|
Timothy
Ik weet het nog. Hét. Het moment. Er was alleen maar mist. Niet alleen rond mij. Ook in mij. Ik kon me niet meer voor de geest halen wanneer deze dikke brij voor het eerst in mij geslopen was. Een waas die het lijden in mij wakker maakte. Het was kil en het regende. De natte verdorde bladeren lieten zich voor mn voeten waaien, en maakten het stappen nog moeilijker dan het al was. Alsof ze elke beweging afstraften die teveel leven bracht. Druppels drupten van mn haar op mn gezicht. Mij kon het niet deren. Al maanden niet meer, misschien zelfs jaren. Ik stapte het hek door. De bladeren bleven verwoede pogingen doen om mij te belemmeren. De schoenen stapten door, plas in, plas uit.
Waarom ze plots een andere weg op wilden, daar had ik geen flauw benul van. Deze weg was mij totaal onbekend. Ik kon niet anders dan mn eigen voeten volgen. Zolang mn ze me uiteindelijk brachten waar ik wou zijn, deed het er niet toe. Ik keek rond. De bomen waren hier duidelijk ouder. Sommige waren getekend voor het leven, droegen initialen met zich mee. De bladeren vielen me van boven aan. Eiken en beuken losten om beurten hun bruine en rode stortvloed, gegeseld door de wind. Ik zag ze dwarrelen, tot ze niet meer konden dwarrelen. En alsof een boom zich van kleur had vergist, drentelde er een gele naar beneden. Verbaasd volgde ik zn val en keek waar hij belandde.
En toen zag ik haar. De verstomming sloeg mij lam. Een vreemd gevoel bekroop me. Verward liep ik door. Het leek alsof ze me achterna staarde. Mezelf overtuigend om niet achterover te kijken, stapte ik nog harder door. Bladeren bleven zich tegen me werpen, georchestreerd door een steeds erger wordende plensbui. Maar de regen kon me niet deren. Het enige wat ik merkte was de mist in mn hoofd die kolkte en klutste. Wie was ze? En de mist bleef verderkolken en ik bleef verderstappen, steeds harder en harder
|