Bezinning: De bekering van de zondaars (Ezechiël 33).
E.H. P. van de Kerckhove.
In Ezechiël 33, 4-5 lezen we "Als iemand het signaal hoort maar er zich niet aan stoort en het zwaard komt en slaat hem neer, dan is alleen hijzelf schuldig aan zijn vergoten bloed."
1. Ten tijde van Jezus hebben de Joden, althans een gedeelte ervan, de verantwoordelijkheid van Zijn dood opgeëist. Men kan in de Bijbelse zin van de uitspraak alleen maar besluiten dat dit gedeelte van de Joden verantwoordelijk is voor het ter dood brengen van Christus. De profeet Ezechiël heeft Israël gewaarschuwd voor een verkeerd gedrag. De woorden van die Joden tegenover Jezus: "Zijn bloed kome over kome over ons en onze kinderen.", bewijzen dat ze de waarschuwingen van Jezus wel hebben gehoord, maar dat zij ze in de wind hebben geslagen.
Jezus heeft de zondige mensen algemeen gewaarschuwd en opgeroepen tot bekering en berouw. Willen zij echter niet luisteren en zich niet bekeren, dan is niet Jezus verantwoordelijk maar wel zijzelf. In al hun haat heeft dat gedeelte van de Joden Jezus verworpen en dat gedeelte heeft daarvoor de verantwoordelijkheid opgeëist met de woorden: "Zijn bloed kome over ons en onze kinderen." Maar: "Ik verheug Mij erover dat de zondaar zich bekeert.", zei God reeds door de profeet Ezechiël en de Heer Jezus zei: "Ik ben gekomen om zondaars te roepen."
2. Bekering is altijd mogelijk, wat ook uw verleden geweest is, en vergeving is altijd mogelijk. Zo de mens vertrouwt op zijn eigen verdiensten en daarna slecht gaat leven, dan baat hem zijn eigen deugd niet. Hij zal sterven (geestelijk doodgaan) om het kwaad dat hij doet. Het eeuwige leven zal hij niet beërven. Maar als de zondaar zich bekeert en handelt naar de Wet en rechtvaardig de voorschriften van het leven onderhoudt (d.i. de 10 geboden van liefde tot God en de naaste), dan zal hij in leven blijven. Dat zegt Ezechiël 33, 12-20. Lees die passage die zeer troostvol is o.a. "zo de mens leeft volgens de voorschriften van het leven", dan zal hij in leven blijven en niet sterven.
Deze oproep van Ezechiël tot zijn volk in Ballingschap, is een oproep tot berouw; om zich nederig af te keren van wat slecht is en om onze slechte levenswandel en gewoonten te veranderen. Maak recht wat krom is. Gods weg is recht, het zijn onze wegen die krom zijn
Reeds al de profeten spraken over bekering en berouw en dat wie zich afkeert van de zonde zal leven, en dat al wie zondigt zal sterven. Over een louter aards leven en sterven gaat het hier niet uiteraard! Wel om een leven en sterven in de ogen van God. De zondaar die "Gods geboden van leven" overtreedt, (de wet van de Liefde tot God en de naaste is een wet van leven) die leeft a.h.w. niet meer, die is a.h.w. dood! Zo zegt de vader van de verloren zoon als zijn jongste zoon terugkeert: "Mijn zoon was dood en hij is weer levend."
3. Welnu, wij zijn ballingen, kinderen van Eva. Hier in dit tranendal zijn wij als ballingen en wij horen de stem van de profeten en van Gods Zoon zelf, die wij elke zondag horen in het Evangelie en die ons zegt: "Bekeert u en doet boete, want als men zo het groen hout (d.i. de Rechtvaardige bij uitmuntendheid) behandelt, hoe zal men dan het dorre hout (dat zijn wij, arme zondaars) niet behandelen en hoe zal God de zondaars dan niet straffen?"
4. De oproep van de profeet Ezechiël bevat dus reeds in de kiem (impliciet) een heilige belofte van het leven dat wordt geschonken voor de zondaar die zich bekeert en die wil terugkeren naar God en die Gods rechte weg wil bewandelen. De terugkeer uit Ballingschap is als een terugkeer naar God Die Zijn volk wilde redden uit Ballingschap, uit de dood, en het wilde opvoeren naar het land dat God aan Abraham, Isaak en Jacob had gegeven. Een beeld uiteraard van het heerlijke land van de hemelse zaligheid dat men binnengaat als men de genade van het doopsel heeft ontvangen. Zo gerechtvaardigd door Gods genade, houdt men zich af van wat zondig en immoreel is en van wat God beledigt (ontucht, kwaadsprekerij, leugen, laster, afgoderij, diefstal,
.). Wie zich bekeert en Gods weg bewandelt zal leven, maar wie zich beroemt op eigen verdienste, d.w.z. wie zich verheft en in zonde begint te leven alsof hij God niet nodig heeft en alsof God en Zijn gebod niet eens bestaan (er zijn praktische atheïsten) die zal de dood sterven, ook al is hij als deugdzaam mens begonnen. Het is een waarschuwing van Ezechiël dat als men goed begint, men ook goed moet eindigen in dit aardse leven. Het is tevens een troostvolle gedachte dat er altijd opnieuw bekering mogelijk is, hoe oud men ook is en hoe laag men ook gezonken is!
5. De parabel van de verloren zoon is een prachtige illustratie door Onze Lieve Heer van deze passage uit Ezechiël. Iedereen kent het verhaal. De jongste zoon trok er thuis uit. Hij had zijn deel van zijn erfenis opgeëist en hij trok naar een vreemd land. Zijn vader en moeder waren triestig, zoals ouders soms triestig zij voor kinderen die zich schandalig gedragen. De moeder van de verloren zoon bad dan in stilte; de vader had hem gezegd: "Onder mijn ogen uit, gij nietsnut!" Maar elke avond stond hij op de uitkijk, of zijn zoon misschien niet weerkeerde
En jawel, dat gebeurde! Maar wat zag hij eruit; met gescheurde kleren, stinkend naar de varkens
"Jongen, wat zie je eruit!" En de vader liep hem tegemoet. De verloren zoon was teruggekeerd en hij had zijn lesje van buiten geleerd: "Vader, ik ben niet waard uw zoon genoemd te worden, maar neem me terug op als uw dienstknecht." De vader luisterde niet eens naar zijn zoon en hij gaf hem een zoen en nieuwe kleren, een ring als teken van de erfgenaam, schoenen als teken van de vrije mens en hij organiseerde een groot feest! "Want hij was dood en is terug levend geworden."
Hij was niet dood in de fysieke zin! Zo moet je ook de passage van Ezechiël begrijpen.
De parabel van de verloren zoon is een van de meest troostvolle parabels, samen met de barmhartige Samaritaan. Maar de oudste zoon pruttelde tegen. Hij was altijd correct geweest
De vader wees hem terecht en zei: "Jongen, wees toch niet boos. Je broer is bekeerd, verzoen je met hem." Zo moeten wij ook niet jaloers zijn als iemand zich bekeert en aan iemand vergiffenis geschonken wordt in de biecht. Als die mens zich afkeert van zijn slechte levenswandel, mogen we niet blijven staan bij wat die aan slechts gedaan heeft. Dat is voorbij!!
"Er zal in de hemel meer vreugde zijn om 1 zondaar die zich bekeert, dan om 100 rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben." Dat is de vreugdeboodschap van het Evangelie, nl. dat er in de hemel meer vreugde zal zijn bij de engelen en de heiligen om één zondaar die zich bekeert, want God wil de bekering van de zondaar, zei reeds de profeet Ezechiël. God verheugt Zich dat de zondaar zijn gedrag verbetert en blijft leven. God wil niet dat de zondaar sterft. Bekeer u dus van uw zondige gedrag. Waarom zoudt gij sterven, o huis van Israël? Bekeert u tot Jezus van Nazareth, de Messias Die jullie hebben veroordeeld, maar Die God heeft ten leven gewekt uit de doden tot getuigenis van allen in Israël.
"De goddelijke genade: de essentie van ons christelijk leven."
Conferentie door E.H. P. van de Kerckhove.
Een uiteenzetting over de christelijke leer van de goddelijke genade moet beginnen met een beschouwing over de "menselijke natuur".
De mens is lichaam én ziel. De menselijke natuur wordt gekenmerkt door de menselijke ziel waardoor we een menselijke intelligentie hebben, waardoor we de essentie van de dingen kunnen begrijpen; dieren kunnen dit niet. Lichaam en ziel vormen een substantiële eenheid. Onze zintuigen zijn juist de middelen waardoor we intellectuele kennis verkrijgen. De intelligentie is juist de capaciteit om door de zintuigen de essentie waar te nemen en ons abstracte ideeën te vormen. Onze ziel heeft een intelligentie en via de zintuiglijke waarnemingen kan onze intelligentie binnendringen in de natuur der dingen. Met onze intelligentie kunnen we zelfs het bestaan aanvaarden van God, Schepper van de dingen. Vanuit de zichtbare schepping komt ons verstand tot de conclusie dat er een God, Schepper, is. Dat deden de heidenen meestal niet. Zij verafgoodden de schepsels, maar er was een Griekse filosoof, Aristoteles, die zou hoog opgeklommen zijn met zijn verstandelijke redenering dat hij aankwam bij de 1ste oorzaak, Die al het andere heeft veroorzaakt. Dat is de natuurlijke godskennis. Het menselijke, natuurlijk verstand kan zo ver gaan dat men het bestaan kan aantonen van de Schepper van alles.
Maar niet iedereen was zoals Aristoteles en zelfs de natuurlijke godskennis kan zich vergissen want het menselijke verstand is beperkt. Het verstand kan dwalen, het kan tot verkeerde godsbeelden komen, enz. Daarom heeft God besloten van Zich te openbaren. Dit is een eerste aspect van de GENADE, nl. Gods Openbaring. Deze Openbaring van God is iets bovennatuurlijks, d.w.z. ze overstijgt de capaciteit van de menselijke natuur. Het is cruciaal dat u dit begrijpt. Wat is de genade? GENADE is het geheel van gaven die God schenkt aan de mens en die de mens, door zijn menselijke natuur alleen, niet kan bekomen. Dit kunnen gebeurtenissen zijn in de geschiedenis van de mensheid, of personen, of dingen: een gebeurtenis zoals de bevrijding uit Egypte, of een Persoon zoals Jezus Christus Die "genade is van God de Vader" zoals Paulus schrijft (d.w.z. Hij is gave van God de Vader aan de mensen), of een ding zoals het manna in de woestijn, of de genade bij uitstek: de Eucharistie.
Er is nu één gave in het bijzonder die God schenkt aan ons en die noemen we:
de HEILIGMAKENDE GENADE.
Uiteraard is alles "gave van God". Ons lichaam is een gave, onze ziel is een gave, maar geen bovennatuurlijke. Alle schepsels zijn gaven God. Maar u begrijpt uiteraard wat ik wil zeggen. Genade is het geheel van gaven van God aan de mens die de mens met zijn louter menselijke natuur niet kan bekomen; bijv. de Openbaring dat God één is maar in drie Personen. Tot die kennis is geen enkele filosoof in de Oudheid ooit gekomen. Dat werd ons geopenbaard in het Nieuwe Testament. De Openbaring van de Heilige Drieëenheid is ook een aspect van de genade. Maar dan is geheel het christelijke geloof genade, zult u zeggen. JUIST! U ziet dus dat er veel aspecten zijn aan de genade. Vandaag neem ik er dus één aspect uit: DE HEILIGMAKENDE GENADE.
De heiligmakende genade is de bovennatuurlijke gave van God waardoor God met Zijn goddelijke natuur in onze ziel woont en als we zeggen "God", dan bedoelen we uiteraard de God van de Christelijke Openbaring; de Trinitarische God: Vader, Zoon en Heilige Geest. De goddelijke natuur is dezelfde in de drie goddelijke Personen. Vanuit natuurlijk standpunt bekeken zijn wij kinderen van onze ouders, maar van bovennatuurlijk standpunt uit zijn wij kinderen van God. Paulus schrijft: "Gij kunt God Vader noemen, Abba." Is dat niet fantastisch? "Mijn Vader, zegt de Heer Jezus, "is ook uw Vader". Jezus Christus is van nature Zoon van God de Vader, wij zijn kinderen van God door adoptie. In overdrachtelijke zin zeggen wij ook dat wij "goden" zijn als kinderen van God. Maar Jezus is het in de fysieke, eigenlijke zin. Voor Hem is Zoon van God zijn iets natuurlijks. Hij is consubstantieel met de Vader. Dat zijn wij niet!
Weet u dat wij door de heiligmakende genade verheven zijn boven de engelen die pure geesten zijn, maar die de "kindsheid Gods" niet ontvangen hebben, de deelachtigheid aan Gods natuur zelf!
Maar hoe zijn wij deelachtig geworden aan Gods natuur? Door Jezus Christus is dat mogelijk geworden. Hij heeft onze natuur aangenomen opdat wij Gods natuur zouden kunnen ontvangen. Dat wordt in de Liturgie uitgedrukt in een gebed van de offerande: "Deus qui humanae naturae mirabiliter condidisti et mirabilius reformasti ..." God heeft de menselijke natuur geschapen maar de mens is in de val gelopen. Hij had de gaven van oorspronkelijk gerechtigheid, onschuld en onsterfelijkheid, gaven die God aan de menselijke natuur had toegevoegd (=preter natuurlijke gaven), verloren door de zondeval. Sindsdien is de mens een sterfelijk schepsel dat gedegenereerd is in de loop van de mensengeschiedenis. Dan heeft God, door Jezus Christus, de menselijke natuur op wonderlijke wijze hersteld en Hij heeft voor ons de bovennatuurlijke genade verdiend waardoor we Gods natuur deelachtig kunnen worden en de hemelse zaligheid kunnen bereiken, onze bovennatuurlijke eindbestemming, die we dus zonder die genade niet kunnen bereiken.
In datzelfde gebed in de Offerande van de Heilige Mis voegen wij toe:
"Geef ons door het mysterie van dit water en deze wijn dat wij deelachtig worden aan de Godheid van Hem Die deelachtig geworden is aan onze mensheid."
In de Proloog van het Johannes-Evangelie schrijft de apostel: "Aan allen die geloven in Zijn Naam heeft Hij het vermogen gegeven om kinderen van God te worden. Zij zijn niet uit bloeden (d.i. niet uit de fysieke oorsprong van de patriarchen), niet uit de wil van een man, niet uit de wil van het vlees, maar uit God geboren."
Hiermee wordt de heiligmakende genade bedoeld. Als kind van God zijn zij juist niet uit fysieke oorsprong geboren (Johannes gebruikt de term "geboren" wat wel origineel is
), niet uit de wil van een man, niet uit het verlangen van het vlees, maar UIT GOD ZIJN ZIJ GEBOREN. Dit betekent uit genade van God zijn wij deelachtig geworden aan Zijn Natuur. Daarom gebruikt Johannes de term "geboren", want als men "geboren" wordt, is men kind van zijn ouder. Als men "geboren" wordt uit God is men kind van God.
Hoe gebeurt dit concreet?
Welnu, dit gebeurt concreet door het doopsel. De heiligmakende genade is een permanent principe in ons, een eigenschap ons door God gegeven en die als effect heeft het bovennatuurlijke leven. Men noemt het de blijvende genade omdat het een permanente kwaliteit is. Men noemt het ook heiligmakende genade omdat God Heilig is (3X heilig). God Zelf wordt ook geheiligd door ons bovennatuurlijk leven. Maar door de Heiligheid van God kunnen wij juist ook heilig zijn, heilig leven en sterven en ons bovennatuurlijk doel bereiken.
Beantwoorden wij wel in ons leven aan die heiligmakende genade in ons? Welke activiteiten doen wij in ons leven? Leggen wij getuigenis af van ons geloof? Doen wij aan werken van barmhartigheid? En er zijn alle andere werken van christelijke deugdzaamheid. Dat zijn allemaal werken van de heiligmakende genade. In Joh. 15,16 lezen wij: "Ik heb jullie de taak gegeven om vrucht te dragen, vruchten die blijvend zijn." In de brief aan de Efeziërs schrijft Paulus dat "we gecreëerd zijn in Christus" d.i. geheiligd door de genade. En het belangrijkste werk van de genade is de liefde. Paulus schrijft dat, maar ook Jacobus schrijft dat de werken van de heiligmakende genade noodzakelijk zijn. Goede werken vanuit het christelijke geloof zijn noodzakelijk ter rechtvaardiging.
De genade die wij noemen "heiligmakend", is onze ziel ingestort en met die genade alle andere bovennatuurlijke genaden; de deugden van geloof, hoop en liefde (de theologale deugden) en de andere (de zogenaamde morele deugden).
Het DOOPSEL is het eerste meest noodzakelijke sacrament. Door het doopsel worden wij niet alleen bevrijd van de erfzonde en van alle zonden begaan voor het doopsel. We worden kinderen van God door de heiligmakende genade en we ontvangen in ons de eigenschap van alle gaven van God om heilige daden te stellen, d.i. om een leven te leiden conform die genade als kind van God volgens de bovennatuurlijke deugden.
Door het DOOPSEL wordt men ook lid van de Kerk. Het doopsel is een sacrament en u kent allemaal de definitie van wat een sacrament is: een zichtbaar teken, ingesteld door Christus, betekenend een bijzondere genade. Wanneer heeft Jezus het doopsel ingesteld? Dat gebeurde toen Hij werd gedoopt in de Jordaan. Toen manifesteerde zich de Heilige Drieëenheid. De genade van het doopsel is juist de heiligmakende genade.
De heiligmakende genade is een toestand. Welnu, wij kunnen die heiligmakende genade, die toestand van vriendschap met God, verliezen. Hoe? Door de doodzonde. Nu wil ik eerst spreken over de bovennatuurlijke LIEFDE, GELOOF en HOOP. De vrucht van de heiligmakende genade is de LIEFDE. Dit in niet hetzelfde als de natuurlijke liefde die we dus ook kunnen hebben, ook voor God als Schepper van de natuur. Het geloof zal verdwijnen, de hoop verdwijnt, maar de bovennatuurlijke LIEFDE zal blijven in eeuwigheid. Het geloof zal verdwijnen omdat we God zullen aanschouwen van aanschijn tot Aanschijn, de hoop zal verdwijnen als we in het bezit zijn van de eeuwige zaligheid. De LIEFDE blijft, en van de drie theologale deugden is de LIEFDE de grootste. Paulus schreef een lofzang over de Liefde:
De liefde is geduldig en vriendelijk.
De liefde is niet afgunstig, ze praalt niet, ze verbeeldt zich niets.
Ze gedraagt zich niet onfatsoenlijk, ze zoekt zichzelf niet.
Ze laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan.
Ze verheugt zich niet over onrecht, maar vindt vreugde in de waarheid.
Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt zij, alles verduurt ze.
De Liefde vergaat nooit
(I Kor. 13).
Ik wil nu een woordje zeggen over LIEFDE, GELOOF en HOOP:
DE LIEFDE bestaat erin God lief te hebben boven alles en de naaste gelijk zichzelf. Jezus Christus leert ons in het Evangelie dat dit het voornaamste gebod is. "Het eerste gebod is: bemin God uit geheel uw hart, geheel uw ziel en al uw kracht. En het tweede gebod daaraan gelijkwaardig is: bemin uw naaste als uzelf. Daaraan hangt heel de Wet en de Profeten." De christelijke Openbaring dus leert ons dat de Liefde het voornaamste gebod is. Hét gebod der geboden. De tien geboden (drie m.b.t. God en zeven m.b.t. de naaste zijn hierbij onze leidraad. De Liefde is een bovennatuurlijke deugd die ons aanzet tot daden, activiteit, werken en vooral werken van barmhartigheid. (Bv. barmhartigheid jegens een arme priester die op zoek is naar een nieuw autootje. Ik zoek 15.000 euro. Mijn huidige auto is een Honda, 21 jaar oud
Deze auto kan geen dienst meer doen voor lange afstanden op regelmatige basis).
Er is maar één Liefde en die richt zich tot God en tot de naaste omdat de naaste een schepsel van God is, zeker als de naaste een verloste christen is. Onze naaste is iedere mens die in nood is van gelijk welk ras of gelijk welke godsdienst hij of zij is. Dat leert ons toch de parabel van de barmhartige Samaritaan. De bovennatuurlijke liefde is dus geen filantropie of humanitarisme.
Dan is er GELOOF: Paus Johannes Paulus I heeft in zijn kort pontificaat van 33 DAGEN enkele catecheselessen gegeven over liefde, geloof en hoop. Over het geloof zei hij: "Geloof is met edelmoedigheid antwoord geven aan de Heer. Wie is het die: Ja, zegt aan de Heer? Hij die nederig is en zijn vertrouwen stelt in God." En deze paus had de kunst om verheven waarheden te vertellen op een eenvoudige manier. Zo vertelt hij dat zijn moeder hem vertelde: "Als kind ben je vaak ziek geweest. Ik heb je van de ene dokter naar de andere moeten brengen en hele nachten bij je moeten waken. Wil je dat wel geloven?" Hoe zou ik hebben kunnen zeggen: "Mama, ik geloof je niet." Ik geloofde het onmiddellijk. Ik geloof heel bijzonder in jou. Zo is het ook met het geloof. Het is niet alleen geloven in de dingen die God ons heeft geopenbaard, maar ook in Hem Die ons geloof verdiend heeft en Die voor ons zoveel gedaan heeft uit Liefde. Soms zijn geloofswaarheden moeilijk te aanvaarden; soms zijn ze aangenaam, soms onaangenaam voor onze geest. Het prettig te geloven in de Liefde die God voor ons heeft. God heeft meer genegenheid voor ons dan een moeder voor haar kinderen. Met andere waarheden hebben we moeite: bv. Gods straffende rechtvaardigheid. En dan, wie gelooft in Jezus Christus, die gelooft ook onvermijdelijk in de Kerk van Christus, want Hij is het Hoofd van het Lichaam dat de Kerk is.
Petrus en Paulus zijn gestorven als martelaren van het geloof. Nu is het wel zo dat de Kerk gebreken kan hebben omdat er soms slechte mensen in de Kerk zijn. De heilsmiddelen van de Kerk zijn goed, maar niet allen in de Kerk zijn heiligen, helaas. Laten wij ons best doen de Kerk beter te maken door zelf goed te doen.
Dan is er de HOOP: God is almachtig, God houdt van ons en God is getrouw in Zijn beloften. Dat is de basis van onze hoop. Alle heiligen hebben dit vaste vertrouwen in God gehad. "Maar", zult u zeggen, "ik ben een arme zondaar." Johannes Paulus I, in zijn catechese over de HOOP, antwoordde daarop het volgende: "Een onbekende dame kwam jaren geleden biechten. Ze was ontmoedigd. Ze had op zedelijk gebied een stormachtig leven geleid. Mag ik vragen, zei toen Mgr. Luciani, hou oud bent u? Vijfendertig.", antwoordde de dame. "Maar dan kunt u nog veertig of vijftig jaar leven en een hele boel goeds doen", antwoordde de paus. "Dus, omdat u berouw hebt, in plaats van aan het verleden te denken, richt u zich op de toekomst en begint, met Gods hulp, een nieuw leven."
Er zijn in de loop der tijden ook stellingen en tendensen voor de dag gekomen van pessimistische christenen. Zulke stellingen zijn afgekeurd door de Kerk en vergeten. Dat is te danken aan een schare hard werkende heiligen. De christen is nooit pessimistisch of gedeprimeerd, een christen is juist iemand die altijd moeilijk is, omdat hij de deugd van de HOOP bezit. Een ontmoedigde christen, dat mag eigenlijk niet bestaan. Thomas van Aquino noemt het een deugd de "jucunditas": de vaardigheid om de dingen die men hoort of ziet met een glimlacht te verwerken.
Een Ierse metselaar, die van zijn stelling was gevallen en zijn been had gebroken, was toch vrolijk. In het ziekenhuis zegden de dokter en de verpleegsters: "Arme stakker, heb je je pijn gedaan bij het vallen?" Hij antwoordde: "Niet bij het vallen, maar bij het aankomen op de aarde wel." Door de glimlach tot een deugd te verklaren, was Thomas van Aquino in overeenstemming met het Evangelie en met de "hilaritas" die Augustinus aanbeval. Daardoor heeft Augustinus het pessimisme overwonnen. Daardoor wordt het christelijke leven gehuld in blijdschap en heeft hij ons uitgenodigd om moed te putten, ook uit de gezonde genoegens die we op onze levensweg kunnen ontmoeten.
Maar Christus leert ons: "Zoekt eerst en vooral het Rijk Gods." Het Rijk Gods is niet hetzelfde als het rijk van de mens. De ziel van de mens is bestemd voor de eeuwige zaligheid. Daarop richt zich de christelijke hoop. In de akte van hoop bidden wij: "Mijn Heer en mijn God, ik hoop met een vast betrouwen van U te bekomen, door de verdiensten van Jezus Christus, het eeuwig geluk en de genaden om het te verdienen, omdat Gij oneindig goed zijt voor ons, almachtig en getrouw in Uw beloften. In deze hoop wil ik leven en sterven." (uit de Mechelse Catechismus).
Er is nog een punt dat ik reeds heb aangestipt en waarmee ik deze conferentie wil eindigen en dat is dat de heiligmakende genade kan verloren gaan door de DOODZONDE, zoals bij Adam en Eva in het aards paradijs. We kunnen de toestand terugkrijgen O wonder van Gods Barmhartigheid door de BIECHT.
De eerste mens was geschapen in staat van natuurlijke onschuld en rechtvaardigheid. En God had de mens de onsterfelijkheid toegevoegd in de hof van Eden. Midden in de tuin van Eden stond de boom des levens en de boom van kennis van goed en kwaad. "Je mag van alle bomen eten," had God gezegd, "alleen van de boom van kennis van goed en kwaad mag je niet eten, want dan zul je sterven." Dat gebeurde nu juist wel. De eerste mens zondigde en, kijk naar de catastrofale gevolgen, voor hem zelf (verlies van de oorspronkelijke staat van heiligheid en gerechtigheid), maar ook voor de gehele mensheid. Maar van bij het begin had God de intentie om de mens te redden en de menselijke natuur te herstellen en, ja zelfs nog hoger te verheffen dan die van de eerste Adam en de eerste Eva. God wilde aan de mens deelgenootschap schenken aan Zijn eigen goddelijke Natuur uit pure GENADE, door Zijn eigen Zoon, Zijn Enige Zoon, Jezus Christus, die God is en mens geworden om ons te verlossen van zonde en dood, en voor ons de genade van het KINDSCHAP GODS te verwerven door de verdiensten van Zijn Lijden en Zijn Kruisdood.
Die heiligmakende genade kunnen we echter verliezen door de DOODZONDE (d.i. een zonde tegen de tien geboden, met vrije wil en in het volle bewustzijn begaan). De tien geboden blijven de kern van de Wet, ook de Wet van Christus, die men samenvat in "Bemin God bovenal en uw naaste als uzelf". Door de doodzonde worden de heiligmakende genade en ons bovennatuurlijk leven in ons gedood en daardoor staan wij in vijandschap tegenover God. Al wat we dan nog doen, heeft geen nut meer voor de eeuwige zaligheid, behalve één ding, dat ene ding is het GEBED. Dat moet je geloven; het is een punt van ons geloof.
Dan is er de BIECHT. Voor de vergeving van de zonden die we begaan na het doopsel is er de BIECHT. Wonder van Gods Barmhartigheid. Lees de parabel van de barmhartige Samaritaan. De man die gewond lag naast de weg is een beeld van de mens die gewond is door de zonde. Genezing vindt men door de Redding van Jezus Christus, onze Barmhartige Samaritaan, Die ons naar de Kerk brengt en ons opneemt in de Kerk door het doopsel.
De parabel van de verloren zoon is ook zo een beeld van de zondaar, die door zijn eigen doodzonden de gemeenschap met God verliest en die de genade verliest. Maar hij komt tot inkeer. Hij denkt na (hoeveel arbeiders zijn er die op het domein van mijn vader werken en ik zit hier met honger en kou tussen de varkens). Hij neemt een vast besluit: "Ik zal terugkeren naar het huis van mijn vader en zeggen: Ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen U en ik niet waard meer uw zoon genoemd te worden." Hij komt tot inkeer en krijgt vergeving door de biecht. Hij wordt hersteld in al zijn rechten van zoon. En het vetgemeste kalf wordt zelfs geslacht.
Dus vooral deze twee sacramenten van Doopsel en Biecht houden verband met het thema van de bezinning van vandaag. Maar ook de andere sacramenten houden er verband mee. Alle zeven sacramenten geven de heiligmakende genade, maar telkens op een andere manier.