For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
10-12-2008
Niet alleen voor hen bid Ik....
John 17, 20-23
[20] Niet alleen voor hen bid Ik, maar ook voor degenen die door hun woord in Mij geloven: [21] dat* ze allen één mogen zijn. Zoals U, Vader, in Mij bent en Ik in U, zo moeten zij in Ons zijn, zodat de wereld kan geloven dat U Mij hebt gezonden. [22] Ik* heb hen laten delen in de heerlijkheid waarin U Mij hebt laten delen, opdat ze één mogen zijn zoals Wij één zijn: [23] Ik in hen zoals U in Mij; dat hun eenheid volkomen mag zijn, zodat de wereld kan erkennen dat U Mij hebt gezonden en dat U hen hebt liefgehad met de liefde die U Mij hebt toegedragen. [24] Vader, diegenen die U Mij hebt toevertrouwd, zou Ik graag bij Mij hebben waar* Ik ben, zodat ze de heerlijkheid zien waarin U Mij hebt laten delen, want vóór de grondvesting van de wereld had U Mij al lief. [25] Rechtvaardige Vader, hoewel de wereld U niet heeft gekend Ik heb U gekend zijn zij het die hebben erkend dat U Mij gezonden hebt. [26] Uw naam heb Ik hun bekend gemaakt en* dat zal Ik blijven doen, opdat de liefde die U Mij hebt toegedragen, in hen mag zijn opdat Ik in hen mag zijn
Met de liefde die de Vader Mij heeft toegedragen.....
John 15, 9-17
[9] Met* de liefde die de Vader Mij heeft toegedragen, heb Ik jullie liefgehad. Blijf in die liefde met Mij verbonden. [10] Als je mijn opdracht* ter harte neemt, zul je in liefde met Mij verbonden blijven, zoals ook Ik de opdracht van mijn Vader ter harte heb genomen en met Hem in liefde verbonden blijf. [11] Dit alles heb Ik jullie gezegd om jullie deelgenoot te maken van mijn eigen vreugde, en zo jullie vreugde volkomen te maken. [12] Dit is mijn opdracht: dat jullie elkaar* liefhebben met de liefde die Ik jullie heb toegedragen. [13] De grootste liefde die iemand zijn vrienden kan betonen, bestaat hierin dat hij zijn leven voor hen geeft. [14] Mijn vrienden zijn jullie, maar dan moeten jullie ook doen wat Ik jullie opdraag. [15] Voor Mij zijn jullie geen* dienstknechten meer: een knecht heeft geen begrip van wat zijn meester doet. Vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb vernomen, aan jullie heb meegedeeld. [16] Niet jullie hebben Mij uitgekozen; nee, Ik heb jullie uitgekozen en Ik heb jullie de taak gegeven eropuit te gaan en vrucht te dragen, vruchten* die blijvend zijn. Wat je de Vader ook vraagt in mijn naam, Hij zal het je geven. [17] Dit draag Ik jullie op: dat je elkaar liefhebt.
Ik laat jullie dus niet verweesd achter
John 14, 18-21
[18] Ik* laat jullie dus niet verweesd achter: Ik kom bij jullie terug. [19] Want nog maar een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, terwijl jullie Mij wel zullen zien, want evenals Ikzelf zullen ook jullie leven. [20] Op* die dag zul je inzien dat Ik in mijn Vader ben, en dat jullie in Mij zijn zoals Ik* in jullie ben. [21] Wie zich aan mijn opdracht gebonden weet en haar ter harte neemt, die is het die Mij liefheeft, en wie Mij liefheeft zal ondervinden hoe de Vader hém liefheeft, en ook Ik zal hem liefhebben en Mij aan hem openbaren.
Ik geef jullie een nieuw gebod,
John 13, 34 - 38 [34] Ik geef jullie een nieuw* gebod: dat je elkaar liefhebt. Met de liefde die Ik jullie heb toegedragen, moeten jullie ook elkaar liefhebben. [35] Daaraan zal iedereen kunnen zien dat jullie leerlingen van Mij zijn: als jullie onder elkaar de liefde bewaren. [36] Simon* Petrus zei tegen Hem: Waar gaat U dan heen, Heer? Jezus antwoordde: Waar Ik heen ga, kun je Mij nu nog niet volgen. Later zul je Mij volgen. [37] Maar Petrus hield vol: Waarom kan Ik U nu niet volgen, Heer? Ik ben bereid zelfs mijn leven voor U te geven! [38] Jezus antwoordde: Zo? Je bent bereid je leven voor Mij te geven? Waarachtig, Ik verzeker je: wanneer de haan kraait, zul je Me driemaal verloochend hebben.
Een kus hebt u Me niet gegeven, maar
Luc: 7, 42- 50 42] Ze konden het geen van beiden terugbetalen, en daarom schonk hij het hun. Wie van hen zal nu het meest van hem houden? [43] Ik veronderstel, zei Simon, degene aan wie hij het meeste geschonken heeft. Dat is juist, zei Jezus. [44] Daarop keerde Hij zich om naar de vrouw en zei tegen Simon: Ziet u deze vrouw? Ik kwam uw huis binnen. Water voor mijn voeten hebt u Me niet gegeven, maar zij heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haren afgedroogd. [45] Een kus hebt u Me niet gegeven, maar zij heeft sinds Ik hier binnenkwam onophoudelijk mijn voeten gekust. [46] Mijn hoofd hebt u niet met olie gezalfd, maar zij heeft mijn voeten gezalfd met balsem. [47] Daarom zeg Ik u dat haar vele zonden vergeven zijn, getuige haar grote liefde. Maar wie weinig wordt vergeven, heeft weinig liefde. [48] Tegen haar zei Hij: Uw zonden zijn vergeven. [49] De andere gasten zeiden toen onder elkaar: Wie is deze man, die zelfs zonden vergeeft? [50] Tegen de vrouw zei Hij: Uw vertrouwen* is uw redding. Ga in vrede.
U gaat voorbij aan het recht liefde tot God
Luc: 11, 42-53 42] Maar o wee u, farizeeën, u draagt* wel een tiende af van munt, wijnruit en allerlei andere kruiden, maar u gaat voorbij aan het recht en de liefde tot God. Het ene moet u doen, maar het andere niet laten. [43] Wee u, farizeeën, u bent gesteld op de ereplaatsen in de synagoge en u wilt gegroet worden op het marktplein. [44] Maar o wee! U bent net onzichtbare* graven, waar de mensen overheen lopen zonder het te weten. [45] Een van de wetgeleerden haakte daarop in: Rabbi, als U dat zegt beledigt U ons ook. [46] Hij zei: Wee ook u, wetgeleerden! U legt de mensen ondraaglijke lasten op, maar zelf steekt u er geen vinger naar uit. [47] O wee, u bouwt graftekens voor de profeten die uw voorvaders hebben gedood. [48] Daarmee bewijst u dat u het eens bent met wat uw voorvaders deden; zij hebben hen gedood en u bouwt de graftekens. [49] Daarom ook heeft de wijsheid van God gezegd: Ik zal profeten en apostelen naar hen sturen, en zij zullen hen doden en vervolgen. [50] Van deze generatie zal dus rekenschap geëist worden voor het bloed van alle profeten dat vergoten is vanaf de grondvesting van de wereld, [51] vanaf het bloed van Abel tot het bloed van Zacharias*, die gedood werd tussen het altaar en het tempelgebouw. Ja, Ik verzeker u, deze generatie zal daarvan rekenschap moeten geven. [52] Wee u, wetgeleerden, u hebt de sleutel van de kennis gestolen; zelf bent u niet naar binnen gegaan en wie naar binnen wilden, hebt u het belet. [53] Toen Hij daar wegging begonnen de schriftgeleerden en de farizeeën het Hem lastig te maken; ze ontlokten Hem uitspraken over allerlei onderwerpen [54] en stelden Hem strikvragen om Hem te kunnen vangen op een of andere uitspraak.
De weg naar de vrede....
Luc: 19, 41 - 44
[41] Toen Hij, vlakbij gekomen, de stad zag liggen, barstte Hij om haar in tranen uit. Hij zei: [42] Zag u op deze dag maar de weg naar de vrede; maar die is verborgen voor uw ogen. [43] Er* zal een tijd komen dat uw vijanden een wal tegen u opwerpen, u omsingelen en u van alle kanten insluiten. [44] Ze zullen u tegen de grond slaan en ook uw kinderen, en ze zullen van u geen steen op de andere laten, omdat u, toen God naar u omkeek, dat niet hebt onderkend.
Denk niet dat Ik op aarde vrede
Denk niet dat Ik op aarde vrede ......Mat:10, 34 - 42
[34] Denk niet dat Ik op aarde vrede ben komen brengen. Ik ben geen vrede komen brengen, maar een zwaard. [35] Want Ik ben gekomen om een wig te drijven tussen zoon en vader, tussen dochter en moeder, tussen schoondochter en schoonmoeder; [36] ja, huisgenoten worden vijanden. [37] Wie meer houdt van zijn vader of moeder dan van Mij, is Mij niet waard. Wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van Mij, is Mij niet waard. [38] Wie zijn kruis niet opneemt en Mij niet volgt, is Mij niet waard. [39] Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden. [40] Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft. [41] Wie een profeet ontvangt omdat het een profeet is, krijgt het loon van een profeet, en wie een rechtvaardige opneemt omdat het een rechtvaardige is, krijgt het loon van een rechtvaardige. [42] Wie één van deze kleinen een beker koud water geeft omdat het een leerling is, Ik verzeker jullie, zijn loon zal hem niet ontgaan
Benauwenis en vrede
Benauwenis en vrede Joh 16, 29 - 33
[29] Toen* zeiden zijn leerlingen: Kijk, nu gebruikt U eens geen versluierende taal, nu spreekt U onomwonden. [30] Nu zien we dat U alles weet: niemand hoeft U om uitleg te vragen. Daarom geloven we dat U van God bent uitgegaan. [31] Jezus* antwoordde hun: Zo? Jullie geloven nu? [32] Let op, er komt een uur, ja het is er al, dat jullie uiteengejaagd worden, ieder naar zijn eigen plek, en Mij alleen zullen laten. Hoewel: Ik ben niet alleen, de Vader is met Mij. [33] Dit alles heb Ik jullie gezegd opdat je in Mij vrede zult bezitten. In de wereld zal benauwenis jullie deel zijn, maar houd moed: Ik heb de wereld overwonnen.
Met de liefde
Joh: 15, 9 - 17
[9] Met* de liefde die de Vader Mij heeft toegedragen, heb Ik jullie liefgehad. Blijf in die liefde met Mij verbonden. [10] Als je mijn opdracht* ter harte neemt, zul je in liefde met Mij verbonden blijven, zoals ook Ik de opdracht van mijn Vader ter harte heb genomen en met Hem in liefde verbonden blijf. [11] Dit alles heb Ik jullie gezegd om jullie deelgenoot te maken van mijn eigen vreugde, en zo jullie vreugde volkomen te maken. [12] Dit is mijn opdracht: dat jullie elkaar* liefhebben met de liefde die Ik jullie heb toegedragen. [13] De grootste liefde die iemand zijn vrienden kan betonen, bestaat hierin dat hij zijn leven voor hen geeft. [14] Mijn vrienden zijn jullie, maar dan moeten jullie ook doen wat Ik jullie opdraag. [15] Voor Mij zijn jullie geen* dienstknechten meer: een knecht heeft geen begrip van wat zijn meester doet. Vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb vernomen, aan jullie heb meegedeeld. [16] Niet jullie hebben Mij uitgekozen; nee, Ik heb jullie uitgekozen en Ik heb jullie de taak gegeven eropuit te gaan en vrucht te dragen, vruchten* die blijvend zijn. Wat je de Vader ook vraagt in mijn naam, Hij zal het je geven. [17] Dit draag Ik jullie op: dat je elkaar liefhebt.
als iemand op een misstap betrapt wordt
De brief aan de Galaten 6, 1-18
[1] Broeders en zusters, als iemand op een misstap betrapt wordt, moet u, geestelijke mensen, zo iemand in een geest van zachtmoedigheid overeind helpen; let erop dat u niet ook zelf in verleiding komt. [2] Help elkaars lasten te dragen; op die manier zult u de wet* van Christus vervullen. [3] Want wie meent iets te betekenen, terwijl hij niets is, bedriegt zichzelf. [4] Laat ieder zijn eigen gedrag onderzoeken, dan zal hij zijn roem wel vóór zich houden en er zijn naaste niet mee lastig vallen; [5] want ieder heeft zijn eigen vracht* te dragen. [6] Wie onderricht ontvangt in het woord van God, moet zijn leermeester laten delen in alle goeds dat hij bezit. [7] Maak u niets wijs: God laat niet met zich spotten. Wat een mens zaait zal hij ook oogsten. [8] Wie zaait op de akker van zijn zondige natuur, zal van die natuur verderf oogsten; wie zaait op de akker van de Geest, zal van de Geest eeuwig leven oogsten. [9] Laten we onophoudelijk goed doen; want als we de moed niet opgeven, zullen we te zijner tijd de oogst binnenhalen. [10] Laten we dus, zolang we tijd hebben, goed zijn voor allen, maar vooral voor onze geloofsgenoten. [11] Zie met wat voor grote* letters ik* u nu eigenhandig heb geschreven. [12] De lieden die zo graag in menselijk opzicht een goed figuur willen slaan, trachten u alleen maar de besnijdenis op te dringen om niet vervolgd te worden vanwege het kruis van Christus. [13] Want die besnedenen onderhouden zelf niet eens de wet, maar willen wel dat u zich laat besnijden, om daarop trots te kunnen zijn. [14] Wat mij betreft: ik denk er niet aan mij op iets anders te beroemen dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor mij gekruisigd is en ik voor de wereld gekruisigd ben. [15] Het gaat niet om besnijdenis of onbesnedenheid, maar om de nieuwe schepping. [16] Laat vrede en barmhartigheid komen over allen die naar dit beginsel leven, en over het Israël van God! [17] Laat voortaan niemand het mij lastig maken, want ik draag de merktekens van Jezus in mijn lichaam. [18] Broeders en zusters, de genade van onze Heer Jezus Christus zij met uw geest. Amen.
RUTH
Terugkeer van Noömi en Ruth [1] IN de tijd van de rechters brak er in het land een hongersnood uit. Een man trok weg uit Betlehem, in Juda, om zich met zijn vrouw en zijn twee zonen als vreemdeling in de vlakte van Moab te vestigen. [2] De man heette Elimelek; zijn vrouw heette Noömi; de twee zonen heetten Machlon en Kiljon. Het waren Efratieten uit Betlehem in Juda. Toen zij de vlakte van Moab bereikten, bleven zij daar wonen. [3] Elimelek, de man van Noömi, stierf en zij bleef achter met haar zonen. [4] Die trouwden beiden met een Moabitische vrouw; de ene vrouw heette Orpa, de andere Ruth. Ongeveer tien jaar woonden zij daar. [5] Toen stierven ook Machlon en Kiljon, en na het verlies van haar beide zonen en haar man bleef de vrouw alleen achter. [6] Samen met haar schoondochters aanvaardde zij de terugtocht uit de vlakte van Moab, want zij had gehoord dat de HEER zich het lot van zijn volk had aangetrokken en het weer brood gaf. [7] Zij verliet dus, samen met haar beide schoondochters, de plaats waar zij gewoond had. [8] Maar op de terugweg naar Juda zei Noömi tegen haar beide schoondochters: Ga maar terug naar het huis van je moeder. De HEER moge jullie trouw blijven, zoals jullie het zijn gebleven tegenover de doden en mij. [9] Dat de HEER ieder van jullie een man geeft, in wiens huis je geborgenheid vindt. Daarop kuste zij hen. [10] Maar zij begonnen luid te wenen en zeiden: Nee, wij willen met u teruggaan naar uw volk. [11] Maar Noömi drong aan: Ga toch terug, mijn dochters! Waarom zouden jullie met mij meegaan? Heb ik dan nog zonen* in mijn schoot, die jullie mannen kunnen worden? [12] Ga toch terug, mijn dochters. Ik ben immers te oud om nog een man te krijgen. En al zou ik zeggen: Er is nog hoop voor mij, en al zou ik nog vannacht een man hebben en zonen krijgen, [13] wachten jullie dan tot ze groot zijn? Zouden jullie zo lang alleen blijven en zonder man leven? Nee, mijn dochters, mijn lot is te bitter voor jullie, want de hand van de HEER heeft zich tegen mij gekeerd. [14] Maar zij bleven luid wenen. Ten slotte kuste Orpa haar schoonmoeder vaarwel, maar Ruth klemde zich aan haar vast. [15] Noömi zei: Je schoonzuster gaat terug naar haar* volk en haar god. Ga toch met haar mee! [16] Maar Ruth antwoordde: Dring er niet langer op aan dat ik u verlaat en terugga, zo ver van u vandaan. Waar u gaat, ga ik; waar u blijft, blijf ik. Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God. [17] Waar u sterft, wil ik sterven en daar wil ik ook begraven worden. De HEER moge mij dit aandoen en nog erger, wanneer iets anders dan de dood ons zou scheiden. [18] Toen Noömi zag dat Ruth vastbesloten was om met haar mee te gaan, drong zij niet langer aan. [19] Samen gingen zij verder tot zij in Betlehem kwamen. Hun komst bracht de hele stad in beroering; de vrouwen zeiden: Maar dat is Noömi! [20] Zij antwoordde: Noem mij niet langer Noömi*; noem mij liever Mara, want de Almachtige* heeft mij een heel bitter leven gegeven. [21] Rijk ben ik hier weggegaan, met lege handen laat de HEER mij terugkomen. Waarom mij nog Noömi noemen, nu de HEER tegen mij heeft getuigd en de Almachtige mij zoveel ongeluk heeft gebracht? [22] Zo keerde Noömi, samen met haar schoondochter Ruth, de Moabitische, uit de vlakte van Moab terug. Zij kwamen in Betlehem aan bij het begin van de gersteoogst.
Hoofdstuk 2 Ruth ontmoet Boaz [1] Nu was Noömi aan de kant van haar man verwant aan een zekere Boaz, een vermogend man uit de familie van Elimelek. [2] Ruth, de Moabitische, zei tegen Noömi: Ik zou wel naar het land willen gaan om ergens achter een maaier, die mij dat toestaat, aren* te lezen. Noömi antwoordde: Doe dat, mijn dochter. [3] Zij ging dus naar het land om aren te lezen achter de maaiers. Toevallig kwam ze terecht op de akker van Boaz, uit het geslacht van Elimelek. [4] En daar kwam ook Boaz uit Betlehem. Hij zei tegen de maaiers: De HEER zij met jullie, en de maaiers antwoordden: Wees gezegend door de HEER. [5] Boaz vroeg de knecht die de leiding had over de maaiers: Van wie* is die jonge vrouw? [6] De knecht die de leiding over de maaiers had antwoordde: Het is een jonge Moabitische, die met Noömi is meegekomen uit de vlakte van Moab. [7] Zij vroeg of zij aren mocht lezen achter de maaiers. Sinds zij vanmorgen hier is gekomen, is zij onafgebroken bezig geweest en heeft zij zich amper rust gegund. [8] Toen zei Boaz tegen Ruth: Hoor eens, mijn dochter, je moet niet op een andere akker gaan lezen. Ga hier niet vandaan en sluit je aan bij de vrouwen die hier werken*. [9] Volg ze op de voet en houd je ogen gevestigd op de akker die gemaaid wordt. Ik heb mijn knechten opdracht gegeven je te laten begaan. En als je dorst krijgt, ga dan naar de waterkruiken en drink van het water dat de knechten geput hebben. [10] Ruth wierp zich diep gebogen ter aarde en zei: Waaraan heb ik het verdiend dat u zo goed voor mij bent? Ik ben toch maar een vreemdeling. [11] Boaz antwoordde: Er is mij verteld wat je na de dood van je man allemaal voor je schoonmoeder hebt gedaan; vader, moeder en geboorteland heb je verlaten om naar een volk te gaan dat onbekend voor je was. [12] De HEER, de God van Israël, onder* wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht, moge je dat vergelden en je rijkelijk belonen. [13] Ruth antwoordde: U bent goed voor mij, mijn heer, door mij gerust te stellen en zo vriendelijk tot uw dienares te spreken, terwijl ik niet eens een van uw dienaressen ben. [14] Toen het etenstijd was, zei Boaz tegen haar: Kom erbij, dan kun je met ons eten en je brood dopen in de azijn. Zij ging bij de maaiers zitten en Boaz gaf haar gepoft graan. Zij at tot ze verzadigd was en hield nog over. [15] Toen zij opstond om weer aren te gaan lezen, gaf Boaz zijn knechten bevel: Ook rondom de schoven mag zij lezen en jullie mogen het haar niet lastig maken; [16] integendeel, trek opzettelijk wat aren uit de schoven en laat die vallen; en als zij die opraapt houd haar dan niet tegen. [17] Zo bleef zij tot de avond aren lezen op het land. Toen zij de aren leeg klopte die ze had bijeengelezen, had ze bijna een hele efa gerst. [18] Ze ging daarmee naar de stad, en liet haar schoonmoeder zien hoe veel zij verzameld had. Daarna haalde zij ook het overschot van de overvloedige maaltijd tevoorschijn en gaf dit aan haar. [19] Haar schoonmoeder vroeg: Waar heb jij vandaag aren gelezen? Waar heb je gewerkt? Gezegend wie zo vriendelijk voor je geweest is. En Ruth vertelde haar schoonmoeder bij wie ze gewerkt had. De man bij wie ik vandaag gewerkt heb, zei ze, heet Boaz. [20] Toen zei Noömi tegen haar schoondochter: Moge die man, die tegenover de levenden en de doden zijn goedheid laat gelden, gezegend zijn door de HEER. Zij vervolgde: Die man is aan ons verwant; hij is een van degenen die familieverplichtingen* tegenover ons hebben. [21] Ruth, de Moabitische, zei: Hij heeft mij zelfs gezegd dat ik mij bij zijn knechten kon aansluiten totdat al zijn koren gemaaid is. [22] Noömi antwoordde: Het is goed, mijn dochter, dat je meegaat met de vrouwen die bij hem werken. Op een andere akker zouden ze je misschien moeilijkheden bezorgen. [23] Ruth bleef dus bij de vrouwen die bij Boaz werkten tot het einde van de gerste- en tarweoogst om aren te lezen. Zij woonde bij haar schoonmoeder
Hoofdstuk 3 Ruth en Boaz op de dorsvloer [1] Op een zekere dag zei Noömi, de schoonmoeder van Ruth: Mijn dochter, ik zou jou graag onderdak willen geven waar je gelukkig kunt zijn. [2] Je weet dat Boaz, bij wie je met de vrouwen op het land hebt gewerkt, familie van ons is. Nu gaat hij vannacht op de dorsvloer de gerst wannen. [3] Was je en parfumeer je, doe je mantel om en ga naar de dorsvloer, maar zorg ervoor dat de man je niet opmerkt voordat hij klaar is met eten en drinken. [4] Wanneer hij gaat slapen, let dan goed op waar hij gaat liggen. Dan ga jij erheen, je slaat de deken aan zijn voeteneind op en je gaat daar liggen. Hij zal je dan wel vertellen wat je moet doen. [5] Ruth antwoordde: Ik zal doen wat u mij zegt. [6] Zij ging naar de dorsvloer en deed wat haar schoonmoeder had gezegd. [7] Boaz at en dronk, en ging goedgemutst naast de graanhoop slapen. Zachtjes liep Ruth naar hem toe, sloeg de deken aan zijn voeteneind op en ging liggen. [8] Midden in de nacht schrok Boaz wakker: hij ging overeind zitten en zag aan zijn voeten een vrouw liggen. [9] Hij vroeg: Wie ben je? Zij antwoordde: Ik ben Ruth, uw dienares. Spreid* uw mantel uit over uw dienares, want u hebt familieverplichtingen tegenover mij. [10] Hij zei: Mijn dochter, wees gezegend door de HEER! Dit* bewijs van trouw is nog mooier dan het vorige; je hebt geen jonge mannen nagelopen, geen arme en geen rijke. [11] Maak je niet ongerust, mijn dochter; ik zal doen wat je van mij vraagt; iedereen in de stad weet immers dat je een bekwame vrouw bent. [12] Het is inderdaad waar dat ik familieverplichtingen tegenover je heb, maar er is nog iemand anders die deze verplichtingen heeft en die meer aan je verwant is dan ik. [13] Blijf vannacht maar hier. Blijkt morgen dat die man zijn verplichtingen tegenover jou wil nakomen, goed, laat hij ze nakomen. Is hij er niet toe bereid, dan zal ik, zowaar de HEER leeft, mijn verplichtingen tegenover jou nakomen. Slaap nu maar rustig tot het ochtend is. [14] Zij bleef tot de ochtend aan zijn voeten liggen en nog voordat het zó licht werd dat men iemand kon herkennen stond zij op, want Boaz had gezegd: Niemand mag weten dat een vrouw op de dorsvloer geweest is. [15] Hij zei tegen Ruth: Kom hier met je omslagdoek en houd hem open. Zij hield hem open en hij mat zes maten gerst af en deed die erin. Daarna ging zij naar de stad. [16] Toen ze bij haar schoonmoeder kwam, vroeg deze: Hoe is het je vergaan, mijn dochter? Ze vertelde wat de man voor haar gedaan had [17] en zei: Hij heeft me zes maten gerst meegegeven en hij zei: Jij mag bij je schoonmoeder niet met lege handen aankomen! [18] Noömi antwoordde: Blijf nu maar hier, mijn dochter, tot je weet hoe de zaak geregeld wordt. Die man zal niet rusten totdat hij vandaag nog de zaak in orde heeft gebracht.
Hoofdstuk 4 Boaz huwt Ruth [1] Intussen was Boaz naar de stadspoort gegaan en had daar plaatsgenomen. Toen hij de man zag voorbijkomen die familieverplichtingen tegenover Ruth had en over wie hij had gesproken, riep hij: Zeg Dinges, kom eens hier en ga zitten! De man kwam en ging zitten. [2] Daarop haalde Boaz er tien van de oudsten van de stad bij en verzocht hun plaats te nemen. Toen zij waren gaan zitten [3] zei hij tegen de man die tegenover Ruth familieverplichtingen had: Het stuk land dat eigendom was van onze broeder Elimelek wordt te koop aangeboden door Noömi, die teruggekeerd is uit de vlakte van Moab. [4] Ik vond dat ik je dit moest meedelen en je zeggen: koop dat stuk land, ten overstaan van hen die hier zitten, ten overstaan van de oudsten van het volk. Wil je van je recht gebruik maken, doe het dan. Wil je het niet, zeg het mij dan, want na jou heeft niemand hier rechten, behalve ik. De man antwoordde: Ik laat mijn recht gelden. [5] Maar Boaz zei: Op het ogenblik dat je van Noömi de akker koopt, koop* je meteen Ruth, de Moabitische, de vrouw van de overledene, om de naam van de overledene op zijn familiebezit te laten voortbestaan. [6] Toen verklaarde de man die familieverplichtingen had tegenover Ruth: Dan kan ik mijn recht niet laten gelden. Het zou de ondergang* van mijn familiebezit worden. Neem jij mijn rechten maar over; ik kan mijn verplichtingen niet nakomen. [7] Bij terugkoop of ruil bestond vroeger in Israël het volgende gebruik: om de zaak rechtsgeldig te maken, deed* de ene partij een sandaal uit en gaf die aan de andere. Zo werd in Israël een overeenkomst bekrachtigd. [8] De man die dus aanspraak kon maken op de koop zei tegen Boaz: Koop jij die grond maar! En hij deed zijn sandaal uit. [9] Boaz van zijn kant zei tegen de oudsten en tegen heel het volk: Hiermee bent u getuige dat ik van Noömi het hele bezit van Elimelek koop, met alles wat heeft toebehoord aan Kiljon en Machlon. [10] Bij deze koop is Ruth ingesloten, de Moabitische, de weduwe van Machlon: ik neem haar als vrouw, om de naam van de overledene op zijn familiebezit te laten voortbestaan, zodat die naam niet verdwijnt uit zijn familie en uit de poort van zijn stad. Hiermee bent u getuige. [11] Het volk dat in de poort bijeen was, en de oudsten riepen uit: Wij zijn getuige! Moge de HEER van de vrouw die uw huis binnentreedt een Rachel en een Lea maken, die samen het huis van Israël hebben gebouwd. Word rijk in Efrata en maak uw naam beroemd in Betlehem. [12] Uw huis moge worden als dat van Peres, de zoon van Tamar en Juda, door de kinderen die de HEER u uit deze jonge vrouw zal geven. [13] Zo nam Boaz Ruth tot vrouw. Hij had gemeenschap met haar; door de gunst van de HEER werd zij zwanger en baarde een zoon. [14] Toen zeiden de vrouwen tegen Noömi: Gezegend de HEER, die je nu toch nog een erfgenaam* heeft geschonken, wiens naam in Israël beroemd zal zijn. [15] Hij zal je doen herleven en zorgen voor je oude dag, want je schoondochter, die zoveel van je houdt, heeft hem gebaard, zij die meer betekent voor jou dan zeven zonen. [16] Noömi nam het kind op haar schoot en verzorgde het. [17] De buurvrouwen gaven het kind een naam en zeiden: Noömi* is een zoon geboren. Zij noemden het kind Obed. Hij is de vader* van Isaï, de vader van David.
[18] Dit* zijn de nakomelingen van Peres. Peres verwekte Chesron, [19] Chesron verwekte Ram, Ram verwekte Amminadab, [20] Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salma, [21] Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed, [22] Obed verwekte Isaï en Isaï verwekte David.
Gebed van Judit
Gebed van Judit - Jdt 9,1-14 [1] Judit strooide as op haar hoofd, ontdeed zich van haar kleding, behalve van haar boetekleed*, en wierp zich ter aarde. Terwijl in Jeruzalem in het huis van God het wierookoffer* werd opgedragen, riep Judit met luide stem de Heer aan: [2] Heer God van mijn vader Simeon, U hebt mijn vader een zwaard ter hand gesteld, om wraak te nemen op de vreemdelingen die de gordel van een maagd losmaakten om haar te schande te maken, haar ledematen ontblootten om haar te onteren, en haar schoot ontwijdden om haar te beschamen. Ofschoon U verboden had zoiets te doen, hebben zij dat toch gedaan. [3] En daarom hebt U hun aanvoerders uitgeleverd aan de dood, en hun bed, dat zich schaamde over hun verraad, hebt U door verraad in bloed gedrenkt. U hebt de slaven gedood tezamen met de heren, de heren op hun troon. [4] Hun vrouwen hebt U aan uw geliefde zonen als buit gegeven, hun dochters aan hen uitgeleverd en heel hun bezit onder hen verdeeld, omdat zij brandden van ijver voor U, de ontering van hun bloed verfoeiden en U te hulp riepen. O God, mijn God, verhoor ook mij, de weduwe*. [5] U bent het die dat alles bewerkt hebt, evenals wat eraan voorafging en wat erop volgde. Wat vandaag is en morgen komt, hebt U beraamd; wat U in de geest had is gebeurd. [6] De dingen waartoe U besluit, dienen zich aan en zeggen: Hier zijn we. Want al uw wegen hebt U reeds gebaand en wat U beslist, hebt U reeds voorzien. [7] Zie, de Assyriërs zetten een hoge borst op vanwege hun legermacht, zij snoeven op hun paarden en ruiters, gaan prat op de sterke arm van hun voetvolk en vertrouwen op schild en speer, op boog en slinger, en ze weten niet dat U de Heer bent die alle oorlogstuig kan vernietigen. [8] Uw naam is Heer: verpletter dan met uw macht hun leger, breek in uw woede hun kracht. Zij zijn immers van plan om uw heiligdom te ontwijden, de tent te ontheiligen waarin uw heerlijke naam woont en met ijzer de hoorns van uw altaar af te slaan. [9] Zie hun overmoed, stort uw woede uit over hun hoofd, schenk mijn hand de kracht die ik, weduwe, nodig heb om mijn plan uit te voeren. [10] Sla door het verraad van mijn lippen de slaaf, samen met zijn heer, en de heer samen met zijn knecht. Verbrijzel hun trots door de hand van een vrouw*. [11] Want uw kracht ligt niet in een groot aantal, noch ligt uw macht bij de sterken, maar U* bent de God van de vernederden, de hulp van de geringen, de steun van de zwakken, de beschermer van de miskenden, de redder van de wanhopigen. [12] God van mijn vader, God van het erfdeel van Israël, gebieder van hemel en aarde, schepper van de wateren, koning van heel uw schepping, verhoor mijn smeekbede. [13] Laat mijn bedrieglijk woord als een bloedige gesel neerkomen op hen die gruwelijke plannen smeedden tegen uw verbond, uw heilige woning, de berg van Sion en het huis dat uw zonen bezitten. [14] Laat heel uw volk en alle stammen ondervinden dat U God bent, de God van alle macht en sterkte, want er is geen ander dan U die het huis Israël beschermt.
GEBED VAN ESTER
Est gr 65284,11-24
[11] Mijn Heer, onze koning, U bent de Enige! Kom mij te hulp, ik die alleen sta en geen andere helper heb dan U, want ik ga een groot gevaar tegemoet. [12] Vanaf mijn geboorte heb ik in de stam, waaruit ik voortkom, gehoord, dat U Heer, uit alle naties Israël en uit al hun voorouders onze vaderen hebt aangenomen als een blijvend erfdeel, en dat U voor hen alles hebt gedaan wat U beloofd had. [13] Wij echter hebben tegen U gezondigd en U hebt ons aan onze vijanden uitgeleverd, omdat wij hun goden geëerd hebben. U bent rechtvaardig, Heer! [14] Nu echter is onze bittere slavernij hun niet meer genoeg; zij hebben tegenover hun afgoden op handslag beloofd de toezegging uit uw mond te verijdelen, uw erfdeel te vernietigen, de mond te snoeren van hen die U prijzen, de luister van uw huis en uw altaar uit te doven, [15] de mond van de naties te openen om hun waangoden te prijzen, en eeuwige eerbied af te dwingen voor een vergankelijke koning. [16] Geef uw scepter, Heer, niet prijs aan hen* die niet bestaan en laat ze niet lachen om onze ellende. Keer hun plan tegen henzelf en stel de man die tegen ons begonnen is aan de kaak. [17] Gedenk ons, Heer, openbaar u in het uur van onze nood en geef mij moed, U, koning van de goden en heerser over alle heerschappij. [18] Leg mij een gelukkig woord in de mond, als ik tegenover de leeuw* sta; verander zijn gezindheid en breng hem tot haat tegen de man die ons bestrijdt, zodat hij en zijn medestanders te gronde gaan. [19] Red ons door uw hand en kom mij te hulp, want ik sta alleen en heb niemand anders dan U, Heer. [20] Van alles draagt U kennis en U weet ook, dat ik het eerbetoon van de wettelozen verfoei en het bed verafschuw van de onbesnedenen en van alle vreemdelingen. [21] U weet, dat ik niet anders kan en dat ik een afschuw heb van het teken van mijn waardigheid, dat ik op mijn hoofd draag op de dagen dat ik mij vertonen moet. Ik walg ervan, als van een doek vol menstruatiebloed en ik draag het nooit op de dagen dat ik rust heb. [22] Uw dienares heeft niet gegeten van de tafel van Haman, en ik heb geen feestmaal van de koning eer aangedaan en ik heb niet gedronken van de offerwijn. [23] Sinds de dag dat ik hierheen ben overgebracht tot vandaag toe, heeft uw dienares haar vreugde alleen gevonden in U, Heer, God van Abraham. [24] God, U die macht hebt over iedereen, aanhoor de stem van de wanhopigen, red ons uit de hand van de boosdoeners, red mij uit mijn angst.
Triomf van de rechtvaardigen
Triomf van de rechtvaardigen - Mal 3,1-24 [13] Uw woorden ergeren Mij, zegt de heer. U vraagt: Wat was er in onze gesprekken dan tegen U gericht?
[14] U hebt gezegd: Het is zinloos God te dienen. Wat winnen wij ermee, dat wij zijn geboden onderhouden en voor de heer van de machten in boetekleren lopen?
[15] Het is immers zo, dat wij degenen die God trotseren gelukkig prijzen; degenen die kwaad doen gaat het voor de wind en degenen die God op de proef stellen brengen het er goed af.
[16] Toen spraken degenen die de heer vrezen met elkaar. En de heer heeft geluisterd en het gehoord. En voor zijn aangezicht werd een gedenkschrift* opgesteld aangaande hen die de heer vrezen, hen die zijn naam eerbiedigen.
[17] Zij zullen mijn eigendom zijn zegt de heer van de machten op de dag die Ik ga maken. Dan zal Ik hen sparen, zoals een man zijn zoon spaart, wanneer die hem dient.
[18] Dan zult u opnieuw het verschil zien tussen de rechtvaardige en de boosdoener, tussen degene die God dient en degene die Hem niet dient.
[19] Want weet wel: hij gaat komen, de dag die zal branden als een oven. Al degenen die God trotseren en al degenen die kwaad doen, zij worden kaf. De dag die gaat komen steekt hen in brand zegt de heer van de machten de dag die wortel noch tak van hen overlaat.
[20] Maar voor u, die mijn naam vreest, gaat dan de zon* van de gerechtigheid op, die met haar vleugels genezing brengt. Dan zult u dansend naar buiten komen, als kalveren die op stal hebben gestaan,
[21] en u zult de boosdoeners vertrappen; ze zullen stof onder uw voetzolen zijn, op de dag die Ik ga maken zegt de heer van de machten.
Waarom roepen jullie Heer
Lc 6,17-49
[46] Waarom roepen jullie Heer! Heer! tegen Mij en doen jullie niet wat Ik zeg? [47] Iedereen die bij Mij komt, Mij hoort en doet wat Ik zeg Ik zal jullie laten zien op wie zo iemand lijkt. [48] Hij lijkt op iemand die bij het bouwen van zijn huis een diep gat groef en de fundering op de rots legde. Toen kwam er een overstroming en de rivier beukte tegen het huis, maar kon het niet aan het wankelen brengen, want het was goed gebouwd. [49] Maar wie hoort en niet doet, lijkt op iemand die een huis zomaar op de grond bouwde, zonder fundering: de rivier beukte ertegen en meteen stortte het in, en dat huis werd één grote ruïne.
Het volgen van de Mensenzoon
Het volgen van de Mensenzoon Lc 9, 57- 62
[57] Terwijl ze hun reis voortzetten, zei iemand onderweg tegen Hem: Ik wil U volgen, waar U ook naartoe gaat. [58] Jezus zei tegen hem: De vossen hebben een hol, en de vogels van de hemel een nest, maar de Mensenzoon kan nergens het hoofd neerleggen. [59] Tegen een ander zei Hij: Volg Me. Die zei Hem: Heer, sta me toe eerst mijn vader te gaan begraven. [60] Maar Hij zei hem: Laat de doden hun doden begraven; u moet het koninkrijk van God gaan verkondigen. [61] Weer een ander zei: Ik wil U volgen, Heer, maar sta me toe eerst thuis afscheid te nemen. [62] Tegen hem zei Jezus: Wie de hand aan de ploeg slaat en dan nog eens omkijkt, deugt niet voor het koninkrijk van God.
Daarna zal het gebeuren
1] Daarna zal het gebeuren: Joël 3, 1- 5 Ik zal mijn geest uitgieten over alle mensen, profeteren zullen uw zonen en uw dochters, uw ouderen zullen dromen krijgen, uw jonge mannen zullen visioenen zien.
[2] Zelfs over de dienaren* en de dienaressen giet Ik mijn geest uit in die dagen.
[3] Ik zal wonderen* verrichten in de hemel en op de aarde: bloed, vuur en zuilen van rook.
[4] De zon zal veranderen in duisternis, de maan in bloed, voordat de dag van de heer komt, de grote, angstwekkende dag.
[5] Zo zal het gaan: ieder die de naam van de heer aanroept, zal worden gered. Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal de redding zijn, zoals de heer gezegd heeft. En zij die door de heer worden geroepen, zullen degenen zijn die ontkomen.
Dank voor verleende hulp
Dank voor verleende hulp - Fil 4,10-20 [10] Ik was er in de Heer bijzonder verheugd over dat uw belangstelling voor mij nu eindelijk tot bloei is gekomen; het ontbrak u niet aan interesse, maar u had de kans niet. [11] Ik zeg dit niet omdat ik tekort kom, want ik heb geleerd in alle omstandigheden mijzelf genoeg te zijn. [12] Ik weet wat het is om armoede te lijden, ik weet ook wat het is om in overvloed te leven. Ik ben volledig ingewijd. Ik kan volop eten en ik kan honger lijden, ik kan in overvloed leven en ik kan armoede lijden. [13] Ik kan alles aan, dankzij Hem die mij kracht geeft. [14] Toch hebt u er goed aan gedaan mij te helpen in mijn moeilijkheden. [15] U* weet het zelf ook wel, Filippenzen: in het begin van mijn evangelieprediking, bij mijn vertrek uit Macedonië, heeft geen enkele gemeente met mij een lopende rekening geopend, behalve de uwe. [16] Al in Tessalonica hebt u mij tot tweemaal toe gestuurd wat ik nodig had. [17] Niet dat het mij om uw giften te doen is; het is mij erom te doen dat het tegoed op uw rekening toeneemt. [18] Al wat mij toekwam heb ik al ontvangen, en meer dan dat. Ik heb meer dan genoeg, dankzij Epafroditus, die mij uw gaven heeft overgebracht. Die zijn een welriekende geur, een aangenaam en welgevallig offer voor God. [19] En mijn God zal vanuit zijn rijkdom in al uw noden voorzien door u de heerlijkheid te schenken in Christus Jezus. [20] Aan onze God en Vader zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen.
Ik bedoel dit...................
Kor 7 - 29-40
[29] Ik bedoel dit, broeders en zusters: de* tijd is kort. Laten daarom zij die een vrouw hebben, doen alsof zij er geen hadden; [30] zij die huilen, alsof zij niet huilden; zij die zich verheugen, alsof zij niet verheugd waren; zij die kopen, alsof zij geen eigenaar werden. [31] Zij die met het aardse omgaan, moeten er niet in opgaan, want de wereld die wij zien, gaat voorbij. [32] Ik zou willen dat u zonder zorgen was. Wie niet getrouwd is, heeft zorg voor de zaak van de Heer en wil de Heer behagen. [33] Maar de getrouwde heeft zorg voor aardse zaken en wil zijn vrouw behagen; [34] zijn aandacht is verdeeld. Een ongetrouwde vrouw en een ongetrouwd meisje dragen zorg voor de zaak van de Heer; zij willen heilig zijn naar lichaam en geest. De getrouwde vrouw wijdt haar zorgen aan aardse dingen en wil haar man behagen. [35] Dit alles zeg ik voor uw eigen bestwil, niet om uw vrijheid aan banden te leggen; het gaat mij alleen om de eerbaarheid en een onverdeelde toewijding aan de Heer. [36] Als* iemand meent dat hij zich onbetamelijk jegens zijn meisje gedraagt, omdat zijn verlangen te heftig wordt en de dingen hun loop moeten hebben, laat hem dan doen wat hij wil: laten zij trouwen, daar steekt geen kwaad in. [37] Maar als hij het voor zichzelf zeker weet en, vrij van dwang, meester is van zijn eigen keus, en als hij voor zichzelf besloten heeft haar maagdelijkheid te respecteren, dan handelt hij uitstekend. [38] Met andere woorden: wie met zijn meisje trouwt doet goed, wie haar niet trouwt doet beter*. [39] Een vrouw is aan haar man gebonden zolang hij leeft. Is haar man ontslapen, dan is zij vrij om te trouwen met wie zij wil, maar alleen met een christen. [40] Toch is zij gelukkiger als zij ongehuwd blijft; althans zo denk ik erover, en ook ik bezit de Geest van God, vind ik.