1. Wat denk je 's ochtend voor de spiegel?
A 'Wow! Ben ik dat?'
B 'Hé, zie ik daar een puistje?'
C Je denkt niks. Je glimlacht.
2. Op school is Laura de grote superster.
A Je raakt gedeprimeerd als je naar haar kijkt.
B je aapt haar schoonheid trucjes na.
C Jij bent Laura
3. Je lijdt onder enorm veel liefdesverdriet...
A Je denkt dat niemand je nog kan opvrolijken.
B Je roept de hulp in van je beste vriendin.
C Het gaat wel over. Hij is al dat verdriet niet waard.
4. Lien heeft 'vergeten' je uit te nodigen voor haar verjaardag.
A Heel normaal. Je bent immers niet leuk genoeg.
B Je belt haar op en vraagt om uitleg.
C Aha, zit het zo? Volgende woensdag geef jij een feestje...zonder Lien!
5. Ai! Een slecht resultaat bij het laatste wiskunde proefwerk.
A Tja, je bent en blijft een grote nul.
B Je vraagt de leraar om uitleg over je fouten.
C Die leraar is super streng, dat weet iedereen.
Vooral A: Leer van jezelf te houden
Waarom ben je zo hard voor jezelf? Iedereen heeft zijn gebreken en kwaliteiten! Zoek uit welke de jouwe zijn en stop met alleen de negatieve kant van alles te zien.
Vooral B: Goed in je vel
Je bent op de goede weg. Je hebt voldoende eigenliefde om jezelf naar waarde te kunnen schatten, zonder je zwakke kanten te ontkennen. Proficiat! Op de zelfvertrouwen zul je je hele leven nog kunnen steunen!
Vooral C: Kalmpjes aan, hè!
Twijfelen staat niet in je woordenboek! Jij hebt een uitstekend zelfbeeld. Bravo! Met zo veel zelfvertrouwen kun je bergen verzetten! Maar voorzichtig: overdrijf het niet. In jezelf geloven is oké, maar hoogmoed siert je niet!
|