Een selectieve zelfbiografie van Z tot A, dit maal de Y
Y
YGGDRASIL
Een naam uit de Noorse mythologie,
recht uit de Eddas. Om eerlijk te zijn heb ik mij weinig ingelaten met die
materie, hoe boeiend ze ook lijkt. En toch een Y voor Yggdrasil.
Yggdrasil, even het geheugen
opfrissen, is de heilige boom die midden in de wereld staat, de wereldboom dus,
een es. Onder zijn kruin zitten dagelijks de goden, de asen, te discussiëren.
Hier bevindt zich de wereld van de goden, de Asgaard, het Walhalla. Yggdrasil
heeft vele en machtige wortels, en tussen die wortels vinden we dan het
dodenrijk Hel, maar ook Midgaard, de wereld der mensen en voorts zijn er
plaatsen voor reuzen, nornen, draken en wat al niet meer.
Toegegeven, de Y, net als de Z, X en
Q niet bepaald de populairste beginletter, dus wie daar bij hoort, maakt wel
meer kans dan pakweg een woord dat met M of P begint. Maar zoals verleden keer
in het voorwoord vermeld: het gaat niet om het woord an sich of wat er achter
steekt, eerder om de subjectieve (levens)ervaring die het woord in kwestie bij
mij oproept, dus niet zozeer Yggdrasil dan wel míjn Yggdrasil.
En daarvoor moeten we naar Luik
trekken, begin van deze eeuw. De Opéra de Wallonie programmeert, gespreid over
twee jaar, de volledige tetralogie van Richard Wagner. Het eerste jaar Das
Rheingold en Die Walküre, het jaar erop Siegfried en Götterdämmerung. Een
buitenkansje zo leek mij en dat was het ook, een doos, misschien van Pandora,
vol verwachtingen en als symbool par excellence Yggdrasil. Ik verklaar mij
nader.
Iedereen kent dat gevoel wel: de uren
van ingehouden spanning vlak voor een vertoning waarvan men verwacht dat ze
groots en onvergetelijk zal worden, je vindt het zowel bij operaliefhebbers als
bij voetbalsupporters er zijn wel meer gelijkenissen tussen een
voetbalwedstrijd en een opvoering van een opera, maar dit is hier niet het
forum om er nader op of tegen in te gaan. Een ferme treinreis, nog geen
(afgewerkt) staal, glas en beton van Calatrava in Luik-Guillemins, een
overjaars hotelletje, inchecken. En dan eindelijk de neoklassieke gevel van de
opera op de Place de la République Française. Na de blijde inkomst met de
(nogal dure) kaartjes, de vestiaire, het geschuifel in de inkomsthal, de
trappen op, nog trappen op, nog trappen, nog tweemaal trappen op ik zie het
mij vandaag niet meer doen - dan het hortende schuiven in de veel te smalle
rijen naar je genummerde zitplaats, zeventien? Ja dix-sept. Het doven van de
lichten, het verstillen van het geroezemoes, het doek dat opengaat of in dit
geval niet opengaat maar waar je blik door een aangepaste belichting naar toe
gezogen wordt en dan zie je geborduurd? geschilderd? gedrukt? een reuzengrote
een understatement gestileerde afbeelding van Yggdrasil, de wereldboom en
dat terwijl in de orkestbak de ouverture tot Das Rheingold en in feite tot de
hele Ring des Nibelungen weerklinkt, aanzwelt, zich nestelt tussen je oren en
een onbeschrijfelijk zeg dat wel! gevoel van verwachting opwekt, het begin
van een mythisch verhaal met bovenmenselijke dimensies, de eerste noten van
veertien uur muziek en drama over twee jaar uitgesmeerd. En wat je hoort een
sidderende grootsheid en wat je ziet een drukkende, glinsterende aanwezigheid
van Yggdrasil. Je zou voor minder je adem willen inhouden! Op het puntje van je
stoel zitten was al niet meer nodig, want de stoel bestond maar uit een puntje
met dito leuning. Tot het doek met de wereldboom open gaat, en de lichten traag
de groene Rijnoevers beschijnen met daarin, jawel, dartelend, spelend, zich van
geen kwaad bewust, Wellgunde, Flosshilde en Woglinde, de Rijndochters, symbolen
van de prenatale oertoestand in het water, als vissen zo glad, drie sirenen,
drie Loreleien. Nur wer der Minne Macht versagt, nur wer der Liebe Lust verjagt, nur der
erzielt sich den Zauber, zum Reif zu zwingen das Gold (Wie alle minnebanden
slaakt, wie geen liefdeslust meer plaagt, die alleen verwerft zich de macht het
goud tot een ring om te toveren). Waarmee
veertien uur opera in één zangerige gil samengevat wordt. Weia! Waga! Woge, du Welle! Walle zur Wiege! Wagalweia! Walala weiala
wei--a! Ja
er scheelde iets aan Wagner, en was dat maar het enige!
Samengevat: Yggdrasil als metafoor
voor zinderende verwachting.
Kwamen
ook in aanmerking: Yoga, Yo-yo Ma
Ysaÿe
Zijn borstbeeld twee of driemaal de
natuurlijke grootte staat in Luik, aan de Boulevard Piercot, hij is er ook
geboren in 1858. Een natuurtalent, een beetje wonderkind ook en op zijn 23ste
concertmeester aan wat later de Berliner Philharmoniker zou worden, groot
violist vooral maar ook componist. Later eveneens professor aan het
conservatorium van Brussel en als dusdanig privéleraar van onze Belgische Queen
Elizabeth, en zo weet je hoe het concours Reine Elisabeth verwekt werd en in
1937 het licht zag. Ysaÿe, een echte Bourgondiër die op zijn 70ste
trouwde met een leerlinge van hem, half zo oud op dat ogenblik. Het koppel zou
slechts korte tijd gelukkig zijn, want drie jaar later stierf Ysaÿe. Tot zover
de officiële Eugène Ysaÿe. Mijn Ysaÿe is die van de sonates voor viool solo,
opus 27. Zes sonates opgedragen aan zes van door Ysaÿe zeer bewonderde
collegas-violisten: Jacques Thibaud, Georges Enescu, Fritz Kreisler om er
maar drie van te noemen. Meer nog, in elk van deze sonates probeerde Ysaÿe iets
van de eigen stijl van deze violisten te leggen. Na de sonates en partite van
Bach voor mij toch de mooiste stukjes ooit voor vioolsolo geschreven, en
ook niet de gemakkelijkste. Virtuositeit is het woord dat bij deze stukken
past. Het bekendst wellicht is de parafrasering van één van de meest
geparafraseerde muziekstukken: het Gregoriaanse Dies Irae, luister naar de
prelude van de tweede sonate, in la klein. Ysaÿe noemt dit deel heel passend
Obsession.
Kwamen ook in aanmerking: niemand
Yourcenar
Net als bij Stefan Zweig, heb ik
lang, lang geleden deze Mareguerite ontdekt via een klein, fijn werkje, het was
verschenen in de reeks Belleterie, een jeugdwerkje zowaar, maar wat een effect
had deze novelle niet op een verliefde tiener! Alexis of het verhaal van een
vergeefse strijd. Ik heb het meer dan eens ter hand genomen en dan in één haal
uitgelezen, daarna eens uitgeleend en nooit meer teruggezien, het dan maar in
het Frans gekocht: Alexis ou le traité du vain combat. Een juweeltje! Echt,
zoals dat juweeltje van die andere Marguerite, Duras: Allegro moderato, bij
mijn weten ook een jeugdwerk. Weliswaar twee totaal verschillende verhalen en
zeker verschillende stijlen, maar beide twee pareltjes van de Franse
literatuur, en dan te weten dat de twee Marguerites mekaar het licht in de ogen
niet gunden, of zijn die praatjes overdreven?
Alexis of de verhandeling van een
vergeefse strijd, is feitelijk niets anders dan een nogal dubbelzinnig aftasten
van de biseksualiteit, iets wat ik bij de eerste lezing niet doorhad, en nu we
het levensverhaal van Yourcenar kennen, blijkbaar erg autobiografisch: haar
eerste verliefdheid betrof een homoseksuele man. Geschreven in de briefvorm,
direct maar gewaagd dus: Alexis die in een lange brief zijn vrouw Monique
tracht uit te leggen waarom hij haar verlaat. De bekentenissen van Alexis zijn
op zijn zachtst gezegd nogal bedekt vandaar dat ik die dingen tijdens een
eerste lezing niet doorhad - hij schrijft onder meer datgene waarover ik het nu heb, wordt beschouwd als een ziekte,
hij (zij, M.Y., ook hoor) zoekt voortdurend naar de juiste woorden om zijn
innerlijke strijd tussen begeerte en angst uit te drukken. En dan het
lichamelijke, dit eeuwige aantrekken en afstoten, hij gruwt van aanrakingen
maar verlangt dan weer mateloos naar vleselijk genot. En bovendien een knap
staaltje van zelfmedelijden ook: Ik heb
nooit liefgehad, ik zou alleen van een volmaakt mens kunnen houden. Een
boekje om te koesteren, één van de vele trouwens, dat gaat u nog merken.
Kwam
ook in aanmerking: Yalom
Ykens Catharina
Tja, veel Ys ga je niet ontmoeten in
de wereld van de beeldende kunsten (Xen nog minder, dat belooft!). Dat er wel
ergens een Young zou te vinden zijn die het in het wereldje min of meer gemaakt
had, was te verwachten, en inderdaad is er Peter Young, een nu 73-jarige
schilder uit de VS. En er zijn nogal wat Peter Youngs die geen schilder zijn
ook. Nee dus, ik kies voor Catharina Ykens. Antwerpse, XVIIe eeuw en vrouw, het
lijkt bijna een theodicee. En toch net als bij ArtemisiaGentileschi
een dikke eeuw vroeger, was haar vader Jan Ykens ook schilder, het vak kon dus zonder
veel ruchtbaarheid geleerd worden. Zij signeerde haar werk heel devoot met
Catherina van Ykens, filia devota. Ykens is vooral bekend, nou ja, voor zover
ze al bekend zou zijn, om haar kleurige guirlandes en slingers of haar
portretten met fruit- en bloemenslingers errond. Maar het werkje van haar dat
ooit mijn aandacht trok is een wat luguber ogend schilderijtje, een typische
vanitas: grijnzend doodshoofd met sieraden behangen. En zijn het niet juist die
sieraden die het geheel een macaber gevoel geven? Symbolen van een rijk en
bloeiend leven, bekijk die oorhangers maar, de rozen in het haar gevlochten, de
distelvink die in de nu nog verse bessen pikt, het zou frivool en levenslustig
kunnen zijn, was er niet dat masker: een schedel met een al half vergaan
neusbeen. Memento mori of eerst ick, dan gy!
Kwamen
ook in aanmerking: niemand, ook Peter Young niet
York(shire)
York blijft toch York. Het bekende (?) mnemotechnisch regeltje
voor morseseinen. Een lettergreep met een o staat voor lang, de andere
lettergrepen voor kort: A, atoom, kort-lang ( . _ ); B, bokkenwagen, lang-kort-kort-kort ( _ . . . ); enzovoort en ja,
Y, York blijft toch York , lang-kort-lang-lang ( _ . _ _ ).
Maar York is voor mij in de eerste
plaats toch het Early Music Festival. Ik was er ooit op vakantie. Het stadje
zelf: alleen al om zijn omwalling, waar je op kunt lopen en de binnenstad
bekijken, is York de moeite waard. Vaut un détour. De omgeving nog meer:
heerlijk de eeuwige wind opsnuiven op de Wuthering Heights, de krachtige
wolkenformaties bewonderen, iets wat ik toen te expliciet gedaan heb, want het
hobbelige terrein zorgde ervoor dat ik daar mijlen ver weg van de bewoonde
wereld mijn enkel verzwikte. Een zeegevoel zie Zeebrugge in de heuvels!
Klopt inderdaad: weidsheid, de enkeling tegen de elementen, kale rotsblokken en
dan die nooit rustende wind en de uitgestrekte landschappen met de
erica-purperen heuvels rondom. Mij eventjes de rancuneuze Heathcliff gevoeld,
de rauwe Ralph Fiennes uit de gelijknamige film van Peter Kosminsky, maar bij gebrek aan een Cathy of een Juliette Binoche
dan maar prozaïsch naar de parking gehinkt.