For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
Gastenboek
Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Wonder
23-05-2011
Moeder Maria, Hulp van de Christenen.
Levensgroei.
Door de verdienste kan ons leven snel groeien. Beginsel van groei in ons is Gods genade. Zoals de persoonlijke mensheid van Jezus, hier op aarde, steeds in wasdom toenam, zo wil Jezus ook in ons, zijn ledematen, groeien en tot de volmaakte leeftijd komen. "Wij zullen, de waarheid belijdend, in ieder opzicht groeien in de liefde, in Christus die ons Hoofd is". De liefde vormt alles om, de meest gewone handelingen zelfs. De christen behoeft slechts met Christus verenigd te zijn en Diens wil te doen, om aan zijn leven een hoge waarde, en aan zijn daden een onmetelijke prijs te geven. Hoe alledaags, hoe gemakkelijk, hoe gering zijn handelingen ook zijn, worden zij uit liefde gedaan, dan zijn het bovennatuurlijke daden; zij geven glorie aan God en winnen zijn bijzijn.
Men bedenkt niet genoeg, hoe gemakkelijk de christen de genade in zich kan vermeerderen en de tegenwoordigheid van de Heilige Drieëenheid in zijn ziel versterken. Door verdienstelijke daden groeit de genade steeds aan. Doet de liefde u een akt verwekken, die uw gewone gesteltenis overtreft in kracht, dan is uw verdienste vermeerderd, vermenigvuldigd en gaat alle voorafgaande verdiensten te boven. Opnieuw stort de Heilige Drieëenheid haar goddelijk leven in u uit. En toch was een geringe akt voldoende, soms een eenvoudige verzuchting van het hart, maar geheel van liefde doordrongen.
Slechts met enige huivering kan men aan de volmaaktheid denken die ieder van ons zou kúnnen bereiken. De genade is zo iets groots en zo machtig. De getrouwheid aan de genade geeft, om zo te zeggen, aan Gods edelmoedigheid de vrijheid; is men aan een genade getrouw, dan voert deze weer een andere mee, machtiger, krachtdadiger. God stort Zich opnieuw in de ziel uit. De liefde voert haar omhoog.
Zien wij op naar Maria; óns leven heeft zij geleefd en dóór het te leven verdiende zij onmetelijke genaden. En zij bezit die genaden, om ze óns mee te delen. Alle wegen die wij moeten volgen, heeft ook zij gevolgd. Alle vreugden en alle smarten heeft zij gekend. Alle toestanden van Jezus heeft ook zij doorlopen. Zij heeft al zijn mysteriën beleefd en er aan meegewerkt; de volle vruchten er van vindt men dan ook in háár. Alle genaden van Jezus leven, dat wij moeten nabeelden, zijn dus in háár en vloeien uit haar over, om in óns te komen, en onze zielen binnen te leiden in het leven van Christus.
Maria is geschapen naar Jezus beeld; geen enkel schepsel geeft zijn volmaaktheden zo nauwkeurig weer. Alle genaden en gaven, alle deugden van Maria zijn aan Hem te danken. Méér nog, in haar leven vindt men in haar de schone weergave van Jezus zijns- en handelwijze.
De gelijkenis met Jezus, waarnaar ook wij moeten streven, is bij haar volmaakte werkelijkheid geworden. Wilt gij weten, hoe Jezus de Vader aanbad en tot Hem smeekte, hoe Hij met de naaste en met de zondaars omging; wilt gij zijn goedheid, zijn minzaamheid, zijn barmhartigheid kennen, zijn vertrouwelijke omgang met zijn vrienden, de edelmoedigheid van zijn liefde: beschouw Maria. Dit alles vindt gij in háár; zij spreidt het ten toon en bij die sublieme weergave legt zij er tevens haar moederlijke zachtheid in.
"Gij zijt vol van genade", zeide de engel van de Menswording. Marias heiligheid was toen reeds onmetelijk. Vanaf de eerste ogenblikken van haar bestaan had God haar met zijn gaven overstelpt; alles wat Hij aan goddelijk leven een louter schepsel schenken kon, had zij ontvangen. De volheid bezat zij in heel de vatbaarheid van haar wezen. En die vatbaarheid overschreed elke voorstelling van menselijke verbeelding, want God was van plan in zijn Moeder samen te brengen, al wat Hij in zijn ledematen bewerken zou; zij moest het hart worden van het leven van de Kerk. Toen reeds bezat zij dus een onmetelijke genadenschat. Toch is de genade steeds blijven groeien.
Helaas, wij weten het maar al te goed, zelfs heiligen blijven stilstaan en vallen; in de goddelijke werking mengen zij hun persoonlijke strevingen. Zelfs in de heiligen doet God niet alles wat hij zou willen.
Maria echter gaf zich geheel en al aan de genade over. Geen enkele schuld, geen enkele onvolmaaktheid kwam ooit haar opgang stuiten. Haar wil, met die van God verenigd, streefde met onweerstaanbare kracht omhoog. Vanaf haar ontvangenis ging zij met standvastige liefde naar God. Zij was geheel en al gericht naar God. Al haar levensdaden ontsproten uit een overgrote liefde, die elke genade deed groeien. Zij hield niet op te klimmen in heiligheid, omdat zij voortdurend steeg in liefde. De menselijke verbeelding is dan ook te zwak, om haar vooruitgang te kunnen volgen. Elk uur bracht een onschatbare aanwas. Niets van de Goddelijke stuwkracht zou zij verliezen. De genade breidde in haar zich uit als in de hemel. Ieder ogenblik trok de trouw van haar liefde de heilige Drieëenheid tot haar, die Zich dan uitstortte in een nieuwe vloed. Onophoudelijke overstroming van goddelijk leven.
Die nieuwe verdiensten verwierf zij vooral bij elke ontvouwing van het Christusmysterie. Willen wij een voorbeeld, zien wij dan slechts, wat er in Maria plaats greep, toen zij Jezus in haar schoot droeg. Een uitwisseling van onvergelijkelijke liefde! Die vereniging reeds in het gemeenschappelijke vlees! Maria gaf aan Jezus het zuiverste van haar eigen vlees, om zijn lichaam te vormen; zij gaf Hem het bloed, dat de wereld moest vrijkopen; zij vormde het hart en de mensheid, waaruit zoveel genaden zouden voortvloeien. Met een onuitsprekelijke tederheid schonk zij die gave, met een liefde geheel doorstraald van Jezus licht, dat haar klaarheid schonk omtrent het einddoel van dit mysterie. En die liefde beantwoordde Jezus, zoals alleen God het doen kan. Wat er in Marias schoot plaats greep, herinnert aan de theologische leer over het innerlijke leven van de heilige Drieëenheid, over die eeuwige uitwisseling van licht en liefde tussen de drie goddelijke Personen, over die in-elkaar-woning, die het goddelijke geluk uitmaakt; zo bestond ook tussen Jezus en zijn Moeder een wonderbare, door God alleen te begrijpen uitwisseling van tederheid. Welk een genadenvloed bracht de Bewerker van de genade door zulke onmiddellijke en voortdurende contacten in Maria teweeg! Een zo enige, zo volmaakte band! Alleen de tegenwoordigheid slechts van het Woord was onophoudelijk oorzaak van genade, en Marias volmaakte gesteltenissen droegen er toe bij, de genadenstroom rijker en eindeloos te maken.
De innige verbinding met de mensheid eist een ander, een geestelijk, een nog inniger contact door de genade. "Onze Heer Jezus Christus verenigt Zich altijd slechts lichamelijk met de bedoeling, Zich nauwer geestelijk te verbinden..... Als dit zo is, o verheven Maagd, dan denk ik van u iets zó groots, dat het mij niet alleen aan wóórden ontbreekt, om het uit te drukken, maar mijn geest ook de grootste moeite ondervindt, om het voor zichzelf in een helder licht te plaatsen. Want uw vereniging met Jezus lichaam in uw gezegende schoot was van dien aard, dat men zich geen inniger denken kan. Stond de vereniging met de geest daarmee niet in de juiste verhouding, dan zou aan de rechtmatige vordering van Jezus liefde te kort zijn gedaan, Hij zou geweld in u lijden. Om Hem te bevredigen, moet gij dus met Hem evenzeer verenigd zijn in de geest, als gij Hem nauw verwant zijt door de banden van natuur en bloed. En wijl deze vereniging door de genade wordt bewerkt, wát kan men denken en wát kan men zeggen? Wáár moeten onze gedachten haar vlucht staken, willen wij geen onrecht doen aan die grootheid. En brengen wij alle gaven in Gods schepselen bijeen, kan dan dit alles uw volheid wel evenaren?" "Jezus," zegt Bérulle, "trekt haar tot Zich, voert haar in Zich mee. En die twee harten van Jezus en Maria, door de natuur zo na verwant en vereend, zijn door de genade nog veel meer en veel inniger verbonden, zij leven in elkander."
Gedurende geheel haar leven heeft Maria op die wijze deelgenomen aan de mysteriën van haar Zoon. Door deze mysteriën ontvouwde God langzamerhand zijn verborgen wereldplannen. Maria was er de vertrouwelinge van. Méér nog, in deze mysteriën nam zij een plaats als mede-verlosseres in. Zij werkte er in mee en God verlichtte haar voor die medewerking. Dit alles vermeerderde haar verdienste, want zij werkte in het licht en in de liefde. Denk eens aan haar verdienste aan de voet van het kruis. Haar mede-lijden was een werk van liefde: liefde tot God en liefde tot de mensen. Uit liefde gaf zij haar Zoon. Wat een zee van verdiensten! Welke genaden moest zij niet verwerven, toen zij, door haar moederschap van smarten, inderdaad de moeder van alle Godskinderen werd. Voeg hierbij de groei door de stage gang van het dagelijkse leven. Nooit een smet, nooit een val, nooit stilstand in de aanwas van die genadenzee. Aanhoudende vooruitgang. Elke daad van de Moedermaagd bracht groei. God vervulde haar met licht waarin de liefde speelde en de maat er voor was geen andere dan haar gestadig groeiende vatbaarheid.
"Die uitgaat om te zaaien" werpt elke minuut zijn zaad, en alles verzamelt zij gewillig, liefdevol; alles behoudt zij voor een honderdvoudige oogst. "De jaren snellen voort," zegt Bérulle, "de genaden vermeerderen, en in deze genade-orde, uitsluitend de hare, dompelt zij zich van dag tot dag in een wonderbare vloed en zij dompelt er zich in door een bijzondere genade-uitstorting en een volmaakte medewerking. Het is het gewijde samenspel tussen Gods geest en Marias geest. Van ogenblik tot ogenblik stort God een nieuwe genade in deze ziel, en onafgebroken en met al haar kracht beantwoordt die ziel er aan. En die beantwoording met volmaakte overeenstemming voert haar op tot een toppunt van genade, en die genaden, hoewel buitengewoon groot voor die op Gods weg altijd voortsnellende ziel zijn slechts graden die haar tot nieuwe gratie-hoogheid moeten verheffen. Die zo zeldzame, voortreffelijke, alleredelste, zó op aarde levende ziel, verrukt de hemel en zou ook de aarde verrukken, als de duisternissen haar niet het gezicht van zon kostbaar voorwerp ontnamen."
Liefde is de schoonheid van haar leven. In haar daden bracht Maria zoveel licht en zoveel liefde, dat zij de zwaarste werken van de grootste heiligen overtroffen. Haar vurige liefde ontving elke minuut genade, gaf er zich onverdeeld aan over, beantwoordde er op volmaakte wijze aan en bracht een eindeloze vermeerdering teweeg. "De dagen sloten zich aaneen, de jaren volgden op elkander, en als een verwonderlijke machine van overstelpende kracht en onzichtbare snelheid ging steeds maar voort de werking van de beantwoording aan de genade, van haar heiliging en vermenigvuldigde zich dermate, dat alle ménselijke cijfers nooit zulk een product zouden kunnen opleveren." Maar wijl in haar hart de liefde zonder enig beletsel heerste, groeide deze onophoudelijk van dag tot dag door de beoefening, groeide door zichzelf, zodat die al maar zich uitbreidende liefde tot zulk een volmaaktheid steeg, dat de aarde ze niet meer bevatten kon. Er was dan ook geen andere oorzaak van Marias dood dan de vuurgloed van haar liefde........"De liefde deed Maria leven; de liefde ook doet haar sterven."
VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.
OVER DE GETIJDEN DER ZUSTERS. KAP. 5.
Alle dagen zullen de zusters ter ere der Maagd Maria hare getijden plechtig zingen met drie lessen, zowel op de feestdagen als op de gewone dagen.
Alle dagen ook zullen de zusters op het teken der Vespers bijeenkomen; dan zal eerst het rechter koor een Weesgegroet bidden en diep gebogen naar het andere koor, zeggen: vergeeft ons ter liefde Gods en zijner allerheiligste Moeder Maria, indien wij U door eenig woord of werk, teken of wenk beledigd hebben; wij toch, zo gijlieden in iets jegens ons mocht misdaan hebben, vergeven het U van ganser harte. Nadat het ander koor op dezelfde wijze gebogen, gebeden en vergeving gevraagd heeft, maakt men een begin met de Vespers.
Op het einde van alle kerkelijke uren, zullen zij de antiphoon Ave Maria zingen, met het gebed zo als hier volgt: Almachtige, eeuwige God, die U gewaardigd hebt voor ons van de allerzuiverste Maagd te worden geboren, wij bidden geef, dat wij U met een kuis lichaam dienen en met een ootmoedig hart behagen mogen. En U allerliefste Maagd Maria, Koningin der wereld en der Engelen, bidden wij, verkrijg voor hen, die in het vagevuur gelouterd worden, verkwikking, voor de zondaars vergiffenis, voor de rechtvaardigen volharding in het goede en verdedig ook ons, zwakken tegen de gevaren die ons bedreigen, door Jezus Christus onzen Heer. Amen.
Ook zal op alle feesten en werkdagen door de zusters de Mis der H. Maagd gezongen worden. En op elke zaterdag zullen de zusters na de Mis der H. Maagd het Salve Regina zingen.
20-05-2011
AAN ALLEN EEN GEZEGENDE VRIJDAG TOEGEWENST.
N. ( M ).
VIDEO 13 MEI TE FATIMA.
N.
VIDEO 13 MEI TE FATIMA.
N.
FATIMA 13 MEI.
N.
VIDEO 13 MEI TE FATIMA.
N.
PELGRIMS ZIEN FANTASTISCHE ZON IN FATIMA. 13 MEI.
Lichtfenomenen in Ougrée op 12 mei.
Laatste Foto.
Lichtfenomenen in Ougrée op 12 mei.
N.
Lichtfenomenen in Ougrée op 12 mei.
N.
Lichtfenomenen in Ougrée op 12 mei.
N.
Lichtfenomenen in Ougrée op 12 mei.
N.
Lichtfenomenen in Ougrée op 12 mei.
N.
Lichtfenomenen in Ougrée op 12 mei.
N.
AAN ALLE LEZERS VAN DIT BLOG.
Hallo lieve mensen,
Zoals iedere donderdag zijn wij vorige week 12 mei om 20 uur naar Ougree gegaan om deel te nemen aan een gebedsgroep die ontstaan is rond een zienster die Béatrice heet. Béatrice ontvangt regelmatig boodschappen van de Heer. We zijn eraan gewoon geraakt dat bij iedere samenkomst van de gebedsgroep één van de personen van de Heilige Drieëenheid of de Heilige Maagd Maria of een heilige of een engel inspraken geeft aan Béatrice die ons dit alles dan meedeelt.
Ditmaal was er echter meer en ik GETUIG dat wij (een vijftigtal personen) diverse lichtverschijnselen gezien hebben. Het gaat hierbij om de lichten, links naast het kruis (dat overigens zelf permanent door een spot verlicht is).
we zien eerst een witgeel licht, cirkelvormig, ongeveer 1 meter diameter), waarmee God wil aantonen dat Hij altijd bij ons aanwezig is als wij Hem roepen. (Béatrice maakt ons ook attent op een extra lichtverschijnsel rond het Kruis, dat overigens permanent door een spot verlicht is).
Zachtjes komt rechts van de witte cirkel een tweede licht vanuit het niets te voorschijn! Het is Onze Moeder Maria. Dit licht is niet cirkelvormig, maar heeft meer de vorm van een gestalte (ellipsvormig).
De lichtintensiteit (en -kleur) varieerde, dan weer sterker, dan weer zwakker. Dit om te tonen dat Zij dichterbij komen, naarmate wij dichter bij Hen zijn De Lichten verplaatsen zich ook een beetje, dit om te tonen dat Zij echt en levend bij ons zijn.
Ik moet erop wijzen dat het kruisbeeld al op voorhand verlicht was door een spot al is het wel zo dat je op twee verschillende foto's toch een andere lichtkleur kan onderscheiden.
De Heer heeft ons bij monde van Béatrice aangespoord om te getuigen van hetgeen we gezien hebben opdat jullie zouden geloven.
Herman Wijns, 'de kleine pastoor', overleed op 26 mei 1941, 10 jaar oud. Zijn wonderbaarlijke uitspraken als kleine jongen en de vreemde uitstraling van zijn graf op de oude begraafplaats in de Van Heybeeckstraat hebben er een pelgrimsoord van gemaakt.
Velen geloven dat Hermanneke geneest en rond zijn graf staan honderden dankbetuigingen van mensen die door hem van hun kwalen zouden zijn verlost.
Hij is zelfs al meerdere keren 'gezien' door moderne profeten en heeft tegen zeker een dame 'gesproken'.
Nog dagelijks wordt zijn graf door tientallen mensen bezocht en nog elke eerste vrijdag van de maand vindt er een massaal bezochte plechtigheid plaats.
Wanneer Herman Wijns op 26 mei 1941 niet was overleden aan de gevolgen van een hersenvliesontsteking na een verwonding aan zijn knie was hij vorige week (15 maart) wellicht 75 jaar geworden.
Maar er zijn dit jaar meer jubilea als het om Ons Hermanneke gaat.
Zaterdag 27 mei vindt er in de St. Bartholomeuskerk de 21e Herman Wijns-dag plaats en wordt de 65e sterfdag van Herman gevierd.
Misdienaar worden Wat voor kinderen van onze tijd een beroemde voetballer, zanger of actrice is, was voor Herman Wijns O.L. Vrouw, Jezus Christus en de H. Kerk.
Spelen kinderen anno 2006 met een playstation of voetbal in het park; Herman speelde het liefst de H. Mis zijn onkel Mon.
Herman stond in zijn korte leven open voor al hetgeen het Katholicisme verkondigde en zijn drang naar het altaar was uiterst opmerkelijk.
Wanneer een vriendje Willy hem kort voor zijn negende verjaardag vraagt welk cadeau hij wenst, antwoordt Herman dat hij misdienaar wil worden.
Hij vraagt het aan zijn vader, maar die vindt hem nog te jong voor zo'n ernstige zaak.
Herman vraagt zijn tante Marie eens met zijn vader te praten en die weet vader Wijns over te halen.
Nadat hij zich door zijn zoontje heeft laten overtuigen van diens motivatie stemt hij ermee in, en enkele weken na zijn negende verjaardag neemt vader Wijns zijn enig kind mee naar de pastoor om diens toestemming te vragen.
Die heeft zijn twijfels, maar is snel overtuigd, zo blijkt uit volgende anekdote.
Jacobus Michielsens uit Stabroek (1876-1946) was pastoor van St. Bartholomeus toen Herman er misdienaar was
Meneer pastoor - Jacob Michielsens - meende namelijk dat Herman te klein zou zijn om de staander met het misboek te tillen.
Maar nee, Mijnheer pastoor. Tijdens de week is het een houten staander die ik kan optillen. Op zondag is het de bronzen, maar dan tilt u de staander zelf, antwoordde de jongen.
Meneer pastoor kan zijn lachen bijna niet onderdrukken en zegt dat in dat geval Herman de volgende dag reeds de mis mag dienen.
Hermans is buiten zinnen van vreugde, nodigt al zijn familie en vrienden uit en noteert die dag - 6 april 1940 - in zijn zakagenda: 'Vandaag ben ik misdienaar geworden'.
Voorbeeldig Voordat vader Wijns zijn zoon meenam naar pastoor Michielsens had hij Herman laten beloven zijn taken als misdienaar zeer serieus te nemen en nooit te verzaken, maar of dat noodzakelijk was...
Een misdienaar als Herman hebben ze in St. Bartholomeus nog nooit gehad en hij is dan ook een grote hulp voor de pastoors.
Foutloos vindt hij de juiste bladzijden in het kerkboek en legt hij de mis klaar.
De priester en zijn onderpastoor Pijpers zijn onder de indruk van de diepe ernst van de negen-jarige jongen en het is een cadeau van de Onderpriester - het boek 'Er zullen heilige kinderen zijn' - dat Hermans beleving van het geloof nog intenser maakt.
Ik ben oud geworden in het priesterschap maar nooit heb ik een misdienaar als Herman meegemaakt. Wanneer ik me omdraaide bij het 'Orate Fratres' zag ik hem in een aureool van licht, zei een missionaris, Pater Janssens ooit tegen zijn ouders.
De ouders namen het verhaal met een korreltje zout, maar na Hermans dood hoorden ze veel zulke verhalen over hun zoon.
God luistert niet Na zijn aanstelling als misdienaar offert Herman zijn hele bestaan op voor zijn geloof.
Strikt volgt hij de regels van de kerk en houdt zich zelfs aan voorschriften die al lang zijn afgeschaft.
Het is ook in deze fase van de tien jaar die hem gegeven werden dat hij indruk maakte op de mensen om hem heen met verbluffend volwassen uitspraken.
Dit kruis vond Herman op weg van school naar huis in een vuilnisbak. Herman is ontdaan door het gebrek aan respect. 'Heiligschennis noemde hij het. Aan zijn vader vertelde hij dat hij drie keer terug was gegaan naar de vuilbak, maar dat hij zich schaamde om het eruit te halen. Toen hoorde ik een stem 'Wel Herman, schaamt jij je nu voor mij?'. Vlug heb ik het eruit gehaald en mee naar huis genomen. Het hing tot zijn dood boven het altaartje in zijn slaapkamer.
Zijn vader en moeder hebben het moeilijk vanwege het verliezen van hun beenhouwerij.
Moeder heeft werk gevonden, maar vader slaagt er maar niet in.
De problemen stapelen zich op voor het gezin, maar vader heeft vertrouwen in God en bidt.
De ene noveen na de andere bidt vader Wijns, maanden aan een stuk.
Op een dag zegt hij vertwijfeld tegen Herman: Maanden lang bidden we de ene noveen na de andere. Het levert niets op. Je ziet toch ook wel dat God niet naar ons luistert?
Herman pakte het gezicht van zijn vader in zijn handen, en zou gezegd hebben: Vake, de waarde van het gebed ligt in het volhouden. Anders heeft bidden geen zin.
De vader geloofd zijn zoon en blijft bidden.
Enige tijd later krijgt hij inderdaad en goede betrekking bij de Openbare Diensten en de financiële problemen voor het gezin zijn voorbij.
Die waren groot geweest.
Zo groot zelfs dat het schoolgeld van de Broeders niet meer betaald kon worden en Herman naar de Gemeenteschool moest.
Voor Herman was dat moeilijk te accepteren geweest en het eerste dat hij dan ook zei toen vader een job vond was: Vake, nu moet ik niet meer naar de Gemeenteschool, niet waar?.
Toen vader dat bevestigde was de kleine zo blij dat hij het Heilig Hartbeeld in zijn armen nam en er zingend mee ronddanste.
Oorlog Mei 1940, de Tweede Wereldoorlog is losgebarsten.
Wanneer het op een avond tijd is om naar 't Lof te gaan, terwijl er hevig wordt geschoten op overvliegende vliegtuigen raadt vader Wijns zijn zoon af om de straat op te gaan.
Maar Herman wil er niet van weten en haalt zijn vader over met hem mee te gaan.
Na een gevaarlijke tocht komen ze aan in de kerk.
Er is niemand en wanneer meneer pastoor arriveert zegt hij dat er geen Lof zal zijn.
Herman, die al was begonnen de mis klaar te leggen, is zeer teleurgesteld dat er niemand het gevaar heeft durven trotseren voor de Heer...
De komende maanden klonk vaak het luchtalarm, maar Herman had er geen schrik van.
Boven zijn bed hing een kruisbeeld en dus wist Herman dat hij zich geen zorgen hoefde te maken.
Het Heilig Hartbeeld waar Herman mee ronddanste toen hij van zijn vader te horen kreeg dat hij weer naar de Broeders in het St-Eduardusinstituut mocht. Tijdens zijn dansje liet Herman het beeld vallen, waardoor de handen van Christus ervan afbraken.
Vreemdgenoeg geloofden zijn ouders hem, waardoor ook zij niet meer naar de schuilkelders gingen wanneer er luchtalarm was.
Ook anderen wist Herman in die eerste oorlogsmaanden te overtuigen van de bescherming van zijn God, zozeer zelfs dat een buurman weer naar de kerk begon te gaan en ook zijn kinderen naar een katholieke school stuurde.
Lijdensweg De winter van 1940 was ijskoud.
Herman kreeg door de kou twee wintervoeten, maar verzweeg het wekenlang omdat hij vreesde niet meer naar de mis te mogen gaan.
Toen het niet langer ging en hij zijn voeten aan zijn moeder toonde, verschoot ze.
Ach, jongen, maar wat een pijn moet je hebben.
Toch moest ze beloven het niet aan zijn vader te vertellen opdat die hem niet zou verbieden naar de Mis te gaan.
Zijn wonden werden echter erger en na een tijdje kon hij nauwelijks nog lopen.
Vader vroeg zich af wat er met zijn zoon aan de hand was omdat die zo mankte, en bij het zien van de etterende wonden beval hij Herman acht dagen thuis te blijven.
De jongen was diep ongelukkig maar liet zich niet tegenhouden.
Met moeder maakte hij de afspraak dat ze zijn voeten 's avonds zou verzorgen, zodat hij direct nadat zijn vader naar zijn werk is naar de kerk kon gaan.
Maar Herman kan nauwelijks lopen.
Zijn voeten ingebonden in oude lakens, met drie paar sokken erover in een paar oude schoenen van zijn vader gestoken strompelt hij, telkens weer vallend van de Wuytslei naar de kerk.
Hij moet serieuze pijn geleden hebben, maar niets kan hem ervan weerhouden naar de Mis te gaan.
Op een dag had de tram van vader vertraging.
Terwijl hij wachtte zag hij de jongen met veel pijn en moeite, telkens weer struikelend door de hoge sneeuw voortploegen, op weg naar de mis.
Herman als misdienaar
Vader Wijns had boos moeten zijn dat zijn zoon zijn bevel om het bed te houden niet opvolgde, maar in plaats daarvan was hij ontroerd.
Kom jongen, zet je op mijn rug, dan zal ik je naar de kerk dragen.
Herman wilde er echter niet van weten: Nee, vake. Je zult je tram missen en te laat op je werk komen.
En weg was hij, strompelend de laatste honderd meter naar de kerk afleggend.
Bedevaart Die avond was Herman er niet om zijn vader te begroeten.
Moeder Wijns vertelde haar man dat hij die middag met hoge koorts thuis gekomen was en direct gevraagd had of hij naar bed mocht.
Omdat er in de weken erna geen verbetering optrad besluiten vader en moeder Wijns op aanraden van een kennis met hun zoon op bedevaart naar het graf van Pater Paul in Dendermonde te gaan.
Ze ontmoeten er Pater Boudewijn op zijn sterfbed, die hen aanraadt poeder van rozeblaadjes, gegroeid op het graf van de H. Benedictus in Italië, op de pijnlijke voetjes te smeren.
De volgende morgen kwam Herman kwiek de trap afgerend: zijn voeten waren genezen!
Voorvoeld Terug in Merksem stortte Herman zich met nog meer energie op zijn taak als misdienaar.
Moest hij iets inhalen?
Of had hij haast omdat hij voelde dat hij niet veel tijd meer had?
Een voorval van kort voor zijn dood wijst ook die kant op, vertelde ooit zijn vader.
Herman kwam eens klagen dat hij op weg naar huis werd lastiggevallen door een grotere jongen. Ik vroeg hem of hij zich niet meer kon verdedigen. 'Jawel hoor' zei hij toen. Kort na zijn overlijden kwam er hier een jongen aan de deur kloppen. Hij barstte in tranen uit en zei me dat hij schuld had aan Hermans dood. Ik vroeg hem waarom. Hij vertelde me dat hij Herman meermaals achterna had gelopen en hoe Herman hem had ontweken. De jongen had Herman uitgescholden, en die had geroepen 'Je hebt een lage ziel'.
De jongen is toen nog feller tegen mijn zoon uitgevlogen, waarop Herman heeft gezegd: 'Het zal niet makkelijk zijn u te bekeren, maar als ik het hier niet kan, zal ik het doen als ik in de hemel ben.'
In de weken kort voor zijn dood insinueerde Herman nog enkele keren dat hij voorvoelde wat er ging gebeuren.
Toen hij een keer als spel de tafels en stoelen neerzette voor zijn aanstaande Plechtige Communie - die hij nooit zou doen - zei hij tegen zijn moeder dat de mensen beter bloemen mee zouden brengen dan geschenken.
Wanneer zijn moeder hem een paar dagen later liggend op de vloer aantrof en hem vroeg wat hij aan het doen was antwoordde hij: Ja, die mannen zullen voor mij een grote kist nodig hebben...
De dag voordat hij zijn fatale val maakte joeg hij zijn moeder echt angst aan toen hij nog eens probeerde haar over te halen weer naar de Mis te gaan.
Herman ik heb daar nu geen tijd voor, antwoordde ze hem.
Toen ze wilde voortgaan met haar werk hield Herman haar tegen.
Moeke, als vake en ik in de hemel zullen zijn... En jij dan?
Moeder kon de woorden van haar zoon niet aan en zei hem haar met rust te laten.
Moeke, zegt Herman weemoedig wanneer hij ziet dat zijn moeder niet naar hem luistert.
Nu heb je geen tijd, maar als Herman dood zal zijn, zul je wel tijd hebben.
Zijn moeder is diep geschokt door de woorden van haar kleine jongen en tracht ze te vergeten.
Binnen enkele dagen zou ze echter ondubbelzinnig worden herinnerd aan het gesprek en aan de voorvallen van een paar dagen eerder.
"Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)
ZEVEN EN DERTIGSTE VERSCHIJNING
26 december 1975, om 17.15 uur, de tweede dag
Eerst verschijnt het Licht en dan de Heer die zijn linkerhand op zijn Hart houdt. Vanuit zijn Hart stromen rode en witte stralen. Hij schuift zijn lange kleed opzij. Zijn rechterhand is naar de wereld uitgestrekt. Jezus wacht na iedere zin die Madeleine herhaalt :
"De tweede dag"
Ik zal genade vermenigvuldigen in de ziel van priesters en nonnen, want zij zijn het die mijn Boodschap bekend moeten maken.
Jezus zegt :
"Onze Vader..."
Madeleine gaat alleen verder.
Jezus voegt toe :
Bidt drie keer : "Wees gegroet Maria "
Madeleine bidt alleen.
Daarna vervolgt Jezus :
Door uw smartvol Lijden, Heer, ontferm U over ons en over de hele wereld.
Eer aan God in den hoge. Vrede op aarde en Vreugde aan de mensen, die Hij liefheeft."
"Wat Madeleine herhaalt."
Jezus strekt zijn beide handen naar Madeleine uit, glimlacht en verdwijnt.
Moeder van de Goddelijke Barmhartigheid.
Volg Maria na in háár onthechting, in háár nederigheid. De nederigheid wijst u tegenover God uw plaats. Zij is de grondslag van geheel onze verhouding tot God: "locus gratiae", zeggen de heiligen, de plaats waar God zijn genaden uitdeelt. Wat zouden de sacramenten uitwerken in een ziel, geheel met zichzelf bezig en niet overtuigd van haar eigen ellende? Bijna niets. "Want" zegt Sint Thomas, "de nederigheid is de gesteltenis, die de vrije nadering van de ziel tot de geestelijke en goddelijke goederen vergemakkelijkt."
Wie worden bij het ontvangen van de sacramenten met God verenigd? De armen, de nederigen. Zij alleen. De maat voor de goddelijke gaven is de nederigheid.
Oefenen wij ons door Maria in die losmaking van ons zelf, die ware nederigheid, die het hart verovert, ons onze afhankelijkheid doet liefhebben, en ons er toe dwingt als het ware, God te dienen, te beminnen, te verheerlijken, en die tenslotte slechts liefde is.
De Eucharistie, aller sacramenten einddoel, is het sacrament van de eenheid en de liefde. Sint Paulus schreef aan de Corinthiërs: "Omdat het één Brood is, daarom zijn wij, hoe talrijk ook, één lichaam, want allen hebben wij deel aan het éne Brood".
"Begrijpt het en verheugt u", voegt Sint Augustinus er aan toe. "Eenheid, godsvrucht, liefde. Eén brood. En wat is dat éne brood? Een enkel lichaam, gemaakt uit vele. Het brood immers ontstaat niet uit een enkele graankorrel, maar uit vele. Gedurende de duivelbezwering waart gij, in zekere zin, onder de molensteen. Bij het doopsel zijt gij als met water doorweekt. En het vuur gelijk, waardoor het deeg gebakken wordt, is de Heilige Geest in u gekomen. Weest wat gij ziet en ontvangt wat gij zijt.... Wat de kelk aangaat, er hangen veel druiven aan de tros, maar het kostbare vocht dat uit alle neerdruppelt, vloeit tot een eenheid samen."
Het blijkt zonneklaar, dat de liefde tot het wezen van Christus mystiek Lichaam behoort. Denken wij hieraan, als wij tot het altaar naderen. De deelname aan het offer moet broederlijk zijn. Dwaling zou het zijn, te denken, dat de heilige Communie ons alléén aangaat en slechts een daad van persoonlijke godsvrucht is. Zonderen wij ons toch niet alléén met Jezus af; laten wij ook zijn ledematen niet vergeten. De heilige Communie zij allereerst een daad van het mystieke Lichaam. Communiceren met het Hóófd van dat Lichaam is tevens communiceren met de ledematen, want zij maken slechts één uit. "Hij die wil leven", zegt Sint Augustinus, "weet, waar hij het leven genieten, waar hij het putten zal. Hij nadere en gelove, hij lijve zich bij Christus in, dáár zal hij het leven vinden. Maar de vereniging met Christus ledematen mag hem geen afkeer inboezemen." Men ziet nu wel in, hoe absoluut noodzakelijk de eenheid en de broederlijke liefde is. "Als gij het altaar nadert en vreest, dat uw broeder iets tegen u heeft, ga u eerst met uw broeder verzoenen, en kom dan uw offer opdragen." Maar hebt gij "ingewanden van liefde," zoals de Apostel zegt, is uw hart vol van vergiffenis en welwillendheid, kom dan en open uw ziel; God zal ze verzadigen met zijn leven en gij zult Jezus zijn verwonderingwekkend woord horen herhalen: "Heilige Vader, dat zij allen samen één zijn, zoals Gij, mijn Vader, in Mij zijt en Ik in U, opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt".
God is in wezen mededeelzaam. Is de zaligheid van de Vader en de Zoon niet besloten in die zelfstandige Liefde, die uit hun wederzijdse genegenheid voortspruit, en elkanders Gave is? Wonderbaar mysterie, óók aan de schepselen geeft God Zich. De Vader geeft ons zijn Zoon; Beiden geven ons de Heilige Geest, die, zoals de liturgie zegt, de Gave van de Allerhoogste aan de mensen is.
Het leven is dan ook een communie. Het is communie in God: de Vader geeft Zich eeuwig aan het Woord, die geheel de goddelijke natuur in gemeenschap ontvangt, terwijl de Ademtocht van oneindige liefde door de Vader en het Woord tesamen wordt uitgeademd.
Communie is het leven in het mysterie van de Menswording. De mensheid van Christus is opgenomen in de Persoon van het Woord, vanaf het eerste ogenblik van haar bestaan in Marias schoot. De Godheid heeft de mensheid aangenomen en in een algehele vervoering heeft zij zich zelf weggeschonken. Tussen de Godheid en de mensheid was een eeuwige communie begonnen.
Dit, zou men kunnen zeggen, is ook de communie van Maria. Als Gods schaduw haar overdekt, ontvangt zij Jezus in zijn Godheid en zijn mensheid. En met welk een verrukking geeft zij geheel zichzelf, om God vol liefde te ontvangen. Zij antwoordt met een volledig ja: "ecce ancilla". Zó leert zij ons, hoe wij God moeten ontvangen.
God wil Zich dus mededelen. Maar, in het goddelijke plan van de Menswording vindt men God slechts door Maria, door háár is men slechts deelgenoot van het leven. Door háár konden de herders en de Wijzen worden toegelaten tot de kribbe van het Godkind en Het beschouwen met de ogen van het lichaam. Willen wij Het beschouwen met de ogen van de ziel en ons met Hem verenigen, dan moet dit nog te méér geschieden door Maria. God geeft Zich door Maria. Gods gave aan de mensen, Christus Jezus, bron van ons leven, is ook Marias gave.
De apostolische geloofsbelijdenis zegt ons, dat Jezus ontvangen is van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria. Wat waar was vanaf het begin, zal dit blijven tot het einde van de tijden: overal waar Jezus door de genáde wordt geboren, wordt Hij door de Heilige Geest en uit de maagd Maria geboren. De Menswording heeft haar de macht gegeven de Christus mee te delen. Telkens als zij een ziel nadert, geeft zij deze deel aan haar Zoon.
Aan Jezus wil, zijn leven mee te delen aan zijn ledematen, moet in ons het verlangen beantwoorden, Hem te ontvangen. Het verlangen, God te smaken, is een genade, komende van háár, die onmiddellijk na de ontvangenis van Jezus haastig oprees, om Hem naar de Doper te dragen. Zij wekt in onze harten de Godshonger, in het bijzonder de honger naar de Eucharistie, naar het bezit van haar Zoon. Niet altijd een diep doorvoeld verlangen, zoals enige heiligen ondervonden, maar een gééstelijk verzuchten, een sterke wilsdrang naar het geestelijke voedsel, dat de band van onze vereniging met God nauwer toehaalt, onze krachten herstelt, onze hartstochten breidelt.
Dit verlangen naar God is zo weldadig. Het is de allerbeste voorbereiding tot het ontvangen van de sacramenten. Aan allen die Hem roepen, gééft God Zich. "Indien iemand dorst heeft," zeide Jezus, "hij kome tot Mij en drinke." En tot de heilige zuster Mechtildis sprak Hij: "De bijen werpen zich niet zo gretig op de bloemen, om er de honing uit te puren, als Ik Mij naar uw ziel heenspoed, wanneer deze begeert Mij te ontvangen".
Bij het ontvangen van de sacramenten deelt de genade zich aan de ziel mede naar de kracht van haar verlangens. Verwacht men in nederigheid meer, dan ontvangt men ook meer. Want het uit nederigheid geboren verlangen verwijdert de beletselen; het opent de deur van de ziel, waarvoor het verrukkelijke woord van de Apocalyps werkelijkheid wordt: "Zie, Ik sta aan de deur en klop; zo iemand mijn stem hoort en de deur opent, dan zal Ik bij hem binnentreden, Ik zal maaltijd met hem houden en hij met Mij".
De dagelijkse aansporing van de Kerk in de canon van de heilige Mis luidt: In gemeenschap verenigd, vieren wij allereerst de gedachtenis van de zalige Maagd Maria.
Wat zoeken wij bij het altaar?
De Emmanuel. Hij die Zich gewaardigd heeft "God met ons" te worden, wiens werkelijke tegenwoordigheid de kracht van ons leven is, "de bron van de levende wateren", volgens het Schriftwoord. Maar danken wij die werkelijke tegenwoordigheid van de Emmanuel niet aan zijn Moeder Maria, wier nederigheid en zuiverheid Hem aanlokten? Wie anders verleent ons toegang tot Hem, dan zij, wier taak het is, aan de wereld de Christus aan te bieden, zij, die Hem mededeelde aan Joannes de Doper, aan de herders, aan de Wijzen, aan Simeon? Zij is het, die Jezus geeft.
Méér nog gaan wij op naar het altaar, om aan het offer deel te nemen. "Wij worden geheiligd door het offer dat Jezus Christus eens en voor altijd heeft gebracht". Alle genaden, alle heiligheid komen van het kruis en dus van de heilige Mis, de voortduring van het kruisoffer. Het altaar is de Calvarieberg; dezelfde offerande wordt er opgedragen, hetzelfde Slachtoffer wordt er door dezelfde Hogepriester de Hemelse Vader aangeboden. Wie zal ons doen binnentreden in die offerhandeling, die ons Christus geeft in de volheid van zijn mysteriën? Wie anders dan Maria! Komen van haar niet priester en slachtoffer?
In Marias schoot heeft Christus mensheid de zalving van de Heilige Geest ontvangen, die priesterlijke zalving, die zich "als een vreugdeolie" over Jezus uitgoot, een zalving die Hem onze "Hogepriester voor immer" doet zijn.
"De Heilige Geest zal over u komen," zeide de Engel tot Maria, "en die uit u zal geboren worden zal de Heilige zijn." En Maria sprak: "Het geschiede volgens uw woord," "Fiat"; en dit was het teken voor de zalving en wijding van de eeuwige Priester.
Óók het Slachtoffer geeft zij. De Verlosser wilde zij ter wereld brengen, Hém die ons moest vrijmaken van onze zonden. In háár schoot begon dit Slachtoffer Zich op te dragen. Sint Paulus verzekert ons, dat de eerste woorden, die Hij aanstonds na zijn Menswording sprak, déze waren: "Gij hebt mij een lichaam gegeven, o Vader, om Mij aan U op te dragen, want die ongenoegzame offeranden konden U niet meer behagen: Zie, hier ben Ik; ecce venio". Het "Consummatum est" van het kruis is slechts de voltooiing van het "Ecce Venio" in de schoot van zijn Moeder. En Maria wist, dat zij de Moeder van het Slachtoffer was.
Gedurende heel haar leven bood zij dit Slachtoffer aan. Op Calvarië vooral; daar vertegenwoordigde zij de Kerk. De heilige Mis is de voortzetting van Calvarië, en daarom is Maria ook hier van het goddelijke Slachtoffer niet te scheiden. Zij gaat voort, ons de Hogepriester en de Hostie te geven. Moeten wij niet denken aan Maria, als wij mogen nuttigen het Lichaam dat Zich slachtoffert op het altaar, het Bloed dat ons vrijkoopt. Dat Lichaam is in háár gevormd, dat Bloed heeft zij haar Zoon gegeven. Door háár is het Woord ons voedsel geworden.
De heilige Augustinus gaf hiervan aan zijn gelovigen een voortreffelijke verklaring. Het Woord, Gods gedachte, leven en licht, is het voedsel van Gods kinderen. Het is dit voor de engelen en de uitverkorenen in de hemel. Het wil dit ook op aarde zijn. Maar voor óns is het een te krachtig brood; wij zijn nog slechts kinderen. Wie zal uit de spijze van de uitverkorenen het voedsel voor de kleinen gereed maken? Maria! Als moeder vervult zij dan haar eigen taak. Het voedsel van het Woord moest de geschiktheid verkrijgen om door kindertjes te kunnen worden genuttigd en die krachtspijze moest voor ons, kinderen die wij zijn, in melk veranderen. Deze nu geeft zij ons in het heilige Altaarsacrament. Zingt de liturgie niet: "De mens heeft het engelenbrood gegeten"? Daarom past ook de Kerk deze woorden van de Wijsheid op Maria toe: "Kom, eet mijn brood, drink de wijn die ik u heb gemengd".
De heilige Joannes Damascenus noemde Maria "de priesterlijke maagd". Wij begrijpen waarom. Niet, dat zij het sacramentele priesterlijke merkteken heeft ontvangen. Haar Zoon trouwens ook niet. Maar haar moederschap heeft in haar een heilig stempel gedrukt. Zij bezat de verlossersgeest van haar Zoon, die op uitnemende wijze de geest van het priesterschap is. Zij kan over het brood niet de sacramentele woorden spreken. Maar uit eigen naam sprak zij dat "Fiat" van onmetelijke draagwijdte, dat Jezus aan de wereld schonk. Van Godswege deelt zij het goddelijke leven uit. Als middelares is zij méér dan een priester: zij is Moeder van de allerhoogste Priester én Moeder van het Slachtoffer.
De heilige Mis is de verhevenste handeling van de Kerk, het is de essentiële daad van het Lichaam van Christus. Maria is er bij tegenwoordig, om zich met de Kerk te verenigen en de vruchten uit te reiken van Christus Bloed.