Het is dat mijn vader een vriendin aan de haak sloeg met wilde artistieke kinderen, anders was ik misschien tussen de computernerds terechtgekomen, of tussen 'F-siders.' Hoe dan ook, ik belandde in de krakersscene.
Ik herinner mij Haagse winkelpandjes waar wij niet meer kwamen om brood te kopen, maar om rond te hangen. De vloeren leeg, bedekt met een zurig, vettig stof. De muren zwartgeschilderd. Ik zweeg veel en loerde naar lekkere kraakmeisjes, was doodongelukkig. Aad liep er ook rond met zijn houten poot, om zo nu en dan gedichten voor te dragen.
We droegen dezelfde soort bril. Dit 'vliegeniersmodel' stond ons allebei niet. Op een piloot staat zo'n ding fantastisch maar bij ons bleef het een stel uitvergrote tranen. Weggeblazen worden door de wind omdat wij de neiging hebben in een straaljager te stappen die per ongeluk met draaiende motor is achtergelaten. En dan toch naar het geluk denken te kunnen vliegen. En er dan natuurlijk niet aan denken om de kap van de cockpit te sluiten.
Nou ja, ik weet helemaal niet of Aad zoiets zou doen. Ik ken hem eigenlijk helemaal niet. Of niet meer.
Het duurde zelfs even voordat ik mij die houten poot van 'm herinnerde.
Toch zette ik het 'm op een snikken, zondagochtend. De dooi was ingevallen. Onder het nog onwetende ijs kwetterden honderden onderwaterspreeuwen.
Het zal wel door mijn vriendin komen dat ik even moest huilen. Meer door haar dan door Aad. Ik ben het nog niet zo gewend, zo'n warme brok kwetsbaarheid. En toen, in die zwarte bakkerskelder, zou ik de kwetsbaarheid nog niet herkend hebben, al was zij met straaljager en al op mij neergepletterd.
Ik denk niet dat ik naar Aad's begrafenis ga, vrijdag. Het zal Aad worst wezen of ik er wel of niet ben. Ik weet zeker dat hij me nu niet meer herkent. Ik zal hém zeker niet meer herkennen, daar kan ik vergif op innemen.
Waarom ga je naar begrafenissen? Om je gezicht te laten zien?
Ik zal me weer net zo voelen als toen. Bedremmeld in een hoekje. Die-en-die en die-en-die, het is te lang geleden om nog te vragen 'Goh, hoe gaat het met jóú...' Ik denk dat ik trouwens blij zal zijn dat ik het toen niet gedaan heb met Truus en Miep. Jezus wat zijn ze dik geworden en uitgedroogd.
Truus en Miep leven voort in mijn herinnering, zal ik maar zeggen, al zijn zij nog in leven.
Hè, wat onaardig van me.
Ik las een gedicht van Aad vandaag en het beviel me uitstekend. Ik wilde meer en kwam op een homepage terecht die ik nog nooit eerder gezien had. Er staat niet veel meer op dan beschrijvingen en foto's van zijn huisje en zijn tuintje. Over een bloem en rare wormen en over allerlei katten die zijn pad kruisten. En welke boeken er in zijn kastje staan. Hij heeft het over zijn digitale camera alsof hij de allereerste gelukkige bezitter is van de allereerste digitale camera die ooit gemaakt is. En de wereld kijkt toe hoe Aad De Eerste Foto maakt. In het vluchtleidingscentrum is de spanning te snijden en tuurt men bewegingloos naar de schermen.
Aad, wonderlijke tovenaar! Jij die met kikkers praat! Jij krijgt het voor elkaar dat ik gefascineerd je website spel, terwijl er meer homepages zijn met foto's van katten en bloemen-in-de-tuin en dit-is-mijn-huisje dan korrels op het strand. Jij krijgt het voor elkaar dat ik gehaast op zoek ga naar een computerprogramma waarmee ik hele websites integraal en helemaal in één keer kan downloaden. Voordat het te laat is!
Even overwoog ik om geen Grote Kunstenaar meer te zijn maar gewoon te worden, zoals jij!
Dit kwam ik ook nog tegen tussen jouw en aan jou gewijde virtualia:
Je moet wel een heel groot man geweest zijn als zelfs huup huup barbatruuk helemaal de moeite neemt om wereldwijd te publiceren dat hij je niet kende.
Huup huup's prangende vraag blijft mij hinderlijk bezighouden: zou het Aad zelf zijn vanuit de Wachtkamer, waar hij zich stierlijk verveelt. Als je niks meer om handen hebt, rest je toch niks meer dan wat zinnen onder elkaar te zetten. Nou, huup huup, ik kende Aad eigenlijk niet, maar ik heb wel van hem gehoord en daar ben ik best blij om.