|
Plotseling kom ik van de grond. Een adelaar heeft me in zijn klauwen gegrepen en van de grond getild. Ik vlieg en zweef door een heldere blauwe lucht. Zo mooi en ik geniet. Er valt een last van me af. Ik zweef en mijn gewichteloosheid maakt me zorgeloos. Vanuit de lucht kijk ik neer op het gladgestreken meer. Langs het meer kronkelt zich een smalle weg die in een oneindig bos verdwijnt. Op een bankje zit een verliefd stelletje te genieten van elkaar en van de zon. Een visser tuurt naar zijn hengel en een meisje laat haar hondje uit. De staart van het beestje kwispelt zo hard dat het er nog eens af zou vliegen. Het panorama is zo vol vrede. Zo vol rust.
De adelaar vliegt langs de flanken van een berg en bij de top aangekomen zet hij mij voorzichtig neer. Ik zit op het topje van de berg en kijk naar beneden. Ik zie het dorp waar ik vandaan kom en hoe de weg vanuit het dorp zich tegen de berg opkronkelt. Ik zit te hoog en te ver weg om de mensen die in het dorp wonen te kunnen zien. Ook het geluid van de straat bereikt niet de berg top. Ik voel me gelukkig en losgekomen van de wereld. Het dorp, haar mensen, haar geluiden en ook haar problemen lijken verweg. Eigenlijk lijkt het net of het er allemaal niet meer toedoet. Er komt een gevoel van berusting en vergeving over mij heen. De wereld is ver weg en op de één of andere manier voelt het alsof ik er geen deel meer van uitmaak. Vrede en stilte maken me gelukkig.
De adelaar grijpt me opnieuw in zijn klauwen en als een soort afscheid vlieg ik nog één keer over mijn dorp, mijn wereld. Langzaam maar zeker vliegen we hoger en hoger en kom ik los van de aarde. Als de hoogte voor de adelaar te hoog wordt, zet hij mij voorzichtig op een wolk. Ik drijf nu vrij door de lucht en het is stil, heel stil. Om me heen zie ik meer wolken allen met hun eigen kleine regenboog. Ze drijven allemaal richting een grote regenboog. Als ik onder de regenboog doordrijf lost de wolk zich op en ik zweef. Ik zweef, ben vrij en de atmosfeer om mij heen wordt steeds fijner en gelukzaliger. Opeens hoor ik een stem. Ontspan je, geniet, voel je welkom en geniet van de warmte en het geluk dat je nu voelt en waarvan je deel uitmag maken. Mag ik? Vraag ik voorzichtig? Ik kan het niet geloven dat ik deel ben van deze gelukzalige sfeer. Natuurlijk zegt de stem. Welkom in de hemel! Waarachtig! Ik ben in de hemel en de stem die tegen mij spreekt is de stem van God. Ik ben intens gelukkig. Ik zou hier wel voor altijd willen blijven en ik zweef. Het is alsof God mij gedachten kan lezen en hij zegt natuurlijk ben je in de hemel en natuurlijk mag je blijven. Als jij dat wilt kun je hier blijven en hoef je niet meer terug naar de aarde. Dus ik ben in de hemel? Is dit de plaats waar ik kom als ik het aardse leven achter mij laat? Ja! Zegt God en de keus is volledig aan jouw! Jij beslist of je blijft en alleen jij beslist of je terug wil naar aarde.
Ik twijfel. Het hemelse gevoel is niet te beschrijven. Zo gelukkig en zo vrij heb ik me nog nooit gevoeld. Maar tegelijk denk ik aan de mensen die ik lief heb en die ik achtermoet laten. Natuurlijk is het hemelse leven veel fijner en mooier dat het aardse. Maar uiteindelijk is het aardse leven zo slecht nog niet. Natuurlijk heeft het zijn beperkingen en zijn er soms tegenslagen en problemen die overwonnen moeten worden, maar tenslotte is het ook een uitdaging om met die probleempjes en tegenslagen om te kunnen gaan en als dat lukt dan smaken de druiven van succes zoet. Dus ik besluit terug te gaan. De hemel moet maar even wachten. Dat kan altijd nog, en het gegeven dat ik nu zeker weet waar ik terecht kom naar mijn dood geeft me nog meer moed en steun om nog een tijdje door te gaan met het aardse leven.
Ik dank onze lieve Heer voor de uitnodiging, ik vraag hem om mij te blijven steunen en om mij opnieuw op te nemen in de Hemel als het moment ons beiden past. Ik wil terug naar aarde, terug naar de dagelijkse beslommeringe maar vooral ook terug naar de mensen die mij liefhebben en naar de aardse dingen die mij aards gelukkig maken.
|