Behoedzaam wreef ik met mijn eeltige vingers het zweet van het voorhoofd, de blakende Meizon folterde mijn bloeddoorlopen ogen en door de vermoeidheid kon ik ze nog amper open houden. Mijn blik dwaalde over de kasseiweg, die langs beide zijden omzoomd met hoge populieren, kaarsrecht doorliep tot aan het kerkhof. Een bosje, waarboven een zwerm opgewonden kraaien in warrelende duikvlucht krijsend hun genoegen te kennen gaven, strekte zich uit tot aan het gasthof Ma Campagne.
Waren het de lijken van de Tommys of de opwalmende stank van rottend voedsel uit een achtergelaten veldkeuken waardoor ze zo opgewonden geraakten , ik zou het tot mijn spijt maar later te weten komen. Eigenlijk kon het me niet veel schelen. Rechtover het kerkhof steeg de statige zuil van de watertoren, als bij wonder vrijwaard van het oorlogsgeweld, boven de kruinen van de bomen ten hemel. Het zicht alleen al van de toren die als een symbool van mijn ongehavende thuiskomst statig ten hemel rees gaf me de moed en de wilskracht om verder te gaan. Overmand door de uitputting probeerde ik in een laatste poging mijn weg huiswaarts verder te zetten, maar ten einde krachten streek ik neer in een duinenpan. Terwijl wazige beelden, als in een vertraagde film, over de laatste doorstane beproevingen me voor de ogen verschenen viel ik langzaam in een diepe slaap.