Het was 16 uur in de namiddag. Ann zat op een bank in het park, een paar honderd meter verwijderd van de plaats waar zij vanochtend bij zonsopgang uit de trein was gestapt. In de verte blafte een hond. De witte labrador liep wild heen en weer. "Komt gij meespelen?" Een jongetje van een jaar of zeven trok aan haar mouw. Ann zweeg en probeerde zich los te trekken, maar het kereltje was sterker dan zij had gedacht. Ze trok nogmaals, maar haar arm bleef in de lucht bengelen. De labrador drukte met zijn neus in het zand en gromde. "Hij heeft iets gevonden." De jongen wees met de wijsvinger van zijn vrije hand naar de aarde en grijnsde. Ann voelde de greep om haar arm verstevigen.