ijdele spel van de verbeelding die de innerlijke krachten verdeelt, aan de ongerustheid over de toekomst, aan de herinneringen van het voorbije leven. In zijn dagelijks leven: verzaken aan zijn lusten, aan de liefde voor zijn gemak, zijn weerzin overwinnen, zich versterven in zijn voedsel, in zijn huisraad, nooit persoonlijke voldoeningen zoeken, want "die aan Christus behoren, hebben hun vlees gekruisigd". Eenvoudiger zelfs in het uiterlijk gedrag: volgens de stuwing van de genade, zonder omwegen, zonder slinkse streken heengaan, waar de plicht van staat en de liefde ons voeren; dapper zijn plicht doen en zich verder aan Gods Voorzienigheid overgeven.

    Zulk een ziel streeft naar de verwerkelijking van Christus’ woord: "Zoek het Rijk Gods en zijn gerechtigheid". Haar grootste zorg is, de bewegingen van Gods genade te volgen en met God verenigd te blijven. Zij wenst met Sint Paulus te kunnen zeggen: "Om zijn liefde heb ik alles prijsgegeven, om Hem te winnen, de Christus, mijn Heer, en één met Hem te zijn".

    God deelt Zich, inderdaad, spoedig mede aan een ziel die, in navolging van Maria, aan zichzelf heeft verzaakt. "Denkt aan Mij," zeide Jezus tot de heilige Catharina van Siëna, "Ik zal aan u denken." Laat de ziel zich vergeten, zich eenvoudig wegschenken, en God zal het overige doen. Zijn zuiverende werking zal zich in haar doen gelden en het goddelijk leven zal haar in zich opnemen.

    Bidden in de Vreugde

    Vreugden van Maria

    Hoewel de smart in de mysteriën van Jezus’ kindsheid een grote plaats innam, waren deze toch ook gekenmerkt door levendige vreugden. Wie zou Maria’s ontroering kunnen schetsen, toen zij, in Bethlehems grot, voor de eerste maal haar Jezus zag! Sinds zij Hem droeg in haar schoot, had zij Hem in stilte aanbeden. Nu mocht zij Hem zien. Haar kind en haar God! Die eerste blik van Maria op haar Zoon, hoe leefde die van liefde en aanbidding! Geheel haar wezen stortte zich uit in die zo nederige, liefdevolle en van licht stralende blik, want Maria wist, dat zij in haar Zoon het menselijk gelaat van God zag. In welk een toestand zag zij Hem! Hulpeloos, als elk ander kind. In armoede, méér dan andere pasgeborenen. Maar zij zegende die hulpeloosheid en die armoede, die haar noodzaakten, voortdurend in zijn leven in te grijpen, en op alle wijzen haar liefde te betuigen, zoals moeders ten opzichte van haar kleinen. Wat een geluk voor haar, geheel op te mogen gaan in haar moeder plichten! Zij nam Hem in haar armen, wikkelde Hem in doeken, glimlachte tegen Hem en liefkoosde Hem met aanbiddingsvolle eerbied. Welk een vreugde voor de Maagd in deze ootmoedige, tedere en vurige liefde, waarvan zij overvloeide. Hij was haar God: zij aanbad Hem; hij was haar Zoon: zij beminde Hem.

    Goddelijk mild beantwoordde Jezus er aan. Tussen Moeder en Zoon was wisselwerking van tederheid, van liefde en van leven, een aanhoudende wederzijdse gave. En alles wat Jezus zijn Moeder zo gaarne gaf, wist zij te ontvangen en er aan te beantwoorden. Zij was louter een vat, om Jezus in zich te besluiten en boordevol vervuld van Jezus. Zij was gehéél moeder, tot Hém slechts stond zij in betrekking, zij was gemaakt, om van Hém te zijn en aan Hém te behagen. "Het hart van de een leeft en openbaart zich slechts door de ander. Hoe behoren die twee harten, zo verwant en zo hemels, en samen dat hoge leven levend, niet innig aan elkander en wat bewerken zij niet in elkander...... Dat is een mysterie van het hart," voegt Bérulle er aan toe, "en de tong kan deze zoetheid en tederheid niet uitspreken." Dit innig verkeer was voor Maria een onmetelijke vreugdebron. Maria was zielsverheugd voor Jezus te zijn wat zij was, geheel en al aan Hem toe te behoren, overstelpt te zijn met genaden, waardoor Jezus haar aan zijn Vader kon opdragen als een bewonderenswaardige gave, de gave waarvoor Hij zijn Bloed ging storten. Het was haar een heilige vreugde, zo nauw met Hem verbonden te zijn in zijn werk en God te moeten verheerlijken in een gemeenschappelijk leven en een gemeenschappelijk offer.

    Zó was het heel de duur van haar taak ten opzichte van Jezus. De mensheid van haar Zoon bleef zij steeds met liefde en zorg omgeven, en zij hield niet op, Hem aan zijn Vader op te dragen. Na zijn geboorte te Bethlehem was dit haar eerste daad, en dikwijls vernieuwde zij die, in het bijzonder op droeve wijze in de Tempel. Te Nazareth leefden zij te zamen, baden te zamen, werkten aan elkanders zijde. Bracht het apostolisch leven soms een scheiding teweeg, dan was het toch slechts een uiterlijke scheiding; door het hart bleef Maria met haar Zoon verenigd, volgde zij Hem in zijn zending, aanbad zij de openbaringen van zijn Godheid. Elke daad van haar Zoon was een liefde bron voor het moederhart.
    Was zij bovendien niet zijn medewerkster in het verlossingswerk? Van zijn mysteriën was zij de deelgenote. Haar moederschap maakte alles gemeenschappelijk tussen Hem en haar.



    Onze vreugden

    Dit deel van Maria’s leven is vruchtbaar voor óns innerlijk leven. De beginners in het geestelijk leven vervult de Heer gewoonlijk met vreugde. Is dit het loon voor hun bekering? Is het een voorbereiding voor de komende beproevingen? Beide ongetwijfeld. "Mijn overtuiging is het, dat die genaden bestemd zijn om onze zwakheid te versterken en ons in staat te stellen, naar Jezus’ voorbeeld, grote smarten te verduren", zeide de heilige Theresia. In elk geval zijn het gunsten van de goddelijke goedheid, die, op de juiste wijze aanvaard, kostbare uitwerkselen zullen teweegbrengen.

    Gewoonlijk maken zij ons los van het aardse, het stoffelijke, geven ons moed voor de dienst van God, waarheen zij ons lokken als naar de bron van het ware geluk. Soms zijn het gevoelige zoetheden, die aan de voet van het Tabernakel het hart overmeesteren, na de lezing van een bladzijde uit het Evangelie, na het inwendig gebed; ofwel, zegt Sint Thomas "een zeker geestelijk genot, dat de volmaakte deugdakten vergezelt", na een daad van toewijding, zodra een bekoring wordt overwonnen; andermaal is het een levendig gevoel van liefde tot God, een diepe rust, een vrede van de ziel, verankerd als zij is in de goddelijke vriendschap. Geheel verschillend van de zinnelijke genoegens, zijn deze vreugden een wellust voor het hart; ze dragen er machtig toe bij, om ons geheel en al aan Christus te hechten. Ze zijn een bron van licht; hoevelen zijn in die gezegende ogenblikken gaan begrijpen, wat Gods grootheid en goedheid is, wát de boosheid van de zonde, en hebben over hun vroegere ellende overvloedig tranen vergoten. Ook onze wil ontvangt er een nieuwe kracht door. De christen smaakt de zoetheid en de barmhartigheid van God. In het verlangen naar de eeuwige goederen verruimt zich zijn hart en zijn gevoelens breken uit naar buiten. De heilige Bruno, zo kalm en zo zacht van gemoed, doorkruiste soms de berg van de Chartreuse in alle richtingen, luid roepend: "O goedheid! O goedheid!"



    Maria leert ons deze vreugden ontvangen

    Het is van belang deze gunsten in de vereiste gesteltenis te ontvangen. "Zo iemand," zeide de heilige Theresia, "zich zou inbeelden, dat het alleen maar in Gods plan ligt, hem zoetheid te doen smaken, zou dit een grote dwaling zijn." Maria nu toont ons, hoe wij Gods weldaden moeten ontvangen: dankbaar en nederig. "In God, mijn Redder, jubelt mijn geest, want Hij zag op de geringheid neer van zijn dienstmaagd."

    Niets zou rampzaliger zijn dan een gedachte van hoogmoed. Die vreugden mogen ons niet verhinderen, onze gebreken te zien. God toch is goed voor ons, maar Hij buigt zich neer over de ellende. Is de mens gelukkig, dan komt hij er licht toe, zich beter te wanen dan hij is. Ontvangt een ziel enig licht aangaande de Godheid, dan gaat zij spoedig menen, dat zij daardoor aan God aangenamer wordt, en och, ze heeft slechts een aalmoes ontvangen. Niet de levendigheid van de gevoelens bewijst de waarde van een ziel, maar haar besluit om, het koste wat het kost, God te dienen. Als God ons vertroostingen schenkt, doet Hij dit vaak, omdat Hij onze zwakheid ziet en ons als kinderen behandelt. In het begin van het geestelijk leven komt Hij ons vangen waar wij zijn, heel dicht bij de grond, zo onvolmaakt, en Hij tracht ons te winnen, door ons het geluk van het geestelijk leven te openbaren en ons tegenzin te doen krijgen in de andere genoegens.

    "Verlang niet de dingen dezer aarde," zegt Sint Paulus, "maar de dingen van boven." Vergeestelijk uw godsvrucht, en zoek niet in uw gebeden zuchten te slaken, maar wel inwendige akten, akten van de wil te stellen. Bovendien, zwijg steeds over de goddelijke gunsten. Wat een onbescheidenheid, die aan anderen mee te delen. Zie, hoe Maria Gods geheim bewaart. De aartsengel Gabriël kondigt haar aan, dat zij de Moeder van de Messias zal zijn: zij zwijgt en zegt niets er van aan haar verloofde Joseph. Zij wacht, totdat God hem zelf die ongehoorde gunst bekend maakt. "Het is goed, het geheim van de Koning te bewaren." De heilige Maagd minde de stilte, waarin God alleen binnendringt, God, die sprak in haar hart over al wat zij zag en hoorde.







    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
    DROOMEN.
    VIERDE BOEK, KAP. 38.

    Christus sprak tot zijn bruid: “Waarom verheugt gij u zoo over blijde droomen en waarom treurt gij zoo over de droeve? Heb ik u dan niet in waarheid gezegd, dat de duivel afgunstig is en dat hij zonder mijn vergunning niet meer doen kan dan een stroohalm onder uw voeten? Ik zeide u ook, dat hij de vader en uitvinder is van de leugen, en dat hij soms eenige waarheid onder al zijn valschheid mengt. Daarom zeg ik u, dat de duivel niet slaapt, maar rondwaart, opdat hij een gelegenheid tot bedrog vinde. Daarom moet gij oppassen, dat de duivel, die door zijn scherpzinnige wijsheid en uits menschen uitwendig bewegingen diens innerlijk opmaakt, u niet bedriege.

    Want hij verwekt soms blijde droomen in den geest, opdat gij vervuld zoudt zijn van ijdele vreugde, soms droeve, opdat gij door het verdriet eenige goede werken zoudt nalaten, die gij hadt moeten doen, en opdat gij allendig en verdrietig zoudt zijn, vóór de ellende komt. Soms vervult hij een hart, dat misleid is en de wereld behagen wil, met allerlei valschheid en leugen, zoodat velen bedrogen worden, gelijk geschiedde met de valsche profeten. En dat geschiedt met den mensch, die andere dingen meer liefheeft dan God.

    Zoo gebeurt het, dat onder vele valsche woorden, vele ware gevonden worden, want de duivel kon nooit bedriegen, indien hij leugen niet met waarheid vermengde, zooals zichtbaar was aan den man, dien gij zaagt en in wien de duivel was. Want hoewel hij toegaf en erkende, dat er een God is, toonden toch zijn woorden en schaamtelooze handelingen, dat de duivel in hem woonde en hem in bezit had. En nu kunt gij vragen waarom ik den duivel toelaat te liegen. Ik antwoord, dat ik dat laat geschieden tengevolge van de zonden van het volk en de priesters, omdat zij weten willen, wat God niet wenscht dat zij weten zullen, en voorspoed wenschten, dien God zag dat niet nuttig voor hun zielen was.

    Daarom laat God ter wille van de zonden vele dingen toe, die niet gebeuren zouden indien de menschen Gods genade en hun eigen verstand niet misbruikten. Maar de profeten, die niets anders begeerden dan God en Gods woord alleen en voor niets anders wilden spreken dan ter wille van God, werden niet bedrogen, maar zij spraken en beminden het woord der waarheid. Doch, evenals niet alle droomen opgemerkt, noch op alle acht gegeven moet worden, zoo moeten alle ook niet versmaad worden, want soms geeft God ook den slechten goede dingen in, of toont hun die, zelfs soms op hun sterfbed, in hun laaste uur, opdat zij zich bekeeren zouden.

    En soms geeft hij den goeden in den droom goede dingen in, opdat zij naar God des te meer verlangen zouden. Daarom, wanneer u dit overkomt, zet er uw hart niet op, maar overweeg en beschouw ze tezamen met uw geestelijke vrienden, of ook laat ze geheel varen en verwijder ze uit uw hart, alsof gij ze niet gezien hebt, want hij, die behagen schept in zulke dingen, wordt voortdurend bedrogen en verontrust. Wees daarom standvastig in het geloof aan de Heilige Drievuldigheid, bemin God uit geheel uw hart; wees gehoorzaam in voor zoowel als tegenspoed; houd uzelf in uw gedachten niet voor beter dan anderen, maar vrees altijd zelfs bij uwe weldaden.

    En houd uw meening niet voor wijzer dan die van anderen en geef uw geheelen wil over aan God en wees bereid voor alles wat God wil. Dan behoeft gij geen droomen te vreezen; zelfs al zijn zij blijde, moet gij er toch niet aan gelooven, of ze niet begeeren, indien gij er Gods glorie niet in ziet. Zijn zij droef, wees niet verdrietig, maar stel al uw hoop op God.”

    Daarop sprak Gods moeder: “Ik ben de moeder der barmhartigheid, die voor de dochter, die sliep, kleederen gereed maakte, en voor de dochter, die zich kleedde, het vuur, en voor de dochter, die arbeidde, een kroon en alle goeds.”

    Wordt  vervolgd.

    17-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN ALLEN EEN GEZEGENDE VRIJDAG TOEGEWENST.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Belangrijke hulplijnen.
     

    Belangrijke hulplijnen.

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE KOORD VAN SINT JOZEF.

    UUUUUUUUUUUUUUUUUUUU

     

    DE KOORD VAN SINT JOZEF.

     

    De Sint Jozefs koord stamt uit het 17e eeuwse Antwerpen, België, om exact te zijn 1657.  De Augustijner zuster,  Elisabeth, was reeds 3 jaar ernstig ziek en leed veel pijn.  De doctoren van die tijd zagen echter geen mogelijkheid meer voor haar om te genezen en hadden alle hoop reeds opgegeven. 

    Zuster Elisabeth dacht daar echter anders over.  Zij was haar hele leven reeds een groot vereerder van Sint Jozef.  Zij maakte een koord liet het zegenen ter ere van Sint Jozef en deed het rond haar middel.  Enkele weken later, biddend voor een Sint Jozef beeld, werd zij plotseling bevrijd van alle pijn.

    Haar genezing werd beschouwd als een wonder.

     

      Het koord dient gemaakt te zijn van katoen, met aan een van de uiteinden 7 knopen, en voor dat het om het middel word gedragen te zijn gezegend door een priester.

     

    Diegene die het koord draagt dient zeven maal per dag een onze vader ter ere van Sint Jozef te bidden samen met het Sint Jozef gebed dat u hieronder aantreft.

       

    Roemrijke Heilige Jozef, vader en beschermer van de maagden,

    getrouwe bewaarder, aan wie God het kind Jezus,

    de onschuld zelf, en Maria, de Maagd der maagden, toevertrouwde,

    ik bid en smeek U, bij Jezus en Maria,  bij dat dubbele pand U zo dierbaar;

    Geef dat ik van alle vlek bevrijd, van harte zuiver en van lichaam rein,

    Jezus en Maria standvastig moge dienen, in een volkomen zuiverheid .

    Amen

    Jezus, Maria, Jozef,    ik geef U mijn hart, mijn geest en mijn leven.

    Jezus, Maria, Jozef,    sta mijn bij in mijn doodstrijd.

    Jezus, Maria, Jozef,   laat mij in Uw heilig gezelschap in vrede sterven.

    Goede Heilige Jozef, onze geleider, bescherm ons

    en bescherm de heilige kerk.

     

     

    De toewijding tot de Sint Jozefs koord werd op 19 september 1859  goedgekeurd door het Vaticaan en draagt ook de speciale zegen van Paus Pius IX.

     

     

    UUUUUUUUUUUUUUUUUUUU

     

     

    HOE VERBLIJD WAS IK, TOEN ZIJ MIJ ZEGDEN: “WIJ GAAN OP NAAR HET HUIS VAN DE HEER.” 

    (Uit een bedevaartlied van David) -  Psalm 122 -

     


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.NOVEEN TER ERE VAN HET GODDELIJK KINDJE JEZUS.


     

     

    NOVEEN TER ERE VAN HET GODDELIJK KIND JEZUS

    Gedurende negen dagen opzien naar Jezus,onze Heiland

    Sedert eeuwen is er gezegd dat God niet ver is. We hoeven niet op te stijgen om Hem te halen (Dt 30, 13-14). Hij is vanzelf gekomen. Hij heeft zijn Zoon, zijn Evenbeeld, gezonden en die heeft zijn tent onder ons gebouwd. God heeft er voor gezorgd dat wij Hem konden "zien". Hij had het ook anders kunnen doen. Hij had ons kunnen verlossen, alleen door zijn wil of door één enkel woord. Hij wilde meer : Hij wilde ons iets laten "zien" van Hem, ja lees laten zien : Jezus, zijn Zoon, God en mens (Kard. Danneels).
    Het zien van Gods Zoon zal ons anders en nieuw maken. Dat is het geheim van het schouwen. Er is wel lang geen Bethlehem meer, geen kribbe, geen stal. Jezus eerste komst is lang voorbij. Sinds zijn verheerlijking ontsnapt Hij aan onze ogen. Maar Hij is niet weg. Hij blijft bij ons, alle dagen tot aan de voleindiging van de tijden. En die Jezus kunnen wij ontdekken in de Evangeliën. Negen dagen, biddend schouwen naar Gods Zoon, die mens wordt, is niet te lang. En wie echt aandachtig toekijkt, die neemt de andere in zich op. Kijken naar Jezus is Hem tot de onze maken. De naam Jezus betekent ‘Heiland’ : Hij brengt ons gaafheid en heelheid. Hij wil ons herstellen in onze ongereptheid, zoals zijn scheppende Vader ons zag in den beginne.
    O waarlijk wonderbare : almachtige God in uw zwakheid als Kind.
    Van alle kanten van de wereld gaan wij op weg naar U, Uw geboorte en Bethlehem trekt ons. Hadt Gij misschien nog iets meer kunnen doen dan wat Gij gedaan hebt om Immanuël te zijn-God met ons? Iets meer dan wat onze verbaasde ogen zien : de ogen van de wereld, van de verschillende landen en continenten, zoals eens de ogen van Maria, van Jozef en vervolgens van de herders en die van de wijzen uit het Oosten hebben gezien ! Waarlijk zalig de ogen die zien wat gij ziet !
    Gij zijt de Vredevorst ! Hoe groot is het goed van de vrede voor de mens, zo gewenst in de hedendaagse wereld en tegelijk toch zo bedreigd.
    Gij zijt de Vader voor eeuwig ! De mens die groeit vanuit zijn veelvoudig verleden en gericht is naar de toekomst, die zicht tegelijkertijd zorgen maakt over zijn eigen toekomst, over de toekomst van de wereld. Christus, wees zelf de toekomst van de mens.

    Kerstboodschap van de Paus (1980)

    EMMANUAL : GOD MET ONS
    Bezinning bij deze noveen


    Emmanuël ! Gij zijt in ons midden. Gij zijt met ons, afdalend tot in de uiterste gevolgtrekkingen van het verbond, vanaf het begin met de mens gesloten en toch zovele malen geschonden en overtreden...
    Gij zijt met ons, Emmanuel, op een wijze die werkelijk alles overtreft wat de mens over U zou kunnen bedenken. Gij zijt met ons als mens.
    Gij zijt werkelijk wonderbaar,
    God, Schepper en Heer van het heelal, met God de almachtige Vader, Logos-het Woord, eniggeboren Zoon.
    Machtige God, die met ons zijt als mens, als een pasgeborene van menselijke afkomst, een zeer zwakke mens, in doeken gewikkeld en neergelegd in een kribbe, omdat ‘er voor hen geen plaats was’ in de herberg (Lc 2,7).
    Is het misschien niet juist omdat Gij op deze wijze mens geworden zijt, dat Gij, zonder een dak, de mens het meest nabij zijt gekomen ? Is het misschien niet juist door het feit dat Gij zelf, als vanaf de eerste dag van uw leven bedreigd zijt geweest met de dood door de hand van Herodes, dat gij bijzonder nabij zijt, het meest nabij bij diegenen die sterven door moordenaarshanden, bij hen wie de fundamentele rechten van de mens worden geweigerd.

    1e DAG : DE AANKONDIGING VAN DE HEER
    (op 17 december)


    God, kom mij te hulp.
    Heer, haast u mij te helpen.

    Evangelielezing.

    Wijsheid van de Allerhoogste, alles bestuurt Gij met kracht en inzicht.
    Kom, en leer ons de weg te gaan van kennis en wijsheid.

    Stilte

    De engel Gabriël trad bij Maria binnen en sprak : "Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u... Zie, gij zult een zoon krijgen en hem de naam Jezus geven.
    Uw zoon zal groot zijn voor God en voor de mensen. Men zal hem zelfs "Zoon van God" noemen. Hij is de koning, de verlosser, waarop het volk Israël al zo lang heeft gewacht."...
    Maria zei: "Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschied naar uw woord."

    Enkele ogenblikken bezinning.

    Voorbede

    Laten wij Jezus, door zijn menswording zo nauw met ons verbonden, vol vertrouwen aanroepen:
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, voor alle eeuwen geboren uit de Vader, afstraling van zijn heerlijkheid, verlicht ons bestaan met de glans van uw Blijde Boodschap.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, geboren voor het geluk van alle mensen en de bevrijding van de schepping, waarborg in echtheid ons geluk en verrijk ons met uw gave van vrijheid.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, één in wezen met de Vader, die de gedaante van een gewoon mensenkind hebt aangenomen; laat ons begrip hebben voor bescheidenheid, armoede, gewoon menselijke leven :
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, die in uw mensheid onze tochtgenoot werd in lijden en dood, om er leven en verrijzenis van te maken, leer ons leven in ‘t licht van uw Rijk, waarin Gij alles nieuw maakt.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Men kan er vrije intenties aan toe voegen.

    Onze Vader

    Gebed
    God, Gij hebt de mensen geschapen en verlost, Gij hebt gewild dat uw Woord mens zou worden in Maria’s maagdelijke schoot.

    Wij bidden U : wees ons genadig ;
    dat uw eengeboren Zoon die ons menselijk leven heeft aanvaard, ons doet delen in uw goddelijk leven, Jezus Christus, onze Heer.

    Slotgebed

    Gebed tot Jezus, onze Verlosser

    Jezus Christus, verlosser van de wereld, die door het mysterie van de menswording een van de onzen zijt geworden, tot U nemen wij onze toevlucht in onze nood.
    Wij geloven dat Gij de Zoon van God zijt, die in de wereld gekomen zijt tot ons heil. Wij vertrouwen dat Gij steeds bereid zijt ons bij te staan. Wij willen U beminnen met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten en onze naaste gelijk onszelf. Wij betreuren al onze zonden, omdat wij U beminnen en omdat de zonde de bron is van alle onheil. Betrouwend op uw genadige barmhartigheid, willen wij U voortaan trouw volgen.
    Zie op ons neer nu wij beroep doen op uw goedheid en wil ons helpen in onze nood (hier worden de gebedsintenties vermeld).

    Laat ons bidden voor onze kinderen : gezondheid, studies, religieuze opvoeding en toekomst.

    Laat ons eens voor eeuwig opgenomen worden in uw heerlijkheid, samen met Maria en Jozef en alle uitverkorenen. Amen.

    2e DAG : HET BEZOEK VAN MARIA AAN ELISABETH (18 december)

    God, kom mij te hulp.
    Heer, haast u mij te helpen.

    Stilte

    Evangelielezing

    Leider van het huis Israël : Mozes hebt Gij op de Sinaï de Wet
    gegeven.
    Kom ons met uw sterkte arm bevrijden.

    Maria ging in het huis van Zacharias binnen en begroette Elisabeth. Toen Elisabeth de groet van Maria hoorde, voelde zij dat het kind in haar lichaam leefde.
    Elisabeth werd vervuld van de heilige Geest. Zij jubelde het uit en zei tot Maria: "Geprezen zijt gij, Maria, onder de vrouwen en geprezen is ook het kind dat gij verwacht."
    Enkele ogenblikken bezinning.

    Voorbede

    Laten wij Jezus, door zijn menswording zo nauw met ons verbonden, vol vertrouwen aanroepen:
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, voor alle eeuwen geboren uit de Vader, afstraling van zijn heerlijkheid, verlicht ons bestaan met de glans van uw Blijde Boodschap.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, geboren voor het geluk van alle mensen en de bevrijding van de schepping, waarborg in echtheid ons geluk en verrijk ons met uw gave van vrijheid.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, één in wezen met de Vader, die de gedaante van een gewoon mensenkind hebt aangenomen; laat ons begrip hebben voor bescheidenheid, armoede, gewoon menselijke leven :
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, die in uw mensheid onze tochtgenoot werd in lijden en dood, om er leven en verrijzenis van te maken, leer ons leven in ‘t licht van uw Rijk, waarin Gij alles nieuw maakt.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Men kan er vrije intenties aan toe voegen.

    Onze Vader

    Gebed
    Almachtige God, de zonde weegt en maakt de mens tot slaaf.
    Wij bidden om genade: bevrijd ons uit de macht van het verleden,

    nu wij de menswording gedenken van uw Zoon,
    Jezus Christus, onze Heer.

    Slotgebed

    Gebed tot Jezus, onze Verlosser

    Jezus Christus, verlosser van de wereld, die door het mysterie van de menswording een van de onzen zijt geworden, tot U nemen wij onze toevlucht in onze nood.
    Wij geloven dat Gij de Zoon van God zijt, die in de wereld gekomen zijt tot ons heil. Wij vertrouwen dat Gij steeds bereid zijt ons bij te staan. Wij willen U beminnen met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten en onze naaste gelijk onszelf. Wij betreuren al onze zonden, omdat wij U beminnen en omdat de zonde de bron is van alle onheil. Betrouwend op uw genadige barmhartigheid, willen wij U voortaan trouw volgen.
    Zie op ons neer nu wij beroep doen op uw goedheid en wil ons helpen in onze nood (hier worden de gebedsintenties vermeld).

    Laat ons bidden voor onze zieken, bedroefden, gehandicapten.

    Laat ons eens voor eeuwig opgenomen worden in uw heerlijkheid, samen met Maria en Jozef en alle uitverkorenen. Amen.

    3e DAG : DE GEBOORTE VAN JEZUS
    (19 december)

    God, kom mij te hulp.
    Heer, haast u mij te helpen.

    Stilte

    Evangelielezing

    Wortel van Jesse, standaard der volkeren.
    Kom ons bevrijden, wil niet langer wachten.

    In die tijd wilde Augustus, de keizer van Rome, weten hoeveel mensen er in zijn rijk woonden. Daarom hield hij een volkstelling.

     

    Zo ging ook Jozef op weg uit de stad Nazareth om zich te laten inschrijven in Bethlehem, de stad van David, want hij behoorde tot de stam van David. Maria, zijn vrouw, die in verwachting was trok met hem mee. En terwijl zij in Bethlehem verbleven, brak het uur aan dat zij bevallen moest. Zij bracht een zoon ter wereld, haar eerste kind, wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.
    Enkele ogenblikken bezinning.

    Voorbede

    Laten wij Jezus, door zijn menswording zo nauw met ons verbonden, vol vertrouwen aanroepen:
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, voor alle eeuwen geboren uit de Vader, afstraling van zijn heerlijkheid, verlicht ons bestaan met de glans van uw Blijde Boodschap.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, geboren voor het geluk van alle mensen en de bevrijding van de schepping, waarborg in echtheid ons geluk en verrijk ons met uw gave van vrijheid.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, één in wezen met de Vader, die de gedaante van een gewoon mensenkind hebt aangenomen; laat ons begrip hebben voor bescheidenheid, armoede, gewoon menselijke leven :
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, die in uw mensheid onze tochtgenoot werd in lijden en dood, om er leven en verrijzenis van te maken, leer ons leven in ‘t licht van uw Rijk, waarin Gij alles nieuw maakt.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.
    Men kan er vrije intenties aan toe voegen.

    Onze Vader

    Gebed
    God, Gij hebt uw heerlijkheid aan de wereld geopenbaard door de geboorte van uw Zoon uit de heilige Maagd.

    Wij vragen U dat wij dit verheven mysterie
    van zijn menswording in ons hart bewaren
    en steeds in oprecht geloof gedenken.

    Slotgebed

    Gebed tot Jezus, onze Verlosser

    Jezus Christus, verlosser van de wereld, die door het mysterie van de menswording een van de onzen zijt geworden, tot U nemen wij onze toevlucht in onze nood.
    Wij geloven dat Gij de Zoon van God zijt, die in de wereld gekomen zijt tot ons heil. Wij vertrouwen dat Gij steeds bereid zijt ons bij te staan. Wij willen U beminnen met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten en onze naaste gelijk onszelf. Wij betreuren al onze zonden, omdat wij U beminnen en omdat de zonde de bron is van alle onheil. Betrouwend op uw genadige barmhartigheid, willen wij U voortaan trouw volgen.
    Zie op ons neer nu wij beroep doen op uw goedheid en wil ons helpen in onze nood (hier worden de gebedsintenties vermeld).

    Laat ons bidden voor onze kinderen : tot alle inzichten van éne grote familie: de bedevaarders, de lezers van ons tijdschrift, de hulpzoekers bij het Kind Jezus.
    Laat ons eens voor eeuwig opgenomen worden in uw heerlijkheid, samen met Maria en Jozef en alle uitverkorenen. Amen.

    4e DAG : DE HEILIGE NAAM JEZUS
    (20 december)

    God, kom mij te hulp.
    Heer, haast u mij te helpen.

    Stilte

    Evangelielezing

    Sleutel van David, Gij opent de poorten van het hemelse rijk :
    Kom en verlos wie geboeid en in duisternis
    gevangen zit.

    Toen de herders alles gezien hadden, vertelden zij wat hun over dit kind gezegd was. En iedereen die hun verhaal hoorde, was ten zeerste verbaasd. Maria bewaarde alles in haar hart en dacht er diep over na. De herders keerden terug naar hun kudde, terwijl zij God loofden en verheerlijkten om alles wat ze hadden meegemaakt. Acht dagen later werd het kind besneden en kreeg de naam Jezus, zoals de engel had gezegd, toen hij aan Maria zijn geboorte aankondigde.
    Enkele ogenblikken bezinning.

    Voorbede

    Laten wij Jezus, door zijn menswording zo nauw met ons verbonden, vol vertrouwen aanroepen:
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, voor alle eeuwen geboren uit de Vader, afstraling van zijn heerlijkheid, verlicht ons bestaan met de glans van uw Blijde Boodschap.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, geboren voor het geluk van alle mensen en de bevrijding van de schepping, waarborg in echtheid ons geluk en verrijk ons met uw gave van vrijheid.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, één in wezen met de Vader, die de gedaante van een gewoon mensenkind hebt aangenomen; laat ons begrip hebben voor bescheidenheid, armoede, gewoon menselijke leven :
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, die in uw mensheid onze tochtgenoot werd in lijden en dood, om er leven en verrijzenis van te maken, leer ons leven in ‘t licht van uw Rijk, waarin Gij alles nieuw maakt.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.
    Men kan er vrije intenties aan toe voegen.

    Onze Vader

    Gebed
    God, Gij hebt U uitgesproken in het Woord dat de onbevlekte Maagd Maria bij de boodschap van de engel in haar schoot ontvangen heeft.

    Verlicht en van uw Geest vervuld, heeft zij haar Heer gedragen, die met zijn godheid in haar woonde.
    Wij vragen dat ook aan ons uw wil geschiede en wij met fierheid de naam van Jezus belijden.

    Slotgebed

    Gebed tot Jezus, onze Verlosser

    Jezus Christus, verlosser van de wereld, die door het mysterie van de menswording een van de onzen zijt geworden, tot U nemen wij onze toevlucht in onze nood.
    Wij geloven dat Gij de Zoon van God zijt, die in de wereld gekomen zijt tot ons heil. Wij vertrouwen dat Gij steeds bereid zijt ons bij te staan. Wij willen U beminnen met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten en onze naaste gelijk onszelf. Wij betreuren al onze zonden, omdat wij U beminnen en omdat de zonde de bron is van alle onheil. Betrouwend op uw genadige barmhartigheid, willen wij U voortaan trouw volgen.
    Zie op ons neer nu wij beroep doen op uw goedheid en wil ons helpen in onze nood (hier worden de gebedsintenties vermeld).

    Laat ons bidden voor onze kinderen : voor onze dierbare overledenen.

    Laat ons eens voor eeuwig opgenomen worden in uw heerlijkheid, samen met Maria en Jozef en alle uitverkorenen. Amen.

    5e DAG : DE OPDRACHT IN DE TEMPEL
    (21 december)

    God, kom mij te hulp.
    Heer, haast u mij te helpen.

    Stilte

    Evangelielezing

    Zon der gerechtigheid, weerglans van het eeuwig licht :
    Kom hen verlichten die in duisternis zitten en in de
    schaduw van de dood.

    Toen het kind veertig dagen oud was, brachten Maria en Jozef het naar de tempel in Jeruzalem, om het aan de Heer op te dragen. Toen zij in de tempel kwamen, was daar een vroom man, die Simeon heette. God had hem beloofd dat hij niet zou sterven voordat hij de Messias had mogen zien. Toen hij Jozef en Maria met het kind binnen zag komen, wist hij opeens zeker: dit is het kind! Hij nam het kind in zijn armen en verkondigde Gods lof: "Heer, nu kan ik in vrede sterven, want ik heb de Verlosser gevonden, de Heiland, het licht voor alle volkeren. Door dit kind zal de naam van ons volk geprezen worden."
    Enkele ogenblikken bezinning.

    Voorbede

    Laten wij Jezus, door zijn menswording zo nauw met ons verbonden, vol vertrouwen aanroepen:
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, voor alle eeuwen geboren uit de Vader, afstraling van zijn heerlijkheid, verlicht ons bestaan met de glans van uw Blijde Boodschap.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, geboren voor het geluk van alle mensen en de bevrijding van de schepping, waarborg in echtheid ons geluk en verrijk ons met uw gave van vrijheid.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, één in wezen met de Vader, die de gedaante van een gewoon mensenkind hebt aangenomen; laat ons begrip hebben voor bescheidenheid, armoede, gewoon menselijke leven :
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, die in uw mensheid onze tochtgenoot werd in lijden en dood, om er leven en verrijzenis van te maken, leer ons leven in ‘t licht van uw Rijk, waarin Gij alles nieuw maakt.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.
    Men kan er vrije intenties aan toe voegen.

    Onze Vader


    Gebed
    Heer, vreugde vervult ons om de komst van uw Zoon, te midden van de mensen.
    Luister naar het bidden van uw volk.
    Schenk ons het loon van het eeuwig leven, als Hij komst in heerlijkheid, Jezus Christus, onze Heer.

    Slotgebed

    Gebed tot Jezus, onze Verlosser

    Jezus Christus, verlosser van de wereld, die door het mysterie van de menswording een van de onzen zijt geworden, tot U nemen wij onze toevlucht in onze nood.
    Wij geloven dat Gij de Zoon van God zijt, die in de wereld gekomen zijt tot ons heil. Wij vertrouwen dat Gij steeds bereid zijt ons bij te staan. Wij willen U beminnen met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten en onze naaste gelijk onszelf. Wij betreuren al onze zonden, omdat wij U beminnen en omdat de zonde de bron is van alle onheil. Betrouwend op uw genadige barmhartigheid, willen wij U voortaan trouw volgen.
    Zie op ons neer nu wij beroep doen op uw goedheid en wil ons helpen in onze nood (hier worden de gebedsintenties vermeld).

    Laat ons bidden voor onze kinderen : voor de noodlijdenden, vluchtelingen, vreemdelingen.

    Laat ons eens voor eeuwig opgenomen worden in uw heerlijkheid, samen met Maria en Jozef en alle uitverkorenen. Amen.

    6e DAG : HET BEZOEK VAN DE WIJZEN
    (22 december)

    God, kom mij te hulp.
    Heer, haast u mij te helpen.

    Stilte

    Evangelielezing


    Koning der naties en hoeksteen der kerk,
    Kom, en verlos de mens die Gij uit klei hebt gevormd.

    Toen Jezus te Bethlehem in Juda geboren was ten tijde van Koning Herodes, kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het Oosten. Zij vroegen: "Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en zijn gekomen om Hem eer te bewijzen." Na overleg antwoordde Herodes: "Ga naar Bethlehem en probeer zoveel mogelijk over het kind te weten te komen. Kom daarna terug, want ik wil ook het koningskind eer gaan bewijzen." In Bethlehem gekomen gingen zij het huis binnen en zagen het kind en Maria. Vol eerbied knielden zij neer en brachten Hem hulde. Zij haalden hun schatten te voorschijn: goud, wierook en mirre.
    Enkele ogenblikken bezinning.

    Voorbede

    Laten wij Jezus, door zijn menswording zo nauw met ons verbonden, vol vertrouwen aanroepen:
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, voor alle eeuwen geboren uit de Vader, afstraling van zijn heerlijkheid, verlicht ons bestaan met de glans van uw Blijde Boodschap.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, geboren voor het geluk van alle mensen en de bevrijding van de schepping, waarborg in echtheid ons geluk en verrijk ons met uw gave van vrijheid.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, één in wezen met de Vader, die de gedaante van een gewoon mensenkind hebt aangenomen; laat ons begrip hebben voor bescheidenheid, armoede, gewoon menselijke leven :
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, die in uw mensheid onze tochtgenoot werd in lijden en dood, om er leven en verrijzenis van te maken, leer ons leven in ‘t licht van uw Rijk, waarin Gij alles nieuw maakt.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.
    Men kan er vrije intenties aan toe voegen.

    Onze Vader

    Gebed
    Heer, Gij hebt uw Zoon geopenbaard aan alle volken toen Wijzen in de sterren het teken zochten om naar hun koning toe te gaan.
    Wij hebben U reeds in het geloof gevonden en vragen dat wij U een in volle heerlijkheid aanschouwen.

    Slotgebed

    Gebed tot Jezus, onze Verlosser

    Jezus Christus, verlosser van de wereld, die door het mysterie van de menswording een van de onzen zijt geworden, tot U nemen wij onze toevlucht in onze nood.
    Wij geloven dat Gij de Zoon van God zijt, die in de wereld gekomen zijt tot ons heil. Wij vertrouwen dat Gij steeds bereid zijt ons bij te staan. Wij willen U beminnen met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten en onze naaste gelijk onszelf. Wij betreuren al onze zonden, omdat wij U beminnen en omdat de zonde de bron is van alle onheil. Betrouwend op uw genadige barmhartigheid, willen wij U voortaan trouw volgen.
    Zie op ons neer nu wij beroep doen op uw goedheid en wil ons helpen in onze nood (hier worden de gebedsintenties vermeld).

    Laat ons bidden voor onze kinderen : voor de bloei van onze christenen gemeenschappen : gezinnen, parochies, basisgemeenschappen, plaatselijke kerken in de wereld.

    Laat ons eens voor eeuwig opgenomen worden in uw heerlijkheid, samen met Maria en Jozef en alle uitverkorenen. Amen.

    7e DAG : DE VLUCHT NAAR EGYPTE
    (23 december)

    God, kom mij te hulp.
    Heer, haast u mij te helpen.

    Stilte

    Evangelielezing
    Emmanuël, koning en wetgever over uw volk,
    Kom ons bevrijden, Heer, onze God.

    Toen de Wijzen waren heengegaan, verscheen een engel van de Heer in een droom aan Jozef en sprak: "Sta op, neem het Kind en zijn moeder, vlucht naar Egypte en blijf daar tot ik u waarschuw, want Herodes komt het kind zoeken om het te doden." Hij stond op en week in de nacht met het kind en zijn moeder naar Egypte uit. Daar bleef hij tot aan de dood van Herodes.
    Enkele ogenblikken bezinning.

    Voorbede

    Laten wij Jezus, door zijn menswording zo nauw met ons verbonden, vol vertrouwen aanroepen:
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, voor alle eeuwen geboren uit de Vader, afstraling van zijn heerlijkheid, verlicht ons bestaan met de glans van uw Blijde Boodschap.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, geboren voor het geluk van alle mensen en de bevrijding van de schepping, waarborg in echtheid ons geluk en verrijk ons met uw gave van vrijheid.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, één in wezen met de Vader, die de gedaante van een gewoon mensenkind hebt aangenomen; laat ons begrip hebben voor bescheidenheid, armoede, gewoon menselijke leven :
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, die in uw mensheid onze tochtgenoot werd in lijden en dood, om er leven en verrijzenis van te maken, leer ons leven in ‘t licht van uw Rijk, waarin Gij alles nieuw maakt.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.
    Men kan er vrije intenties aan toe voegen.

    Onze Vader


    Gebed
    God, toen de mensen zicht van U hadden afgewend en leefden met de dood voor ogen, hebt Gij besloten dat uw Zoon zou komen om te redden die verloren waren. Wij vragen dat allen die met eerbied de menswording belijden van hun Heiland en Verlosser, eens met Hem het eeuwig leven delen.

    Slotgebed

    Gebed tot Jezus, onze Verlosser

    Jezus Christus, verlosser van de wereld, die door het mysterie van de menswording een van de onzen zijt geworden, tot U nemen wij onze toevlucht in onze nood.
    Wij geloven dat Gij de Zoon van God zijt, die in de wereld gekomen zijt tot ons heil. Wij vertrouwen dat Gij steeds bereid zijt ons bij te staan. Wij willen U beminnen met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten en onze naaste gelijk onszelf. Wij betreuren al onze zonden, omdat wij U beminnen en omdat de zonde de bron is van alle onheil. Betrouwend op uw genadige barmhartigheid, willen wij U voortaan trouw volgen.
    Zie op ons neer nu wij beroep doen op uw goedheid en wil ons helpen in onze nood (hier worden de gebedsintenties vermeld).

    Laat ons bidden voor onze kinderen : voor de Wereldkerk en de inzichten van onze H. Vader de Paus.

    Laat ons eens voor eeuwig opgenomen worden in uw heerlijkheid, samen met Maria en Jozef en alle uitverkorenen. Amen.


    8e DAG : JEZUS TE MIDDEN VAN DE LERAREN
    (24 december)

    God, kom mij te hulp.
    Heer, haast u mij te helpen.

    Stilte

    Evangelielezing

     

    Het Woord is vlees geworden,
    En heeft onder ons gewoond.

    Het was de gewoonte dat de ouders van Jezus elk jaar naar Jeruzalem gingen voor de viering van het Paasfeest. Toen Jezus twaalf jaar was, mocht hij voor het eerst mee. Na de feestdagen in Jeruzalem, keerden zij naar Nazareth terug, maar Jezus bleef in Jeruzalem achter. Zoekend keerden Jozef en Maria naar Jeruzalem terug. Pas na drie dagen vonden ze hem. Hij zat in de tempel tussen de leraren alsof hij er thuis was, alsof het vanzelfsprekend was, dat Hij daar was gebleven. Iedereen die Hem hoorde, verbaasde zich over zijn verstand en zijn rake antwoorden.
    Enkele ogenblikken bezinning.

    Voorbede

    Laten wij Jezus, door zijn menswording zo nauw met ons verbonden, vol vertrouwen aanroepen:
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, voor alle eeuwen geboren uit de Vader, afstraling van zijn heerlijkheid, verlicht ons bestaan met de glans van uw Blijde Boodschap.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, geboren voor het geluk van alle mensen en de bevrijding van de schepping, waarborg in echtheid ons geluk en verrijk ons met uw gave van vrijheid.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, één in wezen met de Vader, die de gedaante van een gewoon mensenkind hebt aangenomen; laat ons begrip hebben voor bescheidenheid, armoede, gewoon menselijke leven :
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, die in uw mensheid onze tochtgenoot werd in lijden en dood, om er leven en verrijzenis van te maken, leer ons leven in ‘t licht van uw Rijk, waarin Gij alles nieuw maakt.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.
    Men kan er vrije intenties aan toe voegen.

    Onze Vader

    Gebed
    Heer onze God, niemand heeft U ooit gezien.
    In uw Zoon Jezus zijt Gij ons nabij gekomen.
    Hij is uw licht in onze duisternis, ons heil en onze vrede.
    Open ons hart om van deze vreugde mee te delen aan ieder mens van goede wil.
    Slotgebed

    Gebed tot Jezus, onze Verlosser

    Jezus Christus, verlosser van de wereld, die door het mysterie van de menswording een van de onzen zijt geworden, tot U nemen wij onze toevlucht in onze nood.
    Wij geloven dat Gij de Zoon van God zijt, die in de wereld gekomen zijt tot ons heil. Wij vertrouwen dat Gij steeds bereid zijt ons bij te staan. Wij willen U beminnen met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten en onze naaste gelijk onszelf. Wij betreuren al onze zonden, omdat wij U beminnen en omdat de zonde de bron is van alle onheil. Betrouwend op uw genadige barmhartigheid, willen wij U voortaan trouw volgen.
    Zie op ons neer nu wij beroep doen op uw goedheid en wil ons helpen in onze nood (hier worden de gebedsintenties vermeld).

    Laat ons bidden voor onze kinderen : voor roepingen : priesters, diakens, religieuzen.

    Laat ons eens voor eeuwig opgenomen worden in uw heerlijkheid, samen met Maria en Jozef en alle uitverkorenen. Amen.


    9e DAG : JEZUS LEVEN TE NAZARETH
    (25 december)

    God, kom mij te hulp.
    Heer, haast u mij te helpen.

    Stilte

    Evangelielezing

     

    Aan allen die Hem aanvaardden gaf Hij het vermogen,
    Om kinderen van God te worden.

    Toen Jozef en Maria Jezus terugvonden in de tempel te Jeruzalem, zei Maria tot Hem :"Jongen, waarom heb Gij ons dit aangedaan? Overal hebben wij naar U gezocht! Denk toch een aan de angst die wij voor U hebben uitgestaan!" Maar Jezus antwoordde: "Waarom hebt gij naar mij gezocht. Wist gij niet dat Ik in het huis van mijn vader moest zijn?" Maar zij begrepen niet wat Hij daarmee bedoelde. Hij stond op en ging met hen mee naar Nazareth. Hij was hun gehoorzaam. En hoe ouder Jezus werd, hoe meer wijsheid Hij kreeg. Hij stond in de gunst bij God en bij de mensen.
    Enkele ogenblikken bezinning.

    Voorbede

    Laten wij Jezus, door zijn menswording zo nauw met ons verbonden, vol vertrouwen aanroepen:
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, voor alle eeuwen geboren uit de Vader, afstraling van zijn heerlijkheid, verlicht ons bestaan met de glans van uw Blijde Boodschap.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, geboren voor het geluk van alle mensen en de bevrijding van de schepping, waarborg in echtheid ons geluk en verrijk ons met uw gave van vrijheid.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, één in wezen met de Vader, die de gedaante van een gewoon mensenkind hebt aangenomen; laat ons begrip hebben voor bescheidenheid, armoede, gewoon menselijke leven :
    Zoon van de levende God, verhoor ons.

    Christus, die in uw mensheid onze tochtgenoot werd in lijden en dood, om er leven en verrijzenis van te maken, leer ons leven in ‘t licht van uw Rijk, waarin Gij alles nieuw maakt.
    Zoon van de levende God, verhoor ons.
    Men kan er vrije intenties aan toe voegen.

    Onze Vader

    Gebed
    God, wij beschouwen het gezin van Narareth waarin uw Zoon is opgegroeid.
    Verleen aan elk gezin de kracht om U te dienen en voor elkaar te leven.
    Dan zullen wij in lengte van dagen de vrede kennen van uw huis, de vreugde ondervinden van uw heerlijkheid.

    Slotgebed

    Gebed tot Jezus, onze Verlosser

    Jezus Christus, verlosser van de wereld, die door het mysterie van de menswording een van de onzen zijt geworden, tot U nemen wij onze toevlucht in onze nood.
    Wij geloven dat Gij de Zoon van God zijt, die in de wereld gekomen zijt tot ons heil. Wij vertrouwen dat Gij steeds bereid zijt ons bij te staan. Wij willen U beminnen met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten en onze naaste gelijk onszelf. Wij betreuren al onze zonden, omdat wij U beminnen en omdat de zonde de bron is van alle onheil. Betrouwend op uw genadige barmhartigheid, willen wij U voortaan trouw volgen.
    Zie op ons neer nu wij beroep doen op uw goedheid en wil ons helpen in onze nood (hier worden de gebedsintenties vermeld).

    Laat ons bidden voor onze kinderen : voor de vrede en de eenheid in de wereld, maatschappij en gezinnen.
    Laat ons eens voor eeuwig opgenomen worden in uw heerlijkheid, samen met Maria en Jozef en alle uitverkorenen. Amen.

     

    Als slot bidden wij de litanie tot het kindje Jezus.


    Glorie zij de Vader, de Zoon en de H. Geest.
    Gelijk het was in het begin, nu en altijd, en in de
    eeuwen der eeuwen. Amen.

     

    1. O allerliefst Kind Jezus, dat voor onze zaligheid uit de schoot van de Vader zijt nedergedaald, en, door de werking van de H. Geest ontvangen, de schoot van een Maagd niet hebt gesmaad, maar als mensgeworden Woord de gedaante van een dienaar hebt aangenomen; heb medelijden met ons.
    Ontferm U over ons, Kind Jezus, ontferm U over ons.
    Wees gegroet, Maria, enz.

    2. O allerliefst Kind Jezus, dat, door bemiddeling van uw maagdelijke Moeder, Elisabeth bezocht hebt, uw Voorloper Johannes de Doper met de H. Geest vervuld, en hem reeds in de schoot van zijn Moeder geheiligd hebt; heb medelijden met ons.
    Ontferm U over ons, Kind Jezus, ontferm U over ons.
    Wees gegroet, Maria, enz.

    3. O allerliefst Kind Jezus, dat negen maanden in de schoot van de H. Maagd Maria besloten, door haar en door de H. Jozef zo smachtend werd verlangd, en voor het heil der wereld aan God de Vader opgedragen werd; heb medelijden met ons.
    Ontferm U over ons, Kind Jezus, ontferm U over ons.
    Wees gegroet, Maria, enz.

    4. O allerliefst Kind Jezus, dat te Bethlehem uit de Maagd Maria geboren, in doeken gewikkeld, in een kribbe neergelegd, door de Engelen verkondigd en door de herders bezocht werd; heb medelijden met ons.
    Ontferm U over ons, Kind Jezus, ontferm U over ons.
    Wees gegroet, Maria, enz.
    Glorie aan U, o Jezus, uit een Maagd geboren; glorie aan de Vader en aan de H. Geest, in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

    5. O allerliefst Kind Jezus, dat na acht dagen de wonde der besnijdenis ontving en met een eervolle naam Jezus genoemd werd, om zo het ambt van Verlosser, dat Gij moest vervullen, door uw naam en door uw bloed te voorafbeelden; heb medelijden met ons.

     

    Ontferm U over ons, Kind Jezus, ontferm U over ons.
    Wees gegroet, Maria, enz.

    6. O allerliefst Kind Jezus, dat onder het geleide van een ster aan drie wijzen geopenbaard, op de schoot van uw Moeder door hen aanbeden, en met zinnebeeldige geschenken, goed, wierook en mirre vereerd werd; heb medelijden met ons.
    Ontferm U over ons, Kind Jezus, ontferm U over ons.
    Wees gegroet, Maria, enz.

    7. O allerliefst Kind Jezus, dat door uw maagdelijke Moeder in de Tempel opgedragen, door Simeon in de armen genomen en door de profetes Anna aan de Joden geopenbaard werd; heb medelijden met ons.
    Ontferm U over ons, Kind Jezus, ontferm U over ons.
    Wees gegroet, Maria, enz.

    8. O allerliefst Kind Jezus, dat door de goddeloze Herodes ten dode gezocht, door de H. Jozef en uw Moeder naar Egypte gedragen, aan een gruwelijke moord onttrokken en door de lofprijzingen der Onschuldige Kinderen verheerlijkt werd; heb medelijden met ons.
    Ontferm U over ons, Kind Jezus, ontferm U over ons.
    Wees gegroet, Maria, enz.
    Glorie aan U, o Jezus, uit een Maagd geboren; glorie aan
    de Vader en aan de H. Geest, in alle eeuwen der
    eeuwen. Amen.
    Jezus is niet verre van ons.
    Komt, laten wij Hem aanbidden.

    9. O allerliefst Kind Jezus, dat met de allerheiligste Maagd Maria en met de Patriarch, de H. Jozef, tot aan de dood van Herodes in Egypte gebleven zijt; heb medelijden met ons.
    Ontferm U over ons, Kind Jezus, ontferm U over ons.
    Wees gegroet, Maria, enz.

    10. O allerliefst Kind Jezus, dat uit Egypte met Maria en Jozef naar het land van Israël zijt wedergekeerd, en, na vele moeilijkheden, op uw reis verdragen, de stad Nazareth zijt ingetreden; heb medelijden met ons.

    Ontferm U over ons, Kind Jezus, ontferm U over ons.
    Wees gegroet, Maria, enz.

     

    11. O allerliefst Kind Jezus, dat in het heilig huis van Nazareth verbleven zijt, geheel onderdanig aan Maria en Jozef, in de beoefening der volmaaktste heiligheid, armoede en vermoeienissen verdragend, en in wijsheid, jaren en beminnelijkheid toenemend; heb medelijden met ons.
    Ontferm U over ons, Kind Jezus, ontferm U over ons.
    Wees gegroet, Maria, enz.

    12. O allerliefst Kind Jezus, dat op twaalfjarige leeftijd naar Jeruzalem geleid, door Jozef en Maria met droefheid gezocht, en na drie dagen met vreugde teruggevonden werd te midden van de Leraren; heb medelijden met ons.

    Ontferm U over ons, Kind Jezus, ontferm U over ons.
    Wees gegroet, Maria, enz.
    Glorie aan U, o Jezus, uit een Maagd geboren; glorie aan
    de Vader en aan de H. Geest, in alle eeuwen der
    eeuwen. Amen.
    Het woord is Vlees geworden.
    En het heeft onder ons gewoond.

    Op kerstmis en in het octaaf van Kerstmis wordt bij het vers en het antwoord Alleluia toegevoegd.
    Op Driekoningen en het bijbehorend octaaf, wordt gezegd:
    Christus, heeft zich aan ons geopenbaard, alleluia;
    Komt, laten wij Hem aanbidden, alleluia.



    Laten wij bidden:
    Almachtige en eeuwige God, Heer van hemel en aarde, die U aan de ootmoedigen openbaart, geef, bidden wij U, dat wij, die de allerheiligste Geheimen van het kind Jezus, uw Zoon, met ware eerbied overwegen, en ons toeleggen om die waardig na te volgen, eens mogen komen tot het rijk der hemelen, dat aan de ootmoedigen beloofd is. Door dezelfde Jezus Christus, onze Heer. Amen.

     

     

     

     


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hulp van de Christenen.

    Levensgroei

    Door de verdienste kan ons leven snel groeien. Beginsel van groei in ons is Gods genade. Zoals de persoonlijke mensheid van Jezus, hier op aarde, steeds in wasdom toenam, zo wil Jezus ook in ons, zijn ledematen, groeien en tot de volmaakte leeftijd komen. "Wij zullen, de waarheid belijdend, in ieder opzicht groeien in de liefde, in Christus die ons Hoofd is". De liefde vormt alles om, de meest gewone handelingen zelfs. De christen behoeft slechts met Christus verenigd te zijn en Diens wil te doen, om aan zijn leven een hoge waarde, en aan zijn daden een onmetelijke prijs te geven. Hoe alledaags, hoe gemakkelijk, hoe gering zijn handelingen ook zijn, worden zij uit liefde gedaan, dan zijn het bovennatuurlijke daden; zij geven glorie aan God en winnen zijn bijzijn.

    Men bedenkt niet genoeg, hoe gemakkelijk de christen de genade in zich kan vermeerderen en de tegenwoordigheid van de Heilige Drieëenheid in zijn ziel versterken. Door verdienstelijke daden groeit de genade steeds aan. Doet de liefde u een akt verwekken, die uw gewone gesteltenis overtreft in kracht, dan is uw verdienste vermeerderd, vermenigvuldigd en gaat alle voorafgaande verdiensten te boven. Opnieuw stort de Heilige Drieëenheid haar goddelijk leven in u uit. En toch was een geringe akt voldoende, soms een eenvoudige verzuchting van het hart, maar geheel van liefde doordrongen.

    Slechts met enige huivering kan men aan de volmaaktheid denken die ieder van ons zou kúnnen bereiken. De genade is zo iets groots en zo machtig. De getrouwheid aan de genade geeft, om zo te zeggen, aan Gods edelmoedigheid de vrijheid; is men aan een genade getrouw, dan voert deze weer een andere mee, machtiger, krachtdadiger. God stort Zich opnieuw in de ziel uit. De liefde voert haar omhoog.

    Zien wij op naar Maria; óns leven heeft zij geleefd en dóór het te leven verdiende zij onmetelijke genaden. En zij bezit die genaden, om ze óns mee te delen.
    Alle wegen die wij moeten volgen, heeft ook zij gevolgd. Alle vreugden en alle smarten heeft zij gekend. Alle toestanden van Jezus heeft ook zij doorlopen. Zij heeft al zijn mysteriën beleefd en er aan meegewerkt; de volle vruchten er van vindt men dan ook in háár. Alle genaden van Jezus’ leven, dat wij moeten nabeelden, zijn dus in háár en vloeien uit haar over, om in óns te komen, en onze zielen binnen te leiden in het leven van Christus.

    Maria is geschapen naar Jezus’ beeld; geen enkel schepsel geeft zijn volmaaktheden zo nauwkeurig weer. Alle genaden en gaven, alle deugden van Maria zijn aan Hem te danken. Méér nog, in haar leven vindt men in haar de schone weergave van Jezus’ zijns- en handelwijze.

    De gelijkenis met Jezus, waarnaar ook wij moeten streven, is bij haar volmaakte werkelijkheid geworden. Wilt gij weten, hoe Jezus de Vader aanbad en tot Hem smeekte, hoe Hij met de naaste en met de zondaars omging; wilt gij zijn goedheid, zijn minzaamheid, zijn barmhartigheid kennen, zijn vertrouwelijke omgang met zijn vrienden, de edelmoedigheid van zijn liefde: beschouw Maria. Dit alles vindt gij in háár; zij spreidt het ten toon en bij die sublieme weergave legt zij er tevens haar moederlijke zachtheid in.

    "Gij zijt vol van genade", zeide de engel van de Menswording. Maria’s heiligheid was toen reeds onmetelijk. Vanaf de eerste ogenblikken van haar bestaan had God haar met zijn gaven overstelpt; alles wat Hij aan goddelijk leven een louter schepsel schenken kon, had zij ontvangen. De volheid bezat zij in heel de vatbaarheid van haar wezen. En die vatbaarheid overschreed elke voorstelling van menselijke verbeelding, want God was van plan in zijn Moeder samen te brengen, al wat Hij in zijn ledematen bewerken zou; zij moest het hart worden van het leven van de Kerk. Toen reeds bezat zij dus een onmetelijke genadenschat. Toch is de genade steeds blijven groeien.

    Helaas, wij weten het maar al te goed, zelfs heiligen blijven stilstaan en vallen; in de goddelijke werking mengen zij hun persoonlijke strevingen. Zelfs in de heiligen doet God niet alles wat hij zou willen.

    Maria echter gaf zich geheel en al aan de genade over. Geen enkele schuld, geen enkele onvolmaaktheid kwam ooit haar opgang stuiten. Haar wil, met die van God verenigd, streefde met onweerstaanbare kracht omhoog. Vanaf haar ontvangenis ging zij met standvastige liefde naar God. Zij was geheel en al gericht naar God. Al haar levensdaden ontsproten uit een overgrote liefde, die elke genade deed groeien. Zij hield niet op te klimmen in heiligheid, omdat zij voortdurend steeg in liefde. De menselijke verbeelding is dan ook te zwak, om haar vooruitgang te kunnen volgen. Elk uur bracht een onschatbare aanwas. Niets van de Goddelijke stuwkracht zou zij verliezen. De genade breidde in haar zich uit als in de hemel. Ieder ogenblik trok de trouw van haar liefde de heilige Drieëenheid tot haar, die Zich dan uitstortte in een nieuwe vloed. Onophoudelijke overstroming van goddelijk leven.

    Die nieuwe verdiensten verwierf zij vooral bij elke ontvouwing van het Christusmysterie.
    Willen wij een voorbeeld, zien wij dan slechts, wat er in Maria plaats greep, toen zij Jezus in haar schoot droeg. Een uitwisseling van onvergelijkelijke liefde! Die vereniging reeds in het gemeenschappelijke vlees! Maria gaf aan Jezus het zuiverste van haar eigen vlees, om zijn lichaam te vormen; zij gaf Hem het bloed, dat de wereld moest vrijkopen; zij vormde het hart en de mensheid, waaruit zoveel genaden zouden voortvloeien. Met een onuitsprekelijke tederheid schonk zij die gave, met een liefde geheel doorstraald van Jezus’ licht, dat haar klaarheid schonk omtrent het einddoel van dit mysterie. En die liefde beantwoordde Jezus, zoals alleen God het doen kan. Wat er in Maria’s schoot plaats greep, herinnert aan de theologische leer over het innerlijke leven van de heilige Drieëenheid, over die eeuwige uitwisseling van licht en liefde tussen de drie goddelijke Personen, over die in-elkaar-woning, die het goddelijke geluk uitmaakt; zo bestond ook tussen Jezus en zijn Moeder een wonderbare, door God alleen te begrijpen uitwisseling van tederheid. Welk een genadenvloed bracht de Bewerker van de genade door zulke onmiddellijke en voortdurende contacten in Maria teweeg! Een zo enige, zo volmaakte band! Alleen de tegenwoordigheid slechts van het Woord was onophoudelijk oorzaak van genade, en Maria’s volmaakte gesteltenissen droegen er toe bij, de genadenstroom rijker en eindeloos te maken.

    De innige verbinding met de mensheid eist een ander, een geestelijk, een nog inniger contact door de genade. "Onze Heer Jezus Christus verenigt Zich altijd slechts lichamelijk met de bedoeling, Zich nauwer geestelijk te verbinden..... Als dit zo is, o verheven Maagd, dan denk ik van u iets zó groots, dat het mij niet alleen aan wóórden ontbreekt, om het uit te drukken, maar mijn geest ook de grootste moeite ondervindt, om het voor zichzelf in een helder licht te plaatsen. Want uw vereniging met Jezus’ lichaam in uw gezegende schoot was van dien aard, dat men zich geen inniger denken kan. Stond de vereniging met de geest daarmee niet in de juiste verhouding, dan zou aan de rechtmatige vordering van Jezus’ liefde te kort zijn gedaan, Hij zou geweld in u lijden. Om Hem te bevredigen, moet gij dus met Hem evenzeer verenigd zijn in de geest, als gij Hem nauw verwant zijt door de banden van natuur en bloed. En wijl deze vereniging door de genade wordt bewerkt, wát kan men denken en wát kan men zeggen? Wáár moeten onze gedachten haar vlucht staken, willen wij geen onrecht doen aan die grootheid. En brengen wij alle gaven in Gods schepselen bijeen, kan dan dit alles uw volheid wel evenaren?" "Jezus," zegt Bérulle, "trekt haar tot Zich, voert haar in Zich mee. En die twee harten van Jezus en Maria, door de natuur zo na verwant en vereend, zijn door de genade nog veel meer en veel inniger verbonden, zij leven in elkander."

    Gedurende geheel haar leven heeft Maria op die wijze deelgenomen aan de mysteriën van haar Zoon. Door deze mysteriën ontvouwde God langzamerhand zijn verborgen wereldplannen. Maria was er de vertrouwelinge van. Méér nog, in deze mysteriën nam zij een plaats als mede-verlosseres in. Zij werkte er in mee en God verlichtte haar voor die medewerking. Dit alles vermeerderde haar verdienste, want zij werkte in het licht en in de liefde. Denk eens aan haar verdienste aan de voet van het kruis. Haar mede-lijden was een werk van liefde: liefde tot God en liefde tot de mensen. Uit liefde gaf zij haar Zoon. Wat een zee van verdiensten! Welke genaden moest zij niet verwerven, toen zij, door haar moederschap van smarten, inderdaad de moeder van alle Godskinderen werd. Voeg hierbij de groei door de stage gang van het dagelijkse leven. Nooit een smet, nooit een val, nooit stilstand in de aanwas van die genadenzee. Aanhoudende vooruitgang. Elke daad van de Moedermaagd bracht groei. God vervulde haar met licht waarin de liefde speelde en de maat er voor was geen andere dan haar gestadig groeiende vatbaarheid.

    "Die uitgaat om te zaaien" werpt elke minuut zijn zaad, en alles verzamelt zij gewillig, liefdevol; alles behoudt zij voor een honderdvoudige oogst. "De jaren snellen voort," zegt Bérulle, "de genaden vermeerderen, en in deze genade-orde, uitsluitend de hare, dompelt zij zich van dag tot dag in een wonderbare vloed en zij dompelt er zich in door een bijzondere genade-uitstorting en een volmaakte medewerking. Het is het gewijde samenspel tussen Gods geest en Maria’s geest. Van ogenblik tot ogenblik stort God een nieuwe genade in deze ziel, en onafgebroken en met al haar kracht beantwoordt die ziel er aan. En die beantwoording met volmaakte overeenstemming voert haar op tot een toppunt van genade, en die genaden, hoewel buitengewoon groot voor die op Gods weg altijd voortsnellende ziel zijn slechts graden die haar tot nieuwe gratie-hoogheid moeten verheffen. Die zo zeldzame, voortreffelijke, alleredelste, zó op aarde levende ziel, verrukt de hemel en zou ook de aarde verrukken, als de duisternissen haar niet het gezicht van zo’n kostbaar voorwerp ontnamen."

    Liefde is de schoonheid van haar leven. In haar daden bracht Maria zoveel licht en zoveel liefde, dat zij de zwaarste werken van de grootste heiligen overtroffen. Haar vurige liefde ontving elke minuut genade, gaf er zich onverdeeld aan over, beantwoordde er op volmaakte wijze aan en bracht een eindeloze vermeerdering teweeg. "De dagen sloten zich aaneen, de jaren volgden op elkander, en als een verwonderlijke machine van overstelpende kracht en onzichtbare snelheid ging steeds maar voort de werking van de beantwoording aan de genade, van haar heiliging en vermenigvuldigde zich dermate, dat alle ménselijke cijfers nooit zulk een product zouden kunnen opleveren." Maar wijl in haar hart de liefde zonder enig beletsel heerste, groeide deze onophoudelijk van dag tot dag door de beoefening, groeide door zichzelf, zodat die al maar zich uitbreidende liefde tot zulk een volmaaktheid steeg, dat de aarde ze niet meer bevatten kon. Er was dan ook geen andere oorzaak van Maria’s dood dan de vuurgloed van haar liefde........

    "De liefde deed Maria leven; de liefde ook doet haar sterven."

    Maar Maria is moeder en de glorie van de moeder is de vruchtbaarheid. Heeft God haar zo groot gemaakt en in staat gesteld, alle levensschatten in zich te besluiten, dan is het, om ze uit te storten. Zij is het ruime meer van de goddelijke genaden, om er het kanaal van te kunnen worden. De zegeningen die zij heeft ontvangen, moeten neerdalen op de geestelijke schepping. God is in haar als levensbron voor Christus’ ledematen. Zij ontving slechts zoveel, om te kunnen geven.

    Bovendien drijft de liefde haar aan. De wet van de liefde, vooral van de moederliefde, is geven. Maria vloeit van leven en zaligheid over en wij hebben er behoefte aan. Kunt gij u een ware moeder verbeelden, die, als zij gelukkig is, niet branden zou van verlangen, ook haar kinderen gelukkig te maken? In waarheid, het door Maria vloeiende goddelijke leven deelt zij ook mee aan ons. Maria is voor ons slechts liefde, zich gevende liefde.

    Ons geluk is slechts te vinden in de verwezenlijking van onze bovennatuurlijke roeping. "Geprezen zij God," zegt Sint Paulus, "de Vader van Onze Heer Jezus Christus, die ons in Hem heeft uitverkoren voor de grondvesting van de wereld, om heilig en vlekkeloos in de liefde te zijn". Van alle eeuwigheid heeft God aan ons gedacht en, in zijn liefde, voor ons vastgesteld, welke volmaaktheid wij moeten bereiken; Hij wil onze gelijkvormigheid aan zijn Zoon. "Hen die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd, om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon." Dát is de christelijke roeping: ons aan Christus gelijkvormig maken, "het beeld van Christus" worden, leven als Christus.

    In welke máte moet ieder van ons Jezus’ gelijkenis in zich weergeven? Dat is het geheim van God. Maria ként echter de geheimvolle verborgenheid van onze eeuwige voorbestemming. Zij kent de persoonlijke roeping van ieder onzer. Zij weet wat ik zijn moet. Haar moederlijke liefde nu maakt haar bezorgd voor mijn geestelijke toekomst. Bij de verwezenlijking van die roeping is zij werkelijk mijn leidster, mijn hulp, mijn kracht. Het geestelijke leven is een leven in wording, elke dag. Het heeft zijn groei, maar ook zijn verrassingen en beproevingen, zijn onbestendigheden en mislukkingen. De Moeder van de goddelijke genade leidt de groei; daarvoor wendt zij haar zachtheid, haar liefderijke behulpzaamheid, haar tedere zorg, heel haar moederlijke medelijden aan.

    Vóór alles tracht zij ons de zucht naar God te geven, ons het verlangen naar het goddelijke leven in te boezemen. Aan alle groei toch ligt het verlangen ten grondslag. Zij herinnert zich, hoe haar Zoon Jezus in de zuilenhallen van de Tempel staande, tot de menigte riep: "Zo iemand dorst heeft, Hij kome tot Mij en drinke". De christen die God wil zoeken, vindt Hem spoedig. Sprak Jezus niet tot de zalige Angela van Foligno: "Wilde iemand Mij in zijn geest gewaar worden, Ik zou mij niet aan hem onttrekken. Wilde iemand Mij zien, Ik zou Mij met de grootste blijdschap aan hem vertonen. Wilde iemand met Mij spreken, Ik zou Mij in de grootste vreugde met hem onderhouden".

    De ondervinding leert, dat zij die met Maria leven, met een levendige hoop zijn bezield op de verwerkelijking van hun christelijke roeping. Sint Paulus wenste, dat "wij, geworteld en gegrondvest in de liefde, geschikt zouden worden, om met alle heiligen te begrijpen, welke de breedte en de lengte, de hoogte en de diepte is, geschikt zelfs om te kennen de liefde van Christus, die alle kennis overtreft, en dat wij vervuld zouden zijn met alle volheid Gods". Eerst dus moeten wij wensen, naar die "volheid van God", naar de innige vereniging met Jezus te verlángen.

    Maar de Moeder van de genade bezit die "volheid" voor ons, en zij kan onze ziel geschikt maken, om ze te ontvangen. Haar moederschap heeft tot taak, u tot ledematen van Christus te maken. Daarom wil zij u "Jezus tonen" alle dagen van uw leven, en u leren Hem te zoeken in de plichten van uw staat, in uw werk, uw lijden en in de andere ledematen van de mystieke Christus.

    "De Zoon van de mensen," zeide Jezus, "is gekomen, niet om gediend te worden, maar om te dienen." Zó dacht ook zijn Moeder. Haar leven kende de arbeid.
    Wat zij deed? Wat de vrouwen van Nazareth nóg doen. Zie ze slechts in haar primitieve woningen, die onderaardse, in het rotsgesteente van de heuvelhelling uitgegraven vertrekken, zoals ook ongeveer het huis van Joseph was. Zorgvuldig laten zij het oog over een armoedig huisgezin gaan; zij maken de maaltijden gereed, malen het koren, kneden het deeg, bakken het brood en halen aan Nazareths enige bron het water, dat zij op galilese wijze, de kruik op het hoofd, weg dragen. "De gezegende onder de vrouwen" deed dit alles dagelijks. Haar moederhanden, die het Jezuskind droegen, gebruikte zij met zorg voor het eentonig, huishoudelijk werk van elke dag. En, omdat het Gods wil was, deed zij het met liefde.

    Haar werk was een akt van aanbidding, de nederige dienst voor de glorie van de hoogste en heiligste Heer. Met een liefdevolle nederigheid kweet zij er zich van. Een vermoeiende arbeid verrichten, was voor haar de gerechtigheid vervullen. Het was zich op voortreffelijke wijze vernederen, niet slechts voor de wil van God, die de mens beval zijn brood te winnen in het zweet van zijn aangezicht, maar voor het ondoorgrondelijke wezen van God, die haar zo heerlijk had begunstigd.
    En dan, was zij niet de Moeder van de Verlosser? Evenals haar Zoon, gaf zij zich aan de boetedoening van het werk, van lastig werk, van de bezigheden van de armen.

    Maria nodigt ook óns tot werken uit: tot de arbeid, die Godsverering is, de nederige erkenning van Gods opperste rechten, en tevens de dienst van de naaste. Het is billijk, dat wij, zondaars, in vereniging met Christus, al onze krachten inspannen in de dienst van Hém, die ons zozeer heeft liefgehad. Billijk is het ook, dat Christus’ ledematen zich ten beste geven voor elkander. Het christelijk werk is een uitwisseling van dienstbetoning.

    De arbeid is voor het menselijk geslacht wel een smartelijk mysterie; door de erfzonde werd hij een straf, een bittere straf. Maar hij is ook een mysterie van vreugde. Zeide Jezus niet: "Mijn Vader werkt, en ook Ik werk"? Denken wij dan ook bij onze zware arbeid aan dit goddelijk werken. Door de arbeid verlenen wij aan Gods heiligend werk in de wereld gedeeltelijk onze medewerking. Toen God de mens op aarde bracht, was zijn schepping voltooid, maar óns blijft de taak, haar te ordenen, haar naar God te richten, haar Gods glorie te doen zingen. Ja, de schepping is voor ons niet zozeer een schouwspel om gade te slaan, dan wel een goddelijk werk, dat op onze voltooiing wacht. "Zij smacht," zegt ons Sint Paulus, "reikhalzend naar de openbaring van de kinderen Gods ..... heel de schepping zucht en kreunt in barensweeën."

    Hóé moeten wij echter werken? Denken wij aan Nazareth. Jezus en Maria werkten niet ten koste van hun innerlijke leven. Hun werk deed nooit aan hun beschouwing te kort. Als Jezus Zich bevond in de werkplaats van Sint Joseph of op de wegen van Galilea, altijd kon Hij zeggen: "Ik ben in mijn Vader". Ook Maria bleef voortdurend in beschouwing en in de liefde van haar God; dit was de vaste bodem van haar innerlijke leven, waarop alle uiterlijke handelingen steun vonden, waaruit al haar mysteriën opbloeiden. En Sint Paulus vraagt het van ons, als hij zegt: "Wat gij ook doet in woord of in werk, doet alles in de naam van de Heer Jezus, door Hem dank zeggend aan God de Vader". Het werk van de met God verenigde zielen is veel dienstiger voor Gods glorie en het zielenheil dan dat van de gewone christenen, door de liefde die hen drijft. Hun werkzaamheid is niet gevaarlijk meer voor hun innerlijke leven; hun werk wordt liefde. De grootste beslommeringen zelfs, zo Gods ze maar wil, schaden hun vereniging met de Heer allerminst. "Als zijn geest zich van de uwe heeft meester gemaakt," zeide de eerbiedwaardige Maria van de Menswording, "en Hij het diepst van uw ziel beheerst, om u, door een blik van liefde, in een innige en blijvende vereniging met zijn goddelijke Majesteit te houden, dan kunnen al uw bezigheden dat goddelijke verkeer niet meer verstoren. Zij voegde er evenwel aan toe: "Ik zeg: in het diepst van uw ziel, want het is niet mogelijk, zich in deze wereld met tijdelijke zaken bezig te houden, zonder op een behoorlijke manier het oordeel en het verstand er bij te gebruiken. Maar in die staat van vereniging en verkeer met God in het hoogste zieledeel verliest men zijn heilige tegenwoordigheid niet".
    Bij dat vermoeiende werk zal het dikwijls gebeuren, dat de liefde niet wordt gevoeld, en ze slechts leiding geeft aan de kracht van de wil. Toch blijft Gods dienaar in de beoefening van de liefde; en "die in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem".

    De liefde tot de naaste is een bovennatuurlijke, ja goddelijke deugd, dat wil zeggen, een van die hogere deugden, die onmiddellijk God betreffen. "De liefde waarmee wij de naaste beminnen," zegt Sint Thomas, "is dezelfde als die waarmee wij God beminnen." Wij hebben dan ook niet de vrijheid, onze naaste te beminnen of niet te beminnen. Christus heeft er ons absoluut toe verplicht. "Mijn gebod is, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad." De broederlijke liefde is het eigen kenmerk van de christen. "Hieraan zal men erkennen, dat gij mijn leerlingen zijt, als gij elkander liefhebt." De eeuwige Vader sprak tot de heilige Catharina van Siëna: "Zodra de ziel Mij bemint, bemint ze ook de naaste, anders is haar liefde niet waarachtig, want de liefde tot Mij en tot de naaste zijn slechts één. Hoe meer de ziel Mij bemint, des te meer bemint zij de naaste." Deze vereniging van de liefde tot God en de naaste is zo nauw, dat Sint Paulus zelfs durft zeggen: "Hij die zijn naaste bemint, heeft de wet vervuld". En Sint Joannes zegt: "Wij weten, dat wij uit de dood tot het leven zijn overgegaan, omdat wij onze broeders beminnen. Die niet bemint, blijft in de dood".

    De dienst van de naaste is een onmiddellijke vrucht van de goddelijke vereniging. Het is een kenmerk van het goede, zich mede te delen. Het oneindig Goed stort van eeuwigheid Zich uit in de persoon van het Woord en in de persoon van de Heilige Geest en ten laatste vloeit het zelfs in overvloed uit naar buiten, in de schepping. Deelt nu een schepsel in deze goddelijke Goedheid, dan gevoelt het aanstonds het verlangen, zich aan andere mee te delen. Hoe meer de ziel bezit, des te meer wil zij geven. Hoe meer God in haar is, des te meer wordt zij er toe aangedreven, God mede te delen. Die wet verklaart ook de wederzijdse lichtuitstraling van de engelen; de engelen van hógere rang, die God méér bezitten en genieten, haasten zich, aan de engelen van lágere rang van hun kennis en hun geluk mee te delen. Zo ook de heiligen; hoe meer zij God kennen en beminnen, des te meer worden zij er toe gedrongen, hun licht en hun liefde mee te delen aan hun broeders. Het is dan ook volkomen juist, de inwendige staat van een ziel te beoordelen naar haar echte, zuivere naastenliefde. "O onze Verrijzenis," riep de heilige Catharina van Siëna uit, "machtige en eeuwige Drieëenheid, doe dan mijn ziel naar buiten uitbreken! O Verlosser, onze Verrijzenis, eeuwige Drieëenheid, Vuur dat altijd brandt, nooit uitdooft, nooit kan verminderen, zelfs dán niet, als Gij U aan geheel de aarde meedeelt..... ik bezweer U, beweeg krachtig mijn ziel en ontvlam ze voor het heil van de wereld."

    Maria had voor haar naaste een brandende, onmetelijke liefde en die liefde vloeide voort uit haar liefde tot God. "Ik bid voor hen," zeide Jezus, haar Zoon, tot zijn Vader, "omdat zij de uwen zijn." Beschouwde Maria de onuitsprekelijke goddelijke liefde voor de zielen; beschouwde zij de Vader, die, na ze uit louter liefde te hebben geschapen, en zo rijkelijk begiftigd, ze tot de eeuwige zaligheid riep; de Zoon, die voor haar mens werd, ze moeizaam ging zoeken en leed, om ze gelukkig te maken; de Heilige Geest van liefde en waarheid, die zonder ophouden werkt, om ze te zuiveren, te heiligen, in glorie te verheffen; beschouwde Maria "die al te grote liefde", wat elk ogenblik geschiede, dan voelde zij zich aangegrepen door een grenzenloze liefde voor alle zielen, dochters van de Vader, ledematen van de Zoon, tabernakels van de Heilige Geest, en bovendien háár kinderen. Dan sprak zij in haar hart, evenals Jezus: "Ik geef mijn leven voor mijn schapen".

    Voor óns leefde ze. Voor óns bad ze geheel haar leven. Weliswaar was haar gebed allereerst aanbidding van de Godheid en dankzegging; maar onmiddellijk daarna werd het een smeekbede voor ons. Door dit gebed schonk zij God grote vreugde, zij wist het; aan het goddelijk leven gaf zij immers de gelegenheid, zich uit te storten? Want, wil God zijn goederen schenken, dan wacht Hij op het gebed. Zij was dan ook de deelgenote van zijn barmhartigheid.

    Tot de engel zeide Maria, dat zij de dienstmaagd van de Heer was; zij had er aan toe kunnen voegen, dat zij ook de dienstmaagd van de mensen was. In de mysteriën van haar leven neemt de dienst van de mensheid een voorname plaats in. Maria’s antwoord bij de Menswording is een akt van onmetelijke liefde voor de mensen, die zij nu tot haar kinderen aanneemt. De liefde voert haar ook ijlings naar Elisabeth heen. Haar liefde dringt haar Zoon, te Cana zijn openbaring te vervroegen en zijn eerste wonder te doen. Haar liefde doet haar op Calvarië bitter lijden.

    Waar ontvlamde dat grote vuur? Om de ware oorsprong te vinden van de liefde voor de zielen, van het apostolische ijvervuur, moet men teruggaan naar hetgeen in Maria’s schoot geschiedde, op het ogenblik van de Menswording. Sint Paulus zette dit uiteen in zijn brief aan de Hebreeën: "Bij zijn intrede in de wereld sprak Christus: Offers noch gaven hebt Gij gewild, maar een Lichaam hebt Gij Mij bereid. Brand- en zoenoffers behaagden U niet. Toen zeide Ik: "Zie Ik kom, om uw wil te doen, o God!"...... Uit kracht van die wil zijn wij eens en voor al geheiligd door het Offer van Jezus Christus". Later hoorde Maria haar Zoon dit verrassende woord tot de apostelen zeggen, echo van het "Ecce venio", gesproken in haar schoot: "Daarom bemint Mijn Vader Mij, omdat Ik mijn leven voor u geef".

    God wilde de mensen redden door de dood van Zijn Zoon, en omdat Jezus die wil van zijn Vader aanvaardde, beminde de Vader Hem. Het apostolaat, de dienst van de naaste bestaat dus op de eerste plaats in het offer dat het goddelijk leven mededeelt. Voor dit God verheerlijkende offer is het Woord vlees geworden: "Ja, Vader, ik ben voor dit uur gekomen, Vader, verheerlijk uw naam!".

    Overweeg nu eens de veréniging van Jezus en Maria, en gij zult haar geweldig vlammende ijver begrijpen. Zij óók heeft haar "Ecce venio" gesproken, dat tot uiting kwam in het voor ons gebrachte offer van haar Zoon. Heel haar genade-rijkdom als moeder van het mystieke Lichaam neemt haar op in het offer en dus ook in het apostolaat. Goddelijke levenswoorden wil zij uitzenden en God verheerlijken door ledematen van Christus te vormen.

    Dit maakt duidelijk, dat de dienst van de naaste niet in koortsige bedrijvigheid bestaat, maar vóór alles in gebed en offer. Offergeest is waarachtige apostelgeest; apostelen zijn zij die in Christus’ liefde zichzelf geven. Koningin van de apostelen is daarom Maria.

    Het woord dat Jezus bij zijn intrede in de wereld sprak: "Ecce venio: Mijn God, hier ben ik, om uw wil te doen", is een samenvatting van geheel zijn leven. Het woord dat Maria tot de aartsengel zeide: "Zie de dienstmaagd des Heren", vat ook geheel háár leven samen. Beiden leefden naar het woord, bij het begin van hun zending gesproken, machtige kreet van hun ootmoed, die de diepste grond van hun ziel blootlegde. Zij waren gehoorzaam, en de heilige Schrift zegt ons: "tot aan de dood, ja, tot aan de dood van het kruis". Heel hun kinderlijke liefde voor de Vader heeft zich vertolkt en voltooid in een liefdevolle en grenzenloze gehoorzaamheid. "Mijn voedsel is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft." "Ik doe altijd wat Hem behaagt."

    Tot deze geest van gehoorzaamheid roept Maria ook óns. Hij is het bewijs, het hoogste bewijs van liefde. "Wie mijn geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het die Mij liefheeft; maar wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader worden bemind en ook Ik zelf zal hem beminnen en Mij aan hem openbaren."

    Wij allen zijn verplicht te beminnen. Maar wie kan verzekeren, dat hij waarlijk liefheeft? De natuurlijke gevoeligheid kan sommigen doen menen, in de geestelijke wegen al gevorderd te zijn, omdat ze gemakkelijk tot tranen worden bewogen en tot beloften gedreven. Jezus’ woorden geven ons zekerheid, waar de gevoelens ons in het onzekere laten: de liefde is in de gehoorzaamheid gelegen.

    De gehoorzaamheid nu leidt binnen in de vereniging met God: "Hij zal door mijn Vader bemind worden". De afhankelijkheid van God bewerkt het gehecht-zijn aan God. De beoefende, betuigde en getrouwe liefde wekt wederzijds vertrouwen, een innige saamhorigheid. De gehoorzame christen die Gods wil boven alles liefheeft en zich aan zijn rechten wijdt, is met Hem nog slechts "één en dezelfde geest", zegt Sint Paulus. Hij voedt zich met God. Sint Vincentius a Paulo zeide dan ook: "God is een aanhoudende communie voor de ziel die zijn wil doet".

    Jezus sprak over de gehoorzaamheid een verwonderingwekkend woord en juist naar aanleiding van Onze Lieve Vrouwe: "Alwie de wil van mijn Vader doet, hij is mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder". "Hij is mijn moeder": "Hij ontvangt geestelijkerwijze het Woord door het geloof," verklaart de heilige Beda, "hij doet Het geboren worden, hij voedt Het in zijn eigen hart en in het hart van de naaste, door de beoefening van het goede". Dit is de grote taak van de christen: God doen geboren worden. Men kan enigszins de verdienste schatten van de ziel die leeft in de geest van gehoorzaamheid. Haar minste werken zijn heilig. Dan geen alledaags en onbeduidend leven meer; de gehoorzaamheid geeft voor God aan alles waarde. Daardoor was Maria’s zo nederig leven, zo glorievol voor God. Als de christen de wil van God volgt, is hij nooit meer alleen; hij kan dan met Jezus zeggen: "Mijn Vader, die Mij heeft gezonden, heeft Mij niet alleen gelaten, maar altijd met en in Mij blijvend, verricht Hij waarlijk al mijn werken".

    Het leven van Maria was een volmaakt en standvastig "ja" op de wil van God, een volledig "ja", dat haar geheel overgaf aan God; daarom kon de Vader door haar zijn groot mysterie voltrekken. Door de gehoorzaamheid ook brengt Maria óns er toe, onze roeping werkelijkheid te doen worden. Heeft Sint Paulus niet gezegd: "Dit is de wil van God, dat gij heilig zijt"?

    Zonder ophouden werkt de heilige Drieëenheid aan de verwezenlijking van die wil. Denk eens wat er gebeuren zou, als God door onze gesteltenis in staat was, volkomen het door Hem begeerde doel te bereiken. Wat een overvloed van genaden op de dag, dat onze gehoorzaamheid aan zijn liefde zou beantwoorden! En wat een vreugde voor Gods Moeder; dan immers kwamen de grote plannen van God tot uitvoering: de voltooiing van de volledige Christus, dat is van Christus’ mystiek Lichaam in de heiligen.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
    AAN GUSTAF TUNASON STURE.
    VIERDE BOEK, KAP. 34.

    De bruid van Christus zeide: Het is alsof ik mannen zie die touw draaiden. Sommigen maakten paarden gereed, anderen smeedden tangen, en weer anderen richtten galgen op. Toen ik deze dingen zag, verscheen mij een maagd die bedroefd scheen en treurende en mij vroeg, of ik dit begreep. En toen ik antwoordde, dat ik het niet begreep, zeide zij tot mij: “Al deze dingen, die gij ziet, verbeelden het geestelijk lijden, van iemand, die gij kent.

    De touwen dienen om het paard te binden, dat de ziel moet voortsleepen, de tangen om neus en oogen en ooren en lippen stuk te knijpen, de galg om aan te hangen.” Toen ik over dit alles bedroefd was, antwoordde de maagd mij voor de tweede maal: “Wees niet bedroefd, want nog is er tijd, zoodat hij, als hij wil, het touw kan stuk rukken, de paarden omver werpen, de tangen als was versmelten en de galg afbreken.

    En bovendien kan zijn hart zoo gaan gloeien van liefde voor God, dat al de zinnebeelden en strafwerktuigen hem tot de grootste eer zullen worden. Het touw, waarmee hij smadelijk gebonden zou worden, kan in een gouden gordel veranderd worden en in plaats van paarden, waardoor hij getrokken en door de straten gesleept zou worden, zullen engelen hem gezonden worden en hem voeren tot Gods aanschijn. In plaats van de tangen, waarmee hij smadelijk geknepen zou worden, zal aan zijn neus een goeden geur gegeven worden, aan den mond een goeden smaak, aan de oogen het schoonste gezicht en aan de ooren het heerlijkste gezang.”

    VERKLARING.
    Deze man van wien hier sprake is, was maarschalk. Hij kwam naar Rome met zooveel boetvaardigheid en ootmoed, dat hij blootshoofds naar vele Kerken ging, God biddend, en anderen verzoekend voor hem te bidden, dat hij niet naar zijn vaderland mocht terugkeeren, opdat hem niet gebeuren zou dat hij wellicht weer in zijn vroegere zonden herviel. God verhoorde dit gebed en die stem, zoodat hij stierf in Monte Fiascone, toen hij Rome verliet, en waarvan Onze Heer later zeide tot de H. Birgitta: “Zie dochter, wat mijn barmhartigheid deed en wat een goede wil doet. Deze ziel was in de klauwen des duivels, maar de goede wil ontrukte hem aan diens tanden, zoodat hij nu op weg is naar het hemelrijk en al het goede deelachtig wordt, wat in de heilige Kerk gedaan wordt.”
    Wordt  vervolgd.

    15-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN ALLEN EEN GEZEGENDE WOENSDAG TOEGEWENST.
    Con amor a nuestra amada Madre María!
    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Te Lourdes op de bergen
     

    Te Lourdes op de bergen

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Moeder van de Goddelijke Barmhartigheid.

    Sacramentele Groei

    Ook de sacramenten bewerken onze goddelijke groei. Ze zijn een wonderbaar middel ter heiliging en zelfs het gewóne middel waardoor God ons heiligt. Ze zijn de voornaamste levensbronnen, door Isaias aangekondigd: "Gij zult met vreugde de wateren putten uit de bronnen van de Zaligmaker", de bronnen van Calvarië, de wonden van Christus. Alle leven komt van zijn Bloed.

    Christus’ ménsheid is het, die ons door de sacramenten heiligt. "De onnaspeurbare rijkdommen van de Christus", zoals Sint Paulus zegt, worden daardoor ons deel. "Er ging van Hem een kracht uit die genas", meldt ons het Evangelie. Zó is het ook nú nog, als wij met vertrouwen tot Hem naderen. Als de vrouw van het Evangelie worden wij dan hetzelfde uitwerksel van zaligheid gewaar: "Iemand heeft Mij aangeraakt en Ik heb gevoeld, dat er een kracht van Mij is uitgegaan".

    Het christelijke leven is een sacramenteel leven. Uit een sacrament worden wij geboren, door een sacrament gevoed, door een sacrament genezen en ons leven wordt versterkt door een sacrament. Enkele er van merken ons met het Christuszegel. Zijn wij met Hem verenigd, dan is het door hun uitwerkselen, want het enige doel van alle sacramenten is de vereniging met Christus en het nauwer toehalen van de band van deze vereniging. Die sacramentele levensgroei ontdekt men slechts met een zekere verbazing; het is ook de groei van Christus in de zielen.
    "God, die gezegd heeft: Licht zal schijnen uit duisternis, Hij heeft licht ontstoken in uw harten." De ziel neemt toe in wasdom, vormt zich naar Christus’ beeld, en "komt" ten slotte "tot de volmaakte leeftijd van Christus".

    Dit groeien door de sacramenten wordt ons ook verleend door de tussenkomst van Maria. Zeer zeker, in hem die ze behoorlijk ontvangt, brengen de sacramenten dóór zichzelf hun uitwerkselen teweeg. Men moet hier volstrekt niet denken aan een ingrijpen tussen het sacramentele teken en het voortgebrachte uitwerksel. In die zin denken wij aan Maria’s bemiddeling niet.

    Maar vanwaar komen de sacramenten en het leven dat zij in de zielen voortbrengen? Uit de onuitputtelijke bron die Jezus met Maria op Calvarië deed ontspringen. De sacramenten zijn tekenen van Christus’ lijden, zij brengen ons de Calvarieberg-genade, en om het verdienen van die genade heeft Maria geleden.

    Vanwaar ook komen de vereiste gesteltenissen bij het ontvangen? Van Maria’s tussenkomst. De volledige genade-orde sluit ook de sacramentele genade in, en wijl Maria heeft meegewerkt aan het tot stand brengen van die orde, werkt zij ook mede aan de uitdeling van die genaden.

    Maria is Moeder, Moeder van Christus’ ledematen, Moeder van de Kerk en de taak van de moeder is het leven meedelen. Haar moederschap openbaart zich echter niet door uiterlijke tekenen; nooit ziet men Maria verschijnen om de sacramenten toe te dienen, of een van de middelen toe te passen, waarvan de bedienaren van de Kerk gebruik maken. De priesterlijke macht bezit Maria niet, maar het priesterschap, dat Jezus instelde en bezielde, steunt in zijn bediening op haar moederschap.

    Ook de Kerk is moeder, door de sacramenten geeft zij het leven. Hóger dan dat van de Kerk staat echter Maria’s moederschap. De Kerk is met God verenigd, opdat de uitverkorenen kinderen van God worden. Maar méér dan de Kerk is Maria, om Godskinderen voort te brengen, tot die goddelijke vereniging geroepen. Haar moederschap kent geen grenzen; het beantwoordt aan het vaderschap van God. God heeft Zich een Hem gelijkvormige hulpe gemaakt, die zijn wil, aangenomen kinderen, broeders van Jezus te vormen, ijverig te werk stelt. Hij heeft een moederschap geschapen, dat aan de werkingen van zijn vaderschap niet te kort doet.

    Ten slotte, waaróm de sacramenten? Om aan de ledematen van het mystieke Lichaam het leven mee te delen. Het doopsel lijft ons bij Christus in; de Eucharistie geeft ons zijn leven en bewerkt de eenheid van de mystieke Christus. Maar werkt Maria er niet aan mee? De functie van het moederschap is de opbouw van het leven en de vereniging van de ledematen die het lichaam moeten vormen. Maria is de bewerkster van de eenheid van Christus’ ledematen. In háár schoot hebben, in de persoon van Jezus, de Godheid en de mensheid zich verenigd; onder háár invloed komt ook de mystiéke Christus tot eenheid. Gaat het om vorming het leven betreffende, dan is het Maria die werkt; haar komen de innerlijke verrichtingen van het moederschap toe.

    Als de heilige Leo naar aanleiding van de Menswording over het doopsel en de sacramenten spreekt, verzekert hij, dat de tussenkomst van de Heilige Geest, die ze krachtdadig maakt, de uitbreiding is van Diens werking in de schoot van de Maagd. "Dezelfde kracht van de Allerhoogste, dezelfde werking van de Heilige Geest, die Maria de Verlosser deed baren, brengt in het herscheppende waterbad de gelovige voort". Zo waar is het, dat alles begon in de schoot van Maria en met haar medewerking.

    Wat zijn op stuk van zaken de sacramenten anders dan Christus’ mensheid, die zich ten dienste stelt voor onze heiliging? Die mensheid is Gods grote sacrament, "de levensstroom" waarvan de Apocalyps ons spreekt. Die mensheid nu heeft Maria ons gegeven. "Van háár, eerste oorsprong van Jezus’ bloed, van haar uit," zegt Bossuet, "begint zich uit te storten die heerlijke genadestroom, die door de sacramenten in onze aderen vloeit en de levensgeest brengt in heel het lichaam van de Kerk." Aan de bron van de sacramenten zetelt Maria. Zij passen op ons toe de kracht van het Bloed, dat Jezus van háár ontving.

    Deze waarheid geldt meer in het bijzonder de Eucharistie. Het Lichaam dat Zich in het sacrament omsluiert, is het Lichaam dat uit de maagd Maria werd geboren, zoals de liturgie telkens herhaalt. De Eucharistie mogen wij dan ook de grote gave van Maria noemen. "Mijn welbeminde broeders," zei Sint Petrus Damianus, "overweeg hier, ik bezweer het u, hoeveel wij aan de gelukzalige Moeder van God verschuldigd zijn, en hoe wij haar, ná God, voor een dergelijk grote weldaad moeten danken. Het Lichaam van Christus dat zij heeft gebaard en in haar schoot gedragen, dat zij in doeken gewikkeld heeft en, moederlijk liefkozend, met haar melk gevoed, is hetzelfde Lichaam, dat wij ontvangen aan de heilige Tafel; het is háár bloed dat wij in het sacrament onzer verlossing drinken..... Neen, geen menselijk woord is bij machte, háár, uit wie de Middelaar tussen God en mens zijn Vlees nam, naar waarde te prijzen. Welke eerbetuiging wij haar ook mogen brengen, nooit evenaart deze haar verdiensten, want in haar zuivere schoot heeft zij voor ons het onbevlekte Vlees bereid dat ons voedt."

    Dit voedsel wil Maria, als de beste van de moeders, ook géven. Haar wil is in de voltrekking van dit mysterie innig verenigd met die van de Vader en de Zoon, evenzeer als hij er mee verenigd was in het geheim van de Menswording en van de Verlossing. "De Eucharistie," zegt Sint Thomas, "is de voltooiing van de goddelijke gave: divinae donationis complementum."

    Toen deze gave haar aanvang had genomen, toen God de wereld zó had bemind, dat Hij zijn enige Zoon gegeven had, en die Zoon Zich zelf gaf en overleverde, schonk Maria te Bethlehem, in de Tempel, op Calvarië, óók uit liefde, die Zoon, haar hoogste Goed, aan ons. Is het dan niet passend, dat zij, bij de voltooiing van die grote gave, nu de Zoon ons als voedsel wordt geschonken, ook werkdadig er bij tegenwoordig is, en ook zij ons geeft die "voltooiing van de goddelijke gave", de eucharistische Spijze?

    Meer dan één heilige heeft geschreven, dat Jezus op Maria’s gebed de Eucharistie instelde. Zij waren van mening, dat Maria op het ogenblik van de Menswording, toen zij aan de goddelijke plannen haar goedkeuring schonk, al de consequenties van de Menswording aanvaardde. Zeker kende zij de Eucharistie, toen Jezus, tijdens zijn openbaar leven, het haar plechtig beloofde. Door haar innige deelname aan het kruismysterie werd Maria ook verbonden met zijn altijddurende voortzetting, het offer van het altaar, dat haar kinderen zou doen delen in de vrucht van het Bloed. Toen ook wilde Maria ons deelachtig-zijn aan het Levensbrood.

    Bekend is de bekering van pater Hermann. Maria verscheen hem en met hem sprekend zeide zij ook dit: "Kom het brood eten, dat ik met de maagdelijke wijn van mijn maagdelijk bloed heb gekneed, kom de wijn drinken die ik uit mijn zuiverste bloed heb geperst. Wilt gij de moeder kennen die gij bij voorkeur moet volgen, let dan op de vrucht, op het voedsel dat zij u geeft; beschouw de vrucht van mijn schoot". En terwijl zij hem de monstrans toonde: "Dit is mijn vrucht, de Eucharistie".

    Men moet echter tot de sacramenten naderen met de vereiste gesteltenissen. Ontmoet de genade geen tegenstand, dan zal zij rijk aan vruchten zijn en dit te meer, naarmate onze gesteltenissen volmaakter zijn. Ieder ontvangt bij de heilige Communie de gehele Christus; sommigen trekken er weinig voordeel uit, anderen echter, die beter gestemd zijn, worden met goddelijk leven als overstroomd.

    Hier is Maria’s tussenkomst allerkrachtdadigst. Door háár gebed verkrijgen wij de goede gesteltenissen voor het ontvangen van de sacramenten en, zoals overigens alle genaden, deelt zij ons die mee.
    Zij siert ons met de gesteldheid en de deugden die God zo gaarne in ons ziet; moeders zijn immers gewoon haar kinderen op te smukken, om ze beminnelijk te maken. In de Openbaringen van de heilige Gertrudis vinden wij een bekoorlijk verhaal van hetgeen Maria doet, om haar kinderen voor te bereiden tot het ontvangen van de sacramenten.

    "Gedurende de heilige Mis waaronder Gertrudis zou communiceren, zag zij Gods Moeder vervuld van de luister en de majesteit aller deugden, en nederig aan haar voeten knielend, bad zij de heilige Maagd haar te willen bereiden voor het ontvangen van het Lichaam van haar Zoon. Toen gaf de heilige Maagd haar een zeer mooi halssnoer met zeven afdelingen, naar het scheen. Aan elke afdeling was een steen van grote waarde bevestigd. En al die stenen stelden de buitengewone deugden voor die aan Onze Heer Jezus Christus in zijn heilige Moeder hadden behaagd. Toen de heilige Gertrudis met dit halssnoer voor haar God en Heer verscheen, was Deze zo verrukt over die deugden glans, dat Hij, als door liefde vervoerd, Zich tot haar overboog, haar op goddelijke wijze in Zichzelf trok, en haar, als in zijn binnenste opgesloten, met zijn reine en kuise liefkozingen vereerde."

    Als de heilige Gertrudis de deugden opsomt die Maria haar verwierf, noemt zij het eerst de nederigheid.
    Altijd moet men de Menswording indachtig blijven. Als uitgangspunt van het Christusmysterie neemt dit geheim in ons geestelijk leven een allervoornaamste plaats in: "De Menswording," zegt Bérule, "is een geheim, dat God met de mens, en de mens met God verbindt; en men moet zichzélf verenigen met dit mysterie..... het is van doeltreffende kracht, en men moet er de vruchten van plukken en de invloed van zijn werking ondergaan." Welnu: "De genade die aan de Menswording eigen is, is een genade van onthechting en kruisiging, een genade van zelfverzaking en vernietiging".

    Maria was geheel en al doorgeurd van die genade. Haar verheven geloof wierp in haar geest een schitterend licht op de goddelijke grootheid, en, bij terugstraling, op haar eigen "niet". "Weet ge, wie gij zijt en wie Ik ben?" zeide de Heer tot de heilige Catharina van Siëna. "Ik ben die ben en gij zijt die niet zijt."

    Niemand heeft deze waarheid beter begrepen en meer bemind dan Maria. Gód was alles: zij was niets. Dit wist Maria niet alleen, maar met heel haar ziel beminde zij die waarheid. Zij zag duidelijk in, dat zij slechts was, wat God wilde wat zij zijn zou, en die absolute afhankelijkheid had zij lief. In het licht dat haar bestraalde was haar "niet" voor haar een bron van welgevallen, en het kwam niet bij haar op, iets van haar zielerijkdom aan zich zelf toe te schrijven. Evenals haar wonderlijke zuiverheid haar beveiligde tegen elk zindelijk genot, zo behoedde de nederigheid haar voor elke geestelijke zelfvoldoening. Uit zichzelf is zij de arme vrouw, van zichzelf ontdaan, aan zichzelf onttrokken. Geheel aan God toebehorend, volmaakt naar God gericht, verwacht zij haar God. De schaduw van de Allerhoogste bedekt haar dan ook en zij ontvangt het Woord. "Virginitate placuit, humilitate concepit," zegt Sint Bernardus: "Zij behaagde aan God door de maagdelijkheid, zij ontving Hem door de nederigheid."

    Over de heilige Mis sprekend, zeide pater de Condren: "Bij deze handeling moeten wij ons vernietigen en louter ledematen van Jezus Christus zijn". Dit nu is de geest van onthechting, van losmaking van zichzelf, de geest van de Menswording. De sacramenten, de heilige Communie vooral, zullen ons met Christus omkleden, zoals Sint Paulus zegt, maar slechts dán, als wij ontdaan zijn van ons "ik". Verwacht gij God? Wilt gij aan God gelijkvormig worden? Ontdoe u van uzelf. Gaat gij niet tot de van alles beroofde Jezus? In de Hostie is Jezus in zijn goddelijke armoede. Alles is voor het oog verdwenen, niet slechts zijn Godheid, ook zijn mensheid. Het Woord zwijgt er. Het is Christus’ hoogste onthechting.

    Volg Maria na in háár onthechting, in háár nederigheid. De nederigheid wijst u tegenover God uw plaats. Zij is de grondslag van geheel onze verhouding tot God: "locus gratiae", zeggen de heiligen, de plaats waar God zijn genaden uitdeelt. Wat zouden de sacramenten uitwerken in een ziel, geheel met zichzelf bezig en niet overtuigd van haar eigen ellende? Bijna niets. "Want" zegt Sint Thomas, "de nederigheid is de gesteltenis, die de vrije nadering van de ziel tot de geestelijke en goddelijke goederen vergemakkelijkt."
      Wie worden bij het ontvangen van de sacramenten met God verenigd? De armen, de nederigen. Zij alleen. De maat voor de goddelijke gaven is de nederigheid.

      Oefenen wij ons door Maria in die losmaking van ons zelf, die ware nederigheid, die het hart verovert, ons onze afhankelijkheid doet liefhebben, en ons er toe dwingt als het ware, God te dienen, te beminnen, te verheerlijken, en die tenslotte slechts liefde is.

      De Eucharistie, aller sacramenten einddoel, is het sacrament van de eenheid en de liefde. Sint Paulus schreef aan de Corinthiërs: "Omdat het één Brood is, daarom zijn wij, hoe talrijk ook, één lichaam, want allen hebben wij deel aan het éne Brood".
      "Begrijpt het en verheugt u", voegt Sint Augustinus er aan toe. "Eenheid, godsvrucht, liefde. Eén brood. En wat is dat éne brood? Een enkel lichaam, gemaakt uit vele. Het brood immers ontstaat niet uit een enkele graankorrel, maar uit vele. Gedurende de duivelbezwering waart gij, in zekere zin, onder de molensteen. Bij het doopsel zijt gij als met water doorweekt. En het vuur gelijk, waardoor het deeg gebakken wordt, is de Heilige Geest in u gekomen. Weest wat gij ziet en ontvangt wat gij zijt.... Wat de kelk aangaat, er hangen veel druiven aan de tros, maar het kostbare vocht dat uit alle neerdruppelt, vloeit tot een eenheid samen."

      Het blijkt zonneklaar, dat de liefde tot het wezen van Christus’ mystiek Lichaam behoort. Denken wij hieraan, als wij tot het altaar naderen. De deelname aan het offer moet broederlijk zijn. Dwaling zou het zijn, te denken, dat de heilige Communie ons alléén aangaat en slechts een daad van persoonlijke godsvrucht is. Zonderen wij ons toch niet alléén met Jezus af; laten wij ook zijn ledematen niet vergeten. De heilige Communie zij allereerst een daad van het mystieke Lichaam. Communiceren met het Hóófd van dat Lichaam is tevens communiceren met de ledematen, want zij maken slechts één uit. "Hij die wil leven", zegt Sint Augustinus, "weet, waar hij het leven genieten, waar hij het putten zal. Hij nadere en gelove, hij lijve zich bij Christus in, dáár zal hij het leven vinden. Maar de vereniging met Christus’ ledematen mag hem geen afkeer inboezemen." Men ziet nu wel in, hoe absoluut noodzakelijk de eenheid en de broederlijke liefde is. "Als gij het altaar nadert en vreest, dat uw broeder iets tegen u heeft, ga u eerst met uw broeder verzoenen, en kom dan uw offer opdragen." Maar hebt gij "ingewanden van liefde," zoals de Apostel zegt, is uw hart vol van vergiffenis en welwillendheid, kom dan en open uw ziel; God zal ze verzadigen met zijn leven en gij zult Jezus zijn verwonderingwekkend woord horen herhalen: "Heilige Vader, dat zij allen samen één zijn, zoals Gij, mijn Vader, in Mij zijt en Ik in U, opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt".

      God is in wezen mededeelzaam. Is de zaligheid van de Vader en de Zoon niet besloten in die zelfstandige Liefde, die uit hun wederzijdse genegenheid voortspruit, en elkanders Gave is? Wonderbaar mysterie, óók aan de schepselen geeft God Zich. De Vader geeft ons zijn Zoon; Beiden geven ons de Heilige Geest, die, zoals de liturgie zegt, de Gave van de Allerhoogste aan de mensen is.

      Het leven is dan ook een communie. Het is communie in God: de Vader geeft Zich eeuwig aan het Woord, die geheel de goddelijke natuur in gemeenschap ontvangt, terwijl de Ademtocht van oneindige liefde door de Vader en het Woord tesamen wordt uitgeademd.

      Communie is het leven in het mysterie van de Menswording. De mensheid van Christus is opgenomen in de Persoon van het Woord, vanaf het eerste ogenblik van haar bestaan in Maria’s schoot. De Godheid heeft de mensheid aangenomen en in een algehele vervoering heeft zij zich zelf weggeschonken. Tussen de Godheid en de mensheid was een eeuwige communie begonnen.

      Dit, zou men kunnen zeggen, is ook de communie van Maria. Als Gods schaduw haar overdekt, ontvangt zij Jezus in zijn Godheid en zijn mensheid. En met welk een verrukking geeft zij geheel zichzelf, om God vol liefde te ontvangen. Zij antwoordt met een volledig ja: "ecce ancilla". Zó leert zij ons, hoe wij God moeten ontvangen.

      God wil Zich dus mededelen. Maar, in het goddelijke plan van de Menswording vindt men God slechts door Maria, door háár is men slechts deelgenoot van het leven. Door háár konden de herders en de Wijzen worden toegelaten tot de kribbe van het Godkind en Het beschouwen met de ogen van het lichaam. Willen wij Het beschouwen met de ogen van de ziel en ons met Hem verenigen, dan moet dit nog te méér geschieden door Maria. God geeft Zich door Maria. Gods gave aan de mensen, Christus Jezus, bron van ons leven, is ook Maria’s gave.

      De apostolische geloofsbelijdenis zegt ons, dat Jezus ontvangen is van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria. Wat waar was vanaf het begin, zal dit blijven tot het einde van de tijden: overal waar Jezus door de genáde wordt geboren, wordt Hij door de Heilige Geest en uit de maagd Maria geboren. De Menswording heeft haar de macht gegeven de Christus mee te delen. Telkens als zij een ziel nadert, geeft zij deze deel aan haar Zoon.

      Aan Jezus’ wil, zijn leven mee te delen aan zijn ledematen, moet in ons het verlangen beantwoorden, Hem te ontvangen. Het verlangen, God te smaken, is een genade, komende van háár, die onmiddellijk na de ontvangenis van Jezus haastig oprees, om Hem naar de Doper te dragen. Zij wekt in onze harten de Godshonger, in het bijzonder de honger naar de Eucharistie, naar het bezit van haar Zoon. Niet altijd een diep doorvoeld verlangen, zoals enige heiligen ondervonden, maar een gééstelijk verzuchten, een sterke wilsdrang naar het geestelijke voedsel, dat de band van onze vereniging met God nauwer toehaalt, onze krachten herstelt, onze hartstochten breidelt.

      Dit verlangen naar God is zo weldadig. Het is de allerbeste voorbereiding tot het ontvangen van de sacramenten. Aan allen die Hem roepen, gééft God Zich. "Indien iemand dorst heeft," zeide Jezus, "hij kome tot Mij en drinke." En tot de heilige zuster Mechtildis sprak Hij: "De bijen werpen zich niet zo gretig op de bloemen, om er de honing uit te puren, als Ik Mij naar uw ziel heenspoed, wanneer deze begeert Mij te ontvangen".

      Bij het ontvangen van de sacramenten deelt de genade zich aan de ziel mede naar de kracht van haar verlangens. Verwacht men in nederigheid meer, dan ontvangt men ook meer. Want het uit nederigheid geboren verlangen verwijdert de beletselen; het opent de deur van de ziel, waarvoor het verrukkelijke woord van de Apocalyps werkelijkheid wordt: "Zie, Ik sta aan de deur en klop; zo iemand mijn stem hoort en de deur opent, dan zal Ik bij hem binnentreden, Ik zal maaltijd met hem houden en hij met Mij".

      De dagelijkse aansporing van de Kerk in de canon van de heilige Mis luidt: In gemeenschap verenigd, vieren wij allereerst de gedachtenis van de zalige Maagd Maria.
      Wat zoeken wij bij het altaar?
      De Emmanuel. Hij die Zich gewaardigd heeft "God met ons" te worden, wiens werkelijke tegenwoordigheid de kracht van ons leven is, "de bron van de levende wateren", volgens het Schriftwoord. Maar danken wij die werkelijke tegenwoordigheid van de Emmanuel niet aan zijn Moeder Maria, wier nederigheid en zuiverheid Hem aanlokten? Wie anders verleent ons toegang tot Hem, dan zij, wier taak het is, aan de wereld de Christus aan te bieden, zij, die Hem mededeelde aan Joannes de Doper, aan de herders, aan de Wijzen, aan Simeon? Zij is het, die Jezus geeft.

      Méér nog gaan wij op naar het altaar, om aan het offer deel te nemen. "Wij worden geheiligd door het offer dat Jezus Christus eens en voor altijd heeft gebracht". Alle genaden, alle heiligheid komen van het kruis en dus van de heilige Mis, de voortduring van het kruisoffer. Het altaar is de Calvarieberg; dezelfde offerande wordt er opgedragen, hetzelfde Slachtoffer wordt er door dezelfde Hogepriester de Hemelse Vader aangeboden. Wie zal ons doen binnentreden in die offerhandeling, die ons Christus geeft in de volheid van zijn mysteriën? Wie anders dan Maria! Komen van haar niet priester en slachtoffer?

      In Maria’s schoot heeft Christus’ mensheid de zalving van de Heilige Geest ontvangen, die priesterlijke zalving, die zich "als een vreugdeolie" over Jezus uitgoot, een zalving die Hem onze "Hogepriester voor immer" doet zijn.

       "De Heilige Geest zal over u komen," zeide de Engel tot Maria, "en die uit u zal geboren worden zal de Heilige zijn." En Maria sprak: "Het geschiede volgens uw woord," "Fiat"; en dit was het teken voor de zalving en wijding van de eeuwige Priester.

      Óók het Slachtoffer geeft zij. De Verlosser wilde zij ter wereld brengen, Hém die ons moest vrijmaken van onze zonden. In háár schoot begon dit Slachtoffer Zich op te dragen. Sint Paulus verzekert ons, dat de eerste woorden, die Hij aanstonds na zijn Menswording sprak, déze waren: "Gij hebt mij een lichaam gegeven, o Vader, om Mij aan U op te dragen, want die ongenoegzame offeranden konden U niet meer behagen: Zie, hier ben Ik; ecce venio". Het "Consummatum est" van het kruis is slechts de voltooiing van het "Ecce Venio" in de schoot van zijn Moeder. En Maria wist, dat zij de Moeder van het Slachtoffer was.

      Gedurende heel haar leven bood zij dit Slachtoffer aan. Op Calvarië vooral; daar vertegenwoordigde zij de Kerk. De heilige Mis is de voortzetting van Calvarië, en daarom is Maria ook hier van het goddelijke Slachtoffer niet te scheiden. Zij gaat voort, ons de Hogepriester en de Hostie te geven. Moeten wij niet denken aan Maria, als wij mogen nuttigen het Lichaam dat Zich slachtoffert op het altaar, het Bloed dat ons vrijkoopt. Dat Lichaam is in háár gevormd, dat Bloed heeft zij haar Zoon gegeven. Door háár is het Woord ons voedsel geworden.

      De heilige Augustinus gaf hiervan aan zijn gelovigen een voortreffelijke verklaring. Het Woord, Gods gedachte, leven en licht, is het voedsel van Gods kinderen. Het is dit voor de engelen en de uitverkorenen in de hemel. Het wil dit ook op aarde zijn. Maar voor óns is het een te krachtig brood; wij zijn nog slechts kinderen. Wie zal uit de spijze van de uitverkorenen het voedsel voor de kleinen gereed maken? Maria! Als moeder vervult zij dan haar eigen taak. Het voedsel van het Woord moest de geschiktheid verkrijgen om door kindertjes te kunnen worden genuttigd en die krachtspijze moest voor ons, kinderen die wij zijn, in melk veranderen. Deze nu geeft zij ons in het heilige Altaarsacrament. Zingt de liturgie niet: "De mens heeft het engelenbrood gegeten"? Daarom past ook de Kerk deze woorden van de Wijsheid op Maria toe: "Kom, eet mijn brood, drink de wijn die ik u heb gemengd".

      De heilige Joannes Damascenus noemde Maria "de priesterlijke maagd". Wij begrijpen waarom. Niet, dat zij het sacramentele priesterlijke merkteken heeft ontvangen. Haar Zoon trouwens ook niet. Maar haar moederschap heeft in haar een heilig stempel gedrukt. Zij bezat de verlossersgeest van haar Zoon, die op uitnemende wijze de geest van het priesterschap is. Zij kan over het brood niet de sacramentele woorden spreken. Maar uit eigen naam sprak zij dat "Fiat" van onmetelijke draagwijdte, dat Jezus aan de wereld schonk. Van Godswege deelt zij het goddelijke leven uit. Als middelares is zij méér dan een priester: zij is Moeder van de allerhoogste Priester én Moeder van het Slachtoffer.

      De heilige Mis is de verhevenste handeling van de Kerk, het is de essentiële daad van het Lichaam van Christus. Maria is er bij tegenwoordig, om zich met de Kerk te verenigen en de vruchten uit te reiken van Christus’ Bloed.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.

    BOETE VOOR NICOLAUS ACCIAJUOLI.
    VIERDE BOEK, KAP. 8.

    Daarop sprak de engel en zeide: “Die ziel wier toestand gij zaagt en wier vonnis gij hoordet, ondergaat de zwaarste pijnen van het vagevuur, omdat zij niet weet, of zij na de loutering tot rust zal komen, of dat zij verdoemd zal zijn. En dit is volgens Gods rechtvaardigheid, want hij had veel kennis en verstand, terwijl hij op aarde leefde, maar hij gebruikte het tot lichamelijk welzijn volgens de wereld en niet tot het geestelijk welzijn der ziel.

    Omdat hij God zoo vaak vergat, terwijl hij leefde, daarom staat nu zijn ziel hitte uit in het vuur en rilt zij in de koude; de ziel is blind door het duister, en bang voor het vreeselijk aanschijn des duivels, doof door het geschreeuw des duivels, inwendig hongerig en dorstig en uitwendig met schande bekleed. Toch gaf God de ziel een genade na den dood, een genade die daarin bestond, dat zij niet door de duivels zou aangeraakt worden.

    Want hij vergaf en verontschuldige zijn hevigste vijanden alleen ter wille van God en stichtte vriendschap met zijn doodvijand en grootsten tegenstander. En weet ook, dat naast het goed dat hij deed en beloofde en wegschonk van zijn rechtmatig verkregen eigendommen, ook de gebeden van Gods vrienden zijn kwellingen zullen verminderen en verzachten, zooals bepaald is in Gods rechtvaardigheid. Maar andere geschenken, die hij gaf, van oneerlijk verkregen goed, komen tot geestelijk voordeel van hen, die ze vroeger rechtmatig bezaten, indien zij het volgens Gods besluit waard zijn.”

    Verder sprak de engel: “Gij hoordet te voren, dat deze door de gebeden van Gods vrienden een vruchtbaar berouw kreeg over zijn zonden kort voor zijn dood, en dat berouw bewaarde hem voor de hel. Daardoor veroordeelde Gods rechtvaardigheid hem na den dood tot het branden in het vagevuur zes maal zoo lang als hij geleefd heeft van het oogenblick, dat hij voor het eerst met vol bewustzijn en vrijen wil een doodzonde begin, totdat hij vruchtbaar berouw kreeg uit liefde voor God, indien hij geen hulp krijgt van Gods vrienden in de wereld. De eerste maal, omdat hij God niet liefhad terwille van den dood van Zijn hoogheilig lichaam, en ter wille van Zijn veelvoudige pijnen en droefheid, die Christus zelf uitstond tot geen ander doel dan tot de redding der zielen. De tweede maal, omdat hij zijn ziel niet liefhad als een Christen en God niet dankte voor zijn doopsel en omdat hij God niet dankte dat hij geen jood of heiden was.

    De derde maal, omdat hij wist, wat God hem beval te doen, maar onwillig was om het te volbrengen. De vierde maal, omdat hij wist wat God verbiedt aan hen die in den hemel willen komen, en daar stoutmoedig tegen in handelde, aldus luisterend niet naar het verwijt of de wroeging van zijn geweten, maar naar de begeerte en den wil van zijn lichaam. De vijfde maal, omdat hij de genade niet benuttigde, die hem gegeven was, en niet biechtte zooals hij behoorde te doen, toen hem zooveel tijd vergund werd. De zesde maal, omdat hij het lichaam des Heeren weinig liefhad en het niet ijverig wilde nuttigen, want hij wilde de zonde niet nalaten, en hij had geen begeerte om het lichaam des Heeren te nuttigen voor op het einde van zijn leven.”

    Daarop verscheen iemand, die van zeer voornamen stand scheen; zijn kleederen waren wit en schitterend als de albe van de priesters, hij droeg een linnen gordelband om de lendenen en een roode stool om den hals en onder de armen, en hij begon zijn woorden op de volgende wijze: “Gij, die dit ziet, let op en bemerk en herinner u wat gij ziet en de dingen die u gezegd worden. Voorzeker, gij die in de wereld leeft, kunt niet, als wij die met Hem zijn, Gods wil en bestiering over het geheel der tijden inzien. Want de dingen die voor God aanwezig zijn in een oogenblik, kunnen door u niet begrepen worden, zij moeten in woorden omgezet, of als gelijkenissen voorgesteld worden. Ik ben een van hen, aan wie de man, die nu tot het vagevuur veroordeeld is, zijn geschenken uitdeelde terwijl hij leefde.

    Daarom gaf God mij door Zijn genade, dat de ziel, indien men doet wat ik zeg, naar en hoogere plaats vervoerd zal worden, waar zij haar ware gestalte krijgt. Daar is de kwelling dan gelijk aan die van een zieke, die machteloos ter neer gelegen heeft en als de pijnen verdwenen zijn er zich over verheugt dat hij zal blijven leven. Want zooals gij zijn ziel vijfmaal Wee hebt hooren roepen, roep ik hem vijfmaal iets toe wat hem verheugen zal. Het eerste Wee was, dat hij God weinig lief had.

    En opdat hij van dat Wee gered worde, moeten dertig kelken voor zijn ziel gegeven worden, waarin Gods bloed geofferd moet worden en God zelf verherrlijkt. Het tweede Wee was, dat hij God niet vreesde. Opdat dit geboet worde, moeten dertig godvruchtige priesters ieder afzonderlijk dertig missen lezen, wanneer zij willen, neger ter eere van de martelaars, neger ter eere van de belijders, negen ter eere van alle heiligen en een ter eere van de engelen, een ter eere der maagd Maria en een ter eere der Heilige Drievuldigheid.

    En allen moeten ijverig voor zijn ziel bidden, opdat Gods gramschap bedaart en Zijn rechtvaardigheid tot erbarming geneigd worde. Het derde Wee was voor zijn hoogmoed en gierigheid. Opdat dit uitgeboet worde, geve men dertig armen, wier voeten met ootmoed gewasschen zijn, voedsel, geld en kleederen, zoodat zij zich verheugen kunnen. En laten zij die wasschen, zoowel als die gewasschen worden, God in ootmoed bidden, dat Hij ter wille van Zijn eigen ootmoed en bittere pijnen de ziel den hoogmoed vergeve en de hebzucht, die haar aankleeft. Het vierde Wee was voor zijn losbandig leven.

    Daarom, indien iemand een maagd of een weduwe in het klooster en een ander maagd in het huwelijk deed treden en daarbij zorgde voor haar voeding en kleeding, dan vergaf God zijn ziel de zonden, die zijn lichaam bedreven heeft. Dit zijn immers de drie levensstaten die God instelde en die Hij in de Wereld wenschte te zien voortleven. Het vijfde Wee was, omdat hij vele zonden beging die anderen tot ergernis waren, daar hij veel moeite aanwendde, opdat beide bovengenoemden, die zeer na aan elkander verwant waren, samen in het huwelijk traden. En deze verbintenis bewerkstelligde hij meer ter wille van zich zelf dan van het rijk en zonder de vergunning van den paus, tegen de bepaling der heilige Kerk in.

    En voor dergelijke handelingen hebben velen zich laten martelen, opdat zoo iets niet geduld zou worden noch toegelaten tegen God en de heilige Kerk en de christelijke gebruiken in. Indien daarom iemand, die deze zonde zou willen uitboeten, naar den paus ging en zeide: Zeker iemand deed zulk een zonde, en hoewel hij berouw had en de absolutie kreeg, toch stierf hij voordat de zonde was uitgeboet; leg mij daarvoor de boete op welke gij wilt en ik zal die volbrengen, want ik ben gereed de zonde voor hem goed te maken en indien hem dan geen grooter boete werd opgelegd dan één Pater Noster, toch zou het de kwellingen der ziel in het vagevuur helpen verminderen.”

    Wordt  vervolgd.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE BIJBEL ZEGT...

    De Bijbel zegt, dat je alles mag vragen en dat je alles zult krijgen, maar wij vragen en krijgen lang niet alles wat wij willen. Wat mankeert er aan ons bidden? Wat is bidden en hoe moeten wij bidden? Jacobus schrijft: "Gij hebt niets, omdat gij niet bidt. Of, gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt..." (Jacobus 4:2,3) Aan welke voorwaarden moet je gebed voldoen om gebedsverhoring te krijgen?

    Laat de Bijbel zien, hoe je moet bidden? Zoals de leerlingen van Johannes de Doper aan hun leraar vroegen hoe zij moesten bidden, zo vroegen ook de leerlingen van de Here Jezus dit aan Hem. Wij stellen dezelfde vraag en kijken naar wat de Bijbel over het gebed zegt.
     

    Wat is bidden?

    Het Hebreeuwse woord voor gebed is tefilla. Het is afgeleid van een stam die "rechtspreken", "strijden" betekent. In de wederkerige vorm betekent het "met jezelf strijden" en "rekening en verantwoording afleggen van wat er in godsdienstig opzicht in je omgaat." Wie dit weet, begrijpt de volgende woorden van de apostel Paulus veel beter: "Maar, broeders, ik vermaan u bij onze Here Jezus Christus en bij de liefde des Geestes, om samen met mij te worstelen in den gebede voor mij tot God." (Romeinen 15:30) en "Epafras laat u groeten, die een der uwen is, een dienstknecht van Christus Jezus, altijd in zijn gebeden voor u worstelende, dat gij moogt staan, volmaakt en verzekerd bij alles wat God wil." (Colossenzen 4:12)

    Bidden is dus veel meer dan alleen maar een aantal vragen bij God neerleggen. Het is ook veel meer dan een verzoek om hulp. Bidden is het strijdtoneel betreden. Bidden is een gevecht; geen gevecht met God, maar een gevecht met jezelf. Bidden is vragen, smeken, pleiten, bij God in beroep gaan. Bidden is in gesprek gaan met God. Bidden is praten met God. Bidden is ook God eren, loven en prijzen voor wie Hij is en voor wat Hij doet of gedaan heeft. Bidden is God danken voor zegeningen die Hij jou geschonken heeft. In het gebed zoals de Bijbel ons leert bidden, kom je niet alleen met je vreugde en je verdriet, maar spreek je ook je Godsvertrouwen uit! Hoewel het lijkt of wij bij het bidden alleen spreken tegen God en hoewel velen op die manier bidden, is echt bidden in feite een gesprek met God aangaan, waarbij God door Zijn Heilige Geest via de Bijbel en via het gebed zelf weer tot ons kan spreken.

    In het gebed beleven wij, dat wij een relatie hebben met God. Wij beleven in het gebed ook de relatie met medegelovigen. Wij bidden immers niet alleen. Zij bidden ook! En het mooiste is, als wij allen dezelfde gebeden tot God opzenden! Terwijl het geloof zelf in feite geen zaak van ons gevoel maar juist van ons verstand is (waarbij ons hart en ons verstand samen belijden, wie Hij is en dat wij van Hem zijn), gaan wij in het gebed juist het contact met God voelen. Hier mag je iets beleven. Hier word je opgetild uit en boven het aardse en het dagelijkse en treed je in een ontmoeting met de heilige God. Door het gebed treed je als het ware Gods wereld binnen! In die ontmoeting spreek je tot Hem en spreekt Hij tot jou. Zo praat je dus met God en luister je naar God. Hij heeft (gelukkig!) ons ook iets te zeggen. Ja, Hij heeft ons heel veel te zeggen. De vraag is, wie in ons gebed het meest te zeggen heeft: God of wij. De vraag is, wat een goed gebed is; een gebed waarin God het meest zegt, of een gebed waarin de bidder het meest zegt. Het gebed zoals de Bijbel het ons leert, de tefilla, is een gebed, waarin in de eerste plaats God aan het woord is!

    Een mooi voorbeeld van het spreken van God in en door het gebed hebben wij bijvoorbeeld in Psalm 25, waarvan wij de eerste verzen citeren. "Van David. Tot U, HERE, hef ik mijn ziel op; mijn God, op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden, laten mijn vijanden niet over mij juichen. Ja, allen die U verwachten, worden niet beschaamd, beschaamd worden wie trouweloos handelen zonder oorzaak. HERE, maak mij uw wegen bekend, leer mij uw paden, leid mij in uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils, U verwacht ik de ganse dag." (Psalm 25:1-5) In dit gebed stelt David vragen aan God, maar belijdt hij ook zijn geloof, dat "allen die God verwachten, niet beschaamd worden." Door dit zelf te zeggen, laat hij God tegen zich spreken. Hij luistert naar wat hij zelf bidt en hoort daardoor ook God tot zich spreken. Zo wordt bidden zowel spreken als luisteren.

    In Psalm 91:14,15 belijdt de bidder, dat God bij de bidder in diens benauwdheid bij hem zal zijn en hem tot ere zal brengen. Door dit in het gebed uit te spreken, kun je Gods spreken ook weer vernemen. In Jesaja 58:9 zegt God, dat Hij tegen de bidder zal zeggen: "Hier ben Ik." God zal dus bij de bidder zijn. Dat mag de bidder belijden. Dit is in overeenstemming met de prachtige belofte uit Psalm 23:4 die wij David horen bidden: "Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij." Er is geen belofte, dat God het duistere dal van je zal af nemen. Wel, dat Hij in het duistere dal bij je zal zijn. Dat alles mag in het gebed beleden worden. Zo wil God door Zijn eigen woorden, die wij belijden, tot ons spreken als wij bidden!

    Wij komen verschillende beschrijvingen van het gebed in de Bijbel tegen.
     

    Bidden is je stellen voor Gods aangezicht.

    In het gebed doen wij hetzelfde als de offeraar in de tabernakel en de tempel deed: wij staan voor Gods heiligdom en voor Zijn aangezicht. "Daarna vergaderde Jozua alle stammen van Israël te Sichem. Hij ontbood de oudsten van Israël, zijn oversten, zijn rechters en zijn opzieners, en zij stelden zich voor het aangezicht Gods." (Jozua 24:1) Zij verzamelden zich bij de tabernakel en waren met hun gezichten en harten gericht op de ark des verbonds, ook al konden zij die niet zien. Zo kwamen zij God raadplegen. Bidden wil dus zeggen, dat je voor Gods aangezicht gaat staan. Verwacht wordt, dat de bidder staat.
     

    Bidden is je ziel brengen in de nabijheid van God.

    De Bijbel spreekt over het opheffen van je ziel tot de Here (Psalm 25:1). Dit betekent, dat je je ziel bij Hem brengt. Je wilt niet slechts een oppervlakkig contact met God, maar je zoekt zielsverbondenheid met Hem. Zoals in het Heilige het offer vanaf het reukofferaltaar voor Gods aangezicht - voor de voorhang naar het Heilige der Heiligen - omhoog steeg, zo stijgen onze gebeden op naar de troon van God. Zo naderen wij de genadetroon, dat is de ark des verbonds, die achter de voorhang is. Namens het volk bracht de priester de gebeden van het volk voor Gods aangezicht. Hij deed dit op grond van het offer dat in de voorhof gebracht was en dus op grond van het bloed van dat offer. Hierbij zijn wij als christenen ons bewust, dat wij alleen door de Here Jezus, door Zijn offer en Zijn bloed hier kunnen staan en onze gebeden kunnen offeren. Wij geven als voorbeeld het eerste vers van Psalm 25. "Van David. Tot U, HERE, hef ik mijn ziel op." (Psalm 25:1; zie ook Psalm 86:4; 141:2; 143:8; Lucas 1:10; Hebreeën 4:16; 10:19; Openbaring 5:8 en 8:3)
     

    Bidden is roepen tot God en je hart voor Hem uitstorten.

    Wij komen het tegen als het te hulp roepen van God. Dit gebeurt als er nood in ons leven is en wij de hulp van de almachtige God nodig hebben.

    Toen Hanna in de voorhof van de tempel te Silo aan het bidden was, zei zij tegen Eli, dat zij haar hart voor de Here uitgestort had. Bidden is dus je ziel openleggen voor Gods aangezicht en je hart voor hem uitstorten. Je "laat het achterste van je tong" aan de Here zien. Je houdt niets voor Hem verborgen. Je bent je bewust, dat Hij alles weet, daarom kun je Hem ook alles vertellen. Zie 1 Samuel 1:15 en Psalm 62:9.
     

    Bidden is het aanroepen van God.

    Bij dit aspect krijgt het gebed het karakter van een "eredienst" voor God. Het is als het ware een "minikerkdienst", waarin alleen God en de bidder aanwezig zijn. Dit woord wijst erop, dat zoals wij in een samenkomst ter ere van God bijeengekomen zijn om Hem onze hulde, eer en aanbidding te brengen, wij dit in ons persoonlijk gebed ook behoren te doen.

    Genesis 4:26 vertelt, dat de mensen al in een ver verleden begrepen hadden, dat zij God moesten eren, door Zijn Naam aan te roepen. Van Abraham lezen wij, dat als hij een altaar gebouwd had, hij bij dat altaar de Naam des HEREN aanriep. "Toen brak hij vandaar op naar het gebergte ten oosten van Betel, en hij spande zijn tent, met Betel tegen het westen en Ai tegen het oosten, en hij bouwde daar een altaar voor de HERE en riep de naam des HEREN aan." (Genesis 12:8) Toen er eenmaal een tabernakel en later een tempel was, waren dit de plaatsen waar de mensen bijeenkwamen om God aan te roepen, dat wil zeggen om Hem te eren en Hem hun hulde te brengen, Hem te loven en te prijzen. "De beker der verlossing zal ik opheffen, ik zal de Naam des HEREN aanroepen... Ik zal U lofoffer brengen en de Naam des HEREN aanroepen." (Psalm 116:13,17) Het moet duidelijk zijn, dat bij dit hulde brengen het fundament niet dient te liggen bij ons hart, maar bij God Zelf. Het gaat niet slechts om onze dankbaarheid, maar juist om Gods heerlijkheid.

    Bidden is het loven van God. Het is een lofprijzing en een huldebetuiging. Ook nu valt er niets voor onszelf of voor anderen te vragen. Het gaat om de grootheid van God, die wij onder woorden brengen in ons gebed. Het gaat om het eren en verheerlijken van God en Zijn Naam. Het gaat om het roemen en prijzen van de grootheid van de Koning van het ganse heelal.

    Zulke gebeden worden ook in het boek Openbaring genoemd: "Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom en de wijsheid en de sterkte en de eer en de heerlijkheid en de lof." (Openbaring 5:11,12) en "Amen, de lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de macht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheden. Amen." (Openbaring 7:12)

    Tot Wie bidden wij?
     

    Wij bidden tot God.

    Wij bidden tot God de Schepper van hemel en aarde, de Koning van het ganse heelal, de Koning der koningen en de Here der heren. Hoewel wij ook bij de schepping behoren en dankbaar zijn dat wij leven, gaat het hier in het bijzonder om de openbaring van Gods heerlijkheid. God wordt gehuldigd om Wie Hij is en om wat Hij gedaan heeft.

    Wij bidden tot God onze hemelse Vader. Nu gaat het om Wie God door de Here Jezus voor ons is en om wat God in de Here Jezus voor ons gedaan heeft, onze redding, ons behoud. Ons gebed is nu gericht op het Vaderhart van God. Zie 2 Corinthe 1:3; Ephese 1:3; 3:14; Colossenzen 1:3.

    Het lijkt alsof er een tegenstelling is tussen het bidden tot God als Koning en het bidden tot God als onze hemelse Vader. Wij moeten het echter niet zien als een tegenstelling maar als een mooie aanvulling. Hierin mogen wij iets beleven van de Joodse geloofsbelijdenis, namelijk dat de HERE één is. Ook al openbaart Hij Zich aan ons zowel als Koning als ook als Vader, het is een en dezelfde God, die tot ons spreekt en die naar ons luistert!

    Als wij tot God bidden als de Koning van het heelal, realiseren wij ons Zijn huiveringwekkende grootheid, Zijn macht en majesteit. Hij is onvoorstelbaar hoog boven de mensen verheven. Toen David zichzelf vergeleek met Saul, de koning, noemde hij zichzelf al een dode hond en een vlo (1 Samuel 24:14; vgl. 26:20). Als David zijn nietigheid en kleinheid tegenover koning Saul op een dergelijke manier toonde, hoe nietig en klein zijn wij dan tegenover de Almachtige! In de Psalmen wordt dit als volgt onder woorden gebracht: "De HERE is nabij de gebrokenen van hart en Hij verlost de verslagenen van geest." (Psalm 34:19) "De offeranden Gods zijn een verbroken geest; een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God." (Psalm 51:19)

    Wij als christenen vergeten nogal eens, dat wij bidden tot de Koning der koningen. Wij maken God onze problemen bekend en vragen Hem dan ze voor ons op te lossen. Vaak zeggen wij er ook nog bij, op welke wijze Hij ze moet oplossen. Daarmee veranderen wij onze verhouding tot God. Wij zien nog wel de Koning-knecht relatie, maar net andersom. Wij zijn de koning geworden en God is de Knecht geworden, die onze opdrachten moet uitvoeren. Het moet u duidelijk zijn, dat dit niet de bedoeling van God en van het gebed is. Natuurlijk moeten wij weten, dat wij onze zorgen en bekommernis op de Heer moeten werpen, want Hij zorgt voor ons (1 Petrus 5:7). Wij moeten Hem echter niet degraderen tot onze Knecht, die voor ons moet werken en onze problemen moet oplossen!

    Als wij tot God bidden als onze Vader in de hemel, realiseren wij ons de vertrouwelijke omgang die wij met Hem mogen hebben. "Des HEREN vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen." (Psalm 25:14) Duidelijk blijkt, dat de vertrouwelijke omgang weer geldt voor hen, die de Here vrezen! In de vertrouwelijke omgang komen wij met al onze moeiten, zorgen en verdriet tot onze hemelse Vader. God heeft belangstelling voor onze kleine mensen zorgen en verdriet. Hij is altijd dichtbij ons!

    Als wij tot God bidden als onze Vader, mogen wij ons bewust zijn, dat Hij ook als een vader voor ons zorgt. Hij is bij ons. Hij legt Zijn hand op onze schouders. Hij draagt ons door gevaarlijke plaatsen. Hij verzekert ons, dat Hij ons beschermt en dat wij absoluut veilig zijn bij Hem.

    Velen op aarde hebben geen Vader in de hemel. Zij aanvaarden niet dat God de Schepper is en kennen Hem niet als hun hemelse Vader. Wat zijn zij onvoorstelbaar arm. Zij leven in een harde wereld en hebben geen Vader. Zij gaan door diepe dalen en hebben geen Vader. Zij hebben moeiten en verdriet en missen de Vader. Zij leven temidden van zorgen en spanningen, van teleurstelling en ellende en hebben geen Vader. Zij leven in feite als wezen op aarde.
     

    Wij bidden tot de Here Jezus.

    Hoewel wij in de Bijbel het meest lezen over het bidden tot God de Vader, lezen wij een aantal keren toch ook over gebeden tot de Here Jezus. Hij is zó één met God de Vader, dat wij ook tot Hem bidden. Wij doen dit op dezelfde manier als bij God de Vader. Wij brengen Hem onze hulde en storten ons hart ook voor Hem uit. Christenen heten in de Bijbel niet voor niets "mensen die de Naam van de Here Jezus aanroepen". Wij zien dit bijvoorbeeld bij de dood van Stefanus: "En zij stenigden Stefanus, die de Here aanriep, zeggende: Here Jezus, ontvang mijn geest. En op de knieën vallende, riep hij met luider stem: Here, reken hun deze zonde niet toe! En met deze woorden ontsliep hij." (Handelingen 7:59,60. Zie ook 1 Corinthe 1:2; 2 Timotheus 2:22 en Openbaring 5:13)

    Hebt u er weleens over nagedacht, toen de discipelen aan de Here Jezus vroegen of Hij hen wilde leren bidden, dat Hij toen niet zei, dat zij tot Hem moesten bidden, maar dat zij tot de Vader moesten bidden? Toen de Here Jezus Zijn discipelen leerde bidden, leerde Hij hen tot de Vader bidden. Moet dit niet een les zijn voor hen, die meestal liever tot de Here Jezus bidden dan tot de Vader? Moeten wij niet leren om zowel tot de Here Jezus als tot de Vader te bidden?

    Let op, dat wij niet bidden tot de Heilige Geest. Wij bidden tot God die in de hemel op Zijn troon zit. Wij bidden tot de Here Jezus die gezeten is aan de rechterhand van de Vader, maar wij bidden niet tot de Heilige Geest, die in ons eigen hart aanwezig is en die ons juist helpt bij ons bidden. "En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit." (Romeinen 8:26,27; zie ook Openbaring 22:17)
     

    Waarom bidden wij?

    Het wonderlijke is, dat er nergens in de Bijbel staat: "Je moet bidden..." Toch bidden wij. Waarom? Omdat wij uit de volgende teksten begrepen hebben, dat God wil, dat wij zullen bidden. God heeft opdracht gegeven om tot Hem te bidden. Zoals Hij ons opdracht gegeven heeft om Hem lief te hebben, zo heeft Hij ons ook opdracht gegeven om tot Hem te bidden. "En dan zult gij daar de HERE, uw God, zoeken en Hem vinden, wanneer gij naar Hem vraagt met uw ganse hart en met uw ganse ziel." (Deuteronomium 4:29) Vervolgens komt nogmaals een opdracht om te bidden. Er staat: "... de HERE, uw God, liefhebt en Hem dient met uw ganse hart en uw ganse ziel..." (Deuteronomium 11:13) Hier gaat het over het gebed.

    In de eerste tijd die de Bijbel beschrijft, waren er geen vaste gebeden. Ieder bad wat in zijn eigen hart opkwam, net zoals dit in onze tijd ook vaak weer het geval is. Wat men bad en hoe vaak men bad, werd aan ieder zelf overgelaten. Pas vanaf de tijd van Abraham horen wij over bepaalde vaste gewoonten en nog later, in de tijd van de tempel, worden bepaalde gewoonten vastgelegd. Zoals er een vaste orde van dienst in de tempel kwam, die David vastgesteld had, zo gingen de mensen ook op vaste tijden bidden. Ten tijde van Ezra werd door de mannen van de grote vergadering vastgesteld, dat alle Joden voortaan drie keer per dag moesten bidden. Vanaf die tijd ontstonden er ook vastgestelde woorden die in de gebeden gezegd werden. Het mooie was, dat de Joden daarop de eenheid in het gebed en in de gebeden gingen beleven. Allen baden op dezelfde tijd en allen spraken op dezelfde manier tot God. Er kwam eensgezindheid in de gebeden. Dit vinden wij rond de Pinksterdag ook in het Nieuwe Testament vermeld: allen waren eendrachtig bijeen met hun gebeden! "Deze allen bleven eendrachtig volharden in het gebed... En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden." (Handelingen 1:14 en 2:42)

    In de synagogen kwamen de mensen bijeen en gingen hun gezamenlijke gebeden tot God opzenden. De synagoge was zowel een plaats van studie als een huis van gebed. In Handelingen 16:13 horen wij ook van een "gebedsplaats" die als openluchtsynagoge dienst deed en waar de Joden bijeenkwamen om te bidden. Hiernaar verwijst de volgende tekst, die in de Nieuwe Vertaling als volgt luidt: "Daarom spreek: zo zegt de Here HERE: hoewel Ik hen weggedreven heb onder de volken en in de landen heb verstrooid, zodat Ik hun slechts weinig ten heiligdom geweest ben in de landen waar zij gekomen zijn." (Ezechiel 11:16) Hier staat iets moois over God, waarbij de vertalers de eigenlijke tekst vergeestelijkt hebben.

    De Groot Nieuws Bijbel vertaalt terecht: "Maar je moet tegen de ballingen zeggen wat ik, God, de Heer, zal doen. Ik heb hen ver weg gestuurd, naar vreemde volken; ik heb hen uiteengejaagd naar verre landen. Ook daar zal ik voor hen aanwezig zijn in hun povere gebedsplaatsen." Deze tekst maakt duidelijk, dat er in die tijd al speciale gebedsplaatsen waren en dat de gebeden een belangrijke plaats innamen in het geloofsleven van de Joden.

    In hun gebeden beleefden de Joden hun eenheid. Allen baden op hetzelfde moment hetzelfde gebed. In hun gebeden noemden de bidders zich niet "ik", maar "wij". Dat is ook het opmerkelijke van het gebed, dat de Here Jezus ons leerde bidden. Hij leerde ons niet bidden: "Mijn Vader in de hemel...", maar "Onze Vader in de hemel."

    In hun gebeden bidden alle Joden over de hele wereld dezelfde woorden. Zij spreken daarbij God aan als "de Eeuwige", de "Heer van de wereld" en als "Koning van het heelal". Zij prijzen God in hun gebeden om Zijn almacht, Zijn eenheid, Zijn eeuwigheid, Zijn hulp in alle omstandigheden. Zij danken Hem, omdat Hij over hen waakt 's nachts en overdag en omdat hun zielen in Zijn hand zijn; zowel de zielen van de levenden als de zielen van de doden. Zij zeggen Hem, dat zij zich aan Hem toevertrouwen, omdat Hij, de enig waarachtige God, hen gered heeft. Zij vragen God hen te helpen en te onderwijzen als zij Zijn Woord bestuderen. Zij vragen God of Hij Zijn zegen over hen wil uitstorten.

    Wat zou het mooi zijn, als wij ook zouden leren om bepaalde vaste zaken in onze gebeden op te nemen, zodat wij zouden weten, dat wij dagelijks dezelfde gebeden hebben en ons daarin met andere gelovigen verenigd hebben in het gebed en dus de eensgezindheid in de gebeden mogen kennen, naast het feit, dat wij natuurlijk ook onze eigen gebeden houden!

    Wat zou het mooi zijn als wij bijvoorbeeld elke maand een vast gebed hebben, waarin wij eenparig God bidden en allen bepaalde zaken voor Gods troon zouden brengen? Zo'n gebed zou dan elke maand in het gemeenteblad afgedrukt kunnen worden en zou een maand lang door ons allen gebeden moeten worden. Het is dan bidden, zoals de Here Jezus het ook met Zijn discipelen deed: allen dezelfde gebeden!
     

    Enkele voorbeelden

    Wij geven enkele voorbeelden van gebeden naar Joods-Bijbels model, waaraan het specifieke van ons geloof in de Here Jezus is toegevoegd, zoals ook het Nieuwe Testament ons toont, evenals het karakter van het gebed dat de Here Jezus Zijn discipelen leerde (het "Onze Vader). In deze gebeden zijn woorden uit de Bijbel verwerkt, waardoor het bidden zowel vragen als loven is, zowel beloven als luisteren naar God is. Het zijn twee gebeden die als voorbeeld dienen en die natuurlijk niet de enige gebeden zijn die gebeden kunnen worden.

    Het eerste voorbeeld
    "Heer, onze God, Koning van het ganse heelal, samen met de andere leden van onze gemeente buig ik mijn knieën voor U en aanbid ik U. U bent onze God, onze Verlosser en Heer. U bent mijn hulp en toeverlaat in tijden van nood. In uw hand is mijn ziel, zowel als ik slaap als wanneer ik wakker ben. U bent altijd bij mij, zodat ik nooit bang hoef te zijn. U zorgt voor mij elk moment van de dag. Heer, onderwijs mij iedere dag uit Uw Woord en laten Uw woorden mijn hart vervullen. Leid mij op Uw weg, zodat ik een gehoorzaam en trouw dienaar van U zal zijn.

    Houd ons allen heel dicht bij U, zodat ons geloof versterkt moge worden en onze liefde voor U zal groeien. Leer ons steeds meer in afhankelijkheid van U te leven. Leer ons om steeds meer U toegewijd te zijn, zodat wij niet voor onszelf leven, maar voor U. Moge het beeld van de Here Jezus steeds meer gestalte in ons krijgen. Niet alleen in mijn leven, maar in het leven van allen in onze gemeente.

    Ik beloof u, dat ik mijn best zal doen om zo te leven, dat anderen iets van U in mij zullen zien. Ik ben mij bewust, dat U mij geroepen en uitgekozen hebt om als een priester in Uw dienst te staan. Ik wijd mijzelf aan U toe, opdat U mij in Uw dienst zult kunnen gebruiken.

    Onze Vader in de hemel, ik dank u, dat ik de Here Jezus heb leren kennen als mijn Heiland en Heer. Ik dank U, dat U nu ook mijn Vader bent en dat U als een Vader voor mij zorgt.

    Ik bid u voor de anderen in de gemeente, voor de voorganger, de leden van de raad en voor allen die meewerken in onze gemeente. Heer, zegen ons allen en moge Uw hand ten goede op ons rusten. Wees ons nabij, opdat wij allen door U gezegend mogen worden.

    Ik bid u voor onze zieken. Ik bid u voor... (noem hun namen). Ik bid u voor hen die moeite en verdriet hebben in hun leven (noem hun namen). Ik bid u, dat zij Uw kracht en nabijheid zo duidelijk mogen ervaren, dat zij erin kunnen staan en ervaren mogen, dat zij door U opgetild en gedragen worden.

    Geprezen bent U, Eeuwige, onze God en Vader, onze Koning, om Uw trouw, die U ook ons beloofd hebt. Met heel mijn hart loof en prijs ik Uw heilige Naam. Amen.

    Het tweede voorbeeld
    Heer, onze God, Eeuwige, Koning van de wereld, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde. Ik breng U mijn hulde en de dank van mijn hart, omdat ik mag leven. Ik dank U, dat U mijn leven gewild hebt en dat U mij het leven geschonken hebt. Geprezen en gezegend bent U, die ons geroepen hebt om Uw kinderen te zijn. Geprezen bent U, die wij 'onze Vader' mogen noemen. Samen met de andere leden van de gemeente kom ik tot U en dank ik U, dat wij allen veilig zijn en geborgen in Uw eeuwige Vaderarmen.

    Heer, U bent ons Licht en ons Leven. U bent onze Redder. Help ons om steeds in Uw nabijheid te mogen blijven en de aanwezigheid van de Here Jezus door de Heilige Geest te mogen ervaren. Help ons om niet voor onszelf te leven, maar onze liefde te mogen richten op U en op anderen. Onderwijs ons, zodat wij steeds meer zullen leren anderen lief te hebben als onszelf en daardoor aan U onze liefde te tonen. Mogen onze harten en gedachten steeds meer vervuld worden van Uw grote heerlijkheid.

    Heer, wij zijn ons bewust, dat wij door het offer van de Here Jezus verbonden zijn met allen die U toebehoren. Wij danken U, dat het gebed van de Here Jezus vervuld is en dat wij ons één mogen weten met allen die voor eeuwig behouden zijn door het verzoenend bloed van de Here Jezus. Wij danken U, dat Hij Zijn heilig bloed in Uw hemels heiligdom gebracht heeft, waar het ook voor ons tot een eeuwige verlossing geworden is.

    Ik dank u, dat mijn hart rust gevonden heeft in en bij U. Ik weet, dat U ons nooit zult verlaten en dat wij altijd veilig zijn bij U. Ik dank U, dat Uw ogen ook op mij gericht zijn en dat ik geen ogenblik aan Uw aandacht zal ontsnappen.

    Heer, ik beloof u, dat ik mijn best zal doen om met andere mensen over u te spreken. Ik ben mij bewust, dat velen om mij heen U niet kennen en de redding van de Here Jezus nooit gevonden heb. Heer, laat iemand op mijn pad komen, die ik van U kan vertellen. Ik bid u voor mijn vrienden (noem hun namen). Ik bid u in het bijzonder voor mijn vrienden die U niet kennen (noem hun namen). Ik bid u, dat er een deur geopend zal worden, opdat ik met hen over U kan spreken. Help mij om hen te tonen wie de Here Jezus is.

    Gezegend bent U, Eeuwige, onze Schepper en Koning, onze Vader en Heer, die Israël gekozen hebt tot Uw volk en de Gemeente tot Uw eigendom en om Uw Licht op aarde te verspreiden. Ontferm U over Israël en over Uw Gemeente. Geef ons Uw vreugde, diep in ons hart. Ik loof en prijs Uw heilige Naam. Dank U wel, dat alle kracht om te leven en te overwinnen bij U is. Amen.

    Het derde voorbeeld
    Wij zagen, dat nadat de Israëlieten in de Babylonische ballingschap terechtgekomen waren, en de steun van de priesters in de tempel misten bij het dienen van God, ging Ezra de mensen leren om zelf te bidden en om allen dezelfde gebeden op te zenden. Eén van deze gebeden is het Amied, het gebed, dat de Joden sindsdien elke dag bidden. Ook de Here Jezus bad dit gebed. Voor deze maand geven wij u een vertaling en bewerking van het eerste deel van dit gebed. U vindt het in het eerste en grootste deel van dit gebed, waar de zinnen niet tot het eind van de regel gaan. Wij hebben hier enkele speciaal christelijke regels aan toegevoegd, die u kunt herkennen aan het feit, dat ze cursief gedrukt zijn. Ook het tweede deel dat niet uit het Amied afkomstig is gemakkelijk te herkennen, vooral ook omdat er een sterretje staat tussen het Joodse Amied gedeelte en het christelijke gedeelte.

    Heer, help mij om tot U te bidden. Laat mij over U spreken en help mij U hulde te brengen (Psalm 51:17).

    Heer, onze God, U bent de bron van al onze zegeningen. Daarom danken wij U. Geprezen bent U, Eeuwige, onze God en Israëls God; God van Abraham, Izaak en Jacob. Gezegend bent U, de grote, machtige en ontzagwekkende God (Deuteronomium 10:16,17), die hoog boven alles en iedereen verheven is, die het heelal geschapen heeft en erover heerst, die ons in liefde rijkelijk zegent en die de trouw van Abraham, Izaak en Jacob niet vergeten is en er nog altijd rekening mee houdt.

    U hebt ons opgedragen U lief te hebben boven alles en iedereen en dit te tonen, door onze naaste lief te hebben als onszelf (Mattheus 22:37-40). U hebt ons opgeroepen om U te dienen en U te volgen (Deuteronomium 13:4). U hebt ons opgeroepen om zoals U eens de naakten kleedde (Genesis 3:21), dit ook te doen, om de hulpbehoevenden te onderhouden, de zieken te bezoeken (Genesis 18:1), de treurenden te troosten (Genesis 25:11) en te delen in vreugde en verdriet van onze naasten (Deuteronomium 34:6; Mattheus 25:35,36). Help ons om hierin U trouw te volgen, te dienen en te gehoorzamen. Omwille van Uw Naam hebt U Israël en ons in liefde de Verlosser geschonken. Zoals U eertijds Israël liefhad, hebt U nu naast Israël ook ons lief. U bent Koning, Helper, Redder en Beschermer. Help ons, dat wij steeds zullen zien, dat zoals Israël gezegend werd door de verdiensten van Abraham, Izaak en Jacob, wij heel bijzonder gezegend zijn door de verdienste van de Here Jezus, die de straf voor onze zonden gedragen heeft en ons Zijn heerlijkheid en rechtvaardigheid geschonken heeft. Geprezen bent U, Eeuwige, Schild en Beschermer van Abraham (Genesis 15:1).

    U bent onze altijd almachtige Heer. U zorgt voor de overleden gelovigen en houdt hen onder Uw hoede; U bergt hun zielen onder Uw altaar (Openbaring 6:9). U bent een machtige Redder. U zorgt met liefde voor hen die leven, U brengt met grote barmhartigheid de doden weer tot leven. U ondersteunt hen die struikelen in hun geestelijke levenswandel, U geneest hen die zonde-ziek zijn, U bevrijdt hen die gevangen zijn in de kerker van de zonde en blijft trouw aan hen, die in het stof slapen (Psalm 146:6-8). Wie is als U, machtige en barmhartige Vader, wie is aan U gelijk, Koning, die laat sterven en weer tot leven brengt, die hulp en redding schenkt (Exodus 15:11). Uit Uw hand ontvangen wij zowel wat ons blij maakt als wat ons droevig stemt. Uw trouw is groot. U bent steeds bij ons. U leidt ons door Uw raad en U zult ons eens in Uw hemelse heerlijkheid opnemen (Psalm 73:24). Geprezen bent U, Eeuwige, die de doden weer tot leven brengt.

    U hebt Uzelf eens aan Mozes bekend gemaakt als de God die er altijd is, die er altijd was en die er altijd zijn zal. Zo heeft de Here Jezus ons beloofd, dat Hij ons nooit zal verlaten. Daarvoor danken wij U.

    U bent heilig en Uw Naam is heilig. U bent hoog boven ons verheven. U hebt Uw troon geplaatst op de lofzangen van Uw volk (Psalm 22:4). Heilige engelen prijzen U, door elke dag lofliederen voor U te zingen. U wilt, dat ook wij in ons gebed en in ons lied U zullen loven en prijzen. U wilt, dat wij Uw Naam zullen heiligen en zelf ook heilig zullen leven; afgezonderd van de wereld. U wilt, dat wij in gedachten, woorden en daden openbaren, dat wij Uw heilige kinderen zijn. U wilt, dat wij als gemeente een heilige gemeenschap vormen, waarin de een de ander uitnemender zal achten dan zichzelf. Heer help ons om al deze opdrachten uit te voeren. Geprezen bent U, Eeuwige, heilige God.

    * Heer, wij danken U, dat U door Uw Woord tot ons spreekt, zoals een man met zijn vriend spreekt. Help ons om zo te leven, dat zichtbaar wordt, dat wij Uw kinderen en Uw vrienden zijn. Ik dank U, dat U mijn Helper en mijn Gids bent, zodat ik te allen tijde op U kan vertrouwen. Help mij om U te volgen, waar U ook gaat. Help mij om heel dicht bij U te blijven, zodat Uw kracht in mijn zwakke momenten openbaar kan worden. Dank U wel, dat zelfs in de donkerste momenten van mijn leven Uw licht toch altijd weer schijnt. Help mij, zodat ik mijn ogen nooit zal sluiten voor Uw heerlijkheid of mijn ogen ervan zal afwenden.

    Heer, U hebt gezegd, dat U als een herder Uw kudde zult weiden, dat U in Uw arm de lammeren zult vergaderen en dat U ze in Uw schoot zult dragen (Jesaja 40:11). Ik dank U, dat U zo ook voor mij zorgt.

    Heer, ik wil Uw gunstbewijzen vermelden. Ik dank U, dat U zó met mij meeleeft, dat U in al mijn benauwdheden ook benauwd bent, dat U in al mijn verdriet en pijn, ook verdriet en pijn hebt, dat U in al mijn leed, ook leed hebt (Jesaja 63:9). Heer, ik dank U voor de wijze waarop U met mij meeleeft, mij redt en mij in Uw armen draagt. Here Jezus, ik dank U, dat U een Hogepriester bent, die met ons kan meevoelen in al onze zwakheden (Hebreeën 4:15).

    Heer, ik dank u, dat ik weten mag, dat ik voor eeuwig Uw kind ben. Ik dank u, dat ik zeker mag weten, dat ook ik, omdat ik in U geloof, de Heilige Geest ontvangen heb als Uw Vertegenwoordiger in mijn leven. Ik dank U, dat ook mijn lichaam een tempel is van Uw Heilige Geest en dat Uw Geest mij nooit zal verlaten. Dank U voor die zekerheid, die U schenkt. Amen.

     


    14-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gebed tot de Heilige Geest.

    Heilige Geest, onze Trooster, voltooi in ons het werk waarmee Christus een aanvang heeft gemaakt; verleen kracht aan

    het gebed, dat wij uit naam van de gehele wereld uitspreken en zet het voort. Maak dat wij allen spoediger tot een diep

    innerlijk leven komen; geef bezieling aan ons apostolaat, dat alle mensen en volkeren wil bereiken, want zij zijn allen

    verlost door het Bloed van Christus en vormen allen zijn erfgoed.

    Beteugel in ons de aanmatiging van de natuur en breng ons tot de ware nederigheid, heilig ontzag voor God en

    edelmoedigheid.

    Moge geen enkele aardse band ons hinderen onze roeping eer aan te doen. Laat geen enkel eigenbelang ons de eisen

    van de rechtvaardigheid uit het oog doen verliezen, en bevrijd ons van bekrompenheid en kleinzielig egoïsme. Moge alles

    groot zijn in ons: het zoeken naar en het beoefenen van de waarheid, de bereidheid tot het offer tot aan het kruis en de

    dood.

    En tenslotte moge alles in overeenstemming zijn met wat in het laatste gebed van de Zoon tot de hemelse Vader

    gevraagd wordt, dat de Vader en de Zoon U, Heilige Geest van liefde, mogen uitstorten over de Kerk en haar

    instellingen, over ieder mens afzonderlijk en over alle volkeren. Amen. Alleluja.

    (Paus Joannes XXIII, 1962)




    Foto

    Getuigenissen van de jongeren van Cenacolo
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7

  • Foto

    Foto

    Foto

    Godelieve heeft voor mij
    deze prachtige pps gemaakt
    waarvoor mijn dank





    Foto

    Schrijft u wat in mijn gastenboek
    klik dan op het boek boven




    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Klik op het plaatje en krijg een prachtige rondleiding door het Vaticaan
    Ieder nummertje is weer iets moois
    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Foto

    Een interessant adres?


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Meer blogs