3. Dit werk van boetvaardigheid en reformatie is ook zeer bezwaarlijk wegens het gros van het volk, dat hervormd moet worden. Het is moeilijk om dat te overtuigen van de noodzakelijkheid daarvan. Het is moeilijk om het over te halen tot de onderneming daarvan. En het is moelijk het zover te brengen dat het volstandig daarin blijft volharden, als het al eens wordt aangevangen. Sommige van de redenen van deze zaak zullen wij kort overwegen.
A. Die rechtvaardiging en liefde van zichzelf, waartoe alle personen, zowel van nature als door onherstelbare vooroordelen zijn genegen, legt de grond van deze beklaaglijke onachtzaamheid. Als men alle dingen in wanorde ziet, wil men graag toestaan dat er enige hervorming nodig is. Maar dat raakt anderen, en niet henzelf. Dat moeten zulken doen, die bozer zijn dan zij. Die betreft het deze plicht te volbrengen, maar hiertoe zijn zij niet gehouden. En er zijn er maar weinigen die op het ene of andere voorwendsel niet denken, dat er velen zijn die een erger leven leiden dan zij. Hoewel zoiets niet uiterlijk blijkt, oordeelt men echter dat het met de zaak zo is gelegen. Omdat de mensen een gedaante van godzaligheid hebben, zullen ze zich van alle hervorming onttrekken, al is de kracht van de godsdienst onder hen verloochend. Zo gaat het met de gemeenten in het algemeen; zo met alle soorten van belijders in het bijzonder. En voornamelijk, als ze gevoelen dat zij uitmunten in het verrichten van een of andere daad, waarop ze zichzelf hoog kunnen schatten. Zo was het bij de oude Joden, Jer. 7:10, 11, en bij de Farizeeën in de dagen van onze Zaligmaker, Joh. 9:39. Zo staat het onder ons in deze tijd. En het is een zeldzame zaak iemand te vinden die erkennen wil dat hij een dadelijke en ijverige hervorming nodig heeft.
Omdat geen kerken zichzelf ooit hervormen wilden, zijn er zoveel verdeeldheden en afscheidingen veroorzaakt, waardoor sommigen van een algemene afval bevrijd zijn geworden. Zij allen keurden hun eigen staat en toestand goed. Dit is in de paapse kerk zover gegaan, dat zij roemt op een onfeilbaarheid, en dat ze in geen zaak hervormd kan worden. Ik bid God dat Hij anderen voor dergelijke verwaandheid behoedt. Want ieder die dit huisvest, zal zeker tot verwoesting komen. En toch is dit niet te algemeen in onze dagen. De meeste gemeenten denken dat ze meer inkomst nodig hebben, meer eerbewijzen, meer vrijheid van tegenstand, en meer onderwerping van alle mensen voor haar. Maar ze schrikken voor de gedachte dat ze enige reformatie nodig zouden hebben.
B. De natuur van dit werk van de bekering zelf, maakt het bezwaarlijk. Want daartoe wordt een verandering van de gehele wandel, waarin de mensen zich begeven hebben, vereist. Dit is een zaak die al zo moeilijk is, als de stromen van een grote rivier hun loop te doen veranderen, en terug te lopen. Verdorven gewoonten moeten ten onder gebracht, boze genegenheden die door een lange oefening in het hart geworteld zijn, moeten uitgeroeid, en de middelen van bekering moeten door een verandering van alle soorten van onze omstandigheden bevorderd en kracht bijgezet worden. Dit maakt het werk bij sommige mensen onmogelijk. Zo drukt de profeet het uit, Jer. 13:23: "zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen." De mensen kunnen zo gemakkelijk niet vergeten waarover ze zolang hebben geleerd, en waartoe ze zolang gewoon zijn geweest. De krachtige werking van God op de zielen, zowel van bijzondere personen als van gehele gemeenten, wordt tot deze verandering vereist. Zo, en niet anders kan deze zaak worden uitgewerkt. Zie Jes. 11:6-9.
C. Het voordeel dat velen vinden in de tegenwoordige staat van de zaken, en de vrees dat zoiets door een hervorming zou veranderen, is geen geringe berg in de weg, en een grote hinderpaal om de gedachten van de mensen hierop met ernst te doen zetten.
D. De Bijbel schrijft de oorzaak hiervan dikwijls toe aan de gerustheid van de mensen onder het genieten van hun aardse goederen. Die weerhoudt ze om naar Gods roepingen te horen, of op Zijn waarschuwingen te letten. Hierom wordt dit opgegeven als de oorzaak en de onfeilbare voorloper van verwoestende oordelen. Zoals in het brede wordt aangedrongen door de Zaligmaker Zelf. Matth. 24:37-39 en Lukas 17:26-30. De gerustheid is nu als lichamelijke ziekte, die men gewoonlijk de scheurbuik noemt. Dit is geen enkele kwaal of enkel ongemak, maar een vereniging of samenloop van vele heersende ongesteldheden. Zo is de gerustheid ook geen naam van een enkele kwade gewoonte of genegenheid van het gemoed, maar een samenvloeiende menigte daarvan. Dit zijn geestelijke gevoelloosheid en onachtzaamheid, gewoonlijk genoemd een geest van sluimering; liefde tot de wereld, vleselijke wijsheid, grondeloze hoop van een lang leven; zaken die allen uit het ongeloof spruiten, lopen in deze staat van de mensen samen. En als de oefening van zekere soort van zonden op deze beginselen een tijdlang is gevolgd, zodat het geweten is toegeschroeid of gevoelloos is geworden, dan is de staat van zulken voor het merendeel zonder herstel. En niet weinige van dit soort zijn er onder ons. Vele andere redenen zijn er nog, waardoor dit werk moeilijk wordt gemaakt; hoe noodzakelijk, rechtmatig en billijk het ook is. Maar aangaande hun, die al deze dingen verachten, ja bespotten, zal in het vervolg gesproken worden. De overweging van deze zaken moet echter niemand terughouden om al zijn pogingen aan te wenden, opdat hij zich van zijn plicht hierin kwijt. Want, zoals wij reeds gezien hebben, het is onvermijdelijk noodzakelijk, zullen wij en dit land van verwoestende oordelen worden behoed. En hierna zullen wij aantonen op welke wijze deze zwarigheden zijn te boven te komen, en deze hinderpalen uit de weg te ruimen. Hoe gelukkig zullen ze toch zijn ze mogen dan zo weinig in getal zijn, zo gering en zo onbekend in de wereld als zij willen die God met dit werk bezig zal vinden, als Hij uit Zijn plaats op zal rijzen om de aarde met verschrikking te slaan.
VI. Hierom zal ik vervolgens deze zaken nader thuis brengen, en onderzoeken waarin de natuur van die boetvaardigheid en reformatie bestaat, die God nu van ons eist. Opdat wij niet vergaan in Zijn geduchte ongenade.
Nadat de schatkist van het Romeinse keizerrijk door vele achter elkaar volgende tirannen was uitgeput, zei Vespasianus, toen hij keizer was geworden, tot de raad, hoeveel miljoenen geld nodig waren om staande te doen blijven. Niet om het weer te doen bloeien en zo sterk worden als voorheen, waartoe veel meer werd vereist, maar enkel om het te onderschragen, dat het niet ten onder ging en verwoest werd. En zo zal ik hier ook voorstellen, niet wat nodig is om Gods kerk in dit land ordelijk, sierlijk en krachtig te maken; maar alleen wat nodig is om haar te doen leven en staande te blijven, door een bevrijding van verwoestende oordelen.
1. De boetvaardigheid die God in alle gevallen volstrekt begeert, moet inwendig en wezenlijk zijn, en gepaard gaan met een oprechte bekering tot Hem, en met vruchten die zon bekering waardig zijn. Zo wordt het getuigd, Ezech. 18:30, 31: "daarom zal Ik u richten, o huis Israëls! een ieder naar zijn wegen, spreekt de Heere HEERE, keert weder, en bekeert u van al uw overtredingen, zo zal de ongerechtigheid u niet tot een aanstoot worden. Werpt van u weg al uw overtredingen, waardoor gij overtreden hebt, en maakt u een nieuw hart en een nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?" Een nieuw hart en een nieuwe geest, of een waarachtige inwendige bekering tot God, wordt hier geëist, en dan een verlating en afstand doen van alle ongerechtigheden als de vrucht daarvan. Een zaak die ook zo wordt uitgedrukt in Jes. 1:16, 17. De inwendige zuiverheid van het hart, de oefening van een volkomen gehoorzaamheid, en de afstand van alle ongerechtigheden, zijn de dingen die de Heere begeert. Dit was de boetvaardigheid die door de dienst van Johannes de Doper werd verkondigd. Bij verzuim daarvan dreigde hij het volk een volkomen afsnijding. Zoals hen niet lang daarna ook overviel, Matth. 3:8-10. God wil geen geveinsde boetvaardigheid, of die voornamelijk uitwendig of tijdelijk is. "Scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot den HEERE, uw God", Joël 2:13.
2. Als er een wezenlijke en waarachtige boetvaardigheid en bekering is, die bestaat in een dadelijke overtuiging van zonden, en in een gevoel van naderende oordelen, die gekend wordt door haar vruchten, als het afstaan van openbare tergende zonden, en het volbrengen van bekende plichten met oprechtheid. Een boetvaardigheid en bekering, die in deze dingen gepaard gaat met de eerbied die men God schuldig is, hoewel dezen dan maar in weinigen en niet in allen of de meesten volkomen oprecht en heilig is, kan zij echter dienen om de gedreigde oordelen, tenminste voor een tijd, af te wenden. Deze dingen nu worden in zon bboetvaardigheid vereist:
A. Een dadelijke overtuiging van zonden in hen die daartoe worden geroepen, of er belijdenis van doen. Als dit de grond niet is, zal geen betuiging van boetvaardigheid, en geen belofte van hervorming in Gods ogen van enige waarde zijn. Ja, zoiets is Hem te bespotten, en maakt daarom de allergrootste terging uit. De mensen mogen zonder deze overtuiging tot het een of ander worden aangezet, dat naar boetvaardigheid en bekering gelijkt, als het houden van vast- en bededagen, door uiterlijke dwang of bevel van de overheden. Maar in alles wat zij doen is niets van de zaak die wij onderzoeken. Door zulke dagen, vasten en bidden, zal dit land nooit behouden worden, Jer. 3:10.
B. Een wezenlijk gevoel van Gods ongenoegen en de nadering van verwoestende oordelen. Het is niet genoeg dat wij een gevoel en een overtuiging van onze eigen zonden hebben. Nee, dit moet er zijn over de zonden van het land, waardoor God tot toorn is verwekt. En de gedachte hoe grimmig Hij hierover is, moet ons altijd op het hart wegen in alles wat wij in deze zaak doen. Tenzij deze indruk in ons blijft en vernacht; tenzij die op al onze wegen en in al onze handelingen met ons opstaat en neerligt, zullen wij ons nooit hartelijk van onze plicht kwijten.
C. Een wezenlijke boetvaardigheid bestaat in een onthouding van alle bekende zonden. En de blijkbare vruchten van een verbeterde levenswijze worden hiertoe vereist. Matth. 3:10.
D. Men moet daarin blijven volharden. Hos. 6:1, 3: "Komt en laat ons wederkeren tot den Heere. Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om den Heere te kennen."
Dat nu zon boetvaardigheid nuttig is tot het voorgestelde einde, blijkt voldoende uit de voorbeelden van Ninevé en van de koning Achab, 1 Kon. 31:27-29. Achab betuigde in zijn boetvaardigheid en verootmoediging, een diep gevoel van zijn zonden en Gods ongenoegen. "Hebt gij gezien", zegt God tot Elia, "dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht?" Men kan zoiets gemakkelijk beschouwen en daarop letten. Er is een verootmoediging, zoals Jesaja de profeet spreekt in hoofdstuk 63:1-5, die God verfoeit en die tot niets nuttig zal zijn. En zo is het grootste gedeelte van onze vernederingen geweest. Maar hoewel het de plicht van iedereen is om zijn vlijt aan te wenden, om volgens het oogmerk van Gods roepingen te maken dat zijn boetvaardigheid en hervorming voortspruit uit een oprechte, inwendige en hartelijke bekering tot God, zonder welke die zijn ziel ten aanzien van haar eeuwige staat geen voordeel zullen toebrengen . Hoewel dit zo behoort te zijn, zeg ik, kan echter een openbare verandering en hervorming als die van Ninevé, als die gegrond is op een waarachtig gevoel van zonde en verdiende oordelen, en verder blijkt uit haar werken, de tijdelijke ellenden en verdrukkingen afwenden, of tenminste die voor een tijd doen opschorten. In het kort, de boetvaardigheid die God ten aanzien van Zijn verbond der genade begeert, opdat de zielen van de mensen tot heerlijkheid van Zijn genade in Jezus Christus gezaligd worden, moet inwendig, geestelijk en bovennatuurlijk zijn, waardoor de gehele ziel wordt vernieuwd, veranderd en tot een gezicht van zichzelf gebracht. Maar, zoals God de Opperregeerder is van de wereld in tijdelijke zaken, kan er ook ten aanzien van de bedelingen van Zijn voorzienigheid in barmhartigheid en oordelen, een boetvaardigheid en hervorming zijn, waardoor Zijn eer wordt gerechtvaardigd in een zichtbare gehoorzaamheid aan Zijn roepingen en waarschuwingen, en een erkentenis van Hem in Zijn rechtvaardige oordelen. En deze kan van vrucht tot ons voorgestelde doeleinde zijn. Maar behalve dit, overal waar men een algemene hervorming van leven onderneemt, mag men ook geloven dat die in velen geestelijk is en tot hun behoud dient.
3. De boetvaardigheid en hervorming die vereist wordt, moet geschikt zijn naar de staat en gestalte van hen die er toe geroepen worden. Ieder moet overwegen wat er in hem zelf ontbreekt. Jes. 55:7: "de goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten". Ieder van ons moet nu op zijn eigen wegen en gedachten letten om die te verbeteren. Hierom kunnen de personen, die God in Zijn roepingen beoogt, in twee soorten onderscheiden worden.
A. Zulken, van welke de staat en gestalte boos en goddeloos is, die onbekeerd, onherboren en tot God niet gekomen zijn.
B. En zulken die het waarachtig geloof hebben en tot God zijn bekeerd. De stem van God is tot deze beide soorten. Van de ene zowel als van de andere wordt boetvaardigheid geëist. En beiden zijn ze in een staat om daartoe geroepen te worden. Onder deze beide soorten schuilen verschillende trappen van zonden en tergingen. Sommigen van de eersten zijn openlijk goddeloos. Die hebben zich gewend om allerlei zonden in het openbaar te bedrijven. Het zijn zulken "van welken de zonden voorgaan tot veroordeling", 1 Tim. 5:24. Anderen zijn geregelder in hun uitwendig gedrag. De stem van God in Zijn oordelen ziet op deze allen, naar hun verschillende trappen van zondigen. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten, en iedereen de zijne, die hem eigen zijn, en waaraan hij zich het meest overgeeft. Buiten twijfel gevoelt men in het algemeen, behalve de goddelozen zelf, dat dit soort van mensen zich behoort te hervormen. Het gros van het volk roept tegen hen, en vreest dat Gods oordelen wegens hun zonden over het land zullen komen. Voornamelijk als het personen zijn die aanzienlijke bedieningen bekleden. Maar als zij, die gematigder leven, en die genegen zijn zichzelf te rechtvaardigen omdat zij in zon overvloed van ongerechtigheid niet meelopen
, als die, zeg ik, zich niet ook begeven tot rechtvaardigheid en hervorming, naar dat hun staat dit eist, wordt de wil van God in Zijn waarschuwingen niet beantwoord. Het is toch de onboetvaardigheid van deze mensen, die momenteel de gevaarlijkste zaak onder dit volk is. Hun gerustheid, die niet is te beroeren, doet allen die God waarlijk vrezen, in een bevende gestalte leven.
Deze dingen hebben ook bijzonder betrekking tot gemeenten of kerken; in het bijzondere die "gereformeerd" zijn, en tot alle ware gelovigen daarin. Zoals het ook betrekking heeft op zulke gelovigen die hier en daar verstrooid leven. Deze allen worden tot boetvaardigheid en hervorming geroepen, ieder naar zijn staat en naar zijn omstandigheden en trappen daarvan. Want sommigen zijn meer dan anderen schuldig aan verval in het geloof, de liefde, de ijver, de heiligheid en de vruchtbaarheid in goede werken, en aan gelijkvormigheid met de wereld. En hoewel er een openbare hervorming onder dit volk kwam, ten aanzien van de uitwendige, tergende zonden, en zij die van dit soort zijn, hervormden zich niet, dan zou men de begeerde verlossing nauwelijks kunnen verwachten. Wee is daarom over zulke personen, als door het verzuimen van hun plicht dit land aan de verwoesting wordt blootgesteld!
4. Hierom moet de hervorming, die een ontkoming van naderen oordelen zal uitwerken, algemeen of tenminste gemeenschappelijk zijn. Dat is, het moet plaatsgrijpen onder alle soorten en staten van mensen. Alle soorten zijn gedreigd. Allen hebben zij gezondigd. En daarom wordt de boetvaardigheid ook van allen geëist, als ze niet willen omkomen. Deze moet plaats hebben in overheden en leraars, in aanzienlijken en geringen, in de steden en op het platteland. Men moet het kennen uit de vruchten, op zon wijze dat men mag zeggen: "ziet u niet hoe ze zich verootmoedigen?"
Maar als zoiets zo is als het is zullen sommigen mogelijk zeggen het schijnt dat als allen hier hun harten en handen niet tewerk stellen, als alle soorten van mensen dit niet beginnen, dat er dan niets goeds te hopen of te verwachten is. Maar wanneer zal men zon zaak zien? Wanneer zullen wij aanschouwen dat het gros van alle soorten van mensen in dit land zich van harte tot dit werk van boetvaardigheid en hervorming schikken? Is het daarom niet even goed, daarvan af te zien, als dat te ondernemen? Hierop antwoord ik:
a. Als u tevreden bent om met de onboetvaardigen en goddelozen om te komen, kunt u verkiezen te doen zoals zij doen. Als u hun straf probeert te ontvluchten, moet u hun zonden ook vermijden, en in het bijzonder hun weigering om zich op Gods nodiging te bekeren.
b. Sommigen moeten dit werk beginnen en voorbeelden aan anderen geven. Gezegend zijn ze van de Heere, die de genade en eer zullen ontvangen om zo te doen. Laten we niet stilzitten en op anderen zien, wat die doen. Maar laten we zonder uitstel beginnen met het volbrengen van onze plicht.
c. De vrucht van wat een bijzonder persoon, en veel minder van wat gehele gemeenten in deze zaak doen zullen, zal niet verloren gaan; hoewel al het volk van het land zijn wegen niet verbetert. Want:
Zulken zullen hun eigen zielen behouden, en als ze al in alle delen van de algemene ellende niet bevrijd worden (zoals ik geloof dat op een bijzondere manier zal gebeuren), zullen zij de toorn en de ongenade van God daarin echter niet gewaar worden.
Weinigen kunnen en wie kan het? mogelijk één man kan soms bij God verwerven dat Zijn oordelen die Hij over een volk bedreigd heeft, opgeschort of afgewend worden. Hierdoor:
Zullen zij voor anderen een langere tijd van bekering verkrijgen, die God aan hen gezegend en heilzaam maken kan. Zo blijkt het dat er krachtige drangredenen en aanmoediging, en voor alle gemeenten en voor alle bijzondere personen zijn, om ze te bewegen dat zij de tegenwoordige roepingen van God gehoorzamen; hoewel het gros van het volk niet verzameld kan worden.
VII. Ons volgend onderzoek moet nu zijn: vanwaar, of uit welke oorzaken zon hervorming te verwachten is, die in staat kan zijn om de naderende oordelen af te wenden?
Deze oorzaken zijn, of voorname, of ondergeschikte.
1. De voorname oorzaak van zon hervorming moet de soevereine genade van God zijn, in de uitgieting van Zijn Geest over de zielen van de mensen, om ze in zichzelf te doen keren. En zonder deze zullen alle andere middelen en wegen ijdel bevonden worden. De gehele Bijbel geeft ons dit op als de enige voorname en dadelijke oorzaak van de bekering van de mensen tot God. De zaken zijn onder ons tot die staat gekomen dat, tenzij wij daaraan op een meer dan gewone wijze deel krijgen, onze breuken niet geheeld kunnen worden. Of wij nu grond hebben om zon zaak al of niet te verwachten, zal in het vervolg overwogen worden. Voor het tegenwoordige schijnt er geen andere hoop te zijn, dan alleen dat het een daad is van Gods soevereine genade. Hiervan heeft men voorbeelden in de oude kerk. Vooralsnog schijnt er aan Gods kant inderdaad veeleer een onttrekking te zijn van de mededelingen van de Heilige Geest, ten aanzien van de krachtige en overwinnende genadegiften. Alsook een verachting daarvan aan de kant van de mensen. Maar de Soevereinheid kan alle hinderpalen te boven komen. Op deze wijze heelde en herstelde God Zijn kerk oudtijds, toen alle andere middelen, hetzij van goedertierenheid, verdrukking of oordelen tekort schoten. Zie Ezech. 36:22-29. Het mag tegenwoordig voor een klaaglied strekken, dat dit werk van de genade bij zoveel mensen veracht, en door de meesten klein geacht wordt, en dat de rest van de mensen daarnaar zo weinig verlangt. Maar zonder dit zullen wij alle andere middelen tevergeefs gebruiken, en in geen geval geheel worden. De beste menselijke ontwerpen, tot hervorming van de ene of andere orde of soort, van kerkelijke of burgerlijke zaken, zullen ons zonder dit geen voordeel aanbrengen.
2. De ondergeschikte oorzaken of middelen moet men zoeken bij de overheden en leraars, in het getrouw volbrengen van hun plicht. Maar deze zaken zal ik slechts aanroeren, opdat ik geen redenen tot klachten of ongenoegen geef, hoewel die gegrond en bijna volkomen noodzakelijk zijn.
A. Ten aanzien van de overheden. Deze kunnen een hervorming op drieërlei wijze bevorderen.
(1) Door zich te overtuigen dat hun belang in de voortzetting daarvan bestaat. Tenzij ze de zaak zo bevatten, zal alles wat zij daartoe ook mogen doen, zonder vrucht of voordeel zijn. Want dit is het waaraan het gros van de mensen zich zal onderwerpen, en waarnaar het zich zal schikken. Als men eens verneemt dat hervorming de zaak is die de overheden begeren, waarop ze zich toeleggen, en waarin ze hun hoogste belang stellen, zoals het eertijds met David, Hiskia, Josia en anderen was, dan zal het indruk op de gemeente maken. En het zal geen mindere indruk maken dan het oogmerk van Jerobeam, in het zoeken van zijn goddeloos belang, op het volk van Israël maakte, om dat te doen zondigen. Alle andere hulpmiddelen zijn dood, tenzij die opgewekt worden door een blijk van wezenlijke werkzaamheden in de harten van de overheden, en van een groot belang dat zij in de voortgang van dit werk stellen. Laat ze zoveel wetten en verordeningen maken als ze willen, en zoveel uitwendige middelen instellen, als ze kunnen uitvinden. Als men niet onweersprekelijk kan doen blijken dat het hun hartelijk voornemen is, en dat ze daarin hun grootste belang stellen, zal het alles weinig helpen.
(2) De overheden kunnen dit ook bevorderen, door een strenge uitvoering van de wetten tegen openbare, goddeloze en tergende zonden. En:
(3) Door een levend voorbeeld in hun eigen personen. Zonder dat zal alles erger en erger worden, wat men ook mag aanwenden. De mensen schijnen wel enigermate vermoeid over de beklaaglijke gevolgen van de zonde, maar niet over de zonde zelf. En tot deze vermoeiing ontbreken hun echter nog beweegredenen, aanmoedigingen en voorbeelden. Het komt mij waarlijk vreemd voor dat in al onze vrezen en gevaren, in de verdeeldheid van al onze raadslagen, en in het midden van de verwarringen van alle soorten van mensen, die een grote ijver belijden voor de protestantse godsdienst, voor de statenbond en voor het welzijn daarvan
. Het komt mij vreemd voor, zeg ik, dat in dat alles dit enige hulpmiddel tot ons behoud en veiligheid, geheel verwaarloosd wordt.
B. Ten aanzien van de leraars wordt de getrouwe volbrenging van hun plicht, in het prediken, bidden, en in het geven van goede voorbeelden hiertoe vereist. Maar het zou een geheel boek beslaan, als ik hier wilde aandringen op de noodzakelijkheid van die dingen in deze tijd, alsmede welke zorg, naarstigheid, werkzaamheid, medelijden, ijver, en welke oefening van al de evangelische genadegaven men zien moest, en hoe deze dingen door velen verzuimd worden. Maar ik ga over tot wat ons nader en meer onmiddellijk raakt, namelijk het onderzoek:
VIII. Als al deze middelen eens falen, en alle verwachtingen daarvan ijdel bevonden worden, wat dan de bijzondere plicht is van zulken, die waarlijk gevoelig zijn over deze dingen, namelijk de overvloed van tergende zonden, en de nabijheid van welverdiende oordelen.
Mijn oogmerk hierin om sommige besturingen neer te leggen, ten aanzien van de gestalte van het hart waarin wij behoren te zijn, en in de volbrenging van welke plichten wij gevonden moesten worden, in zon tijd als deze is. Het is geen gewone of gemakkelijke zaak, op de Heere te wachten in de weg van Zijn gerichten, Jes. 26:8, 9.
Daartoe wordt zowel een inwendige werkzaamheid van de ziel bij nacht en dag, als de waarneming van de uitwendige plichten vereist. Dat wij God op een betamelijke wijze verheerlijken, opdat wij in vrede gevonden worden, hoedanig de uitkomst van de dingen mag zijn; dat wij voor anderen nuttig zijn; en dat wij in alles Gods wil in onze levenstijd dienen, zijn zaken die van ons als plichten verwacht worden.
Tot dit doeleinde kan men de volgende besturingen in acht nemen.
1. Draag zorg tegen vermetelheid en een verachting of verwaarlozing van Gods waarschuwingen. Er is een geslacht dat, hetzij in daad of schijn, vermetel, onbevreesd en hardnekkig is, en zonder acht te slaan op deze dingen. Ze schijnen God te tergen en uit te tarten, opdat Hij streng uitvoert, alles wat Hij schijnt te dreigen. Zo zeggen zij, Jes. 5:19: "dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen den raadslag des Heiligen van Israël, dat wij het vernemen!" Hier wordt inderdaad veel gesproken van Gods oordelen en van de nabijheid daarvan. Wanneer zullen wij die zien? Waarom komen ze niet? Wanneer zal Hij Zijn werk tevoorschijn brengen? Dit is het grote verschil tussen de kerk en de boze wereld al van het begin geweest. Zij, die God waarlijk vreesden, getuigden altijd dat God zou komen, en wraak oefenen over de goddeloosheid en ongerechtigheid. Maar omdat deze oordelen niet altijd spoedig uitgevoerd werden, verachtte de boze wereld de waarschuwingen van zulken, en spotte met hun boodschap. Henoch, de zevende van Adam, predikte en profeteerde zo van deze dingen. Namelijk van Gods komst om wraak te oefenen over de goddelozen, Judas :14, 15. Maar deze waarschuwing werd veracht, zoals blijkbaar is, omdat er geen hervorming op volgde, tot de zondvloed kwam en ze wegnam. Eveneens was het met Noach en zijn prediking. Zo is het geweest met allen die God vreesden, in hun verscheiden geslachten. Dit was een van de voornaamste zaken, waarover de christenen door de heidenen bespot en uitgelachen werden, zoals blijkt uit de schriften van Lucianus. De apostel Petrus geeft ons een verhaal van wat reeds gebeurd was, en van dat wat gebeuren zou tot het einde toe. 2 Petrus 3:3-6. Zulke mensen als dezen, zijn er onder ons ook in overvloed. Alle waarschuwingen van God zijn in bespottingen veranderd. De voorgaande oordelen zijn veracht. En de zonde zelf is een lachertje geworden. Maar onder allen heeft God het grootste afgrijzen van zon soort van mensen. Van zulken wordt gezegd dat zij ver van de gerechtigheid zijn, Jes. 46:10. Tot dezen spreekt God in Zijn toorn: "Hoort gij spotters, verwondert u en vergaat!" De Heilige Schrift is vol met strenge bedreigingen tegen dit soort van lieden. En geen zullen te zijner tijd meer drinken uit de beker van Gods grimmigheid. Zie Jes. 38:14, 15; Deut. 29:19, 20. Met zulke geruste verachters, zulke bespotters van naderende oordelen, en zulke uitjouwers van de tekens en blijken daarvan, zal God in strengheid handelen. Er zijn er ook, die wel niet uit hetzelfde beginsel van openbare goddeloosheid, maar wegens sommige vooroordelen, bedorven redeneringen, voorgewende opmerking van verleden gevallen, ongeloof ten aanzien van alles wat ze niet ondervinden, en uit dergelijke gevolgen van een lange gerustheid, al deze zaken geheel verachten en bespotten. Ze houden het voor zwakheid, kleinmoedigheid of bijgeloof, zich met deze waarschuwingen van de voorzienigheid, of met de toepassing daarvan door het Woord, bezig te houden. Maar het oordeel van dezen slaapt ook niet. Men mag opmerken, en het zal waarachtig bevonden worden, dat onder alle mensen dezen, als de oordelen waarlijk komen, het meest flauwhartig, het meest verlegen, het meest vreesachtig, en het meest ontbloot van goede raad zullen zijn. Want als God ze begint aan te tasten, kunnen hun harten niet kloekmoedig, en hun handen niet sterk zijn. Hij slaat hen in de leden en vervult ze met een geest van vrees en verschrikking, opdat ze beven zoals de bladeren van de bomen van het woud. In die dag mag men tot hen zeggen, zoals Zebul tot de roemende Gaäl, toen zijn vijand Abimelech naderde: "waar is nu uw mond, waarmede gij zeidet: Wie is Abimelech?", Richt. 9:38. Waar is nu uw mond en uw opschepperij ten aanzien van deze oordelen van God? Zo zei Micha, de profeet, tot de valse profeet Zedekia, in zijn roemen en vertrouwen op een goed succes, 1 Kon. 22:25: met al uw gepoch en uw verzekering zult u een van de eersten zijn die zal proberen te vluchten en zich te verstoppen. Ja, deze mensen zijn gewoonlijk de meest bespottelijke en meest verachtelijke, als het gevaar hen metterdaad overvalt. Wat God in zon tijd van ons eist, wordt in de Bijbel "beven" genoemd: "dat zij beven voor Mijn Woord". Hier slaat Hij acht op, dit neemt Hij aan, en dit keurt Hij goed, Jes. 66:2, 5; Jer. 5:22. Het is geen zwakke, verbaasde en harteloze ontroering van het gemoed, die ik in het oog heb. En ook niet zon vrees en verschrikking die ons kan verhinderen in de blijmoedige volbrenging van onze plicht, en de voorbereiding van ons aan Gods wil te onderwerpen, gelijk daarvan gesproken wordt, Deut. 28:66, 67. Want dat is het verschrikkelijkste van alle oordelen. Nee, ik zie op een ontzaglijke eerbied voor de grootheid en heiligheid van God in de weg van Zijn oordelen, een verbanning van alle vleselijke gezindheid en vertrouwen op zichzelf, en van de verachting van Zijn oordelen, opdat de ziel zo gebracht wordt in een gehoorzame onderwerping aan Gods wil in alle zaken.
Maar zie goed toe dat ook dit kwaad onder geen voorwendsels bij u inkruipt. Als er een kwaad afgewend schijnt te zijn, zeg dan niet met Agag: "de bitterheid des doods is zekerlijk geweken". Dit zou uitkomen op een meelopen in deze boze gesteldheid, en zo op een verwaarlozing van uw plicht. God verwacht andere dingen van u. "De leeuw", zegt Hij, "heeft gebruld, wie zou niet vrezen?" Amos 3:8. Daar is de stem van een leeuw die op zijn roof loert, onder de tegenwoordige waarschuwingen van God. Draag zorg dat u dat niet veracht, dat u, als het gebeurt, niet kunt vermijden en ook niet kunt verdragen.
2. Draag zorg tegen een gesteldheid van het hart, die onoplettend op deze dingen is. Er is een soort van lieden die, hoewel zij de goddelijke waarschuwingen niet openlijk wil of durft te verachten, echter alles op zon wijze beschouwt, die ze niet toelaat om te zien dat zijzelf daarin enig deel hebben. Ps. 28:5; Jer. 36:24. Het land is vervuld met zonden, dat staan ze toe. Maar het zijn zonden van anderen, en niet van hen. Er zijn tekens en blijken van Gods ongenade, in de hemel boven en op de aarde beneden. Maar de mensen komen niet overeen of die dingen enige beduiding hebben of niet. Sommigen zeggen ja, anderen nee. Maar ze zijn nieuw en vreemd, en daarom waard om tot een onderwerp van gesprek te dienen. Voorafgaande oordelen zijn over ons gekomen. Maar dat zijn slechts toevallen die dikwijls in de wereld gebeuren. Verdeeldheden onder onszelf, en de praktijken van onze vijanden, schijnen dit land met zijn ondergang te dreigen. Dit kan zo zijn, maar dat zijn dingen die onze regenten raken. En hierover zijn de mensen zelf verdeeld. De een zegt dit, de ander dat. Sommigen zeggen: er was een verraad gesmeed. Anderen weer: zoiets is niet waar. Ondertussen is ieder met zijn belangen en inbeeldingen vervuld, en niemand wil daarvan afgetrokken worden tot een ernstige opmerking van God in Zijn tegenwoordige handelingen, zoals de woudezel naar de lust van zijn ziel, en de ontmoeting van wie niemand kan afkeren. Jer. 2:24. Over zon gesteldheid klaagt de profeet als iets dat God zeker zal wreken. "Heere! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege den ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren", Jes. 26:11. Anderen beschouwen deze dingen in een ander licht en met andere opmerkingen. Want omdat het een gedeelte van de zonde en de straf van dit volk is, en een blijkbare vrucht van de snoodheid van onze wegen, dat wij verdeeld zijn in partijen die ieder hun eigen belang zoeken, en naar de ondergang van elkaar streven, daarom merken zij alle wegen van de voorzienigheid met betrekking tot die verschillen aan. Dit verwekt in hen wel een grote aandoening over die dingen, en een gedurig spreken daarover, maar de wil, het werk en het oogmerk van God daarin, wordt niet ter harte genomen. Sommigen zijn zo welvergenoegd met hun tegenwoordige voordelen in ambten, verheffingen en rijkdommen, dat ze niet kunnen verdragen om aan zulke zaken te denken. Welke waarschuwingen van naderende oordelen hun ook voorgehouden worden, ze merken die aan als bedreigingen over zulken, die kwaad tegen hen voorhebben, en dat deze dingen hun beroering beduiden. De schuld maakt hen vreesachtig en gevoelig. En ze achten het het beste, zulke zaken voor zichzelf te verbergen, die zij niet verhelpen kunnen, als ze waarachtig zijn.
Om ons voor dit wangedrag te behoeden, ten aanzien van het niet beantwoorden aan Gods oogmerk in Zijn tegenwoordige weg, mogen wij aanmerken:
A. Dat een ernstige overweging van Gods voornemen in zon tijd als wij beschreven hebben, en ook een onderzoek daarnaar, van ons als een plicht geëist wordt. Het is onze zonde als wij dit verzuimen. En wel een zonde die met vele verzwarende omstandigheden vergezeld is. Het is geen zaak waarop wij mogen letten of niet letten, naar dat het ons raadzaam schijnt. Maar het wordt van ons geëist als een plicht, zonder welke wij God op geen betamelijke wijze verheerlijken kunnen. Zo iemand, die niet dagelijks bezig gehouden wordt met werkzame gedachten over de tegenwoordige wegen van God in Zijn naderende oordelen, leeft in zon plichtsverzuim, als in staat is om hem in een onachtzaamheid en koudheid ten aanzien van alle andere verplichtingen te brengen. Want dit is zeker, dat als God roept tot een zekere bijzondere plicht, op een ongewone wijze of manier, om die op zekere tijd of op zekere wijze waar te nemen, dat degenen die dit verzuimen, inderdaad koud, slechts uitwendig en verzuimachtig ten aanzien van alle andere gewone plichten zijn. Die genade, die niet op te wekken is tot bijzondere plichten op ongewone gelegenheden, is zeer levenloos in alle andere gevallen. Dit is de beste toets, zo niet om de waarheid, dan om de kracht van de genade te beproeven. Wanneer die in haar sterkte en behoorlijke werkzaamheden is, maakt zij de ziel gereed, genegen en geschikt tot gehoorzaamheid aan al de verklaringen van de wil en het welbehagen van God. Zoals de Psalmist zegt: "Heere! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij", Psalm 24:4, 5. Zij let nauwkeurig op ieder blikje en elke aanwijzing van de voorzienigheid, om zich daaraan te onderwerpen; terwijl anderen door sterke koorden en breidels, zoals het paard en de muilezel getrokken worden.
B. Dat dit een plicht is waartoe inderdaad wijsheid en naarstigheid wordt vereist. Wij achten het nodig om in andere gevallen in onze eigen zaken wijsheid te gebruiken. Maar in dit geval is het vooral noodzakelijk. "De stem van de Heere roept tot de stad. De man van verstand (dit is volgens de Engelse vertaling) zal uw Naam zien", Micha 6:9. Gewone, geringe en voorbijgaande gedachten komen met deze plicht niet overeen. Zulke moeten alle gematigde mensen hebben en hun redeneringen komen daarmee overeen. Maar opmerken met naarstigheid en voorzichtigheid wordt van ons gevorderd. Zie na Psalm 65:9; Deut. 12:28; Hoséa 3:5; Psalm 107:43. Gebeden, oefeningen en overdenkingen moeten hier met naarstigheid te pas gebracht worden.
3. Draag zorg tegen ijdel vertrouwen. De mensen zijn in zulke tijden genegen het een of ander aan te grijpen, waarmee ze zichzelf ondersteunen en hulp toebrengen. Er is niets dat meer in staat is om ze af te trekken van deze plicht en de gesteldheid van geest die van ze geëist wordt. Spreek met bijna iedereen en u zult met weinig moeite ontdekken waarin hij zijn vertrouwen stelt en op welke zaken hij steunt. Maar de profeet zegt tegen zulken: de Heere heeft al uw vertrouwen verworpen, zodat u daarmee niet zult gedijen, Jer. 2:37. Er zijn verscheiden soorten van ijdel vertrouwen waarmee de mensen genegen zijn hun gemoederen in zon tijd op te beuren, opdat ze zichzelf, hun gerustheid en het verzuim van deze bijzondere plicht zouden ondersteunen. Ik zal hier slechts van twee soorten spreken, zoals ik de hoofden van de zaken maar noem, die veel verder uitgebreid kunnen worden.
A. Het eerste is een bezit van zekere privileges waarop men vertrouwt tot bevrijding van algemene ellenden. Men is de kerk, men is het volk van God, men is van de wereld afgescheiden, en men wordt daardoor vervolgd. Hieruit komt een zekere gerustheid in het gemoed, dat men waarlijk met anderen niet beroerd zal worden. Zo was het oudtijds met de Joden. Toen die gedreigd werden met Gods oordelen, wegens hun zonden, en geroepen werden tot bekering, toen rechtvaardigden ze zich in hun wegen, en verachtten al de goddelijke waarschuwingen, uit een vertrouwen dat ze hadden op hun kerkvoorrechten. Ze riepen tegen de profeet uit: "des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn deze, en geen kwaad zal ons naderen", Jer. 7:4. In dit vertrouwen, namelijk dat ze de kerk waren, de voorrechten die daartoe behoorden, genoten, en de openbare plechtige godsdienst daarin pleegden, gaven ze zich over tot alle verfoeilijke onreinheid, onder een verzekering dat ze wegens die voorrechten onstrafbaar waren. Zoals de profeet hun verwijt, vers 8-10: "ziet, gij vertrouwt u op valse woorden, die geen nut doen. Zult gij stelen, doodslaan en overspel bedrijven, en valselijk zweren, en Baal roken, en andere goden nawandelen, die gij niet kent? En zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen?"
Nu eisen alle soorten van lieden een toevlucht op hun privileges. Zij, die de uiterste verwoesting van dit land en van alle ware godsdienst daarin beogen, doen dat met vertrouwen van succes op deze zaken, dat zij de kerk zijn, dat de tempel van God bij hen is, dat al de voorrechten die aan de kerk behoren, en al de beloften die daaraan gedaan zijn, hun toekomen. Zodanig is de verdwaasde kracht van hun ingebeelde overtuiging hierin, dat die twee wonderbare gevolgen voortbrengt. Het ene tegen het licht van de natuur, en het andere tegen de grondbeginselen van de godsdienst.
(1) Want eerst, onder de begunstiging van dit vertrouwen, hebben ze zich gewikkeld in zulke schandelijke goddeloosheden, als er ooit onder de zon bedreven zijn. In moorden, vervolgingen, verraderlijke ombrengingen, sterven in het midden van valsheden, met een algemeen voornemen om deze zaken tot het uiterste voort te drijven, tot vernieling van vele onnozele personen, zoals voorheen in Ierland gebeurd is. Maar wat zegt men, hoewel ze al deze gruwelen bedrijven? Ze zijn echter de kerk. De beloften en privileges daarvan zijn de hunne, en al wat zij doen is aangenaam voor God. Een beginsel dat op het meest goddeloze atheïsme uitloopt.
(2) Ten andere, hoewel God op een wonderlijke, ja op een miraculeuze wijze hun helse oogmerken heeft ontdekt en verhinderd, en velen van hen in de put geworpen heeft die ze voor anderen groeven, willen ze toch geen bestraffing van God aannemen. Maar ze gaan voort in die hardnekkige verwaandheid, dat zij de kerk zijn, en eindelijk de overhand zullen behouden. Zonder twijfel behoren zij tot die kerk, die door deze middelen overwinnen moet. Sommigen geven inderdaad het meest voor dat zij de kerk zijn. Maar ze leggen, voor zoveel ik zien kan, op geen andere voordelen op die grond toe, dan op bedieningen en bevorderingen. Anderen zijn ook gereed zichzelf met dat vertrouwen op te beuren, dat zij Gods volk zijn, en om die redenen een bijzonder deel in de verlossing zullen hebben.
En ik zeg, laat het ver van mij zijn, dat ik het gevoelen van Gods opzicht over zulken, die waarlijk de Zijnen zijn, zou verzwakken. Laat de wereld daarmee spotten zoveel zij wil; aan die behoren al de beloften van de Bijbel, en al de privileges van de kerk. Zulken moeten de beloften met geloof vermengen, en voor God onophoudelijk pleiten. En ze zullen aan hen vervuld worden, op de tijd en wijze die God bestemd heeft. Ik weet ook niet dat iemand van de verschillende belijdenissen deze voorrechten en privileges zo op zichzelf toepast, dat anderen daarvan uitgesloten zouden zijn. Maar ik weet wel dat zij die tot alle ware gelovigen uitbreiden. En dit is het, dat ik ten aanzien van alle soorten van mensen zeg: dat, als een vermoeden of een overtuiging dat zij de kerk of het volk van God zijn, ze afhoudt van die plicht van boetvaardigheid en reformatie, waartoe God nodigt, dat het dan, zeg ik, een vertrouwen is dat God verwerpt en waarmee ze niet voorspoedig zullen zijn.
Ik wilde iemand wel eens vragen: heeft de kerk niet gezondigd. Hebben de leden niet gezondigd? Zijn er onder ons geen zonden tegen de Heere onze God, die eigen zijn aan onze staat en naar mate van onze gestalte? Als dat zo is, dan zal ons deel aan Gods kindschap, als wij dat waarlijk bezitten, ten aanzien van deze bedoelingen van de voorzienigheid ons temeer aan Zijn rechtvaardige strengheid blootstellen, tenzij wij ons bekeren. Want het oordeel begint van Gods huis, en het moet van ons beginnen. Draagt zorg tegen deze falende toevlucht. Ik heb aangetoond hoe velen vleselijke gerustheid hebben, en wat een verzuim van bekende plichten daaruit voortvloeit. Bent u het volk van God, dan moet u temeer voor Zijn oordelen en de tekens van Zijn ongenade beven. Vooral behoort het in deze dag met u zo te zijn, nu God op een bijzondere wijze onvergenoegd met de rivieren schijnt te zijn, zoals de profeet zegt, Hab. 3:8; met zulke rivieren die stromen van verversing over het land moeten brengen. Aan mij schijnen alle zaken in die staat te zijn, dat er ten aanzien van de algemene oordelen geen toevlucht is gelaten, dan alleen tot Gods vrije genade en barmhartigheid, om die af te wachten onder boetvaardigheid en hervorming. Want met betrekking tot onze privileges, zegt God tot ons, zoals tot Zijn oude volk aangaande hun versiersels: "legt die af, en Ik zal weten wat Ik u doen zal", Exod. 33:5. Wij moeten al onze eisen en voorwendsels terzijde leggen, en ons alleen overgeven aan de soevereine genade en barmhartigheid.
Toekomstverwachting
B. Een andere grond van ijdel vertrouwen kan zijn, een onrechtmatige verwachting van een vervulling van zulke schriftuurlijke beloften en voorspellingen, die op onze staat niet toepasselijk zijn.
Het is onloochenbaar dat er zulke beloften en voorspellingen zijn aangaande de verlossing van de kerk, de vernieling van haar vijanden, en van de glorie en schoonheid van Christus koninkrijk. Want hoewel de meeste plaatsen van het Oude Testament, die hierop zien, van een geestelijk beduiding zijn, en hun vervulling in al de uitverkorenen van iedere eeuw hebben, hoe hun uitwendige staat en gelegenheid ook mag zijn; kan men echter niet ontkennen dat er ook zulken zijn, die de staat van de kerk in deze wereld, de verwoesting van haar antichristelijke vijanden, en de vrede en de heerlijkheid, die daarop zal volgen, betreffen.
Ten opzichte van deze teksten mogen wij nu verscheiden zaken aanmerken, opdat wij die niet gebruiken tot een ijdel en grondeloos vertrouwen, in zon tijd als deze is.
a. Dat men een vast geloof moet hebben van hun vervulling op de bekwame tijd. De regel voor die alle wordt door de profeet uitgedrukt: "Ik, de HEERE, zal zulks te zijner tijd snellijk doen komen", Jes. 60:22. Zo wordt ook gezegd, Hab. 2:2, 3. Hoewel ze vertraagd en uitgerekt schijnen te worden boven hun bestemde tijd, toch hebben ze een bepaald en vastgesteld bestek, waarboven zij niet zullen wegblijven. En twee zaken wilde ik bij deze gelegenheid voordragen:
(1) Dat wij niet alleen hun vervulling moeten geloven, maar ook metterdaad gelovige werkzaamheden omtrent die uitoefenen. Want zonder dit zullen wij een grote steun missen in iedere dag van beproeving, om langdurige verdrukkingen geduldig te verdragen. En door zon geloof genieten wij de kracht van de vertroosting van de beloofde dingen, hoewel wij die niet dadelijk ondervinden. Want het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt, Hebr. 11:1. Het is iets dat in de gemoederen een voorafgaande smaak van vertroosting geeft, ten aanzien van de zaken die men verwacht. Zulken, van wie de zielen in deze dingen geoefend zijn, weten welk voordeel zij trekken uit een voorafgaande genieting daarvan. Door sommige werkzaamheden van het geloof geraken ze nu en dan in gemeenschap met de gelovigen van het Oude Testament, voor zover die verwachtten wat wij genieten, en ook in gemeenschap met hen die hierna de vervulling van de beloften, die mogelijk nog veraf zijn, genieten zullen.
(2) Dit geloof behoort het sterkst te zijn, als alle dingen samen schijnen te spannen, om de vervulling van zulke beloften niet alleen onwaarschijnlijk, maar ook onmogelijk te maken. Zowel ten aanzien van de tegenwoordige uitwendige oorzaken, als van de tegenwoordige staat van de zaken in de wereld. Er zijn geen zichtbare of blijkbare middelen om enige daarvan te doen vervullen. Ja, de gehele wereld is als verenigd in een samenzwering om die overhoop te werpen. Maar het ware geloof verheft zich tegen die tegenkantingen, en overwint die alle. Want, omdat het God alleen, en Zijn macht, waarheid en getrouwheid tot zijn voorwerp heeft, acht het geen tegenkanting, die de mensen kunnen uitvoeren. Dat zal gebeuren op die wijze, zoals het God behaagt die uit te voeren. Laat de wereld doen wat hun behaagt: God lacht over al hun hoogmoedige aanslagen. En evenzo mogen de kinderen van Sion doen.
b. Het is onze plicht te bidden om de vervulling van al de beloften en voorzeggingen, die van het koninkrijk van Christus en van Zijn kerk in deze wereld in Gods boek zijn aangetekend. God wil deze zaken wel volbrengen. Maar Hij wil ook van het huis van Israël gezocht worden, dat Hij het doet. Dit is de praktijk geweest van de gelovigen in alle tijden, zowel onder het Oude als Nieuwe Testament. Het gebed om de vervulling van de beloften is altijd als de levensadem van de kerk geweest. En als het geloof hierbij komt, brengt het een grote verkwikking in de ziel. De grootste blijk van de nadering van die vervulling zal een overvloedige uitstorting van de Heilige Geest zijn in de harten van de gelovigen, hetzij ze op die tijd in de wereld groot of klein in getal zijn; om ze op te wekken en bekwaam te maken tot een vurig en werkzaam bidden om de vervulling daarvan. Zoals wij dat voorbeeld in Daniël hebben, Dan. 9:1-3.
c. Hierom zijn er in zulke beloften en voorzeggingen voornamelijk drie dingen aan te merken.
1. De genade en barmhartigheid die daarin uitblinkt.
2. De welvoeglijkheid en overeenkomst van die genade en barmhartigheid met de staat van de gelovigen in alle tijden.
3. De letterlijke vervulling daarvan ten opzichte van haar uitwendige omstandigheden. De twee eerste zaken betreffen ons altijd. En wij mogen met God in geloof pleiten om de gevolgen daarvan in al onze beproevingen en benauwdheden. Met betrekking tot deze zaak is het, dat Gods volk op God vertrouwt tegen de wereld en hun vijanden en verdrukkers. Een vertrouwen dat hun zo dikwijls met versmading is verweten, en dat de Heere Christus en Zijn geloof ook werd tegengeworpen, Psalm 22:8. Als het met de belangen van de vromen slecht schijnt te staan; als deze opgesloten zijn in de hand van hun vijanden en verdrukkers, zoals de Heere Christus op het kruis, dan staat de wereld gereed om te spotten met hun vertrouwen op God, en met de belijdenis dat zij Zijn volk zijn. Maar in deze verzoeking bezwijken ze niet. Hoe de dingen voor een tijd ook mogen gaan; ze zijn verzekerd van de genade en barmhartigheid die in de beloften is, en dat deze beloften volkomen geschikt zijn naar al hun gebrek; dat alles is wat zij voluit kunnen eisen. Ja, ze zijn ook verzekerd van hun volkomen verlossing, als die tot hun best kan dienen.
4. Maar bedenk dat velen ellendig bedrogen zijn geweest in de vervulling van zulke beloften en voorzeggingen tot zekere tijden en omstandigheden te bepalen. Dit heeft ook de grond gelegd van zeer schandelijke gedragingen. De wereld heeft nauwelijks grotere uitspattingen in zonden en goddeloosheid gezien, dan die ondersteund werden door het voorwendsel dat zon tijd nu was gekomen, en dat daarin zulke of zulke dingen moesten uitgevoerd worden, door hen die deze toepassingen en bepalingen maakten. Want als zon inbeelding plaats grijpt in het hart van de mensen, worden zij ontslagen van alle verbintenissen; behalve die hun eigen lusten hun voorschrijven. Velen zijn er die van zulke inbeeldingen vervallen zijn tot een droevige en schandelijke mislukking van hun oogmerken.
5. Hierom is tegen zon verwachting of zon vertrouwen op de uitkomsten van beloften en profetieën, die mensen afleidt van een naarstige beoefening van de plichten, die God voor het tegenwoordige van ons eist, zeer zorgvuldig te waken. Ik heb velen horen redeneren en pleiten om zulke verwachtingen te sterken en klem bij te zetten. Maar ik heb van hen nooit goede gevolgen gezien. Ze behagen ons voor het tegenwoordige, maar geven geen vrucht.
De geschiedenis van de profeten Jeremia en Hananja (Jeremia 28) is zeer toepasselijk op de gevallen waarvan wij spreken. Het is zeker dat dit een van de redenen was, waarom de Joden, voor de verwoesting van Jeruzalem, zich tot hun uiterste verderf verhardden, en helemaal niet wilden luisteren naar de stem van God of mensen tot hun behoud; dat zij gevoelden dat hun Messias in die tijd komen en hen verlossen zou.
6. Weinigen zijn er die weten van wat voor soort die dag van de Heere zal zijn, die zij begeren, waarnaar zij verlangen, en die zij verwachten. Wij weten hoe zon verwachting voor de Joodse kerk uitviel, Mal. 3:1, 2. Er kan een dag komen die, hoewel van een glorierijk gevolg, echter alle hoop verslindt die de mensen in de verwachting daarvan hebben opgelegd. Maar in deze dingen zal ik niet verder treden. Mijn oogmerk is alleen om zon ijdel vertrouwen weg te nemen, als ons hinderen kan in een naarstige betrachting van de plichten, die God in deze tijd van ons eist, en die zo direct genoemd zullen worden.
C. Sommigen plaatsen hun vertrouwen in geheime middelen van behoud, die zij in zichzelf hebben. Zodat, hoe het ook met anderen gaat, zij het wel genoeg ontkomen zullen. Ze zijn rijk, en hun voornemen is ook wijs te zijn. Ze hebben voorgenomen zich niet te bemoeien met kerkelijke of burgerlijke zaken, die hun nadeel in hun bezittingen zouden kunnen toebrengen. Terwijl men van alles goedkoop af kan komen met wat praten, willen zij wel zijn en doen zoals anderen. Maar als de beproevingen komen, dan is hun voornemen om veilig te wijken. De beeltenis en het oordeel van zulke mensen is beschreven in Jes. 28:15, 17, 18.
4. Een vierde besturing voor ons gedrag in zon tijd is, dat wij onze eigen wegen en harten nauwkeurig onderzoeken en beproeven om te weten en te verstaan hoe het tussen God en onze zielen is gesteld. Deze besturing wordt ons gegeven, Klaagl. 3:39, 40: "wat klaagt dan een levend mens? Een ieder over de straf van zijn zonden? (Engelse vertaling.) Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den Heere." Als de beproevingen en straffen naderen, of reeds over ons zijn, dan is het ons werk of onze plicht, niet om daaronder te liggen klagen, maar om onze wegen zo te onderzoeken en te doorzoeken, dat wij wederkeren tot de Heere. Dit is het eerste woord van Gods stem in naderende oordelen: "doorzoekt uzelf, beproeft uw harten en uw wegen". Om in zon tijd de overweging van onszelf, van onze staat, onze wandel en onze werkzaamheden slechts op de gewone wijs of met gewone en geringe aandacht ter harte te nemen, is de stem van God te verachten. God spreekt overluid. De stem van de Heere roept tot de stad. Hij doet dat door de middelen die hiervoor genoemd zijn. Hij spreekt onderscheiden en verstaanbaar, zodat "een man van verstand Zijn Naam kan zien", en Zijn wil weten. Hij spreekt tot ons en zegt: "doorzoekt nu uzelf".
In dit onderzoek moet men letten op de volgende zaken:
A. In het algemeen. Onderzoek naar uw eigen toestand en staat. Beproef of die gebouwd is op een goede grondvesting; hetzij door het geloof op een rotssteen, of door de belijdenis slechts op een zandgrond; of hij de toets uit kan staan van Hem, Die het zal brengen tot het vuur van een louteraar, Die met de adem van Zijn lippen de geveinsden zal doden. Er zullen, als deze dag van de beproeving van de Heere komt, vele verschrikkelijke ontdekkingen gemaakt worden van de valse en grondeloze staat van vele mensen. Dit ene is een zeker einde van een vurige beproeving, namelijk de ontdekking en vertering van de belijdenis van de geveinsden, zoals reeds voor een gedeelte is gebeurd.
B. Men moet letten op zulke overtredingen, als de bijzondere en tergende zonden van kerken en belijders zijn. Zulke zonden waartegen de Heere Jezus Zijn ongenoegen betuigt, en die tot verwekking van tijdelijke oordelen niet minder kunnen toebrengen dan de schandelijke ongerechtigheden van openbare zondaren. Deze zijn een verval in het geloof, in de ijver, en in het voortbrengen van vruchten van gehoorzaamheid, een gebrek aan vurigheid, leven en vermaak onder en in het verrichten van de instellingen die de godsdienst van het evangelie voorschrijft. Daarbij komen hovaardigheid, opgeblazenheid van geest, hoogachting van zichzelf, en onvruchtbaarheid in goede werken. Willen wij weten welke de zonden in kerken en belijders zijn, waarover de Heere Christus zo ontevreden over ons is, dat Hij ons dreigt te verlaten, dan kunnen we het niet beter leren dan uit de betuigingen die Hij doet aan de gemeenten van Klein-Azië. Zie Openb. 2 en 3. En deze zijn de dingen waarmee Hij haar beschuldigt. Want dat personen, die zich de naam aanmatigen van belijders en leden van de gemeenten, zich vergenoegen met alleen onderzoek te doen naar hun uitwendige daden en plichten van allerlei soort in de godsdienst, de zedenoefeningen en de burgerlijke samenleving, opdat niemand met recht een laster op hen zou werpen, dat beantwoordt helemaal niet aan het onderzoek waartoe God hen roept. Nee, men moet zich vragen: hoe is het ten aanzien van de inwendige gesteldheid van uw hart? Welke is de kracht en sterkte van het geloof en de liefde in u? Hoe bent u in uzelf werkzaam, en hoe is uw wezenlijk vermaak in Gods wegen? Waar is uw vruchtbaarheid in werken van liefde en barmhartigheid? Waar is de gereedheid om uw vijanden te vergeven? Is er geen misslag of verval in deze dingen? Is er geen ongesteldheid, koudheid of dodigheid in het volbrengen van de godsdienstige plichten bij u ingeslopen? Hoe is het met uw meditaties op geestelijke dingen, en met het vestigen van uw gedachten op dingen die boven zijn? Ten aanzien van deze zaken behoorden wij ons naarstig te onderzoeken op zon dag als deze is. En vinden wij enig verval in onszelf, laat ons bekend zijn dat God ons tot boetvaardigheid roept, op straf van Zijn grootste ongenade.
Wat onze eigen persoon betreft, wij kunnen de harten van anderen niet onderzoeken of oordelen op enige andere manier dan door het Woord aan de gewetens toe te passen. Maar dit moet ik echter zeggen, dat, als de uitwendige daden van de mensen een blijk geven van de inwendige gesteldheid van hun harten, dat er dan, zeg ik, voor de meesten van ons redenen genoeg zijn om over zichzelf in deze zaak zeer waakzaam te zijn.
C. Let op uw beroepingen, omstandigheden en neigingen, en de zonden die daaraan in het bijzonder eigen zijn. Er zijn zonden die zeer behendig zijn om zichzelf te dringen in de beroepen en omstandigheden van de mensen, zowel van hoge als van lage staat; en die ze dan gemakkelijk omringen; als ongevoeligheid, onderdrukking, strengheid en onbarmhartigheid in zulken die groot van aanzien zijn en uitgebreide bezittingen hebben, bedrog, dubbelzinnigheid en verschalking in anderen van mindere bedieningen. Maar van dezen spreek ik nu niet. Ze zijn van het getal van zulken die voorshands in het oordeel lopen. Maar deze dingen: de beroepingen, omstandigheden en genegenheden van de mensen zijn bekwaam hun gemoederen met ondeugende gewoonten te besmetten en hun wegen verdraaid te maken. Hoogmoed van dit leven, veel ophebben met zichzelf, onachtzaamheid in de heilige plichten, onmatige driften en lusten, verslindende zorgen, vleselijke verschrikkingen en andere schadelijke kwaden, komen uit deze dingen voort, als men daartegen niet waakt. Met betrekking tot deze worden wij daarom geroepen onszelf te onderzoeken in de dag waarop God met ons aan het pleiten is. Ten opzichte hiervan behoorden wij bovenal zeer waakzaam over onszelf te zijn. Want de wegen en wandeling van al de belijders hebben een grote terging voor de Heere Jezus Christus gemaakt.
D. Het onderzoek moet op een bijzondere manier geoefend worden ten aanzien van de liefde tot de wereld en de gelijkvormigheid daarmee. Dit is iets dat de Heere Jezus Christus helemaal niet in Zijn gemeenten wil verdragen. Want dit strijdt tegen het gehele werk van het geloof, en tegen al de geboden van het evangelie. Het strijdt niet met het ene of andere gebod op zichzelf, maar met het gehele oogmerk van het evangelie, en de genade die daarin toegedeeld is. Nu behoeft er over onze uitwendige gelijkvormigheid aan de wereld niet veel onderzoek gedaan te worden. Deze zaak blijkt aan allen. Ten aanzien van gewaad, mode, dagelijkse omgang, verkwisting van tijd, vergasten van de rijken en vreugde bedrijven, is er weinig onderscheid gebleven tussen de waarachtige belijders en de wereld. Dit zal God niet lang in hen verdragen. Vooral niet in zulken die hun rijkdom in de wereld vermenigvuldigd hebben, en daaraan gelijkvormig zijn geworden, terwijl anderen van dezelfde belijdenis door de wereldlingen zijn geteisterd, in kerkers geworpen, van goederen ontbloot, en geheel te gronde gericht. Wat de onmatige liefde tot de wereld betreft, ik heb daarvan zo dikwijls gesproken en zoveel over gehandeld, dat ik er hier niet verder op aan zal dringen. Alleen zeg ik: als de mensen vermetel en hoogmoedig worden, zichzelf schatten naar de vermeerdering van hun aardse goederen, en denken dat hun ongelijk aangedaan wordt als anderen dezelfde achting niet voor ze hebben, dat het dan vruchteloos is om voor te geven dat ze niet onmatig kleven aan de wereld en wereldse goederen. De zelfbeproeving is de eerste plicht waartoe wij in deze tijd geroepen worden. Als wij hierin nalatig zijn of er gemakkelijk overheen lopen, dan zullen wij aan de wil of het welbehagen van God in geen zaak of plicht van een andere soort beantwoorden. Hierom moeten wij God en mensen hierin tot onze hulp en bijstand roepen, en onszelf ook opwekken tot naarstigheid en volharding. Zo deed de psalmist. Uit vrees dat hij niet bekwaam zou zijn om een naarstig en getrouw onderzoek van zichzelf en zijn wegen te doen, riep hij tot God om hem te doorgronden en te beproeven, opdat hij bekend werd aan zichzelf, voornamelijk met betrekking tot een schadelijke weg van goddeloosheid. Zie Psalm 139:23, 24. Op deze wijze behoren wij te schreeuwen om verse uitstortingen van Gods Heilige Geest in Zijn overtuigende kracht, opdat wij door en door aan onszelf bekend worden, en Hij ons verlost van alle zelfbedrog in deze zaak. Want als wij ons aan dit onderzoek zetten, zullen er zich duizend voorwendsels en redeneringen opwerpen, om ons voor onszelf te verbergen en te stijven in de zonden, tegen een ontdekking en uitroeiing daarvan. Niets kan deze dingen verstrooien en wegnemen, dan de kracht van de Heilige Geest in Zijn overtuigende werkzaamheid. Al het bedrog van het hart zal zich in zon tijd voordoen, om zulke hebbelijkheden en werkzaamheden, die voortgebracht en geoordeeld moeten worden, te verbergen, op te smukken, te verschonen en te ondersteunen. Men heeft dan nodig "de lamp des Heeren om de binnenkameren des buiks te onderzoeken", Spr. 20:27. Het geestelijk licht om te zien in de verborgen schuilhoeken van het hart, om daarin het kwade te ontdekken. Niet minder behoeft men een geestelijke kracht om alle hoogten en sterken van de zonden neer te werpen, die in zon tijd verheven zullen worden, en die niet te vernielen of te verstrooien zijn zonder krachtdadige werkingen van de genade. Op deze zaak behoorden wij onszelf in de eerste plaats toe te leggen, als wij voornemens zijn in het werk van zelfonderzoek enigszins te vorderen. Tevens moeten wij bidden dat het Woord van het evangelie in zijn prediking en bedeling krachtdadig mag zijn tot dit doeleinde. Dat wij het levendig en krachtig mogen bevinden, Hebr. 4:12. Dat het de verborgen dingen van het hart mag oordelen, 1 Kor. 14:25. Dat wij mogen neervallen en onszelf daarnaar oordelen. Onszelf in zon tijd voor de kracht van het Woord te verbergen, is een openlijke blijk van een vernielende gerustheid. In de volbrenging van dit werk, onder het gebruik van deze middelen, moet men volharden, als wij voornemens zijn aan de tegenwoordige roepingen gehoor te geven, of onze pogingen aan te wenden, opdat wij in vrede met God zijn wanneer Hij komt.
E. Dat wij ons voor de Heere diep verootmoedigen wegens onze zonden, en ze daarop allemaal vaarwel zeggen, is het voornaamste van onze plicht in deze tijd. Hiervan geeft de gehele Schrift getuigenis, waar zij van deze dingen spreekt. Alles wat wij zonder dit doen, of kunnen doen, is van geen waarde ten aanzien van een onderwerping aan Gods roepingen. Dit is het doeleinde van het onderzoek, waarop wij tevoren aandrongen. Ieder van ons moet de strelingen, de ziekte, de pestilentie van zijn eigen hart kennen en uitvinden, om zich te verootmoedigen voor de Heere.
In deze verootmoediging wordt vereist:
a. Dat het inwendig en oprecht is. Er is een verootmoediging die zich gewoonlijk in de onderhouding van rust- en bededagen vertoont, en die dikwijls niets anders is dan zijn hoofd voor een dag als een bies te laten hangen. Het is waar, deze kan soms zoveel teweegbrengen, dat de uitvoering van gedreigde oordelen daardoor afgewend of uitgesteld wordt. Maar wat God van ons eist is een vastgestelde genegenheid van het hart. Als de Heere Jezus komt om boetvaardigheid en bekering te gebieden, geeft Hij Zichzelf de titel: "dat Hij het is, Die harten en nieren onderzoekt", Openb. 2:23. Het is een inwendige verborgen werkzaamheid, waarnaar hij ziet in onze verootmoediging over de zonden. Zo zegt David in hetzelfde geval: "Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste", Ps. 51:8. Waarheid en oprechtheid in onze voornemens zijn de zaken waarop God in onze verootmoediging let. Zoals dit overeenkomt met het woord van de profeet: "scheurt uw hart en niet uw klederen". Inwendige werkzaamheden en geen uitwendige tekens worden door God in dit geval aangenomen. Laat ieder van ons het op zijn eigen ziel zetten, ieder zijn eigen geweten in het verborgen belasten met de volbrenging van deze plicht. God wil Zich niet langer vergenoegen met voorwendsels; geen uitwendige blijken van voorbijgaande genegenheden in een verootmoediging voor een dag, hoewel gepaard met de waarneming van de wezenlijke plichten die op zon dag vereist worden, zal aan Gods wil in dit opzicht beantwoorden.
b. Want onze verootmoediging moet buitengewoon zijn. Vernedering over onze zonden is een plicht die altijd op ons ligt. "Met onze God ootmoedig te wandelen", is de voornaamste zaak die de Heere van ons in de wereld eist, Hos. 6:8. Hierom is de zelfvernedering en een gevoeligheid over de zonden, het leven, de ziel en het beginsel van alle andere daden en plichten die daartoe behoren. Maar als Gods roepingen buitengewoon zijn, zoals ze zijn heden ten dage, is het noodzakelijk dat wij ons op een buitengewone manier schikken tot deze zaken. Misslagen in de vereiste trappen van een plicht, maakt die onaangenaam en zonder uitwerking. Als wij ten aanzien van de tijden, gelegenheden, manieren, middelen en hoedanigheden van deze plicht, onszelf met geen naarstigheid die meer dan gewoon is, en ook niet met een groter voornemen van het hart daarop toeleggen, schieten wij tekort in wat van ons wordt verwacht. Als wij met God bij buitengewone gelegenheden slechts in een gewone gestalte van het hart handelen, dan verachten wij Hem. Of tenminste is het een bewijs dat wij geen behoorlijk ontzag hebben voor Zijn oordelen, en ook geen voldoende bekommering wegens het deel dat wij erin zullen krijgen.
c