Al van ver zagen we het huisje staan. Het is een groot huis dat onbewoond lijkt maar toch zijn we voorzichtig. We verkennen de verschillende kamers en nemen alles mee wat we eventueel kunnen gebruiken. Plots zie ik in het bed een geraamte liggen. Het is niets wat ik nog niet eerder gezien heb maar toch word ik er even stil van. In de badkamer wassen we ons stinkende lichaam en poetsen we na een lange tijd onze tanden met het materiaal dat we daar vinden. We doorzoeken de buurt nog even voordat we weer verder gaan en stoten op een luik. Het is een groot en zwaar luik maar ik help hem zo goed ik kan om het toch open te krijgen. Dit lukt en we dalen af naar beneden. Wat we daar te zien krijgen, doet ons hartje ineens sneller slaan. De kelder ligt vol met voedsel en overlevingsmateriaal! Dit geschenk komt als geroepen want de laatste dagen hebben we amper nog iets gegeten. We eten ons buikje vol en vallen met een voldaan gevoel in slaap. Enkele dagen later horen we andere mensen die op het terrein wandelen. Mijn papa besluit dat het hier niet meer veilig is en we maken ons klaar om te vertrekken. We pakken zoveel voedsel mee als we maar kunnen, laden dit op een kar en zetten onze tocht verder richting het zuiden.