Foto
TOESPRAAK VAN PATER PETAR
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7
  • Deel 8
  • Deel 9
  • Foto
    Foto
    Het  logo  van  het  Bisdom  Gent  van  MG.  Van  Looy
     
    Origen
    Quantcast
    Met hulp en medewerking van John Pont is dit blog gemaakt
    HOUD UW LAMPEN BRANDEND.
         Image and video hosting by TinyPic
    For this blog to translate into language of your choice? Select your language below.
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
     2 prachtige pps-jes hierboven van Godelieve en ook Mama rechts heeft ze gemaakt
    Klik op de banner en bekijk nog veel meer moois op haar blog
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Klik op de banner hier beneden en ga eens langs bij Lenie voor nog meer moois
    Alle Ave Maria pps-jes hierboven zijn van haar
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Gastenboek

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Wonder

    21-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.JEZUS' LIJDEN EN KRUISDOOD.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.JEZUS' LIJDEN EN KRUISDOOD.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.JEZUS' LIJDEN EN KRUISDOOD.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.JEZUS' LIJDEN EN KRUISDOOD.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.JEZUS' LIJDEN EN KRUISDOOD.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.JEZUS' LIJDEN EN KRUISDOOD.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.JEZUS' LIJDEN EN KRUISDOOD.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.JEZUS' LIJDEN EN KRUISDOOD.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.JEZUS' LIJDEN EN KRUISDOOD.

    N ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.JEZUS' LIJDEN EN KRUISDOOD.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.JEZUS' LIJDEN EN KRUISDOOD.

    N.( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mijn Engel Daniël. ( Vasulla Ryden.)

    31 MEI 1986.

    Vrede; vrede zij met je; God bemint je en toont je Zijn liefde; God bemint jullie allen, met een liefde die alle begrip te boven gaat; bemin God, want God is goed; bemin Hem met al je krachten; Daniël;

    1 JUNI 1986.

    Vrede voor jou; wees goed; houd op met lezen van die boeken; de Bijbel predikt de Waarheid; Daniël;

    2 JUNI 1986.

    Vrede, vrede voor jou; denk aan God; Hij heeft vanaf het begin wonderen gedaan; alle Glorie komt van God; God zal je aan Zich binden; ga met de genade van onze Heer Jezus Christus; iedereen sterft, van einde komt begin; ga in vrede; Daniël;

    Wordt  vervolgd.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen."Het Teken van de Mensenzoon " (Schriften van Madeleine)

    ACHT EN TWINTIGSTE VERSCHIJNING.

    Goede Vrijdag, 28 maart 1975.

    Madeleine gaat tegen 11 uur naar de kerk, daarna om 3 uur voor de Kruisweg, en tegen 5 uur opnieuw, zonder dat de Heer zich openbaart. Zij ziet tegen die avond op vanwege de grote opkomst die er zal zijn. Om half negen zijn een vijftigtal mensen in de kerk.

    Madeleine bespeurt aan het eind van de kerk het Licht, voorbij het hoofdaltaar dat aan haar zicht onttrokken is. Zij begeeft zich naar dit Licht en knielt voor de Heer die, met zijn handen naar haar uitgestrekt, verschenen is.

    "Zegt dit hardop : "Waarom treurt u over de dood van de gekruisigde Jezus, terwijl Hij heden levend in uw midden is ?

    Bidt eerder voor hen die, vandaag meer nog dan gisteren, Hem vervolgen."

    Gaat drie stappen achteruit en herhaalt met uw armen gekruist wat Ik u voorzeg :

    Jezus heeft zijn handen gekruist en zijn ogen ten hemel gericht alsof Hij wil bidden. Zijn ogen keken ernstig en bedroefd, en ik onderging zijn droefheid.

    - Mijn God, ontferm U over hen die U beschimpen : vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

    - Mijn God, ontferm U over de ergernis in de wereld : bevrijd ze van de geest van Satan.

    - Mijn God, ontferm U over hen die, vandaag meer nog dan gisteren, U vervolgen : stort in de mensenharten uw Barmhartigheid uit."

    Toen Jezus zijn handen liet zakken, zag Madeleine een bol onder zijn voeten. Vervolgens heeft Hij zijn handen tamelijk hoog in de richting van de kerkgangers uitgestrekt, terwijl witte en rode stralen uit zijn handpalmen stroomden. En Hij zei tegen Madeleine :

    "Zegt ze dit : Madeleine herhaalt hardop

    "Weet dat Jezus van Nazareth over de dood heeft gezegevierd, dat zijn Rijk eeuwigdurend is en dat Hij komt om de wereld en de tijd te overwinnen.

    Madeleine ondervond een diepe Vreugde, en zei later :

    "Ik voelde aan dat de Heer de aarde beheerste. Het leek alsof Hij kwam in macht en glorie, want die bol onder zijn voeten was de aarde."

    Zij herhaalt hardop de woorden van Jezus :

    Het is door het Glorierijke Kruis - door Madeleine, op de dag af, drie jaar geleden gezien - ja, het is door het Glorierijke Kruis, dat het Teken is van de Mensenzoon, dat de wereld gered gaat worden.

    Jezus die onder ons aanwezig is, vraagt nu op dit ogenblik* dat u allen in processie naar de plaats gaat waar het Glorierijke Kruis verschenen is. Gaat er vol berouw heen, u zult er de Vrede en Vreugde vinden. Jezus vraagt dat hier ieder jaar een plechtig feest gevierd wordt - op deze dag (dus 28 maart).

    "Notum fecit Dominus a Magdalena Salutare Suum."

    Vertaling uit het Latijn : "De Heer heeft zijn Heil bekend gemaakt door Madeleine."

    Daarna, alleen voor Madeleine :

    "Schrijft bij thuiskomst op wat Ik u zeggen ga.

    Jezus keek mij aan en glimlachte. Hij strekte zijn rechterhand naar mij uit. De globe en de stralen waren verdwenen. Zijn oogopslag is zo lieflijk !

    U bent verkozen, Madeleine, om de weerspiegeling van mijn Liefde te zijn. Het is daarom dat u in vuur en vlam bent gezet. Zoudt u na deze glorierijke dag zo goed willen zijn een grote taak te volbrengen ?"

    Madeleine hardop :

    "Uw wil geschiede !"

    "Laat het gebed, dat Ik u geleerd heb, 320 keer neerschrijven en weest mijn apostel.

    Gaat tot aan de grens van deze stad in ieder gezin zeggen dat Jezus van Nazareth over de dood heeft gezegevierd, dat zijn Rijk eeuwigdurend is, en dat Hij komt om de wereld en de tijd te overwinnen."

    "Zegt dit hardop : "U maakt de tijd mee waar iedere gebeurtenis het Teken is van het geschreven Woord."

    En zonder instructie aan Madeleine om het hardop na te zeggen :

    Ik verlang dat zij elke dag het gebed bidden, gevolgd door een tientje van de rozenkrans. Elk gezin dat het met groot vertrouwen bidt, zal tegen iedere wereldramp beschermd worden. Bovendien zal Ik in de harten mijn Barmhartigheid uitstorten.

    Indien men u vraagt wie u stuurt, dan zegt u dat het Jezus van Nazareth is, de verrezen Mensenzoon. Onthoudt, vreest niet de tegen u opkomende vernederingen, laster en spot. U zult gehaat worden omwille van mijn Naam, maar volhardt tot het einde. Als u dat wenst, mag u zich door iemand laten vergezellen. U hebt alle tijd om deze taak te volbrengen. Uw gezin mag er niet onder lijden, want dit laatste Heilige Jaar zal pas eindigen na de oprichting van het Glorierijke Kruis. Maar dat zij, die tot taak hebben het op te richten, haast maken, want de tijd is nabij. Komt niet terug bij het gezin waar de deur voor u gesloten wordt.

    Zegt dit hardop : "De zonde is door de mens in de wereld gekomen. Daarom vraag ik de mens om het Glorierijk Kruis te doen oprichten."

    Zegt ze dat Ik daarna zal wederkeren in Heerlijkheid. En dan zult u Mij zien zoals deze dienares Mij ziet."

    Daarna verdwijnt Jezus.

    Madeleine is opgestaan en bemerkt dat zij zich in de kerk bevindt. Toen zij zich omdraaide zag zij alle ogen naar haar staren en durfde niet meer naar haar plaats terug. De priester beduidde haar dat zij naar de zijbeuk kon gaan.

    Opmerking :

    Na de viering van het Mysterie van het Lijden om half negen, heeft de priester de vijftigtal kerkgangers op het hart gedrukt om, over hetgeen zij gezien en gehoord hadden maar niet begrepen, het zwijgen toe te doen. Hij zei verder dat zij die uitleg wensten, hem privé konden spreken.

    Al werd dit advies opgevolgd, toch gaf het aanleiding tot verkeerde opvattingen. Want dit advies deed juist teniet waartoe Jezus deze en daaropvolgende personen was komen voorbereiden. Voorbereiding die diende om de grote taak te vergemakkelijken die Hij Madeleine had opgedragen.

    "Jezus onder ons aanwezig vraagt op dit ogenblik..."

    De kerkgangers, die niet konden weten dat Madeleine een verschijning had en door Jezus werd voorgezegd, worden zich hiermee van dit feit bewust.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De heilige Eucharistie.

    Wij moeten onze noden aan Christus openbaren

    en zijn genade afsmeken.

    De gelovige: Zeer goede en beminnelijke Heer, die ik nu godvruchtig wens te ontvangen, Gij kent mijn zwakheid en de nood die ik lijd; Gij weet in hoeveel kwaad en gebreken ik neerlig; hoe dikwijls ik mij bezwaard voel, bekoord, verward en verontreinigd. U bent voor mij als medicijn, als vertroosting en verkwikking roep ik U aan. Ik spreek tot Degene die alles weet, aan wie mijn hele innerlijk bekend is; Gij alleen kunt de volmaakte vertroosting geven en mij helpen.

    Gij weet wat ik vóór alles nodig heb, hoe arm ik ben aan deugd. Zie, ik sta voor U, arm ontdaan van alles; ik bid om uw genade, ik smeek om uw barmhartigheid. Verkwik uw arme, hongerige bedelaar, verwarm mijn koudheid met het vuur van uw liefde; verlicht mijn blindheid met de helderheid van uw tegenwoordigheid.

    Laat voor mij al het aardse maar bitter worden; alle zwarigheid en tegenslag mij leiden tot geduld; al het lagere en geschapene geringe achting en vergetelheid bewerken. Richt mijn hart naar U omhoog in de hemel en laat mij niet dwalend over de aarde gaan. Wees Gij van nu af mijn voldoening tot in alle eeuwen, want Gij alleen zijt mijn spijs en drank, mijn liefde en mijn vreugde, mijn zaligheid en heel mijn rijkdom.

    Wil mij toch door uw tegenwoordigheid geheel in gloed zetten, mij doen branden en in U omvormen, zodat ik één geest met U word door de genade van de innerlijke eenheid en door het vloeibaar worden als gevolg van een vurige liefde.

    Duld niet dat ik hongerig en dor van U wegga, maar handel met mij op een barmhartige wijze, zoals Gij dikwijls wonderbaar met uw heiligen gehandeld hebt.

    Is het zo verwonderlijk dat ik door U totaal in vuur raak en mijzelf verlies? Gij zijt toch een altijd brandend vuur en Gij schiet nooit te kort, Gij zijt de liefde die de harten zuivert en het verstand verlicht.

     


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG OPENBARINGEN VAN DE H. BRIGITTA VAN ZWEDEN.

    BIJ HET GRAF VAN BISSCHOP BRYNJOLF.

    Boek 9 - KAP. 108

    Toen de heilige Birgitta op Maria-Lichtmis in de Kerk te Skara was, gebeurde het, dat zij de zoetsten en ongewoonsten geur gewaar werd. Toen zij zich hierover verwonderde, werd zij aanstonds in de geest vervoerd en zag zij de heilige maagd Maria en bij haar iemand van wonderbare schoonheid, in priesterlijk ornaat getooid. En toen zeide de maagd Maria tot haar : "Gij moet weten, mijn dochter, dat deze bisschop mij vereerde gedurende zijn leven en zijn verering door de daad bekrachtigde. Hoe Gode zijn leven behagelijk was, bewijst u de geur, die gij gewaar werdt. Maar hoewel nu zijn ziel God aanschouwt, ligt toch zijn lichaam op onwaardige plaats in de aarde begraven. Aldus werd mijn dierbare echte parel voor de zwijnen geworpen.


    20-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AAN ALLEN EEN GEZEGENDE WOENSDAG TOEGEWENST.

    N. ( M ).

    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.The Song of Bernadette.

     
    The Song of Bernadette.

     


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mijn Engel Daniël. ( Vasulla Ryden.)

    26 MEI 1986.

    Wees alles wat God behaagt; kom tot geloof; wees heilig; reik naar God en verschijn met een zuivere ziel voor Hem;

    Jahweh

    Bemint je; ga bidden; verheerlijk God en prijs Hem; Daniël;

    27 MEI 1986.

    Vrede zij met je; ik zal alles doen wat God van mij wil; ik zal je naar God leiden; Daniël;

    28 MEI 1986.

    Vader! Vader van de Hemelen, leid alles en geef mij sterkte!

    Wat zeg je?

    Ik bad tot de Vader in de Hemel; ere zij God; Jezus is altijd met je; roep Jezus aan in je gebeden; ik zal je naar je Vader leiden;

    ( Ik begon te vrezen dat ik misleid werd. )

    Vrees niet; mijn boodschappen doen je geen kwaad; bemin God, bemin Hem meer; Daniël;

    30 MEI 1986.

    Vrede zij met je; leid een zuiver leven; ik zal voor je bidden; bemin Jezus Christus, Hij bemint je;

    Vrees niet, want Ik ben dichtbij; kom tot Mij, Ik ben hier;

    ( Ik vroeg aan mijn engel. )

    Waar ben je meestal?

    Ik ben waar jij bent;

    Kun je mij even duidelijk zien als ik de dingen zie?

    Ja;

    Waar ben je als ik de trappen afren?

    Ik ben met je;

    Waar ben je nu?

    Ik ben bij je;

    Waar zul je zijn als ik sterf?

    Je zult mij ontmoeten; ik zal aan je zijde zijn;

    Zeg eens wat tegen mij….

    Ik bemin God; verheerlijk God; Daniël;

    Wordt  vervolgd.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gods gewone handelingen met zondige landen en kerken.( Einde. )

    c. Het wordt vereist dat een verootmoediging over de zonden gepaard is met een verlating daarvan. "Die zijn zonden belijdt en dezelve verzaakt, die zal barmhartigheid vinden". Belijdenis is een gemakkelijke en goedkope arbeid geworden. Hetzij men die uit een boek leest, of zich daarvan kwijt door middel van de geestelijke gaven. Men mag de ootmoedigheid voorwenden als men het niet heeft, en die uitdrukken als het voorbijgaan is; het beantwoordt aan de wil en de mening van God niet. Maar de dadelijke verbanning van zondige hebbelijkheden, van zondige wegen en van zondige achteloosheid, kan niet voorgewend zijn, en ook niet beter vertoond worden dan het is. Zo iemand, die denkt dat hij niets heeft te verzaken, geen boze wegen, en geen zondige verzuimen, en ook geen gesteldheid van zijn hart, die zal tot een betere kennis van zichzelf, wanneer het te laat is, ontwaken. Hieraan mogen wij onszelf dan blijkbaar beproeven. Welke wezenlijke verandering is in ons gekomen, in onderwerping aan de roepingen van God? Wat hebben wij verbannen in onze wegen, daden en gesteldheden van het hart? Welke ijdele gedachten, waaraan wij tevoren huisvesting gaven, zijn buitengesloten? Welke driften en hartstochten, die voorheen hun behoorlijke paal en maat overtreden, zijn in orde gebracht? Welke ijdele gesprekken, waaraan wij tevoren gewend waren, zijn voorkomen en belet? Welke veinzerij in het oefenen van de liefde is verbeterd of verworpen? Welke ongeregelde daden in onze personen, huisgezinnen of ontmoetingen van dit leven, zijn uitgebannen en verzaakt? Een onderzoek naar deze dingen zal ons een dadelijke en tastbare blijk geven of de verootmoediging wegens onze zonden geschikt is naar de tegenwoordige roepingen van God.

    F. Een andere plicht van deze tijdsomstandigheden is, dat wij treuren om de zonden van anderen. Voornamelijk van zulken waarop wij door de schikking van de voorzienigheid een nadere betrekking hebben. Als bloedverwanten, gemeenten waaronder wij leven, en alle inwoners van ons vaderland, waarmee wij door vele middelen en banden van vereniging zijn vastgehecht. Het is genoeg bekend dat zo’n oprecht treuren over de zonden van de tijden en plaatsen waar wij leven, van het volk en de gemeenten waartoe wij behoren, bij uitnemendheid door God wordt goedgekeurd, en op zichzelf bij allen die gevoel hebben, een teken is van verlossing in een dag van ellende, Ezech. 9:4-6. Als onze gemoederen zorgeloos en achteloos zijn over de zonden van anderen, het is een groot blijk van gebrek aan oprechtheid in de verfoeiing van de zonden die wij belijden.

    Ik weet, er zijn veel voorwendsels tegen. Als dat ze niet naar ons willen horen, en wij daarom geen belang in ze hebben. Dat ze snode vijanden van God zijn. En dat, hoe goddelozer ze zijn, hoe meer hun verwoesting verhaast zal worden. Door zulke voorwendsels verleiden de mensen zichzelf tot een verwaarlozing van deze plicht. Ja, tot het doen van een tergende zonde, zoals het nalaten daarvan is. Voor zulken die God in waarheid vrezen, en enig deel nemen in Zijn glorie, of in de eer van Christus, is het een stof van droefenis, dat de gehele wereld, voorzover wij die kennen, vervuld is met allerlei vervloekte en tergende zonden. Het ligt onder een vloed van ongerechtigheden, zoals de oude wereld onder een vloed van water. Hier en daar ziet men alleen een ark, die daarboven wordt opgehouden. Atheïsme, verwerping van de Heilige Schriften, ongeloof van evangelische verborgenheden, verachting van de godsdienst die men belijdt, onder alle soorten van christenen een verlies van het openbaar geloof en vertrouwen, met daarnaast een dracht van onreine lusten, eerzucht, hoogmoed, gierigheid, in velen die de uitwendige gedaante van een kerk hebben, zijn dingen waarmee de gehele wereld als overdekt is. Als God zo met de wereld handelt, wanneer Hij het overgeeft aan deze openbare ongebonden overdadigheid, die nu daarin zo overvloedig is, dan wordt het voor allen, die Hem waarlijk vrezen en die om een treurige gestalte van het hart roepen, een plaats van duisternis en verdriet. Die reden van droefenis is nog te groter voor zover zulke goddeloosheden ons eigen vaderland raken. Wegens een gemeenschap met dit volk in afkomst, taal, zeden, wetten, burgerlijke belangen en betrekkingen, die ontstaan uit de algemene wetten van de samenleving, in een plaats die door de voorzienigheid tot bijzondere doeleinden geschikt is; wegens dit alles, zeg ik, kan het niet anders zijn of wij hebben groot belang in het goede of kwade dat deze natie mag treffen. Zoals dit belang nog vermeerdert als men er op let, dat dezelfde ware godsdienst, een godsdienst die vergezeld is van talloze voorrechten, door het grootste gedeelte van het land beleden wordt. Ten aanzien van deze en dergelijke overwegingen ligt het gehele land onder dezelfde wet van de voorzienigheid tot verkrijging van goed of kwaad. En hierom zijn wij in de zonden van dit volk op een bijzondere wijze geraakt, zoals wij ook zullen zijn in de straffen ervan. Of dit land momenteel in zonden overvloedig is, hebben wij reeds onderzocht. En niets van wat wij tevoren geschreven hebben, zal weer herhaald worden.

    Als wij geen gevoel hebben wegens deze tergingen; als wij niet proberen om onze harten daarover aangedaan te doen zijn, en om daarover te treuren, dan zijn wij nog ver van die gestalte van de ziel, die God van ons eist, en waartoe Hij ons roept.

    Dit treuren over de zonden van anderen moest ontstaan uit tweeërlei beginsel:

    a. Uit een ijver voor Gods eer.

    b. Uit medelijden over de zaken van de mensen. Ja, uit aandoeningen over de beklagenswaardige en ellendige staat, die hen zelfs in deze wereld zal treffen. Waarlijk, alle ware gelovigen kunnen niet nalaten een groot deelnemen te hebben in alle zaken waarmee Gods eer en roem vermengd is. "In al onze benauwdheden is Hij benauwd", en in alles waarin Zijn glorie lijdt, behoorden wij ook te lijden. In het gezegend voorschrift dat wij hebben voor onze gebeden, om te weten wat en waarom wij moeten bidden, wordt dat allereerst bevolen, waarop wij voornamelijk en bij uitnemendheid moeten aandringen. Dat is, de eer van God in de heiliging van Zijn Naam, en de voortgaande komst van Christus’ koninkrijk, en de volbrenging van Zijn wil door de gehoorzaamheid van de mensen die op de wereld zijn. Als wij nu oprecht zijn in het bidden, en een brandende vurigheid hebben in het uitboezemen van deze smekingen, zou het dan ons niet aangaan, als wij geheel het tegendeel in ons midden zien? Als de Naam van God zelfs gelasterd, en alles wat Hij naar Zijn Naam genoemd heeft, wordt bespot? Als het gehele geestelijke belang en het koninkrijk van Christus wordt tegengestaan, en het buitenste voorhof van Zijn tempel overal wordt gegeven tot vertreding aan de heidenen? Wanneer alle soorten van zonden openlijk gepleegd worden tegen Gods wil en bevelen; als de aarde bijna zo ongelijk is aan de hemel, alsof het de hel zelf was; is hier geen stof met allen om te treuren? Wij zijn grotendeels liefhebbers van onszelf. En als het daarom goed gaat met onszelf, naar dat de uitgebreidheid van onze omstandigheden en maagschap is, het treft ons niet zeer wat anderen overkomt. Dit is snood genoeg op zichzelf. Maar zullen wij ten aanzien van Jezus Christus zo gezind zijn, dat wij, terwijl wij in veiligheid zijn, ons niet bekommeren hoe het met Zijn belangen staat? Nee, als wij Gods Naam, Zijn wegen en Zijn glorie, in Zijn koninkrijk en heerschappij over deze wereld liefhebben, het kan niet anders zijn, of wij moeten ten hoogste getroffen worden over al het nadeel dat ze in deze dagen lijden. De andere bron van deze treurende gesteldheid is, het medelijden met de zielen van zondaren, en eveneens met hun personen, in het naderen van de verwoestende oordelen.

    Ik spoed mij naar het einde en kan op deze dingen niet blijven staan. Dit alleen zal ik zeggen:

    Hij, die zijn oog kan vestigen op de eeuwigdurende ellendestaat van een oneindige menigte van degenen waaronder wij leven, en op de naderende onheilen, die zonder boetvaardigheid en bekering niet vermeden zullen worden; en niet enige tranen daarover stort, die heeft een hart dat harder is dan een kei of diamant, die geen indrukken kunnen ontvangen.

    G. Het is nu een tijd waarin wij geroepen worden tot een naarstige en zorgvuldige waarneming van de plichten die onze beroepen en bedieningen betreffen. De plichten van onze kerkelijke gemeenschap, in onze huisgezinnen, in de posten waarin God ons gesteld heeft, en in ons dagelijks verkeer. Deze is de raad die de apostel geeft, ten aanzien van zo’n tijd als deze is, 2 Petrus 3:11, 14: "dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid! Daarom, benaarstigt u, dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede". Zonder enige heilige naarstigheid in al deze plichten, kunnen wij door de Heere Christus niet gevonden worden in vrede, wanneer Hij komt om de wereld te oordelen, en Zijn kerk met een vurige beproeving te zuiveren. Onachtzaamheid, koelheid en zorgeloosheid in deze zaken, zijn tekens van een naderend oordeel. Van sommige van de genoemde plichten, schijnt het gros van de belijders in deze dagen bijna vermoeid te zijn, en ze op een onverschillige wijze of als terloops te volbrengen. Maar wij mogen gewis verzekerd zijn dat, als wij onze naarstigheid in deze dingen niet opwekken, als wij onze zielen niet met kracht en waakzaamheid daarin doen bezig zijn, wij ons ook niet voegen naar de tegenwoordige roeping van God.

    H. Van ons wordt geëist dat wij met ernst, aanhouding en volstandigheid smeken om zo’n uitstorting van de Heilige Geest van boven, die in staat is om de inwoners van het land te vormen en te bewerken tot boetvaardigheid en verbetering van het leven. Dat dit de enige weg en het enige middel tot bevrijding, en een geheiligde verlossing uit verwoestende oordelen is, is tevoren gezegd. En dit is ook de enige weg die voor sommigen van ons nog is opengelaten, om dit land in zijn benauwdheid te helpen en bij te staan. Hierom zullen wij uit een volstandige aanhouding om zo’n uitstorting van de Heilige Geest drieërlei voordeel trekken.

    (1) Daardoor zullen wij onze plicht, die wij aan ons vaderland schuldig zijn, op een wijze die niemand verhinderen of beletten kan, volbrengen. Wij zijn het land van onze geboorte in velerlei opzicht, als in het zedekundige, staatkundige en het geestelijke, vele verplichtingen schuldig. De meesten van ons zijn echter buitengesloten om het door raad of daad te helpen. Maar deze hulp die wij voorstellen, kan niemand beletten. Daarin kan de armste of geringste zoveel voordeel doen als de aanzienlijkste en machtigste. En, als men zich op deze plicht naarstig en vlijtig toelegt, zal het vrij wat meer uitwerken, dan door wijsheid, rijkdom of sterkte kan teweeg gebracht worden. Want door dit middel alleen moeten wij behouden worden, of anders verloren gaan.

    (2) De volbrenging van deze plicht zal onze eigen harten in de beste gestalte houden, tot volbrenging van de dingen waartoe wij zelf geroepen worden. Iemand die ijverig en oprecht is in zijn smekingen om de mededeling van de Heilige Geest aan anderen, zal geen gebrek aan die gezegende ondersteuning in zijn eigen ziel gevoelen. Die Geest zal van hen niet afwijken, die Zijn werkzaamheid in anderen zo hoog schatten, op prijs stellen en waarderen.

    (3) Hierdoor zullen wij aan God en Zijn genade een getuigenis geven, tegen de vervloekte onheiligheid van de wereld, die deze enige middelen van behoud verwerpt en veracht. Want als alle andere hulpmiddelen tekort schieten, als God een volk of een kerk niet geheel verlaten wil, dan wijst Hij ons dit gestadig aan, als de enige weg tot de behoudenis daarvan. Zie Jer. 31:31-33; Ezech. 11:17-19; 36:25-27. Dit middel versmaadt en verwaarloost de wereld. Hierom kunnen wij geen groter getuigenis aan God geven, dan daarin met geloof en geduld te volharden, terwijl we de verwijten van de wereld daarover verachten.

    Onze plicht is dat wij in het werk van de hervorming zelf voorbeeldig arbeiden, om het daardoor onder anderen voort te zetten. Laten wij betuigen en vermanen zoveel wij willen, tenzij wij in onze eigen personen blijken geven van de noodzakelijkheid van een reformatie, wij zullen weinig toebrengen tot de bevordering ervan. Velerlei bepalingen van de vrijheid van de omgang zijn er door de besten onder ons te maken. Op vele plichten kan men zich met meer naarstigheid toeleggen. Vele oorzaken van ergernis kunnen vermeden worden. Vele blijken kan men geven van een diep gevoel over de verdiende oordelen en van onze eerbied voor Gods Naam daarin. En velerlei vruchtbaarheid in liefde en goede werken kan men tonen. Mij is gezegd dat, als iemand op het land door zijn naburen wordt aangezien voor een wijs man en een goede huishouder, dan zal een ieder letten op de tijd van zijn ploegen, zaaien en bemesting van zijn akkers; en dat niemand iets zal beginnen tenzij hij eerst is voorgegaan. Zo is het ook in een tijd als deze, waarin God vele roepstemmen en waarschuwingen tot boetvaardigheid en reformatie geeft. De ogen van allen zullen op zulken zijn, die bekend staan voor uitstekende belijders en vervullers van de godsdienst, om te zien wat zij in deze gelegenheid doen. Vindt de wereld dat zulken, naar alle uiterlijke schijn, zorgeloos en onachtzaam zijn, dan zal het zichzelf nergens mee bekommeren en in zijn gerustheid volharden. Hierom, ik zeg het voor zoveel mij bekend is, als zulke personen niet voorbeeldig zijn, niet alleen in reformatie, maar ook in de vertoning van blijken daarvan, dan kunnen ze inderdaad de grootste verhinderaars zijn van de hervorming in de steden, dorpen en plaatsen waarzij wonen. Ja, niemand kan de schuld van een grotere zonde op zich laden, dan hierdoor werd gedaan. En als God een doorgaande gesel over de inwoners van het land zal brengen, omdat ze zich op Zijn roepstemmen niet hebben bekeerd, dan is het rechtvaardig dat zij, die de oorzaak van de verharding in de gerustheid zijn geweest, ook deel krijgen in de oordelen; een zaak waarvoor wij allen met reden mogen beven.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gods gewone handelingen met zondige landen en kerken. Vervolg. )

    3. Dit werk van boetvaardigheid en reformatie is ook zeer bezwaarlijk wegens het gros van het volk, dat hervormd moet worden. Het is moeilijk om dat te overtuigen van de noodzakelijkheid daarvan. Het is moeilijk om het over te halen tot de onderneming daarvan. En het is moelijk het zover te brengen dat het volstandig daarin blijft volharden, als het al eens wordt aangevangen. Sommige van de redenen van deze zaak zullen wij kort overwegen.

    A. Die rechtvaardiging en liefde van zichzelf, waartoe alle personen, zowel van nature als door onherstelbare vooroordelen zijn genegen, legt de grond van deze beklaaglijke onachtzaamheid. Als men alle dingen in wanorde ziet, wil men graag toestaan dat er enige hervorming nodig is. Maar dat raakt anderen, en niet henzelf. Dat moeten zulken doen, die bozer zijn dan zij. Die betreft het deze plicht te volbrengen, maar hiertoe zijn zij niet gehouden. En er zijn er maar weinigen die op het ene of andere voorwendsel niet denken, dat er velen zijn die een erger leven leiden dan zij. Hoewel zoiets niet uiterlijk blijkt, oordeelt men echter dat het met de zaak zo is gelegen. Omdat de mensen een gedaante van godzaligheid hebben, zullen ze zich van alle hervorming onttrekken, al is de kracht van de godsdienst onder hen verloochend. Zo gaat het met de gemeenten in het algemeen; zo met alle soorten van belijders in het bijzonder. En voornamelijk, als ze gevoelen dat zij uitmunten in het verrichten van een of andere daad, waarop ze zichzelf hoog kunnen schatten. Zo was het bij de oude Joden, Jer. 7:10, 11, en bij de Farizeeën in de dagen van onze Zaligmaker, Joh. 9:39. Zo staat het onder ons in deze tijd. En het is een zeldzame zaak iemand te vinden die erkennen wil dat hij een dadelijke en ijverige hervorming nodig heeft.

    Omdat geen kerken zichzelf ooit hervormen wilden, zijn er zoveel verdeeldheden en afscheidingen veroorzaakt, waardoor sommigen van een algemene afval bevrijd zijn geworden. Zij allen keurden hun eigen staat en toestand goed. Dit is in de paapse kerk zover gegaan, dat zij roemt op een onfeilbaarheid, en dat ze in geen zaak hervormd kan worden. Ik bid God dat Hij anderen voor dergelijke verwaandheid behoedt. Want ieder die dit huisvest, zal zeker tot verwoesting komen. En toch is dit niet te algemeen in onze dagen. De meeste gemeenten denken dat ze meer inkomst nodig hebben, meer eerbewijzen, meer vrijheid van tegenstand, en meer onderwerping van alle mensen voor haar. Maar ze schrikken voor de gedachte dat ze enige reformatie nodig zouden hebben.

    B. De natuur van dit werk van de bekering zelf, maakt het bezwaarlijk. Want daartoe wordt een verandering van de gehele wandel, waarin de mensen zich begeven hebben, vereist. Dit is een zaak die al zo moeilijk is, als de stromen van een grote rivier hun loop te doen veranderen, en terug te lopen. Verdorven gewoonten moeten ten onder gebracht, boze genegenheden die door een lange oefening in het hart geworteld zijn, moeten uitgeroeid, en de middelen van bekering moeten door een verandering van alle soorten van onze omstandigheden bevorderd en kracht bijgezet worden. Dit maakt het werk bij sommige mensen onmogelijk. Zo drukt de profeet het uit, Jer. 13:23: "zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen." De mensen kunnen zo gemakkelijk niet vergeten waarover ze zolang hebben geleerd, en waartoe ze zolang gewoon zijn geweest. De krachtige werking van God op de zielen, zowel van bijzondere personen als van gehele gemeenten, wordt tot deze verandering vereist. Zo, en niet anders kan deze zaak worden uitgewerkt. Zie Jes. 11:6-9.

    C. Het voordeel dat velen vinden in de tegenwoordige staat van de zaken, en de vrees dat zoiets door een hervorming zou veranderen, is geen geringe berg in de weg, en een grote hinderpaal om de gedachten van de mensen hierop met ernst te doen zetten.

    D. De Bijbel schrijft de oorzaak hiervan dikwijls toe aan de gerustheid van de mensen onder het genieten van hun aardse goederen. Die weerhoudt ze om naar Gods roepingen te horen, of op Zijn waarschuwingen te letten. Hierom wordt dit opgegeven als de oorzaak en de onfeilbare voorloper van verwoestende oordelen. Zoals in het brede wordt aangedrongen door de Zaligmaker Zelf. Matth. 24:37-39 en Lukas 17:26-30. De gerustheid is nu als lichamelijke ziekte, die men gewoonlijk de scheurbuik noemt. Dit is geen enkele kwaal of enkel ongemak, maar een vereniging of samenloop van vele heersende ongesteldheden. Zo is de gerustheid ook geen naam van een enkele kwade gewoonte of genegenheid van het gemoed, maar een samenvloeiende menigte daarvan. Dit zijn geestelijke gevoelloosheid en onachtzaamheid, gewoonlijk genoemd een geest van sluimering; liefde tot de wereld, vleselijke wijsheid, grondeloze hoop van een lang leven; zaken die allen uit het ongeloof spruiten, lopen in deze staat van de mensen samen. En als de oefening van zekere soort van zonden op deze beginselen een tijdlang is gevolgd, zodat het geweten is toegeschroeid of gevoelloos is geworden, dan is de staat van zulken voor het merendeel zonder herstel. En niet weinige van dit soort zijn er onder ons. Vele andere redenen zijn er nog, waardoor dit werk moeilijk wordt gemaakt; hoe noodzakelijk, rechtmatig en billijk het ook is. Maar aangaande hun, die al deze dingen verachten, ja bespotten, zal in het vervolg gesproken worden. De overweging van deze zaken moet echter niemand terughouden om al zijn pogingen aan te wenden, opdat hij zich van zijn plicht hierin kwijt. Want, zoals wij reeds gezien hebben, het is onvermijdelijk noodzakelijk, zullen wij en dit land van verwoestende oordelen worden behoed. En hierna zullen wij aantonen op welke wijze deze zwarigheden zijn te boven te komen, en deze hinderpalen uit de weg te ruimen. Hoe gelukkig zullen ze toch zijn – ze mogen dan zo weinig in getal zijn, zo gering en zo onbekend in de wereld als zij willen – die God met dit werk bezig zal vinden, als Hij uit Zijn plaats op zal rijzen om de aarde met verschrikking te slaan.

    VI. Hierom zal ik vervolgens deze zaken nader thuis brengen, en onderzoeken waarin de natuur van die boetvaardigheid en reformatie bestaat, die God nu van ons eist. Opdat wij niet vergaan in Zijn geduchte ongenade.

    Nadat de schatkist van het Romeinse keizerrijk door vele achter elkaar volgende tirannen was uitgeput, zei Vespasianus, toen hij keizer was geworden, tot de raad, hoeveel miljoenen geld nodig waren om staande te doen blijven. Niet om het weer te doen bloeien en zo sterk worden als voorheen, waartoe veel meer werd vereist, maar enkel om het te onderschragen, dat het niet ten onder ging en verwoest werd. En zo zal ik hier ook voorstellen, niet wat nodig is om Gods kerk in dit land ordelijk, sierlijk en krachtig te maken; maar alleen wat nodig is om haar te doen leven en staande te blijven, door een bevrijding van verwoestende oordelen.

    1. De boetvaardigheid die God in alle gevallen volstrekt begeert, moet inwendig en wezenlijk zijn, en gepaard gaan met een oprechte bekering tot Hem, en met vruchten die zo’n bekering waardig zijn. Zo wordt het getuigd, Ezech. 18:30, 31: "daarom zal Ik u richten, o huis Israëls! een ieder naar zijn wegen, spreekt de Heere HEERE, keert weder, en bekeert u van al uw overtredingen, zo zal de ongerechtigheid u niet tot een aanstoot worden. Werpt van u weg al uw overtredingen, waardoor gij overtreden hebt, en maakt u een nieuw hart en een nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?" Een nieuw hart en een nieuwe geest, of een waarachtige inwendige bekering tot God, wordt hier geëist, en dan een verlating en afstand doen van alle ongerechtigheden als de vrucht daarvan. Een zaak die ook zo wordt uitgedrukt in Jes. 1:16, 17. De inwendige zuiverheid van het hart, de oefening van een volkomen gehoorzaamheid, en de afstand van alle ongerechtigheden, zijn de dingen die de Heere begeert. Dit was de boetvaardigheid die door de dienst van Johannes de Doper werd verkondigd. Bij verzuim daarvan dreigde hij het volk een volkomen afsnijding. Zoals hen niet lang daarna ook overviel, Matth. 3:8-10. God wil geen geveinsde boetvaardigheid, of die voornamelijk uitwendig of tijdelijk is. "Scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot den HEERE, uw God", Joël 2:13.

    2. Als er een wezenlijke en waarachtige boetvaardigheid en bekering is, die bestaat in een dadelijke overtuiging van zonden, en in een gevoel van naderende oordelen, die gekend wordt door haar vruchten, als het afstaan van openbare tergende zonden, en het volbrengen van bekende plichten met oprechtheid. Een boetvaardigheid en bekering, die in deze dingen gepaard gaat met de eerbied die men God schuldig is, hoewel dezen dan maar in weinigen en niet in allen of de meesten volkomen oprecht en heilig is, kan zij echter dienen om de gedreigde oordelen, tenminste voor een tijd, af te wenden. Deze dingen nu worden in zo’n bboetvaardigheid vereist:

    A. Een dadelijke overtuiging van zonden in hen die daartoe worden geroepen, of er belijdenis van doen. Als dit de grond niet is, zal geen betuiging van boetvaardigheid, en geen belofte van hervorming in Gods ogen van enige waarde zijn. Ja, zoiets is Hem te bespotten, en maakt daarom de allergrootste terging uit. De mensen mogen zonder deze overtuiging tot het een of ander worden aangezet, dat naar boetvaardigheid en bekering gelijkt, als het houden van vast- en bededagen, door uiterlijke dwang of bevel van de overheden. Maar in alles wat zij doen is niets van de zaak die wij onderzoeken. Door zulke dagen, vasten en bidden, zal dit land nooit behouden worden, Jer. 3:10.

    B. Een wezenlijk gevoel van Gods ongenoegen en de nadering van verwoestende oordelen. Het is niet genoeg dat wij een gevoel en een overtuiging van onze eigen zonden hebben. Nee, dit moet er zijn over de zonden van het land, waardoor God tot toorn is verwekt. En de gedachte hoe grimmig Hij hierover is, moet ons altijd op het hart wegen in alles wat wij in deze zaak doen. Tenzij deze indruk in ons blijft en vernacht; tenzij die op al onze wegen en in al onze handelingen met ons opstaat en neerligt, zullen wij ons nooit hartelijk van onze plicht kwijten.

    C. Een wezenlijke boetvaardigheid bestaat in een onthouding van alle bekende zonden. En de blijkbare vruchten van een verbeterde levenswijze worden hiertoe vereist. Matth. 3:10.

    D. Men moet daarin blijven volharden. Hos. 6:1, 3: "Komt en laat ons wederkeren tot den Heere. Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om den Heere te kennen."

    Dat nu zo’n boetvaardigheid nuttig is tot het voorgestelde einde, blijkt voldoende uit de voorbeelden van Ninevé en van de koning Achab, 1 Kon. 31:27-29. Achab betuigde in zijn boetvaardigheid en verootmoediging, een diep gevoel van zijn zonden en Gods ongenoegen. "Hebt gij gezien", zegt God tot Elia, "dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht?" Men kan zoiets gemakkelijk beschouwen en daarop letten. Er is een verootmoediging, zoals Jesaja de profeet spreekt in hoofdstuk 63:1-5, die God verfoeit en die tot niets nuttig zal zijn. En zo is het grootste gedeelte van onze vernederingen geweest. Maar hoewel het de plicht van iedereen is om zijn vlijt aan te wenden, om volgens het oogmerk van Gods roepingen te maken dat zijn boetvaardigheid en hervorming voortspruit uit een oprechte, inwendige en hartelijke bekering tot God, zonder welke die zijn ziel ten aanzien van haar eeuwige staat geen voordeel zullen toebrengen –. Hoewel dit zo behoort te zijn, zeg ik, kan echter een openbare verandering en hervorming als die van Ninevé, als die gegrond is op een waarachtig gevoel van zonde en verdiende oordelen, en verder blijkt uit haar werken, de tijdelijke ellenden en verdrukkingen afwenden, of tenminste die voor een tijd doen opschorten. In het kort, de boetvaardigheid die God ten aanzien van Zijn verbond der genade begeert, opdat de zielen van de mensen tot heerlijkheid van Zijn genade in Jezus Christus gezaligd worden, moet inwendig, geestelijk en bovennatuurlijk zijn, waardoor de gehele ziel wordt vernieuwd, veranderd en tot een gezicht van zichzelf gebracht. Maar, zoals God de Opperregeerder is van de wereld in tijdelijke zaken, kan er ook ten aanzien van de bedelingen van Zijn voorzienigheid in barmhartigheid en oordelen, een boetvaardigheid en hervorming zijn, waardoor Zijn eer wordt gerechtvaardigd in een zichtbare gehoorzaamheid aan Zijn roepingen en waarschuwingen, en een erkentenis van Hem in Zijn rechtvaardige oordelen. En deze kan van vrucht tot ons voorgestelde doeleinde zijn. Maar behalve dit, overal waar men een algemene hervorming van leven onderneemt, mag men ook geloven dat die in velen geestelijk is en tot hun behoud dient.

    3. De boetvaardigheid en hervorming die vereist wordt, moet geschikt zijn naar de staat en gestalte van hen die er toe geroepen worden. Ieder moet overwegen wat er in hem zelf ontbreekt. Jes. 55:7: "de goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten". Ieder van ons moet nu op zijn eigen wegen en gedachten letten om die te verbeteren. Hierom kunnen de personen, die God in Zijn roepingen beoogt, in twee soorten onderscheiden worden.

    A. Zulken, van welke de staat en gestalte boos en goddeloos is, die onbekeerd, onherboren en tot God niet gekomen zijn.

    B. En zulken die het waarachtig geloof hebben en tot God zijn bekeerd. De stem van God is tot deze beide soorten. Van de ene zowel als van de andere wordt boetvaardigheid geëist. En beiden zijn ze in een staat om daartoe geroepen te worden. Onder deze beide soorten schuilen verschillende trappen van zonden en tergingen. Sommigen van de eersten zijn openlijk goddeloos. Die hebben zich gewend om allerlei zonden in het openbaar te bedrijven. Het zijn zulken "van welken de zonden voorgaan tot veroordeling", 1 Tim. 5:24. Anderen zijn geregelder in hun uitwendig gedrag. De stem van God in Zijn oordelen ziet op deze allen, naar hun verschillende trappen van zondigen. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten, en iedereen de zijne, die hem eigen zijn, en waaraan hij zich het meest overgeeft. Buiten twijfel gevoelt men in het algemeen, behalve de goddelozen zelf, dat dit soort van mensen zich behoort te hervormen. Het gros van het volk roept tegen hen, en vreest dat Gods oordelen wegens hun zonden over het land zullen komen. Voornamelijk als het personen zijn die aanzienlijke bedieningen bekleden. Maar als zij, die gematigder leven, en die genegen zijn zichzelf te rechtvaardigen omdat zij in zo’n overvloed van ongerechtigheid niet meelopen …, als die, zeg ik, zich niet ook begeven tot rechtvaardigheid en hervorming, naar dat hun staat dit eist, wordt de wil van God in Zijn waarschuwingen niet beantwoord. Het is toch de onboetvaardigheid van deze mensen, die momenteel de gevaarlijkste zaak onder dit volk is. Hun gerustheid, die niet is te beroeren, doet allen die God waarlijk vrezen, in een bevende gestalte leven.

    Deze dingen hebben ook bijzonder betrekking tot gemeenten of kerken; in het bijzondere die "gereformeerd" zijn, en tot alle ware gelovigen daarin. Zoals het ook betrekking heeft op zulke gelovigen die hier en daar verstrooid leven. Deze allen worden tot boetvaardigheid en hervorming geroepen, ieder naar zijn staat en naar zijn omstandigheden en trappen daarvan. Want sommigen zijn meer dan anderen schuldig aan verval in het geloof, de liefde, de ijver, de heiligheid en de vruchtbaarheid in goede werken, en aan gelijkvormigheid met de wereld. En hoewel er een openbare hervorming onder dit volk kwam, ten aanzien van de uitwendige, tergende zonden, en zij die van dit soort zijn, hervormden zich niet, dan zou men de begeerde verlossing nauwelijks kunnen verwachten. Wee is daarom over zulke personen, als door het verzuimen van hun plicht dit land aan de verwoesting wordt blootgesteld!

    4. Hierom moet de hervorming, die een ontkoming van naderen oordelen zal uitwerken, algemeen of tenminste gemeenschappelijk zijn. Dat is, het moet plaatsgrijpen onder alle soorten en staten van mensen. Alle soorten zijn gedreigd. Allen hebben zij gezondigd. En daarom wordt de boetvaardigheid ook van allen geëist, als ze niet willen omkomen. Deze moet plaats hebben in overheden en leraars, in aanzienlijken en geringen, in de steden en op het platteland. Men moet het kennen uit de vruchten, op zo’n wijze dat men mag zeggen: "ziet u niet hoe ze zich verootmoedigen?"

    Maar als zoiets zo is als het is – zullen sommigen mogelijk zeggen – het schijnt dat als allen hier hun harten en handen niet tewerk stellen, als alle soorten van mensen dit niet beginnen, dat er dan niets goeds te hopen of te verwachten is. Maar wanneer zal men zo’n zaak zien? Wanneer zullen wij aanschouwen dat het gros van alle soorten van mensen in dit land zich van harte tot dit werk van boetvaardigheid en hervorming schikken? Is het daarom niet even goed, daarvan af te zien, als dat te ondernemen? Hierop antwoord ik:

    a. Als u tevreden bent om met de onboetvaardigen en goddelozen om te komen, kunt u verkiezen te doen zoals zij doen. Als u hun straf probeert te ontvluchten, moet u hun zonden ook vermijden, en in het bijzonder hun weigering om zich op Gods nodiging te bekeren.

    b. Sommigen moeten dit werk beginnen en voorbeelden aan anderen geven. Gezegend zijn ze van de Heere, die de genade en eer zullen ontvangen om zo te doen. Laten we niet stilzitten en op anderen zien, wat die doen. Maar laten we zonder uitstel beginnen met het volbrengen van onze plicht.

    c. De vrucht van wat een bijzonder persoon, en veel minder van wat gehele gemeenten in deze zaak doen zullen, zal niet verloren gaan; hoewel al het volk van het land zijn wegen niet verbetert. Want:

    • Zulken zullen hun eigen zielen behouden, en als ze al in alle delen van de algemene ellende niet bevrijd worden (zoals ik geloof dat op een bijzondere manier zal gebeuren), zullen zij de toorn en de ongenade van God daarin echter niet gewaar worden.

    • Weinigen kunnen – en wie kan het? – mogelijk één man kan soms bij God verwerven dat Zijn oordelen die Hij over een volk bedreigd heeft, opgeschort of afgewend worden. Hierdoor:

    • Zullen zij voor anderen een langere tijd van bekering verkrijgen, die God aan hen gezegend en heilzaam maken kan. Zo blijkt het dat er krachtige drangredenen en aanmoediging, en voor alle gemeenten en voor alle bijzondere personen zijn, om ze te bewegen dat zij de tegenwoordige roepingen van God gehoorzamen; hoewel het gros van het volk niet verzameld kan worden.

    VII. Ons volgend onderzoek moet nu zijn: vanwaar, of uit welke oorzaken zo’n hervorming te verwachten is, die in staat kan zijn om de naderende oordelen af te wenden?

    Deze oorzaken zijn, of voorname, of ondergeschikte.

    1. De voorname oorzaak van zo’n hervorming moet de soevereine genade van God zijn, in de uitgieting van Zijn Geest over de zielen van de mensen, om ze in zichzelf te doen keren. En zonder deze zullen alle andere middelen en wegen ijdel bevonden worden. De gehele Bijbel geeft ons dit op als de enige voorname en dadelijke oorzaak van de bekering van de mensen tot God. De zaken zijn onder ons tot die staat gekomen dat, tenzij wij daaraan op een meer dan gewone wijze deel krijgen, onze breuken niet geheeld kunnen worden. Of wij nu grond hebben om zo’n zaak al of niet te verwachten, zal in het vervolg overwogen worden. Voor het tegenwoordige schijnt er geen andere hoop te zijn, dan alleen dat het een daad is van Gods soevereine genade. Hiervan heeft men voorbeelden in de oude kerk. Vooralsnog schijnt er aan Gods kant inderdaad veeleer een onttrekking te zijn van de mededelingen van de Heilige Geest, ten aanzien van de krachtige en overwinnende genadegiften. Alsook een verachting daarvan aan de kant van de mensen. Maar de Soevereinheid kan alle hinderpalen te boven komen. Op deze wijze heelde en herstelde God Zijn kerk oudtijds, toen alle andere middelen, hetzij van goedertierenheid, verdrukking of oordelen tekort schoten. Zie Ezech. 36:22-29. Het mag tegenwoordig voor een klaaglied strekken, dat dit werk van de genade bij zoveel mensen veracht, en door de meesten klein geacht wordt, en dat de rest van de mensen daarnaar zo weinig verlangt. Maar zonder dit zullen wij alle andere middelen tevergeefs gebruiken, en in geen geval geheel worden. De beste menselijke ontwerpen, tot hervorming van de ene of andere orde of soort, van kerkelijke of burgerlijke zaken, zullen ons zonder dit geen voordeel aanbrengen.

    2. De ondergeschikte oorzaken of middelen moet men zoeken bij de overheden en leraars, in het getrouw volbrengen van hun plicht. Maar deze zaken zal ik slechts aanroeren, opdat ik geen redenen tot klachten of ongenoegen geef, hoewel die gegrond en bijna volkomen noodzakelijk zijn.

    A. Ten aanzien van de overheden. Deze kunnen een hervorming op drieërlei wijze bevorderen.

    (1) Door zich te overtuigen dat hun belang in de voortzetting daarvan bestaat. Tenzij ze de zaak zo bevatten, zal alles wat zij daartoe ook mogen doen, zonder vrucht of voordeel zijn. Want dit is het waaraan het gros van de mensen zich zal onderwerpen, en waarnaar het zich zal schikken. Als men eens verneemt dat hervorming de zaak is die de overheden begeren, waarop ze zich toeleggen, en waarin ze hun hoogste belang stellen, zoals het eertijds met David, Hiskia, Josia en anderen was, dan zal het indruk op de gemeente maken. En het zal geen mindere indruk maken dan het oogmerk van Jerobeam, in het zoeken van zijn goddeloos belang, op het volk van Israël maakte, om dat te doen zondigen. Alle andere hulpmiddelen zijn dood, tenzij die opgewekt worden door een blijk van wezenlijke werkzaamheden in de harten van de overheden, en van een groot belang dat zij in de voortgang van dit werk stellen. Laat ze zoveel wetten en verordeningen maken als ze willen, en zoveel uitwendige middelen instellen, als ze kunnen uitvinden. Als men niet onweersprekelijk kan doen blijken dat het hun hartelijk voornemen is, en dat ze daarin hun grootste belang stellen, zal het alles weinig helpen.

    (2) De overheden kunnen dit ook bevorderen, door een strenge uitvoering van de wetten tegen openbare, goddeloze en tergende zonden. En:

    (3) Door een levend voorbeeld in hun eigen personen. Zonder dat zal alles erger en erger worden, wat men ook mag aanwenden. De mensen schijnen wel enigermate vermoeid over de beklaaglijke gevolgen van de zonde, maar niet over de zonde zelf. En tot deze vermoeiing ontbreken hun echter nog beweegredenen, aanmoedigingen en voorbeelden. Het komt mij waarlijk vreemd voor dat in al onze vrezen en gevaren, in de verdeeldheid van al onze raadslagen, en in het midden van de verwarringen van alle soorten van mensen, die een grote ijver belijden voor de protestantse godsdienst, voor de statenbond en voor het welzijn daarvan…. Het komt mij vreemd voor, zeg ik, dat in dat alles dit enige hulpmiddel tot ons behoud en veiligheid, geheel verwaarloosd wordt.

    B. Ten aanzien van de leraars wordt de getrouwe volbrenging van hun plicht, in het prediken, bidden, en in het geven van goede voorbeelden hiertoe vereist. Maar het zou een geheel boek beslaan, als ik hier wilde aandringen op de noodzakelijkheid van die dingen in deze tijd, alsmede welke zorg, naarstigheid, werkzaamheid, medelijden, ijver, en welke oefening van al de evangelische genadegaven men zien moest, en hoe deze dingen door velen verzuimd worden. Maar ik ga over tot wat ons nader en meer onmiddellijk raakt, namelijk het onderzoek:

    VIII. Als al deze middelen eens falen, en alle verwachtingen daarvan ijdel bevonden worden, wat dan de bijzondere plicht is van zulken, die waarlijk gevoelig zijn over deze dingen, namelijk de overvloed van tergende zonden, en de nabijheid van welverdiende oordelen.

    Mijn oogmerk hierin om sommige besturingen neer te leggen, ten aanzien van de gestalte van het hart waarin wij behoren te zijn, en in de volbrenging van welke plichten wij gevonden moesten worden, in zo’n tijd als deze is. Het is geen gewone of gemakkelijke zaak, op de Heere te wachten in de weg van Zijn gerichten, Jes. 26:8, 9.

    Daartoe wordt zowel een inwendige werkzaamheid van de ziel bij nacht en dag, als de waarneming van de uitwendige plichten vereist. Dat wij God op een betamelijke wijze verheerlijken, opdat wij in vrede gevonden worden, hoedanig de uitkomst van de dingen mag zijn; dat wij voor anderen nuttig zijn; en dat wij in alles Gods wil in onze levenstijd dienen, zijn zaken die van ons als plichten verwacht worden.

    Tot dit doeleinde kan men de volgende besturingen in acht nemen.

    1. Draag zorg tegen vermetelheid en een verachting of verwaarlozing van Gods waarschuwingen. Er is een geslacht dat, hetzij in daad of schijn, vermetel, onbevreesd en hardnekkig is, en zonder acht te slaan op deze dingen. Ze schijnen God te tergen en uit te tarten, opdat Hij streng uitvoert, alles wat Hij schijnt te dreigen. Zo zeggen zij, Jes. 5:19: "dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen den raadslag des Heiligen van Israël, dat wij het vernemen!" Hier wordt inderdaad veel gesproken van Gods oordelen en van de nabijheid daarvan. Wanneer zullen wij die zien? Waarom komen ze niet? Wanneer zal Hij Zijn werk tevoorschijn brengen? Dit is het grote verschil tussen de kerk en de boze wereld al van het begin geweest. Zij, die God waarlijk vreesden, getuigden altijd dat God zou komen, en wraak oefenen over de goddeloosheid en ongerechtigheid. Maar omdat deze oordelen niet altijd spoedig uitgevoerd werden, verachtte de boze wereld de waarschuwingen van zulken, en spotte met hun boodschap. Henoch, de zevende van Adam, predikte en profeteerde zo van deze dingen. Namelijk van Gods komst om wraak te oefenen over de goddelozen, Judas :14, 15. Maar deze waarschuwing werd veracht, zoals blijkbaar is, omdat er geen hervorming op volgde, tot de zondvloed kwam en ze wegnam. Eveneens was het met Noach en zijn prediking. Zo is het geweest met allen die God vreesden, in hun verscheiden geslachten. Dit was een van de voornaamste zaken, waarover de christenen door de heidenen bespot en uitgelachen werden, zoals blijkt uit de schriften van Lucianus. De apostel Petrus geeft ons een verhaal van wat reeds gebeurd was, en van dat wat gebeuren zou tot het einde toe. 2 Petrus 3:3-6. Zulke mensen als dezen, zijn er onder ons ook in overvloed. Alle waarschuwingen van God zijn in bespottingen veranderd. De voorgaande oordelen zijn veracht. En de zonde zelf is een lachertje geworden. Maar onder allen heeft God het grootste afgrijzen van zo’n soort van mensen. Van zulken wordt gezegd dat zij ver van de gerechtigheid zijn, Jes. 46:10. Tot dezen spreekt God in Zijn toorn: "Hoort gij spotters, verwondert u en vergaat!" De Heilige Schrift is vol met strenge bedreigingen tegen dit soort van lieden. En geen zullen te zijner tijd meer drinken uit de beker van Gods grimmigheid. Zie Jes. 38:14, 15; Deut. 29:19, 20. Met zulke geruste verachters, zulke bespotters van naderende oordelen, en zulke uitjouwers van de tekens en blijken daarvan, zal God in strengheid handelen. Er zijn er ook, die wel niet uit hetzelfde beginsel van openbare goddeloosheid, maar wegens sommige vooroordelen, bedorven redeneringen, voorgewende opmerking van verleden gevallen, ongeloof ten aanzien van alles wat ze niet ondervinden, en uit dergelijke gevolgen van een lange gerustheid, al deze zaken geheel verachten en bespotten. Ze houden het voor zwakheid, kleinmoedigheid of bijgeloof, zich met deze waarschuwingen van de voorzienigheid, of met de toepassing daarvan door het Woord, bezig te houden. Maar het oordeel van dezen slaapt ook niet. Men mag opmerken, en het zal waarachtig bevonden worden, dat onder alle mensen dezen, als de oordelen waarlijk komen, het meest flauwhartig, het meest verlegen, het meest vreesachtig, en het meest ontbloot van goede raad zullen zijn. Want als God ze begint aan te tasten, kunnen hun harten niet kloekmoedig, en hun handen niet sterk zijn. Hij slaat hen in de leden en vervult ze met een geest van vrees en verschrikking, opdat ze beven zoals de bladeren van de bomen van het woud. In die dag mag men tot hen zeggen, zoals Zebul tot de roemende Gaäl, toen zijn vijand Abimelech naderde: "waar is nu uw mond, waarmede gij zeidet: Wie is Abimelech?", Richt. 9:38. Waar is nu uw mond en uw opschepperij ten aanzien van deze oordelen van God? Zo zei Micha, de profeet, tot de valse profeet Zedekia, in zijn roemen en vertrouwen op een goed succes, 1 Kon. 22:25: met al uw gepoch en uw verzekering zult u een van de eersten zijn die zal proberen te vluchten en zich te verstoppen. Ja, deze mensen zijn gewoonlijk de meest bespottelijke en meest verachtelijke, als het gevaar hen metterdaad overvalt. Wat God in zo’n tijd van ons eist, wordt in de Bijbel "beven" genoemd: "dat zij beven voor Mijn Woord". Hier slaat Hij acht op, dit neemt Hij aan, en dit keurt Hij goed, Jes. 66:2, 5; Jer. 5:22. Het is geen zwakke, verbaasde en harteloze ontroering van het gemoed, die ik in het oog heb. En ook niet zo’n vrees en verschrikking die ons kan verhinderen in de blijmoedige volbrenging van onze plicht, en de voorbereiding van ons aan Gods wil te onderwerpen, gelijk daarvan gesproken wordt, Deut. 28:66, 67. Want dat is het verschrikkelijkste van alle oordelen. Nee, ik zie op een ontzaglijke eerbied voor de grootheid en heiligheid van God in de weg van Zijn oordelen, een verbanning van alle vleselijke gezindheid en vertrouwen op zichzelf, en van de verachting van Zijn oordelen, opdat de ziel zo gebracht wordt in een gehoorzame onderwerping aan Gods wil in alle zaken.

    Maar zie goed toe dat ook dit kwaad onder geen voorwendsels bij u inkruipt. Als er een kwaad afgewend schijnt te zijn, zeg dan niet met Agag: "de bitterheid des doods is zekerlijk geweken". Dit zou uitkomen op een meelopen in deze boze gesteldheid, en zo op een verwaarlozing van uw plicht. God verwacht andere dingen van u. "De leeuw", zegt Hij, "heeft gebruld, wie zou niet vrezen?" Amos 3:8. Daar is de stem van een leeuw die op zijn roof loert, onder de tegenwoordige waarschuwingen van God. Draag zorg dat u dat niet veracht, dat u, als het gebeurt, niet kunt vermijden en ook niet kunt verdragen.

    2. Draag zorg tegen een gesteldheid van het hart, die onoplettend op deze dingen is. Er is een soort van lieden die, hoewel zij de goddelijke waarschuwingen niet openlijk wil of durft te verachten, echter alles op zo’n wijze beschouwt, die ze niet toelaat om te zien dat zijzelf daarin enig deel hebben. Ps. 28:5; Jer. 36:24. Het land is vervuld met zonden, dat staan ze toe. Maar het zijn zonden van anderen, en niet van hen. Er zijn tekens en blijken van Gods ongenade, in de hemel boven en op de aarde beneden. Maar de mensen komen niet overeen of die dingen enige beduiding hebben of niet. Sommigen zeggen ja, anderen nee. Maar ze zijn nieuw en vreemd, en daarom waard om tot een onderwerp van gesprek te dienen. Voorafgaande oordelen zijn over ons gekomen. Maar dat zijn slechts toevallen die dikwijls in de wereld gebeuren. Verdeeldheden onder onszelf, en de praktijken van onze vijanden, schijnen dit land met zijn ondergang te dreigen. Dit kan zo zijn, maar dat zijn dingen die onze regenten raken. En hierover zijn de mensen zelf verdeeld. De een zegt dit, de ander dat. Sommigen zeggen: er was een verraad gesmeed. Anderen weer: zoiets is niet waar. Ondertussen is ieder met zijn belangen en inbeeldingen vervuld, en niemand wil daarvan afgetrokken worden tot een ernstige opmerking van God in Zijn tegenwoordige handelingen, zoals de woudezel naar de lust van zijn ziel, en de ontmoeting van wie niemand kan afkeren. Jer. 2:24. Over zo’n gesteldheid klaagt de profeet als iets dat God zeker zal wreken. "Heere! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege den ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren", Jes. 26:11. Anderen beschouwen deze dingen in een ander licht en met andere opmerkingen. Want omdat het een gedeelte van de zonde en de straf van dit volk is, en een blijkbare vrucht van de snoodheid van onze wegen, dat wij verdeeld zijn in partijen die ieder hun eigen belang zoeken, en naar de ondergang van elkaar streven, daarom merken zij alle wegen van de voorzienigheid met betrekking tot die verschillen aan. Dit verwekt in hen wel een grote aandoening over die dingen, en een gedurig spreken daarover, maar de wil, het werk en het oogmerk van God daarin, wordt niet ter harte genomen. Sommigen zijn zo welvergenoegd met hun tegenwoordige voordelen in ambten, verheffingen en rijkdommen, dat ze niet kunnen verdragen om aan zulke zaken te denken. Welke waarschuwingen van naderende oordelen hun ook voorgehouden worden, ze merken die aan als bedreigingen over zulken, die kwaad tegen hen voorhebben, en dat deze dingen hun beroering beduiden. De schuld maakt hen vreesachtig en gevoelig. En ze achten het het beste, zulke zaken voor zichzelf te verbergen, die zij niet verhelpen kunnen, als ze waarachtig zijn.

    Om ons voor dit wangedrag te behoeden, ten aanzien van het niet beantwoorden aan Gods oogmerk in Zijn tegenwoordige weg, mogen wij aanmerken:

    A. Dat een ernstige overweging van Gods voornemen in zo’n tijd als wij beschreven hebben, en ook een onderzoek daarnaar, van ons als een plicht geëist wordt. Het is onze zonde als wij dit verzuimen. En wel een zonde die met vele verzwarende omstandigheden vergezeld is. Het is geen zaak waarop wij mogen letten of niet letten, naar dat het ons raadzaam schijnt. Maar het wordt van ons geëist als een plicht, zonder welke wij God op geen betamelijke wijze verheerlijken kunnen. Zo iemand, die niet dagelijks bezig gehouden wordt met werkzame gedachten over de tegenwoordige wegen van God in Zijn naderende oordelen, leeft in zo’n plichtsverzuim, als in staat is om hem in een onachtzaamheid en koudheid ten aanzien van alle andere verplichtingen te brengen. Want dit is zeker, dat als God roept tot een zekere bijzondere plicht, op een ongewone wijze of manier, om die op zekere tijd of op zekere wijze waar te nemen, dat degenen die dit verzuimen, inderdaad koud, slechts uitwendig en verzuimachtig ten aanzien van alle andere gewone plichten zijn. Die genade, die niet op te wekken is tot bijzondere plichten op ongewone gelegenheden, is zeer levenloos in alle andere gevallen. Dit is de beste toets, zo niet om de waarheid, dan om de kracht van de genade te beproeven. Wanneer die in haar sterkte en behoorlijke werkzaamheden is, maakt zij de ziel gereed, genegen en geschikt tot gehoorzaamheid aan al de verklaringen van de wil en het welbehagen van God. Zoals de Psalmist zegt: "Heere! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij", Psalm 24:4, 5. Zij let nauwkeurig op ieder blikje en elke aanwijzing van de voorzienigheid, om zich daaraan te onderwerpen; terwijl anderen door sterke koorden en breidels, zoals het paard en de muilezel getrokken worden.

    B. Dat dit een plicht is waartoe inderdaad wijsheid en naarstigheid wordt vereist. Wij achten het nodig om in andere gevallen in onze eigen zaken wijsheid te gebruiken. Maar in dit geval is het vooral noodzakelijk. "De stem van de Heere roept tot de stad. De man van verstand (dit is volgens de Engelse vertaling) zal uw Naam zien", Micha 6:9. Gewone, geringe en voorbijgaande gedachten komen met deze plicht niet overeen. Zulke moeten alle gematigde mensen hebben en hun redeneringen komen daarmee overeen. Maar opmerken met naarstigheid en voorzichtigheid wordt van ons gevorderd. Zie na Psalm 65:9; Deut. 12:28; Hoséa 3:5; Psalm 107:43. Gebeden, oefeningen en overdenkingen moeten hier met naarstigheid te pas gebracht worden.

    3. Draag zorg tegen ijdel vertrouwen. De mensen zijn in zulke tijden genegen het een of ander aan te grijpen, waarmee ze zichzelf ondersteunen en hulp toebrengen. Er is niets dat meer in staat is om ze af te trekken van deze plicht en de gesteldheid van geest die van ze geëist wordt. Spreek met bijna iedereen en u zult met weinig moeite ontdekken waarin hij zijn vertrouwen stelt en op welke zaken hij steunt. Maar de profeet zegt tegen zulken: de Heere heeft al uw vertrouwen verworpen, zodat u daarmee niet zult gedijen, Jer. 2:37. Er zijn verscheiden soorten van ijdel vertrouwen waarmee de mensen genegen zijn hun gemoederen in zo’n tijd op te beuren, opdat ze zichzelf, hun gerustheid en het verzuim van deze bijzondere plicht zouden ondersteunen. Ik zal hier slechts van twee soorten spreken, zoals ik de hoofden van de zaken maar noem, die veel verder uitgebreid kunnen worden.

    A. Het eerste is een bezit van zekere privileges waarop men vertrouwt tot bevrijding van algemene ellenden. Men is de kerk, men is het volk van God, men is van de wereld afgescheiden, en men wordt daardoor vervolgd. Hieruit komt een zekere gerustheid in het gemoed, dat men waarlijk met anderen niet beroerd zal worden. Zo was het oudtijds met de Joden. Toen die gedreigd werden met Gods oordelen, wegens hun zonden, en geroepen werden tot bekering, toen rechtvaardigden ze zich in hun wegen, en verachtten al de goddelijke waarschuwingen, uit een vertrouwen dat ze hadden op hun kerkvoorrechten. Ze riepen tegen de profeet uit: "des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn deze, en geen kwaad zal ons naderen", Jer. 7:4. In dit vertrouwen, namelijk dat ze de kerk waren, de voorrechten die daartoe behoorden, genoten, en de openbare plechtige godsdienst daarin pleegden, gaven ze zich over tot alle verfoeilijke onreinheid, onder een verzekering dat ze wegens die voorrechten onstrafbaar waren. Zoals de profeet hun verwijt, vers 8-10: "ziet, gij vertrouwt u op valse woorden, die geen nut doen. Zult gij stelen, doodslaan en overspel bedrijven, en valselijk zweren, en Baal roken, en andere goden nawandelen, die gij niet kent? En zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen?"

    Nu eisen alle soorten van lieden een toevlucht op hun privileges. Zij, die de uiterste verwoesting van dit land en van alle ware godsdienst daarin beogen, doen dat met vertrouwen van succes op deze zaken, dat zij de kerk zijn, dat de tempel van God bij hen is, dat al de voorrechten die aan de kerk behoren, en al de beloften die daaraan gedaan zijn, hun toekomen. Zodanig is de verdwaasde kracht van hun ingebeelde overtuiging hierin, dat die twee wonderbare gevolgen voortbrengt. Het ene tegen het licht van de natuur, en het andere tegen de grondbeginselen van de godsdienst.

    (1) Want eerst, onder de begunstiging van dit vertrouwen, hebben ze zich gewikkeld in zulke schandelijke goddeloosheden, als er ooit onder de zon bedreven zijn. In moorden, vervolgingen, verraderlijke ombrengingen, sterven in het midden van valsheden, met een algemeen voornemen om deze zaken tot het uiterste voort te drijven, tot vernieling van vele onnozele personen, zoals voorheen in Ierland gebeurd is. Maar wat zegt men, hoewel ze al deze gruwelen bedrijven? Ze zijn echter de kerk. De beloften en privileges daarvan zijn de hunne, en al wat zij doen is aangenaam voor God. Een beginsel dat op het meest goddeloze atheïsme uitloopt.

    (2) Ten andere, hoewel God op een wonderlijke, ja op een miraculeuze wijze hun helse oogmerken heeft ontdekt en verhinderd, en velen van hen in de put geworpen heeft die ze voor anderen groeven, willen ze toch geen bestraffing van God aannemen. Maar ze gaan voort in die hardnekkige verwaandheid, dat zij de kerk zijn, en eindelijk de overhand zullen behouden. Zonder twijfel behoren zij tot die kerk, die door deze middelen overwinnen moet. Sommigen geven inderdaad het meest voor dat zij de kerk zijn. Maar ze leggen, voor zoveel ik zien kan, op geen andere voordelen op die grond toe, dan op bedieningen en bevorderingen. Anderen zijn ook gereed zichzelf met dat vertrouwen op te beuren, dat zij Gods volk zijn, en om die redenen een bijzonder deel in de verlossing zullen hebben.

    En ik zeg, laat het ver van mij zijn, dat ik het gevoelen van Gods opzicht over zulken, die waarlijk de Zijnen zijn, zou verzwakken. Laat de wereld daarmee spotten zoveel zij wil; aan die behoren al de beloften van de Bijbel, en al de privileges van de kerk. Zulken moeten de beloften met geloof vermengen, en voor God onophoudelijk pleiten. En ze zullen aan hen vervuld worden, op de tijd en wijze die God bestemd heeft. Ik weet ook niet dat iemand van de verschillende belijdenissen deze voorrechten en privileges zo op zichzelf toepast, dat anderen daarvan uitgesloten zouden zijn. Maar ik weet wel dat zij die tot alle ware gelovigen uitbreiden. En dit is het, dat ik ten aanzien van alle soorten van mensen zeg: dat, als een vermoeden of een overtuiging dat zij de kerk of het volk van God zijn, ze afhoudt van die plicht van boetvaardigheid en reformatie, waartoe God nodigt, dat het dan, zeg ik, een vertrouwen is dat God verwerpt en waarmee ze niet voorspoedig zullen zijn.

    Ik wilde iemand wel eens vragen: heeft de kerk niet gezondigd. Hebben de leden niet gezondigd? Zijn er onder ons geen zonden tegen de Heere onze God, die eigen zijn aan onze staat en naar mate van onze gestalte? Als dat zo is, dan zal ons deel aan Gods kindschap, als wij dat waarlijk bezitten, ten aanzien van deze bedoelingen van de voorzienigheid ons temeer aan Zijn rechtvaardige strengheid blootstellen, tenzij wij ons bekeren. Want het oordeel begint van Gods huis, en het moet van ons beginnen. Draagt zorg tegen deze falende toevlucht. Ik heb aangetoond hoe velen vleselijke gerustheid hebben, en wat een verzuim van bekende plichten daaruit voortvloeit. Bent u het volk van God, dan moet u temeer voor Zijn oordelen en de tekens van Zijn ongenade beven. Vooral behoort het in deze dag met u zo te zijn, nu God op een bijzondere wijze onvergenoegd met de rivieren schijnt te zijn, zoals de profeet zegt, Hab. 3:8; met zulke rivieren die stromen van verversing over het land moeten brengen. Aan mij schijnen alle zaken in die staat te zijn, dat er ten aanzien van de algemene oordelen geen toevlucht is gelaten, dan alleen tot Gods vrije genade en barmhartigheid, om die af te wachten onder boetvaardigheid en hervorming. Want met betrekking tot onze privileges, zegt God tot ons, zoals tot Zijn oude volk aangaande hun versiersels: "legt die af, en Ik zal weten wat Ik u doen zal", Exod. 33:5. Wij moeten al onze eisen en voorwendsels terzijde leggen, en ons alleen overgeven aan de soevereine genade en barmhartigheid.

    Toekomstverwachting

    B. Een andere grond van ijdel vertrouwen kan zijn, een onrechtmatige verwachting van een vervulling van zulke schriftuurlijke beloften en voorspellingen, die op onze staat niet toepasselijk zijn.

    Het is onloochenbaar dat er zulke beloften en voorspellingen zijn aangaande de verlossing van de kerk, de vernieling van haar vijanden, en van de glorie en schoonheid van Christus’ koninkrijk. Want hoewel de meeste plaatsen van het Oude Testament, die hierop zien, van een geestelijk beduiding zijn, en hun vervulling in al de uitverkorenen van iedere eeuw hebben, hoe hun uitwendige staat en gelegenheid ook mag zijn; kan men echter niet ontkennen dat er ook zulken zijn, die de staat van de kerk in deze wereld, de verwoesting van haar antichristelijke vijanden, en de vrede en de heerlijkheid, die daarop zal volgen, betreffen.

    Ten opzichte van deze teksten mogen wij nu verscheiden zaken aanmerken, opdat wij die niet gebruiken tot een ijdel en grondeloos vertrouwen, in zo’n tijd als deze is.

    a. Dat men een vast geloof moet hebben van hun vervulling op de bekwame tijd. De regel voor die alle wordt door de profeet uitgedrukt: "Ik, de HEERE, zal zulks te zijner tijd snellijk doen komen", Jes. 60:22. Zo wordt ook gezegd, Hab. 2:2, 3. Hoewel ze vertraagd en uitgerekt schijnen te worden boven hun bestemde tijd, toch hebben ze een bepaald en vastgesteld bestek, waarboven zij niet zullen wegblijven. En twee zaken wilde ik bij deze gelegenheid voordragen:

    (1) Dat wij niet alleen hun vervulling moeten geloven, maar ook metterdaad gelovige werkzaamheden omtrent die uitoefenen. Want zonder dit zullen wij een grote steun missen in iedere dag van beproeving, om langdurige verdrukkingen geduldig te verdragen. En door zo’n geloof genieten wij de kracht van de vertroosting van de beloofde dingen, hoewel wij die niet dadelijk ondervinden. Want het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt, Hebr. 11:1. Het is iets dat in de gemoederen een voorafgaande smaak van vertroosting geeft, ten aanzien van de zaken die men verwacht. Zulken, van wie de zielen in deze dingen geoefend zijn, weten welk voordeel zij trekken uit een voorafgaande genieting daarvan. Door sommige werkzaamheden van het geloof geraken ze nu en dan in gemeenschap met de gelovigen van het Oude Testament, voor zover die verwachtten wat wij genieten, en ook in gemeenschap met hen die hierna de vervulling van de beloften, die mogelijk nog veraf zijn, genieten zullen.

    (2) Dit geloof behoort het sterkst te zijn, als alle dingen samen schijnen te spannen, om de vervulling van zulke beloften niet alleen onwaarschijnlijk, maar ook onmogelijk te maken. Zowel ten aanzien van de tegenwoordige uitwendige oorzaken, als van de tegenwoordige staat van de zaken in de wereld. Er zijn geen zichtbare of blijkbare middelen om enige daarvan te doen vervullen. Ja, de gehele wereld is als verenigd in een samenzwering om die overhoop te werpen. Maar het ware geloof verheft zich tegen die tegenkantingen, en overwint die alle. Want, omdat het God alleen, en Zijn macht, waarheid en getrouwheid tot zijn voorwerp heeft, acht het geen tegenkanting, die de mensen kunnen uitvoeren. Dat zal gebeuren op die wijze, zoals het God behaagt die uit te voeren. Laat de wereld doen wat hun behaagt: God lacht over al hun hoogmoedige aanslagen. En evenzo mogen de kinderen van Sion doen.

    b. Het is onze plicht te bidden om de vervulling van al de beloften en voorzeggingen, die van het koninkrijk van Christus en van Zijn kerk in deze wereld in Gods boek zijn aangetekend. God wil deze zaken wel volbrengen. Maar Hij wil ook van het huis van Israël gezocht worden, dat Hij het doet. Dit is de praktijk geweest van de gelovigen in alle tijden, zowel onder het Oude als Nieuwe Testament. Het gebed om de vervulling van de beloften is altijd als de levensadem van de kerk geweest. En als het geloof hierbij komt, brengt het een grote verkwikking in de ziel. De grootste blijk van de nadering van die vervulling zal een overvloedige uitstorting van de Heilige Geest zijn in de harten van de gelovigen, hetzij ze op die tijd in de wereld groot of klein in getal zijn; om ze op te wekken en bekwaam te maken tot een vurig en werkzaam bidden om de vervulling daarvan. Zoals wij dat voorbeeld in Daniël hebben, Dan. 9:1-3.

    c. Hierom zijn er in zulke beloften en voorzeggingen voornamelijk drie dingen aan te merken.

    1. De genade en barmhartigheid die daarin uitblinkt.

    2. De welvoeglijkheid en overeenkomst van die genade en barmhartigheid met de staat van de gelovigen in alle tijden.

    3. De letterlijke vervulling daarvan ten opzichte van haar uitwendige omstandigheden. De twee eerste zaken betreffen ons altijd. En wij mogen met God in geloof pleiten om de gevolgen daarvan in al onze beproevingen en benauwdheden. Met betrekking tot deze zaak is het, dat Gods volk op God vertrouwt tegen de wereld en hun vijanden en verdrukkers. Een vertrouwen dat hun zo dikwijls met versmading is verweten, en dat de Heere Christus en Zijn geloof ook werd tegengeworpen, Psalm 22:8. Als het met de belangen van de vromen slecht schijnt te staan; als deze opgesloten zijn in de hand van hun vijanden en verdrukkers, zoals de Heere Christus op het kruis, dan staat de wereld gereed om te spotten met hun vertrouwen op God, en met de belijdenis dat zij Zijn volk zijn. Maar in deze verzoeking bezwijken ze niet. Hoe de dingen voor een tijd ook mogen gaan; ze zijn verzekerd van de genade en barmhartigheid die in de beloften is, en dat deze beloften volkomen geschikt zijn naar al hun gebrek; dat alles is wat zij voluit kunnen eisen. Ja, ze zijn ook verzekerd van hun volkomen verlossing, als die tot hun best kan dienen.

    4. Maar bedenk dat velen ellendig bedrogen zijn geweest in de vervulling van zulke beloften en voorzeggingen tot zekere tijden en omstandigheden te bepalen. Dit heeft ook de grond gelegd van zeer schandelijke gedragingen. De wereld heeft nauwelijks grotere uitspattingen in zonden en goddeloosheid gezien, dan die ondersteund werden door het voorwendsel dat zo’n tijd nu was gekomen, en dat daarin zulke of zulke dingen moesten uitgevoerd worden, door hen die deze toepassingen en bepalingen maakten. Want als zo’n inbeelding plaats grijpt in het hart van de mensen, worden zij ontslagen van alle verbintenissen; behalve die hun eigen lusten hun voorschrijven. Velen zijn er die van zulke inbeeldingen vervallen zijn tot een droevige en schandelijke mislukking van hun oogmerken.

    5. Hierom is tegen zo’n verwachting of zo’n vertrouwen op de uitkomsten van beloften en profetieën, die mensen afleidt van een naarstige beoefening van de plichten, die God voor het tegenwoordige van ons eist, zeer zorgvuldig te waken. Ik heb velen horen redeneren en pleiten om zulke verwachtingen te sterken en klem bij te zetten. Maar ik heb van hen nooit goede gevolgen gezien. Ze behagen ons voor het tegenwoordige, maar geven geen vrucht.

    De geschiedenis van de profeten Jeremia en Hananja (Jeremia 28) is zeer toepasselijk op de gevallen waarvan wij spreken. Het is zeker dat dit een van de redenen was, waarom de Joden, voor de verwoesting van Jeruzalem, zich tot hun uiterste verderf verhardden, en helemaal niet wilden luisteren naar de stem van God of mensen tot hun behoud; dat zij gevoelden dat hun Messias in die tijd komen en hen verlossen zou.

    6. Weinigen zijn er die weten van wat voor soort die dag van de Heere zal zijn, die zij begeren, waarnaar zij verlangen, en die zij verwachten. Wij weten hoe zo’n verwachting voor de Joodse kerk uitviel, Mal. 3:1, 2. Er kan een dag komen die, hoewel van een glorierijk gevolg, echter alle hoop verslindt die de mensen in de verwachting daarvan hebben opgelegd. Maar in deze dingen zal ik niet verder treden. Mijn oogmerk is alleen om zo’n ijdel vertrouwen weg te nemen, als ons hinderen kan in een naarstige betrachting van de plichten, die God in deze tijd van ons eist, en die zo direct genoemd zullen worden.

    C. Sommigen plaatsen hun vertrouwen in geheime middelen van behoud, die zij in zichzelf hebben. Zodat, hoe het ook met anderen gaat, zij het wel genoeg ontkomen zullen. Ze zijn rijk, en hun voornemen is ook wijs te zijn. Ze hebben voorgenomen zich niet te bemoeien met kerkelijke of burgerlijke zaken, die hun nadeel in hun bezittingen zouden kunnen toebrengen. Terwijl men van alles goedkoop af kan komen met wat praten, willen zij wel zijn en doen zoals anderen. Maar als de beproevingen komen, dan is hun voornemen om veilig te wijken. De beeltenis en het oordeel van zulke mensen is beschreven in Jes. 28:15, 17, 18.

    4. Een vierde besturing voor ons gedrag in zo’n tijd is, dat wij onze eigen wegen en harten nauwkeurig onderzoeken en beproeven om te weten en te verstaan hoe het tussen God en onze zielen is gesteld. Deze besturing wordt ons gegeven, Klaagl. 3:39, 40: "wat klaagt dan een levend mens? Een ieder over de straf van zijn zonden? (Engelse vertaling.) Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den Heere." Als de beproevingen en straffen naderen, of reeds over ons zijn, dan is het ons werk of onze plicht, niet om daaronder te liggen klagen, maar om onze wegen zo te onderzoeken en te doorzoeken, dat wij wederkeren tot de Heere. Dit is het eerste woord van Gods stem in naderende oordelen: "doorzoekt uzelf, beproeft uw harten en uw wegen". Om in zo’n tijd de overweging van onszelf, van onze staat, onze wandel en onze werkzaamheden slechts op de gewone wijs of met gewone en geringe aandacht ter harte te nemen, is de stem van God te verachten. God spreekt overluid. De stem van de Heere roept tot de stad. Hij doet dat door de middelen die hiervoor genoemd zijn. Hij spreekt onderscheiden en verstaanbaar, zodat "een man van verstand Zijn Naam kan zien", en Zijn wil weten. Hij spreekt tot ons en zegt: "doorzoekt nu uzelf".

    In dit onderzoek moet men letten op de volgende zaken:

    A. In het algemeen. Onderzoek naar uw eigen toestand en staat. Beproef of die gebouwd is op een goede grondvesting; hetzij door het geloof op een rotssteen, of door de belijdenis slechts op een zandgrond; of hij de toets uit kan staan van Hem, Die het zal brengen tot het vuur van een louteraar, Die met de adem van Zijn lippen de geveinsden zal doden. Er zullen, als deze dag van de beproeving van de Heere komt, vele verschrikkelijke ontdekkingen gemaakt worden van de valse en grondeloze staat van vele mensen. Dit ene is een zeker einde van een vurige beproeving, namelijk de ontdekking en vertering van de belijdenis van de geveinsden, zoals reeds voor een gedeelte is gebeurd.

    B. Men moet letten op zulke overtredingen, als de bijzondere en tergende zonden van kerken en belijders zijn. Zulke zonden waartegen de Heere Jezus Zijn ongenoegen betuigt, en die tot verwekking van tijdelijke oordelen niet minder kunnen toebrengen dan de schandelijke ongerechtigheden van openbare zondaren. Deze zijn een verval in het geloof, in de ijver, en in het voortbrengen van vruchten van gehoorzaamheid, een gebrek aan vurigheid, leven en vermaak onder en in het verrichten van de instellingen die de godsdienst van het evangelie voorschrijft. Daarbij komen hovaardigheid, opgeblazenheid van geest, hoogachting van zichzelf, en onvruchtbaarheid in goede werken. Willen wij weten welke de zonden in kerken en belijders zijn, waarover de Heere Christus zo ontevreden over ons is, dat Hij ons dreigt te verlaten, dan kunnen we het niet beter leren dan uit de betuigingen die Hij doet aan de gemeenten van Klein-Azië. Zie Openb. 2 en 3. En deze zijn de dingen waarmee Hij haar beschuldigt. Want dat personen, die zich de naam aanmatigen van belijders en leden van de gemeenten, zich vergenoegen met alleen onderzoek te doen naar hun uitwendige daden en plichten van allerlei soort in de godsdienst, de zedenoefeningen en de burgerlijke samenleving, opdat niemand met recht een laster op hen zou werpen, dat beantwoordt helemaal niet aan het onderzoek waartoe God hen roept. Nee, men moet zich vragen: hoe is het ten aanzien van de inwendige gesteldheid van uw hart? Welke is de kracht en sterkte van het geloof en de liefde in u? Hoe bent u in uzelf werkzaam, en hoe is uw wezenlijk vermaak in Gods wegen? Waar is uw vruchtbaarheid in werken van liefde en barmhartigheid? Waar is de gereedheid om uw vijanden te vergeven? Is er geen misslag of verval in deze dingen? Is er geen ongesteldheid, koudheid of dodigheid in het volbrengen van de godsdienstige plichten bij u ingeslopen? Hoe is het met uw meditaties op geestelijke dingen, en met het vestigen van uw gedachten op dingen die boven zijn? Ten aanzien van deze zaken behoorden wij ons naarstig te onderzoeken op zo’n dag als deze is. En vinden wij enig verval in onszelf, laat ons bekend zijn dat God ons tot boetvaardigheid roept, op straf van Zijn grootste ongenade.

    Wat onze eigen persoon betreft, wij kunnen de harten van anderen niet onderzoeken of oordelen op enige andere manier dan door het Woord aan de gewetens toe te passen. Maar dit moet ik echter zeggen, dat, als de uitwendige daden van de mensen een blijk geven van de inwendige gesteldheid van hun harten, dat er dan, zeg ik, voor de meesten van ons redenen genoeg zijn om over zichzelf in deze zaak zeer waakzaam te zijn.

    C. Let op uw beroepingen, omstandigheden en neigingen, en de zonden die daaraan in het bijzonder eigen zijn. Er zijn zonden die zeer behendig zijn om zichzelf te dringen in de beroepen en omstandigheden van de mensen, zowel van hoge als van lage staat; en die ze dan gemakkelijk omringen; als ongevoeligheid, onderdrukking, strengheid en onbarmhartigheid in zulken die groot van aanzien zijn en uitgebreide bezittingen hebben, bedrog, dubbelzinnigheid en verschalking in anderen van mindere bedieningen. Maar van dezen spreek ik nu niet. Ze zijn van het getal van zulken die voorshands in het oordeel lopen. Maar deze dingen: de beroepingen, omstandigheden en genegenheden van de mensen zijn bekwaam hun gemoederen met ondeugende gewoonten te besmetten en hun wegen verdraaid te maken. Hoogmoed van dit leven, veel ophebben met zichzelf, onachtzaamheid in de heilige plichten, onmatige driften en lusten, verslindende zorgen, vleselijke verschrikkingen en andere schadelijke kwaden, komen uit deze dingen voort, als men daartegen niet waakt. Met betrekking tot deze worden wij daarom geroepen onszelf te onderzoeken in de dag waarop God met ons aan het pleiten is. Ten opzichte hiervan behoorden wij bovenal zeer waakzaam over onszelf te zijn. Want de wegen en wandeling van al de belijders hebben een grote terging voor de Heere Jezus Christus gemaakt.

    D. Het onderzoek moet op een bijzondere manier geoefend worden ten aanzien van de liefde tot de wereld en de gelijkvormigheid daarmee. Dit is iets dat de Heere Jezus Christus helemaal niet in Zijn gemeenten wil verdragen. Want dit strijdt tegen het gehele werk van het geloof, en tegen al de geboden van het evangelie. Het strijdt niet met het ene of andere gebod op zichzelf, maar met het gehele oogmerk van het evangelie, en de genade die daarin toegedeeld is. Nu behoeft er over onze uitwendige gelijkvormigheid aan de wereld niet veel onderzoek gedaan te worden. Deze zaak blijkt aan allen. Ten aanzien van gewaad, mode, dagelijkse omgang, verkwisting van tijd, vergasten van de rijken en vreugde bedrijven, is er weinig onderscheid gebleven tussen de waarachtige belijders en de wereld. Dit zal God niet lang in hen verdragen. Vooral niet in zulken die hun rijkdom in de wereld vermenigvuldigd hebben, en daaraan gelijkvormig zijn geworden, terwijl anderen van dezelfde belijdenis door de wereldlingen zijn geteisterd, in kerkers geworpen, van goederen ontbloot, en geheel te gronde gericht. Wat de onmatige liefde tot de wereld betreft, ik heb daarvan zo dikwijls gesproken en zoveel over gehandeld, dat ik er hier niet verder op aan zal dringen. Alleen zeg ik: als de mensen vermetel en hoogmoedig worden, zichzelf schatten naar de vermeerdering van hun aardse goederen, en denken dat hun ongelijk aangedaan wordt als anderen dezelfde achting niet voor ze hebben, dat het dan vruchteloos is om voor te geven dat ze niet onmatig kleven aan de wereld en wereldse goederen. De zelfbeproeving is de eerste plicht waartoe wij in deze tijd geroepen worden. Als wij hierin nalatig zijn of er gemakkelijk overheen lopen, dan zullen wij aan de wil of het welbehagen van God in geen zaak of plicht van een andere soort beantwoorden. Hierom moeten wij God en mensen hierin tot onze hulp en bijstand roepen, en onszelf ook opwekken tot naarstigheid en volharding. Zo deed de psalmist. Uit vrees dat hij niet bekwaam zou zijn om een naarstig en getrouw onderzoek van zichzelf en zijn wegen te doen, riep hij tot God om hem te doorgronden en te beproeven, opdat hij bekend werd aan zichzelf, voornamelijk met betrekking tot een schadelijke weg van goddeloosheid. Zie Psalm 139:23, 24. Op deze wijze behoren wij te schreeuwen om verse uitstortingen van Gods Heilige Geest in Zijn overtuigende kracht, opdat wij door en door aan onszelf bekend worden, en Hij ons verlost van alle zelfbedrog in deze zaak. Want als wij ons aan dit onderzoek zetten, zullen er zich duizend voorwendsels en redeneringen opwerpen, om ons voor onszelf te verbergen en te stijven in de zonden, tegen een ontdekking en uitroeiing daarvan. Niets kan deze dingen verstrooien en wegnemen, dan de kracht van de Heilige Geest in Zijn overtuigende werkzaamheid. Al het bedrog van het hart zal zich in zo’n tijd voordoen, om zulke hebbelijkheden en werkzaamheden, die voortgebracht en geoordeeld moeten worden, te verbergen, op te smukken, te verschonen en te ondersteunen. Men heeft dan nodig "de lamp des Heeren om de binnenkameren des buiks te onderzoeken", Spr. 20:27. Het geestelijk licht om te zien in de verborgen schuilhoeken van het hart, om daarin het kwade te ontdekken. Niet minder behoeft men een geestelijke kracht om alle hoogten en sterken van de zonden neer te werpen, die in zo’n tijd verheven zullen worden, en die niet te vernielen of te verstrooien zijn zonder krachtdadige werkingen van de genade. Op deze zaak behoorden wij onszelf in de eerste plaats toe te leggen, als wij voornemens zijn in het werk van zelfonderzoek enigszins te vorderen. Tevens moeten wij bidden dat het Woord van het evangelie in zijn prediking en bedeling krachtdadig mag zijn tot dit doeleinde. Dat wij het levendig en krachtig mogen bevinden, Hebr. 4:12. Dat het de verborgen dingen van het hart mag oordelen, 1 Kor. 14:25. Dat wij mogen neervallen en onszelf daarnaar oordelen. Onszelf in zo’n tijd voor de kracht van het Woord te verbergen, is een openlijke blijk van een vernielende gerustheid. In de volbrenging van dit werk, onder het gebruik van deze middelen, moet men volharden, als wij voornemens zijn aan de tegenwoordige roepingen gehoor te geven, of onze pogingen aan te wenden, opdat wij in vrede met God zijn wanneer Hij komt.

    E. Dat wij ons voor de Heere diep verootmoedigen wegens onze zonden, en ze daarop allemaal vaarwel zeggen, is het voornaamste van onze plicht in deze tijd. Hiervan geeft de gehele Schrift getuigenis, waar zij van deze dingen spreekt. Alles wat wij zonder dit doen, of kunnen doen, is van geen waarde ten aanzien van een onderwerping aan Gods roepingen. Dit is het doeleinde van het onderzoek, waarop wij tevoren aandrongen. Ieder van ons moet de strelingen, de ziekte, de pestilentie van zijn eigen hart kennen en uitvinden, om zich te verootmoedigen voor de Heere.

    In deze verootmoediging wordt vereist:

    a. Dat het inwendig en oprecht is. Er is een verootmoediging die zich gewoonlijk in de onderhouding van rust- en bededagen vertoont, en die dikwijls niets anders is dan zijn hoofd voor een dag als een bies te laten hangen. Het is waar, deze kan soms zoveel teweegbrengen, dat de uitvoering van gedreigde oordelen daardoor afgewend of uitgesteld wordt. Maar wat God van ons eist is een vastgestelde genegenheid van het hart. Als de Heere Jezus komt om boetvaardigheid en bekering te gebieden, geeft Hij Zichzelf de titel: "dat Hij het is, Die harten en nieren onderzoekt", Openb. 2:23. Het is een inwendige verborgen werkzaamheid, waarnaar hij ziet in onze verootmoediging over de zonden. Zo zegt David in hetzelfde geval: "Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste", Ps. 51:8. Waarheid en oprechtheid in onze voornemens zijn de zaken waarop God in onze verootmoediging let. Zoals dit overeenkomt met het woord van de profeet: "scheurt uw hart en niet uw klederen". Inwendige werkzaamheden en geen uitwendige tekens worden door God in dit geval aangenomen. Laat ieder van ons het op zijn eigen ziel zetten, ieder zijn eigen geweten in het verborgen belasten met de volbrenging van deze plicht. God wil Zich niet langer vergenoegen met voorwendsels; geen uitwendige blijken van voorbijgaande genegenheden in een verootmoediging voor een dag, hoewel gepaard met de waarneming van de wezenlijke plichten die op zo’n dag vereist worden, zal aan Gods wil in dit opzicht beantwoorden.

    b. Want onze verootmoediging moet buitengewoon zijn. Vernedering over onze zonden is een plicht die altijd op ons ligt. "Met onze God ootmoedig te wandelen", is de voornaamste zaak die de Heere van ons in de wereld eist, Hos. 6:8. Hierom is de zelfvernedering en een gevoeligheid over de zonden, het leven, de ziel en het beginsel van alle andere daden en plichten die daartoe behoren. Maar als Gods roepingen buitengewoon zijn, zoals ze zijn heden ten dage, is het noodzakelijk dat wij ons op een buitengewone manier schikken tot deze zaken. Misslagen in de vereiste trappen van een plicht, maakt die onaangenaam en zonder uitwerking. Als wij ten aanzien van de tijden, gelegenheden, manieren, middelen en hoedanigheden van deze plicht, onszelf met geen naarstigheid die meer dan gewoon is, en ook niet met een groter voornemen van het hart daarop toeleggen, schieten wij tekort in wat van ons wordt verwacht. Als wij met God bij buitengewone gelegenheden slechts in een gewone gestalte van het hart handelen, dan verachten wij Hem. Of tenminste is het een bewijs dat wij geen behoorlijk ontzag hebben voor Zijn oordelen, en ook geen voldoende bekommering wegens het deel dat wij erin zullen krijgen.

    c




    Foto

    Getuigenissen van de jongeren van Cenacolo
  • Deel 1
  • Deel 2
  • Deel 3
  • Deel 4
  • Deel 5
  • Deel 6
  • Deel 7

  • Foto

    Foto

    Foto

    Godelieve heeft voor mij
    deze prachtige pps gemaakt
    waarvoor mijn dank





    Foto

    Schrijft u wat in mijn gastenboek
    klik dan op het boek boven




    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Klik op het plaatje en krijg een prachtige rondleiding door het Vaticaan
    Ieder nummertje is weer iets moois
    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Image and video hosting by TinyPic
    Foto

    Een interessant adres?


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!